09b1 08045-bptoe-vorenseindseweg-104-sprundel-v3-2-c 1
Tekst van het document
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
GEMEENTE RUCPHEN
BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED RUCPHEN 2012, VORENSEINDSEWEG 104 TE SPRUNDEL
INHOUD 1
INLEIDING ...................................................................... 3 1.1 Aanleiding en doel ....................................................... 3 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ..................................... 3 1.3 Vigerend bestemmingsplan............................................. 3 1.4 Leeswijzer ................................................................ 4
2
PLANPROFIEL .................................................................. 5 2.1 Bestaande situatie ....................................................... 5 2.2 Beoogde nieuwbouw .................................................... 6 2.3 Stedenbouwkundige aspecten ......................................... 6 2.3.1 Bebouwde oppervlakte ............................................ 6 2.3.2 Goot- en bouwhoogte .............................................. 7 2.3.3 Conclusie ............................................................ 8 2.4 Verkeer en parkeren .................................................... 8
3
BELEIDSKADER ................................................................ 10 3.1 Inleiding .................................................................. 10 3.2 Rijksbeleid ............................................................... 10 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012 ........ 10 3.2.2 Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012 .............................................. 10 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012 11 3.3 Provinciaal beleid ...................................................... 12 3.3.1 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant ................ 12 3.3.2 Kwaliteitsverbetering landschap ................................ 15 3.4 Gemeentelijk beleid ................................................... 16 3.4.1 Structuurvisie Rucphen 2030 .................................... 16 3.4.2 Groenstructuurplan ‘Landschap onthuld’, 2010 .............. 18 3.4.3 Overige beleidsstukken ........................................... 18
4
MILIEU EN ZONERING ........................................................ 19 4.1 Inleiding .................................................................. 19 4.2 Bodem .................................................................... 19 4.3 Water ..................................................................... 20 4.4 Cultuurhistorie .......................................................... 24 4.5 Archeologie .............................................................. 25 4.6 Natuur .................................................................... 26 4.7 Geluid .................................................................... 28 4.8 Milieuklasse .............................................................. 29
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
1
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
Beoordeling ................................................................... 29 Conclusie ...................................................................... 29 4.9 Externe veiligheid ...................................................... 29 Algemeen ..................................................................... 29 Beoordeling ................................................................... 29 Conclusie ...................................................................... 30 4.10 Milieueffectrapportage ................................................ 30 5
HET BESTEMMINGSPLAN ..................................................... 32 5.1 Plangrens ................................................................ 32 5.2 De verbeelding .......................................................... 32 5.3 De regels ................................................................. 32
6
Haalbaarheidsaspecten ..................................................... 33 6.1 Financieel-economische haalbaarheid............................... 33 6.2 Grondexploitatie ........................................................ 33 6.3 Maatschappelijke haalbaarheid ...................................... 33 6.4 Omgevingsdialoog ...................................................... 34 6.5 Procedure ................................................................ 34
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
2
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
GEMEENTE RUCPHEN
BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED RUCPHEN 2012, VORENSEINDSEWEG 104 TE SPRUNDEL 1
INLEIDING
1.1
Aanleiding en doel
De initiatiefnemer is een verzoek aan het voorbereiden dat voorziet in het realiseren van een nieuwe bedrijfshal ter vervanging van drie bestaande bedrijfsgebouwen. De beoogde bedrijfshal krijgt een omvang van 16 bij 27 meter en het beoogde gebruik is het vervaardigen en repareren van landbouwmachines (zacht fruitteelt). In relatie tot het vigerende bestemmingsplan zijn er meerdere punten die nadere aandacht verdienen, zoals het uitbreiden van het bebouwingsoppervlak, hogere goot- en bouwhoogte, hogere milieuklasse en het bouwen in een veiligheidszone B. Op basis van het onderzoek is besloten een planherziening voor te bereiden voor deze locatie.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Sprundel in de gemeente Rucphen (zie figuur 1). Voorliggend plangebied is gelegen ten zuidwesten van de kern Sprundel en ten zuidoosten van de kern Rucphen.
Figuur 1 – Topografische kaart 2018.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Binnen het plangebied vigeert thans het onherroepelijke bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2012".
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
3
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
Figuur 2 - Vigerende bestemmingsplan; het plangebied heeft de enkelbestemming 'Bedrijf'; de locatie ligt tevens binnen diverse gebiedsaanduidingen.
In het vigerende bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming 'Bedrijf'. Het gehele bestemmingsvlak is aangewezen als ‘Bouwvlak’. Verder is de locatie aangeduid met de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’, en ‘specifieke vorm van bedrijf – bosbouwmachines’. Er zijn maatvoeringsaanduidingen ‘maximum bebouwd oppervlak 530 m2’ en ‘maximum bouwhoogte: 5 m’ en ‘maximum goothoogte: 4,5 m’ opgenomen. Tenslotte ligt de locatie binnen de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – archeologische verwachtingswaarde middelhoog’, ‘overige zone – beperkingen veehouderij’, en ‘vrijwaringszone – radar’. De locatie ligt gedeeltelijk binnen de ‘veiligheidszone – munitie – B’ en gedeeltelijk binnen de ‘veiligheidszone – munitie – C’. Op 27 mei 2020 is het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020 ter inzage gelegd. Daarin zijn voor het plangebied dezelfde bestemmingen en aanduidingen als in het vigerende bestemmingsplan opgenomen.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de bestaande ruimtelijke toestand in het plangebied en het planprofiel besproken, waaronder een motivering van de stedenbouwkundige veranderingen. In hoofdstuk 3 wordt het ruimtelijk beleidskader nader uiteen gezet. In hoofdstuk 4 worden de milieuaspecten nader besproken. In hoofdstuk 5 wordt de juridische opzet uiteen gezet, die grotendeels geënt is op de opzet van het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied 2020. In hoofdstuk 6 worden de haalbaarheidsaspecten besproken.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
4
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
2
PLANPROFIEL
2.1
Bestaande situatie
05 02 2021
Bijgebouw bij bedrijfswoning Bedrijfswoning
Af te breken bedrijfsgebouwen
te handhaven bedrijfsgebouw
Figuur 3 – Bestaande situatie.
