09b1 08045-bptoe-vorenseindseweg-104-sprundel-v3-2-c 1
Tekst van het document
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
25
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven. Beleid gemeente Op 18 september 2019 heeft de gemeenteraad de Nota Archeologie gemeente Rucphen vastgesteld. In de Nota Archeologie gemeente Rucphen is het archeologisch beleid opgenomen. Op basis van nieuw kaartmateriaal en uitgevoerde onderzoeken is het beleid bijgesteld. De raad heeft verder besloten om de archeologische beleidskaart op basis van afgeronde onderzoeken de waarde op onderdelen aan te passen. Om de aanwezige archeologische waarden te beschermen is bij nieuwe ontwikkelingen archeologisch onderzoek verplicht; hiervoor zijn diverse typen gebieden (naar gelang de verwachting van waarden) vastgesteld.
Figuur 11 - Archeologische beleidskaart gemeente Rucphen.
Beoordeling Het plangebied is aangeduid als gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Volgens het vigerende archeologiebeleid van de gemeente Rucphen rust er op het plangebied de aanduiding: overige zone - archeologische verwachtingswaarde middelhoog. Deze kwalificatie is ook in het geldende bestemmingsplan aangegeven. Bij een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 500 m2 en een diepte van 50 cm geldt er een onderzoeksplicht. Dat is hier het niet het geval. De bebouwde oppervlakte van de nieuw op te richten/te vergroten bijgebouwen bedraagt 467 m2. Daarom behoeft voorafgaand aan de bouw van deze bijgebouwen geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve invloed op eventuele archeologische waarden in het gebied. In het bestemmingsplan wordt ter plaatse de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met de aanduiding 'overige zone waarde archeologie 2' en 'overige zone - waarde archeologie 3' opgenomen.
4.6
Natuur
Toetsingskader De Wet natuurbescherming, bevat regels ter bescherming van natuur en landschap. Deze wet regelt aanwijzing, beheer en bescherming van gebieden die vanwege bijzondere natuurwaarden zijn aangewezen als Natura 2000-. Beoordeling Soortenbescherming Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een quickscan natuurbescherming uitgevoerd (bijlage 3). Daarin wordt het volgende geconcludeerd:
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
26
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
“De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens gebouwen 1 t/m 3 te slopen om hier een nieuwe bedrijfsruimte te realiseren. Hierbij zal ook een deel van de aanwezige begroeiing binnen de onderzoekslocatie, zoals een laurierhaag, fruitboompjes en skimmia struik, worden verwijderd. De bosschage die de noordzijde van het perceel afschermt van het achtergelegen bosgebied zal behouden blijven. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunning trajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. De locatie vormt geschikt habitat voor algemene broedvogelsoorten.
Hiervoor geldt dat verwijdering van nestgelegenheden buiten het broedseizoen (dat wil zeggen buiten maart – augustus) uitgevoerd kan worden. Neem bij twijfel over het in gebruik zijn van het nest contact op met een ecoloog. Indien werkzaamheden binnen het broedseizoen uitgevoerd worden dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Op basis van onderhavige quickscan dient voor de uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek tevens meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis in gebouw 1 en 3. Ten aanzien van de mogelijke verblijfsfunctie voor kleine marterachtigen, dient er een alternatieve verblijfsmogelijkheid worden aangelegd. Dit kan door middel van het creëren van een afvalhoutstapel die kan verruigen. De aanleg van een dergelijk nieuwe verblijfsplaats dient te worden gedaan volgens ecologisch werkprotocol. Ter bescherming van kleine grondgebonden zoogdieren en amfibieën is het, in het kader van de zorgplicht, noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen.
Al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen” Het nader onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd in de daarvoor aangewezen periode. Indien uit dit onderzoek zou volgen dat een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is, dient gewerkt te worden volgens het meest actuele vleermuisprotocol. In dat geval ligt het verkrijgen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming in de lijn der verwachting. Toetsing gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000 gebied betreft 'De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld' op Belgisch grondgebied op een afstand van 10,5 km. Het meest nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebied, ‘Brabantse wal’, bevindt zich op circa 14 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Op 15,8 km ten oosten ligt het ‘Ulvenhoutse bos’. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
27
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 15 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de kleinschalige aard van de plannen niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De onderzoekslocatie ligt wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk. De meest nabijgelegen gebieden bevinden zich circa 80 meter ten zuiden en 260 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. Het betreft droge bossen met productie. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Door de kleinschaligheid van de werkzaamheden zijn externe effecten niet van toepassing. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten.
In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht. Stikstof Omdat de locatie op ruime afstand van de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden ligt (± 10,5 km, zie hiervoor), is een berekening van de stikstofbijdrage van het plan niet noodzakelijk. Het bedrijf levert geen significante invloed op die gebieden met betrekking tot NH3 en NOx (stikstof).
