10b2 toelichting NL.IMRO.0840.9000B0056.ON01 2022-03-16
Tekst van het document
minimaal 30 meter breed; bij grotere kavelbreedte bebouwing maximaal 20 meter; maximaal 50% bebouwen; lengte variabel, afstemming op aangrenzende percelen; minimaal oppervlak 1000 m²; maximaal 2 woningen per bouwlocatie.
Situering woning: ▪ oriëntatie op de weg; ▪ voorste rooilijn achter die van aangrenzende bebouwing in directe omgeving; ▪ achterste rooilijn niet verder dan die van bebouwing in directe omgeving; ▪ hoofd- en bijgebouwen bij voorkeur aaneen gebouwd; Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 27 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
▪
minimaal 5 meter uit de zijdelingse perceelgrens of erfbeplanting.
Beplanting: ▪ opgaande beplantingsstrook van minimaal 5 meter breedte op beide zijdelings en achterste perceelgrenzen; ▪ streekeigen inheemse beplanting toepassen; ▪ voortuin minimaal 60% groen. Parkeren: ▪ volledig op eigen terrein; ▪ minimaal ruimte voor 2 parkeerplaatsen. Bouwvorm: ▪ goothoogte maximaal 5 meter; ▪ kap verplicht; ▪ dakhelling minimaal 40°; ▪ voorkeur langskap; ▪ nokhoogte maximaal 10 meter; ▪ massa maximaal 1000 m3. Architectuur: ▪ afstemming op directe omgeving; ▪ voorkeur voor baksteen of hout voor gevels; ▪ dak voorkeur gebakken pannen of riet; ▪ geen lichte kleuren en geglazuurde materialen toepassen; ▪ materiaalkeuze in overleg met welstandscommissie.
Procedure: ▪ initiatief melden bij gemeente; ▪ eventueel nadere eisen stellen; ▪ vooroverleg met welstand over schetsontwerp; ▪ beplantingsplan; ▪ beoordeling welstand; ▪ planologische procedure/bouwvergunning.
Figuur 12: Kavelindeling en situering, RvR, Visie op toepassing regeling
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 28 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
In paragraaf 4.5 worden de bovengenoemde beeldkwaliteitseisen op de planlocatie omschreven. 3.4.5
Landschapsontwikkelingsplan (LOP)
Het LOP is een plan om sturing te kunnen geven aan komende (voorzienbare) ontwikkelingen in het buitengebied. Tegelijkertijd geeft het een handvat om de wenselijkheid van onvoorzienbare ontwikkelingen te kunnen beoordelen. Het landschapsontwikkelingsplan is een uitwerking van de Structuurvisie Plus, ook dit plan heeft een globaal karakter. De hoofd- en deelkeuzes die de gemeente voorstaat zijn in het plan verwoord en verbeeld. Bij de verdere uitwerking van het landschapsontwikkelingsplan dient steeds onderzocht te worden hoe deze keuzes vertaald kunnen worden naar concrete uitvoering in het veld. Deelgebied Schijfse Vaart Karakteristiek Het landschap rond Schijf, en tussen de Rucphense bossen en het MOB-complex bestaat uit oude, besloten zandontginningen. Opvallend element in dit landschap is de Schijfse Vaart, een oude turfvaart die dateert uit de tijd van de turfwinning. De vaart is een archaischelement en niet meer op alle plekken herkenbaar. De waterhuishouding van het gebied is divers, de gebieden langs de bossen zijn infiltratiegebieden, in de lager gelegen delen is het vochtiger omdat het water uit de hoger gelegen delen zich hier verzameld. De landerijen tussen de Rucphense Bossen en de kern Schijf liggen op een hoger gelegen dekzandrug.
Daarom zijn de oude landbouwgronden, de bolle akkers waar de bewoners van Schijf van oudsher hun gewassen verbouwden, juist daar te vinden. De overgang van de bossen naar het relatief open landschap zijn hard en abrupt. In het landschap zijn nog enkele historische lijnen en boskavels terug te vinden, die nog dateren uit de tijd van de ontginning. Het gebied heeft een grotendeels agrarische functie. Er is vooral intensieve veehouderij te vinden, maar ook boomteelt. Verder heeft Schijf een voorzieningenfunctie voor recreanten uit de Rucphense Bossen. Opgaven voor het landschap Het hele deelgebied Schijfse Vaart is in het kader van de Reconstructie aangewezen als extensiveringsgebied. Het grootste gedeelte is extensivering natuur, het westelijke deel dat grenst aan de Rucphense Bossen is aangewezen als extensiveringsgebied voor melkveehouderij. Visie De randen van de kern Schijf naar het buitengebied zijn op dit moment nog erg fraai, in plaats van rommelige achterkanten heeft de bebouwing haar voorkant naar het buitengebied gericht. Dergelijke overgangen zijn geen vanzelfsprekendheid meer en verdienen het gekoesterd, dan wel versterkt te worden. De beoogde ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast. In paragraaf 4.1.2 komt de landschappelijke inpassing aan bod.
