11e2 Kom St. Willebrord Dorpsstraat 91-95 te St. Willebrord Toelichting Bijlage 2 Archeologisch bure 1
Tekst van het document
Tabel IV geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor Dorpsstraat 95. Tabel V.
Verleende bouwvergunningen Dorpsstraat 95
Naam aanvrager
Jaartal
Omschrijving
M. Roks
1974
Bouwen van een stenen garage. Bouwtekening ontbreekt.
Uit de bouwvergunningen van Dorpsstraat 93 blijkt dat een deel van het gebouw is onderkelderd, bij de aanleg van deze kelder zal het archeologisch niveau zijn weggegraven. De resterende bodemingrepen betreffen de funderingen die reiken tot op of in de vaste bodem, in variërende dieptes. Bij de aanleg van deze funderingen kunnen archeologische waarden zijn aangetast of weggegraven. Over de andere bebouwing in het plangebied, Dorpsstraat 91 en 95, zijn geen gegevens bekend over bodemingrepen. Voor alle bebouwing geldt dat ze zijn aangesloten op gas, water, licht, riool, etc. Voor het leggen van kabels en leidingen kunnen ook archeologische waarden zijn verstoord. Bij het raadplegen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de bestaande bebouwing blijkt dat de bebouwing aan de Dorpsstraat 91 uit 1968 dateert (woonhuis en kroeg), het woonhuis aan de Dorpstraat 93 uit 1966 en het woonhuis aan de Dorpsstraat 95 uit 1901.39 Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 40 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn.
Wel zijn er rond het plangebied explosieven geruimd, maar gezien het historisch gebruik van het plangebied (veel bebouwing en gebruik sinds de Tweede Wereldoorlog) worden deze in het plangebied niet verwacht. Aanvullende informatie 39
Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 40
Rapport 13369.002 versie 2
Pagina 14 van 22
Heemkundekring Willebrord Voor aanvullende informatie is via email in september contact gezocht met de plaatselijke Heemkundekring, maar hier is geen reactie op gekomen. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel VI.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)PaleolithicumMesolithicum
Laag
Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor/het akkerdek en in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum-
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor/het akkerdek en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor/het akkerdek en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd- Romeinse tijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor/het akkerdek en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor/het akkerdek en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor/het akkerdek en in de top van de dekzandafzettingen
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder de bouwvoor/het akkerdek en in de top van de dekzandafzettingen
Uit de landschappelijke ligging op terrasafzettingswelvingen, ver van oppervlaktewater, blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum en Mesolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars. Eerder zullen zij zich op de flanken van beekdalen of dekzandruggen hebben gevestigd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage
Rapport 13369.002 versie 2
Pagina 15 van 22
en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.41 Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.42 In de nabijheid van het plangebied zijn in het verleden sporen aangetroffen van een nederzetting die (breed) gedateerd is op Neolithicum tot aan de IJzertijd. De verwachting om sporen aan te treffen binnen het plangebied uit het Neolithicum en de Bronstijd is daarom middelhoog. Vanaf de Late-Bronstijd werd het gebied een stuk natter. Vanuit de beekdalen groeide het veen over alle lager gelegen delen van het landschap uit, totdat het grote delen van het grondgebied van Sint Willebrord, waaronder het plangebied, bedekte. Bewoningssporen uit deze periode zijn door de natte omstandigheden niet aannemelijk. Uit de gegevens van de Turfdatabank en de Paleogeografische kaarten blijkt dat het plangebied waarschijnlijk niet bedekt is geraakt met veen. De gespecificeerde verwachting voor archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de VroegeMiddeleeuwen is daarom middelhoog.
Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 43 Pas vanaf de Late-Middeleeuwen vonden nieuwe activiteiten plaats in de omgeving van het plangebied. Vanaf de tweede helft van de 13e eeuw werden de venen in West-Brabant afgegraven voor turfwinning. Deze ontvening ging door tot ongeveer 1700. Alleen in de diepste delen van het landschap, zoals het beekdal bij St. Willebrord, komen nog kleine gebieden met veen voor. Het plangebied is in de tweede helft van de 14e eeuw ontgonnen. De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Late-Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd. Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied in de 19e eeuw in gebruik is als heide. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw wordt het plangebied in agrarisch gebruik genomen als bouwland en later als grasland. Vanaf 1910 tot heden is het plangebied deels bebouwd.
