CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

10b2 Obp Valkendonk mrt 2021 toelichting

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 15 september 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Valkendonk ongenummerd naast 38’18.247 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Valkendonk ongenummerd naast 38’

7 Datum: Planstatus:

26 maart 2021 ontwerp

Toelichting Bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, Valkendonk ongenummerd naast 38’ NL.IMRO.0840.2584K0031-ON01 Ontwerp, 25 maart 2021 Gemeente Rucphen Urban Jazz B.V. in particuliere opdracht via Rokx Bouwadvies Bijlagen 1 Bodemonderzoek 2 Akoestisch onderzoek 3 Onderzoek ecologie 4 Verslag omgevingsdialoog 5 Vooroverlegreactie 6 Zienswijzen pm 7 Standaard advies brandweer

Separate bijlagen Regels Verbeelding

1

INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.1

Aanleiding ................................................................................................................................ 4

1.2

Vigerend bestemmingsplan..................................................................................................... 5

1.3

Leeswijzer ................................................................................................................................ 7

Hoofdstuk 2 Huidige en beoogde situatie ................................................................................... 8 2.1

St. Willebrord .......................................................................................................................... 8

2.2

Plangebied ............................................................................................................................. 11

2.3

Beoogde situatie.................................................................................................................... 14

Hoofdstuk 3 Beleidskaders ....................................................................................................... 17 3.1

Rijksbeleid.............................................................................................................................. 17

3.2

Provinciaal en regionaal beleid ............................................................................................. 18

3.3

Gemeentelijk beleid .............................................................................................................. 22

3.4

Toetsing beleidskaders .......................................................................................................... 30

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten, kwaliteit van de leefomgeving................................................ 31 4.1

Bodem ................................................................................................................................... 31

4.2

Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................................. 31

4.3

Water ..................................................................................................................................... 37

4.4

Geluidhinder .......................................................................................................................... 40

4.5

Luchtkwaliteit ........................................................................................................................ 41

4.6

Externe veiligheid .................................................................................................................. 43

4.7

Ecologie / flora en fauna ....................................................................................................... 45

4.8

Milieuhinder .......................................................................................................................... 51

4.9

Verkeer .................................................................................................................................. 51

4.10

Geurhinder ............................................................................................................................ 52

4.11

Overige belemmeringen, kabels en leidingen ....................................................................... 54

4.12

Besluit m.e.r. ......................................................................................................................... 54

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten .............................................................................................. 57 5.1

Planvorm ............................................................................................................................... 57

5.2

Toelichting op de bestemmingen .......................................................................................... 57

1

INLEIDENDE REGELS .............................................................................................................. 57

2

BESTEMMINGSREGELS .......................................................................................................... 57

3

ALGEMENE REGELS................................................................................................................ 57

4

OVERGANGS- EN SLOTREGELS .............................................................................................. 58

Hoofdstuk 6 Economische en financiële uitvoerbaarheid .......................................................... 59 2

6.1

Regelgeving grondexploitatie ................................................................................................ 59

6.2

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 59

Hoofdstuk 7 Procedurele haalbaarheid..................................................................................... 60 7.1

Maatschappelijke toetsing .................................................................................................... 60

7.2

Overleg .................................................................................................................................. 60

3

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Initiatiefnemer wenst op het perceel Valkendonk 38 te St. Willebrord een extra vrijstaande woning te realiseren met een toekomstige aansluiting op de Kaaistraat. Per brief van 20 mei 2020 heeft de gemeente aangegeven in principe medewerking te willen verlenen aan het verzoek van februari 2020. Momenteel is het perceel als achtertuin bij Valkendonk 38 in gebruik. Het onderhavige bestemmingsplan wordt opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken én planologisch vast te leggen. In figuur 1 en 2 zijn respectievelijk de ligging van het plangebied en een straatnamenkaart weergegeven.

Figuur 1: Ligging plangebied (topografische kaart)

4

Figuur 2: Straatnamenkaart (bron: Google 2020)

1.2

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan (figuur 3) ‘Kom St. Willebrord’, vastgesteld door de gemeenteraad van Rucphen op 27 september 2012. Het bestemmingsplan heeft vooral een beheersmatig karakter. De bestemming van de locatie is Wonen met dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3. Ter plaatse van de huidige woning is een passend bouwvlak ingetekend van circa 200 m2. De goothoogte van de bestaande woning mag maximaal 3,5 meter zijn en de bouwhoogte maximaal 7,5 meter. De woning moet in de voorgevellijn worden gebouwd, minimaal breed 6 meter, maximaal 20 meter. Het hoofdgebouw moet aan beide zijden 2 meter van de zijdelingse perceelsgrens afstand houden. Eventuele daken hebben een helling van maximaal 65 gr. Bijgebouwen mogen maximaal 3,25 meter hoog zijn qua goothoogte, en maximaal 6 meter qua bouwhoogte. De archeologiebestemming kent regels mocht er meer dan 100 m2 én dieper dan 50 cm gebouwd worden. Binnen de bestemming Tuin, gelegen vóór de huidige woning, mag niet worden gebouwd, met uitzondering van bijvoorbeeld balkons en erkers. De radar-vrijwaringszone is bedoeld ter bescherming van vliegbasis Woensdrecht; er mag niet hoger dan 63 meter worden gebouwd. Ter plaatse geldt ook het bestemmingsplan ‘Parapluplan parkeren en overgangsrecht Rucphen’ door de gemeenteraad vastgesteld op 13 december 2017.

Enerzijds voorziet dit plan in een dynamische parkeerregeling, waardoor bij (bouw)plannen getoetst kan worden aan de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017'. Anderzijds voorziet het plan in het herstellen van de artikelen uit het overgangsrecht. Inmiddels ligt er ook een voorontwerpbestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’ terinzage waarin de archeologie-dubbelbestemming is vervallen en een luchtvaartverkeerzone – 5 is toegevoegd.