Op het adres Vorenseindseweg 104 is momenteel een bedrijf gevestigd met als bedrijfsactiviteiten de reparatie en verkoop van tuin- en bosbouwmachines. Deze bedrijfsactiviteiten vinden plaats in een bescheiden bijgebouw ten zuidwesten van de bedrijfswoning en enkele losse gebouwtjes daarachter.
Figuur 4 – Bestaande situatie (bron: Streetview, oktober 2009).
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
5
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
2.2
05 02 2021
Beoogde nieuwbouw
Figuur 5 – Beoogde toekomstige situatie: drie kleinere bijgebouwen worden gesloopt en daarvoor in de plaats wordt het bedrijfsgebouw vergroot; de bedrijfswoning blijft onveranderd.
De bestaande, af te breken bebouwing heeft een oppervlakte van 135 m2. Het nieuw te bouwen bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van 481 m2. Het te handhaven bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van 194 m2.
Figuur 6 – Voorgevel nieuw bedrijfsgebouw (bron: Rokx Bouwadvies BV, Sprundel).
2.3
Stedenbouwkundige aspecten
2.3.1
Bebouwde oppervlakte
Volgens het vigerende bestemmingsplan mag de maximale oppervlakte van bedrijfsgebouwen 530 m2 bedragen (artikel 6.2.1 onder a.: de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de op de kaart ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' aangegeven maximum oppervlakte,…). In de nieuwe situatie zou er (481+194) = 675 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig zijn, een overschrijding van de toegestane oppervlakte met 145 m2 (= 27,4%). Binnenplans is een afwijking van 15% mogelijk, maar de gevraagde afwijking van 27,4% bedraagt dus meer. Dat wil
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
6
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
zeggen dat alleen een buitenplanse afwijking mogelijk is. Deze ruimtelijke onderbouwing is onder meer daarop gericht. Tabel 1 – Overzicht bebouwing Te handhaven bedrijfsgebouw Af te breken bedrijfsgebouwen Nieuw te bouwen bedrijfsgebouw Totaal bedrijfsbebouwing Bedrijfswoning Bijgebouw bij bedrijfswoning Totaal bebouwing (bebouwingspercentage)
Bestaand 194 m2 135 m2 2
329 m 163 m2 63 m2 2 555 m (11%)
Nieuw 194 m2 481 m2 675 m2 163 m2 63 m2 2 901 m (18%)
motivering Allereerst wordt vastgesteld dat de aanpassing in het bestemmingsplan geen betrekking heeft op de oppervlakte van het bedrijfsperceel: alle werkzaamheden vinden plaats binnen de bestaande begrenzing van de bedrijfsbestemming. De gevraagde uitbreiding heeft betrekking op de oppervlakte bedrijfsbebouwing, niet op de oppervlakte van het bedrijfsterrein. De beperking van de toegestane oppervlakte bebouwing wordt in het algemeen gemotiveerd om landschappelijke redenen, om te voorkomen dat er een te sterke verstening van het buitengebied plaatsvindt en concreet om te voorkomen dat op de plaats van een klein bedrijfsgebouwtje een groot gebouwencomplex verschijnt. In dit geval zal de totale oppervlakte bebouwing op het bedrijfsperceel stijgen van 555 tot 901 m2. Daarmee blijft het bebouwingspercentage ruim onder de 20%. Daarmee mag gesteld worden dat er van onevenredige verstening van de locatie geen sprake zal zijn. Verder moet geconstateerd worden dat de nieuwe bebouwing 55 m van de straat wordt gerealiseerd. Van aantasting van het straatbeeld zal dan ook geen sprake zijn. Bovendien is er sprake van een zeer groene omgeving, die door de relatief bescheiden nieuwe bebouwing niet wezenlijk zal worden aangetast.
2.3.2 Goot- en bouwhoogte Volgens het vigerende bestemmingsplan mag de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de op de kaart aangegeven maat (artikel 6.2.1 onder d. en e.). Op de kaart is aangegeven: ‘maximum bouwhoogte : 5 m’ en ‘maximum goothoogte 4,5 m’. Deze maten lijken geïnspireerd door de bestaande situatie (bouwhoogte: 4,8 m, goothoogte 3 m). De gevraagde bouwhoogte bedraagt 8,60 m (afgerond: 9 m); de gevraagde goothoogte bedraagt 5,88 m (afgerond: 6 m). Motivering De beperking van de goot- en bouwhoogten heeft dezelfde reden als de hiervoor genoemde beperking van het bebouwd oppervlak, namelijk om landschappelijke redenen en om het straatbeeld te beschermen. Bovendien ontstaat door een grotere goothoogte het gevaar dat er meerdere bouwlagen worden gerealiseerd, waardoor de bedrijfsvloeroppervlakte onevenredig toeneemt. Van de andere kant is er de tendens naar vergroting van de hoogte. Dat zien we in de agrarische sector, maar ook in de overige bedrijfsbebouwing. In dit geval heeft de gevraagde vergroting van de hoogtes te maken met de toegankelijkheid van het gebouw voor grotere voertuigen (de hoogte van de
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
7
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
toegangsdeuren bedraagt 4,80 m). Er is geen gevaar voor een extra verdieping, omdat de hoogte van de bouwlaag dus minimaal 4,80 bedraagt. Verder wordt opgemerkt dat de toegestane hoogtes van de bedrijfswoning 5 en 9 m bedragen. Een bedrijfswoning met de gevraagde hoogtes zou dus wel toegestaan zijn, maar een bedrijfsgebouw niet. Verder wordt erop gewezen dat de toegestane hoogtes van agrarische bedrijfsgebouwen 11 en 6,5 m bedragen, ruim boven de gevraagde hoogtes. Nu het bedrijfsgebouw relatief bescheiden van omvang is en ruim binnen de gebruikelijke hoogtes in het buitengebied blijft en ook de plaatselijke omstandigheden zodanig zijn dat deze hoogtes landschappelijk geen onevenredige schade opleveren, kan gesteld worden dat de gevraagde verhogingen van de goot- en bouwhoogte aanvaardbaar zijn. 2.3.3 Conclusie Gezien de relatief bescheiden omvang van het gevraagde bedrijfsgebouw en gezien de plaatselijke omstandigheden kan gesteld worden dat de gevraagde vergroting van de oppervlakte bedrijfsbebouwing en de gevraagde verhogingen van de goot- en bouwhoogte aanvaardbaar zijn.