De gespecificeerde verwachting voor archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen is daarom middelhoog en Nieuwe tijd hoog. De archeologische resten worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven.
41
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 43 Renes, 1999. 42
Rapport 13369.002 versie 2
Pagina 16 van 22
Het plangebied was in het verkleden in gebruik als heide en daarna in agrarisch gebruik genomen. Vanaf 1910 tot heden is het plangebied deels bebouwd. Door ploeg-, bouw- en sloopwerkzaamheden kan de bodem verstoord zijn geraakt. 2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. De gespecificeerde archeologische verwachting is laag voor resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum, middelhoog voor resten uit het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen en hoog voor resten uit de Nieuwe tijd. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 28 september 2020 door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) vijf boringen tot maximaal 1,6 meter onder maaiveld gezet (Figuur 10). De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.44 De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).
44
Bosch, 2005.
Rapport 13369.002 versie 2
Pagina 17 van 22
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de opbouw van de bodemde bodemopbouw als volgt worden weergegeven. Onder een (sub-)recent dek bestaande uit stabilisatiezand en/of een humeus eerddek ligt een vergraven laag met restanten van een podzol. Dit ophoogdek/cultuurdek heeft een dikte van 30 cm in het zuidwestelijk deel van het plangebied maar zo’n 80 tot maximaal 110 cm in de rest van het plangebied. Hieronder ligt bij twee boringen een Bhs (boringen 2 (op ca. 8,3 m +NAP), en 5 (op ca. 8,2 m +NAP)) met daaronder een BC-horizont. Bij boring 1 ligt onder de vergraven laag gelijk de BChorizont (op ca. 8 m +NAP). Onder de BC-horizont, en bij boringen 3 (op ca. 8,6 m +NAP) en 4 (op ca. 9,4 m +NAP) gelijk onder de vergraven laag, ligt de C-horizont. Het moedermateriaal bestaat uit matig fijn zwak siltig dekzand. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. De bodemopbouw binnen het plangebied is over het algemeen licht verstoord, tot in de B-horizont. Aan onderzijde van het verstoorde pakket zijn nog resten zichtbaar van een podzolprofiel. Bij drie boringen is nog sprake van een BC-horizont.
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van terrasafzettingswelvingen en de historische ligging van het plangebied de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het verkennend booronderzoek kan worden vastgesteld dat het plangebied in het verleden droog genoeg is geweest voor podzolisatie en dus voor bewoning. Het podzolprofiel is echter grotendeels afgetopt waardoor er geen verwachting meer is voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum (de gespecificeerde verwachting voor deze perioden was toch al
Rapport 13369.002 versie 2
Pagina 18 van 22
laag), maar nog wel voor grondsporen en mobilia van agrarische samenlevingen vanaf het Neolithicum. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Gezien de aanwezigheid van een mogelijk archeologisch niveau al op 30 cm onder maaiveld, ter hoogte van boring 4, is archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk indien er binnen het plangebied dieper ontgraven wordt dan het maaiveld. Aangezien verwacht wordt dat alleen een sporenniveau zonder vondstlaag aanwezig is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Booronderzoeken zijn in historische kernen minder geschikt gezien de grote kans op het voorkomen van puinlagen die aan historische bebouwing toegeschreven kunnen worden. Het proefsleuvenonderzoek kan het beste worden uitgevoerd na de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing, tot en met vloeren. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen.
Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Rucphen). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 13369.002 versie 2
Pagina 19 van 22
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Boer, A. de, 2016: Pastoor Bastiaansensingel 17, Sint Willebrord, gemeente Rucphen: een bureauen inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen, verkennende fase. Bureau voor Archeologie Rapport 287. Utrecht Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). D’hondt, F.G.R., 2010: Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven. Dorpsstraat 7177, Sint Willebrord, Gemeente Rucphen. Heienoord. Feest, N.J.W. van der, 2012: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen Gagelrijzen 4 te Sint Willebrord. AM12021. Roermond. Groot, N.C.F., 2011: Gemeentelijke erfgoedkaart gemeente Rucphen. IDDS-rapport 1132 Hutjens, N., 2020: Rapportage verkennend bodemonderzoek Dorpsstraat te St. Willebrord. Econsultancyrapport 13369.001. Boxmeer. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag.
Leenders, K.A.H.W., 2013: Turfvaarten, een geactualiseerde verkenning. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mientjes, A.C., 2017: Rapportage IVO-P en AB Pastoor Bastiaansensingel 17 te Sint-Willebrord in de gemeente Rucphen. Econsultancyrapport 2127.001. Swalmen. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden.
Rapport 13369.002 versie 2
Pagina 20 van 22
Stichting voor Bodemkartering, 1980: Bodemkaart van Nederland schaal 1 : 50.000 : toelichting bij d kaartbladen 54 oost Terneuzen 55 Hulst en het Zeeuws-Vlaamse deel van de kaartbladen 48 Oost Middelburg 49 West Bergen op Zoom. Tebbens, L.A., 2016: Ontstaansgeschiedenis van het landschap, het gebruik en de locatiekeuze. In: Ball, E.A.G. en R.M. van Heeringen (red), 2016. Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. Nederlandse Archeologie Rapporten 51. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort. Timmermans, F., L. Weterings-Korthorst, G.R. Ellenkamp en H.J.L.C. Koopmanschap, 2019: Toelichting op de actualisatie van de archeologiekaarten en beleid gemeente Rucphen 2019. RWB Etten-Leur. Tol, A.J. & W. Laan, 2009: Begrensd land. Een studie naar de archeologische landschappen van Noord-Brabant. Archol rapport 125. Leiden. Vos, P. & S. de Vries, 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0). Utrecht (Deltares). Wilgen, I.R. van, 2009: Archeologische Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen. Plangebied Dorpsstraat 71-77 en gedeelte Lijsterstraat 22, te Sint Willebrord, gemeente Rucphen. Heinenoord. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 13369.002 versie 2
Pagina 21 van 22
BRONNEN AHN; internetsite, september 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, september 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), internetsite, september 2020. http://bagviewer.kadaster.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, september 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Brabant.nl; internetsite, september 2020. https://noordbrabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc8ae06f8 Brabantse Bodematlas; internetsite, maart 2021. https://kaartbank.brabant.nl/viewer/app/bodematlas Dinoloket; internetsite, september 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, september 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, september 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, september 2020. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK); internetsite, september 2020. https://pdokviewer.pdok.nl Ruimingskaart; internetsite, september 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, september 2020. https://www.sikb.nl Turfdatabank; internetsite, september 2020.
http://geoloket.provincieantwerpen.be/HTML5_251_NL/?viewer=extern&LayerTheme=12&extent=371 183.1034793,6619826.820527,643298.9241744,6793491.748791,102100 VEO Bommenkaart; internetsite, september 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 13369.002 versie 2
Pagina 22 van 22
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland45
Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
45 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 13369.002 versie 2
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied46
Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
46 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 13369.002 versie 2
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied47
Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
47 Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK)
Rapport 13369.002 versie 2
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart 48
Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord. Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Rucphen Legenda Plangebied
48
Timmermans, e.a., 2019.
Rapport 13369.002 versie 2
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart 49
49
Wageningen Environmental Research, 2017.