5

Figuur 3: Vigerend bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling, die verder in hoofdstuk 2 wordt beschreven en gemotiveerd, past qua bouwmogelijkheden niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Er is een extra woning voorzien, waar geen passend bouwvlak voor is opgenomen. Aangezien er tevens geen passende afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden zijn opgenomen in het vigerende bestemmingsplan, dient er - om de ontwikkeling mogelijk te maken - een bestemmingsplan te worden opgesteld, waarbij een bouwvlak wordt toegevoegd, gericht op de Kaaistraat. Het voorliggende bestemmingsplan biedt dus het juridisch planologische kader om de voorgestelde ontwikkeling ter plaatse mogelijk te maken. 6

1.3

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en plankaart (verbeelding). De plankaart vormt samen met de regels het juridisch bindende gedeelte van het plan. Daarop wordt een toelichting gegeven. In de onderhavige toelichting worden de uitgangspunten voor de planherziening weergegeven. Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige en beoogde situatie. In hoofdstuk 3 wordt getoetst aan het ruimtelijk beleid dat op de beoogde ontwikkeling van toepassing is. De milieu- en duurzaamheidaspecten worden behandeld in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt de juridische vorm van het bestemmingsplan beschreven. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde en tot slot wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke toetsing en overleg behandeld.

7

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige en beoogde situatie

St. Willebrord

De gemeente Rucphen ligt tussen Roosendaal, Etten-Leur en Zundert in de provincie Noord-Brabant, telt 22.585 inwoners (1 januari 2019, bron CBS) en staat bekend als wielerdorp met mooie bossen. Rucphen is een gevarieerde landelijke en groene gemeente, waar de landbouw een economisch belangrijke functie heeft en bovendien een belangrijke beheerder is van het buitengebied. Door het aantrekkelijke landschap is het ook een mooi recreatiegebied. De hoofdstructuur van de gemeente is bepaald door de ontginning van woeste gronden en de latere turfwinning in de 13e en 14e eeuw. De turfwinning zorgde voor het uitgraven van een aantal vaarten die dragend zijn voor de historische structuur van het dorp. De Schijfse Vaart loopt in de richting van de kern Rucphen en gaat na de woonkern over in de Vlette Vaart. In de kern Rucphen is de gehele Schijfse Vaart overkluisd. Het oppervlaktewater is er wel, maar niet zichtbaar aanwezig. Tot 1810 maakte de gemeente deel uit van enerzijds de baronie van Breda en anderzijds het markiezaat Bergen op Zoom. Daarna werd een officiële decreet ondertekend. Een nieuwe gemeente werd genoemd naar de plaats welke het eerst werd vermeld en ging heten: la commune de Sprundel. Hierna hebben nog enkele grenscorrecties plaatsgevonden. In figuur 4 zijn kadastrale en historische kaarten opgenomen.

De vijf kernen in de gemeente Rucphen zijn allen ontstaan vanuit bebouwingslinten op hoger gelegen gedeeltes in het landschap. St. Willebrord is de grootste plaats in de gemeente. Deze kern telt circa 9020 (2019) inwoners. St. Willebrord (‘t Heike in het Brabants) is van oorsprong (alvorens er sprake was van een nederzetting) een toponiem waarmee een klein onbewoond heidegebied van circa 400 bunders werd aangeduid dat was gelegen aan de oostzijde van de Rucphense Achterhoek, de noordwestzijde van de Sprundelse Luienhoek, de westzijde van de Ettense Hoge Donk en de Zuidelijke hoek van de Hoevense Heul (Bremstraat). Het Heike was door zijn ligging verdeeld in vier kleinere “Heikes”. Vanaf circa 1700 raakte dit heidegebied geleidelijk bewoond. In 1841 was de nederzetting uitgegroeid tot circa 100 woningen met circa 500 inwoners. Nadat er in 1841 een parochie werd gesticht en een kerk werd gebouwd trad er verdichting van de bebouwing op. Het dorp is na 1940 sterk gegroeid. Sinds 1885 is St. Willebrord een filiaalbedevaartplaats van Lourdes. In dat jaar werd een Lourdesgrot gebouwd. In 1925 werd een nieuwe kerk gebouwd, gebaseerd op het silhouet van de Basiliek van Lourdes. De ruimtelijke structuur van de bebouwde kom van St. Willebrord bestaat uit een paar belangrijke structuurlijnen, waarlangs zich bepaalde (woning)bouwprojecten hebben ontwikkeld. De uitbreiding van St.

Willebrord vond in eerste instantie voornamelijk plaats ten westen van de Dorpsstraat. Eerst langs bestaande wegen en straten, later op de daardoor ontstane binnenterreinen. Na circa 1960 neemt het dorp snel in omvang toe. Bij deze uitbreidingen werd afgeweken van de bestaande structuur en werden de buurtjes meer planmatig ontworpen. Dit resulteerde in een opbouw van St. Willebrordzuid en – west met een geheel eigen karakter en bestaande uit hofjes ontsloten vanuit de Nachtegaalstraat als verzamelstraat. De bouwblokken kunnen worden gezien als ruimtelijke eenheden, waaruit het dorp is opgebouwd. De randen van het dorp worden getypeerd door een gemengd karakter: een afwisseling van bebouwing en kleinschalige akker- en weilanden. Behalve Rucphen, Sprundel en St. Willebrord liggen nog twee kleinere kernen in de gemeente; Zegge en Schijf.

8

Figuur 4a: Kadastrale situatie

Figuur 4b: 1880

9

Figuur 4c: 1925

Figuur 4d: 1965

Figuur 4e: 1980 10

Figuur 4f: 2000

Figuur 4g: Uitsnede topografische kaart 2019

2.2

Plangebied

Het plangebied (figuur 5, 6 en 7) ligt in het zuidwesten van de kern St. Willebrord, in de driehoek van de kernen Rucphen, Sprundel en St. Willebrord. Recentelijk is er een nieuwe omleiding/ontsluiting (Kozijnenhoek/Vosdonkseweg, Verlengde Helakkerstraat) gerealiseerd om onder meer de Kaaistraat te ontlasten én en een goede ontsluiting naar het bedrijventerrein en Rucphen te realiseren. De ontsluiting loopt vanaf A58-afslag Vosdonk/Sprundel tussen Sprundel en St. Willebord door en gaat daarna weer vóór Rucphen naar de A58 afslag Bosschenhoofd/Rucphen. De afslag Hoeven/St. Willebrord is ontlast. Het perceel D nummer 5757 is circa 1950 m2 groot; het af te splitsen deel van circa 600 m2 is in gebruik als achtertuin bij Valkendonk 38. Het perceel ligt op de grens van de bebouwde kom, tegen de kern Sprundel én bedrijventerrein Nijverhei aan. De nieuwe ontsluitingsweg ligt ten zuiden en westen van de planlocatie. In genoemde driehoek bevindt zich ook recreatie- en sportpark De Binnentuin. 11

De planlocatie is voornamelijk omgeven door andere woningen. De woningen aan de Valkendonk en Kaaistraat zijn hoofdzakelijk gebouwd in het type vrijstaand, 1 laag met kap, maximale goothoogte 3,5 meter, maximale bouwhoogte 7,5 meter, in een groene setting op ruimere kavels tussen 500 en 1000 m2. Op 200 meter ligt een begraafplaats en op 130 meter nutsvoorziening. Aan de overzijde is al langere tijd een woning in aanbouw; er zijn plannen voor een kleinschalige uitbreiding met meerdere woningen voor Amarant. Recent lag een bestemmingsplan in ontwerp terinzage waar een maatschappelijke bestemming is opgenomen met een aanduiding gezondheidszorg. Agrarische bedrijven bevinden zich op geruime afstand. Op 80 meter ligt een locatie waar voorheen een akkerbouw-fruitteelt bedrijf was gevestigd echter sinds kort een kleinschalig bedrijf.