2.4
Verkeer en parkeren
Toetsingskader De gemeente Rucphen heeft in haar ‘Nota Parkeernomen Rucphen 2017’ uniforme parkeernormen vastgelegd die een duidelijke richting geven aan de mate van faciliteren van parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Voor elke functie geldt een eigen kader van parkeernormen. In de Nota Parkeernomen wordt onderscheid gemaakt naar functies die gegroepeerd kunnen worden naar een viertal hoofdfuncties, namelijk wonen, werken, detailhandel en overig. Wanneer er meerdere functies (wonen, medisch, etc.) deel uitmaken van een ontwikkeling kan er sprake zijn van dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Het is dan niet altijd noodzakelijk om in een gebied de som van de vraag naar parkeerplaatsen van de afzonderlijke functies aan te leggen. Dubbelgebruik wordt bepaald op basis van aanwezigheidspercentages, zoals opgenomen in het parkeernormenbeleid van de gemeente Rucphen. Beoordelingskader Het plangebied behoort tot het buitengebied. Het bedrijf (reparatie en verkoop van tuinbouwmachines) is aan te merken als een arbeidsextensief en bezoekextensief bedrijf. De gemeente hanteert daarvoor de volgende parkeernorm: 1,05 pp/100 m2 bvo.
Het geplande bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van 481 m2; het bestaande, te handhaven bedrijfsgebouw een oppervlakte van 194 m2. De totale
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
8
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt 675 m2. Daarbij hoort een aantal van 6,75x1,05 = 7,09 parkeerplaatsen. Bij de aanwezige bedrijfswoning dienen 2,4 parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Er mag rekening worden gehouden met dubbelgebruik. Maatgevend is de werkdag, waarop bij de woning uitgegaan wordt van een aanwezigheidspercentage van 50% en bij het bedrijf van 100%. Het aantal noodzakelijke parkeerplaatsen bedraagt 50%x2,4+100%x7,09 = 8,29 pp., afgerond: 9 pp. Dat betekent in het plangebied afgerond: 9 parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig moeten zijn. Verkeersgeneratie Op basis van de geprojecteerde en bestaande bedrijfsbebouwing wordt rekening gehouden met een verkeersgeneratie van 6,75x4,8 = 32,4 mvt/etm. voor het bedrijf en 8,2 mvt/etm. voor de bedrijfswoning, in totaal 40,6 mvt./etm. Dit aantal kan door de aanwezige infrastructuur (gelegen aan een verbindingsweg) gemakkelijk verwerkt worden. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren is, mits aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
9
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
3
BELEIDSKADER
3.1
Inleiding
05 02 2021
De beleidscontext voor het plangebied wordt gevormd door landelijke, provinciale, en gemeentelijke beleidsrapportages. In dit hoofdstuk is het relevante beleid samengevat.
3.2 Rijksbeleid 3.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), 2012
Toetsingskader In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van de rijksoverheid beschreven. Het kabinet schetst in de SVIR hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. De provincies en gemeenten krijgen in het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden, bijvoorbeeld op het gebied van landschappen, verstedelijking en het behoud van groene ruimte. Deze overheden zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Het Rijk onderscheidt thans nog dertien nationale belangen; uitsluitend op basis van deze belangen intervenieert het Rijk in de ruimtelijke ordening. Een groot deel van deze belangen leidt tot het reserveren van ruimte voor functies. Dit betreft dan bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor waterberging, militaire activiteiten en de uitbreiding van het hoofdwegennet. Beoordeling Voorliggend plangebied is gesitueerd in het buitengebied van de kern Sprundel en buiten een gebied waar van rijkswege een ruimtereservering geldt. Het planvoornemen betreft het vervangen van een aantal bestaande bedrijfsgebouwtjes door een nieuw en vergroot bedrijfsgebouw binnen een bestaande bedrijfsbestemming. Dat is niet strijdig met het rijksbeleid.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plangebied niet gelegen is in een gebied waarvoor van rijkswege een relevante ruimtereservering geldt. Aan de ‘ladder voor duurzame verstelijking’ wordt navolgend getoetst. 3.2.2
Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro), 2012
Toetsingskader Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
10
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
Op 1 oktober 2012 is aan het Barro een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Ecologische Hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd. Dit artikel bepaalt dat de toelichting bij een bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een verantwoording dient te bevatten dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.
Figuur 7 - Radarverstoringsgebieden; het plangebied (aangeduid met een rood sterretje) is gelegen buiten het gebied ex art. 2.2, lid 1 maar binnen het gebied ex art. 2.2 lid 2; daar geldt een maximale hoogte van windturbines van 90 m.