Rapport 13369.002 versie 2
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 50
50
AHN
Rapport 13369.002 versie 2
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart51
Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
51
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 13369.002 versie 2
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied52
Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3) Plangebied
52
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 13369.002 versie 2
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Situatie 1824 (bron: Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed)
Situatie 1850-1864 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1870 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1897 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1910 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Situatie 1937 (bron: Kadaster Topotijdreis)
Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 13369.002 versie 2
Figuur 10. Boorpuntenkaart
Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer
Rapport 13369.002 versie 2
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 13369.002 versie 2
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 815
2650
IVb Subboreaal koeler droger
2000
3755
IVa
5000
4900
5300
7020
8240
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 13369.002 versie 2
Bijlage 2 Zaaknummer (OMnummer) 3991116100
Onderzoeksmeldingen
Locatie
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek
70 meter ten noordwesten van het plangebied te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99651/395996
Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Bureau voor Archeologie Datum: 4-3-2016 Resultaat: De nieuwbouw wordt gerealiseerd in zones waar het bodemprofiel intact is. Onder het antropogene dek kunnen archeologische waarden aanwezig zijn. Deze worden in dat geval bij de ontwikkeling vergraven. Daarom wordt aanbevolen een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden nader te bepalen. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Bureau voor Archeologie Datum: 9-3-2016 Resultaat: De nieuwbouw wordt gerealiseerd in zones waar het bodemprofiel intact is. Onder het antropogene dek kunnen archeologische waarden aanwezig zijn. Deze worden in dat geval bij de ontwikkeling vergraven. Daarom wordt aanbevolen een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden nader te bepalen. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 17-8-2016 Resultaat: In het plangebied zijn 4 proefsleuven aangelegd en is de ondergrondse sloop van de bestaande bebouwing gedeeltelijk archeologisch begeleid. Bij het archeologische onderzoek zijn met name (sub)recente verstoringen aangetroffen, beneden een dun plaggendek in de top van het dekzand.
Daarnaast zijn enkele ontginningssporen aangetroffen, die gedateerd kunnen worden tot terug in de 17e eeuw Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: SOB Research Datum: 29-1-2008 Resultaat: Er is een vrijwel intact bodemprofiel aangetroffen met esdek op dekzand (met Bhorizonten) Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: SOB Research Datum: 15-12-2008 Resultaat: Geen verder onderzoek
3991124100
70 meter ten noordwesten van het plangebied te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99651/395996
4008482100
70 meter ten noordwesten van het plangebied te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99651/395997
2183658100 (26550)
105 meter ten zuiden van het plangebied Dorpsstraat 71-77 te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99782/395775 105 meter ten zuiden van het plangebied Dorpsstraat/Lijsterstraat te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99774/395780 105 meter ten oosten van het plangebied Gagelrijzen 4 te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99930/395942
2225194100 (32424)
2361817100 (51051)
3974722100
165 meter ten noordwesten van het plangebied te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99597/396033
2429128100 (59746)
310 meter ten zuiden van het plangebied te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99675/395557
2429169100 (59752)
310 meter ten zuiden van het plangebied Emmausplein te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99677/395568
Rapport 13369.002 versie 2
Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Aeres Datum: 26-3-2012 Resultaat: De tijdens het onderzoek verworven gegevens geven een beeld van een deels verstoorde locatie waarbij de verstoring tot voorbij de originele bodemopbouw reikt. Daar waar de bodemopbouw nog ten dele intact is kan worden opgemaakt dat er sprake is van een venig of moerig pakket wat doet vermoeden dat de locatie altijd te nat is geweest om interessant te zijn voor bewoning. Dit beeld geeft aanleiding om te adviseren dat eventueel verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 8-10-2015 Resultaat: Op grond van de verwachting voor resten uit de periode Mesolithicum – Midden IJzertijd adviseert ADC ArcheoProjecten een karterend inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Doel van het onderzoek is het terrein systematisch onderzoeken op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 6-1-2014 Resultaat: De archeologische verwachting is voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum laag, hoog voor het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd en laag voor de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd.
Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 8-1-2014 Resultaat: Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht in een deel van het plangebied. In het onverstoorde deel van het plangebied, de zuidwesthoek en de noordoosthoek, kunnen nog eventuele archeologische waarden verwacht worden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het verstoorde deel van het plangebied, het centrale deel, vrij te geven. Voor het onverstoorde deel van het plangebied, de zuidwesthoek en de noordoosthoek, adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onder-
2063186100 (9437)
315 meter ten westen van het plangebied Gemeente Rucphen Coördinaat: 98592/394307
2298070100 (42523)
325 meter ten zuidwesten van het plangebied Dahliastraat 45A te Rucphen Gemeente Rucphen Coördinaat: 99459/395787
2311475100 (44377)
325 meter ten zuidwesten van het plangebied Dahliastraat 45A te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99459/395786
4583420100
325 meter ten zuidwesten van het plangebied te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99462/395768
2089974100 (9371)
380 meter ten oosten van het plangebied Luijenbroek te Rucphen Gemeente Rucphen Coördinaat: 100344/395723
2268538100 (38466)
420 meter ten zuidwesten van het plangebied Sint Margrietstraat 4 te Rucphen Gemeente Rucphen Coördinaat: 99482/395605
Rapport 13369.002 versie 2
zoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P). Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Arcadis Datum: 30-5-2008 Resultaat: In het kader van de MER omlegging N638 wordt in opdracht van de gemeente Rucphen en de provincie Noord-Brabant een archeologisch bureauonderzoek en effectbeschrijving uitgevoerd. De onderzoeksmelding omvat het gehele onderzoeksgebied waarbinnen de 4 te onderzoeken tracés met bijbehorende alternatieven liggen. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: MUG Ingenieursbureau BV Datum: 13-8-2010 Resultaat: Op grond van de landschappelijke ligging en bodemkundige waarden dient rekening te worden gehouden met archeologische resten uit de prehistorie. Eerder uitgevoerd onderzoek duidt bovendien op mogelijk aanwezige resten uit Middeleeuwen tot Nieuwe tijd. Indien uit booronderzoek blijkt dat sprake is van een esdek en een intacte bodem kunnen archeologische waarden uit mesolithicum tot middeleeuwen nog in situ aanwezig zijn. Uit te voeren verkennend booronderzoek zal dit moeten uitwijzen.
Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 17-12-2010 Resultaat: Het vervolgonderzoek dient te bestaan uit een archeologische bouwbegeleiding ter grootte van de bouwput van circa 100 m² en dient te worden uitgevoerd onder het protocol opgraven met de mogelijkheid van opgraven bij het aantreffen van sporen (dient te worden kortgesloten met de adviseur van het Regiobureau Breda). Voor het uitvoeren van een archeologische bouwbegeleiding dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, dat door de bevoegde overheid moet worden goedgekeurd. Ondertussen heeft de gemeente Rucphen het rapport laten beoordelen door Regio WestBrabant (L.Weterings-Korthorst) , waarin wordt aangegeven dat het vervolgonderzoek dient te bestaan uit een proefsleuf ter hoogte van de bouwput, waarbij alle sporen dienen te worden afgewerkt. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: Transect Datum: 25-1-2018 Resultaat: Op basis van het proefsleuvenonderzoek is geconcludeerd dat er geen behoudenswaardige, archeologische restanten bevatte. Er heeft dan ook geen doorstart naar een definitieve opgraving plaatsgevonden in overleg met het bevoegd gezag. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.
Landschappelijk gezien blijft in de nabije omgeving van het plangebied een hoge kans bestaan op archeologische resten, waarmee deze hoge verwachting behouden moet blijven. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Sweco Datum: 1-5-2003 Resultaat: Mochten in het plangebied archeologische waarden aanwezig zijn, dan is de kans dat ze door de geplande graafwerkzaamheden zullen worden verstoord zeer klein. Dit is het gevolg van de geplande ophoging van het plangebied. Eventuele archeologische vindplaatsen zullen worden afgedekt met een pakket grond van ca. 1m dik. Mocht er ten gevolge van de ophoging van het plangebied zetting optreden dan zal deze minimaal zijn en geen negatieve gevolgen hebben voor eventueel aanwezige archeologische resten. Het plangebied is een niet aantrekkelijk vestigingsgebied vanwege het natte karakter. De late ontginning van het plangebied en de moerige podzolgronden (natte context) die in het plangebied voorkomen, en het ontbreken van archeologische vondsten, zijn hiervoor een sterke aanwijzing. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek werd geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 9-11-2009 Resultaat: Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat de bodem van het veelal tot aan of zelfs in de C-horizont verstoord is door recente graafwerkzaamheden.
Op basis van de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.
Bijlage 3
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 4008482100
Locatie
Omschrijving
140 meter ten noordwesten van het plangebied Pastoor Bastiaansensingel 17 te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99640/396016
RECENT : - 8 kuilen,
4583420100
2063186100 (401461)
2289403100 (414574)
350 meter ten zuidwesten van het plangebied Dahliastraat 45A te Rucphen Gemeente Rucphen Coördinaat: 99462/395770 650 meter ten noordoosten van het plangebied Sint Willebrord te Rucphen Gemeente Rucphen Coördinaat: 100140/396470 800 meter ten noorden van het plangebied Emmastraat En Irenestraat te Rucphen Gemeente Rucphen Coördinaat: 100080/396708
4545204100
850 meter ten zuiden van het plangebied Vosdonkseweg te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 99862/395067
2309272100 (443922)
950 meter ten noordoosten van het plangebied Irenestraat te Sint Willebrord Gemeente Rucphen Coördinaat: 100213/396802
4027469100
4574802100
Rapport 13369.002 versie 2
950 meter ten zuiden van het plangebied Verl. Helakkerstraat En Verl. Vosdonkseweg, Rucphen, Gemeente Rucphen te Rucphen Gemeente Rucphen Coördinaat: 99612/394975 950 meter ten zuiden van het plangebied Koekoeksstraat (Naast Nr. 74) te Sprundel Gemeente Rucphen Coördinaat: 99704/394958
Nieuwe tijd - RECENT : - 3 greppels/sloten - 4 paalgaten Nieuwe tijd : - 4 kuilen, - 22 paalgaten Neolithicum - Nieuwe tijd : - fragment van huttenleem/verbrande leem
Neolithicum - IJzertijd : - 28 paalgaten Nieuwe tijd : - 2 fragmenten van gedraaid aardewerk - 7 fragmenten van tegels - 2 greppels/sloten Nieuwe tijd : - 35 kuilen, - 9 greppels/sloten - 15 paalgaten - spitspoor Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 7 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - 4 fragmenten van steengoed geglazuurd Nieuwe tijd : - fragment van witbakkend geglazuurd aardewerk - 10 fragmenten van keramische bouwmateriaal - greppel/sloot - 2 fragmenten van industrieel wit (Maastrichts/Regout) Late-Middeleeuwen : - 3 greppels/sloten Nieuwe tijd : - 4 kuilen, - 4 greppels/sloten Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - waterput
Bijlage 4
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 13369.002 versie 2
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 13369.002 versie 2
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.
Rapport 13369.002 versie 2
Bijlage 5
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 13369.002 versie 2
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 13369.002 versie 2
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 13369.002 versie 2
Bijlage 6
Rapport 13369.002 versie 2
Planontwerp
Bijlage 7
Rapport 13369.002 versie 2
Boorprofielen
Legenda (conform NEN 5104) grind
klei
geur
Grind, siltig
Klei, zwak siltig
Grind, zwak zandig
Klei, matig siltig
geen geur zwakke geur matige geur sterke geur
Grind, matig zandig
Klei, sterk siltig
Grind, sterk zandig
Klei, uiterst siltig
Grind, uiterst zandig
Klei, zwak zandig
uiterste geur
olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig
Klei, sterk zandig
zand
uiterste olie-water reactie
p.i.d.-waarde >0
Zand, kleiïg
>1 >10 Zand, zwak siltig
>100
leem
>1000
Zand, matig siltig
Leem, zwak zandig
>10000
Zand, sterk siltig
Leem, sterk zandig
monsters geroerd monster
Zand, uiterst siltig
overige toevoegingen zwak humeus
veen Veen, mineraalarm
matig humeus
Veen, zwak kleiïg
sterk humeus
ongeroerd monster volumering
overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand
Veen, sterk kleiïg
zwak grindig
Veen, zwak zandig
matig grindig
Veen, sterk zandig
sterk grindig
Gemiddeld laagste grondwaterstand slib
water
Rapport 13369.002 versie 2