4.7
Geluid
Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn woningen geluidgevoelige functies. Bij ontwikkelingen waarbij nieuwe wegen of geluidproducerende bedrijven betrokken zijn, dient aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een acceptabel akoestisch klimaat in nabij gelegen woningen. Onderzoek Het onderhavige bedrijf is geen geluidproducerende (zoneplichtige) industrie als bedoeld in de Wet geluidhinder. Door de nieuwbouw verandert de bedrijfsvoering niet wezenlijk; deze wordt althans niet in betekenende mate uitgebreid. Wel moet er voor de aangepaste lay-out van het bedrijf een omgevingsvergunning worden verleend. Bij de beoordeling daarvan wordt rekening gehouden met het voorkomen van geluidhinder voor de omliggende woningen (zie ook 0). Conclusie De conclusie is dat het planvoornemen niet leidt tot een akoestisch wezenlijk ongunstigere situatie en dat dus wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot geluid.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
28
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
4.8 Milieuklasse Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ● ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; ● rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Beoordeling Verwezen wordt naar bijlage 05 met betrekking tot dit milieuaspect.
“In het rapport wordt het volgende geconcludeerd: Op basis van bovenstaande toelichting kan worden geconcludeerd dat de te ontplooien activiteiten van het bedrijf aan de Vorenseindseweg 104 te Sprundel naar aard en invloed van de milieubelasting vergelijkbaar zijn met een milieucategorie 2 bedrijf. Een afwijking van het bestemmingsplan op grond van artikel 6.5.1 wordt hierdoor mogelijk geacht.” Conclusie Het aspect milieuzonering is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.9
Externe veiligheid
Algemeen De locatie ligt gedeeltelijk binnen de ‘veiligheidszone – munitie – B’ en gedeeltelijk binnen de ‘veiligheidszone – munitie – C’. Volgens de regels van het bestemmingsplan (art. 39.24) zijn de gronden ter plaatse van de aanduidingen 'Veiligheidszone - munitie - B’ en ‘'Veiligheidszone - munitie - C', behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat rondom de munitieopslagplaats. Beoordeling Door AVIV is de situatie en het beoogde bouwplan beoordeeld (zie bijlage 2). In de betreffende rapportage is aangegeven: “Plaatsgebonden risico De risicokaart geeft geen informatie over het plaatsgebonden risico; alleen de A, B en C-zones worden getoond. Groepsrisico Uit informatie van de risicokaart blijkt dat een QRA is opgesteld d.d. 1 maart 2006 [3]. Het maatgevende scenario wordt omschreven als ‘explosie individuele
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
29
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
bunker’. De oriënterende waarde wordt niet overschreden. De QRA is niet openbaar beschikbaar. De situatie bij MC Rucphen is niet veranderd: er zijn geen wijzigingen in scenario’s. Wanneer het aantal personen in het invloedsgebied en de verdeling daarvan ook niet veranderen, treedt er geen feitelijke verandering op in veiligheid. Het groepsrisico blijft dan gelijk. Door de opdrachtgever is aangegeven dat het aantal personen niet toeneemt in de toekomst, het blijven ca. 4 personen. Daarmee blijft het groepsrisico ongewijzigd.” “Samenvatting Samengevat kan worden gesteld dat de feitelijke situatie voor wat betreft externe veiligheid niet wijzigt door het realiseren van de ontwikkeling in de Bzone aan de Voreneindseweg 104 te Sprundel. Het groepsrisico wijzigt niet omdat het aantal aanwezige personen en de verdeling van de personen niet wijzigt. Het groepsrisico blijft hiermee gelijk.” Conclusie Het aspect veiligheid is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. De regeling met betrekking tot de munitiezone in de planregels is afgestemd op het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020.
4.10 Milieueffectrapportage Toetsingskader planMER Gemeenten en provincies moeten per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen en is het opstellen van een MER noodzakelijk. Grensoverschrijdende milieugevolgen Op 25 februari 1991 is het VN-verdrag over grensoverschrijdende milieueffectrapportage tot stand gekomen. Het verdrag is op 10 september 1997 in werking getreden. Kern van het verdrag is dat, in het geval van mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen, het publiek en autoriteiten in het buurland op dezelfde wijze en tijd worden betrokken bij de m.e.r.-procedure als de autoriteiten en het publiek in Nederland. Aanmeldnotitie Vormvrije MER-beoordeling Sinds 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie bij een vormvrije MER-beoordeling nodig wanneer sprake is van een zg. vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMERplichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf; dat betekent dat ook bij het ontwikkelen van een klein ruimtelijk plan een aanmeldnotitie nodig is. Indien de gemeente zelf initiatiefnemer is, hoeft deze geen aanmeldnotitie op te stellen.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
30
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
Beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied wordt op een bestaand, positief bestemd bestemmingsvlak een nieuw bedrijfsgebouw gebouwd. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Omdat het geen uitbreiding van het bestaande bestemmingsvlak betreft, maar een ontwikkeling binnen een bestaand bestemmingsvlak en een bestaand bebouwingsvlak, hoeft het onderhavige project niet aangemerkt te worden als een stedelijk ontwikkelingsproject. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat het plangebied niet ligt in of nabij een gebied dat beschermd wordt ten gevolge van de natuurwaarden.
Het plan ligt daarnaast zodanig ver verwijderd van het Natuur Netwerk Noord-Brabant, of overig beschermd natuurgebied dat van externe werking geen sprake kan zijn. Het plangebied behoort tevens niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt en maakt het geen onderdeel uit van een Belvédèregebied. Er is derhalve geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling inderdaad geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Het plangebied ligt op een afstand van 5,37 km van de grens met België. Omdat het voorgenomen plan niet MER-plichtig is, is er ook geen sprake van grensoverschrijdende effecten. Conclusie Er zijn geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen' te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
31
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
5
05 02 2021
HET BESTEMMINGSPLAN
Het Bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Een en ander is opgesteld overeenkomstig de standaarden die daarvoor gelden en de gemeentelijke afspraken.
5.1
Plangrens
Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat een bedrijfsbestemming met bouwvlak, waarvan de functie ongewijzigd blijft. De plangrens omsluit het bestaande bestemmingsvlak “Bedrijf” alsmede de groenvoorziening die in het kader van dit plan gerealiseerd gaat worden.
5.2
De verbeelding
De opzet van het bestemmingsplan is afgestemd op de opzet van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012. Op de verbeelding zijn aangegeven: de grens van het plangebied van dit bestemmingsplan de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden. Binnen de plangrens is ter plaatse van het bedrijf een bedrijfsbestemming opgenomen en ter plaatse van de te realiseren groenvoorziening de bestemming ‘Groen – landschapselement’.. overige aanduidingen, waarnaar in de regels wordt verwezen.
5.3
De regels
De regels zijn geheel conform de regels van het moederplan “Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020”, waarbij gebiedsspecifieke maatvoering is aangegeven.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
32
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
6
Haalbaarheidsaspecten
6.1
Financieel-economische haalbaarheid
05 02 2021
Deze bestemmingsplanherziening omvat een juridische regeling voor de vestiging van een bedrijf voor reparatie en verkoop van tuinbouwmachines op de locatie van een bedrijf voor reparatie en verkoop van bosbouwmachines en tevens het mogelijk maken van de bouw van een bedrijfsgebouw als vervanging van drie af te breken bedrijfsgebouwtjes. De kosten omvatten de kosten van het opstellen van het bestemmingsplan en de procedurekosten. De verrekening van deze kosten is geregeld in de anterieure overeenkomst. Er zijn geen omstandigheden bekend die bijzondere kosten met zich meebrengen, noch voor de betreffende initiatiefnemer, noch voor de gemeente. Daarom moet het plan op voorhand financieel-economisch haalbaar worden geacht. Conclusie: De financieel-economische uitvoerbaarheid is in het kader van de opstelling van het bestemmingsplan getoetst. Er zijn geen aspecten gevonden die de uitvoerbaarheid onevenredig negatief beïnvloeden.
6.2
Grondexploitatie
De centrale doelstelling van de grondexploitatieregelingen zoals opgenomen als afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. Het uitgangspunt van de regeling is dan ook dat gemeenten een verplichting hebben tot kostenverhaal. Dit betekent dat een gemeente de gemaakte kosten op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar zelf tot ontwikkeling van de gronden overgaat. Op grond van artikel 6.12 tweede lid Wro kan van de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren: -
het verhaal van de kosten van de grondexploitatie is anderszins verzekerd; het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen is niet noodzakelijk.
De gemeente Rucphen heeft in een anterieure exploitatieovereenkomst met de particuliere eigenaar bindende afspraken gemaakt over de bijdrage van de initiatiefnemer in de kosten. Daarmee is het kostenverhaal voldoende verzekerd en hoeven geen aanvullende afspraken gemaakt te worden over de werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 6.13 Wro, tweede lid, onder b en c. Conclusie: Het verhalen van de kosten die de gemeente moet maken voor dit plan is geregeld in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
6.3
Maatschappelijke haalbaarheid
De maatschappelijke haalbaarheid wordt getoetst door de gebruikelijke inspraakprocedure van een bestemmingsplan te volgen.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
33
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
6.4 Omgevingsdialoog Ten behoeve van deze ruimtelijke onderbouwing is een omgevingsdialoog gevoerd. De rapportage daarvan is in bijlage 4 opgenomen. Uit de dialoog zijn geen punten naar voren gekomen die leiden tot aanpassing van de plannen.
6.5 Procedure 6.5.1 Vooroverleg
Het voorontwerpbestemmingsplan is voorgelegd aan diverse ambtelijke instanties. Van de provincie Noord-Brabant werd een advies ontvangen, inhoudende: -
In het voorontwerpbestemmingsplan was er ten onrechte vanuit gegaan dat artikel 3.73 IOV van toepassing was in plaats van artikel 3.71. De berekening van de kwaliteitsverbetering bevat een fout.
Beide punten zijn gecorrigeerd. 6.5.2 Procedure
p.m.
’s-Hertogenbosch, april/oktober/november/december 2020/februari 2021
CUIJPERS ADVIES PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING B.V.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
34