10b3 Kom St. Willebrord Lijsterbesstraat ongenummerd naast 23 en 25 Toelichting 2
Tekst van het document
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 De gemeente Rucphen heeft samen met het Waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en Brabant Water het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 opgesteld. De term verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering. Hierbij is er voor de gemeente sprake van drie zorgplichten: a. b. c.
zorgplicht voor inzameling en transport stedelijk afvalwater; zorgplicht voor afvloeiend hemelwater; zorgplicht voorkomen structureel nadelige gevolgen van grondwater.
De gemeente dient zorg te dragen voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken. De uitvoering van werkzaamheden wordt intern integraal afgestemd en bij voorkeur gecombineerd met wegbeheer en reconstructie van de openbare ruimte zodat kosteneffectief 'werk-met-werk' gemaakt kan worden.
Voorgesteld wordt om te kiezen voor risicogestuurd rioolbeheer. Hiermee kan naar verwachting voldoende invulling worden gegeven aan de gemeentelijke zorgplicht en en kan de stijging van de rioolheffing op een aanvaardbaar niveau worden gehouden, conform de ambities van de betrokken overheidsinstanties.
Beoordeling Uit de kaarten behorend bij de Keur waterschap Brabantse Delta 2015 volgt dat het plangebied niet is gelegen binnen een beschermd gebied dat volgt uit de Keur. Er is derhalve geen specifiek beschermingsregime uit de Keur van toepassing. Verder is het plangebied ook niet gelegen binnen een beschermingszone van een grondwaterwingebied.
De beoogde woningen zijn voorzien op gronden die momenteel in gebruik zijn als tuin en zijn niet verhard. Het verhard oppervlak (bebouwing en erfverharding) zal in de nieuwe situatie toenemen, maar niet meer bedragen dan 2.000 m 2. Conform het beleid en regelgeving van het waterschap is bij een toename van minder dan 2.000 m 2 verhard oppervlak de aanleg van retentie niet noodzakelijk.
In zijn algemeenheid is voor de waterhuishouding in nieuwe projecten de realisatie van een duurzaam gescheiden systeem uitgangspunt. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op (niet vervuilde) terreinverhardingen, zoveel als mogelijk apart dient te worden ingezameld en dat alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater die getransporteerd wordt naar de rioolzuiveringsinstallatie zal hiermee beperkt toenemen. Voor onderhavig project wordt het schone hemelwater zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze afgevoerd. Het afvalwaterriool van de woningen wordt opgevangen in een septic tank, gelijk aan de woningen aan de Lijsterbesstraat 23 en 25. De effecten van de ruimtelijke ontwikkeling blijven hierdoor hydrologisch neutraal. Het hemelwater dient afgevoerd te worden naar oppervlaktewater of een infiltratievoorziening in de bodem. Lijsterbesstraat 23 en 25 zijn voorzien van een IBA Klasse II en ten behoeve van afvalwater van elke nieuwe woning dient ook een IBA II gerealiseerd te worden.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de waterhuishouding binnen het plangebied wordt gerespecteerd.
4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 31
het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid provincie In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) uit 2010. Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Beoordeling Het plangebied is gelegen in de regio ‘West-Brabantse Venen’, zoals aangegeven op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant. In de ‘West- Brabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Het plan is op de schaal van de hele regio echter een kleinschalige ruimtelijke ontwikkeling die geen specifieke aanknopingspunten biedt om invulling te geven aan het beleid voor de regio.
Voor het overige zijn er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig in de directe omgeving van het plangebied.
Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied.
32 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (ECLI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beleid gemeente Om het aspect archeologie goed mee te wegen in een gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Rucphen in 2010 een Erfgoedverordening opgesteld. De Erfgoednota bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingenkaart en een advies archeologische beleidskaart. In 2019 heeft de gemeente op basis van verschillende nieuwe inhoudelijke bronnen en verschillende archeologische onderzoeken die reeds zijn uitgevoerd besloten haar bestaande archeologiekaart en het bijbehorende beleid te herzien. Het resultaat is een nieuwe Nota Archeologie met bijbehorende Archeologische Beleidskaart.
