CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

11b Bijlage 2b - toelichting NL.IMRO.0840.2585K0016-DEF1 2023-03-10

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 5 april 2023, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Kom Zegge, Kapelstraat 26 te Zegge22.404 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de ladder voor duurzame verstedelijking

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 26 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro (ladder voor duurzame ontwikkeling). Op 1 juli 2017 is de nieuwe ladder vastgesteld. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder kent meerdere vragen die achter elkaar worden doorlopen. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied betreft de ontwikkeling van maximaal zes extra wooneenheden binnen het stedelijk gebied. De onderhavige woningbouw ontwikkeling is kleinschalig van aard en kan daarom, conform vaste jurisprudentie, niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro worden aangemerkt. Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, uit het Bro en is de ontwikkeling niet Ladderplichtig.

De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en de opstelling van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken zoals die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg. De beoogde ruimtelijke planontwikkeling voldoet aan de regels zoals opgesteld in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Toekomstvisie Puur Rucphen 2030

In de toekomstvisie 'Puur Rucphen 2030', vastgesteld op 23 september 2015, worden de maatschappelijke opgaven van de gemeente voor de komende jaren benoemd. De toekomstvisie bouwt voort op bestaand beleid en is geen aanleiding geweest tot een inhoudelijke koerswijziging. Wel zijn de perspectieven op deelterreinen en de onderlinge dwarsverbanden verder versterkt, zodat de inzet van de gemeente effectiever kan zijn. De toekomstvisie is opgesteld in intensieve samenspraak met bewoners, ondernemers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties. Radicaal anders wordt de rol van de overheid en de invulling van regionale samenwerking: van burgerparticipatie naar overheidsparticipatie, en van samenwerking omdat 't moet, naar samenwerking omdat 't loont. De inhoudelijke en bestuurlijke keuzes zijn uitgewerkt in de volgende perspectieven: ▪ Aantrekkelijk wonen; ▪ Vrijetijdseconomie; ▪ Zorgzame en zelfredzame gemeenschappen; ▪ Overheidsparticipatie; ▪ Regionale samenwerking. De gemeente Rucphen wil haar aantrekkingskracht versterken voor mensen die graag rustig en landelijk willen wonen, maar wel dichtbij (groot)stedelijke voorzieningen en werk. De gemeente Rucphen handelt vanuit de overtuiging dat de meeste inwoners goed in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun huidige en toekomstige woon- en leefsituatie. Meegroeien met de samenleving is het uitgangspunt.

Zelf bouwen zit in de genen van de inwoners van de gemeente. (Collectief) particulier opdrachtgeverschap wordt dan ook gestimuleerd. Aandachtspunten bij (zelf)realisatie zijn groene inpassing, duurzaamheid (isolatie/energie) en levensloopbestendigheid. Onderhavige ontwikkeling ziet toe op de bouw van woningen waardoor vooral keuze 1 van belang is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van zes woningen en betreft een particulier initiatief. Dit past binnen het uitgangspunt om mee te groeien met de samenleving en het stimuleren van particulier opdrachtgeverschap. Voorgenomen ontwikkeling past daarmee binnen de kaders van de toekomstvisie Puur Rucphen 2030.

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 27 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.4.2

Structuurvisie Rucphen 2030

De gemeenteraad van Rucphen heeft bij besluit van 11 december 2013 de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ vastgesteld. In de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ geeft de raad zijn visie op de ruimtelijke ontwikkelingen. De visie gaat over de leefruimte van het gehele grondgebied van Rucphen. De structuurvisie is het richtinggevende ruimtelijke relevante afwegingskader. De Structuurvisie bestaat uit twee delen: 1. Deel A, de beleidsvisie, bevat onze voornemens en ambities met betrekking op de toekomstige ruimte van Rucphen. 2. De projecten en de haalbaarheid ervan worden behandeld in deel B: het projectenplan. De visie heeft een looptijd tot 2030. Het projectenplan wordt regelmatig geactualiseerd. Uit figuur 14 blijkt dat het plangebied ligt in ‘Versterken uitstraling dorpskernen’. Om de woonkwaliteit en de recreatieve aantrekkelijkheid van de gemeente te vergroten is versterking van de uitstraling van de grote kernen noodzakelijk. De grote kernen zijn stenig en hebben hun relatie met het buitengebied verloren. Het gemeentelijk beleid is gericht op herstel van deze relatie. In het groenstructuurplan is aangegeven hoe: landschappelijke dooradering van de dorpen, een groen dorpshart en groene dorpsranden. Rode initiatieven worden hieraan getoetst en moeten daaraan bijdragen. Voor Zegge is door de gemeente Rucphen samen met de inwoners een dorpsontwikkelingsplan gemaakt.

Belangrijkste doel van het integrale dorpsontwikkelingsplan is het versterken van de leefbaarheid. De zes appartementen worden gerealiseerd op de inbreidingslocatie Kapelstraat 26. Dit initiatief draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de woonkern Zegge en het versterken van de leefbaarheid. De ontwikkeling past binnen de kaders van de toekomstvisie zoals beschreven in de Structuurvisie Rucphen 2030.

