10b B1.3 t NL.IMRO.0840.9000B0073-DEF01 2024-01-30 1
Tekst van het document
Indien er een toename van het verharde oppervlakte van meer dan 500 m2 bedraagt, dienen er compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Momenteel is al een groot gedeelte van de planlocatie verhard. Om te bepalen wat het nieuw verhard oppervlak is wordt het gedeelte bestemmingsvlak berekend wat er met dit bestemmingsplan bijkomt ten opzichte van de bestaande situatie. Het bestaande bestemmingsvlak heeft een oppervlakte van circa 5.535 m2. De oppervlakte van het nieuw bestemmingsvlak bedraagt circa 9.768 m2. Het bestemmingsvlak en daarmee het potentieel te verharden oppervlak neemt daarmee toe met 4.421 m2. De gevoeligheidsfactor op deze gronden bedraagt 0,5. Gelet op deze toename met verharding wordt de volgende retentiecapaciteit berekend: 4.421 m2 x 0,5 x 0,06 = 132,6 m3. Gelet op een toename aan verhard oppervlak van circa 4.421 m2 betreft de retentieopgave voor schoon hemelwater dus 132,6 m3. Zoals beschreven in dit bestemmingsplan wordt er een wadi aangelegd. Binnen deze zone zullen voorzieningen worden getroffen voor de infiltratie van hemelwater.
Initiatiefnemer zal het hemelwater binnen de planlocatie opvangen en begeleiden naar deze wadi, om daarin het hemelwater afkomstig van de toename verhard oppervlak te bergen en op een natuurlijke manier te laten infiltreren in de bodem. Daarbij wordt er tevens een overstort aangelegd naar de naastgelegen B-watergang. Gelet op de GHG van 60 tot 80 cm onder maaiveld, zal deze wadi een oppervlakte krijgen van circa 221 m2 tot 166 m2 (afhankelijk van de exacte grondwaterstand). Rondom de wadi wordt kruidenrijkgras aangebracht zodat dit als buffer kan dienen bij eventueel overlopen van de wadi. In de regels van dit bestemmingsplan is een bepaling opgenomen dat bij een toename van het verhard oppervlak retentie moet worden aangelegd conform de regels die het waterschap hanteert. Hiermee wordt voorkomen dat de toename van verhard oppervlak leidt tot een extra belasting op het oppervlaktewatersysteem.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 45 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.4.4
Watertoets
Het watertoets proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoets proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. 5.5
Ecologie
5.5.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang.
5.5.2
Gebiedsbescherming
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland / EHS of Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied liggen op een afstand van minimaal 13,5 km. Het betreft het gebied Ulvenhoutse Bos. Natura 2000 gebieden op Belgisch grondgebied (De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld) liggen buiten de landsgrenzen op een afstand van respectievelijk 9,8 km). Momenteel is er al sprake van een agrarisch technisch hulpbedrijf. Het bedrijf is voornemens om gedeeltelijk te voorzien in nieuwe bedrijfsbebouwing en een herinrichting van het terrein. De productiecapaciteit neemt niet evenredig toe door deze herinrichting. Door de nieuwe bebouwing en herinrichting van het terrein kunnen gemakkelijker machines, werktuigen en tractoren worden gestald. Tevens ontstaat er een betere interne verkeerafwikkeling op het terrein. Het voornemens is dus voornamelijk bedoeld vanuit gebruiksgemak en efficiëntie.