Beoordeling Volgens de Advies archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen liggen de gronden in onderhavig plan binnen het archeologisch beleidadviesgebied 3. Voor gronden binnen dit gebied geldt een onderzoeksplicht bij een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m 2 en een diepte van 50 cm. Onderhavig initiatief overschrijdt deze grenswaarden, waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. ADC Archeoprojecten heeft voor het plangebied een archeologisch inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting.
Het plangebied bevindt zich ter plaatse van een terrasafzettingswelving met daarop een laag dekzand. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond uit kalkloos zwak siltig, matig fijn zand bestaat. Deze afzetting wordt geïnterpreteerd als dekzand (Laagpakket van Boxtel, Formatie van Boxtel). Hierop bevindt zich een 55 tot 80 cm dik akkerdek.
De oorspronkelijke top van de in het gebied aanwezige dekzanden wordt beschouwd als een potentieel archeologisch niveau voor de periode Laat-Paleolithicum tot Neolithicum. Dit niveau bleek echter in het merendeel van de boringen door landbouwkundig gebruik van de locatie te zijn opgenomen in het akkerdek. Vindplaatsen uit genoemde periode zullen, omdat zij hoofdzakelijk uit vondststrooiingen bestaan, grotendeels zijn verstoord. In de boringen 1 t/m 3 die ter plaatse van een voormalige erf zijn verricht, zijn geen vondsten of lagen aangetroffen die hiermee in verband gebracht kunnen worden. Ook in boring 2, die ter plaatse van het op het minuutplan van 1832 weergegeven woonhuis is verricht, zijn geen vondsten of lagen aangetroffen die aan deze bebouwing te koppelen zijn. De bodemprofielen in dit deelgebied komt overeen met de bodemprofielen in het oostelijke deelgebied waar op basis van oude kaarten geen resten van een Nieuwetijds erf zijn aan te treffen.
De verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Mesolithicum alsook voor de Nieuwe tijd dient naar laag te worden bijgesteld. De lage verwachting voor de overige perioden dient te worden gehandhaafd.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 33
Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied wordt vrijgegeven voor archeologische waarden. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om te wijzen op de plicht om archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.
Conclusie Het planvoornemen doet geen afbreuk aan archeologische waarden binnen het plangebied.
4.6 Ecologie Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.
De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.
Beoordeling Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft de ‘De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld’ op Belgisch grondgebied, welke is gelegen op een afstand van circa 13,2 km. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Gelet op de aard van onderhavig initiatief en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, is er geen sprake van relevante emissies.
Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten van de Wet natuurbescherming.
4.7 Flora en fauna Toetsingskader Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb.De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.
Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Beoordeling Door Veldbiologische Werken is in mei 2019 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Rapportage daarvan is bijgevoegd als Bijlage 2 bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet
34 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De percelen zijn momenteel ingericht als tuin met gemaaide gazons, conifeer- en struikbeplantingen, conifeerhagen, fruitbomen en andere loofbomen. Er zijn geen gebouwen of andere opstallen aanwezig. Uitgaande van de bevindingen van het veldonderzoek, het literatuur- en bronnenonderzoek en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten op beschermde soorten. Ten allen tijde dient wel de algemene zorgplicht in acht genomen te worden.
Conclusie Behoudens het in acht nemen van de algemene zorgplicht zijn er voor het plan geen gevolgen ten aanzien van (beschermde) soorten.
4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, bestemmingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art. 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- en wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.
Beoordeling Het plangebied is gelegen binnen de invloedssfeer van de Canadastraat, de Kastanjestraat, de Lijsterbesstraat en de Populierenstraat. Ter plaatse is een maximum snelheid toegestaan van 60 km/u. Daarnaast ligt het plangebied binnen de invloedssfeer van de Hazelaarstraat, waar een maximum snelheid geldt van 50 km/u binnen de bebouwde kom en 60 km/u buiten de bebouwde kom. De Roever Omgevingsadvies heeft in mei 2019 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor het toevoegen van de beoogde woningen. De rapportage van het onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 van
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 35
deze toelichting. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden ter plaatse van de beoogde bouwvlakken. Het aanvragen van hogere waarde is dan ook niet noodzakelijk. Ook de cumulatieve geluidbelasting, van belang voor het aantonen van een goed woon- en leefklimaat, wordt niet overschreden. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt ten hoogste 50 dB, daar waar 53 dB is toegestaan. Een onderzoek naar de geluidwering van de toekomstige gevels is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse sprake is van een acceptabel leefklimaat.
4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG. Bedrijven zijn hierin opgenomen in een tabel, die is ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn (de zogenaamde afstandentabel). Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan (enigszins) van afgeweken worden in situaties waarin geen sprake is van een rustige woonwijk of bij afwijkende bedrijven. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.
Beoordeling Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering zijn zowel de op dit moment in het plangebied en omgeving aanwezige functies als de planologisch mogelijk te maken functies beschouwd. Geconstateerd is dat het plangebied niet is gelegen binnen een 50 dB(A) contour die op basis van de Wet geluidhinder rondom gezoneerde bedrijventerreinen is gelegen. Ten aanzien van het garanderen van een goed woon- en leefklimaat is de omgeving van het plangebied in een straal van 100 meter rondom het plangebied gescreend op het voorkomen van milieuhinderlijke bedrijvigheid. Een straal van 100 meter komt overeen met de grootste afstand behorende bij categorie 3 bedrijven genoemd in de VNG publicatie. Uit deze beoordeling is gebleken dat er binnen deze afstand geen relevante milieuhinderlijke bedrijvigheid is gelegen, met uitzondering van de veehouderij aan de Kastanjestraat 25.
De gemeente Rucphen hanteert in het buitengebied ten aanzien van agrarische bedrijvigheid een wijze van zoneren die uitgaat van richtafstanden. Hierbij wordt de gebiedstypering 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' gebruikt, waardoor richtafstanden als opgenomen in de VNG-publicatie niet met één afstandsstap mogen worden teruggebracht. Aan de Kastanjestraat 25 is een (niet-intensieve) rundveehouderij gelegen. Op basis van de VNG-publicatie worden inrichtingen voor het 'fokken en houden van rundvee' (SBI-1993: 0121) gecategoriseerd als milieucategorie 3.2-bedrijven. Maatgevend is het aspect geur (richtafstand: 100 meter). Op dit aspect wordt in de volgende deelparagraaf separaat ingegaan, op basis van het specifiek daarvoor geldende toetsingskader. Voorts gelden richtafstanden voor geluid (30 meter) en stof (30 meter). De richtafstanden worden in beginsel gemeten vanaf de grens van de bestemming die bedrijven toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning of bijbehorend bouwwerk die planologisch mogelijk is (p. 77 VNG-publicatie). De veehouderij is bestemd als 'Agrarisch'. Deze bestemming wordt gescheiden van het plangebied door de verkeersbestemming, en is op 5 meter van de bestaande bestemming 'Wonen' gelegen. Aldus geldt dat de richtafstanden overlappen met het plangebied.
De richtafstanden dienen gemotiveerd te worden toegepast, hiervan kan zodoende worden afgeweken.
De voor de woning hindergevende activiteiten (geluid, stof) vinden binnen de inrichting in hoofdzaak plaats in de bedrijfsgebouwen. Het betreft dan met name het aanvoeren van bulkvoer, kuilvoer en vee
36 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
en het afvoeren van kadavers, mest en vee (transport, laden en lossen). Ook komt geluid en stof vrij bij werkzaamheden als voederen in de dierenverblijven. Het beweiden van dieren behoort niet tot de hindergevende activiteiten. Gelet hierop kan uit worden gegaan van het meten van richtafstanden vanuit de grens van het bouwvlak van de veehouderij. Het bouwvlak van de veehouderij is op 5 meter afstand van het onderhavige plangebied gelegen.
Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij en de geurverordening van de gemeente Rucphen geldt dat het zuidelijk deel van het bouwvlak niet kan worden gebruikt voor het (realiseren van bebouwing voor het) fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren (50 meter afstand tot bestaande woningen aan de Lijsterbesstraat 23 en 25, deze afstandsmaat wordt nader toegelicht in paragraaf 4.10 van deze toelichting). Tevens geldt op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2012, 3e herziening" (art. 3.2.1, sub a, onder e) dat op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' uitbreiding van de bestaande oppervlaktemaat aan bedrijfsbebouwing niet is toegestaan. Deze aanduiding is gelegen ter plaatse van het bouwvlak van de veehouderij aan de Kastanjestraat 25. Aldus geldt dat het zuidelijk deel van het bouwvlak niet kan worden benut.
De richtafstand vanaf deze 50-meter grens tot aan de bestaande bestemming 'Wonen' aan de Lijsterbesstraat 23 en 25 dient dus als uitgangspunt. Daar de toe te voegen woningen worden gebouwd in lijn met de bestaande woningen aan de Lijsterbesstraat 23 en 25 wordt de bestaande veehouderij niet in ontwikkelingsmogelijkheden van zijn bedrijfsvoering beperkt. Voorts geldt dat ook andere mogelijk geluid- en stofhinderlijke activiteiten (voeder- en mestopslag) op grond van het Activiteitenbesluit reeds niet mogelijk zijn in het zuidelijk deel van het bouwvlak. Bovendien is het plangebied is het gebruik voor de functie 'Wonen' op basis van het vigerende bestemmingsplan al toegestaan. Binnen de bouwvlakken is het mogelijk om milieugevoelige bebouwing op te richten. Bovendien kan vergunningvrij vanaf 1 meter achter de voorgevel van de bestaande gebouwen reeds milieugevoelige bebouwing worden gebruikt in bijvoorbeeld het kader van mantelzorg. Ter plaatse van de te realiseren woningen is aldus sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavige wijziging.
4.10
Geur en veehouderij
Toetsingskader Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet worden gewaarborgd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat op plaatsen waar het vestigen van een (geur)gevoelig object mogelijk wordt gemaakt. Verder moet worden voorkomen dat bestaande veehouderijen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Om de milieucontouren te bepalen moet worden uitgegaan van de ‘omgekeerde werking’ van de milieuregelgeving. In de bestemmingsplantoets wordt daardoor getoetst of ter plaatse van de te bestemmen geurgevoelige objecten voldaan zou kunnen worden aan de eisen die de milieuregelgeving stelt.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 37
Uitsnede ligging veehouderijen geprojecteerd op het vigerend bestemmingsplan. Ter plaatse van de rode sterren worden onderhavige woningen planologisch mogelijk gemaakt.
Beoordeling In de nabije omgeving van het plangebied zijn drie veehouderijen gelegen. Het betreffen de veehouderijen aan de Canadastraat 13, Canadastraat 15 en de Kastanjestraat 25 in St. Willebrord. Gelet op de geuremissies en de ligging van de veehouderijen ten opzichte van het plangebied is de veehouderij aan de Kastanjestraat 25 maatgevend voor de geurbeoordeling.
Kastanjestraat 25 Voor de Kastanjestraat 25 is op 8 augustus 2016 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer gedaan voor de volgende veebezetting: 16 zoogkoeien ouder dan 2 jaar (A2.100) 91 vleesstieren en overig vleesvee van 6 tot 24 maanden (A6.100). Vaste afstanden Voor zoogkoeien zijn in de Rgv geen geuremissiefactoren vastgesteld. Voor deze dieren gelden afstandseisen. Daarom zijn voor deze veehouderij de afstandscontouren in beeld gebracht. De afstandscontouren zijn bepaald in een worst-case situatie, uitgaande van de rand van het te benutten bouwvlak. De afstandseis bedraagt 50 meter. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de gevel-gevel afstand, welke ook 50 meter bedraagt. Door de aanwezigheid van de woningen aan de Lijsterbesstraat 23 en 25 is niet het gehele bouwvlak te benutten voor het realiseren van stallen. Daar de woningen in lijn worden gebouwd met de woningen aan de Lijsterbesstraat 23 en 25, en dit is geborgd in de regels door het opnemen van een gevellijn, wordt de veehouderij niet verder in zijn ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Het deel van het plangebied dat geschikt is voor 'Wonen' kan worden benut voor de realisatie van geurgevoelige objecten zonder dat de veehouderij in haar belangen wordt geschaad. Ter plaatse is dan ook sprake van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat.