Figuur 14: Uitsnede Structuurvisie Rucphen 2020

4.4.3

Woonvisie gemeente Rucphen 2020-2024

De woningmarkt is steeds in beweging en verandert in een hoog tempo als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen en wijziging van wet- en regelgeving. Belangrijke uitdagingen zijn er zoals op het gebied van betaalbaarheid van woonlasten voor starters, het uitgangspunt van langer thuis blijven wonen door ouderen, verduurzaming van de woningvoorraad en de toewijzing van passende sociale huisvesting voor onze inwoners.

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 28 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het is dan ook noodzaak om deze ontwikkelingen nauwlettend te volgen en het woningmarktbeleid daarop aan te passen. De Woningwet 2015 gaat er van uit dat tussen de gemeente, de woningcorporaties en de huurdersorganisaties zogenaamde prestatieafspraken gemaakt worden, die gebaseerd zijn op een actuele gemeentelijke woonvisie. Hiermee is de noodzaak van een actuele eigentijdse woonvisie helder, waarbij het de uitdaging blijft om binnen de wet- en regelgeving te blijven zoeken naar lokale optimalisatie van visie en ambities. Traditioneel is de woonvisie een belangrijk instrument in de woningbouwopgave voor de gemeente. Dat geldt zeker ook voor deze woonvisie. Echter wordt in deze woonvisie naast het perspectief van het bouwen tevens het perspectief van het wonen belicht. Daarmee heeft deze woonvisie zich ontwikkeld tot een brede WOONvisie voor de periode 2020-2024. In de gemeentelijke Woonvisie wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid/ doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc.

Deze vertaalslag zorgt ervoor dat de Woonvisie 2020-2024 het woonkompas bij uitstek is, gebaseerd op onder andere de Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 en de Structuurvisie Rucphen 2030. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen. Het aantal inwoners van de gemeente Rucphen groeit nog beperkt verder, met een ontgroening aan de onderkant en een sterke vergrijzing aan de bovenzijde. Met name door de afname van de gemiddelde woningbezetting, is er dus een behoefte om het aantal woningen uit te breiden. Door de sterke vergrijzing zal een groot deel van de toe te voegen woningen wel levensloopbestendig moeten worden gerealiseerd. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor met name starterswoningen, om starters/jongeren kansen te bieden in de dorpen binnen de gemeente Rucphen. In de woonvisie wordt ervan uitgegaan dat voor de komende 5 jaar een behoefte bestaat aan 500 nieuwe woningen. Achterblijvende nieuwbouw in de afgelopen jaren door de economische crisis en momenteel juist een verhitte koopmarkt leiden tot een behoefte aan 50-100 nieuwbouwwoningen per jaar. Benadrukt wordt een behoefte aan goedkope en middel dure koopwoningen tot € 300.000,-.

De te realiseren 500 nieuwbouwwoningen van 2020-2024 in de gemeente Rucphen zijn gedifferentieerd naar kern en naar woningtype. Dit zijn de ambities per kern, vraag en aanbod bepalen uiteindelijk de concrete invulling per kern. Voor de kern Zegge is de woningbouwambitie gesteld op in totaal 50 woningen.

Figuur 15: Woningbouwambitie voor Zegge

Met onderhavig initiatief wordt voorzien in zes gestapelde woningen, passend binnen de kwantitatieve behoefte aan woningen in Zegge. Met een bruto vloeroppervlakte van circa 90 m2 zijn de beoogde woningen geschikt voor kleine huishoudens, hetgeen passend is binnen de dalende trend van woningbezetting. De woningen zijn vanwege het gelijkvloers programma levensloopbestendig te bewonen, hetgeen past binnen de sterke vergrijzing waar ook gemeente Rucphen mee te maken heeft. Het initiatief past hierdoor binnen de Woonvisie van Rucphen. 4.4.4

Groenbeleidsplan Groen R, 2022

De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dat doen zij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij spelen een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 29 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Met Groen R streeft de gemeente de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap. Wanneer het gaat om het behoud en versterken van het leefklimaat in de dorpen en het buitengebied is groen belangrijk. Dit geldt voor zowel mensen als dieren. Gemeente Rucphen is zich bewust van de bijdrage die groen levert aan een goede leefomgeving. Denk aan natuurwaarde, gezondheid, een betere luchtkwaliteit, klimaat adaptieve omgeving, recreatiewaarde, esthetische waarde, cultuurhistorische waarde en ook economische waarde. Groen biedt een plek voor ontmoeting en beweging en draagt bij aan een goed woon- en werkklimaat en een gezonde levensstijl. Bij het inpassen van bestaand groen en nieuw groen bij ontwikkelingen, tot het goed onderhouden, zodat groen volwassen wordt en bomen monumentaal. Hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van groen ook lijkt, een duidelijke borging is voor behoud en ontwikkeling van belang. Dit groenbeleidsplan sluit aan en bouwt voort op landelijke wettelijke kaders en verschillende gemeentelijke beleidskaders (waaronder: Visie Groenbeleid 2008 en Groenstrucuurplan gemeente Rucphen 2009). Om te komen tot Groen R zijn de volgende zes bouwstenen van belang. De bouwstenen geven inzicht in de verschillende verschijningsvormen en relaties van groen.