De planlocatie wordt landschappelijk afgerond middels een haag langs de noordzijde en achterzijde van het perceel en voldoet hiermee aan de opgaven voor het landschap uit het LOP.
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 29 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 13: Deelgebied Schijfse Vaart, LOP
3.4.6
Structuurvisie Landschap
De gemeente Rucphen beschikt reeds over een Landschapsontwikkelingsplan (LOP). Hierin wordt het ideaalbeeld van het Rucphense landschap geschetst en zijn projecten benoemd om dit ideaalbeeld te kunnen bereiken. Het LOP vormt de basis voor de structuurvisie. De Structuurvisie Landschap geldt niet als toetsingskader voor nieuwe initiatieven maar fungeert uitsluitend als aanvulling op en actualisering van het LOP en geldt als naast de meer algemene Structuurvisie-plus als specifieke op het landschap gerichte structuurvisie. Deze structuurvisie heeft het primaire doel economische activiteiten in het buitengebied bij bouw- en gebruiksaanvragen te koppelen aan zorg en kwaliteit van het landschap conform het ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ principe uit de provinciale Ruimtelijke verordening. Om het ideaalbeeld uit het LOP te kunnen bereiken mogen de ruimtelijke kenmerken van de deelgebieden niet worden aangetast maar dient het landschap te worden hersteld en versterkt. Ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Rucphen landschapspakketten per deelgebied Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 30 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
opgesteld waarin wordt aangegeven welke landschapselementen toegepast kunnen worden om het deelgebied afhankelijke landschap te kunnen versterken. De planlocatie Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17 ligt in het deelgebied ‘Schijfse Vaart’. Voor dit deelgebied zijn diverse landschapspakketten toepasbaar, kwaliteitsverbetering van het landschap in de zin van de Interim omgevingsverordening is voor dit plan niet van toepassing. Voor de landschappelijke inpassing is gekozen voor een ‘struweelhaag’, ‘knip- scheerheg’ en ‘hoogstamfruitboomgaard’, deze landschapselementen zijn opgenomen voor het deelgebied. 3.4.7
Visiedocument Groenbeleid
Het visiedocument Groenbeleid Rucphen maakt inzichtelijk op welke wijze invulling wordt gegeven aan groen in de gemeente en wat daarover valt op te merken. Door de verschillende typen groen te analyseren op de wijze van beheer, kwaliteit en kwantiteit ontstaat een reëel beeld van het groen binnen de gemeente. Het rapport geeft verder aan dat de (beeld)kwaliteit van groen sterk afhankelijk is van het plan- en ontwerpproces van ruimtelijke projecten en dat daarom vroegtijdige afstemming noodzakelijk is. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt en daar rekening mee wordt gehouden in het plan. Zo ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedsfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. Als extra toetsingskader is een Groene Kaart (november 2010) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen. 3.4.8
Groene Kaart
De Groene Kaart toont en beschrijft de meest waardevolle bomen en houtopstanden binnen de gemeente. Deze mogen niet zonder omgevingsvergunning worden gekapt. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen waardevolle bomen of houtopstanden aangeduid op de Groene Kaart. Aan de Hoeksestraat bevindt zich een gemeentelijke houtopstand.
Figuur 14: Uitsnede Groene Kaart Buitengebied en kern Schijf
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 31 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
3.4.9
Rucphen ‘Landschap onthuld’ definitief Groenstructuurplan gemeente Rucphen december 2009
Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Een uitsnede van het Groenstructuurplan voor Schijf is weergegeven in figuur 15. Het Groenstructuurplan komt voort uit het Visiedocument Groenbeleid en geeft richting aan het behoud en de ontwikkeling van groenstructuren in het stedelijk gebied. Het plan bevat een groensaldoregeling voor een verantwoorde omgang met groen. De regeling zorgt ervoor dat er niet onbekommerd aan de groene ruimte kan worden getornd. Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. In figuur 15 is een uitsnede van de Groenstructuurkaart weergegeven.
Figuur 15: uitsnede Groenstructuurkaart
De planlocatie ligt aan de Hoeksestraat. De Hoeksestraat is in de groenstructuurkaart aangemerkt als een van de hoofdwegen. Daarnaast is de Hoeksestraat ter hoogte van de planlocatie aangeduid met ‘creëren landelijk binnenkomen’. De ontwikkeling op de planlocatie sluit hierbij aan, de locatie wordt landschappelijke ingepast. Het groenstructuurplan heeft geen gevolgen voor de ontwikkeling op de planlocatie of andersom. 3.4.10
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022
De aanleg en het beheer van de rioleringsvoorzieningen zijn gemeentelijke taken, welke hun wettelijke basis hebben in de Wet milieubeheer (Wm art. 10.33). De gemeente is wettelijk verplicht een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) op te stellen (Wet Milieubeheer, art.4.22). Volgens de Waterwet dient elke gemeente een verbreed GRP op te stellen. In een verbreed GRP worden naast de zorgplicht voor afvalwater ook de zorgplichten voor hemelwater en grondwater beschreven. In paragraaf 4.4.5 komt het aspect water aan bod voor de planlocatie. 3.4.11
Nota Archeologie gemeente Rucphen
Op 18 september 2019 is de nieuwe Nota Archeologie vastgesteld met bijbehorende Archeologisch Beleidskaart.
