11b2 motivering TAM-IMRO 2026-04-22 1
Tekst van het document
Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030
De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 opgesteld. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw/ Gemeente. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). Het initiatief draagt bij aan de duurzaamheidsambities van de gemeente Rucphen zoals verwoord in zowel de Visie Duurzaamheid 2019-2030 als de Duurzaamheidsagenda 2019-2030. Hoewel het om een planologische aanpassing gaat zonder fysieke uitbreiding of bouwactiviteiten, levert de herbestemming van de bestaande woonwagenstandplaats een bijdrage aan meerdere duurzaamheidsthema’s. Vanuit het thema Klimaat, Energie en Wonen wordt in de duurzaamheidsvisie het belang benadrukt van het koppelen van ruimtelijke ontwikkelingen aan de energietransitie.
Hoewel dit initiatief geen nieuwbouw betreft, blijft de fysieke situatie gelijk en is verduurzaming op termijn goed mogelijk, bijvoorbeeld door toepassing van energiebesparende maatregelen in het bestaande woongebruik. Tot slot draagt het initiatief, door het uitsluiten van fysieke ingrepen, ook indirect bij aan de gemeentelijke inzet op klimaatadaptatie (thema Groen en Water). Er vindt geen extra verharding plaats, wat in lijn is met het streven om het verhard oppervlak in de bebouwde omgeving te beperken en ruimte te bieden voor wateropvang en groeninrichting. Hoewel het initiatief kleinschalig van aard is, draagt het bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen van de gemeente Rucphen door zorgvuldig om te gaan met ruimte, bestaande functies te borgen binnen stedelijk TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 24 van 51
gebied en ruimte te laten voor toekomstige verduurzamingsmaatregelen. Hiermee sluit het naadloos aan bij het duurzaamheidsbeleid van de gemeente. 3.5.9
Klimaatbestendig Rucphen
Klimaatadaptatie is een actueel thema, waar op brede schaal volop de aandacht voor is. De gevolgen van het veranderende klimaat is niet een op zichzelf staand onderwerp, maar raakt veel disciplines. Een brede verankering is dan ook noodzakelijk om samen de opgave op te pakken en weten waar we voor staan. Inmiddels heeft klimaatadaptatie al een plek gekregen in diverse beleidsstukken zoals Groen R en het Gemeentelijke Rioleringsprogramma. Ook in de in voorbereiding zijnde Omgevingsvisie wordt klimaatadaptatie opgenomen. Om in 2050 klimaatbestendig te zijn moeten er maatregelen genomen worden. De gemeente Rucphen streeft naar een leefomgeving waar het voor mens, dier en plant aangenaam leven is, nu en in de toekomst. 3.5.10
Omgevingsplan Bedrijventerrein Nijverhei 2009
Ter plaatse van de planlocatie is het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Nijverhei 2009’ van toepassing in het tijdelijk omgevingsplan. Ter plaatse van de planlocatie geldt de enkelbestemming ‘Bedrijf’. Daarnaast is er over een gedeelte van de planlocatie een bouwvlak gelegen met een functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’en een maatvoering ‘maximum bouwhoogte 12 m’. Daarnaast is er ten zuiden op de planlocatie een dubbelbestemming ‘Leiding – Gas’ gelegen. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie is binnen het vigerend bestemmingsplan niet rechtstreeks mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient er een afwijking van het omgevingsplan plaats te vinden. In onderhavig plan wordt dit middels een TAM-IMRO plan doorlopen.
Figuur 10: Uitsnede bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Nijverhei 2009’
3.5.11
Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid
In 1999 is de Woonwagenwet ingetrokken en werd het woonwagenbeleid gedecentraliseerd. De afgelopen jaren heeft zich een aantal instanties uitgesproken over het mensenrechtelijk kader dat voor woonwagenbewoners geldt. Zij stellen dat het beleidskader dat ontwikkeld is bij de intrekking van de Woonwagenwet niet meer voldoet. In mei 2017 heeft de Nationale ombudsman een rapport uitgebracht waarin hij stelde dat het Rijk en de gemeenten het recht van woonwagenbewoners om te leven volgens hun culturele identiteit onvoldoende erkennen en faciliteren.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 25 van 51
Dit beleidskader reikt gemeenten de kaders aan waarmee zij het lokale woonwagenbeleid binnen het mensenrechtelijke kader kunnen ontwikkelen. Het biedt bouwstenen die gemeenten kunnen gebruiken om invulling te geven aan het gemeentelijke huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners. Uitgangspunt hierbij blijft dat huisvestingsbeleid een primaire verantwoordelijkheid van de gemeente is. De gemeente is bij uitstek de bestuurslaag die lokaal afwegingen kan maken op basis van de lokale behoefte. De visie die ten grondslag ligt aan dit nieuwe beleidskader heeft als kern inzake huisvesting het beschermen van woonwagenbewoners tegen discriminatie, het waarborgen van hun mensenrechten en het bieden van rechtszekerheid en duidelijkheid.