Beoordeling Het plangebied is niet gelegen in een gebied waarvoor op basis van het Barro en het Rarro een relevante ruimtereservering geldt. In het radarverstoringsgebied van de radarstation Woensdrecht, waarin het plangebied is gelegen, geldt een maximale bouwhoogte van 90 meter voor windturbines. Het onderhavige plan voorziet niet in het oprichten van windturbines. Daarnaast wordt niet in een ontwikkeling voorzien die raakt aan een van de nationale belangen. Conclusie De maximaal toegestane bouwhoogtes vanuit het radarverstoringsgebied vormen geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat onderhavige ontwikkeling passend is binnen de regels zoals gesteld in het Barro en het Rarro. 3.2.3
Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro), 2012
Toetsingskader De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
11
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De huidige definities worden niet gewijzigd. De uitgezette lijn in de jurisprudentie blijft hiermee in stand. -
De begrippen 'actuele' en 'regionale' zijn geschrapt. De nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt. Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht. Er is een nieuw artikellid toegevoegd voor de Laddertoets bij uitwerkingsen wijzigingsplannen. De Laddertoets kan dan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan.
De ladder houdt in dat er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte en indien blijkt dat sprake is van een behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Beoordeling In de definitiebepaling voor ‘stedelijke ontwikkeling’, als opgegeven in art. 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i Bro, luidende een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’ is geen ondergrens opgenomen. Uitgangspunt is de overzichtsuitspraak van de Raad van State (28 juni 2017 – 201608869/1), waarin wordt gesteld dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2 deze ontwikkeling in beginsel als stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt. Daar in dit geval een gebouw wordt voorzien van 481 m2 is ter plaatse geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dat betekent dat de beoogde bouwactiviteit niet is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in het kader van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’.
Conclusie De planontwikkeling is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking en voldoet aan de uitgangspunten.
3.3 3.3.1
Provinciaal beleid Interim omgevingsverordening Noord-Brabant
Het gaat hier om de locatie van een bestaand niet-agrarisch bedrijf (reparatie en verkoop van bosbouwmachines). Op deze locatie wordt een vergelijkbaar bedrijf (reparatie en verkoop van tuinbouwmachines) gevestigd, waarbij enkele kleine gebouwtjes worden afgebroken en vervangen door een groter gebouw. Het gaat hier dus om een bestaande niet-agrarische functie in het buitengebied. In de interim-omgevingsverordening is ten aanzien van de onderhavige beoogde ontwikkeling het volgende geregeld:
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
12
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
Artikel 3.71 bestaande niet-agrarische functie in landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied bevat regels voor een bestaande niet-agrarische functie die: -
de bestaande planologische gebruiksactiviteit vastleggen; een toename van de gebruiksoppervlakte voor mestbewerking uitsluiten; kunnen voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 0 een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 0 welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 0 hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk Gebied.
In de structuurvisie Rucphen 2030 wordt de gewenste ontwikkelingsrichting van de omgeving van het gebied op hoofdlijnen beschreven. Ten westen van het plangebied ligt de recent gerealiseerde omleidingsweg, tracé zuid. Dit nieuwe tracé grenst direct aan de achterzijde van de locatie.De realisatie van de omleidingsweg betreft een van de kernpunten uit de structuurvisie. Deze omleidingsweg is gerealiseerd om het doorgaande verkeer uit de centra van kernen te weren en vormt een regionaal verbindende route richting Zundert. Door de aanleg van de omleiding komt er langs de omleiding en in de centra ruimte vrij voor nieuwe ontwikkelingen en herstructurering. Deze ontwikkeling is recent afgerond en heeft dus niet geleidt tot een wijziging ter plaatse van het plangebied. Langs de nieuwe omleidingsweg is het magazijncomplex van defensie gelegen, dat een uitgestrekt bosgebied omvat. De groene begeleiding van de weg aan de kant van het plangebied bevat twee versnipperde delen met bos. Het landschappelijke inpassingsplan voor onderhavige locatie voorziet in het verbinden van deze versnipperde delen, zodanig dat ter plaatse een aaneengesloten groenstructuur langs de nieuwe omleidingsweg ontstaat. Bovendien voorkomt dit dat er vanuit de omleidingsweg direct zicht is op de nieuwe bebouwing. Dit versterkt de omgevingskwaliteit ter plaatse.