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 32 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
In figuur 16 is de onderhavige planlocatie gelegen binnen ‘lage archeologische verwachting (eventueel met kans op veenwinningsresten)’ en ‘waarde 2 - historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten, en hoge archeologische verwachting (tenminste) voor vindplaatsen voor jager-verzamelaars’. Binnen de aanduiding ‘waarde 2’ geldt een onderzoeksplicht bij een minimale bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m². In paragraaf 4.3 komt het aspect ‘Archeologie’ verder aan bod.
Figuur 16: Uitsnede archeologische beleidskaart
3.4.12
Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030
De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 opgesteld. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw/ Gemeente. Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 33 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). De ambities van de gemeente Rucphen zijn voor nieuwbouw woningen: Bij nieuwbouw is het streven dat er duurzame woningen worden gebouwd met een Energielabel A. Het streven naar het verminderen van het verhard oppervlak in particuliere tuinen met 20% in 2030 ten opzichte van 2019. Bij nieuwe bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden door te toetsen op waterberging. Het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouw woning op de locatie Hoeksestraat ong. tussen 15a en 17 is duurzaamheid. De woning dient te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), daarnaast wordt de woning gasloos uitgevoerd. Tijdens de verdere uitwerking van het ontwerp van de woning wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk gebruiken van duurzame bouwmaterialen. De woning wordt aangesloten op de bestaande riolering van de Hoeksestraat. Het schone hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, dient in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd te worden en alleen het vervuilde afvalwater wordt via de riolering afgevoerd. Het aspect water komt in paragraaf 4.4.5 verder aan bod.
Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast, wat een bijdrage levert aan groen op de planlocatie en het aspect duurzaamheid.
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 34 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke structuur
4.1.1
Bebouwingspatroon
Planuitgangspunten
Het bestaande bebouwingspatroon verandert. Er wordt één nieuwe woning gerealiseerd in het bestaande bebouwingslint. 4.1.2
Groen- en waterstructuur
De locatie aan de Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17 wordt landschappelijk ingepast. De bestaande groenstructuren worden behouden, nieuwe groenstructuren worden toegevoegd passend in het landschap. In bijlage 1 van de regels is de landschappelijke inpassing toegevoegd, kortheidshalve wordt hier naartoe verwezen. 4.1.3
Verkeer en parkeren
De Hoeksestraat is bestemd voor zowel gemotoriseerd verkeer als voor langzaam verkeer. Gemeente Rucphen heeft op 25 april 2017 de ‘Nota parkeernormen 2017’ vastgesteld. Conform deze parkeernota worden er op de planlocatie minimaal drie parkeergelegenheden gesitueerd op eigen terrein, op de planlocatie is hier voldoende plaats voor. 4.2
Functionele structuur
4.2.1
Algemeen
De functie van het perceel op de Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17 verandert van een agrarische functie naar een woonfunctie. 4.2.2
Verkeer en parkeren
De Hoeksestraat is bestemd voor zowel gemotoriseerd verkeer als voor langzaam verkeer. Er worden minimaal drie parkeergelegenheden gesitueerd op eigen terrein, op de planlocatie is hier voldoende plaats voor. 4.3
Archeologie en cultuurhistorie
4.3.1
Archeologie
Archeologisch onderzoek Op 16 april 2021 is door Transect b.v. een rapportage uitgebracht over het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek welke in maart 2021 is uitgevoerd. Het volledige rapport is als afzonderlijke bijlage toegevoegd in bijlage 1. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond in het plangebied in sterke mate verstoord is geraakt, waarschijnlijk door de ontgronding en de bouw-sloop werkzaamheden. Hierdoor is tot een diepte van 60-105 cm -Mv (12,4-12,9 m +NAP) sprake van een pakket puin- en betonhoudend humeus zand, dat geenszins al een oud bouwlanddek aan te merken is. Op basis van deze verstoringen is vastgesteld dat sprake is van een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit het LaatPaleolithicum B tot en met de Nieuwe tijd. Dit betekent een bijstelling naar beneden van de oorspronkelijke verwachting. Theoretisch kunnen dieper in de ondergrond nog terrasafzettingen aanwezig zijn die het archeologisch relevante niveau vormen voor het Midden- en Laat Paleolithicum A, maar deze afzettingen liggen buiten het bereik van het onderzoek.
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 35 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Advies Op basis van het archeologische bureau- en veldonderzoek is gebleken dat de archeologische verwachting naar laag kan worden bijgesteld. Dit betekent dat er niet voorzien hoeft te worden in een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. Wel blijft de meldingsplicht onverminderd van kracht: mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan moet de uitvoerder/initiatiefnemer dit direct melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Rucphen (Erfgoedwet 2016; artikel 5.10).’ 4.3.2
Cultuurhistorie
Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven. Een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 is weergegeven in figuur 17.