Het geeft per bouwsteen de huidige situatie weer en daarnaast ook de noodzakelijke opgaven. De bouwstenen zijn: ▪ Groen en identiteit; ▪ Groen en natuur; ▪ Groen en de gezondheid; ▪ Groen en klimaatadaptatie; ▪ Groen en de CO2 opgave; ▪ Groen en de landbouw. In de visie werkt de gemeente aan de verbinding en de verbetering van het groen in de kernen en het buitengebied, met als doel een sterke groenstructuur. De structuur moet bestaan uit een gevarieerd groenpalet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. Door het verbinden van groene gebieden ontstaan meer mogelijkheden voor dieren en voor planten om te leven en voor onze inwoners om daarvan te genieten. Geleidelijk ontstaat zo in de publieke (en in de private) buitenruimte een samenhangend groen netwerk. Die groenstructuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan en groen zo aan te leggen dat het een meerwaarde heeft voor mensen en dieren. De gemeente Rucphen ontwikkeld de groene ruimte in de gemeente met aandacht voor gezondheid, natuur, klimaatadaptatie en sociaal welzijn. Een ruimtelijke visie voor de hele gemeente die gebaseerd is op de ruimtelijke kenmerken en rekening houdt met dynamiek en ontwikkelingen binnen de gemeente.

Het groenplan is niet per definitie een blauwdruk maar geeft richting aan ontwikkelingen in het groen, en biedt kaders voor niet-groenprojecten. Groen R bestaat uit de genoemde bouwstenen. Als er groene ruimtes worden toegevoegd, verbeterd, beheerd of ontworpen, doet de gemeente dat door het inzetten van een aantal principes die de basis vormen onder deze visie. Alle vier zijn ze gericht op het doel van een leefbare gemeente voor mens en dier. ▪ Principe 1 We zorgen voor genoeg en gevarieerd groen voor iedereen; ▪ Principe 2 We zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven; ▪ Principe 3 De gemeente wordt natuur inclusief aangelegd en beheerd; ▪ Principe 4 Aan groen werken we samen. De visie Groen R gaat over de invulling van openbaar groen binnen de gemeente Rucphen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen. Het onderhavige initiatief betreft slechts een wijziging op perceel niveau. Binnen het plangebied is in de huidige situatie geen sprake van relevante groenstructuren en het plan heeft niet de schaal om een wezenlijke bijdrage te leveren aan de ambitie om te komen tot een secundaire landelijke dooradering van de kernen. Wel wordt er een kleine bijdrage geleverd aan de groenstructuur ter plaatse van de Kapelstraat.

De rand van de planlocatie (Kapelstraat/ Nieuwe Hoofdweg) wordt een groene rand voorzien met onder andere hierin enkele bomen

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 30 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

geplaatst welke een gedeelte van de dooradering accentueert en versterkt. Met de sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw vindt tevens een plaatselijke kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte plaats.

Figuur 16: Uitsnede van de kaart behorende bij het Groenstructuurplan

4.4.5

Groene Kaart

De Groene Kaart toont en beschrijft de meest waardevolle bomen en houtopstanden binnen de gemeente. Deze mogen niet zonder omgevingsvergunning worden gekapt. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt en daar rekening mee wordt gehouden in het plan. Zo ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedsfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. Als extra toetsingskader is een Groene Kaart (november 2010) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen. Uit de Groene Kaart blijkt dat binnen het plangebied geen waardevolle particuliere houtopstanden aanwezig zijn. Met het planvoornemen worden geen relevante groenstructuren gekapt. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de Groene Kaart.

Figuur 17: Uitsnede Groene Kaart

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 31 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.4.6

Beleidsregel Groennorm Gemeente Rucphen

De gemeente Rucphen wil een aantrekkelijke gemeente zijn om te wonen, werken, en recreëren. Een aantrekkelijke groene omgeving draagt hieraan bij. De gemeente heeft de ambitie om de groenstructuren te versterken, minder verharding te realiseren en te zorgen dat het regenwater bij hevige buien goed weg kan. Om die reden is het gewenst om bij ruimtelijke ontwikkelingen meer aandacht te hebben voor groen. De gemeenteraad heeft op 19 juni 2019 de Visie duurzaamheid 2019-2030 (zie paragraaf 4.4.9) vastgesteld. In deze visie zijn ambities opgenomen die bijdragen aan het verbeteren van duurzaamheid. Ook op het gebied van groen is een ambitie opgenomen. Deze ambitie is als volgt: “Het streven om binnen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, per woning, 75 m² groen (incl. retentie) in de openbare ruimte te realiseren”. In de Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 zijn ambities opgenomen voor een aantrekkelijke woonomgeving. De belangrijkste opgave is het verbeteren van de uitstraling van de kernen. Dit wordt gedaan door de kernen weer meer onderdeel te laten uitmaken van de landelijke omgeving door de relatie met het buitengebied te herstellen. Dit door het terugbrengen van het groen en natuur in de kernen: groene dooradering, een groen hart en groene randen. De realisatie van 75 m2 openbaar groen per woning draagt hieraan bij.