In de structuurvisie Rucphen 2030 wordt daarnaast onderschreven dat het plangebied onderdeel uitmaakt van een landbouwgebied dat van oorsprong kleinschalig van aard is. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt dat deze moet passen binnen de koers van de structuurvisie en beleid uit het bestemmingsplan voor het buitengebied. Een uitwerking van de visie voor het gebied ten oosten van de kernen is verder uitgewerkt in het landschapsontwikkelingsplan. De gemeente Rucphen streeft naar behoud en ontwikkeling van het landschap. De ondergrond en de ontginningsgeschiedenis hebben geleid tot een gevarieerd landschap met veel landschappelijke contrasten. De hoofdkeuze die met het landschapsontwikkelingsplan is gemaakt is het behouden en versterken van de karakteristieke verschijningsvorm van de verschillende bestaande landschapstypen en cultuurhistorie en het verder ontwikkelen van een goede omgevingskwaliteit. Het gebied ten oosten van de kernen, waar onderhavig plangebied in is gelegen, bestaat hoofdzakelijk uit oude besloten zandontginningen. De reliëfrijke ondergrond en de grillige waterhuishouding hebben een belangrijke rol gespeeld in de wijze van ontginning van het landschap. Het gebied is aangewezen als verwevingsgebied, waarbinnen
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
13
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
mogelijkheden liggen voor de ontwikkeling van verschillende functies, mits zij het wonen ter plaatse niet hinderen. De visie voor dit gebied ziet toe op het behouden en versterken van lijnvormige beplantingselementen, als gevolg waarvan de kenmerkende kamerstructuur behouden blijft en versterkt wordt. In deze ‘kamers’ zijn meerdere vormen van landgebruik denkbaar; akkerbouw, melkveehouderij,bomenteelt en zelfs kleinschalige glastuinbouw of intensieve veehouderij. Ter plaatse van het plangebied is deze kamerstructuur zichtbaar aanwezig. Deze wordt gevormd door de beplanting langs de naastgelegen wegen en door het bosrijke gebied rondom het magazijncomplex van defensie. De geringe wijziging van het huidige gebruik naar het toekomstige gebruik, in beide gevallen in gebruik voor niet agrarische bedrijvigheid, is aldus passend binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied. Door de aanleg van het voorgestelde landschappelijke inpassingsplan ontstaat een aaneengesloten groene structuur langs de nieuwe omleidingsweg. Dit draagt bij aan de omgevingskwaliteit ter plaatse. Op dit moment is de gemeente Rucphen bezig met de voorbereidingen om te komen tot een omgevingsvisie. De bestaande structuurvisie en het landschapsontwikkelingsplan zullen daarin nader worden doorvertaald en voorziet geen wijzigingen ter plaatse van het plangebied en zijn directe omgeving. Artikel 3.6
Zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1 Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat: a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat: 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk; 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan; b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. Lid 2 Onder bestaand ruimtebeslag voor bebouwing wordt werkingsgebied Stedelijk Gebied of een bestaand bouwperceel.
verstaan
het
De nieuwbouw voor het bedrijf vindt plaats op het bestaande, positief bestemde, bedrijfsperceel. Er is derhalve sprake van “bestaand ruimtebeslag”. Daardoor wordt voldaan aan de regel 3.6.1.a en 3.6.1.c. In paragraaf 3.2.3 is al aangegeven dat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Artikel 3.7 Toepassing van de lagenbenadering Lid 1 De toepassing van de lagenbenadering omvat het effect van de ontwikkeling op de lagen in onderlinge wisselwerking met elkaar en het actief benutten van de factor tijd. Lid 2 De lagenbenadering omvat de effecten op: a. de ondergrond, zoals de bodem, het grondwater en archeologische waarden; b. de netwerklaag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
14
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
c.
05 02 2021
de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.
Lid 3 Door de factor tijd actief te benutten wordt rekening gehouden met de herkomstwaarde, vanuit het verleden, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde gelet op duurzaamheid en toekomstbestendigheid. In deze toelichting wordt ingegaan op de effecten van de onderhavige ontwikkeling op de verschillende onderdelen van de lagen. Steeds is de conclusie dat er geen overwegende effecten optreden. Artikel 3.8 Meerwaardecreatie Lid 1 Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder: a. de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren waardoor er meerwaarde ontstaat; b. de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn. Lid 2 De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie. Verwezen wordt naar paragraaf 3.3.2. 3.3.2
Kwaliteitsverbetering landschap
Toetsingskader Om de kwaliteit van het landschap te versterken heeft de provincie NoordBrabant in haar “Structuurvisie ruimtelijke ordening” en de “Interim omgevingsverordening Noord-Brabant” het principe van ‘kwaliteitsverbetering van het landschap’ geïntroduceerd. Dit principe houdt kort samengevat in, dat er enerzijds ruimte wordt geboden aan diverse ontwikkelingen, onder voorwaarde dat deze anderzijds gepaard gaan met maatregelen die het landschap –in de brede zin- versterken. Die versterking kan bijvoorbeeld plaats vinden door landschapselementen aan te leggen maar ook door specifieke aandacht te schenken aan de kwaliteit van de op te richten bebouwing, of door behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen. Voor stedelijke ontwikkelingen bestond deze rood-met-groen koppeling al langer. Deze is nu ook opgezet voor het buitenstedelijk gebied. Over de uitvoering van kwaliteitsverbetering verdient het aanbeveling dat regionaal eenduidige afspraken worden gemaakt. Deze notitie bevat een voorstel over hoe in de regio West-Brabant om te gaan met deze kwaliteitsverbetering. De regio West-Brabant is landschappelijk gezien een regio met grote verschillen. Waar het zuidelijk gedeelte overwegend bestaat uit een meer kleinschalig landschap op zandgronden, wordt het landschap naar het noorden toe grootschaliger met open polders op zee- en rivierklei.
In het landschap komen ook relicten uit het verleden voor, zoals linies, vestingen en turfvaarten. Ook de infrastructuur en de verstedelijking bepalen voor een groot deel het beeld van het landschap.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
15
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
Vanwege deze diversiteit zal de ene gemeente andere gedachten hebben bij kwaliteitsverbetering van het landschap dan de andere. De notitie biedt dan ook ruimte voor al deze verschillende landschappen en al deze verschillende gedachten over kwaliteitsverbetering. Wel is er een eenduidige regeling opgenomen voor de regio West-Brabant. In de notitie is beschreven hoe de rood-met-groen koppeling op uniforme en eenduidige wijze wordt toegepast, inclusief minimale basisinspanning (een gemeente kan er voor kiezen een grotere inspanning te vragen) en mogelijkheid van fondsvorming, de periodieke verantwoording over uitvoering en het voeren van ruimtelijk kwaliteitsbeleid. In de notitie wordt onderscheid gemaakt tussen drie categorieën ruimtelijke ontwikkelingen: Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met relatief weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden waarbij de kwaliteitsverbetering van het landschap wordt vormgegeven door te voorzien in enkel een goede landschappelijke inpassing.