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 36 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 17: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 (CHW), provincie Noord-Brabant
De planlocatie Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17 is gelegen in een regio met indicatieve archeologische waarden. Daarnaast is de planlocatie gelegen in de regio West-Brabantse Venen, een regio met provinciaal cultuurhistorisch belang. De Hoeksestraat is op de Cultuurhistorische Waardenkaart aangeduid als historische geografie redelijk hoog. Regio West-Brabantse Venen De planlocatie valt binnen de regio ‘West-Brabantse Venen’. De winning en het transport van turf heeft het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaarten en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. De planlocatie betreft geen landgoed en er zijn ook geen turfvaarten in de directe omgeving aanwezig. Op de planlocatie vinden geen ontwikkelingen plaats die van invloed kunnen zijn op de cultuurhistorische landschappen. Historische geografie De Hoeksestraat is aangeduid als historische geografie (lijn) van redelijk hoge waarde. Het betreft hier herkenbare en relatief gave elementen van het historisch landschap. De lijnen zijn representatief voor de diverse soorten lijnvormige landschapselementen in Noord-Brabant. De provincie wil de geografische lijnen, Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 37 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
net als de overige cultuurhistorische waarden, behouden, verder ontwikkelen en toeristisch-recreatief ontsluiten. Het initiatief voorziet niet in een wijziging die van invloed is op de aanwezige structuren er vinden geen wijzigingen plaats die van invloed kunnen zijn op de historische geografie van de Hoeksestraat. 4.4
Milieu- en overige aspecten
4.4.1
Geluid
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. Wegverkeer Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan akoestische situatie bij geluidgevoelige objecten. In het kader van de Wet geluidhinder valt een woning onder een geluidsgevoelig object. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd door Kraaij Akoestisch Adviesbureau op 16 maart 2021, met rapportkenmerk VL.2110.R01. Het rapport is als afzonderlijke bijlage (bijlage 2) toegevoegd aan onderhavig plan. Toetsing aan Wet geluidhinder Op de gevels van de nieuwbouwwoning bedraagt de geluidbelasting vanwege de Hoeksestraat (alleen geluidgezoneerd deel, buiten de komgrens) ten hoogste 50 dB.
Deze geluidbelasting wordt berekend op de noordwestelijke voorgevelzijde van de woning, waarmee bij deze gevelzijde niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh voor wegverkeerslawaai. De overschrijding bedraagt 2 dB. Op de overige gevels van de woning bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 47 dB en wordt aan de voorkeursgrenswaarde voldaan. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, is nader onderzoek naar aanvullende maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Hoeksestraat te reduceren noodzakelijk. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor woningen in buitenstedelijk gebied wordt niet overschreden. Indien maatregelen niet doeltreffend zijn of stuiten op overwegende bezwaren, kan bij de gemeente een hogere waarde voor deze woning worden aangevraagd. Samenvatting en advies Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege de Hoeksestraat in de huidige situatie wordt overschreden en uit maatregelenonderzoek blijkt dat alle bron- en overdrachtsmaatregelen stuiten op overwegende bezwaren, behalve een verplaatsing van de woning tot op de gevelgrens met de zuidelijke woning. Een dergelijke maatregel is echter niet wenselijk vanwege het verkleinen van de geluidluwe achtertuin. Daarom zal een hogere waarde bij de gemeente Rucphen aangevraagd moeten worden vanwege de Hoeksestraat. De aan te vragen hogere waarde bedraagt 50 dB.
In combinatie met een aanvraag hogere waarde dienen ook maatregelen te worden getroffen in de vorm van voldoende karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie om ook een goed woon- en leefklimaat in de woning te waarborgen. Hierbij dient uitgegaan te worden van de eisen in het Bouwbesluit.
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 38 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De hogere waarde vanwege wegverkeerslawaai bedraagt ten hoogste 50 dB. Hierbij dient de karakteristieke geluidwering van de woning ten minste aan GA,k = 22 dB (50 dB + 5 dB aftrek – 33 dB) voor een verblijfsgebied te voldoen. Voor een verblijfsruimte geldt een 2 dB lagere eis, gelijk aan de minimumeis uit het Bouwbesluit. Om zondermeer een goed woon- en leefklimaat te garanderen in de woning, wordt geadviseerd de benodigde geluidwering te dimensioneren op de gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle geluidbronnen van het wegverkeer. De gecumuleerde geluidbelasting van de meest kritisch gelegen voorgevel van de woning (55 dB zonder aftrek) is in onderhavige situatie gelijk aan de geluidbelasting vanwege de meest maatgevende bron alleen (50 dB inclusief aftrek van 5 dB), zodat in dit geval de benodigde geluidwering op basis van het Bouwbesluit ook voldoende is om een goed woon- en leefklimaat in de woning te waarborgen. Indien bij de nieuwbouw gebruik gemaakt wordt van een gebalanceerd ventilatiesysteem met mechanische toe- en afvoer wordt een geluidwering van 28 dB vrij eenvoudig behaald. Nader (bouw)akoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van de nieuwe woning wordt in onderhavige situatie niet noodzakelijk geacht, maar is uiteindelijk ter beoordeling aan de vergunningverlenende instantie. 4.4.2
Flora en Fauna
Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan hetgeen beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. Gebiedsbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is op 15 februari 2021 (rapportnummer 2102-1) een ecologische quickscan uitgevoerd om aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld te brengen en mogelijke effecten daarop in beeld te brengen. De volledige rapportage is toegevoegd aan de afzonderlijke bijlagen (bijlage 3).