Bij grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen waar het openbaar gebied nog ingericht moet worden, wordt deze norm in praktijk vaak gehaald. In het buitengebied is weinig openbare ruimte aanwezig en zijn vanuit de provincie en door regionale afspraken over kwaliteitsverbetering van het landschap al regels gesteld. Bij kleinschaligere ontwikkelingen in de dorpen, bijvoorbeeld het invullen van een leegkomende plek in een bestaand lint, is de ambitie lastig te behalen. Het is op die plekken niet altijd mogelijk, stedenbouwkundig of vanuit het oogpunt van beheer gewenst, om 75 m² openbaar groen te realiseren. In die gevallen is maatwerk gewenst. Het gaat er bij de ontwikkelingen om dat er invulling gegeven wordt aan de groennorm van 75 m 2 per woning. Om maatwerk toe te kunnen passen is de ‘Beleidsregel groennorm gemeente Rucphen’ opgesteld. Dit als nadere uitwerking van de ambitie uit de Visie duurzaamheid 2019-2030. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt getoetst aan deze nieuwe beleidsregel. De invulling van de benodigde groenopgave vindt plaats via de groenladder welke is opgenomen in de Beleidsregel. In de groenladder is de volgende specifieke situatie beschreven: - Is er sprake van een bestemming ‘bedrijf’, ‘detailhandel’, ‘dienstverlening’ of ‘horeca’ binnen de bebouwde kom? Dan geldt de norm van 75m2 per woning niet, maar is dit een streven.

Door middel van maatwerk wordt per locatie gekeken hoe de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. De groenladder hoeft verder niet doorlopen te worden omdat er sprake is van maatwerk. Uit bovenstaande blijkt dat naar aanleiding van de ontwikkeling van de appartementen aan de Kapelstraat te Zegge niet hoeft te worden voldaan aan de norm van 75 m² openbaar groen per woning. Bij een wijziging van de bestemming van ‘Bedrijf’ naar ‘Wonen’ ziet de gemeente dit al als een kwaliteitsverbetering van de kern en is er geen aanvullende groenopgave noodzakelijk. Bij de nieuwe invulling van de planlocatie wordt er wel aandacht besteed aan een goede groene invulling. Zo wordt er aan de voorzijde (Kapelstraat) en de zijkant (Nieuwe Hoofdweg) van het gebouw een groene rand gerealiseerd. In deze groene rand is ruimte voor 4 bomen (maat 18-20 cm). Door de voorzijde en zijkant groen in te richten, wordt een begin gemaakt met de groene dooradering van de Kapelstraat. Daarmee is ter plaatse tot een maatwerkoplossing gekomen, indachtig de Visie Duurzaamheid. 4.4.7

Waterplan Rucphen, visie en maatregelen

De gemeente Rucphen wil samen met het Waterschap Brabantse Delta, de Provincie Noord-Brabant en Brabant Water het watersysteem in Rucphen op orde brengen en op orde houden. Het waterplan Rucphen

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 32 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

geeft met de watervisie voor 2050 aan hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast geeft het waterplan inzicht in de verschillende waterthema’s die spelen en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de wateropgave. In het waterplan wordt het watersysteem en de waterketen beschreven en wordt ingegaan op de (bekende) knelpunten en de punten die goed zijn of potentie hebben. Daarna wordt ingegaan op de watervisie voor de gemeente Rucphen in 2050. De drie hoofdthema’s zijn de waterstructuur, water in de omgeving en waterbeleving in het groen. Ten slotte worden maatregelen beschreven. De maatregelen kunnen van verschillende aard zijn: communiceren, organiseren (werkafspraken) en feitelijke aanpassingen aan het watersysteem. Het plangebied is niet gelegen binnen een ontwikkeling in het kader van het Waterplan Rucphen. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor het plangebied. 4.4.8

Nota uiterlijk van bouwwerken

De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019’ vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal worden getoetst of welstandsregels van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn geen welstandsregels van toepassing. 4.4.9

Visie Duurzaamheid 2019-2030

De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente. Achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet te zien als een geïsoleerd beleidsterrein maar op te pakken als een integrale opgave binnen de gemeentelijke organisatie en de samenleving. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw/ Gemeente. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente.

Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken. In de Visie Duurzaamheid is onder andere opgenomen dat wordt gestreefd om bij nieuwbouwplannen te voorzien in 75 m2 openbaar groen per nieuwe woning. Dit uitgangspunt is niet één op één toe te passen bij (kleinschalige) stedelijke inbreidingslocaties. Per plan wordt bekeken hoe aan de doelstelling invulling gegeven kan worden. In de Beleidsregel Groennorm, zie paragraaf 4.4.6, wordt aangegeven dat bij het wijziging van de bestemming ‘Bedrijf’ naar de bestemming ‘Wonen’ binnen de bebouwde kom niet hoeft te worden voldaan aan de norm van 75 m² openbaar groen per woning. Gemeente ziet het omzetten van de bestemming al als een kwaliteitsverbetering binnen de kern.