Figuur 5: Luchtfoto St. Willebrord (bron: Google 2020)

12

Figuur 6: Luchtfoto plangebied (bron: Google 2020)

13

Figuur 7: Zicht

2.3

Beoogde situatie

Op het perceel zal één vrijstaande levensloopbestendige woning met groen worden gerealiseerd (figuur 8), welke zich qua vorm, bouwmassa en maatvoering voegt in de bestaande omgeving en de nabijgelegen woningen. Het wordt een woning in één laag met kap op een perceel van circa 600 m2, met een breedte van 15 tot 24 meter. Maximaal 100 m2 aan bijgebouwen is toelaatbaar, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken maximaal 50% van het oppervlak van het bouwperceel bedraagt. De woning wordt zodanig ontworpen dat deze past binnen de reguliere woonregels uit het bestemmingsplan voor de kom. Dit betekent maximaal 20 meter breed en minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrenzen. De goot is maximaal 3,5 meter en de bouwhoogte maximaal 7,5 meter. Het volledige woonprogramma wordt op de begane grond gerealiseerd. Het bouwvlak wordt zodanig ingetekend dat nog enige flexibiliteit wordt geboden ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning tot bouwen. Voorzien is een woning van circa 150 m2 te realiseren. Het woonvlak zal 12 meter diep zijn.

Figuur 8a: Beoogde situatie

Figuur 8b: impressie/schets 14

Aan de parkeerbehoefte van 2,3 parkeerplaatsen op dit ruime perceel wordt voldaan; bij de aanvraag omgevingsvergunning tot bouwen worden deze plaatsen ingetekend. Voorzien wordt om de plaatsen te realiseren op een lange inrit ten zuiden van de woning. Op 16 juli 2020 is hiervoor al een ‘uitritvergunning’ verleend; een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitrit. De ontsluiting gebeurt daarmee via de Kaaistraat. Deze ontsluiting is er nu nog niet. De uitritconstructie kan onderdeel zijn van de reconstructie Kaaistraat. De locatie van de uitrit wordt zodanig gekozen dat bestaande bomen behouden blijven. Ingevolge de Visie duurzaamheid 2019-2030 wordt, via maatwerk, ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit komt de leefbaarheid en gezondheid in kernen ten goede. In dit kader zal aan de zuidzijde van het perceel een haag worden gerealiseerd met een breedte van 1 meter, verankerd in de regels en op de verbeelding. Er worden drie à vier inheemse soorten beplanting toegepast, waarvan minimaal één soort wintergroen. Gekozen is voor de soorten: liguster (Ligustrum ovalifolium), veldesdoorn (Acer campestre), elegantierroos (Rosa rubiginosa), beuk (Fagus sylvatica). De vier soorten zijn inheems in Nederland. De liguster is groenblijvend en beuk behoudt zijn blad (kleurt bruin) in de winter.

De beuk en liguster zorgen dat er niet direct inkijk is op het perceel in de winterperiode. De elegantierroos en liguster zijn vruchthoudend, de veldesdoorn heeft zaden wat hem interessant maakt voor onder andere vogels. De beuk is een waardplant voor veel insecten, rupsen en wintervlinders. Door de haag een breedte van 1 meter te geven en het juiste beheer toe te passen (minimale snoei op het juiste moment), krijgen de heesters de ruimte om hun vruchten te laten groeien.

Figuur 8c: referenties gemengde haag

Figuur 8d: principe gemengde haag

15

Figuur 8e: plattegrond met locatie haag Het spreekt voor zich dat de woning duurzaam qua materialen en gasloos met de nodige voorzieningen wordt gerealiseerd; stedenbouwkundig voegt de woning zich in de omgeving. Bij de woning is voorzien om aan weerszijden een bijgebouw te realiseren, waaronder een garage; overige bijbehorende bouwwerken zullen nog niet worden opgericht.

16

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskaders

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om die nieuwe aanpak vorm te geven. De verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen die onder andere ontstaan omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. In de structuurvisie van 13 maart 2012, schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028. De forse bezuinigingsopgave maakt dat er scherp geprioriteerd moet worden. De financiële middelen zijn de komende jaren beperkt en private investeerders zijn terughoudender. Hierdoor vertragen projecten, worden deze heroverwogen of zelfs gestopt. Daarnaast werkt de huidige wijze van financiering van gebiedsontwikkeling niet meer.

Nieuwe verdienmodellen en andere kostendragers zijn nodig om gebiedsontwikkeling weer van de grond te krijgen. Tegelijkertijd vragen grote opgaven op het gebied van concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid om rijksbetrokkenheid. Omtrent het ontwerp van de structuurvisie vond inspraak plaats in 2011. Gelijktijdig is een eerste wijziging ter inzage gelegd van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro bevestigt de beleidsuitspraken uit de structuurvisie. Het gewijzigde Barro trad op 10 oktober 2012 in werking, ook wel genoemd Ontwerp Algemene Maatregel van Bestuur Ruimte. Ladder voor duurzame verstedelijking Uit het gewijzigde Barro blijkt dat artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangevuld is. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe ruimtevraag en een zorgvuldige inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De term SER-ladder is verder geïntroduceerd. Drie stappen moeten worden doorlopen met een motivatie in de toelichting bij het betreffende ruimtelijke plan: 1. beoordeling of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag voor bedrijven- en haventerreinen, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen.

Naast de kwantitatieve beoordeling gaat het ook om kwalitatieve vraag op regionale schaal; 2. beoordeling of de ontwikkeling kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten; 3. beoordeling door betrokken overheden of er sprake is van een passende ontsluiting. Op 1 juli 2017 is de gewijzigde ladder in werking getreden. De belangrijkste wijzigingen zijn gelegen in het vervallen van de begrippen ‘actuele regionale’ bij de behoeftebepaling. Aangezien de huidige jurisprudentie van toepassing blijft op de nieuwe ladder, leidt dit niet tot een wijziging in de toepassingspraktijk van de ladder. Daarnaast zijn treden 1 en 2 samengevoegd en is trede 3 komen te vervallen. De ladder moet worden doorlopen als het gaat om bouwmogelijkheden van enige omvang (meer dan 11 woningen). In de regio zijn ook afspraken gemaakt over toepassing van de ladder. Zeer kleinschalige bebouwingsmogelijkheden of functiewijzigingen die niet voorzien in een toename van het 17

ruimtebeslag worden niet gekwalificeerd als een stedelijke ontwikkeling. In dat geval hoeft de ladder niet te worden toegepast. Jurisprudentie hierover is in beweging. Een bouwplan van dergelijke beperkte schaal wordt niet als een stedelijke ontwikkeling beschouwd, als bedoeld onder artikel 1.1.1 lid 1 Bro. Dit is bevestigd in diverse uitspraken van de Raad van State (ABRvS 2013082867/1/R4 en ABRvS 201401129/2/R4). Radarverstoringsgebied vliegbasis Woensdrecht Het plangebied is gelegen in een radarverstoringsgebied van de vliegbasis Woensdrecht. In artikel 2.6.2 van het Barro wordt gesteld dat de maximaal toelaatbare hoogte van objecten in, op of boven de grond in een radarverstoringsgebied in overeenstemming moet zijn met de regeling als opgenomen in het Rarro. De maximale toegestane hoogte is 113 meter + NAP (voorheen 63 meter). Er is een wijziging van de Rarro in voorbereiding waar de hoogte naar 90 meter + NAP wordt teruggebracht. De locatie ligt op circa 9 meter + NAP. Onderhavig plan biedt ruimte voor woningbouw met een bouwhoogte tot maximaal 7,5 meter. Deze hoogte past ruimschoots binnen de gestelde maximale bouwhoogtes uit het Rarro. Ten aanzien van het onderhavige plangebied zijn er verder geen regels uit het Barro van toepassing. Wel wordt een luchtvaartverkeerzone 5 toegevoegd.

3.2

Provinciaal en regionaal beleid

Met de komst van de Wro in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van de provincie gewijzigd. Structuurvisies geven voortaan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid aan en stellen de provinciale belangen die met dat beleid worden behartigd veilig. Ter verwezenlijking daarvan heeft de provincie de beschikking over nieuwe juridisch mogelijkheden, te weten het provinciale bestemmingsplan ofwel inpassingsplan, de Vr en het opleggen van aanwijzingen. Met de inwerkingtreding van de Wro is de goedkeuringstaak van Gedeputeerde Staten ten aanzien van ruimtelijke plannen komen te vervallen. Dit betekent dat de provincie dient te handelen vanuit het provinciaal belang. Enkel op die basis kan de provincie gebruik maken van het instrumentarium dat op grond van de Wro beschikbaar is. Omgevingsvisie De kwaliteit van Brabant, visie op de Brabantse leefomgeving De provincie Noord-Brabant loopt vooruit op de komst van de Omgevingswet en heeft op 14 december 2018 de Omgevingsvisie vastgesteld. Met deze visie grijpt het provinciaal bestuur de Omgevingsvisie aan als kans om privaat, maatschappelijk en publiek handelen en beslissingen over ontwikkelingen met elkaar in samenhang te brengen. In de Omgevingsvisie staat de fysieke wereld centraal. Deze fysieke wereld manifesteert zich in vier elementen: water, aarde, lucht en vuur (energie).

Deze elementen zijn sterk van elkaar afhankelijk maar ook aan veranderingen onderhevig. De omgevingsvisie agendeert en nodigt uit om hier samen mee aan de slag te gaan. Daarvoor is een verdere uitwerking van de ambitie nodig in programma’s. Die uitwerking is een opgave die op de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en de ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Steeds anticiperend op veranderende omstandigheden en beweging in Brabant. Hoe moet de Brabantse leefomgeving er in 2050 uitzien? En wat moeten we in 2030 al voor elkaar hebben om dat toekomstperspectief te verwezenlijken? Over die vragen gaat de Brabantse Omgevingsvisie. De visie benoemt daarbij een aantal hoofdopgaven: • De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. • Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. • Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Dit heeft gevolgen voor hoe we onze leefomgeving vormgeven. • Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en Brabanders stellen andere eisen aan steden.

Dit heeft gevolgen voor hoe het netwerk van steden en dorpen functioneert en verder vorm krijgt. 18

•

Concurrerende, duurzame economie: we willen top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij we de omslag naar een verregaande circulaire economie maken en digitalisering steeds belangrijker wordt.

Concrete punten voor een kleinschalige ontwikkeling als de realisering van een extra woning zijn in de nieuwe omgevingsvisie niet opgenomen. Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Met de Brabantse omgevingsvisie ‘De kwaliteit van Brabant’ hebben provinciale staten in december 2018 de visie op de fysieke leefomgeving vastgesteld. De visie bevat de opgaven die er liggen voor de nabije toekomst, welke ambities en concrete doelen de provincie zichzelf heeft gesteld en hoe ze hieraan willen werken. Een verordening is een instrument om aan de visie vorm te geven. Op 25 oktober 2019 is de provinciale omgevingsverordening (IOV) vastgesteld, welke 5 november 2019 in werking is getreden (geconsolideerde versie 8 december 2020). Net zoals de Omgevingswet een groot aantal wetten vervangt, zo vervangt de Brabantse omgevingsverordening een aantal provinciale verordeningen. Naast een omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Soms vraagt dat om een nadere uitwerking van beleid en maatregelen in een (beleids)programma, soms zijn er regels nodig om de ambities te realiseren. Denk bijvoorbeeld aan het beschermen van belangrijke waarden als het drinkwater of de natuurgebieden.

De Interim omgevingsverordening vervangt de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels uit de verschillende verordeningen zijn samengevoegd. Voordat de Omgevingswet in werking treedt, wordt de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. Deze definitieve verordening wordt tegelijk met de Omgevingswet van kracht. De gemeente moet rekening houden met de instructieregels bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. De verordening is beleidsneutraal en regelt een en ander over: • omgevingskwaliteit; • stedelijke ontwikkelingen; • duurzame energie; • natuurgebieden en andere gebieden met waarden; • agrarische ontwikkelingen; • overige ontwikkelingen in het buitengebied.