Bepaald is of de ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000 gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming en aanvullend de gemeentelijk APV zijn beschermd. De planlocatie ligt niet in een speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming of binnen het Natuurnetwerk. De planlocatie ligt op circa 7,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld). Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000 gebied (Brabatnse Wal) is gelegen op een afstand van circa 11 kilometer. Door de ligging van het plangebied binnen de landschappelijke provinciale beschermingszone van Groenblauwe mantel zijn overtredingen van de Interim omgevingsverordening NB mogelijk. Indien een passende groene inrichting en landschappelijke inpassing wordt gewaarborgd kunnen overtredingen vermeden worden Gelet op de schaal en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. Daarnaast heeft het Rijk de Handreiking ‘Woningbouw en Aerius’ van het Rijk opgesteld.
In deze handreiking is opgenomen dat een woningbouwplan tot 50 grondgebonden woningen op minimaal 7 kilometer afstand van Natura 2000 gebieden resulteert in een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar. De woningbouw op de planlocatie blijft ver onder deze
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 39 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
grens, er kan dus geconcludeerd worden dat er geen stikstofdepositie bijdrage op de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden door het realiseren van het bouwplan zal plaatst vinden. Beschermde soorten Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De volgende beschermde soorten mogelijk in het plangebied worden aangetroffen, concreet zijn dit de kamsalamander, de heikikker, de poelkikker, de rugstreeppad, de vleermuis en de drijvende waterweegbree. Met uitzondering van vleermuis bestaat de habitat van deze soorten voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Soortgroep van vaatplanten Negatieve effecten op beschermde plantensoorten en groeiplekken kunnen uitgesloten worden. Soortgroep van beschermde zoogdiersoorten (grondgebonden) Negatieve effecten op verblijfplekken van beschermde grondgebonden zoogdiersoorten de beschermd zijn middels Wnb §3.3 en waarvoor geen vrijstelling geldt kunnen niet geheel uitgesloten worden. Met het oog op mogelijke aanwezigheid en verblijfplekken van kleine marterachtigen moet bij het verwijderen van de stortbergen van klinkers en andere opgeslagen materialen gewerkt worden naar een goedgekeurde gedragscode om een overtreding van § 3.3 Wnb art. 3.10 lid 1a en 1b te voorkomen.
Er wordt geen aantasting verwacht van verblijfplekken en beschermd functioneel leefgebied van soorten waarvoor de strikte bescherming geldt. Kleine beschermde zoogdieren waarvoor een vrijstelling en alleen de zorgplicht geldt, kunnen nooit geheel uitgesloten worden. Voor deze soorten wordt geadviseerd om ook volgens de gedragscode te werken en in alle gevallen dient ook voor deze soorten de zorgplicht in acht worden genomen. Soortgroep van beschermde zoogdiersooren (vleermuizen) Tijdens het veldbezoek werden geen vaste verblijfplekken en geschikte verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen geconstateerd. Verblijfplekken van vleermuizen binnen het plangebied en invloedsfeer van de voorgenomen ontwikkeling worden niet verwacht en daarmee geen negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfsplaatsen van vleermuizen. Noch aantasting van elementen binnen het functioneel leefgebied die van essentieel belang kunnen zijn voor de staat van instandhouding van de lokale populaties en verblijfplekken. Soortgroep van soorten die beschermd zijn middels de Vogelrichtlijn Binnen het plangebied en de invloedsfeer daarvan worden op basis van het veldbezoek geen negatieve effecten verwacht op nesten en verblijfplaatsen van vogels die wettelijk als jaarrond beschermd kunnen worden aangemerkt.
