CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

09b bijlagen bij toelichting tb NL.IMRO.0840.9000B0040-ON01 2021-08-02 1

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 1 december 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Schijfsebaan 17 te Schijf’18.326 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

14

8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historisch gebruik

Akker/weiland, bebouwd vanaf circa 1930

Huidig gebruik

Braakliggend

Bekende verstoringen

Landbouw, sloop woning en bijgebouwen

Historische situatie Vanaf de Late Middeleeuwen werd het veengebied rondom het plangebied ontgonnen. Veenmoerrassen werden afgegraven om turf te verkrijgen, wat op 300 m ten westen van het plangebied is begonnen in 1398 met de aanleg van de Hesselvaart (tegenwoordig Scherpenbergsebaan). Ter plaatse van het plangebied is de veenwinning begonnen in 1553, wanneer de ontginning van de “228½ bunders” wordt uitgegeven (Leenders, 2013 en de Turfdatabank van Antwerpen3). De ontwikkeling van het plangebied is te volgen vanaf de kadastrale Minuutkaart uit 1811-1832 (figuur 3; bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Het plangebied volgens de oorspronkelijke bijlages van de kaart (OAT) nog woeste grond in bezit van de gemeente Zundert (tegenwoordig Rucphen). Op de kadastrale minuut is een cirkel getekend, mogelijk verwijzend naar een hoogte. Op de topografische kaart uit circa 1880 is met hoogtelijnen aan de noordzijde van het plangebied een verhoging aangegeven (figuur 4). Het plangebied blijft tot halverwege de 20e eeuw een heidegebied (vergelijk figuur 5-6). Gedurende de periode 1950-1980 wordt de hoogte aan de noordzijde van het plangebied niet meer afzonderlijk ingetekend. Gedurende de periode 1950-1960 wordt het gebied verkaveld als akkerland, waarbij rechthoekige percelen worden ingericht. Deze perceelvormen zijn tegenwoordig nog zichtbaar (figuren 6-8).

De eerste bebouwing in het plangebied is zichtbaar op kaarten vanaf circa 1980, hoewel de bebouwing op basis van kadastrale gegevens reeds in 1947 gebouwd zou moeten zijn (bron: bagviewer.kadaster.nl). De te slopen aanbouw centraal in het plangebied is ook op de kaarten uit 1980 nog niet zichtbaar. Het is onduidelijk wat de oorzaak van deze discrepantie is. De te slopen bijgebouwen zijn op basis van kadastrale gegevens in 1997 en 2000 gerealiseerd en zijn duidelijk zichtbaar op de luchtfoto uit 2019 (figuur 9). Militair erfgoed Gebaseerd op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed zijn er voor het plangebied geen aanwijzingen dat archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog aanwezig zijn (www.ikme.nl). Op Traces of War (www.tracesofwar.com) en het Brabants Historisch Informatie Centrum (www.bhic.nl) zijn evenmin resten uit de Tweede Wereldoorlog in de omgeving van het plangebied bekend. De VEO Bommenkaart geeft geen aanwijzing dat explosieven-vooronderzoek heeft plaatsgevonden in het plangebied (www.explosievenopsporing.nl). Op de kaart van verdedigingswerken zijn geen verdedigingswerken bekend in het plangebied of in de omgeving van het plangebied (bron: www.landschapinnederland.nl /militaire-landschapskaart).

Huidig gebruik en bodemverstoringen • Het plangebied was ten tijde van onderhavig onderzoek in gebruik als woning met bedrijfsbebouwing (gezamenlijk oppervlakte circa 700 m²; bron: bagviewer.kadaster.nl en www.pdok.nl), erf van de woning en hoveniersbedrijf (circa 2000 m²) en als grasland (circa 7300 m²). De te slopen bebouwing is gefundeerd op betonbalken en -poeren tot een diepte van circa 40-50 cm -Mv. Er zijn geen kelders aanwezig (bron: initiatiefnemer)

3

https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitale-kaarten.html

15

•

Het gebruik van het plangebied als akker- of weiland heeft mogelijk voor ondiepe verstoringen gezorgd.