19

Figuur 11: Kaart IOV Het plangebied (figuur 11) is binnen de IOV gelegen binnen het stedelijk gebied, binnen de landelijke kern. Ten aanzien van dit initiatief zijn er meerdere sporen die gevolgd moeten worden in het kader van toetsing aan de Omgevingsverordening. Ten eerste moet worden voldaan aan de regels voor een stedelijke ontwikkeling binnen het stedelijk gebied. Daarnaast moet worden voldaan aan de algemene regels voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit. De toetsing wordt hierna uitgevoerd. Artikel 3.42: duurzame stedelijke ontwikkeling De provincie Noord-Brabant heeft de ambitie om tot de top van Europese kennis- en innovatieve regio's te blijven behoren. Een aantrekkelijk leef-, woon- en vestigingsklimaat is daarvoor een essentiële voorwaarde. Om deze reden wordt duurzame verstedelijking nagestreefd. Lid 1 van artikel 3.42 IOV gaat in op zorgvuldig ruimtegebruik, waarbij als uitgangspunt geldt dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen stedelijk gebied. Bovendien dient de ontwikkeling te passen binnen de regionale afspraken. Gebaseerd op de Brabantse omgevingsvisie wordt aandacht gevraagd voor de opgaven vanuit een veilige, gezonde leefomgeving, energietransitie en een concurrerende, duurzame economie. Deze aspecten worden benoemd in lid 2 van artikel 3.42 IOV.

Voor het optimaal benutten van het stedelijk gebied ligt het accent op inbreiden en herstructureren. Het beleid van de provincie is er al decennia lang op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen. Het doel daarvan is om voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Het bundelingsbeleid heeft directe gevolgen voor de groeimogelijkheden in de kernen in het landelijk gebied. In en rondom deze kernen staat het voorkomen van verdere aantasting van het buitengebied centraal. 20

Regionaal is in overleg met de provincie Noord-Brabant het document ‘Perspectief op wonen en woningbouw West-Brabant West 2019’ tot stand gekomen. In dit document is een actuele visie opgenomen van de subregio West op de toekomstige ontwikkelingen op de regionale woningmarkt. Het regionale perspectief is een doorontwikkeling van de eerdere Regionale Agenda Wonen en zet in op vernieuwen en versterken van regionale samenwerking. De nieuwbouw van woningen is toegestaan binnen het stedelijk gebied, mits passend binnen de woningbouwafspraken zoals deze op regionaal niveau zijn bepaald en mits de beoogde nieuwbouw zich verhoudt tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Uit de regionale woningbouwafspraken volgt dat vanuit zorgvuldig ruimtegebruik in de regio primair ingezet wordt op het bestaand stedelijk gebied en de kansen voor transformatie en herbestemming. In dit document geeft de gemeente Rucphen aan dat 60% van de woningbouwplannen binnen de gemeente op inbreidingslocaties is gelegen.

De prognose inzake de woningbouwbehoefte toont dat er tot aan 2028 behoefte is aan de bouw van minimaal 365 en maximaal 525 woningen. Er bestaat in de woningbouwprogrammering een harde plancapaciteit van 295 woningen. Binnen de woningbouwprogrammering bestaat voldoende ruimte om te voorzien in de bouw van één woning in onderhavig plangebied, een particuliere inbreidingslocatie. De ontwikkeling van nieuwbouw op deze locatie past binnen de kaders die zijn afgesproken in het regionaal overleg en daarmee voldoet het plan aan artikel 3.42 lid 1 IOV. Artikel 3.5, 3.6, 3.7 en 3.8: Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie. Ad a) Zorgvuldig ruimtegebruik: Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing.

Bij een stedelijke ontwikkeling moet toepassing zijn gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt verstaan bestaand stedelijk gebied of een bestaand bouwperceel. Ter plaatse van onderhavig plangebied is al op basis van het vigerende bestemmingsplan bewoning toegestaan. Initiatiefnemer is voornemens om een extra bouwvlak toe te voegen. Een en ander is in hoofdstuk 2 nader gemotiveerd. De laddertoets is niet nodig. En de begrenzing van het bestemmingsvlak wonen wordt niet vergroot. Alle gebouwen blijven binnen het bouwperceel.

21

Ad b) Toepassing van de lagenbenadering De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; c. de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu. Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op deze effecten. Voor de eventueel te beschermen ondergrondlagen is een specifieke aanduiding in het bestemmingsplan opgenomen. Het planvoornemen heeft geen effect op een natuurnetwerk, het energienetwerk en waterwegen. De afwikkeling van het verkeer is beschreven in hoofdstuk 2. De effecten op het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 4. Voor het overige wordt geen effect verwacht op de bovenste laag.

Ad c) Meerwaarderecreatie Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat én de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. De ontwikkeling betreft een belangrijke ontwikkeling met een grote impact op de leefomgeving, zoals beschreven in de toelichting op artikel 3.8 IOV betreffende meerwaardecreatie. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een inbreiding met één woning. Voor het overige spelen geen andere ontwikkelingen en opgaven in of rondom het plangebied waarmee verbindingen kunnen worden gelegd. Het onderhavige planvoornemen voldoet aan de zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit. Verder ligt de locatie in een stalderingsgebied, geldt er een verbod op uitbreiding van de veehouderij, zijn er beperkingen voor de veehouderij en zijn er normen voor de wateroverlast in stedelijk gebied. Voor dit initiatief niet relevant. De locatie grenst aan het landelijk gebied/gemengd landelijk gebied en een zone verstedelijking afweegbaar.