Tijden het broedseizoen dient rekening gehouden te worden met grondbroeders waarvan door grondwerkzaamheden nesten beschadigd of vernietigd kunnen worden. Soortgroep van soorten die beschermd zijn middels de Vogelrichtlijn Binnen het plangebied en de invloedsfeer daarvan worden op basis van het veldbezoek geen negatieve effecten verwacht op nesten en verblijfplaatsen van vogels die wettelijk als jaarrond beschermd kunnen worden aangemerkt. Soortgroepen van reptielen, amfibieën en vissen Negatieve effecten ten gevolge van de voorgenomen herontwikkeling op beschermde reptielen, strikt beschermde amfibieën en beschermde vissen worden niet verwacht. Wel kunnen negatieve effecten op een tweetal amfibiesoorten waar de middelzware bescherming zonder vrijstelling geldt niet uitgesloten worden. Het is mogelijk dat dat de alpenwatersalamander en vinpootsalamander binnen de stortbergen van opgeslagen klinkers op het terrein overwinteren. Om een overtreding te voorkomen van § 3.3 Wnb art. 3.10 lid 1a en 1b dient bij het ruimen van de stortbergen gewerkt te worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor deze soorten, en ook voor aantal amfibieën waarvoor een vrijstelling geldt, dient in alle gevallen de zorgplicht in acht worden genomen.
Soortgroepen van ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, slakken en kreeften) Op basis van hun zeldzaamheid en hun specifieke habitatvereisten worden geen beschermde soorten uit deze soortgroep verwacht. Negatieve effecten op soorten uit deze groepen en hun leefgebied kunnen daarom geheel uitgesloten worden. Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 40 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Beschermde houtopstanden Binnen het plangebied ontbreken houtopstanden die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming of kapvergunning plichtig kunnen zijn. Onheffingsaanvraag Het plangebied bestaat voor de helft uit een oppervlak grasland en is voor ongeveer de andere helft bestraat met grote platen grindbeton. Buiten de begroeiing en bestrating bevat het plangebied als meest opvallend element een relatief groot oppervlak aan stortbergen van betonklinkers. Op dezelfde hoogte is in de noordoosthoek van het terrein wat bouw- en tuinafval gedumpt en zijn er resten van een zandhoop aanwezig.Indien gewerkt wordt middels een goedgekeurde gedragscode bij het verwijderen van de stortbergen van klinkers en andere opgeslagen en gedumpte materialen is geen ontheffingsaanvraag nodig. Vervolgstappen Indien niet gewerkt kan worden middels een goedgekeurde gedragscode bij het verwijderen van de stortbergen van klinkers en andere opgeslagen en gedumpte materialen is nader onderzoek nodig naar winterverblijf van amfibieën en aanwezigheid van kleine marterachtigen. Bij aanwezigheid dienen maatregelen genomen te worden om doden, beschadiging of verstoring van hun voortplantings- en rustplekken bij de uitvoerende werkzaamheden te voorkomen. 4.4.3
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 20 april 2021 is door Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodemonderzoek en een verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Onderstaand zijn in het kort de belangrijkste onderzoeksresultaten beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de afzonderlijke bijlage (bijlage 4). Conclusie en aanbevelingen De locatie heeft een oppervlakte van 1.846 m2 en betreft een braakliggend perceel.
Van omstreeks 1968-1988 is op de locatie bebouwing aanwezig geweest. Voor het overige is de locatie altijd in gebruik geweest voor agrarische doeleinden of was het braakliggend. De fundering (betonverharding) van de voormalige bebouwing is nog aanwezig. Op de locatie zal een vrijstaande woning met schuur gerealiseerd worden. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van bodemverontreiniging. In verband met de aangetroffen bijmengingen met puin is ter plaatse een verkennend asbestonderzoek verricht. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Gehele locatie, circa 1.846 m2: - In de matig puinhoudende bovengrond ter plaatse van de boringen 8 en 9 (M01) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In de zintuiglijk ‘schone’ bovengrond ter plaatse van de boringen 1 t/m 4, 6 en 10 (M02) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In de zintuiglijk ‘schone’ ondergrond ter plaatse van de boringen 1 t/m 3 en 7 t/m 9 (M03) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 41 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
-
In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 (GW01) is een matig verhoogde concentratie aan nikkel aangetroffen; evenals een licht verhoogde concentratie aan zink. De nader onderzoekswaarde voor nikkel wordt overschreden.
De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. Formeel dient nader onderzoek verricht te worden naar aanleiding van de matig verhoogde concentratie aan nikkel. Dergelijke verhoogde concentraties aan nikkel worden vaker aangetroffen in de omgeving zonder aanwijsbare bron. Dergelijke verhogingen aan zware metalen (waaronder nikkel) kunnen, in dit gebied, gezien worden als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. Nader onderzoek of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. Bijmengingen met puin t.a.v. asbest, circa 500 m2: - In de bovengrond ter plaatse van proefgat 101 is een sterk verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. Naar aanleiding van het aangetroffen sterk verhoogde gehalte aan asbest ter plaatse van proefgat 101, is aansluitend een nader asbestonderzoek verricht, dit om de ernst en omvang van de verontreiniging vast te stellen. Nader asbestonderzoek Voorafgaand aan het onderzoek is de volgende vraag geformuleerd om aan de informatiebehoefte te voldoen, te weten: -
Wat is de ernst en de omvang van de asbestverontreiniging in de grond ter plaatse van proefgat 101? Deze vraag is voldoende beantwoord.