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 33 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Op de planlocatie wordt er wel aandacht besteed aan een groen invulling bij wijze van maatwerk. Aan de voorzijde (Kapelstraat) en de zijkant (Nieuwe Hoofdweg) van het gebouw wordt een groene rand gerealiseerd. In deze groene rand is ruimte voor 4 bomen (maat 18-20 cm). Door de voorzijde en zijkant groen in te richten, wordt een begin gemaakt met de groene dooradering van de Kapelstraat. Daarmee is ter plaatse tot een maatwerkoplossing gekomen, indachtig de Visie Duurzaamheid. Met de sloop van de bestaande bebouwing en de nieuwbouw vindt tevens een plaatselijke kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte plaats.

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 34 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 5.1

Relevante (Milieu)aspecten

Algemeen

Het plangebied is gelegen in de kern van Zegge, op de hoek van de Kapelstraat en de Nieuwe Hoofdweg. Het voornemen is om op de planlocatie het oprichten van zes appartementen planologisch mogelijk te maken. Het huidige bestemmingsplan dient te worden herzien door middel van een bestemmingsplanprocedure. In onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieu hygiënische aspecten welke betrekking hebben op het plangebied uiteengezet. 5.2

Cultuurhistorie en archeologie

5.2.1

Cultuurhistorie

Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.

Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen,

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 35 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Deze kaart is eveneens via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 18) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat het plangebied is gelegen in historische geografie – vlakken ‘vervening de Zegge’ en regio ‘West-Brabantse Venen’.

Figuur 18: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (Provincie Noord-Brabant)

Cultuurhistorische landschappen Het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. De West-Brabantse Venen maken deel uit van het zwak golvende dekzandlandschap. Anders dan in Oost-Brabant waren hier geen beeklopen, waardoor de dekzandkommen een slechte ontwatering hadden. Hierdoor ontstond op grote schaal veen. Stormvloeden hebben grote delen van het West-Brabantse veen weggeslagen. Grote delen van de resterende venen zijn door de mens afgegraven en ontgonnen. In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het onderhavig plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio. De ontwikkeling binnen het plangebied doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied. 5.2.2

Archeologie

Gemeentelijk beleid Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Rucphen de Nota Archeologie Gemeente Rucphen opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Op de archeologische waarden‐ en verwachtingskaart wordt onderscheid gemaakt tussen archeologische verwachtingen en waarden. In figuur 19 is ter plaatse van het plangebied een uitsnede van de Archeologische

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 36 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in een archeologisch waardevol gebied met een hoge archeologische verwachting (waardevol gebied 2).

Figuur 19: Uitsnede Archeologische beleidskaart Rucphen (bron: Gemeente Rucphen)

Archeologisch waardevol gebied 2: Waarde archeologie – hoog Het betreft archeologische terreinen waarvan wordt verwacht dat het bekende vindplaatsen zijn waaronder ook historische kernen vallen. Er zijn hierbij hoge verachting bij voor vindplaatsen van jager- en verzamelaars. De volgende ontheffingscriteria zijn op deze categorie van toepassing: ▪ oppervlakte plangebied tot 100 vierkante meter; ▪ diepte bodemingreep tot 50 centimeter onder maaiveld. Voor gronden binnen dit gebied geldt een onderzoek plicht bij een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m2 en een diepte van 50 cm. Onderhavig initiatief overschrijdt deze grenswaarden, waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Transect heeft voor het plangebied een archeologisch inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Op 25 november 2021 hebben zij van het onderzoek een rapportage uitgebracht. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting, hieronder is de korte samenvatting uit het rapport weergegeven. Conclusie archeologisch onderzoek Op basis van het archeologisch vooronderzoek zijn de volgende conclusies te trekken: ▪ Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied deel heeft uitgemaakt van het Brabantse dekzandgebied. Het gebied rondom Zegge heeft een relatief lage ligging gehad en is daarom gedurende de Bronstijd deel gaan uitmaken van een veengebied.

Het veengebied is ontgonnen in de Late Middeleeuwen. Op basis hiervan kunnen archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum aanwezig zijn. Als een archeologische vindplaats aanwezig is zal deze bestaan uit de resten van een jachtkamp en zal zich manifesteren als een vondststrooiing van bewerkt vuursteen

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 37 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪

▪

▪

en houtskool in een eventueel aanwezige podzolbodem. Omdat het plangebied deel heeft uitgemaakt van een veengebied worden geen archeologische resten uit de Bronstijd tot en met de Vroege Middeleeuwen verwacht. Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het zuidwesten van het plangebied een smederij heeft gestaan. Deze smederij was in ieder geval aanwezig in de periode 1830-1880, maar is mogelijk nog ouder. Mogelijk archeologische resten uit deze periode bestaan uit funderingsresten, resten van beer- en waterputten en een vondstconcentratie van baksteenfragmenten en metaalslak in de humeuze bovengrond. De resten van de smederij (en oudere archeologische resten) kunnen verstoord zijn geraakt tijdens de bouw van een woning in ca. 1889, tijdens de bouw van de garage in het noordoosten van het plangebied en door een in 2000 in het gebied uitgevoerde sanering. Uit het booronderzoek blijkt dat de oorspronkelijke podzolbodem (op een verploegde BChorizont in boring 6 na) niet meer aanwezig is. Het dekzand als archeologisch relevante niveau is niet meer intact. In het noorden van het plangebied is ook de top van de C-horizont en dus ook het potentiële archeologische sporenniveau afgetopt. In dit deel van het plangebied worden daarom geen archeologische waarden meer verwacht. Dit geldt ook voor de zone rondom boring 2, omdat hier een sanering is uitgevoerd.