3.3

Gemeentelijk beleid

Bestemmingsplan Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 1.2. Structuurvisie Rucphen 2030 Op 11 december 2013 is door de gemeenteraad de Structuurvisie Rucphen 2030 vastgesteld. Met de nieuwe visie wordt richting gegeven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente. De visie betreft een herijking van de StructuurvisiePlus van 2003. De Structuurvisie bestaat uit twee delen: 1. Deel A, de beleidsvisie, bevat onze voornemens en ambities met betrekking op de toekomstige ruimte van Rucphen. 2. De projecten en de haalbaarheid ervan worden behandeld in deel B: het projectenplan. De visie heeft een looptijd tot 2030. Het projectenplan wordt regelmatig geactualiseerd. 22

Voor de kernen, waarin de planlocatie valt, wordt ingezet op versterken van de uitstraling. Om de woonkwaliteit en de recreatieve aantrekkelijkheid van de gemeente te vergroten is versterking van de uitstraling van de grote kernen noodzakelijk. De grote kernen zijn stenig en hebben hun relatie met het buitengebied verloren. Het beleid is gericht op herstel van deze relatie. In het groenstructuurplan is aangegeven hoe: landschappelijke dooradering van de dorpen, een groen dorpshart en groene dorpsranden. Rode initiatieven worden hieraan getoetst en moeten daar aan bijdragen. Gemeente Rucphen wil de aantrekkingskracht versterken voor mensen die graag rustig landelijk willen wonen, maar wel dichtbij voorzieningen en werk. De gemeente Rucphen wil ook in de toekomst aan de woningbouwbehoefte voldoen. De voorkeur gaat uit naar inbreidingslocaties en nieuwe bouwlocaties aan de randen van de bestaande kernen en niet naar verspreiding over de gehele gemeente. Rond de kernen zijn min of meer natuurlijke grenzen aangewezen voor de uiteindelijke dorpsrand. De woonvisie vormt het afwegingskader voor het woningbouwprogramma. Als ruimte voor nieuwe stedelijke functies noodzakelijk is en binnen de bestaande dorpsgebieden geen geschikte locaties voorhanden zijn, is ontwikkeling in deze gebieden aan de randen van de kernen mogelijk. Randvoorwaarde daarbij is een kwalitatieve afronding.

De opgave is breed: onder andere voldoende betaalbare (starters)woningen, voldoende geschikte woningen voor ouderen, kavels voor eigen bouw en landgoedwonen. De voorkeur van de gemeente Rucphen gaat uit naar het invullen van deze woningbouwbehoefte via inbreiding en nieuwe bouwlocaties aan de randen van de bestaande kernen. De planlocatie (figuur 12) wordt gezien als inbreidingslocatie en past binnen de structuurvisie. Het is een kwaliteitsimpuls voor de leefbaarheid van St. Willebrord. De locatie betreft een particulier initiatief. Individuele ontwikkelingen zijn niet opgenomen in de structuurvisie.

23

Figuur 12: Uitsnede Structuurvisie Woonvisie gemeente Rucphen 2020-2024 In de Woonvisie 2020 – 2024, vastgesteld door de gemeenteraad op 11 december 2019 wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid / doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen. Het aantal inwoners van de gemeente Rucphen stijgt nog steeds en groeit in de gemeente Rucphen nog beperkt verder, met een ontgroening aan de onderkant en een sterke vergrijzing aan de bovenzijde. Met name door de afname van de gemiddelde woningbezetting, is er dus een behoefte om het aantal woningen uit te breiden. Door de sterke vergrijzing zal een groot deel van de toe te voegen woningen wel levensloopbestendig moeten worden gerealiseerd. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor met name starterswoningen, om starters/jongeren kansen te bieden in de dorpen binnen de gemeente Rucphen. In de woonvisie wordt er van uitgegaan dat voor de komende 5 jaar een behoefte bestaat aan 500 nieuwe woningen.

Achterblijvende nieuwbouw in de afgelopen jaren door de economische crisis en momenteel juist een verhitte koopmarkt leiden tot een behoefte aan 50-100 nieuwbouwwoningen per jaar. Benadrukt wordt een behoefte aan goedkope en middeldure koopwoningen tot € 300.000,-. Specifiek voor de kern St. Willebrord bedraagt de behoefte aan nieuwe woningen in de periode 20202024 130 woningen. Onderhavig initiatief voorziet in de realisatie van één grondgebonden levensloopbestendige woning waarbij de bestaande woning voor doorstroming beschikbaar komt. De nieuwe woning past in de categorie ‘dure koop’, waarvoor in St. Willebrord ruimte is voor 20 woningen. 24

Zelfbouw wordt gezien als vraaggericht bouwen, kwaliteiten boven kwantiteit. Dit is passend binnen de opgave. In de woonvisie wordt ingegaan op een aanpassing van de woningvoorraad aan een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Met de realisatie van de woning wordt ingespeeld op deze accentverschuivingen. Ingespeeld wordt ook op Coalitieprogramma wonen 2018-2022, waarin aandacht is besteed aan zelfbouw. Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 In deze toekomstvisie, vastgesteld op 23 september 2015, worden de maatschappelijke opgaven van de gemeente voor de komende jaren benoemd. De toekomstvisie bouwt voort op bestaand beleid en is geen aanleiding geweest tot een inhoudelijke koerswijziging. Wel zijn de perspectieven op deelterreinen en de onderlinge dwarsverbanden verder versterkt, zodat de inzet van de gemeente effectiever kan zijn. De toekomstvisie is opgesteld in intensieve samenspraak met bewoners, ondernemers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties. Radicaal anders wordt de rol van de overheid en de invulling van regionale samenwerking: van burgerparticipatie naar overheidsparticipatie, en van samenwerking omdat 't moet, naar samenwerking omdat 't loont. De inhoudelijke en bestuurlijke keuzes zijn uitgewerkt in de volgende perspectieven: 1. Aantrekkelijk wonen; 2. Vrijetijdseconomie; 3. Zorgzame en zelfredzame gemeenschappen; 4. Overheidsparticipatie; 5.

Regionale samenwerking. De gemeente Rucphen wil haar aantrekkingskracht versterken voor mensen die graag rustig en landelijk willen wonen, maar wel dichtbij (groot)stedelijke voorzieningen en werk. De gemeente Rucphen handelt vanuit de overtuiging dat de meeste inwoners goed in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun huidige en toekomstige woon- en leefsituatie. Meegroeien met de samenleving is het uitgangspunt. Zelf bouwen zit in de genen van de inwoners van de gemeente. (Collectief) particulier opdrachtgeverschap wordt dan ook gestimuleerd. Aandachtspunten bij (zelf)realisatie zijn groene inpassing, duurzaamheid (isolatie/energie) en levensloopbestendigheid. Onderhavige ontwikkeling ziet toe op de bouw van een woning waardoor vooral keuze 1 van belang is. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van één extra woning en betreft een particulier initiatief. Dit past binnen het uitgangspunt om mee te groeien met de samenleving en het stimuleren van particulier opdrachtgeverschap. Visiedocument Groenbeleid Rucphen Het Visiedocument Groenbeleid Rucphen van oktober 2008 (een evaluatie van het Groenbeheersplan 2000) beschrijft de waarden van groen voor luchtkwaliteit, speelruimte, economie, gezondheid, natuur, water, leefbaarheid en ruimtelijke waarde.

