CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

11e2 Kom St. Willebrord Dorpsstraat 91-95 te St. Willebrord Toelichting Bijlage 2 Archeologisch bure 1

gemeenteraad 29 september 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Dorpsstraat 91-95 te St. Willebrord’16.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK DORPSSTRAAT 91, 93 EN 95 TE SINT WILLEBRORD GEMEENTE RUCPHEN

Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord Opdrachtgever

Compositie 5 stedenbouw Boschstraat 35-37 4800 GB Breda

Rapportnummer

13369.002

Versienummer1

2

Datum

25 maart 2021

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

Dhr. drs. A.H. Schutte en dhr. drs. A.J. Wullink

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Dhr. drs. M. Stiekema

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

13369.002

Toponiem

Dorpsstraat 91, 93 en 95

Opdrachtgever

Compositie 5 stedenbouw

Gemeente

Rucphen

Plaats

Sint Willebrord

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Rucphen, sectie D, nummers 4128 en 5314

Omvang plangebied

circa 2.015 m2

Kaartblad

49F (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 99.775/Y: 395.930

Bevoegde overheid

Gemeente Rucphen Binnentuin 1 4715 RW Rucphen

T: 0165 – 349500 E: gemeente@rucphen.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Regioarcheologen programmabureau RWB Mevr. drs. L. Weterings-Korthorst Postbus 503 4870 AM Etten-Leur

T: 076-5027229 E: leonie.weterings@west-brabant.eu

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4896787100

Booronderzoek 4896795100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.) Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant

Uitvoerders

Econsultancy, dhr. drs. A.H. Schutte en dhr. drs. A.J. Wullink

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Compositie 5 stedenbouw in september 2020 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord in de gemeente Rucphen. In het plangebied zal na sloop van bestaande bebouwing nieuwbouw worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek De gespecificeerde archeologische verwachting is laag voor resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum, middelhoog voor resten uit het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen en hoog voor resten uit de Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodem bestaat uit een eerddek/subrecent ophoogdek met aan de aan de basis een vergraven laag met restanten van een podzol. Hieronder is dekzand aangetroffen met in de top soms nog een restantje van een Bhs- of BC-Horizont.

Conclusie Op basis van de van het verkennend booronderzoek kan worden vastgesteld dat het plangebied in het verleden droog genoeg is geweest voor podzolisatie, dus voor bewoning. Podzol is echter grotendeels afgetopt waardoor er geen verwachting meer is voor Laat-Paleolithicum en Mesolithicum (de gespecificeerde verwachting voor deze perioden was toch al laag), maar nog wel voor grondsporen en mobilia van agrarische samenlevingen vanaf het Neolithicum (door veengroei waarschijnlijk niet uit de IJzertijd tot en met Vroege-Middeleeuwen).

Rapport 13369.002 versie 2

Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Gezien de aanwezigheid van een mogelijk archeologisch niveau al op 30 cm onder maaiveld, ter hoogte van boring 4, is archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk indien er binnen het plangebied dieper ontgraven wordt dan het maaiveld. Aangezien verwacht wordt dat alleen een sporenniveau zonder vondstlaag aanwezig is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Booronderzoeken zijn in historische kernen minder geschikt gezien de grote kans op het voorkomen van puinlagen die aan historische bebouwing toegeschreven kunnen worden. Het proefsleuvenonderzoek kan het beste worden uitgevoerd na de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing, tot en met vloeren. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy.

Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Rucphen). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.

Rapport 13369.002 versie 2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 17 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 11 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 15 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 17

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 17 Methoden ........................................................................................................................ 17 Resultaten ....................................................................................................................... 18 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 18

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 18

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 20 BRONNEN .......................................................................................................................................... 22

Rapport 13369.002 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen Dorpsstraat 93 Verleende bouwvergunningen Dorpsstraat 95 Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Boorpuntenkaart

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen

Rapport 13369.002 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Compositie 5 stedenbouw een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Dorpsstraat 91, 93 en 95 te Sint Willebrord in de gemeente Rucphen (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft de intentie om de bestaande bebouwing in het plangebied te amoveren en een appartementencomplex op de locatie te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd in september 2020 door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog) en het verkennend booronderzoek is uitgevoerd in september 2020 door drs. A.J. Wullink (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector).

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. 2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:    

2

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04);

SIKB.

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 1 van 22

opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:             2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Rucphen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1000 meter rondom het plangebied.3 Het plangebied, circa 2.015 m2, ligt aan de Dorpsstraat 91, 93 en 95, in de kern van Sint Willebrord in de gemeente Rucphen (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 9 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Rucphen, sectie D, nummers 4128 en 5314. Volgens de topografische kaart van Nederland, 49F (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 99.775/Y: 395.930 395.930. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is in gebruik geweest ten behoeve van horeca. Tevens bevond zich een woonhuis met bijbehorende schuren en siertuin op de locatie.