Uit de extra boring (boring 6) blijkt dat deze sanering plaatselijk is geweest. In het zuiden van het plangebied lijkt de top van de C-horizont intact gebleven en is dus sprake van een potentieel archeologisch sporenniveau. In het zuidwesten van het plangebied is een concentratie van baksteenfragmenten en resten smeedafval (slakken) aangetroffen. De kans is dus aanwezig dat nog resten van de smederij in de zuidwesthoek van het plangebied aanwezig zijn. Het potentiële archeologische sporenniveau bevindt zich op 60-70 cm -mv, maar ondieper, vanaf ca. 40 cm -mv, kunnen nog funderingsresten aanwezig zijn.

In het noordelijke deel van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht. Omdat uit het onderzoek blijkt dat in het zuiden van het plangebied een potentieel archeologisch sporenniveau en/of resten van een smederij uit de 19e eeuw aanwezig kunnen zijn, dient er een vervolgonderzoek uitgevoerd te worden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Vanwege de geringe omvang van (dit deel van) het plangebied is het verstandig om een doorstart te maken naar een opgraving als de resultaten van het proefsleuvenonderzoek hier aanleiding toe geven. De wekwijze van het proefsleuvenonderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Het Programma van Eisen en het vervolgonderzoek door middel van proefsleuven worden uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning. Omdat de bouwplannen in deze fase min of meer vastliggen, kan eventueel worden volstaan met het opgraven van die delen van het te onderzoeken gebied die ook daadwerkelijk verstoord worden. Dit wordt vastgelegd in het PvE. In dit geval wordt voor de te onderzoeken zone (het zuidelijke deel van het plangebied) een dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie’ opgenomen in het bestemmingsplan zodat eventuele archeologische verwachtingen beschermd zijn bij grondwerkzaamheden in de toekomst. 5.3

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 9 december 2021 is door Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Onderstaand zijn in het kort de conclusie uit het rapport beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de afzonderlijke bijlage (bijlage 3).

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 38 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Conclusie verkennend bodemonderzoek De locatie betreft een garagebedrijf met parkeerplaats. Op de locatie is een afgewerkte olieopslag aanwezig. De bebouwing op de locatie wordt gesloopt en op de locatie wordt een appartementencomplex met parkeerplaatsen gerealiseerd. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatieinspectie) blijkt dat de locatie als heterogeen ‘verdacht’ beschouwd dient te worden ten aanzien van minerale olie in grond. De afgewerkte olieopslag is beschouwd als zijnde ‘verdacht’ ten aanzien van minerale olie, btexn en PAK in grond en grondwater. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: ▪ Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is boring 14 gestaakt op circa 0,6 m -mv. Voor het overige zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. Er zijn visueel in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. Bovengrondse afgewerkte olieopslag, circa 5 m2 ▪ In bovengrondmengmonster M01 zijn geen verhoogde gehalten aan minerale olie, btexn en PAK aangetroffen. ▪ In grondwatermonster GW01 zijn licht verhoogde concentraties aan barium en naftaleen aangetroffen. Aangenomen wordt dat de verhoging aan barium een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde betreft. De verhoging aan naftaleen benaderd de nader onderzoekswaarde niet.

De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhogingen in het grondwater zijn echter zeer gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie derhalve niet noodzakelijk geacht. Gehele locatie, 880 m2 ▪ In bovengrondmengmonster M02 is een sterk verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen; evenals licht verhoogde gehalten aan cadmium, lood, PCB en minerale olie. De nader onderzoekswaarde voor PAK wordt overschreden. ▪ In bovengrondmengmonster M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. ▪ In ondergrondmengmonster M04 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. ▪ In grondwatermonster GW01 zijn licht verhoogde concentraties aan barium en naftaleen aangetroffen. Aangenomen wordt dat de verhoging aan barium een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde betreft. De verhoging aan naftaleen benaderd de nader onderzoekswaarde niet. Naar aanleiding van het aangetroffen sterk verhoogde gehalte aan PAK in bovengrondmengmonster M01, zijn de vier grondmonsters uit dit mengmonster separaat onderzocht op PAK. Vervolgens zijn vier aanvullende boringen verricht en zijn vier aanvullende grondlagen separaat onderzocht op PAK. Hierbij is in de bovengrond ter plaatse van boring 11 een sterk verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen.