•

Op basis van de Ontgrondingenkaart van de Provincie Noord-Brabant is vast te stellen dat voor het plangebied geen vergunning voor zandwinning is afgegeven, dit is wel het geval voor de percelen direct ten oosten van het plangebied (bijlage 7). Ook aan de hand van het AHN zijn geen aanwijzingen voor ontgraving zichtbaar in het plangebied (bijlage 4).

•

In de Omgevingsrapportage van Noord-Brabant zijn geen milieukundige onderzoeken of saneringen bekend (bron: https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/).

Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl.

.

16

Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit circa 1880. Bron: topotijdreis.nl.

Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1925. Bron: topotijdreis.nl.

17

Figuur 7. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1955. Bron: topotijdreis.nl.

Figuur 6. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1980. Bron: topotijdreis.nl.

18

Figuur 8. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1997. Bron: topotijdreis.nl.

Figuur 9. Het plangebied (rood omlijnd) op een luchtfoto uit 2019. Met de bruine lijnen is de bestaande bebouwing in het plangebied weergegeven. Bron: www.pdok.nl

19

9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden

Hoog - Laag

Periode

Hoog: Laat-Paleolithicum – Neolithicum Laag: Bronstijd – Nieuwe tijd

Complextypen

Kampementen, nederzettingen, grafveld

Stratigrafische positie

In de top van het dekzand

Diepteligging

Direct onder de bouwvoor

Archeologische verwachting en periode Het plangebied ligt in een gebied waar dekzand op terrasafzettingen verwacht wordt. Blijkens de vele vondsten in de omgeving heeft de omgeving van het plangebied gunstige omstandigheden voor bewoning gehad gedurende het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Dit is waarschijnlijk het gevolg van de aanwezigheid van vennen in het dekzand rondom het plangebied. De vondsten in de omgeving zijn echter allemaal verzameld tijdens veldkarteringen en beslaan uitsluitend uit vuursteen van ex-situ vindplaatsen. Aangezien de vondsten aan maaiveld gedaan zijn, wordt er wel van uit gegaan dat de vondsten afkomstig zijn uit het dekzand. Vanaf de Bronstijd zijn de pleistocene afzettingen overgroeid geraakt met veen. Door voortdurende vernatting en veengroei ontstaan ongunstige omstandigheden voor bewoning, die door aanhoudende veengroei blijven bestaan tot in de Late Middeleeuwen en de Vroege Nieuwe tijd. Het veen in het plangebied wordt vanaf 1553 gewonnen voor turf. Na afloop van de veenwinning vormt zich een heidelandschap, dat voor zover af te leiden van historische kaarten tot halverwege de 20 e eeuw nog woeste grond is geweest. Het plangebied heeft daarom een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd.

Stratigrafische positie Het archeologisch relevante niveau is de top van het dekzand, die zich waarschijnlijk direct onder de moderne bouwvoor bevindt. In de top van het dekzand kunnen sporen van bodemvorming aanwezig zijn die een belangrijke indicatie vormen voor de mate van intactheid van het dekzand. Gezien de kartering als veldpodzolbodem worden B-horizonten van 10-15 cm verwacht of dieper uitgeloogde BChorizonten verwacht. De mate van bodemvorming is echter afhankelijk van de mate van vochtigheid waaronder het plangebied verkeerd heeft. Complextype en aanwezigheid De archeologische resten die verwacht worden zijn voornamelijk gerelateerd aan kampementen (LaatPaleolithicum-Mesolithicum) en nederzettingen (Neolithicum) •

•

Archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum worden verwacht in de vorm van kampementen, die zich kenmerken door een strooiing van vuursteen en houtskool en grondsporen in de vorm van haardkuilen. Deze resten worden verwacht in de top van het dekzand, wanneer nog intact aanwezig (aanwezigheid B-horizonten). Dergelijke vindplaatsen beslaan over het algemeen een oppervlakte van enkele tientallen vierkante meters. Archeologische resten uit de periode Neolithicum worden verwacht in de vorm van huisplaatsen, die zich kenmerken door een strooiing van vuursteen, aardewerk en huttenleem en grondsporen zoals paalgaten, afvalkuilen, greppels en waterputten. Ook deze resten worden verwacht in de top van het dekzand. Wanneer de oorspronkelijke bodemopbouw is afgetopt, is een eventueel vondstenniveau mogelijk deels verdwenen en worden hoofdzakelijk grondsporen verwacht. Vindplaatsen uit deze periode kunnen een oppervlakte enkele honderden (één boerderij) tot duizenden vierkante meters (dorp) beslaan. 20

•

Sporen van begraving kunnen zowel in de vorm van inhumaties als crematies worden aangetroffen en kenmerken zich zowel door grondsporen (bijvoorbeeld grafkuilen in de Enkelgrafcultuur) als door vondstmateriaal (grafcontainers, grafgiften, gecalcineerd bot), afhankelijk van de periode.

Bovenstaande archeologische verwachting is echter sterk afhankelijk van de mate van intactheid van de bodemopbouw in het plangebied. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor diepreikende verstoringen van de ondergrond in het plangebied. Om bovenstaande verwachting te kunnen toetsen zijn daarom boringen nodig om over de bodemopbouw en mate van intactheid van de bodem uitspraken te doen.

21

10. Resultaten veldonderzoek Onderzoekstrategie

Verkennend booronderzoek

Aantal boringen

8

Type boor

Edelmanboor

Boordiameter

7 cm

Maximale boordiepte

150 cm -Mv.

Werkwijze Het doel van het veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in ter plaatse van de voorgenomen woning een verkennend booronderzoek uitgevoerd volgens het Plan van Aanpak (Rap, 2020). De boringen zijn gebruikt om de mate van intactheid van de bodem te bepalen, inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de landschappelijke ligging van het plangebied. In totaal zijn in het plangebied acht boringen gezet (boringen 1-8). De boringen zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm tot een diepte van 150 cm -Mv. De opgeboorde monsters zijn handmatig verbrokkeld, versneden en doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals bot, aardewerk, baksteen, bewerkt vuursteen en houtskool). De boringen zijn gefotografeerd, waarna ze zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). De foto’s en beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 9 en 10. De boringen zijn zo gelijkmatig mogelijk verdeeld in het plangebied, waarbij rekening is gehouden met een raster van 40x50 m rondom de bestaande bebouwing. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 7. De hoogteligging ten opzichte van NAP van de boorpunten is afgeleid van het AHN.

Veldwaarnemingen In het westelijk en zuidelijk deel van het plangebied is sprake van glooiingen van 20-30 cm hoogte tussen boorpunten 1, 4, 6 en 7. Ten oosten van boorpunten 5 en 7 daalt het maaiveld circa 80-90 cm, dit volgt het reliëf dat eerder aan de hand van het AHN is vastgesteld. Er zijn geen steilranden of scherpe overgangen waargenomen, indicatief voor afgravingen. Aan maaiveld zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Foto’s van het plangebied zijn weergegeven in figuur 10 en 11.

Figuur 10. Foto’s van het plangebied. Links betreft het westelijk deel van het plangebied vanaf de rand van de tuin richting boorpunt 1. Rechts betreft een zicht richting het oosten vanaf boorpunt 6. Fotograaf: J. Rap, 1609-2020

22

Figuur 11. Foto’s van het plangebied. Links betreft een dierenweide ter plaatse van boring 3, rechts betreft het erf ter plaatse van boringen 5 en 8 gezien richting het zuiden. Op de rechter foto is duidelijk het dalende maaiveld richting boring 8 zichtbaar. Fotograaf: J. Rap, 16-09-2020