38 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
Voorgrondbelasting Voor vleesstieren zijn in de Rgv geuremissiefactoren vastgesteld. De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid de standaardnormen aan te passen middels een gemeentelijke verordening. Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de gemeente Rucphen in haar geurverordening een aangepaste geurnorm heeft vastgesteld. Daarom gelden de standaard geurnormen voor uit onderstaande tabel. Het plangebied betreft bebouwde kom. Daarom bedraagt de geurnorm 3 ouE/m3.
* het plangebied ligt in een concentratiegebied
De geurnorm van 3 ouE/m3 wordt ter plaatse van de bestaande woning aan de Lijsterbesstraat 23 bereikt. De geurbelasting kan ter plaatse van deze woning niet verder toenemen. Gesteld kan worden dat hierdoor de geurbelasting in de richting van het plangebied niet kan toenemen. Wanneer geurgevoelige objecten worden gerealiseerd in of achter de gevellijn in het plangebied wordt de veehouderij niet in haar belangen geschaad en is sprake van een acceptabel woon- en verblijfsklimaat.
Geurcontour Kastanjestraat 25 worst-case
Achtergrondbelasting De normen op grond van de Wgv gelden voor de geurbelasting van een individuele veehouderij. De (hoogste) geurbelasting van een individuele veehouderij op een geurgevoelig object wordt ook wel ‘voorgrondbelasting’ genoemd. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 39
De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. De achtergrondbelasting die optreedt of op kan treden is dan ook een gevolg van de aanwezige veehouderijen en de individuele geurbelasting. De gemeenteraad heeft reeds beoordeelt of de milieukwaliteit (de mate van geurhinder) die behoort bij een bepaalde achtergrondbelasting acceptabel is en of deze past binnen de doelstellingen voor een gebied. Deze beoordeling is op onderstaande afbeelding voor de gehele gemeente weergegeven. Het plangebied ligt in een gebied waar sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Achtergrondbelasting, het plangebied is aangeduid met de rode ster.
Het plangebied ligt in een gebied met een 'goed' woon- en verblijfsklimaat. De achtergrondbelasting is geen knelpunt.
Conclusie Wanneer geurgevoelige objecten buiten de worst-case geur- en afstandscontouren worden gebouwd is geen sprake van een knelpunt. Het bouwvlak en de gevellijn van onderhavig bestemmingsplan staan in lijn met de bestaande woningen aan de Lijsterbesstraat 23 en 25. Het plan vormt geen belemmering voor de ontwikkelingsmogelijkheden van de naastgelegen veehouderij. Ter plaatse van de nieuwe woningen is bovendien sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.11
Externe veiligheid
4.11.1
Inrichtingen en externe veiligheid
Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn
40 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Uitsnede van de risicokaart betreffende de inrichtingen. Het plangebied aangeduid met de rode aanwijzer. Bron: risicokaart.nl, 2019.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met chloorbleekloogtank (3 m 3) aan de Kozijnenhoek 21c in Rucphen. De grens van de inrichting ligt op een afstand van circa 850 meter tot het plangebied. Er is geen sprake van een PR 10-6 risicocontour. Gelet op de ruime afstand van het plangebied tot de inrichting zijn er geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied.
Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.11.2
Transport en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 41
opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.