Momenteel staan de panden leeg (zie figuur 3). De eigenaar/gebruiker is onbekend. Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart 3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 2 van 22

maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Kom St. Willebrord (vastgesteld 27-09-2012). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde Archeologie 4. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen. Volgens de archeologische beleidskaart (Figuur 4) ligt het plangebied grotendeels in een gebied met waarde 2 historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten en hoge archeologische verwachting (tenminste) voor vindplaatsen van jager-verzamelaars. De westrand ligt in een gebied met een middelhoge verwachting.5 Huidig milieuonderzoek Voortijdig aan het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 13369.001). De aangetoonde verontreinigingen vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is de sloop van de huidige bebouwing gepland waarna men voornemens is een nieuw woongebouw te realiseren met 18 appartementen. Het achterterrein is dan bedoelt als ruimte voor parkeren en bergingen. Hierbij wordt het gehele plangebied heringericht waarbij onder een deel van de bebouwing een kelder wordt gerealiseerd (zie bijlage 6). De exacte diepten van alle verstoringen ten behoeve van de herinrichting is nog onbekend evenals wie de toekomstige gebruikers worden. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie6

Formatie van Stamproy met een dek van de Formatie van Boxtel bestaande uit fijn tot grof zand en leem met een zanddek (Sy1)

Geomorfologie7

Niet gekarteerd i.v.m. de ligging binnen de bebouwde kom van Sint Willebrord

4

Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Timmermans, e.a., 2019. 6 Mulder et al., 2003. 7 Wageningen Environmental Research, 2017. 5

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 3 van 22

Bodemkunde8

Niet gekarteerd i.v.m. de ligging binnen de bebouwde kom van Sint Willebrord

Grondwatertrap

Niet gekarteerd i.v.m. de ligging binnen de bebouwde kom van Sint Willebrord

Landschappelijke ontwikkeling 9,10,11 Het plangebied ligt in een gebied waar afzettingen van de Formatie van Stramproy, met een dek van de Formatie van Boxtel aan het maaiveld worden aangetroffen. De Formatie van Stramproy bevat deels eolische, maar voornamelijk fluviatiele afzettingen die in het Laat-Plioceen (circa 2,6 miljoen jaar BP) en het Vroeg-Pleistoceen zijn afgezet door kleine rivieren die vanuit de Belgische Kempen oost- en noordwaarts afwateren. Het dek van de Formatie van Boxtel is afgezet gedurende de laatste ijstijd. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel.

Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzettingen plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Sint Willebrord afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde beekdal (heden ten dagen niet meer aanwezig) bevindt zich op ongeveer 1.5 kilometer ten noorden en westen van het plangebied, ongeveer 300 meter ten oosten ligt een dalvormige laagte (zie figuur 6). Vanaf de Late-Bronstijd (ongeveer 1000 voor Chr.) begon de grondwaterspiegel langzaam te stijgen waardoor de diepe beekdalen steeds moerassiger werden. Met name vanaf ongeveer 1000 – 500 voor Chr. werd er daarom veen gevormd in deze beekdalen.

Vanuit de beekdalen groeide het veen over alle lagergelegen delen van het landschap uit, totdat het ongeveer 1200 na Chr. grote delen van het grondgebied van de gemeente Rucphen bedekte. Volgens de palaeogeografische kaart van Nederland (versie 2.0) is het plangebied nooit bedekt geweest met veen, veen heeft zich wel gevormd in de laagegelegen vlaktes om het plangebied heen.12 Turfdatabank Bij de provincie Antwerpen is een website beschikbaar die de veenwinningsgebieden in kaart heeft gebracht voor heel het gebied tussen Antwerpen - Turnhout - Geertruidenberg - Westmaas en Willemstad. De website maakt deel uit van een internationaal project waaraan de provincies Antwerpen en Noord-Brabant deelnemen. Op de website zijn diverse kaartlagen te raadplagen zoals de veenkaart, de moerconcessies (wanneer een gebied afgegraven werd), de turfvaarten, de zoutketen en de verdronken oorden. Volgens de Turfdatabank maakt het plangebied volgens de kaartlaag uitgiften onderdeel uit van het voormalige veenontginnings-gebied Rucphen dat rond 1357 is ontgonnen, volgens de kaartlaag veendetails is het plangebied (net als op de hierboven besproken palaeogeografi-

8

Stichting voor Bodemkartering, 1980. Mulder et al, 2003 10 Berendsen, 2008 11 Tebbens, 2016. 12 Vos & de Vries, 2013. 9

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 4 van 22

sche kaart van Nederland) niet bedekt geweest met veen.13 Veenontginnings-gebied Rucphen betreft waarschijnlijk een agrarische ontginning gezien het ontbreken van veen op de kaart in het plangebied. DINO14 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 15 Hieruit blijkt dat de ondergrond 120 meter ten noordoosten van het plangebied bestaat uit een meter dik pakket matig humeus zand met daaronder een 1,25 meter dik pakket matig fijn zand. Van 2,25 tot 4 meter onder maaiveld (onderkant boring) bestaat de boring uit matig fijn grindig, matig humeus, zand. Ongeveer 255 meter ten westen van het plangebied bestaat de ondergrond uit een 30 centimeter dik pakket zand met hieronder een 2 meter dik pakket matig fijn zand, plaatselijk siltig. Vanaf 2,3 meter tot 2,9 meter onder maaiveld komt een pakket leem voor met hier tot 4 meter onder maaiveld (einde boring) matig fijn zand, plaatselijk siltig.