Het rapport geeft aan dat de (beeld)kwaliteit van groen sterk afhankelijk is van het plan- en ontwerpproces van ruimtelijke projecten en dat daarom vroegtijdige afstemming noodzakelijk is. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt. Zo ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedsfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. De locatie is niet specifiek beschreven in het stuk (figuur 13). De beoogde ontwikkeling tast de kwaliteit of kwantiteit van het groen niet aan.

25

Figuur 13: Uitsnede groenbeleid

Figuur 14: Groene kaart 26

Groene kaart Als extra toetsingskader bij eerder genoemd Visiedocument is een Groene Kaart (november 2010, figuur 14) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen. De planlocatie ligt binnen de Groene kaart St. Willebrord en is niet met een specifieke aanduiding opgenomen. Uit de kaart blijkt wel dat ten westen van het plangebied waardevolle lijnvormige elementen aanwezig zijn welke behoren tot de gemeentelijke houtopstanden. Deze groenelementen liggen buiten het plangebied en blijven behouden. De ontwikkeling voldoet hiermee aan de Groene Kaart. Groenstructuurplan Rucphen, 2010, Met het Groenstructuurplan Gemeente Rucphen ‘Rucphen, Landschap onthuld’ zet de gemeente een beleidslijn uit voor de toekomst van het groen in de vijf kernen. Het plan bevat een groensaldoregeling voor een verantwoorde omgang met groen. De regeling zorgt ervoor dat er niet onbekommerd aan de groene ruimte kan worden getornd. Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Door de relatie met het landschap buiten de bebouwde kom te herstellen en meer variatie te bieden op wijkniveau wordt een duurzaam ‘frame’ aangelegd met een lange levensduur.

Door groenstructuren te ontwikkelen die gerelateerd en ontleend zijn aan en geïnspireerd zijn op de ontstaansgeschiedenis, het omliggende landschap, de stedenbouwkundige opbouw en de verkeer- en ontsluitingsstructuur houden de dorpskernen hun ‘eigen’ verhaal overeind. De dorpen worden daarmee authentiek, herkenbaar en vertrouwd en antwoorden op de vraag naar een aantrekkelijke en recreatieve woon- en werkgemeente.

Figuur 15: Groenstructuurkaart Op de Groenstructuurkaart met uitvoeringskaart (figuur 15 en 16) is het plangebied gelegen aan de rand van de kern zonder een specifieke aanduiding. Er moet bij het plangebied een landelijk binnenkomen gecreëerd worden (doortrekken landschappelijke structuur met een sober maar herkenbaar accent) en de bomenstructuur in het gras moet aangevuld worden. Aan de dorpsrand met er contact met de natuur en het landschap zijn. Op de Groenstructuurkaart is het plangebied aangeduid als onderdeel van de dorpsranden. In het Groenstructuurplan is de visie op de dorpsranden als volgt gedefinieerd: “Contact tussen dorpskern en omliggend landschap, kern en landschappelijk verweven. Vanuit de kernen bewust worden van de aanwezigheid van het omliggende landschap door daar glimpen van op te vangen. Wandelend door het buitengebied ‘weg’ zijn en het landschap in alle rust kunnen beleven.” Doel is alle dorpsranden conform de visie her in te richten. Dit kan geschieden door de randen aan de achterzijden 27

van woningen aan te planten met houtwallen, struweel of bosplantsoen of natte, ecologische zones als buffer. Aan de voorzijdes van woningen wordt openheid en contact met het landschap nagestreefd. Met het plan worden geen wijzigingen aan de grondstructuur voorzien. Er is wel sprake van bewustwording.

Figuur 16: Uitvoeringskaart

Nota uiterlijk van bouwwerken De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de 'Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019' vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal worden getoetst of welstandsregels van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn geen welstandsregels van toepassing. Criteria voor particulieren die op eigen grond één woning wensen te bouwen In de beleidsregel ‘Criteria voor particulieren die op eigen grond één woning wensen te bouwen’ zijn de uitgangspunten uit de woonvisie nader uitgewerkt en geconcretiseerd. Hierin zijn planologische- en volkshuisvestelijke criteria opgenomen. De bouwkavel moet voldoen aan de volgende planologische criteria: 1. De locatie is gelegen in een van de bestemmingsplannen voor de bebouwde kommen. 2. De locatie betreft de opvulling van een ruimte in het straatbeeld die aan weerszijden is omgeven door (woon)bebouwing. 3. De locatie heeft een breedte van minimaal 15 meter.

Een kleinere stramienmaat dan 15 meter kan worden toegestaan, indien het straatbeeld ter plaatse van de locatie waarvoor een verzoek wordt gedaan, wordt gekenmerkt door een kleinere stramienmaat. De minimale breedte is dan nooit kleiner dan 12 meter. 28

4. 5. 6. 7. 8. 9.

10.

De locatie heeft een diepte van minimaal 25 meter. Het college kan hiervan afwijken als het perceel een oppervlakte van minimaal 400 m² heeft. Invulling van de locatie is passend binnen de stedenbouwkundige opzet van de straat. De locatie is rechtstreeks gelegen aan de openbare weg. De locatie mag niet zijn gelegen binnen milieuhygiënische belemmeringzones. De locatie moet passen binnen de uitgangspunten van de Wet Geluidhinder. De economische uitvoerbaarheid van realisering van woningbouw op de locatie moet door de aanvrager gewaarborgd worden (exploitatieovereenkomst, bouwrijpmaken, planschade laten onderzoeken en uitbetalen). De gemeente zal medewerking verlenen in de vorm van een partiële planherziening. De kosten van planontwerp en planprocedure komen voor rekening van de aanvrager.