Gelet op de afstand tot de Natura 2000-gebieden is het onwaarschijnlijk dat er in de gebruiksfase en bouwfase van het initiatief depositie zal plaatsvinden op deze gebieden. Voor de volledigheid zijn echter berekeningen uitgevoerd om rekenkundig ook aan te tonen dat hier geen sprake van is. Tevens zijn ook de nabij gelegen Belgische Natura 2000-gebieden hierbij in ogenschouw genomen. Uit deze berekeningen kan worden geconcludeerd dat zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase van het bedrijf de depositie op Natura 2000gebieden niet hoger is dan 0,0 mol/ha/jaar. De berekeningen inclusief onderbouwing van de invoergegevens zijn bijgevoegd in bijlage 3 bij deze toelichting. Ten aanzien van het aspect gebiedsbescherming zijn er dan ook geen belemmeringen voor het initiatief. Daarnaast worden er geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/NNB aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ontwikkeling. Een toetsing aan het NNN/NNB-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is niet gelegen binnen de Groenblauwe mantel. Op basis van de aard van de voorgenomen ingreep en planontwikkeling kunnen overtredingen met betrekking tot de Groenblauwe mantel uitgesloten worden.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 46 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.5.3
Beschermde soorten
Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Dit kunnen verschillende dier- en plantsoorten betreffen, bijvoorbeeld zoogdierensoorten, amfibieën, reptielen, vissen, vogels en vleermuizen. De habitat van amfibieën, reptielen en vissen bestaat voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Op dit moment is er geen water op de planlocatie aanwezig. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat de locatie één of meer van deze beschermde soorten voorkomen. De vleermuis leeft in bomen en/of in gebouwen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, maar ook achter betimmering en daklijsten en zijn dus zeer moeilijk op te sporen. Op de planlocatie worden geen bomenrijen gekapt of gebouwen gesloopt. De groenstructuren rondom de bestaande bedrijfswoning en gebouwen blijven aanwezig. Een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht, maar er geldt altijd een algemene zorgplicht voor beschermde en onbeschermde soorten. Ter hoogte van de uitbreiding van het bestemmingsvlak is altijd sprake geweest van agrarisch grondgebruik. Deze gronden zijn momenteel dan ook niet geschikt voor (beschermde) flora en fauna.
De functionaliteit van het leefgebied van vleermuizen of andere beschermde soorten komt door de uitbreiding van het bestemmingsvlak niet in gevaar; in de omgeving van de planlocaties zijn voldoende alternatieven aanwezig om te dienen als vaste rust- en verblijfplaats. Voor dit plan is geen nader onderzoek benodigd. Naast de uitbreiding van het bestemmingsvlak en bouwvlak gaat de ontwikkeling ook gepaard met de aanleg van landschappelijke inpassing. Er worden waardevolle groenelementen aan de rand van het plangebied aangelegd, waarmee de instandhouding geborgd wordt met een groenbestemming. Tevens wordt er een wadi aangelegd met daaromheen kruidenrijk grasland. Dit draagt bij aan de waarde van flora en fauna in de directe omgeving van het plangebied. 5.6
Wegverkeerslawaai
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In de Wet geluidhinder zijn voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Voor andere geluidsbronnen bestaan geen wettelijke kaders. Andere geluidbronnen kunnen wel leiden tot een aanvullende beoordeling van het aspect geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden.
Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van een bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. De planlocatie ligt aan de Klein Zundertseweg te Sprundel. De Klein Zundertseweg heen maximum snelheidsregime van 60 km/h. Middels voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Er is sprake van een bestaande bedrijfswoning. Een nader akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai is derhalve niet noodzakelijk. Aangezien er toch personen meerdere uren per dag verblijven op de planlocatie, zoals in het kantoor en de werkplaats, wordt er kort getoetst aan het werk/woonen leefklimaat ten aanzien van geluid afkomstig van wegverkeer.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 47 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Atlas van de leefomgeving beschikt over een kaart beschikt met daarin de geluidbelasting rondom wegen. Deze kaart geeft een ruwe indicatie van de geluidkwaliteit en is daarvoor op globale schaal goed hanteerbaar om te bepalen of er een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is. Uit de kaart blijkt dat ter plaatse van het plangebied met name twee verschillende geluidbelastingen voorkomen. De geluidbelasting ligt tussen de 51-55 dB en 46-50 dB. Dit staat gelijk aan een ‘goed’ tot ‘redelijk’ werk/woon- en leefklimaat. De geluidbelasting afkomstig van het wegverkeer op de Klein Zundertseweg leidt niet tot een onevenredige aantasting van het werk/woon- en leefklimaat. Ten aanzien van wegverkeerslawaai zijn er dan ook geen belemmeringen voor het initiatief.
Figuur 21: Geluid afkomstig van wegverkeer
5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied.