De bovenste lagen worden in het Dinoloket deels toegeschreven aan de Formatie van Boxtel, het matig grof zand en de leemlaag aan de Formatie van Stramproy. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Sint Willebrord bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie figuur 5).16 Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt op terrasafzettingswelvingen, met dekzand (code 3L12a). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)17 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Volgens het AHN ligt het plangebied, net als een groot del van de kern van Sint-Willebrord, op een grote hoger gelegen vlakte ligt. Het wordt omringd door laaggelegen vlakte welke vanaf de Bronstijd met veen is bedekt. Ongeveer 1,5 kilometer ten noorden en westen van het plangebied ligt een beekdal. Ten zuiden van het plangebied liggen hogere dekzandruggen (zie figuur 6).

Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Sint Willebrord bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie figuur 7). Uit extrapolatie van bodemgegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat in het plangebied laarpodzolgronden bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand voorkomen (code cHn21). Laarpodzolbodems hebben een dikkere humeuze A-horizont dan de veldpodzolbodems en vormen de overgang tussen de veldpodzolbodems en de hoge enkeerdgronden (oude akkergronden). De A-horizont is vaak (deels) gevormd door dezelfde plaggenbemesting als bij de hoge enkeerdgronden. De hoge enkeerdgronden worden voornamelijk op en rond de dekzandruggen aangetroffen, de nattere veldpodzolgronden op de laaggelegen tussenliggende vlakten. De laarpodzolgronden ten oosten van St. Willebrord zijn gevormd op de meest oostelijke randen van de oude akkers, op de rand van het voormalige veengebied. Deze akkers zijn pas vanaf begin 19 e eeuw in 13

Turfdatabank Dinoloket. 15 DINO boornummers B49F1143 & B49F1146. 16 Wageningen Environmental Research, 2017. 17 AHN. 14

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 5 van 22

gebruik genomen, en hebben daarom een minder ontwikkeld eerddek dan de hoge enkeerdgronden. 18 Het plangebied ligt 745 meter ten zuiden van een uitgestrekt gebied met hoge zwarte enkeerdgrond. Ontrondingskaart provincie Noord-Brabant19 Volgens de bodematlas van de provincie Noord-Brabant is voor het plangebied geen vergunning afgegeven voor ontgronding voor het winnen van delfstoffen. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van een bodemonderzoeken door Econsultancy boringen gezet. Uit deze boringen blijkt dat de bodem voornamelijk bestaat uit matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien plaatselijk zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend.20 Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen.

De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling21

Tabel II. Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Sint Willebrord bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd. Uit extrapolatie van grondwater gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied in een gebied ligt dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Deze grondwatertrap maakt het plangebied een ongunstige/gunstige vestigingslocatie voor landbouwsamenlevingen. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed.

18

Stichting voor Bodemkartering, 1980. Brabantse Bodematlas. 20 Hutjens, 2020. 21 Locher & De Bakker, 1990. 19

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 6 van 22

2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).22 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1000 m weergegeven. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant23 In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het ‘provinciaal belang’ aangeduid. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch of archeologische landschap. Het plangebied ligt wel net ten noorden en westen van een archeologisch landschap.

Dit gebied wordt “dekzandrug Bosschenhoofd-hoeven” genoemd. Direct ten zuiden en oosten van het plangebied liggen geen cultuurhistorisch of archeologische landschappen. De dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven omvat het gebied tussen de woonkernen Etten-Leur, Sint Willebrord en Oudenbosch. Een groot deel van het gebied kenmerkt zich door een licht golvend dekzandreliëf. De kern wordt gevormd door een zuidwest-noordoost georiënteerde dekzandrug met in het westen het beekdal de Oudenbosche laagte, en in het oosten het beekdal van de Kibbelvaart. Iets oostelijker ligt een derde beekdal, genaamd Lokkervaart/Laaksche vaart. In het noordwestelijke richting gaat de zandrug geleidelijk over in het marien- en veenlandschap. Aan het maaiveld komen over grote oppervlakten Oude dekzanden voor die tussen 27.000 en 11.000 jaar geleden zijn afgezet. Van de Jonge dekzanden (11.000-10.000 jaar geleden) zijn slechts enkele kleinere arealen bekend. Onder het dekzand bevinden zich terrassen van de Rijn en Maas die op sommige plaatsen (nagenoeg) aan het oppervlak liggen. Door de Holocene “vernatting” van West-Brabant is het dekzand van landschap 1 met een omvangrijk veenpakket bedekt geraakt. De groei van het veen ging tot in de middeleeuwen door. Veel van het veen is intussen verdwenen door natuurlijke erosie en ontginning vanaf de tweede helft van de 13e eeuw na Chr.

In het noordoosten is waarschijnlijk nog een restant van het veen bewaard gebleven onder de zeeklei die door overstromingen in de Late-Middeleeuwen is afgezet. Rond de gehuchten Hoeven en Bosschenhoofd komen aanzienlijke oppervlakten aan oude bouwlanden met een plaggendek (cultuurdek) voor. De indruk bestaat dat (een deel van) de cultuurdekken snel zijn aangelegd, waardoor het onderliggende dekzandprofiel nog goed intact is. 24 De dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven behoort tot de archeologische landschappen met de minste Archis-waarnemingen, zowel absoluut als relatief. AMK-terreinen ontbreken zelfs geheel. Als gekeken wordt naar de perioden die onder de waarnemingen vertegenwoordigd zijn, valt op dat waarnemingen uit de Bronstijd – Vroege-Middeleeuwen geheel ontbreken. Dit zal zeker te maken hebben gehad met de veenvorming in die periode waardoor grotendeels sprake was van ongunstige omstandigheden voor bewoning. Het veen is thans verdwenen door natuurlijke erosie en ontginning door de mens vanaf de 13e eeuw na Chr. De jongste Archis-waarnemingen hangen samen met deze ontginning en 22

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Brabant.nl 24 Tol & Laan e.a., 2009. 23

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 7 van 22

de daaropvolgende bewoning. Interessant is dat de meeste vindplaatsen stammen uit de vroege prehistorie (Paleolithicum – Neolithicum), dus voordat het dekzand “vernat” raakte. De kans is groot dat vooral de vroege vindplaatsen uit de periode Paleolithicum – Neolithicum in de zones met oude bouwlanden, nog relatief goed bewaard gebleven zijn. Er zijn namelijk aanwijzingen dat het dekzand in deze zones nog goed intact is en vrij van verstoringen door latere bewoning gezien het “bewoningshiaat”.25 Gemeentelijke verwachtingskaart26 Volgens de archeologische verwachtingskaart periode Jager-verzamelaarstijd ligt het plangebied in een gebied waarin een vindplaats niet uitgesloten kan worden (droog, maar geen gradiëntzone) direct te westen ligt een gebied met een hoge kans op vindplaatsen (gradiëntzone). Volgens de archeologische verwachtingskaart periode Landbouwers tijd ligt het plangebied in een gebied met een middelhoge kans op vindplaatsen (geleidelijk bedekt met veen). Volgens de archeologische verwachtingskaart periode Staatse tijd ligt het plangebied deels in een historische kern en deels in een gebied met een middelhoge kans op vindplaatsen (dun veendek). Volgens de gecombineerde archeologische waarden en verwachtingskaart (alle perioden) ligt het plangebied deels in een historische bewoningskern en deels in een gebied met een middelhoge verwachting.

AMK-terreinen en archeologische monumenten binnen het onderzoeksgebied27 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein en ook binnen het onderzoeksgebied liggen geen AMK-terreinen (zie figuur 8). Hetzelfde is van toepassing voor archeologische monumenten. In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied28 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen ongeveer 45 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), veldkarteringen, proefsleufonderzoeken, archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden en opgravingen. Gezien de grote hoeveelheid worden in deze rapportage alleen de onderzoeken behandeld die binnen 500 meter rondom het plangebied zijn uitgevoerd (zie bijlage 2 en figuur 8).

Uit de resultaten van deze 15 onderzoeken, bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend) en proefsleufonderzoeken blijkt dat na bureauonderzoeken er veelal een booronderzoek is uitgevoerd. Na aanleiding van de booronderzoeken zijn ofwel locaties vrijgegeven door de verstoorde bodemopbouw ofwel is er vervolgonderzoerk geadviseerd. In twee gevallen is er een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd waarbij bij (onderzoeksmeldingsnummer 4008482100, gelegen ongeveer 70 meter ten noordwesten van het plangebied) met name (sub)recente verstoringen aangetroffen, beneden een dun plaggendek in de top van het dekzand. Daarnaast zijn enkele ontginningssporen aangetroffen, die gedateerd kunnen worden tot terug in de 17e eeuw De beschikbare en relevante publicaties van de omliggende archeologische onderzoeken worden verderop in deze paragraaf behandeld. Bij de tweede

25

Tol & Laan e.a., 2009. Timmermans, e.a., 2019. 27 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 28 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 26