In de bovengrond ter plaatse van boring 5 is een matig verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen. Voor het overige zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten aan PAK aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese heterogeen ‘verdachte’ locatie dient te worden geaccepteerd aangezien een beperkte sterke grondverontreiniging met PAK is aangetroffen. De ontstaansdatum van de verontreiniging is niet bekend. Redelijkerwijs kan gesteld worden dat de verontreiniging voor 1987 veroorzaakt is. De grondverontreiniging is redelijkerwijs voldoende in kaart gebracht. Enkel de bovengrond ter plaatse van boring 11 is sterk verontreinigd met PAK. Voor het overige is ten hoogste een matig verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen. Het totale volume sterk verontreinigde grond met PAK beperkt zich tot een verontreinigingsspot van maximaal 10 m3. Op basis van de aangetroffen mate en omvang van de verontreiniging kan gesteld worden dat geen sprake is van een ‘ernstig geval van bodemverontreiniging’ (het geval indien een interventiewaarde overschreden wordt in minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater). Derhalve is geen sprake van een saneringsverplichting. Een situatieschets van de grondverontreiniging is opgenomen in bijlage 4 van de rapportage van het verkennend bodemonderzoek.

Indien in de toekomst (ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling) ter plaatse van de sterke grondverontreinigingsspot met PAK (graaf)werkzaamheden plaatsvinden, wordt geadviseerd de grondverontreiniging te saneren (middels ontgraving). Voorafgaand aan een eventuele sanering dient een ‘plan van aanpak’ ingediend te worden bij het bevoegd gezag.

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 39 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.4

Water

5.4.1

Beleid waterschap Brabantse Delta

Figuur 20: Uitsnede keurkaart Waterschap Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2026-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.

Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 40 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 21: Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta

5.4.2

Grondwaterbeschermingsgebied en waterlopen

Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en is gelegen buiten het Natura 2000 invloed gebied. Daarnaast zijn er geen waterlopen (van categorie A of B) en/of waterpartijen in de directe nabijheid aanwezig. 5.4.3

Riolering en infiltratie

Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Bij voorkeur het gebruik hiervan reguleren door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst. Voor de geprojecteerde bebouwing op het plangebied geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat voor locaties de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 500 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Het totale plangebied omvat een oppervlakte van circa 867 m².

Het plangebied is in de bestaande situatie nagenoeg volledig verhard, waarvan circa 205 m² is uitgevoerd als semi verharding (kiezels). In de nieuwe situatie neemt de verharding niet met meer dan 500 m² toe. Het is niet nodig om te voorzien in een extra voorziening voor infiltratie- of retentie. Er wordt aan de voorzijde en zijkant van de bebouwing een groenstrook voorzien. Bij de nadere uitwerking van het plan zal ter plaatse van de parkeerplaatsen gebruik gemaakt worden van doorgroeibare verharding en zal in het rioleringsplan gekeken worden naar het toepassen van infiltratiekratten. Het voorzien van voldoende bergingscapaciteit is geborgd in artikel 4.4.2 van de regels.

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 41 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.4.4

Watertoets

Het watertoets proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoets proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. 5.5

Ecologie

5.5.1

Algemeen

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming zie paragraaf 4.2.7. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.5.2

Gebiedsbescherming

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is op 20 oktober 2021 (rapportnummer 2110-1) een rapportage van de ecologische QuickScan uitgebracht, om aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld te brengen en mogelijke effecten daarop in beeld te brengen als gevolg van de beoogde herontwikkeling. Bepaald is of de ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000 gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming zijn beschermd. Het volledige onderzoek is als afzonderlijke bijlage in bijlage 2 aan onderhavig bestemmingsplan toegevoegd. Onderstaand is in het kort een samenvatting van het rapport weergegeven. Natura 2000 gebied De planlocatie en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland/ EHS of Natura 2000 gebied.

Het dichtst nabije Natura 2000-gebied is de Brabantse Wal gelegen op hemelsbreed 13 km van zuidwestelijk van het plangebied. Op iets grotere afstanden van hemelsbreed 15 km zuidelijk en zuidwestelijk liggen op Belgisch/Vlaams grondgebied respectievelijk de Schietvelden-noord en de Kalmthoutseheide. Op ongeveer dezelfde afstand noordelijk van het plangebied ligt het Hollands Diep. Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand. Dit zijn, aansluitend op de Brabantse Wal, in westelijke richting de Markizaat en Oosterschelde op een afstand van respectievelijk 20 en 25 km. In oostelijke richting ligt op 25 km afstand van het plangebied het Ulvenhouts Bos aan de zuidkant van Breda. Gelet op de kleinschaligheid en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies op overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. Daarnaast heeft het Rijk de Handreiking ‘Woningbouw en Aerius’ van het Rijk opgesteld. In deze handreiking is opgenomen dat een woningbouwplan tot 50 grondgebonden woningen gebouwd op zandgrond, op minimaal 7 kilometer afstand van Natura 2000 gebieden resulteert in een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar. De woningbouw op de planlocatie blijft ver onder deze grens, er kan dus geconcludeerd worden

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 42 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

dat er geen stikstofdepositie bijdrage op de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden door het realiseren van het bouwplan zal plaatst vinden. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op afdoende afstand om effecten die de wezenlijke waarden en kenmerken van NNBgebied aantasten of van negatieve invloed op de waterhuishouding binnen NNB-gebied kunnen zijn, geheel uit te sluiten. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Overige provinciale beschermingszones Het plangebied ligt buiten het Attentiegebied NNB en Groenblauwe mantel waardoor de wetgeving op dit punt niet van toepassing is. 5.5.3