Concreet betekent dit: • De gemeente stelt het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid; • Het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven voor het woonwagenleven van woonwagenbewoners; • Hiervoor is nodig dat de behoefte aan standplaatsen helder is; • Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren; • De afbouw van standplaatsen is niet toegestaan (behoudens uitzonderlijke omstandigheden) zolang er behoefte is aan standplaatsen; • Een woningzoekende woonwagenbewoner die dit wenst, heeft binnen een redelijke termijn kans op een standplaats. Op basis van het nieuwe beleidskader is onderhavig initiatief mede tot stand gekomen. De gemeenteraad heeft namelijk mede naar aanleiding van bovengenoemde ontwikkelingen op 9 november 2018 een motie aangenomen. In deze motie is het college opgedragen om met voorstellen te komen over de toekomst van de woonwagenlocatie aan de Helakkerstraat. Op 26 februari 2019 heeft het college op basis hiervan besloten om af te zien van de eerder voorgestelde ontmanteling van de woonwagen-locatie. Daarnaast heeft de gemeente Rucphen in haar Woonvisie 2020 – 2024 de woonwagenbewoners als bijzondere doelgroep erkend.
Vervolgens is de gemeente met de huidige bewoners van de Helakkerstraat in gesprek gegaan over de mogelijkheden om te verhuizen en dat zodra er meer duidelijkheid bestaat over de huidige locatie, deze opnieuw zal worden ingericht. Daaropvolgend heeft er een behoefteonderzoek plaatsgevonden bij alle woonwagenlocaties in de gemeente. Hieruit is de behoefte van het hebben aan een (eigen) standplaats in de gemeente naar voren gekomen, waarvan er een aantal de voorkeur kenbaar hebben gemaakt voor de locatie aan de Helakkerstraat, mede door aanwezige familiebanden. Daarnaast zijn er met Thuisvester, welke het beheer en onderhoud voorzien, prestatieafspraken gemaakt. Samen werken Thuisvester en de gemeente Rucphen aan een samenwerkingsovereenkomst waarin verantwoordelijkheden en eigendom formeel worden herzien en vastgelegd. De gemeente Rucphen heeft op basis van deze ontwikkelingen het voornemen om het omgevingsplan, waarvan het bestemmingsplan Bedrijventerrein Nijverhei 2009 onderdeel uitmaakt, te herzien. Daarbij wordt de enkelbestemming ‘Bedrijf’ omgezet naar ‘Wonen’ met een aanduiding voor ‘Woonwagenstandplaats’. Op deze manier wordt de bijzondere woonvorm erkend en planologisch-juridisch geborgd in het omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 26 van 51
Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu In dit hoofdstuk wordt de gewenste ontwikkeling getoetst aan de verschillende aspecten uit de fysieke leefomgeving. Voorafgaand aan de planologische vastlegging van het initiatief is een risicoanalyse nadeelcompensatie uitgevoerd. Doel van deze analyse was het in beeld brengen van mogelijke risico’s op nadeelcompensatie voor omliggende bedrijven als gevolg van de herbestemming van de bestaande woonwagenstandplaats. Uit de rapportage blijkt dat het risico op nadeelcompensatie als gevolg van deze ontwikkeling nihil wordt geacht. De kern van deze conclusie ligt in het feit dat het initiatief geen fysieke wijziging of functiewijziging van de locatie betreft, maar uitsluitend een juridisch-planologische correctie. De woonwagens zijn reeds legaal aanwezig en het gebruik is vergund sinds 1981. De bestaande situatie blijft volledig in stand en vormt al decennialang onderdeel van het omgevingsbeeld. Vanuit milieukundig perspectief (zoals geluid, geur, stof, externe veiligheid, bodem, etc.) zijn er reeds aanwendingsmogelijkheden en effecten aanwezig in de huidige situatie. De hindercontouren en milieuzonering rondom omliggende bedrijven blijven ongewijzigd. Er wordt dan ook geen beperking opgelegd aan de bestaande of toekomstige ontwikkelruimte van nabijgelegen bedrijfsactiviteiten.
Op basis van deze constatering is het verantwoord en ruimtelijk onderbouwd om de relevante milieuaspecten in onderhavig hoofdstuk beknopt per thema te beschrijven. Er is immers geen aanleiding om uit te gaan van nieuwe of verslechterde milieusituaties als gevolg van de bestemmingswijziging. De bestaande situatie is maatgevend en vormt het uitgangspunt voor de beoordeling. 4.1
Archeologie, cultuurhistorie en erfgoed
4.1.1
Archeologie
Beoordeling Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Rucphen de Archeologische beleidskaart opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming in staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. In figuur 11 is ter plaatse van de planlocatie een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven. Hieruit blijkt dat de planlocatie is gelegen in gebied 4 - ‘middelhoge archeologische verwachting’.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 27 van 51
Figuur 11: Uitsnede Archeologische beleidskaart
Zoals inleidend in dit hoofdstuk omschreven blijft de huidige situatie gehandhaafd en vinden er geen ingrepen in de ondergrond plaats. De verwachting op archeologische waarden is daarmee uitgesloten. Hiermee is het initiatief in lijn met het gemeentelijk archeologiebeleid, waarin doorgaans alleen bij nieuwe bodemverstoringen aanvullend onderzoek wordt verlangd. 4.1.2
Cultuurhistorie
Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, omgevingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. In de toelichting van het omgevingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden. De opsteller en vaststeller van het omgevingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet.
Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea,
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 28 van 51
monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, omgevingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Deze kaart is eveneens via de TAMomgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 12) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, welke van provinciaal cultuurhistorische belang is.
Daarnaast is de Helakkerstraat gemarkeerd als historische geografie – lijn van redelijke hoge waarde’. Ook is het gebied voor een gedeelte gelegen binnen de aanduiding ‘Indicatieve Archeologisch waarden: middelhoge trefkans’.
Figuur 12: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024
Cultuurhistorische landschappen Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is te zien dat de planlocatie is gelegen binnen het cultuurhistorische regio ‘West-Brabantse Venen’. Het gebied bevat tal van sporen van vroegere turfwinning, onder meer in de vorm van tal van turfvaarten. Bijzonder is de droogmakerij de Oude Zoek. Na de vervening veranderede het gebied grotendeels in heidevelden, die in de loop van de achttiende en negentiende eeuw zijn ontgonnen. Hierbij zijn tal van landgoederen gesticht. Binnen dit gebied staat de provincie voor behoud en versterken van de cultuurhistorische waarden. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een landgoed. Binnen het plangebied vinden er geen ontwikkelingen plaats die van negatieve invloed kunnen zijn op deze cultuurhistorische landschappen.
Historische geografie De Helakkerstraat is aangeduid als historische geografie (lijn) van redelijk hoge waarde. Het betreft hier herkenbare en relatief gave elementen van het historisch landschap. De lijnen zijn representatief voor de diverse soorten lijnvormige landschapselementen in Noord-Brabant. De provincie wil de geografische lijnen, net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 29 van 51
ontsluiten. Het initiatief voorziet niet in een wijziging die van invloed is op de aanwezige structuren er vinden geen wijzigingen plaats die van invloed kunnen zijn op de historische geografie van de Helakkerstraat 4.2
Wegverkeerslawaai
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral het gemeentelijk omgevingsplan en daarnaast in de Omgevingswet, op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In artikel 3.20 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden de geluidsgevoelige gebouwen en ruimte aangewezen welke beschermd zijn tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige gebouwen wordt verstaan: woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie met bedgebied, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van alle eerdergenoemde functies. Geluidsgevoelige ruimten zijn verblijfsruimte of verblijfsgebieden van bovenstaande functies. De woonwagens op de planlocatie worden gezien als geluidsgevoelig gebouw. Het initiatief maakt geen nieuwe geluidsgevoelige bebouwing mogelijk. Enkel is er sprake van het planologisch vastleggen van de bestaande situatie. De standplaatsen en het gebruik als woonwagenlocatie bestaan al sinds 1981 en zijn sinds die tijd feitelijk in gebruik. Er is dus sprake van een bestendige situatie waarin de bestaande geluidsbelasting reeds geaccepteerd en vergund is.
Omdat er geen fysieke wijzigingen plaatsvinden aan de opstelling, ligging of hoeveelheid geluidsgevoelige objecten en de feitelijke situatie ongewijzigd blijft, is er geen sprake van een toename van de geluidsbelasting of van nieuwe geluidsgevoelige functies. Daarmee vormt het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. 4.3
Activiteiten en milieuzonering
In onderhavige paragraaf zijn de inzichten uit de risicoanalyse nadeelcompensatie gebruikt om uitspraak te kunnen doen over bedrijfsactiviteiten in de omgeving van de planlocatie. Milieubelastende activiteiten Binnen het omgevingsplan en bij het wijzigen of afwijken van het omgevingsplan moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met: • •
de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving door milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten.
Milieuzonering maakt het mogelijk om regels in het omgevingsplan op te nemen die voorzien in een rechtstreekse toelating van milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten. In het omgevingsplan dient te gemeente voor haar grondgebied op basis van de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl milieuwaarden en regels op te nemen. Deze milieuwaarden en regels gaan als standaard gelden voor de toegelaten milieuhinderlijke (bedrijfs-) activiteiten binnen de gemeente. Daarnaast kan er in aanvulling op de standaard regels, aanvullende regels voor bedrijventerreinen en werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. De aanvullende regels komen voort uit de systematiek voor milieuzonering zoals omschreven in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ van de VNG van oktober 2024. In de handreiking wordt gewerkt met zones met milieuwaarden die de gebruiksruimte per activiteit begrenzen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 30 van 51
ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Op basis van het aspect met de grootste afstand zijn de bedrijven in de volgende categorieën ingedeeld: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Categorie 1: grootste afstand 10 meter; Categorie 2: grootste afstand 30 meter; Categorie 3: grootste afstanden 50 en 100 meter; Categorie 4: grootste afstanden 200 en 300 meter; Categorie 5: grootste afstanden 500, 700 en 1.000 meter; Categorie 6: grootste afstand 1.500 meter.