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 8 van 22

(onderzoeksmeldingsnummer 4583420100, gelegen ongeveer 325 meter ten zuidwesten van het plangebied) zijn geen behoudenswaardige archeologische restanten aangetroffen. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied29 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan acht vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 3 en figuur 8). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Neolithicum tot en met IJzertijd en Late-Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd, met een nadruk op de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Binnen 500 meter rondom het plangebied betreft het twee vondstmeldingen. 140 meter ten noordwesten van het plangebied zijn bij het proefsleuvenonderzoek van Econsultancy (onderzoeksnummer 4008482100) drie greppels en vier paalgaten uit de Nieuwe tijd aangetroffen alsook acht recente kuilen. De sporen zijn aangetroffen in het dekzand onder een plaggendek. 350 meter ten zuidwesten van het plangebied zijn bij een proefsleuvenonderzoek vier kuilen en 22 paalgaten uit de Nieuwe tijd aangetroffen. De vindplaats is niet behoudenswaardig bevonden. De sporen zijn aangetroffen in het dekzand onder een plaggendek.

Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn de publicaties geraadpleegd van de archeologische onderzoeken voor drie plangebieden die rondom het huidige plangebied liggen aangezien de resultaten van deze onderzoeken de meest aanvullende informatie geven voor de archeologische verwachting van het plangebied. Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Voor een plangebied 70 meter ten noordwesten van het huidige plangebied heeft Bureau voor Archeologie in 2016 een bureau- en booronderzoek (onderzoeksnummer 3991116100) uitgevoerd en Econsultancy in datzelfde jaar een proefsleuvenonderzoek (onderzoeksnummer 4008482100). De bodemopbouw bestaat waarschijnlijk uit zandgronden met daarop een antropogeen dek. Onder het antropogene dek kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit alle archeologische perioden. Door ploegactiviteiten zullen archeologische resten van kampementen zijn verstoord.

Volgens de Turfdatabank ligt het plangebied in een (moeras)concessie uit de Late-Middeleeuwen, wat kan betekenen dat het plangebied langdurig (tot aan de ontginning van het moeras) onbewoonbaar is geweest.30 Om de aard en intactheid van het bodemprofiel te bepalen is in het plangebied een booronderzoek uitgevoerd bestaande uit vijf boringen tot maximaal 125 centimeter -mv. Hierbij zijn geen aanwijzingen voor veenbegroeiing en of vervening aangetroffen. In drie boringen is sprake van een dikke (>50 cm) A-horizont op dekzand. De dikke A-horizont is waarschijnlijk deels door het systeem van potstalbemesting ontstaan en vormt een antropogeen dek. In het noorden, naast de parkeerplaats is het bodemprofiel bij één boring verstoord en zijn eventuele archeologische sporen niet (meer) aanwezig. Bij een boorprofiel ten oosten van de huidige bebouwing reikt de bodemverstoring tot 65 cm diep. Uit vergelijking met de diepteligging van de top van de C-horizont in andere boorprofielen volgt dat eventuele archeologische sporen hier nog wél aanwezig zouden kunnen zijn. De nieuwbouw wordt gerealiseerd in zones waar het bodemprofiel intact is. Onder het antropogene dek kunnen archeologische waarden aanwezig zijn. Deze worden in dat geval bij de ontwikkeling vergraven.

Daarom wordt aanbevolen een proefsleuvenonderzoek uit te voeren om de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden nader te bepalen.31

29

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Boer, 2016. 31 Boer, 2016. 30

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 9 van 22

Bij het proefsleuvenonderzoek is in het plangebied is een bodemopbouw aangetroffen van een (deels verstoord) plaggendek op dekzand. Het dekzand bestond uit een C-horizont (moedermateriaal), met lokaal kleine restanten van de B- of BC-horizont in de top van het dekzand. In totaal zijn 19 sporen in vier proefsleuven gedocumenteerd, waarvan het merendeel als (sub)recente sporen (o.a. paalkuilen) en verstoringen kan worden geïnterpreteerd, enkele sporen als hoogstwaarschijnlijk natuurlijk, en twee greppels met mogelijk 17e-eeuws materiaal (aardewerkfragmenten) in het noordelijk deel van het plangebied. De greppels wijzen op agrarisch landgebruik in het plangebied sinds circa de 17 e eeuw. Er kan geconcludeerd worden dat het plaggendek in het plangebied daarom relatief jong is. Volgens de waardering op KNA voorgeschreven wijze krijgt de site een lage waardering en is niet behoudenswaardig. Het selectieadvies is daarom dan ook om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.32 Voor een plangebied 105 meter ten zuiden van het huidige plangebied heeft SOB research in 2008 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksnummer 3991124100) en een proefsleuvenonderzoek (onderzoeksnummer 2225194100). Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant wordt de Dorpsstraat weergegeven als een historisch geografische lijn van redelijk hoge betekenis.