De planlocatie is in de dorpskern van Sprundel gelegen, waar verschillende functies voorkomen. Gelet op bovenstaande kan de omgeving van het plangebied getypeerd worden als het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor gevaar. Deze wordt niet verkleind. Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 48 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Het plangebied ligt aan de Klein Zundertseweg. In de directe omgeving van het plangebied komen met name agrarische bedrijven voor en enkele woonbestemmingen. Gelet op de omgeving is het plangebied dan ook te typeren als een ‘rustig buitengebied’. 5.7.2
Milieuzones
Traycon projecten B.V. is een bedrijf dat gespecialiseerd is in de aanleg van teeltvloeren, containervelden en overige werkzaamheden voor de agrarische sector. Het levert diensten aan de agrarische sector. Het bedrijf kan worden gekenmerkt als agrarisch technisch hulpbedrijf, onder de VNG-publicatie valt het bedrijf onder Dienstverlening t.b.v. de landbouw: algemeen, b.o. > 500 m². In de VNG-publicatie is hiervoor een milieucategorie 3.1 opgenomen. Tabel 2; Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied’
Bedrijfsomschrijving Dienstverlening t.b.v. landbouw > 500 m²
Adres Klein Zundertseweg 15
Cat. 3.1
Geur 30 m
Stof 10 m
Geluid 50 m
Gevaar 10 m
Bij de bepaling van de milieuzonering van het bedrijf wordt uitgegaan van de randen van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’. Buiten het bouwvlak vinden namelijk ook verkeersbewegingen en dergelijke plaatst ten behoeve van de bedrijfsvoering. Zo worden alle aspecten en activiteiten in ogenschouw genomen bij de bepaling van het woon- en leefklimaat ter hoogte van omliggende woningen van derden. De grootste richtafstand bedraagt volgens de VNG-publicatie 50 meter voor het aspect ‘geluid’. De milieuzonering is niet gelegen over naastgelegen woonbestemmingen van derden. De milieuzonering van het bedrijf valt wel gedeeltelijk over twee naastgelegen agrarische bouwvlakken, namelijk van de bedrijven aan de Klein Zundertseweg 13a 12. Binnen die gronden zijn geen agrarische bedrijfsgebouwen of bedrijfswoningen gelegen. Tevens kan worden opgemerkt dat in de bestaande situatie ook de richtafstanden over deze bouwvlakken zijn gelegen. De ontwikkeling leidt dan ook niet tot een toename in beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden of een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt dan ook niet tot een belemmering voor de ontwikkeling. 5.7.3
Geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. Binnen het plangebied is sprake van een bestaande bedrijfswoning, deze blijft ongewijzigd gehandhaafd. Ook zijn er meerdere uren per dag personen aanwezig, bijvoorbeeld in de werkplaats en het kantoor. Voor de volledigheid wordt er dan ook onderzocht of er sprake is van een acceptabel werk/woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 49 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Rucphen kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, in deze paragraaf worden de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Rucphen is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied.
De planlocatie Klein Zundertseweg 15, is gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 14 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 14 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand. Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van maart 2022 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat.
Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. Uit onderstaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving op basis van de achtergrond belasting als ‘zeer goed’ is aan te merken. Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Er is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van geuremissie.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 50 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 22: Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur
Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de Wet geurhinder en veehouderij worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand buiten de bebouwde kom betreft 50 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn, is het melkveehouderij bedrijf aan de Klein Zundertseweg 17. De veehouderij ligt op een afstand van 310 meter afstand ten zuiden van de planlocatie, en ligt daarmee op een grote afstand van de planlocatie. Alle overige veehouderijen met dieren waarbij de vaste afstanden gelden zijn op een grotere afstand vanaf de planlocatie gelegen. De ontwikkelingen op de planlocatie Klein Zundertseweg 15 vinden hierdoor plaats op een ruime afstand van bestaande veehouderijbedrijven. De hiervoor genoemde afstanden worden hiermee ruimschoots behaald. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vaste afstanden.
Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. 5.8
Luchtkwaliteit
Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Bij inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 51 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. De ontwikkeling op de planlocatie Klein Zundertseweg 15 valt niet onder een van de hierboven genoemde categorieën, maar is ook niet zonder meer te zeggen dat de ontwikkeling NIBM is. Daarom is een globale berekening nodig om te bepalen of nader onderzoek noodzakelijk is of niet. Door het Ministerie van VROM is een instrument ontwikkeld, waarmee op een eenvoudige wijze kan worden berekend of een bepaalde ontwikkeling wel of niet ‘in betekende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit: de NIBM-tool. Met deze tool is het voldoende om gegevens te hebben over de omvang van het extra verkeer en het aandeel vrachtverkeer als gevolg van het plan. Indien deze gegevens voor een plan bekend zijn, kan op basis van een berekening met de tool worden bepaald of het plan aangemerkt kan worden als NIBM. Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2023
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
105
Aandeel vrachtverkeer
100,0%
NO2 in μg/m3
1,20
PM10 in μg/m3
0,09
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Figuur 23: NIBM-tool
Uit de berekening met de NIBM-tool blijkt dat om over in een ‘in niet betekende mate bijdrage’ te kunnen beschikken, er maximaal 105 extra voertuigbewegingen op een weekdaggemiddelde kunnen zijn. Hierbij is uitgegaan van 100% vrachtverkeer. Op de locatie worden geen 105 extra voertuigbewegingen verwacht. Het plan kan aangemerkt worden als NIBM. Een nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. In het kader van een goed woon- en leefklimaat is de luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie bepaald met de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). De coördinaten van de woning aan Klein Zundertseweg 15 zijn bij benadering: ▪ x = 101 124 ▪ y = 392 419 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2022: PM10: 15,6 μg/m3 en NO2: 12,18 μg/m3 2025: PM10: 13,9 μg/m3 en NO2: 11,79 μg/m3 2030: PM10: 12,96 μg/m3 en NO2: 10,0 μg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 μg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling op het plangebied.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 52 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.9
Externe Veiligheid
5.9.1
Algemeen
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets misgaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.9.2
Risico inventarisatie externe veiligheid
Een risico inventarisatie externe veiligheid betreft alle risicobronnen die invloed hebben of kunnen hebben op het groepsrisico, zoals Bevi-inrichtingen, transportleidingen en autowegen die gebruikt worden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In een verantwoording groepsrisico wordt door het bevoegd gezag (De Gemeenteraad) de aanwezige risicobronnen beschouwd en verantwoord.
Figuur 24: Zone indeling verantwoording groepsrisico
Inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie. Op basis van de uitgevoerde risico-inventarisatie blijkt dat de planlocatie niet in een invloedsgebied ligt van een Bevi-bedrijf, waardoor het Bevi niet relevant is en er geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik binnen het plangebied Transportassen Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 53 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Beoordeling van de risico’s veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage 2, 3 en 4 van het Bevt zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand ‘0’ is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar. De planlocatie ligt in het geheel binnen het grijze gebied “Gebied voor toepassing standaard verantwoording”. De standaard verantwoording is bijgevoegd aan de bijlagen. Opgemerkt dient te worden dat het initiatief niet voorziet in de ontwikkeling van een nieuw (beperkt) kwetsbaar object of terrein. Transportleidingen Wanneer sprake is van relevante buisleidingen in een gebied, dient er een ruimtelijke reservering opgenomen te worden in het bestemmingsplan voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR).
Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 106 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval bekeken worden. De voor onderhoud gereserveerde ruimte bedraagt minimaal 5 meter aan beide zijden van de leiding. Uit de risicokaart Nederland blijkt dat er op een afstand van circa 1,6 kilometer ten oosten een gasleiding is gelegen. Op basis van figuur 25, kaart ‘Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico’ blijkt dat de planlocatie niet is gelegen in een gebied waarvoor een nadere motivatie ten aanzien van transportleidingen is benodigd.
Figuur 25: Uitsnede risicokaart, provincie Noord-Brabant
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 54 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.10
Kabels en leidingen
Op of in de directe nabijheid van de locatie, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, welke de realisatie van het bouwplan kunnen belemmeren. De KLIC-melding wordt voor het uitvoeren van de werkzaamheden uitgevoerd om eventuele kabels en leidingen in beeld te brengen tijdens de bouwfase. 5.11
Besluit milieueffectrapportage
Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. De beoogde activiteiten binnen de planlocatie vallen niet binnen de C- of Dlijst, een m.e.r. - beoordeling of m.e.r – plicht is niet benodigd. m.e.r-plicht is niet van toepassing.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 55 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische aspecten