Omgevingstype In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. De omgeving van de planlocatie kan, gelet op de omgeving en de ligging aan de Helakkerstraat worden gekarakteriseerd als gemengd gebied. Systematiek De oude systematiek van categorisering van milieucategorieën in bestemmingsplannen c.q. de daarbij behorende “Staat van Bedrijfsactiviteiten”, gebaseerd op de uitgave “Bedrijven en milieuzonering” van de VNG (2009), is in de systematiek van de Omgevingswet niet of niet zonder meer bruikbaar. In het rapport “Milieuzonering nieuwe stijl” (mei 2019; VNG) wordt ten aanzien van de regulering van toegelaten vormen van bedrijvigheid een relatie gelegd met de beschikbare milieuruimte op het gebied van met name geluid en geur.
Om gemeenten hierbij te helpen heeft de VNG de in oktober 2024 de handreiking Activiteiten en milieuzonering gepubliceerd. Dit is de opvolger van de uitgaven Bedrijven en milieuzonering 2009 en Milieuzonering nieuwe stijl uit 2019. De handreiking kan worden gebruikt voor het opnemen van bestaande en nieuwe bedrijventerreinen in het omgevingsplan. Ook kan de handreiking gebruikt worden bij het reguleren van milieuhinderlijke activiteiten. In het kader van de Omgevingswet zullen de regelingen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan moeten worden omgezet in een regeling voor het definitieve omgevingsplan. Uitgangspunt, volgens de handreiking, is om dit zo beleidsneutraal mogelijk te doen. Hiervoor is het noodzakelijk om, zoals gebruikelijk was, in de ruimtelijke ordening onder de Wro, een onderscheid te maken in twee soorten woongebieden: gemengde gebieden met wonen en rustige woongebieden. Er zijn in hoofdzaak twee manieren om milieuhinderlijke activiteiten en milieugevoelige activiteiten ten opzichte van elkaar in te passen. Het mengen van milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten (in gemengd gebied) en het scheiden van milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten. Het scheiden van milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten gebeurt door: 1. Uitwaartse milieuzonering; 2. Inwaarts zoneren.
In het omgevingsplan wordt rekening worden gehouden met (de eventuele cumulatie van) het geluid en de geur door (alle) activiteiten op milieugevoelige gebouwen. Bij de inwaartse zonering is het uitgangspunt voor de zonering van geluid de basiswaarde voor een milieuhinderlijke activiteit van 50 dB(A) etmaalwaarde op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Uitgangspunt voor de zonering van geur is TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 31 van 51
een basiswaarde voor geur door een milieuhinderlijke activiteit van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 percentiel op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. Invloed van de bestaande legale feitelijke situatie op de beoordeling In dit geval is van betekenis, dat bij de beoordeling van de gevolgen van de gedachte maatregel – anders dan onder de vigeur van de planschaderegeling nog het geval was – niet de huidige planologische situatie, maar de huidige feitelijke situatie (voor zover legaal aanwezig) maatgevend is. Zou binnen onderhavig initiatief de oude planschaderegeling van toepassing zijn geweest, dan zouden de 9 legaal – maar op overgangsrecht – aanwezige woonwagens niet in de vergelijking mogen worden betrokken en zouden de consequenties van de gedachte maatregel veel verstrekkender zijn geweest. In dat geval zou immers de gehele woonwagenstandplaats “verkleuren van paars naar geel”, met de daaraan mogelijk voor omliggende bedrijven verbonden consequenties van dien. Onder de werking van de Omgevingswet wordt echter een vergelijking gemaakt tussen de bestaande (legale) feitelijke situatie en hetgeen door een omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt.
Dit betekent, nu op deze zaak de schaderegeling van de Omgevingswet van toepassing is, dat bij de beoordeling van mogelijke gevolgen voor omliggende bedrijfsobjecten acht geslagen zal moeten worden op de 9 bestaande woonwagens, waarvan al een invloed op de aanwendingsmogelijkheden van omliggende bedrijfsobjecten kan en zal uitgaan. Daar waar “lege” woonwagenstandplaatsen gesitueerd zijn te midden van bestaande woonwagens wordt op voorhand verwacht dat geen sprake zal zijn van een wijziging van “hindercontouren” voor omliggende bedrijven vanwege de aanwezigheid van bestaande woonwagens. De betrokken “lege” plaatsen zijn in de onderstaande figuur aangeduid met een ‘ster’.