In ARCHIS2 zijn geen gegevens van archeologische vindplaatsen of vondsten binnen het onderzoeksgebied bekend en worden in een straal van ruim 700 meter rondom het onderzoeksgebied geen archeologische vindplaatsen of vondsten vermeld. Op basis van het opgestelde archeologische verwachtingsmodel kon worden ingeschat dat er binnen het onderzoeksgebied een dun humeus dek (maximaal 30 centimeter) op dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden van Formatie van Boxtel voor zou komen. Naar dit model zouden ter plaatse van de onderzoeksgebied mogelijk archeologische sporen uit de prehistorie (Laat-Paleolithicum, Mesolithicum. Neolithicum. Bronstijd en IJzertijd) tot de Middeleeuwen kunnen worden aangetroffen. De in het archeologisch verwachtingsmodel opgestelde verwachting met betrekking tot de te verwachten bodemopbouw is door het booronderzoek onderschreven. Bij het uitgevoerde onderzoek werd in het onderzoeksgebied een 20 tot 75 centimeter dikke humeuze laag op dekzand aangetroffen. Deze humeuze top van het dekzand betreft een opgebracht dek ter verrijking van de schrale, armere zandgronden voor de landbouw. Op basis van de dikte van het opgebrachte dek kan de bodem worden getypeerd als een laarpodzolgrond. De opgestelde verwachting met betrekking tot archeologische waarden is niet onderschreven.

Met uitzondering van wat puinspikkels in het dek zijn tijdens de uitvoering van het booronderzoek in de boringen geen relevante archeologische indicatoren aangetroffen. Ook werden er geen aanwijzingen aangetroffen die op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats of vindplaatsen duiden. Concluderend kan worden gesteld dat, hoewel bij het booronderzoek geen archeologische indicatoren zijn aangetroffen, er onder het dek zich archeologische waarden uit het Laat-Paleolithicum tot en met de Middeleeuwen kunnen bevinden. Op basis van de uit het onderzoek verkregen gegevens adviseert SOB Research om een vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uit te voeren, teneinde de aanwezigheid van archeologische resten te kunnen vaststellen. 33 Ter plaatse van het onderzoeksgebied zijn twee proefsleuven aangelegd. Er werden dekzandafzettingen aangetroffen, afgedekt door een esdek. In het noordelijke deel van het onderzoeksgebied werden geen restanten van bodemvorming waargenomen. Dit impliceert dat het bovenste deel van het oorspronkelijke bodemprofiel in het esdek werd opgenomen en eventueel hier aanwezige vindplaatsen grotendeels zullen zijn afgetopt. Ter plaatse van het zuidelijke deel van het onderzoeksgebied lijkt het oorspronkelijke bodemprofiel veel minder verstoord.

Hier werden nog duidelijke restanten van bodemvorming aangetroffen. Lokaal werden hier nog een uitspoelingshorizont (E-horizont) aangetroffen, met daaronder een sterk ontwikkelde B-horizont, bestaande uit donkerbruin tot roestbruin zand, met donkerbruingrijze tot zwarte, sterk humeuze aders, geleidelijk overgaand naar de moeder32 33

Mientjes, 2017. Wilgen, 2009.

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 10 van 22

bodem (C-horizont). Het verschil in bodemprofiel tussen beide proefsleuven valt te verklaren door nivelleringswerken voorafgaand of gekoppeld aan landbouwactiviteit. Hier werden de hoger gelegen gronden afgeschoven naar de lager gelegen delen. Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aangetroffen. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek wordt nader archeologisch onderzoek ten behoeve van het onderzoeksgebied niet noodzakelijk geacht.34 Voor een plangebied 105 meter ten oosten van het huidige plangebied heeft Aeres in 2012 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksnummer 2361817100). Uit het bureauonderzoek blijkt dat er voor de periode vanaf de late prehistorie een hoge verwachting geldt als gevolg van de geografische ligging. De ligging langs een mogelijk watervoerende dalvormige laagte wordt gezien als voorkeurslocatie voor bewoning vanwege de grote diversiteit in het biotoop. Dit is tevens gebleken in de iets te westen gelegen vindplaats de Zwarte Sloot. In de omgeving van het plangebied zijn in mindere mate ook aanwijzingen voor latere perioden. Uit de boringen blijkt, op basis van de bodemgesteldheid, dat er slechts op enkele plaatsen restanten aanwezig zijn van de natuurlijke bodemopbouw.