Door de principemedewerking te verlenen, heeft de toets aan de criteria feitelijk al plaatsgevonden en is deze positief. In dit bestemmingsplan wordt op alle aspecten uitvoerig ingegaan. Tevens zijn de volgende volkshuisvestelijke criteria van toepassing: a. De te bouwen woning dient ten goede te komen aan een persoon die behoort tot de doelgroepen van beleid zoals deze genoemd worden in de Woonvisie 2008 – 2012. b. De te bouwen woning dient te passen binnen het woningbouwprogramma voor de gemeente Rucphen. c. In de looptijd van de Woonvisie voor de periode van 2008 tot 2012 wordt in 100 gevallen medewerking verleend. Op 24 maart 2009 heeft het college de beleidsregel aangevuld op een aantal punten, waarbij in dit kader met name de volkshuisvestelijke criteria van belang zijn. In deze aanvulling is onder andere opgenomen dat enkel de doelgroepen beschreven in de woonvisie in aanmerking kunnen komen om te bouwen op eigen grond. De doelgroepen zijn in de beleidsregel nader uitgewerkt waarbij per doelgroep een belangrijk aspect is dat men inwoner dient te zijn van de gemeente Rucphen of een sociale binding heeft met de gemeente Rucphen. Ook planologische criteria met betrekking tot kabels, leidingen, verdichting, monumenten, parkeren en stedenbouw zijn aangevuld.

Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030 De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 opgesteld. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). De ambities van de gemeente Rucphen zijn voor nieuwbouw woningen: Bij nieuwbouw is het streven dat er duurzame woningen worden gebouwd met een Energielabel A. Het streven naar het verminderen van het verhard oppervlak in particuliere tuinen met 20% in 2030 ten opzichte van 2019. Bij nieuwe bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden door te toetsen op waterberging. Het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouwwoning op de locatie is duurzaamheid. De woning dient te voldoen aan de energieprestatie-eisen (EPC), daarnaast wordt de woning gasloos uitgevoerd.

Het aspect water komt in paragraaf 4.3 verder aan bod. Daarnaast wordt het plan qua groen ingepast, wat een bijdrage levert aan de duurzaamheid. In principe moet bij een ontwikkeling per woning 75m2 openbaar groen worden gerealiseerd. Gelet op de eigendomspositie is dat nu niet haalbaar, waar maar op het perceel aan de zuidzijde een haag gerealiseerd, in regels en verbeelding te verankeren.

29

3.4

Toetsing beleidskaders

Een en ander is derhalve passend binnen het rijks- en provinciaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van het bestemmingsplan. Het rijksbeleid wordt niet aangetast. Het provinciaal beleid wordt in acht genomen door een zuinig ruimtegebruik, zoals deze uit de IOV blijkt. Om deze reden is er dan ook planologisch gezien geen probleem om de ontwikkeling door te zetten.

30

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten, kwaliteit van de leefomgeving

Bodem

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijkingsbesluit. Bij grond afvoer en grondverzet vanaf het plangebied naar elders treden de regels van het Besluit bodemkwaliteit in werking. Deze regels wijken af van de voor het rapport gehanteerde regels van de Wet Bodembescherming. De uiteindelijke beslissing met betrekking tot de functionele geschiktheid van de bodem voor de beoogde doelstelling is strikt voorbehouden aan het bevoegd gezag. In dit kader is een verkennend (asbest)bodemonderzoek NEN5740/5707 uitgevoerd op 12 augustus 2020 (bijlage 1).

Formeel dient nader onderzoek verricht te worden naar aanleiding van de sterk verhoogde concentratie aan nikkel in het grondwater. Dergelijke verhoogde concentraties aan nikkel worden echter vaker aangetroffen in de omgeving zonder aanwijsbare bron. Dergelijke verhogingen aan zware metalen (waaronder nikkel) kunnen, in dit gebied, gezien worden als verhoogde achtergrondwaarden. In de grondmonsters geen verhoogde gehalten aangetroffen. Nader onderzoek of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De locatie is voor de gewenste bebouwing geschikt. Besluit bodemkwaliteit Voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, dienen de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt wordt het terrein geschikt geacht voor de huidige en de toekomstige bestemming.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald. Op 1 januari 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta worden hiermee in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht voor het archeologisch 31

erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn , dan is vooronderzoek nodig. Gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord, heeft de gemeenteraad op 27 september 2012 de Gemeentelijke Erfgoedkaart (figuur 17 en 18) met bijbehorend beleid vastgesteld. De erfgoedkaart onderscheidt verschillende, relevante archeologisch waardevolle gebieden waar, op basis van verwachtingen, sprake is van een archeologisch onderzoeksplicht. Ter plaatse geldt archeologisch beleidsadviesgebied 3 (hoge verwachting). Dit betekent dat er een archeologische zorgplicht geldt bij bodemingrepen die groter zijn dan 100 m2 en dieper gaan dan 50 cm. onder het maaiveld.

Figuur 17: Archeologische waarden en verwachtingen Op 18 september 2019 heeft de gemeenteraad van Rucphen aanvullend de Nota Archeologie gemeente Rucphen vastgesteld en daarbij het archeologiebeleid aangepast. Op de beleidskaart (figuur 19) is het gebied opgenomen als ‘lage archeologische verwachting (eventueel met kans op veenwinningsresten (figuur 20). Er is geen diepte- of oppervlaktemaatvoering opgenomen. Geconcludeerd kan worden dat archeologie geen belemmering vormt en dat geen onderzoek uitgevoerd hoeft te worden. Indachtig het nieuwe bestemmingsplan dat in voorontwerp van de kom ter inzage ligt, kan de dubbelbestemming archeologie zelfs vervallen.

32

Figuur 18: Beleidskaart

Figuur 19: Beleidskaart 33

Figuur 20: Archeologische waarden en verwachtingen Cultuurhistorie Sinds 1 januari 2012 is artikel 3.1.6 Bro gewijzigd en verdient cultuurhistorie nadrukkelijk aandacht in een bestemmingsplan. Met behulp van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), die door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) wordt verzorgd en de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW2010) van de provincie Noord-Brabant is nagegaan of de gronden binnen het plangebied van archeologische betekenis zijn. De CHW bestaat uit de volgende onderdelen: • historische bouwkunst: dit zijn de ‘monumenten’ uit het dagelijks taalgebruik; • historische stedenbouw: het kan gaan om een gehucht, dorp, stad, woonwijk of industrieel complex; • historische geografie: aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving; • historisch groen: de groenelementen en structuren die door ingrepen van de mens ontstaan; • historische zichtrelaties: hieronder vallen: molenbiotopen, schootsvelden, eendenkooien en zichtrelaties; • archeologische monumenten: deze kaartlaag bestaat uit de Archeologische Monumenten Kaart Noord-Brabant (AMK); • indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW): naast de hierboven genoemde archeologische monumenten zijn op de cultuurhistorische waardenkaart indicatieve archeologische waarden af te lezen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10480375/1