Uitsnede van de risicokaart betreffende transportroutes. Het plangebied aangeduid met de rode aanwijzer. Bron: risicokaart.nl, 2019.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,18 kilometer van de Rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg geldt dat er op basis van de risicokaart geen sprake is van een risicocontour. Voor het groepsrisico gelden geen veiligheidsafstanden. Gelet op de ruime afstand van de weg tot het plangebied vormt de ligging van de weg geen belemmering voor onderhavig voornemen. Voorts geldt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 1,8 kilometer van de spoorlijn tussen Etten-Leur en Roosendaal. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen sprake van een risicocontour. Gelet op de ruime afstand van de spoorweg tot het plangebied vormt de ligging van de spoorweg geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.11.3
Buisleidingen en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van
42 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.
Uitsnede van de risicokaart betreffende buisleidingen. Het plangebied aangeduid met de rode aanwijzer. Bron: risicokaart.nl, 2019.
Beoordeling Om te beoordelen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde hogedruk aardgasleiding is gelegen op een afstand van circa 930 meter tot het plangebied. Gelet op de ruime afstand voor de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.12
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.
De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 43
vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen ( C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3 . Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 2 woningen. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaart ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
44 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
4.13
Kabels en leidingen
Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant in verband met onderhoud, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer.1 a. b. c. d. e.
hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.2
Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC-melding worden uitgevoerd.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
4.14 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. 2. 3.
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 45
Beoordeling Met het onderhavige planvoornemen is er sprake van de nieuwbouw van woningen. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C-lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het initiatief heeft slechts betrekking op de realisatie van 2 woningen. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.
Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden.
Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is gelegen in een gebied waar de Provinciale milieuverordening geldt. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig project geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. of de Provinciale milieuverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent.
46 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
Hoofdstuk 5
Juridische plantoelichting
5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2 Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de binnen de gemeente Rucphen gehanteerde bestemmingsplansystematiek voor woningen.
De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
5.3 Regels 5.3.1 Hoofdstuk 1. Inleidende regels Artikel 1. Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 standaard omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.
Artikel 2. Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3.2 Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels Het stramien voor de bestemmingsplanregels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 47
bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid.
geen
bouwwerk
zijnde,
of
van
Artikel 3. Tuin De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. In de regels zijn nadere bouwregels gegeven voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 4. Wonen Binnen de bestemming 'Wonen' is het toegestaan om te wonen in vier grondgebonden woningen, waarvan er twee reeds bestaand zijn. De hoofdgebouwen dienen te worden opgericht binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Hoofdgebouwen worden uitsluitend vrijstaand opgericht met een maximum goot- en bouwhoogte zoals aangeduid op de verbeelding.
5.3.3 Hoofdstuk 3. Algemene regels Artikel 5. Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Artikel 6. Algemene bouwregels In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen, de dakhelling van hellende dakvlakken en de nokrichting en de plaatsing en vormgeving van andere bouwwerken. Deze eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
Artikel 7. Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie is expliciet uitgesloten. Daarnaast is gebruik van gronden verboden voor productie, opslag, stalling en dumping van een verboden middel zoals bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet en grondstoffen ten behoeve van en afvalstoffen afkomstig uit het productieproces van een verboden middel zoals bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet.
Artikel 8. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen binnen op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduidingen. De volgende aanduiding komt in het bestemmingsplan voor:
Vrijwaringszone - radar Voor de bescherming van de radarverstoringsgebieden van Vliegbasis Woensdrecht en radarstation Herwijnen en bescherming van de obstakelbeheerzones van Vliegbasis Woensdrecht is de aanduiding 'vrijwaringszone - obstakelbeheerzone' opgenomen met daaraan gekoppeld een beperkende bouwregeling.
48 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
Milieuzone - boringvrije zone Voor de 'boringvrije zone' rondom het waterwingebied is ter plaatse van het plangebied de gebiedsaanduiding 'milieuzone - boringvrije zone' opgenomen met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningstelsel ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater.
Luchtvaartverkeerzone-5 Voor de luchtvaartverkeerzone is de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone-5' opgenomen met daaraan gekoppeld een beperkende bouwregeling.