De originele bodemopbouw is in alle gevallen overgegaan in de C-horizont op circa 50 cm-mv, terwijl de gemiddelde verstoringsdiepte in de zone waar de originele bodemopbouw ontbreekt 55 cm-mv betreft. In de boringen zijn ook geen indicatoren aangetroffen die mogelijk kunnen wijzen op een vindplaats die is opgenomen in de bovenliggende ploeglaag. De tijdens het onderzoek verworven gegevens geven een beeld van een deels verstoorde locatie waarbij de verstoring tot voorbij de originele bodemopbouw reikt. Daar waar de bodemopbouw nog ten dele intact is kan worden opgemaakt dat er sprake is van een venig of moerig pakket wat doet vermoeden dat de locatie altijd te nat is geweest om interessant te zijn voor bewoning. Dit beeld geeft aanleiding om te adviseren dat eventueel verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. 35 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Sint Willebrord36 In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. Tussen 1250 en 1750 n. Chr. werden veengebieden in West-Brabant geëxploiteerd voor turfwinning. Deze turf werd gebruikt als brandstof en voor de bereiding van zout. Relicten van turfwinning zijn nog in het landschap te herkennen en mogelijk nog in de bodem aanwezig. De kavels waren langwerpig en waren 12 maal zo lang als breed. De grootte van deze zogenaamde hoeven was ongeveer 15 hectare. Na de verkoop werden de moeren ingericht voor de productie van veen, zout of agrarische producten.

Voor de ontwatering van de rauwe moer werd het gebied omgraven met grensriolen. De grensriolen en de kavels zijn op historische kaarten nog goed te herkennen in de vorm van een pa34

D’hondt, 2010. Feest, 2012, 36 Groot, 2011 & Leenders, 2013 35

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 11 van 22

troon van langwerpige kavels, gescheiden door greppels, met loodrecht daarop de vaarten. Ieder kavel werd ingericht met keten voor de delvers. De keetvelden of keetheuvels werden op gunstige plaatsen in het landschap geplaatst, op zandopduikingen of in de berm van een vaart. Voor de afvoer van het veen werden vaarten gegraven naar de naburige turfvaarten, die langs de stapelplaatsen liepen aan de kop van de kavels. Een vaart had meestal een diepte van 2 meter. De breedte van de vaarten waren zeer verschillend. Om de terugkerende schuiten, eventueel met retourvracht in de vorm van mest, en de volle schuiten te kunnen laten passeren werden wisselkommen aangelegd. De wisselkommen moesten dus meerdere schuiten breed zijn en omdat de konvooien bestonden uit 20 tot 60 schuiten van 20 meter lengte, een behoorlijke lengte gehad hebben. De vaarten liepen vaak door gebieden met relatief grote hoogteverschillen. Hiervoor werden sluisjes (spuien) of zelfs aquaducten (zielen) en duikers aangelegd. Ook in de nabijheid van het plangebied bevinden zich relicten van een turfvaart. Door het afgraven van het veen, kwam de watertoevoer in het gedrang. In de laagten die uitgedolven waren, werden daarvoor waterreservoirs, de zogenaamde "houwers', aangelegd, waarmee men de vaarten van water kon voorzien.

Het water werd opgespaard en er werd op gezette tijden een konvooisgewijs transport georganiseerd. De restanten van deze houwers zijn nog te herkennen op 19e-eeuwse kaarten als grote vennen. De houwers werden later vooral voor militaire doeleinden gebruikt, ter regulering van de waterstanden bij de verdediging van de grote steden. In de loop der tijd ontstond er een groot netwerk van turfvaarten. In de grotere plaatsen werden uitvoerhavens ingericht, waar de overslag van de turf plaatsvond. Deze turfhoofden bevonden zich onder andere te Roosendaal, Breda, Oudenbosch, Leur, Steenbergen, Zevenbergen en Geertruidenberg. Naast de grootschalige turfwinning, werd er ook onrechtmatig op kleine schaal door boeren turf gedolven. De turfrestanten van de uitgedolven moeren werden gewonnen in kleine putjes van 3 tot 5 meter in doorsnede. Deze boerenkuilen hebben meestal een onregelmatige vorm. Deze vorm van turfwinning vond over het algemeen plaats na de grootschalige turfwinning en strekte zich over een zeer lange periode uit, zelfs tot in de 20e eeuw. Deze vijf eeuwen veenexploitatie hebben hun invloed gehad op het landschap. In gebieden waar het veen was afgegraven en niet te nat was, werd het land in cultuur gebracht. In de nattere delen veranderde het gebied in een woestenij. In de lagere delen van het landschap ontstonden ook op grote schaal overstromingen, waaronder de St.

Elizabethsvloed van 1421. Op de hogere delen van het landschap werd na het verwijderen van het veen op de vrijgekomen zandgrond een nieuw landschap opgebouwd, met heide, bossen en agrarische ontginningen. De ontginningen bestonden uit het in cultuur brengen van de na de ontvening ontstane heide. In de hoog gelegen veengebieden werd direct na de ontvening het land in cultuur gebracht. De ouderdom van de meeste dorpen in de gemeente Rucphen gaat terug tot de Middeleeuwen. Sint Willebrord stond vanaf de 17e eeuw bekend onder de naam Het Heike. Toentertijd bestond het uit niet meer dan enkele gegroepeerde boerderijen. Vanaf circa 1700 raakte dit heidegebied geleidelijk bewoond. In 1841, nadat er een parochie werd gesticht en een kerk werd gebouwd, trad er verdichting van de bebouwing op. Het dorp is vooral na 1940 sterk gegroeid. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

37

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Kadastrale minuut37

1824

Gemeente Rucphen en VorenseindeSectie D, Blad 01

1:2.500

Heide

Plangebied ligt aan de voorloper van de Dorpsstraat, de Heulsche Straat van Sprundel. Ten noorden, westen en zuiden heide, bosbouw en agrarische percelen.

Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 12 van 22

Militaire topografische kaart38 (nettekening)

1850-1864

49 Bergen op Zoom

1:50.000

Waarschijnlijk bouwland, aan de noordwestzijde loopt een weg door het plangebied.

Agrarische percelen met verspreid bebouwing.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1870

642

1:50.000

Waarschijnlijk heidegebied. Weg aan de noordzijde is een zandpad.

Ten zuiden loopt een voorloper van de huidige Dahliastraat.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1897

642

1:50.000

Twee percelen grasland gescheiden door een haag, weg is verdwenen uit het plangebied

Bebouwing rondom het plangebied toegenomen.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1910

642

1:50.000

Bebouwing in het plangebied

Geen grootschalige veranderingen

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1937

49F

1:50.000

Bebouwing in het plangebied toegenomen, niet bebouwde deel vormt één perceel.

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1948

49F

1:25.000

Geen veranderingen

Bebouwing rondom het plangebied toegenomen.

Topografische kaart

1960

49F

1:25.000

Bebouwing in het plangebied van vorm verandert en uitgebreid.

Bebouwing rondom het plangebied toegenomen.

Topografische kaart

1968

49F

1:25.000

Bebouwing in het plangebied van vorm verandert en uitgebreid.

Bebouwing rondom het plangebied toegenomen.

Topografische kaart

1980

49F

1:25.000

Geen veranderingen.

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1990

49F

1:25.000

Huidige situatie

Bebouwing rondom het plangebied toegenomen.

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal blijkt dat het plangebied in de eerste kwart van de 19e eeuw in gebruik is geweest als heide (zie figuur 9). Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw wordt het plangebied in agrarisch gebruik genomen als bouwland en later als grasland. Door de noordwesthoek van het plangebied loopt in de 19e eeuw een weg, later als zandpad afgebeeld die op de kaart uit 1897 verdwenen is. Op de kaart uit 1870 staat verspreid in het plangebied wat rode puntjes, waarschijnlijk geeft dit aan dat het heidegebied is, op de kaart uit 1897 zijn deze puntjes weer verdwenen. Op de kaart van 1910 staat in het plangebied de eerste bebouwing. Vanaf dat moment ontwikkelde de bebouwing zich in het plangebied tot de huidige situatie is ontstaan. De vorm en locatie van die bebouwing varieert bijna per kaart, wat het gevolg kan zijn van nieuw- of verbouw of onnauwkeurigheid in de kaarten. De omgeving van het plangebied toont de ontwikkeling van een open grotendeels verkaveld agrarisch gebied doorsnede door wegen naar de bebouwde kom van Sint Willebrord. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw neemt de bebouwing rondom het plangebied toe. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument.

Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Rucphen is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Dit heeft dossiers opgeleverd over de bebouwing van Dorpsstraat 93 en Dorpsstraat 95. Van Dorpsstraat 91 zitten geen vergunningen in het archief. 38

Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

Rapport 13369.002 versie 2

Pagina 13 van 22

Tabel IV geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor Dorpsstraat 93. Tabel IV.

Verleende bouwvergunningen Dorpsstraat 93

Naam aanvrager

Jaartal

Omschrijving

A. Van de Veeken

1943

Bouw van een werkplaats. Dragende muren gefundeerd op poeren tot op de vaste grond (diepte onbekend).

A. Van de Veeken

1949

Wijzigen winkel en het maken van een tijdelijke slaapkamer (geen bouwtekening beschikbaar).

A. Van de Veeken

1950

Slopen van een bouwvallig schuurtje en het bouwen van een schansmuur. De muur is gefundeerd op de vaste bodem op circa 60 centimeter onder maaiveld.

W. Gijzen

1957

Oprichten lunchroom. Het gebouw is gedeeltelijk onder keldert (tot 2,1 meter onder vloeroppervlak begane grond, dragende delen van het gebouw (buitenmuren en één binnenmuur) gefundeerd op poeren die reiken tot ongeveer 1 meter onder vloeroppervlak (vaste grondslag).

W. Gijzen

1965

Vergunning inzake lokaal voor ijsbereiding, betreft een aanbouw waarbij de buitenmuur gefundeerd is op poeren die reiken tot 80 centimeter onder maaiveld.

W. Gijzen

1966

Veranderen van woonhuis. Dragende muren van aanbouw gefundeerd op poeren tot 60 centimeter onder vloeroppervlak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10570759/1