Gesteld kan worden dat de bovengrond ter plaatse van de proefsleuf 201 sterk verontreinigd is met asbest. De overige proefsleuven zijn ten hoogste licht verontreinigd. De omvang van de sterk verontreinigde grond wordt ingeschat op circa 50 m2 x gemiddeld 0,40 m = circa 20 m3. De grondverontreiniging is vermoedelijk voor 1993 veroorzaakt, waardoor sprake is van een ‘bestaand geval van (bodem)verontreiniging’. Gezien de interventiewaarde van asbest overschreden wordt, kan gesteld worden dat sprake is van een ‘ernstig geval van bodemverontreiniging’. Derhalve is sprake van een saneringsverplichting. In bijlage 5 is een situatieschets van de grondverontreiniging met asbest opgenomen. Eindconclusie Ter plaatse van proefsleuf 201 is een sterke grondverontreiniging met asbest aangetroffen. De asbestverontreiniging dient gesaneerd te worden (afdekken of ontgraven / of een combinatie hiervan). Voorafgaand aan de sanering dient een BUS-melding ingediend te worden bij het bevoegd gezag. De sanering dient uitgevoerd en begeleid te worden door respectievelijk een BRL 7000- erkend en BRL 6000- erkend bedrijf. 4.4.4
Luchtkwaliteit
Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 42 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
▪ ▪
1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
De woning, welke ten opzichte van de huidige situatie wordt toegevoegd, zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer op de Hoeksestraat te Schijf. Voor het onderhavige plan is de grens van 3 % geldig. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe woning zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3 % grens nooit overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de ruimte voor ruimte woning aan de Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17 zijn bij benadering: ▪ x = 95512 ▪ y = 389068 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2018: PM10: 17,49 µg/m3 en NO2: 14,49 µg/m3 2020: PM10: 15,99 µg/m3 en NO2: 12,58 µg/m3 2030: PM10: 15,03 µg/m3 en NO2: 10,75 µg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 µg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling op het plangebied. 4.4.5
Water
Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Watertoets In de plantoelichting moet een waterparagraaf worden opgenomen, waarin wordt aangegeven op welke manier rekening is gehouden met de (eventuele) gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in het plangebied. De watertoets is een belangrijk instrument om te verzekeren dat de waterhuishouding vanaf het begin van de planvorming integraal onderdeel uitmaakt van de ontwikkeling. Het waterbeheer is in handen van het Waterschap Brabantse Delta. Voorliggende waterparagraaf is in het kader van de watertoets voorgelegd aan de waterbeheerder. Deze zal in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen.
Beschrijving huidige situatie In de bestaande situatie is de ondergrond deels verhard met betonplaten, circa 540 m2 van de planlocatie is verhard. Waterlopen
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 43 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen waterlopen gelegen. In de verdere omgeving zijn enkele categorie B waterlopen gelegen en één categorie A waterloop, zie figuur 18.
Figuur 18: Uitsnede keurkaart, waterschap Brabantse Delta
Grondwaterbeschermingsgebied De planlocatie ligt niet een grondwaterbeschermingsgebied. Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding van deze locatie, is het aansluiten op het bestaande rioleringssysteem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via de riolering wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Voor de geprojecteerde bebouwing geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel van de Hoeksestraat. Na de aanvraag van de rioolaansluiting zal gemeente nagaan of aansluiting op drukriool of vrijvervalriool riooltechnisch de voorkeur heeft. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC.
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 44 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Beschrijving toekomstige situatie Voor verharding boven de 500 m2 geldt een bergingseis van 60 mm, conform de Keur van het waterschap de Brabantse Delta. De toename van de verharding blijft onder de bergingseis. Het waterschap de Brabantse Delta heeft een rekenregel opgesteld om de benodigde compensatie te kunnen berekenen. Indien er op de locatie een toename van de verharding plaatsvindt van meer dan 500 m2, dient de benodigde compensatie berekend te worden. Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) De totale toename aan verhard oppervlak van de woning is nog niet bekend. De planlocatie heeft een totaaloppervlakte van 1.822 m2, waarvan momenteel circa 940 m2 is verhard. Er wordt vanuit gegaan dat het perceel voor niet meer dan 50% wordt verhard. Dit betekent dat het perceel niet verder verhard zal worden, de verharding zal eerder afnemen. Het is daarom niet nodig om te voorzien in een extra voorziening voor infiltratie- of retentie. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater.
De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. Het advies wordt als vooroverlegreactie in bijlage 7 toegevoegd aan onderhavig plan. 4.4.6
Bedrijven en milieuzonering
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Omgevingstype In de VNG-uitgave wordt aangegeven, dat een gemengd gebied een gebied is met een matige tot sterke functiemenging.
Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de milieucategorie met één afstandsstap worden verlaagd. De planlocatie ligt in het, door de VNG-publicatie aangegeven, ‘rustig buitengebied’. Binnen een straal van circa 200 meter zijn een aantal woonfuncties gelegen en enkele (niet) agrarische bedrijven. Milieuzones In de omgeving zijn enkele (agrarische) bedrijven gevestigd. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie, uitgaande van een gebiedstypering ‘rustig buitengebied’.