Figuur 13: Weergave "omsloten" gelegen standplaatsen
Uit de hiervoor afgebeelde figuur blijkt, dat alleen aan de noordwestzijde van het plangebied mogelijk de “contouren” verder uitwaarts zouden kunnen komen te liggen. Voor de ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied gelegen bedrijfsgronden geldt dat deze al geheel in de invloedssfeer van woonwagens binnen een straal van 30 meter gelegen zijn. Deze bedrijfsgronden ondervinden daarom naar onze inschatting geen nadeel van de ontwikkeling.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 32 van 51
Het westelijk gelegen bedrijfsperceel Korte Hei 32 ligt momenteel voor een aanmerkelijk deel al binnen de “30 meter contour” van de meest westelijk gelegen bestaande woonwagen. Door de realisering van een woonwagen op de meest noordwestelijke thans “lege” locatie wordt het gebied dat binnen de “30 meter contour” ligt iets groter, hetgeen geïllustreerd is op de hierna opgenomen afbeelding. Het betrokken gebied is momenteel in gebruik voor opslag. De oppervlakte van het “extra” binnen de 30 meter contour gelegen gebied is dusdanig klein, dat wij niet verwachten dat dit de waarde van het gehele bedrijfsperceel zal beïnvloeden, althans zeker niet in een mate die het normaal maatschappelijk risico van 4% (van het object als geheel) overschrijdt.
Figuur 14: Gearceerde deel geeft het gebied aan dat binnen de "nieuwe" 30 meter contour ligt
Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich het bedrijfsperceel Kraaihei 40. De oppervlakte van dit bedrijfsperceel dat binnen de “30 meter contour” komt te liggen is verwaarloosbaar klein. Resumerend kan er worden geconcludeerd dat er niet wordt verwacht dat de ontwikkeling voor omliggende bedrijfspercelen zal leiden tot nadeel, althans niet in een mate die het normaal maatschappelijk risico zou overstijgen. Het nadeelcompensatierisico van de ontwikkeling wordt daarom vooralsnog gesteld op “NIHIL”. Derhalve kan er worden aangenomen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie Helakkerstraat 22-48.
4.4
Geur
Toetsingskader Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de geurregels voor veehouderijen vanuit de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen in paragraaf 22.3.6 van de bruidsschat.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 33 van 51
In paragraaf 22.3.6 staan de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De regels hebben tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de bruidsschat opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De bruidsschat vormt vanaf 1 januari 2024 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect hebben de regels in de bruidsschat ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: • Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabijgelegen veehouderijen? • Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt.
De woonwagenstandplaats bestaat uit woonwagens waarbinnen er meerdere uren per dag, meerdere dagen per week, personen aanwezig zijn. Daarmee zijn de woonwagens als geurgevoelig te typeren. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op de planlocatie door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De bruidsschat geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Rucphen kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, voor het bepalen van een goed woon- en leefklimaat worden daarom de geurnormen uit de bruidsschat gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de bruidsschat zijn in artikel 22.98 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m³). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom.
De gemeente Rucphen is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied. De planlocatie aan de Helakkerstraat 22-48, is gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor conform artikel 22.98, lid 1 van de bruidsschat een geurbelasting van 3 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 3 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de bruidsschat. Dan geldt een vaste afstand. Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Kernregistratie Dierenverblijven met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren uit maart 2025 en zijn daarmee recent en actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Kernregistratie Dierenverblijven is ingevoerd.
Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 34 van 51
Figuur 15: Uitsnede achtergrondbelastingkaart, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Uit figuur 15, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving voor de locatie op basis van de achtergrond belasting als ‘zeer goed’ is aan te merken. Er is geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Aan de planlocatie aan de Helakkerstraat is de achtergrondbelasting dermate laag dat niet te verwachting is dat er op basis van de voorgrondbelasting van een afzonderlijke veehouderij belemmeringen optreden. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van geuremissie. Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de bruidsschat worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 22.101 van de bruidsschat gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand binnen de bebouwde kom betreft 100 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 22.103 van de bruidsschat een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object.
Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn, is het veehouderijbedrijf aan de Sporthei 7 te Rucphen. Het betreft een melkrundveehouderij waar rundvee wordt gehouden. De melkrundveehouderij bevindt zich op ca. 600 meter afstand ten noordwesten van de planlocatie. Conclusie Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. De woonwagenstandplaatsen zijn reeds sinds 1981 vergund en feitelijk in gebruik. Er vindt geen uitbreiding of functiewijziging plaats, enkel een planologische correctie waarbij de bestaande woonfunctie juridisch wordt vastgelegd. De feitelijke situatie blijft daarmee volledig ongewijzigd. Omdat de woonfunctie reeds langdurig aanwezig is, zijn eventuele geurbelastende activiteiten in de omgeving al afgestemd op deze gebruikssituatie. Er worden geen nieuwe geurgevoelige objecten toegevoegd en er verandert niets aan de ruimtelijke ligging ten opzichte van eventueel aanwezige geurbronnen, zoals veehouderijen of andere inrichtingen. Hierdoor blijven bestaande geurcontouren ongewijzigd.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 35 van 51
4.5
Gezondheid en veehouderijen
Toetsingskader Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönose. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönose zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, Rivm, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.
Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ▪ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ▪ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ▪ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenveehouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu.
Vervolgens is een wijze van beoordeling uitgewerkt (‘het stappenplan’) om tot een zorgvuldige, praktische en uniforme beoordeling te komen of er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Op deze manier wordt gestreefd om in Brabant, totdat er meer duidelijkheid is over een toe te passen (wettelijk) beoordelingskader, dan wel dat zich andere ontwikkelingen voordoen, gezamenlijk tot een breed gedragen werkwijze te komen die recht doet aan het belang van de volksgezondheid voor de burgers in de provincie. Inmiddels is de handreiking van maart 2016 geactualiseerd in de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0. In het stappenplan zijn aspecten meegenomen in de afweging of voor een specifieke situatie er een dusdanig verhoogd risico voor de volksgezondheid bestaat dat advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is in principe ook te gebruiken voor ruimtelijke plannen. In het stappenplan wordt onder andere getoetst aan de aspecten geur en fijnstof zoals deze respectievelijk staan beschreven in paragraaf 4.4 en 4.7. Daarnaast wordt er aan de hierboven benoemde afstanden getoetst of er binnen deze afstanden bepaalde veehouderijen zijn gelegen.
Beoordeling De planlocatie Helakkerstraat 22-48 is niet gelegen binnen een cirkel van 2 km van een geitenhouderij en niet binnen een cirkel van 1 km van een pluimveehouderij. Het onderhavig bestemmingsplan laat overigens geen nieuwe ontwikkelingen toe in de vorm van meer of ander type veehouderijen dan reeds in het vigerend bestemmingsplan bestemd die eventueel zouden kunnen bijdragen aan een verslechtering van het bestaande gezondheidsklimaat ter plaatse van de planlocatie.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 36 van 51
Iedere veehouderij moet voldoen aan wet- en regelgeving voor diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Gezien de langdurige aanwezigheid van de woonfunctie op deze locatie, zijn omliggende veehouderijen reeds geconfronteerd met deze gebruikssituatie. Er verandert niets aan de afstand tussen de woonwagens en eventuele veehouderijen in de omgeving, noch aan de aard of intensiteit van het gebruik. Hierdoor is er geen sprake van een nieuwe planologische afweging met betrekking tot volksgezondheid of milieugevolgen voor omliggende agrarische bedrijven. Omdat het geen nieuwe planologische gevoelige functie betreft, hoeft er geen aanvullende beoordeling plaats te vinden op grond van de GGD-richtlijnen of het voorzorgsbeginsel in relatie tot emissies zoals fijnstof of endotoxinen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat het aspect veehouderijen en gezondheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.6
Bodemkwaliteit
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient rekening te worden gehouden met de kwaliteiten van de bodem. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat er sanerende of beschermende maatregelen benodigd zijn bij overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Bij een wijziging van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor de beoogde ontwikkeling. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. In februari 2024 is een nader bodemonderzoek uitgevoerd in verband met mogelijke vervuiling van de bodem. Uit het bodemonderzoek blijkt dat er verontreiniging zit in de bodem op een deel van de percelen. Het gaat hierbij om pcb’s (polychloorbifenylen). Moeilijk afbreekbare stoffen die jarenlang werden toegepast, in bijvoorbeeld koelvloeistoffen, verf en kunststof. De toepassing van pcb’s is inmiddels verboden. De pcb’s bevinden zich onder de bestrating en het laagje straatzand en vormen geen direct gevaar voor de gezondheid. Wel is afgeraden om de bestrating weg te halen, omdat direct contact met de vervuilde grond kan leiden tot risico’s voor de gezondheid.
Onderzoek In opdracht van Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant Team Metingen en Onderzoek (TMO) heeft Geofoxx, als onafhankelijk adviesbureau, een nader bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Helakkerstraat (woonwagenkamp) te Rucphen. Dit onderzoek is toegevoegd aan bijlage 1 van onderhavig omgevingsplan. De aanleiding voor het laten uitvoeren van een nader bodemonderzoek wordt gevormd door de resultaten van eerder uitgevoerd bodemonderzoek (RSK-kenmerk: 513367.001 d.d. 21 november 2016), waarbij een sterke verontreiniging met polychloorbifenyl is aangetoond in de ondergrond. Op basis van onderhavig onderzoek wordt geschat dat de grond (variërend van 0,08- tot 3,0 m-mv) over een volume van circa 618 m³ (309m² x 2,0m) sterk verontreinigd is met PCB. Geschat wordt dat het grondwater over een volume van circa 240 m³ (160 m2 x 1,5m) verontreinigd is boven de signaleringswaarde. Uit samengestelde mengmonsters van de grond met huisvuil blijkt dat alleen de parameter PCB uit het standaard NEN-pakket de interventiewaarde overschrijdt. Aanvullend is de grond met het huisvuil onderzocht op het voorkomen van asbest, uit de analyseresultaten blijkt dat er geen asbest is aangetoond. Uit de uitgevoerde risicobeoordeling blijkt dat er in de huidige situatie geen sprake is van onaanvaardbare risico’s, zodat de bodemverontreiniging niet als toevalsvondst wordt aangemerkt.