Categorie 3: Alle ruimtelijke ontwikkelingen welke mogelijk worden gemaakt via met name een wijzigingsplan of een bestemmingsplanherziening, tenzij de ontwikkeling concreet benoemd wordt in een andere categorie. Beoordeling De onderhavige ontwikkeling gaat om de vervanging van enkele bestaande bedrijfsgebouwtjes door een nieuw, groter bedrijfsgebouw binnen de bestaande bedrijfsbestemming. Omdat de toegestane bebouwingsoppervlakte vergroot wordt, is hiervoor een bestemmingsplanherziening nodig. Deze ontwikkeling wordt niet genoemd in de limitatieve lijst van activiteiten die volgens de regeling onder categorie 1 vallen. Dat betekent dat de ontwikkeling automatisch onder categorie 2 of 3 valt. In het landschappelijk inpassingsplan(bijlage 06) is ervan uitgegaan dat het planvoornemen onder categorie 3 valt. Dat betekent dat 20% van de waardevermeerdering ingezet moet worden voor de kwaliteitsverbetering van het landschap. Verwezen wordt voor het overige naar bijlage 06.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Rucphen 2030
Toetsingskader Op 11 december 2013 heeft de gemeenteraad de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ vastgesteld. In deze structuurvisie geeft de raad zijn visie op de ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst. Hoe moet ons landschap er in de toekomst uit zien? Waar mag worden gebouwd, of herontwikkeld? Wat moet worden beschermd? De gemeente Rucphen kan en zal niet alle plannen uit de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ zelf uitvoeren, maar zal zich uitnodigend en faciliterend opstellen naar initiatiefnemers. Beoordeling In de Structuurvisie Rucphen 2030 is het plangebied, net als een groot deel van het buitengebied, aangeduid als "Agrarisch gebied met recreatief medegebruik", waarbij behoud van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden een randvoorwaarde is. In dit gebied komen ook niet-agrarische functies voor, zoals
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
16
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
burgerwoningen en niet-agrarische bedrijven. Het aangrenzende bosgebied is aangeduid als “Ruphense bossen; versterken natuur en extensieve recreatie (onderdeel EHS)”. In de omgeving worden zeker nog toekomstige ontwikkelingen verwacht. In de structuurvisie is ter hoogte van de omgeving van het plangebied de aanleg van de omleiding Rucphen voorzien. Verder staat het gebied ten noordoosten van het plangebied aangegeven als “zoekgebied bedrijventerrein”. De huidige functie van het plangebied is niet strijdig met de aanduiding in de Structuurvisie Rucphen 2030. Ook met de toekomstige ontwikkelingen die voorzien zijn in dat plan, is de geplande ontwikkeling in beginsel niet strijdig. Conclusie De beoogde bouw van een nieuw bedrijfsgebouw ter vervanging en uitbreiding van drie bestaande bedrijfsgebouwtjes op een geldende bedrijfsbestemming conflicteert niet met de Structuurvisie Rucphen 2030.
Figuur 8 - Structuurvisie Rucphen (uitsnede); het plangebied (binnen het gele cirkeltje) is aangeduid als "Agrarisch gebied met recreatief medegebruik".
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
17
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
3.4.2
05 02 2021
Groenstructuurplan ‘Landschap onthuld’, 2010
Toetsingskader Het Groenstructuurplan komt voort uit het Visiedocument Groenbeleid en geeft richting aan het behoud en de ontwikkeling van de openbare groenstructuren in het stedelijk gebied. Het plan bevat een groensaldoregeling voor een verantwoorde omgang met groen. De regeling zorgt ervoor dat de groene ruimte niet onbekommerd kan worden aangetast. De bijbehorende Groenstructurenkaart toont de meest relevante openbare groenstructuren in de gemeente en vormt tevens een visiebeeld. Beoordeling
Figuur 9 - Uitsnede van de kaart behorende bij het Groenstructuurplan van de gemeente Rucphen. Het plangebied is aangeduid binnen het bosgebied (het plangebied is geduid met een rode cirkel), aan de rand van een hoofdweg.
Het plangebied wordt in het groenstructuurplan aangeduid als behorende tot het bosgebied. In functioneel-ruimtelijk opzicht is dat niet juist. Maar het geeft wel de ambitie van de gemeente aan om hier een groene begeleiding van de hoofdweg naar Sprundel te maken. Daarmee wordt een vingerwijzing voor de landschappelijke inpassing gegeven. Conclusie Het planvoornemen is in beginsel niet strijdig met het groenstructuurplan van de gemeente Rucphen, mits er een goede landschappelijke inpassing plaatsvindt. 3.4.3
Overige beleidsstukken
Overige relevante beleidsstukken zijn: de ‘Nota Parkeernomen Rucphen', die is behandeld in paragraaf 2.4 en het vigerende bestemmingsplan, dat is behandeld in paragraaf 1.3. Verder zullen hierna de volgende beleidsstukken aan de orde komen: het waterbeleid (paragraaf 4.3), het erfgoedbeleid (paragraaf 4.4) en het archeologiebeleid (paragraaf 4.5).
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
18
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
4
MILIEU EN ZONERING
4.1
Inleiding
05 02 2021
Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: ‘bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen’. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Tevens moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Ten behoeve van de voorgenomen realisatie van het beoogde planvoornemen heeft onderzoek plaatsgevonden naar een aantal uitvoeringsaspecten. Met het planvoornemen wordt aangesloten op de al gerealiseerde ruimtelijke en functionele structuur, zoals de ontsluitingsstructuur. Hieronder wordt verslag gedaan van de uitkomsten van het gepleegde onderzoek. Eventuele onderzoeksrapporten zijn als (separate) bijlagen gevoegd bij dit bestemmingsplan.