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 45 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Tabel 1: richtafstanden op basis van gebiedstypering ‘rustige buitengebied’ Adres Omschrijving Milieucat. Afstand in meters geur stof
geluid
gevaar
De Heiningen 10 Hoeksestraat 4
30m 30m
0m 10 m
Melkveehouderij Elektrotechnische industrie n.e.g.
3.2 2
100m 30m
30m 10m
Afstand van bouwvlak tot bouwvlak nieuw woning 191 meter 176 meter
Uit tabel 1 blijkt dat er geen milieuzonering over de planlocatie is gelegen. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling belemmert de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsontwikkeling. Geurhinder veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De woning aan de Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17 te Schijf kan gezien worden als geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat. Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie.
De gemeente Rucphen kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, in deze paragraaf worden de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Rucphen is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied. De locatie Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17 is gelegen buiten de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 14 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 14 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 46 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand. De woning op de locatie Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17 kan gezien worden als een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij voor omliggende bedrijven. Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van februari 2021 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd.
Uit onderstaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving op basis van de achtergrond belasting als ‘zeer goed’ is aan te merken. Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Er is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van geuremissie.
Figuur 19: Uitsnede achtergrondbelastingkaart, Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant
Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de omgeving van de planlocatie zijn enkele agrarische bedrijven gevestigd. In de Wet geurhinder en veehouderij worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand buiten de bebouwde kom betreft 50 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Aan De Heiningen 10 is een veehouderij gevestigd waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn. Het bouwvlak op de planlocatie Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17 is op circa 187 meter afstand van het bestaande agrarisch bouwvlak aan De Heiningen 10. De afstand van 50 meter wordt hiermee behaald. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden.
Bestemmingsplan toelichting 202040 I 16-03-2022
Pagina 47 van 57
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen op de planlocatie Hoeksestraat ong. tussen nr. 15a en 17. 4.4.7
Gezondheidsaspecten
Toetsingskader Het gezondheidsaspect heeft de laatste jaren steeds meer aandacht als het gaat om veehouderijen in de nabijheid van woningen en woonkernen. Met name komst of de aanwezigheid van intensieve veehouderijen kan onrust veroorzaken over de gezondheid bij omwonenden. Mogelijke risico's voor de gezondheid kunnen worden veroorzaakt door fijnstof, stank, endotoxinen en zoönosen. Endotoxinen zijn deeltjes van bacteriën of schimmels die zitten in agrarisch stof. Zoönosen zijn infectieziekten die van dieren op mensen overdraagbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn de vogelgriep, MRSA, BSE en Q-koorts. De huidige onderzoeken – bekend gemaakt vanuit Ministeries, Rivm, Gezondheidsraad of GGD - maken duidelijk dat er nog veel onbekend is en dat daarom nauwkeurige uitspraken over een eventuele directe relatie tussen nabijheid van veehouderij en effecten op de gezondheid van omwonenden nog niet mogelijk zijn. Voor zover echte verbanden tussen gezondheidseffecten en veehouderij worden gevonden, hebben deze betrekking op de afstand tussen veehouderij en bewoning en op het aantal bedrijven binnen een zekere straal rond bewoonde gebieden. Uit de resultaten van huidige onderzoeken kan echter niet simpelweg worden geconcludeerd om welke afstand het gaat en bij welke concentraties gezondheidseffecten optreden.
Omdat veel mensen zich afvragen of het (on)gezond is om in de buurt van een veehouderij te wonen heeft het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu (RIVM) onderzoek laten verrichten. Dit heeft geresulteerd in twee onderzoeksrapporten “Veehouderij en Gezondheid Omwonenden”, kortweg VGO 1 uit 2016 en VGO 2 uit 2017. De belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken zijn: ▪ Rond pluimveehouderijen en geitenhouderijen komen iets vaker longontstekingen voor; ▪ Bij mensen die dicht bij een veehouderij wonen komen astma en neusallergie minder voor; ▪ Mensen die in de buurt van veel veehouderijen wonen kunnen een verminderde longfunctie hebben. Uit het VGO 2-rapport volgt verder dat er een verhoogde kans (29%) op longontsteking is binnen een straal van 1,5 tot 2 km van geitenhouderijen en 1 km van pluimveehouderijen. De precieze oorzaak van deze verhoogde risico`s kan echter niet worden aangegeven door de GGD. Op dit moment gaat men ervan uit dat pas binnen enkele jaren meer concreet aangegeven kan worden of er oorzakelijke verbanden bestaan en wat deze inhouden. In maart 2016 is de eerste versie van de Handreiking veehouderij en volksgezondheid verschenen. De handreiking bestaat uit een algemene onderbouwing op grond waarvan volksgezondheid meegenomen dient te worden in de ruimtelijke besluitvorming en besluitvorming in het kader van milieu.