Beschermde soorten

Het is in theorie mogelijk dat op de locaties dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is een ecologische QuickScan naar beschermde soorten uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen/ uitsluiten van de aanwezigheid van beschermde soorten en houtopstanden die zijn opgenomen in paragraaf 3.1, 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld wordt op welke wijze en in welke mate de beoogde ontwikkeling effect kan hebben op het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten en houtopstanden. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten op verblijfsplekken van beschermde soorten binnen het plangebied en de invloedsfeer daarvan uitgesloten kunnen worden. Op basis van inrichting wordt het plangebied momenteel van geen betekenis geacht binnen het leefgebied van onder andere vleermuizen. Binnen het plangebied ontbreken houtopstanden die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming of kapvergunning plichtig zijn. Uit bovenstaande (en het volledige rapport van de ecologische QuickScan) blijkt dat de ontwikkeling in het plangebied geen belemmering oplevert voor de ecologische waarden in het gebied.

In hoofdstuk 6 van de ecologische QuickScan worden algemene voorzorgsmaatregelen beschreven die aanbevolen worden in acht te worden genomen. Het betreft het rekening houden met het broedseizoen en het in achtnemen van een algemene zorgplicht. De voorzorgsmaatregelen worden tijdens de ontwikkeling in acht genomen. Een vervolgonderzoek of ontheffingsaanvraag is hierdoor niet benodigd. Het volledige rapport m.b.t. de ecologische QuickScan is als afzonderlijke bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd in bijlage 2. 5.6

Wegverkeerslawaai

Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn de objecten; woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermt tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige terreinen wordt verstaan: terreinen behorend bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen. Geluidsgevoelige gebouwen zijn onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buiten stedelijke ligging.

Bestemmingsplan toelichting 211300 | 10-03-2023

Pagina 43 van 57

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt de geluidsbelasting van de aan het plangebied gelegen wegen onderzocht door middel van een akoestisch onderzoek. De geluidsbelasting van deze wegen zal worden berekend op de nieuwbouw en worden getoetst aan (kwalitatieve) eisen voor een goede ruimtelijke ordening. Op 11 november 2021 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor het appartementengebouw aan de Kapelstraat. Het volledige onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hieronder is de korte samenvatting en advies uit het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve verwezen naar bijlage 1.

Conclusie akoestisch onderzoek Na uitvoering van het akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting vanwege rail- en wegverkeerslawaai op de gevels van de nieuwbouw op het perceel van Kapelstraat 26 (gemeente Rucphen) kan gesteld worden dat: ▪ de geluidbelasting vanwege het spoortraject Breda - Roosendaal ten hoogste 42 dB bedraagt en daarmee overal voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB uit de Wgh. ▪ maatregelenonderzoek ter reductie van het geluid vanwege railverkeerslawaai niet noodzakelijk is, evenals het aanvragen van een hogere grenswaarde. ▪ de geluidbelasting vanwege de Kapelstraat ten hoogste 48 dB bedraagt, vanwege de Bergstraat ten hoogste 39 dB bedraagt en vanwege de Nieuwe Hoofdweg ten hoogste 45 dB bedraagt en daarmee het geluid van alle niet geluidgezoneerde wegen voldoet aan de richtwaarde van 48 dB in lijn met de Wgh. ▪ cumulatie van geluid vanwege wegverkeerslawaai ten hoogste 53 dB bedraagt en er daarmee geen sprake is van (relevante) toename in geluid na cumulatie van het wegverkeer. ▪ de geluidbelasting vanwege spoorwegverkeer ten opzichte van het wegverkeer dermate laag is dat er geen cumulatieberekening van beide bronsoorten is uitgevoerd, omdat op voorhand vaststaat dat er met dit verschil in geluidbelastingen geen relevante toename van geluid optreedt.

▪ de beoordeling van het akoestisch woon- en leefklimaat dus alleen plaatsvindt op basis van de gecumuleerde geluidbelasting van het wegverkeerslawaai en in onderhavige situatie als’ (zeer) goed’ tot ‘redelijk’ dient te worden beoordeeld. ▪ met een dergelijke kwalificatie ten opzichte van een ligging van de planlocatie in de bebouwde kom en het feit dat alle gevelzijden als geluidluw kunnen worden beschouwd, in onderhavige situatie het woon- en leefklimaat vanuit akoestisch oogpunt als aanvaardbaar kan worden aangemerkt. ▪ er in dit geval dus sprake is van een goede ruimtelijke ordening. ▪ de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie in dit geval alleen dient te voldoen aan minimumeis van 20 dB uit het Bouwbesluit en gelet op de hoogst berekende geluidbelasting daarmee al een goed woon- en leefklimaat in de appartementen gewaarborgd wordt. Daarom wordt een (bouw akoestisch) onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie in voorliggende situatie niet noodzakelijk geacht. 5.7

Hinder en bedrijven

5.7.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12542499/1