4.2
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Er is voor het projectgebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 6) Conclusie In de rapportage wordt het volgende geconcludeerd: “Het bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning voor het herbouwen en vergroten van een bedrijfsruimte. De locatie heeft een oppervlakte van 11.904 m2 en betreft een vrijstaande woning met twee schuren, drie bijgebouwen en een tuin. De onderzoekslocatie beperkt zich tot de nieuwe bedrijfsruimte en heeft een oppervlakte van circa 480 m2. Op het westelijke bijgebouw is asbesthoudende dakbedekking aanwezig zonder dakgoten.
Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatieinspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd kan worden. De dakrand onder het bijgebouw is als verdacht beschouwd ten aanzien van asbest in de (boven)grond, derhalve is aansluitend een verkennend asbestonderzoek verricht. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
19
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
Bedrijfsruimte, circa 480 m2: In de bovengrond ter plaatse van de boringen 1 t/m 4 (M01) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In de ondergrond ter plaatse van de boringen 1 t/m 4 (M02) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 (GW01) zijn licht verhoogde concentraties aan barium en nikkel aangetroffen. Aangenomen wordt dat de licht verhoogde concentraties aan zware metalen natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden betreffen. De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in het grondwater zijn echter zeer gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie niet noodzakelijk geacht. Toplaag onder dakrand, circa 3 m2: Er zijn visueel op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In bovengrondmengmonster AM01 is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie kan worden verworpen aangezien geen bodemverontreiniging is aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie niet noodzakelijk geacht.
De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning voor het herbouwen en vergroten van een bedrijfsruimte.”
4.3 Water Toetsingskader Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het tot stand komen van deze paragraaf is overleg gevoerd met de waterbeheerder. Waterschapsbeleid Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio.
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
20
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'. Waterbeheerplan Grenzeloos verbindend 2016-2021 In het waterbeheerplan 2016-2021 heeft het Waterschap Brabantse Delta de doelen en maatregelen voor de periode van 2016 tot en met 2021 geformuleerd. Ook beschrijft het waterschap hoe wordt ingespeeld op de veranderende omstandigheden, zoals het klimaat. In vijf jaar tijd kan er veel veranderen. Daarom controleert het waterschap tijdens de planperiode regelmatig of doelen en maatregelen nog steeds goed gekozen zijn of dat aanpassing nodig is.
Het Waterbeheerplan geeft de basis voor dit continue proces van plannen. Het Waterbeheerplan beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-2021. Het is een inhoudelijk vernieuwend plan, dat in dialoog met partners is opgesteld. In de uitvoering van ons werk wordt rekening gehouden met de toekomst: klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: ● ● ● ● ●
● ●
het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater een duurzame energiewinning;
Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta Op regionaal niveau is de provincie verantwoordelijk voor het beleidsveld water. Vigerend is het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP). Het PMWP is de structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
21
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
en/of conservering van hemelwater. Voor het beheer van het oppervlaktewater is in onderhavig plangebied het Waterschap Brabantse Delta verantwoordelijk. Uniformering Keuren De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d.
de toename van verhard oppervlak tussen de 2.000 m2 en 10.000 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit ( in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06. De norm voor de retentie bedraagt 600 m3/hectare. Waterplan Rucphen, 2007 De gemeente Rucphen heeft samen met het Waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en Brabant Water het Waterplan opgesteld ten behoeve van het op orde brengen en houden van het watersysteem in de gemeente Rucphen. De wateropgave tot 2050 voor de gemeente is divers. Het varieert van het bestrijden van wateroverlast in de kernen tot het werken aan een betere waterkwaliteit en ecologie.
Onderzoek Gebiedsbeschrijving De locatie is gelegen ten westen van de kern Sprundel. De locatie is als bedrijfsperceel in gebruik. De locatie is gelegen op de zandgronden aan de rand van het Brabantse zand (fluvioperiglaciaal zand, Formatie van Kedichem). Daarop zijn dekzanden afgezet (formatie van Twente, dunner dan 2 m) (gegevens ontleend aan de Geologische kaart van Nederland, Haarlem, 1980). De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. Hoewel voor zover bekend in de directe omgeving geen particuliere grondwateronttrekking plaatsvindt, is gezien de landelijke omgeving een particuliere onttrekking van grondwater niet uit te sluiten. Gegevens hieromtrent zijn echter niet beschikbaar. Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart (Stiboka: Bodemkaart van Nederland, blad 49 Oost, 1982) bestaat de bodem ter plaatse uit laarpodzolgronden in lemig fijn zand. Deze gronden hebben een dunne humeuze bovenlaag.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
22
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
Ter plaatse van de onderzoekslocatie is Grondwatertrap VII aanwezig. Daar ligt de gemiddelde hoogste grondwaterstand meer dan 80 cm onder maaiveld, de gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 160 cm onder maaiveld. Er zijn in de bestaande situatie geen gevallen van wateroverlast bekend. Geplande veranderingen Het beoogde plan voorziet in de vervanging van drie bestaande bedrijfsgebouwtjes met een totale oppervlakte van 135 m2 door een nieuw bedrijfsgebouw met een oppervlakte van 481 m2. Een bedrijfsgebouw van 194m2 blijft gehandhaafd, evenals de bedrijfswoning met een oppervlakte van 163 m2 en het daarbij behorende bijgebouw (garage) van 63 m2. De locatie is thans gedeeltelijk verhard (oppervlakte verharding: 808 m2). De oppervlakte terreinverharding zal globaal gelijk blijven. Relevant voor de waterparagraaf zijn de mutaties in de oppervlakten verharding in het plangebied. Tabel 1 – verharding plangebied Oppervlakte (m2)
Oppervlakte (m2)
bestaand -
nieuw +
Nieuw bedrijfsgebouw
163 63 194 135 0
163 63 194 0 481
Overige terreinverharding (toeritten, paden, parkeervoorzieningen)
808
810
Totaal
1363
1711 + 348 m2
Woning Bedrijfswoning Bijgebouw bij bedrijfswoning Bestaande bedrijfsgebouw, te handhaven Bestaande bedrijfsgebouwtjes, af te breken
Toename/afname
Uit de tabel blijkt, dat de totale verharde oppervlakte in het plangebied in de toekomst zal toenemen tot 1711 m2, een toename van 348 m2. Gezien deze omvang (minder dan 2000 m2) zijn geen extra voorzieningen vereist. De hemelwaterafvoer zal niet in het riool terecht komen. Daarbij moet ervoor gezorgd worden dat er geen vervuilende stoffen in het milieu terecht komen. Dat betekent dat voor de regenwaterafvoer van de nieuwe voorzieningen milieuvriendelijke stoffen gebruikt moeten worden en dat uitlogende bouwmaterialen, zoals lood, koper, zink en zacht PVC niet mogen worden gebruikt. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Huishoudelijk afvalwater (vuil water) Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd middels de bestaande aansluiting op de aanwezige riolering in de Vorenseindseweg , overeenkomstig de voorwaarden van en in overleg met de rioolbeheerder. Watertoets Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan (dus ook in een bestemmingsplan) gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. In het voorafgaande is al aangegeven dat de beoogde planherziening een verandering op watergebied inhoudt en op welke wijze dit gepland is.