Inleiding
Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’, een globaal bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze zijn gehanteerd in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’. 6.2
Algemene toelichting verbeelding
De verbeelding is getekend uitgaande van het rapport ‘Digitaal Uitwisselbare Ruimtelijke Plannen’ (DURP) en het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierdoor wordt het mogelijk met toevoeging van een codering de plannen digitaal uit te wisselen. De verbeelding is getekend op een kadastrale ondergrond. Op de verbeelding zijn vrijwel alle functies apart bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsomschrijving en de bouwregels te vinden. Bestemmingsvlak en bouwvlak Elke bestemming bestaat doorgaans uit een bestemmingsvlak en een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied op de verbeelding waarvoor de mogelijkheden om te bebouwen in de bestemmingsregels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de verbeelding doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering en/of functie. Aanduidingen De letteraanduiding van de bestemmingen zijn ingetekend in het bestemmingsvlak. Nadere specificaties die iets zeggen over het gebruik of bouwmogelijkheden zijn aangegeven door aanduidingen. Als deze specificaties op het hele bestemmingsvlak van toepassing zijn, staan de aanduidingen achter de bestemmingsaanduiding in het bestemmingsvlak. 6.3
Algemene toelichting regels
De regels zijn gebaseerd op het rapport ‘Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen’ (SVBP). Hierin zijn afspraken en aanbevelingen opgenomen met betrekking tot de opbouw en de presentatie van het bestemmingsplan (digitaal en analoog). Deze afspraken en aanbevelingen zijn op 1 januari 2010 wettelijk vastgesteld. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken: ▪ Hoofdstuk 1 Inleidende regels; ▪ Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; ▪ Hoofdstuk 3 Algemene regels; ▪ Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels 6.3.1
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen die van toepassing zijn op de regels verklaard. Een en ander voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde begrippen. Artikel 2 Wijze van meten In het artikel 'wijze van meten' is een regeling opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 56 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
6.3.2
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Bedrijf De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten, specifiek agrarisch technisch hulpbedrijf, een bedrijfswoning, groenvoorzieningen, infrastructurele voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen overige tot de bestemming behorende voorzieningen. Artikel 4 Groen - Landschapselement De voor ‘Groen - Landschapselement’ aangewezen gronden zijn bestemd voor natuurlijke en/of cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle landschapselementen, extensief recreatief medegebruik, waterhuishoudkundige voorzieningen, zandwegen of andere on-/halfverharde wegen, ondergeschikte wegen, paden en verhardingen en andere tot de bestemming behorende voorzieningen. 6.3.3
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 5 Anti-dubbeltelregel Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat bepalingen om te voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. De redactie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en overeenkomstig opgenomen. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden, zoals een regeling voor ondergronds bouwen. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Artikel 8 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn de regels met betrekking tot een of meer gebiedsaanduidingen opgenomen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsmogelijkheden opgenomen. Het betreft hier een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met toepassing van de afwijkingsbepalingen geregeld kunnen worden.
Artikel 11 Overige regels In dit artikel zijn de regels opgenomen die niet onder een andere regel zijn te vatten. 6.3.4
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Overgangsrecht In de overgangsrechtregel is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen. Artikel 13 Slotregel In de slotregel wordt de officiële naam van het plan weergegeven.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 57 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding en herinrichting van het agrarisch technisch hulpbedrijf aan de Klein Zundertseweg 15 te Sprundel. De gemeente Rucphen heeft ten behoeve van het voorgestane plan een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer van de gronden. Deze overeenkomst heeft onder andere de strekking dat de gemeente geen enkel risico loopt ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid van dit plan. 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.2.1
Inleiding procedure
Planologische procedure Voordat een bestemmingsplan geldig is, volgt de gemeente een procedure. De procedure bestaat uit drie fasen: vooroverleg, ontwerp en vastgesteld plan. In de vooroverlegfase wordt vooroverleg gepleegd met alle betrokken overheden en partijen. De achtereenvolgende fase is de ontwerpfase. Tijdens de ter inzageperiode (6 weken) heeft eenieder het recht om een zienswijze te geven. De zienswijzen worden verwerkt en beantwoord in een zienswijzenrapportage. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Relatie onderhavig bestemmingsplan met eerdere bestemmingsplannen Het onderhavige bestemmingsplan is, in navolging van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’, een gedetailleerd bestemmingsplan. In de regels behorende bij de onderhavige herziening, is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de juridische regelgeving, zoals deze in dit plan is gehanteerd. Het onderhavig bestemmingsplan wordt middels een zogenoemde ‘postzegelbestemmingsplannen’ juridisch-planologisch mogelijk gemaakt. 7.2.2