Dit houdt in dat er geen maatregelen genomen hoeven te worden om eventuele blootstellingsrisico’s weg te nemen. Echter als de verharding wordt verwijderd, zijn er potentieel wel risico’s (en is er wel sprake van een toevalsvondst). Per brief is met de bewoners afgesproken dat er geen verharding mag worden verwijderd. Thuisvester is hiervan op de hoogte en helpt mee zorg te dragen voor de aanleg en instandhouding, ook van het verdere terrein. De gemeente en Thuisvester onderzoeken nog voor de toekomst hoe om te gaan met de vervuiling op locatie.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 37 van 51
4.7
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Voor een activiteit dat NIBM (niet in betekende mate) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Een plan is NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. De woningen resulteren niet in een significante toename van het verkeer op de Helakkerstraat en Korte Hei. Er vindt namelijk geen toename plaats van het aantal woningen. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties.
De coördinaten van de woningen aan de Helakkerstraat 22-48 zijn bij benadering: ▪ X = 99105 ▪ Y = 394417 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN en GDN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: ▪ 2025: PM10: 15.97 μg/m³, NO2: 12.51 μg/m³ en PM2,5: 8.941 μg/m³ ▪ 2030: PM10: 14.39 μg/m³, NO2: 10.16 μg/m³ en PM2,5: 7.543 μg/m³ ▪ 2035: PM10: 13.35 μg/m³, NO2: 8.223 μg/m³ en PM2,5: 6.65 μg/m³ ▪ 2040: PM10: 12.82 μg/m³, NO2: 6.984 μg/m³ en PM2,5: 6.203 μg/m³ Om het woon- en leefklimaat met betrekking tot de luchtkwaliteit in het plangebied te bepalen wordt gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN en GDN). Hieruit volgt dat ter plaatse van de planlocatie zowel in de huidige situatie als voor 2040 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram, en de concentraties van PM2,5 onder de grenswaarden van 25 microgram per kubieke meter lucht liggen. Daarnaast is de planlocatie niet gelegen in en nabij een aandachtsgebied voor stikstofdioxide als fijnstof op basis van artikel 5.51 van het Bkl. Het initiatief betreft de herbestemming van een bestaande woonwagenlocatie, waarbij geen fysieke uitbreiding of functiewijziging plaatsvindt.
De ontwikkeling leidt daardoor niet tot een toename van verkeer, activiteiten of emissiebronnen die invloed kunnen hebben op de lokale luchtkwaliteit. Aangezien dit plan uitsluitend voorziet in een planologische correctie van bestaand gebruik, is er geen sprake van een toename van luchtverontreinigende activiteiten of verkeersgeneratie die mogelijk lijft tot overschrijding van de grenswaarden. De bestaande feitelijke situatie blijft volledig gehandhaafd. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling binnen het plangebied.
4.8
Spuitzones
In de vollegronds- en sierteelt ontkomt men niet aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tegen schimmels, luizen en andere vormen van ongedierte. Kenmerkend voor de land- en tuinbouw zijn de intensieve teeltsystemen met een relatief hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Bij het spuiten van TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 38 van 51
gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het te behandelen gebied terechtkomt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is hoger bij toepassing in fruitteelt dan bij de akkerbouw en lage bomenteelt, waarbij voornamelijk neerwaarts wordt gespoten. Het aspect spuitzones is in dit geval niet van toepassing. De planlocatie bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied, op een bedrijventerrein, en is niet gelegen in of nabij agrarisch gebied waar gebruik wordt gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen. Er zijn geen agrarische percelen of teeltgronden aanwezig in de directe omgeving van de woonwagenstandplaatsen. Aangezien spuitzones uitsluitend relevant zijn in situaties waar gevoelige functies worden gesitueerd binnen de invloedssfeer van agrarisch gebruik (zoals boomteelt of akkerbouw), en daarvan hier geen sprake is, is een nadere beoordeling of het instellen van een spuitvrije zone niet aan de orde. Het aspect spuitzones vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. 4.9
Trillingen
De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijzen trillinggevoelige gebouwen en trillinggevoelige ruimten aan. Overheden passen deze instructieregels toe als zij activiteiten toelaten op een locatie. Dit doen zij bijvoorbeeld bij het opstellen van een omgevingsplan. Artikel 5.80 van het Bkl wijst gebouwen of gedeeltes van gebouwen met de gebruiksfunctie 'wonen' aan als trillinggevoelige gebouwen. Hieronder vallen alle gebouwen met een woonfunctie, zoals woningen en verzorgingshuizen. In het kader van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' kan het aspect trillingen bij dergelijke gebouwen in de ruimtelijke inpassing wel een rol spelen. De woonwagens aan de Helakkerstraat 22-48 kan worden gezien als trillinggevoelig gebouw. Beweging over weg- en spoorwegverkeer kunnen trillingen veroorzaken in woningen, scholen en dergelijke. Dit moet het bevoegd gezag betrekken bij de ruimtelijke inpassing van spoor(wegen) en/of trillinggevoelige gebouwen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verkeer over een oneffen wegdek veroorzaakt trillingen. Bij het passeren van vooral zware voertuigen, zoals vrachtwagens en bussen, kunnen trillingen ontstaan met een kortdurend karakter. De aard van deze trilling is afhankelijk van het type voertuig en de belading, de rijsnelheid en de vorm van de oneffenheden, zoals bij een brug.
In de meeste gevallen speelt het aspect trillingen geen rol bij de ruimtelijke inpassing. Er gelden hiervoor geen instructieregels van het Rijk. Het aspect trillingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. De planlocatie betreft een bestaande woonwagenstandplaats. Er worden geen nieuwe gevoelige functies toegevoegd en er vinden geen fysieke aanpassingen of ingrepen plaats die kunnen leiden tot nieuwe of toegenomen trillinghinder. Daarnaast is de locatie gelegen op een bedrijventerrein, waar geen bronnen van trillingshinder bekend zijn, zoals intensief spoorverkeer of zware industriële installaties met een verhoogd risico op trillingsuitstraling. Ook wordt er geen nieuw bouwplan gerealiseerd waarbij sprake zou kunnen zijn van trillinggevoelige funderingen of structuren. Gezien het behoudende karakter van het plan en de stabiele, bestaande gebruikssituatie, is er geen aanleiding voor verder onderzoek naar trillingen. Het aspect trillingen vormt dan ook geen ruimtelijke of milieukundige belemmering.
4.10
Water en watersystemen
4.10.1
Waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 39 van 51
vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen en ambities van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat voortkomt uit de omgevingswet. De inbreng van belanghebbenden is hierbij belangrijk. Water is een belangrijke factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Goed waterbeheer draagt bij aan duurzame ontwikkeling van het werkgebied (en daarbuiten). Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerprogramma en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht.
De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. 4.10.2
Grondwaterbeschermingsgebieden
Figuur 16: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta
Uit de beoordeling van de Keurkaart blijkt dat de planlocatie niet ligt in een grondwaterbeschermingsgebied, beperkt grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of in het invloedsgebied Natura 2000. De ontwikkeling op de planlocatie heeft geen invloed op de bovengenoemde gebieden.
4.10.3
Waterlopen
Uit beoordeling van de Leggerkaart blijkt dat er aan de noordelijke begrenzin van de planlocatie een categorieA waterloop is gelegen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de aanwezige waterstructuren op de planlocatie.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 40 van 51
Figuur 17: Uitsnede Leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
4.10.4
Riolering en infiltratie
Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Daarbij zal zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC zoveel mogelijk achterwegen gelaten. Voor de geprojecteerde bebouwing geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel van de Helakkerstraat. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via de drukriolering wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Het Waterschap Brabantse Delta heeft in de Keur opgenomen dat in principe verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat bij afgekoppeld verhardoppervlak voor locaties kleiner dan 500 m², het is toegestaan het water direct af te voeren op het oppervlaktewater of op het in de omgeving aanwezige bestaande rioolstelsel. Er hoeft dan geen infiltratie dan wel retentie toegepast te worden. Voor de planlocatie hoeft geen aanvullende infiltratie- of retentiemaatregel te worden getroffen.
Het initiatief betreft een planologische herbestemming van een bestaande woonwagenstandplaats, waarbij geen uitbreiding van het verhard oppervlak plaatsvindt. De feitelijke situatie, inclusief de verharding en de bestaande voorzieningen, blijft ongewijzigd.
TAM-omgevingsplan “Woonwagencentrum Helakkerstraat 22-48 te Rucphen” | 22-04-2026
Pagina 41 van 51
Aangezien er geen toename optreedt in het verharde oppervlak, ontstaat er geen extra belasting op het watersysteem. De bestaande hemelwaterafvoer is aangesloten op het reguliere gemeentelijke rioolstelsel, waarmee het hemelwater op een verantwoorde wijze wordt verwerkt conform de geldende normen. Omdat er geen sprake is van fysieke uitbreiding of nieuwe verharding, is er geen hydrologische aanleiding om aanvullende retentievoorzieningen of infiltratiemaatregelen te treffen. De huidige situatie is afdoende en wordt op duurzame wijze voortgezet binnen het bestaande riolerings- en afwateringsnetwerk. 4.10.5
Weging van het waterbelang
De weging van het waterbelang proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De weging van het waterbelang is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. 4.11
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets misgaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft alle risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.