Artikel 9. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10% indien dit noodzakelijk is vanwege de eisen uit het Bouwbesluit, Wmo of bedrijfsvoering.
Daarnaast is een regeling opgenomen voor geringe afwijkingen die noodzakelijk zijn in het belang van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de bestemming niet wijzigt en een bouwgrens maximaal 2,5 meter verschuift.
Daarnaast is een regeling opgenomen om toe te staan dat dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-/ontvangstinstallaties en/of sirenemasten wordt verhoogd tot maximaal 40 m.
Artikel 10. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is ten eerste een algemene wijzigingsregel opgenomen voor geringe afwijkingen die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, geen gebouwen zijnde of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze rechten zijn overgenomen uit het voorgaande plan.
Artikel 11. Overige regels In dit artikel zijn parkeergelegenheid.
regels
opgenomen
ten
behoeve
van
het
waarborgen
van
voldoende
5.3.4 Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk omvat twee artikelen:
Artikel 12. Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.
Artikel 13. Slotregel Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 49
50 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
6.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.
6.2 Kostenverhaal Toetsingskader De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Beoordeling en conclusie Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van 2 woningen, derhalve is het plan exploitatieplanplichting. In het onderhavige geval wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd.
Initiatiefnemer sluit met de gemeente Rucphen een anterieure overeenkomst af, waarin de verantwoordelijkheid voor gemaakte kosten wordt vastgelegd. Hierbij dient vermeld te worden, dat de gemeente alleen medewerking verleend aan het initiatief, als de exploitatiekosten van het initiatief voor de gemeente niet negatief zijn. De exploitatie is op deze manier anderszins verzekerd.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 51
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In het bestemmingsplanproces bestaan diverse mogelijkheden tot communicatie. voorliggende bestemmingsplan relevante communicatie wordt in dit hoofdstuk belicht.
De
voor
dit
7.1 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.
Bestuurlijk vooroverleg heeft plaatsgevonden. Het waterschap heeft een positief wateradvies gegeven. De brandweer Midden- en West-Brabant zag aanleiding om een vooroverlegreactie in te dienen. De binnengekomen reacties zijn samengevat in een Nota van Beantwoording. Deze is als Bijlage 4 gevoegd bij deze toelichting. In deze nota is tevens verwerkt hoe het plan is aangepast naar aanleiding van de binnengekomen inspraakreacties en welke ambtshalve aanpassingen zijn doorgevoerd.
7.2 Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van donderdag 17 oktober 2019 gedurende een termijn van zes weken (t/m 27 november 2019) voor inspraak ter inzage gelegen. Gedurende bovenvermelde termijn kon een ieder schriftelijk of mondeling een inspraakreactie naar voren brengen. Er zijn geen inspraakreacties ingediend.
7.3 Omgevingsdialoog De initiatiefnemers hebben op 10 februari 2019 een omgevingsdialoog gevoerd met de omwonende van het plangebied. De plannen zijn mondeling uitgelegd en ook kort beschreven in een brief die omwonenden konden lezen. Door middel van een reactieformulier konden omwonenden reageren op het plan. Alle omwonenden die zijn benaderd hebben het reactieformulier ingevuld. Het betreft in totaal 7 omwonenden. Geen van de omwonenden heeft bezwaar tegen de voorgenomen plannen. De plannen zijn derhalve niet gewijzigd naar aanleiding van de omgevingsdialoog. De getoonde beelden, de brief en de schriftelijke reacties zijn (in geanonimiseerde vorm) als Bijlage 5 opgenomen.
7.4 Tervisielegging De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vindt plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. De eventueel ingebrachte zienswijzen worden behandeld in een zienswijzenota. Hierin zullen tevens de eventuele wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden verwoord. De resultaten van de tervisielegging zullen te zijner tijd worden verwerkt in onderhavige toelichting.
52 ummerd naast 2 3 en 2 5
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongen
Eindnoten
1. 'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer). 2. Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
bestemmingsplan Kom St. Willebrord, Lijsterbesstraat ongenummerd naast 2 3 en 2 5 53