Omgevingsdialoog
Een omgevingsdialoog is een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de ‘omgeving’ wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben, zoals bijvoorbeeld omwonenden, scholen en aangrenzende bedrijven. De omgevingsdialoog is er specifiek op gericht om alle wensen, belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in het verdere ontwerp van het plan. Doel van de omgevingsdialoog is niet om ‘overeenstemming’ over het plan te verkrijgen. Aanleiding voor het starten van een (omgeving)dialoog is het moment dat een initiatiefnemer een ruimtelijk ontwikkelingsproject wil uitvoeren dat niet past in het geldende bestemmingsplan. Bij het initiatief aan de Klein Zundertseweg 15 is gekozen voor het toepassen van een mondelinge omgevingsdialoog. Er is aan de bewoners van de benaderde adressen een brief verstrekt met een tekening en beschrijving van het initiatief. Initiatiefnemer heeft de plannen mondeling toegelicht. De bewoners kregen daarbij de mogelijkheid om vragen en reacties op een reactieformulier in te vullen. De bewoners hebben positief gereageerd op de plannen en er zijn geen aanleidingen om het bestemmingsplan inhoudelijk aan te passen. In verband met de privacy is de omgevingsdialoog geanonimiseerd en is deze versie toegevoegd als bijlage aan onderhavig plan. 7.2.3
Vooroverleg
Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro wordt bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg gepleegd met het waterschap, diensten van het rijk en provincie die betrokken zijn bij de ruimtelijke ordening en eventueel andere gemeenten.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 58 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Het plan is in het kader van het vooroverleg beschikbaar gesteld aan de volgende partners: ▪ Provincie Noord-Brabant. ▪ Waterschap Brabantse Delta. ▪ Brandweer Midden- en West-Brabant. Reactie provincie Noord-Brabant De provincie Noord-Brabant heeft bij gemeente Rucphen aangegeven dat de ontwikkeling ten opzichte van de ontwikkelrichting in toetsing van artikel 3.60 onvoldoende is uitgevoerd. De toelichting is aangevuld met een uitgebreidere omschrijving hoe het initiatief passend is binnen de ontwikkelrichting van het gebied. In een nader gesprek heeft de provincie een akkoord gegeven op de aanvullingen. Reactie waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta heeft bij de gemeente Rucphen aangegeven dat nog werd verwezen naar het oude waterbeheerplan en dat het Activiteitenbesluit Milieubeheer van toepassing is. Het nieuwe waterbeheerplan is verwerkt, alsmede de verwijzing naar het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Verder zal de waterberging, onderdeel uitmakende van dit plan, nogmaals ter overleg met het waterschap worden gedeeld. Ter borging is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. Reactie brandweer Midden- en West-Brabant De brandweer Midden- en West-Brabant heeft in de omgevingstafel bij de gemeente Rucphen haar opmerkingen op het bestemmingsplan kenbaar gemaakt.
In deze opmerkingen is naar voren gekomen dat de aanwezige bluswatervoorzieningen in de omgeving niet voldoen aan de Beleidsregels voor de gewenste ontwikkeling. Aanbevolen wordt om een nieuwe bluswatervoorziening te realiseren en deze qua type, capaciteit en afstand af te stemmen op de bestaande en nieuw te bouwen bouwwerken. In direct overleg met de brandweer is aangegeven dat initaitiefnemer voornemens is een bestaande bronput geschikt te maken conform de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening. Indien benodigd zal deze nieuwe bluswatervoorziening dusdanig worden verlegd naar het parkeerterrein, zodat de brandweervoertuigen gemakkelijk kunnen opstellen. Een en ander wordt nader geconcretiseerd ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning bouw. De haalbaarheid van de ontwikkeling is door het geschikt maken van de aanwezige bronput daarmee aangetoond. 7.2.4
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan ´Buitengebied Rucphen 2020, Klein Zundertseweg 15 te Sprundel’ met planidentificatie NL.IMRO.0840.9000B0073-ON01 heeft voor een ieder ter inzage gelegd voor een periode van zes weken in het Raadshuis van de gemeente Rucphen. Daarnaast was het plan digitaal raadpleegbaar via de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbende (overheid)instanties zijn separaat op de hoogte gebracht van de terinzagelegging. Gedurende de ter inzage termijn zijn er geen reacties binnen gekomen op het bestemmingsplan. Ambtshalve heeft er een kleine wijziging in de opzet van de regels en verbeelding moeten plaatsvinden, maar dit leidt niet tot inhoudelijke veranderingen aan het plan. Daarmee kan het plan worden vastgesteld. 7.2.5
Vaststelling
Het vastgesteld bestemmingsplan ´Buitengebied Rucphen 2020, Klein Zundertseweg 15 te Sprundel’ met planidentificatie NL.IMRO.0840.9000B0073-DEF01 wordt voor een ieder ter inzage gelegd voor een periode van zes weken in het Raadshuis van de gemeente Rucphen. Daarnaast is het plan digitaal raadpleegbaar via de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Belanghebbende (overheid)instanties worden separaat op de hoogte gebracht van de terinzagelegging.
Bestemmingsplan toelichting 210090 | 30-01-2024
Pagina 59 van 62
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling