CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

10b2 Obp Valkendonk mrt 2021 toelichting

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 15 september 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Valkendonk ongenummerd naast 38’18.247 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze waarden zijn belangrijk en moeten in beginsel beschermd worden. Volgens deze kaart (figuur 21) is er sprake van een lage trefkans.

34

Figuur 21: IKAW De planlocatie komt niet op de kaart (figuur 22) voor. De Kaaistraat is geduid als lijn van redelijke hoge waarde. De planlocatie ligt nabij de dekzandrung Bosschenhoofd-Hoeven en in de regio Westbrabantse venen. In de ‘Westbrabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Door de nieuwe woning worden de cultuurhistorische waarden niet aangepast. Ook op de gemeentelijke cultuurhistorische kaart (figuur 23) komt de locatie niet voor. Op deze kaart is de Kaaistraat als ‘overige weg’ geduid, waar een oud erf aan ligt. Daarnaast is op de Cultuurhistoriekaart een ‘matrix waardering en beleid’ opgenomen, waarin wordt aangegeven op welke wijze de cultuurhistorische waarden in ruimtelijk beleid verankerd kunnen worden. Voor deze locatie is dit niet relevant.

35

Figuur 22: CHW 2015

Figuur 23: Cultuurhistorische kaart gemeente 36

Aardkundige waarden Uit de aardkundige waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een aardkundig waardevol gebied en evenmin op korte afstand van een dergelijk gebied is gelegen.

4.3

Water

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Waterwet De Waterwet van 22 december 2009 vervangt een aantal bestaande wetten, zoals het Waterbeleid 21e eeuw en de Kaderrichtlijn Water, op het gebied van waterbeheer. De Waterwet is gericht op integraal waterbeheer, met de doelstelling voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. Waterstructuurplan Het provinciale beleid richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde.

Vijf hoofdthema's vormen de kern van het beleid: • het realiseren van een duurzame watervoorziening; • het verbeteren van de waterhuishoudkundige situatie; • het verbeteren van de waterkwaliteit; • het inrichten van waterlopen met het oog op de versterking van natuurwaarden; • het anders omgaan met water in bebouwd gebied. Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP, figuur 24) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Doelen van het PMWP: • voldoende water voor mens, plant en dier • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met de partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid.

37

Figuur 24: Provinciaal Waterplan 2016-2021 Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Brabantse Delta werkt 24 uur per dag aan waterveiligheid, droge voeten, voldoende en schoon water ingevolgd het Waterbeheerplan. Hierin staan doelen en maatregelen voor de periode van 2016 tot en met 2021. Ook beschrijft het waterschap hoe ze inspelen op de veranderende omstandigheden, zoals het klimaat. In vijf jaar tijd kan er veel veranderen. Daarom controleert het waterschap tijdens de planperiode regelmatig of doelen en maatregelen nog steeds goed gekozen zijn of dat aanpassing nodig is. Het Waterbeheerplan geeft de basis voor dit continue proces van plannen. Het waterschap wil de samenwerking met burgers, ondernemers en organisaties actief betrekken bij het waterbeheer in Midden- en West-Brabant. Goede initiatieven die bijdragen aan droge voeten, voldoende en schoon water worden gestimuleerd. Het Waterbeheerplan is samen met gemeenten, industriële en agrarische ondernemers, Natuurverenigingen, de provincie en het rijk opgesteld. Het algemeen bestuur heeft het waterbeheerplan definitief vastgesteld op 14 oktober 2015. Waterschap Brabantse Delta blijft de verbinding zoeken met inwoners en partners bij de uitvoering van het plan en blijft voortdurend kijken naar de mogelijkheden voor duurzame maatregelen en efficiënter uitvoeren van werkzaamheden.

Gemeentelijk beleid Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. Het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP) 2018-2022 en het gemeentelijk waterplan (2008) verantwoorden aan de inwoners van de gemeente Rucphen de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht. Bij de realisatie van (nieuwe) bebouwing wordt het scheiden van waterstromen nagestreefd. Bij rioolvervanging wordt, mits kosteneffectief, actief beleid gevoerd op het afkoppelen van hemelwater en scheiden van waterstromen. Voor het afkoppelen van dakvlakken op particulier terrein wordt bij 38

bestaande bouw een doelmatigheidstoets uitgevoerd. Bij het infiltreren van het regenwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan, afvoeren. De zorgplicht hemelwater valt onder de Waterwet (in de toekomst Omgevingswet). In artikel 3.5 is de wettelijke verplichting vastgelegd: De gemeente draagt zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. En de gemeente draagt zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk. De gemeente Rucphen heeft belang bij een robuust watersysteem, wat bij hevige regenval het water uit de rioolwateroverstorten kan verwerken. Dit is immers een randvoorwaarde voor het beperken van wateroverlast in bebouwd gebied tot een aanvaardbaar niveau.

Retenties worden daarom gedimensioneerd met een ‘regenreeks’ die gemiddeld 1 keer per 100 jaar voorkomt in Nederland. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering, zodat het watersysteem zodanig wordt gedimensioneerd dat het toekomstbestendig is. Voor 'Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen' wordt het beleid van het waterschap Brabantse Delta gevolgd. Het gemeentelijk waterplan Rucphen ‘Water in Rucphen, wel aanwezig, niet altijd zichtbaar’ is vastgesteld op 31 januari 2008 door de gemeenteraad. Het doel van het waterplan is om het watersysteem in de gemeente Rucphen op orde te brengen en op orde te houden. Het waterplan geeft een visie over hoe het watersysteem er in 2050 moet uit zien. Het gemeentelijk waterbeleid is divers en gaat van het voorkomen van wateroverlast in de kernen tot en met het verbeteren van de waterkwaliteit en bijbehorende ecologische waarden. Als kader voor het waterplan is het nationaal bestuursakkoord water waarin het doel is om het water zoveel mogelijk vast te houden en te bergen op de plaatsen waar het valt. Een ander speerpunt is het tegengaan van verontreiniging van het grondwater en het oppervlaktewater door chemische middelen zoals bestrijdingsmiddelen en schoonmaakmiddelen.

Voor de bestaande waterberging en nieuw aan te leggen bergingen is het beleid om deze op een goede landschappelijke manier in te passen zodat deze bergingen bijdragen aan de belevingswaarden van het buitengebied. Keur Het waterschap is verantwoordelijk voor het waterbeheer (waterkwaliteit en –kwaliteit) binnen het plangebied. Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de Keur van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur te lozen op het oppervlaktewater bij een uitbreiding van het verhard oppervlak groter of gelijk aan 2.000 m2. Voorbeelden van situaties waarbij een watervergunning nodig is: • het dempen of wijzigen van een watergang; • het aanleggen van een kabel of leidingen; • het planten van bomen en struiken; • het brengen van water in een watergang. Nieuwe ontwikkelingen moeten waterneutraal worden uitgevoerd, waarbij zoveel mogelijk moet worden gestreefd naar behoud of herstel van de natuurlijke waterhuishoudkundige situatie. Het 39

toekomstige watersysteem moet hierbij voldoen aan de ‘Beleidsregel hydraulische randvoorwaarden van het waterschap’, vastgesteld op 1 mei 2009. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hierna hun keuren geharmoniseerd tot ‘Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur van 1 maart 2015 is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Hergebruik gaat boven infiltreren, boven bergen en afvoeren (kwantiteitsrits). Voor nieuwbouw geldt dat het ‘schone’ regenwater van het ‘vuile’ huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. De kwaliteitsrits houdt in schoonhouden, scheiden, zuiveren. Watertoets Uitgangspunt voor de waterhuishouding van deze locatie, is het aansluiten op het bestaande drukriolering systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via de drukriolering wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Voor de geprojecteerde bebouwing geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel van Valkendonk. Conform de gemeentelijke bouwverordening dient bij nieuwbouw de riolering gescheiden op de erfgrens aangeboden dient te worden zodat deze op het bestaande gescheiden stelsel kan worden aangesloten. Ten behoeve van het huishoudelijke afvalwater dient een afzonderlijke leiding aangelegd te worden in het nieuwbouwplan. Dit stelsel dient gedimensioneerd te worden op de toekomstige bebouwing in het plangebied. Het nieuwe stelsel kan dan aangesloten worden op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Er wordt gemiddeld 120 liter vuilwater per dag geproduceerd per inwoner en afgevoerd naar het rioolstelsel. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag vanuit het plangebied wordt “geproduceerd”. Er worden geen capaciteitsproblemen verwacht door deze minimale hoeveelheid.

Indachtig het wateradvies van het waterschap van 13 januari 2021, zal bij de uitwerking van de bouwplannen gekeken worden naar de mogelijkheden voor berging/infiltratie van regenwater vanaf daken en verhardingen op eigen terrein, ondanks dat het verhard oppervlak beperkt in oppervlakte toeneemt. Om verontreiniging van het grondwater of het oppervlaktewater te voorkomen mogen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink, zachte PVC en geïmpregneerde materialen worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Op deze wijze neemt het risico kwaliteit grondwater niet toe. De woning wordt circa 150 m2 groot, aan bijgebouwen kan eveneens 100 m2 worden opgericht per woning. Voor terras, verhardingen en de opritten wordt ook met 100 m2 rekening gehouden. Totaal nemen de verhardingen toe met circa 350 m2 zodat geen extra waterberging of compensatie nodig is. Per 1 april 2021 hanteert het waterschap overigens een oppervlakte van 500 m2, in plaats van 2.000 m2, waarbij maatregelen nodig zijn als die omvang wordt overschreden. Dat is hier niet het geval. Extra voorzieningen zijn niet nodig. Het water zal vanzelf de grond intrekken.

4.4

Geluidhinder

Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van 40

wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. In een 30 km/uur-gebied kan toetsing veelal achterwege blijven. Het plangebied is gelegen in een 30 km/uur-gebied maar binnen 200 meter van een 50 km/uur-gebied, de zogenoemde zone. Vanwege het aspect geluid is daarom onderzoek verricht d.d. 10 september 2020 (bijlage 2) op basis van de meest recente verkeerstellingen, uitgevoerd naar aanleiding van de reconstructies. Hieruit is gebleken dat voorkeursgrenswaarden voor het geluid niet worden overschreden en dat geen hogere grenswaarden hoeven worden aangevraagd. Mede met dit onderzoek wordt een goed woon- en leefklimaat aangetoond. De minimumeis voor de karakteristieke geluidwering is op grond van het Bouwbesluit 20 dB. Daarnaast is in het Bouwbesluit bepaald dat de karakteristieke geluidwering van de gevel niet kleiner mag zijn dan het verschil tussen de vastgestelde hogere waarde en 33 dB(A) in een verblijfsgebied en 35 dB(A) in een verblijfsruimte. Aangezien er in onderhavige situatie geen hogere waarde hoeft te worden vastgesteld vanwege een gezoneerde weg, dient de nieuwbouw alleen te voldoen aan de minimale eis voor de karakteristieke geluidwering van GA,k = 20 dB.

Een bouwakoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie wordt wel noodzakelijk geacht.

4.5

Luchtkwaliteit

Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (AmvB), verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 μg/m³ voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg is een grens van 1500 woningen bepaald. Het project ligt heel ver onder deze grens. Het project leidt dus ‘niet in betekenende mate’ tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Bovendien ligt de planlocatie niet binnen een dergelijke zone. Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCNkaarten, Atlas Leefomgeving) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten (figuur 25) geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2017 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide circa 19,2 μg/m3 en voor fijn stof is dit circa 17,5 μg/m3.

De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 μg/m3 en voor fijn stof 40 μg/m3. Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven. 41

Een en ander betekent dat een luchtkwaliteitonderzoek niet noodzakelijk is en dat dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2020

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,01

PM10 in μg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

42

8

1,2

Figuur 25: Kaarten luchtkwaliteit

4.6

Externe veiligheid

Doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit legt eisen op aan bedrijven waarvan het plaatsgebonden risico (PR) hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, waaronder inrichtingen die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO) 1999 en inrichtingen die vallen onder de richtlijnen van de Publicatie Gevaarlijke Stoffen deel 15 van de onafhankelijke Adviesraad Gevaarlijke Stoffen. Als de afstand tot een risicovolle activiteit maar groot genoeg is, is er sprake van 100% veiligheid. Maar deze afstand kan kilometers groot zijn. Nederland is te klein om deze afstanden te hanteren. Daarom is gekozen voor het hanteren van een basisbeschermingsniveau. Dit wordt geconcretiseerd door toepassing van grens- en richtwaarden PR. Het PR is de kans dat een persoon die permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Dit risico wordt uitgedrukt in de overlijdenskans per jaar. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een transportroute. Er zijn verschillende normen voor risico’s als gevolg van risicovolle activiteiten bij bedrijven en het transport van gevaarlijke stoffen.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en in bestaande en in nieuwe situaties. Voor kwetsbare objecten zoals woningen, ziekenhuizen en scholen gelden de strengste eisen. Ingeval er sprake is van kwetsbare objecten waarbij het PR groter is dan 10-5 dan dient binnen drie jaar de risicovolle inrichting gesaneerd te worden. Ook buiten de PR-contouren bestaat nog een invloedsgebied waarbinnen groepen personen slachtoffer kunnen worden van een ongeval. Daarom moet ook het groepsrisico (GR) worden onderzocht. De hoogte van het GR is niet ruimtelijk weer te geven, wel het invloedsgebied waarover het GR wordt berekend. Het GR geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Voor het GR gelden oriënterende waarden. Over elke overschrijding van de oriënterende waarde en over de toename van het GR moet 43

verantwoording worden afgelegd. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. In het BRZO staan criteria die aangeven welke bedrijven zoveel gevaarlijke stoffen hebben, dat er een risico van een zwaar ongeval bestaat. Voor deze bedrijven gelden strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie. De lichtere categorie wordt ook wel Preventiebeleid Zware Ongevallen genoemd, omdat deze bedrijven een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem. Bedrijven van de zware categorie moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport opstellen. Beleidsvisie gemeente Rucphen 2010-2014 De gemeente Rucphen heeft een veiligheidsvisie opgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Rucphen haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s. Per gebiedstype hanteert de gemeente aanvullende eisen ten opzichte van het Rijksbeleid. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘buitengebied’.

In aanvulling op de wettelijke eisen hanteert de gemeente voor het gebiedstype buitengebied onder meer de volgende ambities: • geen nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour; • overschrijding van de oriëntatiewaarde wordt niet toegelaten; • geen nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen binnen het invloedsgebied. Op basis van de provinciale risicokaart (figuur 26) zijn geen kwetsbare objecten gelegen in of in de (directe) nabijheid van het plangebied die gevolgen hebben voor de voorgenomen ontwikkeling. Het beoogde gebruik van het plangebied betreft geen risicovolle activiteit maar is wel een (beperkt) kwetsbaar object als bedoeld bij externe veiligheid. Op grond van de provinciale kaart zijn in de omgeving van het beoogde plangebied geen BRZO bedrijven echter wel andere inrichtingen (zwembad, houthandel, propaantank) gelegen , maar deze bevinden zich op voldoende afstand. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen. Er loopt op circa 2.000 meter van het plangebied een verkeersroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, namelijk de A58. Er is geen PR-contour en het invloedsgebied voor het groepsrisico is slechts 200 meter. De locatie bevindt zich evenmin in een plasbrandaandachtsgebied. Op basis van de provinciale risicokaart zijn ook geen risicovolle buisleidingen in het plangebied aanwezig.

Transportroutes vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In de (nabijheid van de) planlocatie bevinden zich geen relevante aardgastransportleidingen. Er bevinden zich geen spoorwegen of hoofdvaarwegen in de nabijheid van de planlocatie. Voor het beoordelen van de externe veiligheid is een aantal omliggende locaties relevant: • Het Ijspaleis ligt op voldoende afstand, circa 725 meter, aan de Rucphensebaan 48. Daar is sprake van ammoniak en machinekamer. Het PR ligt op 75 meter. • Op geruime en voldoende afstand, circa 535 meter, ligt een leiding van de gasunie Z-520—33, diameter 168mm, 40 bar. • Alsmede op 525 meter ligt nog een aardgasbuisleiding Z-520-12, diameter 114mm, 40 bar met een gasdrukregel- en meetstation. • Op circa 850 meter aan de Sprundelseweg 45 is het 3.2 bedrijf Houtleeft BV gevestigd. Er is sprake van brandbare vaste stoffen, in de vorm van houtopslag in de open loods. Er is geen PR. • Op 515 meter bevindt zich een zwembad met chloorbleekloogtanks van 3 m3 en een generieke PR. In de Beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de Veiligheidsregio is een bluswatermatrix opgenomen. Binnen 200 meter van de woning moet in principe een 44

bluswatervoorziening aanwezig zijn met een debiet van 90 m3/uur. De ligging van de huidige woning voldoet aan de eisen; dit zal voor de extra woning niet anders zijn. Als gevolg van het bouwen van de extra woning zal het groepsrisico (door toepassing van de vuistregels) niet toenemen. De Veiligheidsregio heeft een standaard advies opgesteld voor de gemeente Rucphen. Het plangebied is gelegen binnen de gestelde uitgangspunten van het advies en kan worden gebruikt voor de (beperkte) verantwoording van het Groepsrisico. Het standaard advies is als bijlage 7 toegevoegd. Samengevat kan worden dat het aspect externe veiligheid de ontwikkeling niet belemmert.

Figuur 26: Provinciale risicokaart

4.7

Ecologie / flora en fauna

Op basis van de natuurwetgeving is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten. Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.

45

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In onderstaande paragrafen wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is reeds beschermd in het Barro en provinciale IOV. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.

Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Zoals uit figuur 27 blijkt, ligt de planlocatie niet in of nabij een gebied dat voor de Natura 2000 en/of Natuurbeschermingswet relevant is. Op dit vlak zijn er geen belemmeringen. De Maatjes (België) en Ulvenhouts Bos, maar ook het Hollands Diep en de Brabantse Wal, liggen op meer dan 13 resp. 15 km afstand en is daarmee niet relevant. Gezien de afstand tot het omliggende Natura 2000-gebied en omdat er tussen het gebied en de beoogde ontwikkeling veel landschapselementen aanwezig zijn zoals opstallen in de vorm van woningen, bossen en wegen, is er op de omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake van negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland In de 20e eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen.

De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het NNN opgericht. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN (figuur 28) liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van artikel 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van artikel 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies 46

de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn IOV de gebieden opgenomen als NNB. Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het NNB wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de IOV. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘natuur en landschap’ van de IOV is binnen of nabij het plangebied geen NNB aanwezig. Op 1,3 km ligt een ecologische verbindingszone en op 1,5 NNB. Deze afstanden zijn voldoende ruim om geen belemmering te vormen. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb.

In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden.

Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. Alle vogelsoorten hebben een bepaalde mate van bescherming. Er geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Daarbij kan het naast broedende vogels, ook gaan om vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken en ook jaarrond beschermd zijn. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van volgens. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde.

47

Figuur 27: Natura 2000-gebieden

Figuur 28: NNB 48

De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan globaal worden aangehouden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen. Ondanks dat het plangebied als achtertuin in gebruik is en de woning nagenoeg geheel wordt gerealiseerd grofschalig zonder groenvoorzieningen te amoveren of te slopen, is er toch een quickscan ecologie uitgevoerd d.d. 2 juli 2010, bijlage 3. Bij de uitvoering van de ingreep vinden geen wetsovertredingen plaats. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk De tuin is uitermate geschikt voor algemeen voorkomende broedvogels. Voor aanvang van de werkzaamheden dient het plangebied gecontroleerd te worden op aanwezigheid van broedende vogels. Ook tijdens de werkzaamheden dient regelmatige controle op aanwezigheid van broedende vogels plaats te vinden. Ook voor mogelijke aanwezigheid van Egel of Huisspitsmuis dient Zorgplicht in acht te worden genomen. Nachtelijk licht tijdens werkzaamheden moet zoveel mogelijk voorkomen worden.

Dit zelfde geldt voor het produceren van geluiden die verstorend kunnen werken op vleermuizen. Aangrenzende eikenbomenrijen kunnen als vliegroutes en foerageerplaats dienen voor vleermuissoorten. Via de online-Effectenindicator Soorten is aanvullend geverifieerd of er beschermde soorten in het gebied zijn. Hieruit is gebleken dat er geen wettelijke beschermde soorten in dit postcodegebied zijn, waarbij schadelijke effecten worden verwacht. Indien alsnog (onvermoed) zwaarder beschermde soorten worden aangetroffen, dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen. Om invulling te geven aan het zorgvuldig handelen dient gewerkt te worden volgens de voorschriften van een gedragscode. Geadviseerd wordt om de ‘Gedragscode flora en faunawetgeving, Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de vereniging Stadwerk’ te hanteren. Deze gedragscode is van toepassing op de uitvoering van aanlegwerkzaamheden in groenvoorzieningen. Door te handelen volgens deze gedragscode wordt schade aan (lokale) populaties van beschermde planten en dieren voorkomen of tot een minimum beperkt. Stikstof De hoeveelheid stikstof terugdringen, de natuur versterken en tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk maken. Dat was het doel van het Programma Aanpak Stikstof (PAS), dat de overheid in 2015 introduceerde.

Het PAS bood ruimte om vergunningen voor (bouw)projecten in de buurt van een Natura 2000-gebied toch te verlenen. Zelfs als dat betekende dat er extra stikstof in de natuur terechtkwam. Er werden tenslotte ook maatregelen genomen om de stikstof te verminderen en de natuur te herstellen. Maar de overheid liep te ver op de zaken vooruit, oordeelde De Raad van State. Een toestemming ‘vooraf’ mocht niet. Dat was namelijk in strijd met Europese natuurwetgeving. Op 29 mei 2019 werd daarom een ferme streep gezet door het PAS. Dit leidde tot grote onzekerheid. Zowel projecten met een lopende vergunningaanvraag als projecten die eerst geen natuurvergunning nodig hadden, moesten nu opnieuw beoordeeld worden. Het plangebied is gelegen op circa 13 km afstand van een Natura 2000-gebied. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant 49

negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve kan aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. De gebruiksfase ziet op het gebruik van de woningen en de emissie die daarbij plaatsvindt. Significante stikstofbronnen zijn het verkeer van en naar het plan. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de aanleg van de woningen vinden in de aanlegfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van de bouw en sloop en gebruik van bouwmaterieel binnen het plangebied. Inmiddels is er in februari 2020 een Handreiking woningbouw en Aerius vanuit het rijk verschenen waaruit blijkt dat minder dan 50 woningen op zandgronden op een grotere afstand dan 7 km van een Natura 2000-gebied (figuur 29) tot een emissie van 0,00 mol/ha/jaar leiden en dat een berekening achterwege kan blijven.

Figuur 29: Ligging zangronden/afstand Natura 2000-gebied

50

4.8

Milieuhinder

Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Bij deze toets blijft een eigen bedrijfswoning buiten beschouwing. Een bedrijfswoning van derden wordt als reguliere burgerwoning beschouwd. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn aan de bedrijven dan wel bedrijfsactiviteiten milieucategorieën en richtafstanden toegekend. De genoemde afstanden zijn adviserend en indicatief, de situatie ter plaatse kan reden zijn om hiervan af te wijken. Bedrijven worden beoordeeld op gevaar, stof, geur en geluid. Deze brochure is als hulpmiddel (niet als blauwdruk) opgesteld om toe te passen bij plannen en toetsmomenten van ruimtelijke ontwikkeling, aldus ook de ondertitel van de brochure. De brochure is niet bedoeld om bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu te worden geraadpleegd. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren. Wel is dit een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken.

Milieucategorie in relatie tot afstand ‘rustige woonwijk’ 1 10 meter 2 30 meter 3.1 50 meter 3.2 100 meter 4.1 200 meter 4.2 300 meter. De afstanden zijn de afstanden tussen de bedrijvigheid/voorzieningen en de milieugevoelige bestemming; dus in beginsel de afstand van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. De VNGpublicatie geeft richtafstanden tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit geldt ook voor lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid. Hiervan is thans geen sprake. Bedrijventerrein Nijverhei ligt op 200 meter. Er zijn categorie 3.1-bedrijven toegestaan waarbij een richtafstand van minimaal 50 meter moet worden aangehouden. De locatie waarheen een akkerbouw- en fruitteeltbedrijf was gevestigd, herbergt nu een kleinschalig bedrijf dat handelt in duurzame onkruidvrije oplossingen voor de bouw op het adres Vosdonkseweg 4 Sprundel (voorheen Kozijnenhoek 34) en ligt op 80 meter afstand. Dit is een categorie 2-bedrijf waarbij een minimale afstand van 30 meter moet worden aangehouden.

Volgens het bestemmingsplan uit juni 2018 is maximaal bedrijvigheid in categorie 2 toelaatbaar. Overige mogelijk hinder veroorzakende bedrijven zijn niet aanwezig of liggen op ruim voldoende afstand. Genoemde twee bedrijven liggen op voldoende afstand, zodat milieuzonering geen belemmering vormt.

4.9

Verkeer

Verkeer Elke nieuwe woning genereert gemiddeld een achttal verkeerbewegingen per dag. Gelet op de huidige verkeersintensiteiten en de verwachting dat het aantal bewegingen zal afnemen als gevolg van de omleidingen in de gemeente Rucphen, vormt de nieuwe woning geen probleem. De maximale capaciteit van de weg , de Kaaistraat als ontsluiting, wordt nog niet benut.

51

De Nota Parkeernormen Rucphen 2017 is op 31 mei 2017 vastgesteld. De Nota Parkeernormen heeft het volgende doel: Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Waar mogelijk wordt hiermee de bereikbaarheid en leefbaarheid van de gemeente gewaarborgd. De Nota Parkeernormen 2017 heeft de volgende uitgangspunten: • Het vaststellen van parkeernormen levert een bijdrage aan de leefbaarheid in de gemeente. Het gaat hierbij met name om de kwaliteit van de openbare ruimte; • de Nota Parkeernormen 2017 levert een bijdrage aan de economische vitaliteit van de gemeente. Parkeren vormt immers een belangrijke schakel in de totale bereikbaarheid van de gemeente; • de Nota Parkeernormen 2017 speelt in op de toekomstige ontwikkeling, zodat duurzaamheid is gewaarborgd; • de Nota Parkeernormen 2017 kent een algemene strekking. Dit betekent dat de Nota niet in alle gevallen direct van toepassing is omdat in specifieke gevallen maatwerk noodzakelijk en wenselijk is. In deze gevallen hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid gemotiveerd maar in de geest van de Nota te handelen. De Nota Parkeernormen 2017 is gebaseerd op de CROW-publicatie nr. 317 ‘kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie’.

Op grond van de door de Nota gehanteerde gebiedsindeling, ligt het plangebied in het ‘overig bebouwde kom’ van de kern St. Willebrord. De parkeernormen voor een vrijstaande woning in dit gebied zijn 2,3 parkeerplaatsen per woning.

4.10 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Om te beoordelen of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat wordt bij een ruimtelijke ordeningstoets voor de omgekeerde werking eveneens de Wet geurhinder en veehouderij toegepast. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (ouE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden).

De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De bedrijfswoning die tot een veehouderij zelf behoort, wordt niet aangemerkt als geurgevoelig object. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om eigen geurbeleid op te stellen. De gemeente Rucphen heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door op 15 december 2011 de ‘Geurgebiedsvisie Rucphen’ op te stellen. Hierin is een zestal transformatiegebieden aangewezen, waar woningbouw mogelijk zal worden gemaakt. De aanwezigheid van veehouderijen kan belemmeringen opleveren voor het realiseren van de woningbouwplannen. Met de door de gemeente Rucphen opgestelde Geurgebiedsvisie met verordening, die op 8 februari 2017 is gewijzigd, wordt de mogelijkheid geboden om afwijkende geurnormen vast te stellen. Het plangebied ligt niet in een transformatiegebied. Het 52

wettelijk toetsingskader is daarom de Wet geurhinder en veehouderij. Een woning is een geurgevoelig object. Op basis van de provinciale website Web-BVB (Bestand Veehouderij Bedrijven) liggen er enkele bedrijven binnen 1.500 meter van het plangebied, uit te splitsen in (a) bedrijven met dieren met emissiefactoren en (b) veehouderijen waarvoor vaste afstanden gelden. Alle bedrijven liggen op ruime afstand, meer dan 450 meter. Reeds andere geurgevoelige objecten in de omgeving van veehouderijen bedoeld onder a zijn bepalend voor de milieuruimte van die bedrijven. Dit betekent dat er nu geen belemmeringen zijn voor het verblijfklimaat aan de Valkendonk 38. Binnen 100 meter liggen er evenmin bedrijven zoals bedoeld onder b. Daarmee wordt voldaan aan de wet- en regelgeving. Onder voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van één veehouderij, die de meeste geurbelasting op het geurgevoelige object veroorzaakt, verstaan. Voor de een representatieve bepaling van de voorgrondbelasting dient de geurbelasting van de omliggende veehouderijen afzonderlijk berekend te worden, om te bepalen welke de dominante veehouderij is. Onder achtergrondbelasting wordt de geurbelasting van de in de omgeving liggende veehouderijen op een geurgevoelig object verstaan. In figuur 30 is een uitsnede uit Plan-MER herziening Structuurvisie RO transitie veehouderij, provincie Noord-Brabant d.d.

9 september 2013 weergegeven. In de uitsnede is de achtergrondbelasting geur in kaart gebracht. Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van de planlocatie als ‘zeer goed’ te kwalificeren is. Voorzover er dus veehouderijen rondom de planlocatie liggen, is het ook belangrijk om te melden dat zowel in de provinciale verordening als in het gemeentelijk bestemmingsplan een verbod op uitbreiding is opgenomen c.q. een beperking voor de veehouderij. Omliggende veehouderijen worden ook niet beperkt door de komst van de woning. In relatie tot de geuremissie, liggen deze bedrijven dus op voldoende afstand, zodat een goed verblijfklimaat kan worden gegarandeerd en nader onderzoek niet nodig is. Een en ander is overigens ook reeds beoordeeld in vergelijkbare plannen voor woningbouw in St. Willebrord, namelijk Hazelaarstraat naast nummer 37 en Lindestraat naast nummer 16.

Figuur 30a: Geurbelasting maximale invulling

53

Figuur 30b: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur

4.11 Overige belemmeringen, kabels en leidingen Er zijn geen overige belemmeringen bekend. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden zal een Klicmelding worden uitgevoerd, waardoor eventueel overige aanwezige kabels en leidingen aangetoond kunnen worden waarmee rekening gehouden dient te worden bij werkzaamheden. Aan de Kaaistraat is geen riolering. Aangesloten wordt, via het bestaande perceel Valkendonk 38, op het stelsel aan de Valkendonk.

4.12 Besluit m.e.r. Aanleiding Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Deze paragraaf wordt als aanmeldnotitie beschouwd, waarover hierna meer. Gekeken zelfs naar de uitspraak van de Raad van State van 201901439/1/R1 van 15 januari 2020 is het te betwijfelen of een aanmeldnotitie nodig is; de realisatie van minder dan 12 woningen in de kom is niet als stedelijk ontwikkelingsproject volgens het Besluit m.e.r. te beschouwen. Wettelijk kader Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande drie criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3.

plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan 54

een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan dus leiden tot twee conclusies: • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Aanmeldnotitie Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.

Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die via het herzien van een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, middels een vormvrije m.e.r.- beoordeling in beeld moeten worden gebracht met een aanmeldnotitie, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieu effectrapportage op te stellen. De aanmeldnotitie moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in Bijlage III Richtlijn 2011/92/EU. De criteria vallen uiteen in de: • kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; • plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; • kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Voorliggende milieuparagraaf is als aanmeldnotitie bedoeld. Hierin zijn de milieueffecten in relatie tot het planvoornemen geïnventariseerd en gebundeld weergegeven. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling, Activiteit en drempelwaarde Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van bedrijfsbebouwing. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen hiervan komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D 11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van één woning en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. 55

Passende beoordeling Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto artikel 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat het plangebied niet ligt nabij een natuurnetwerk. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Verder zijn de volgende aspecten onderzocht, met verwijzing naar de voorgaande paragrafen uit hoofdstuk 4 met bijbehorende uitgevoerde onderzoeken en is daaruit niet van een milieubelemmering gebleken. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Bèlvéderegebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit.

De bodemgesteldheid is onderzocht, er heeft een watertoets plaatsgevonden en externe veiligheid is beoordeeld. De effecten van het planvoornemen blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. De effecten zijn beperkt en de ontwikkeling stuit niet op bezwaren in relatie tot de aangehaalde milieuaspecten. Er is geen sprake van ‘belangrijke nadelige’ milieueffecten. MER-plicht Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MERplichtig op grond van de Provinciale milieuverordening. Conclusie In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. Gelet op het vorenstaande wordt voorgesteld om op basis van deze aanmeldnotitie te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is, nogmaals temeer gelet op de jurisprudentie-uitspraak van 15 januari 2020.

Er is sprake van één woning in de bebouwde kom, zodat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject volgens het Besluit m.e.r.

56

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische aspecten

Planvorm

Het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Valkendonk ongenummerd naast 38’ kan gekarakteriseerd worden als een compact ontwikkelingsplan. Eén en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een gedetailleerd kaartbeeld en een uniforme opzet van de bepalingen, waarbij veelal is aangesloten bij de bestemmingen en systematiek uit het vigerende bestemmingsplan. Het plan wordt digitaal vastgesteld volgens SVBP2012/IMRO2012. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een set regels met bijbehorende geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0840.2854K0031-ON01. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De regels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen, hoofdstuk 3 omvat de algemene regels en in hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en de slotregels weergegeven.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

1 INLEIDENDE REGELS Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 2 BESTEMMINGSREGELS Tuin (artikel 3) De gronden met de bestemming ‘Tuin’ zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend erkers, balkons of luifels ten behoeve van aangrenzende hoofdgebouwen worden gebouwd. In de regels zijn nadere bouwregels gegeven voor deze uitbreidingen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Wonen (artikel 4) De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen, met per woning de huisvesting van één huishouding, wegen, paden, pleinen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen en andere voorzieningen ten diensten van de bestemming. In de regels is bepaald dat woningen dienen te worden opgericht in het op de plankaart aangegeven bouwvlak. Ook zijn regels gegeven voor het plaatsen van bouwwerken geen gebouwen zijnde en bijgebouwen. De hoogtemaatvoering wordt op de verbeelding meegenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10480375/1