Het overleg met de waterbeheerder(s)
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
23
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
is onderdeel van deze watertoets. De watertoets wordt uitgevoerd tijdens het overleg met het waterschap.
4.4
Cultuurhistorie
Gebiedsbeschrijving Algemeen De locatie is gelegen in het dorp Sprundel in de gemeente Rucphen. Ondergrond Kenmerkend voor het landschap rondom de kern Sprundel is de ligging op relatief arme dekzanden. In het verleden waren deze zanden op diverse plaatsen bedekt met veengronden. Het veen is sinds de middeleeuwen geleidelijk afgegraven en de onderliggende zandgronden werden in gebruik genomen als landbouwgrond. De veld- en laarpodzolgronden die in deze omgeving liggen1, zijn ontstaan na het afgraven van de veenlagen. Ontwikkeling van het gebied Sprundel werd de voor het eerst genoemd in 992, toen nog onder de naam Castellum Sprundelheim, in een schenkingsacte van de Abdij van Thorn. De plaats is ongetwijfeld nog ouder dan de acte. Schriftelijke documenten uit die tijden zijn echter schaars. Ook in de omgeving van Sprundel werd turf gewonnen, van omstreeks 1300 tot 1500, waarna het veen uitgeput raakte en de streek in armoede verviel. In 1609 telde het dorp ongeveer 450 inwoners. Toen het veen rond het einde van de middeleeuwen uitgeput raakte, bleef er slechts arme zandgrond over, waarop marginale landbouw mogelijk was. Ondertussen bleven de restanten van de turfwinning in de vorm van turfvaarten en jaagpaden in het landschap liggen. Het onbruikbare veenlaagje dat was overgebleven werd in het zand gewerkt en zo ontstond op de gronden vlakbij de kern akkergrond.
De wat verder weg gelegen gronden en de erg onvruchtbare gronden bleven onbewerkt liggen en raakten begroeid met heide. Monumenten en karakteristieke bebouwing In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin zijn panden aangewezen als MIP-object.
Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Beleid gemeente De provincie Noord-Brabant gaat ervan uit dat de informatie afkomstig uit de kaartlaag ‘overige cultuurhistorische waarden: informatie van CHW 2006’ op gemeentelijk niveau wordt geactualiseerd. De Cultuurhistoriekaart van de gemeente Rucphen biedt een overzicht van de aanwezige cultuurhistorische aspecten, structuren en gebieden in de gemeente Rucphen. Op de gemeentelijke 1
Stiboka (1982): Bodemkaart van Nederland 1:50.000, blad 49 Oost,
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
24
NL.IMRO.0840.9000B0051-ON01 08045-bptoe-Vorenseindseweg-104-v3-2
05 02 2021
cultuurhistoriekaart is onder andere de locatie van bouwkunst binnen de gemeente weergegeven. Eveneens is op de cultuurhistoriekaart de karakteristieke bebouwing van de diverse kernen in kaart gebracht.
Beoordeling
Figuur 10 - Gemeentelijke cultuurhistoriekaart; in het plangebied (rood cirkeltje) zijn geen overwegende cultuurhistorische waarden aanwezig; het gebied bestond in 1840 reeds uit cultuurgrond (beige); de locatie was in de negentiende eeuw reeds bebouwd (groen rondje), maar daarvan is thans niets meer te zien; de Vorenseindseweg is aangegeven als "overige historische wegen".
In het plangebied zelf zijn geen overwegende cultuurhistorische waarden aanwezig. Het gebied bestond, blijkens Figuur 10 in 1840 reeds uit cultuurgrond. De locatie was in de negentiende eeuw reeds bebouwd, maar daarvan is thans niets meer te zien. De Vorenseindseweg is aangemerkt als "overige oude wegen". Door de planvorming wordt deze weg niet verlegd of anderszins aangetast in zijn cultuurhistorische waarde. Ook overigens worden er geen cultuurhistorische waarden aangetast door de beoogde nieuwbouw van een bedrijfsgebouw en/of de afbraak van drie kleinere bedrijfsgebouwtjes. Conclusie Voorliggend planvoornemen heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden.
4.5
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Deze wet is sinds 1 juli 2016 deels opgegaan in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Gemeente moeten daarnaast archeologieparagrafen opnemen in