Lithologie en bodemopbouw De bodemopbouw in het plangebied is grofweg op te delen in een westelijk deel van het plangebied (boringen 1-4, 6 en 7) en een zuidoostelijk van het plangebied (boring 5 en 8). De natuurlijke afzettingen in het westelijke deel van het plangebied bestaan uit matig siltig matig fijn zand, dat vanaf 15-75 cm -Mv (11,7-12,6 m +NAP) is aangetroffen. Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als dekzand. In de top van deze afzettingen is sprake van bodemvorming in dit deel van het plangebied. In boringen 1, 3, 4, 6 en 7 zijn humeuze en ijzerhoudende inspoellagen aangetroffen in de top van het dekzand vanaf een diepte van Deze lagen zijn geïnterpreteerd als intacte Bh-horizonten (roodbruin tot bruingeel; boringen 1 en 6) en BC-horizonten (lichtbruingeel; boringen 1-4, 6 en 7). De verspreiding ervan in het plangebied is weergegeven in bijlage 8. Ter plaatse van boring 2 zijn de horizonten zoals elders in het plangebied waargenomen niet aanwezig (35-55 cm Mv; 12,4-12,6 m +NAP). Het dekzand zonder bodemvorming (C-horizont) is geelgrijs van kleur en is aangetroffen vanaf 55-100 cm -Mv (11,5-12,4 m +NAP). De natuurlijke afzettingen in het natte deel van het plangebied (boring 5 en 8) bestaan uit matig fijn matig siltig grijs zand, dat is aangetroffen vanaf 110-130 cm -Mv (10,7-10,9 m +NAP).

Ook dit zand betreft het dekzand, dat op basis van de meer grijze kleur waarschijnlijk onder vochtiger omstandigheden heeft verkeerd dan de rest van het plangebied (gereduceerd). Op het dekzand ligt een zwak humeus, gevlekt lichtgrijsbruin matig fijn en matig siltig zand, dat is aangetroffen vanaf 4050 cm -Mv (11,4-11,5 m +NAP). Dit betreft een opvulling van het ven, dat zowel een natuurlijke als menselijke oorsprong kan hebben. Op deze vulling is vanaf maaiveld een laag grijsbruin zand aangetroffen, waarin brokken roodbruin en lichtbruingrijs zand zijn aangetroffen (verploegde E- en Bhorizonten). Archeologische indicatoren Tijdens het veldonderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Dit is ook niet het hoofddoel van het onderzoek geweest. Archeologische interpretatie Aan de hand van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een dekzandwelving op de overgang naar een ven. In de top van het dekzand zijn sporen van bodemvorming aangetroffen waaruit blijkt dat het westelijk deel van het plangebied (boring 1 en 6) nog een intacte bodemopbouw heeft. Centraal in het plangebied (boring 2-4 en 7) is de top van het dekzand aangetast, aangezien hier de Bh-horizont ontbreekt onder de bouwvoor. In het zuidoostelijk deel (boring 5 en 8) van het plangebied is een vullingspakket van een ven aangetroffen, waarvan de 23

exacte aard onbekend is. De aanwezigheid van het ven is een aanwijzing voor gunstige omstandigheden voor bewoning rondom het ven gedurende het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Er zijn geen restanten van veen aangetroffen, mogelijk is het veenrestant dat is overgebleven na afloop van turfwinning volledig is vergaan of opgenomen in de bouwvoor. Gezien de landschappelijke ligging van het plangebied is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum, bestaand uit vondstconcentraties van verspreid vuursteen. Ter plaatse van boringen 1 en 6 kunnen deze resten nog in-situ aanwezig zijn, gebaseerd op de aanwezigheid van een intacte Bh-horizont. Ter plaatse van boringen 2-4 en 7 kunnen eveneens vondstconcentraties worden aangetroffen, maar zullen dergelijke concentraties waarschijnlijk verploegd zijn. Ter plaatse van boringen 5 en 8 is het nog mogelijk om intacte vondstconcentraties aan te treffen onder de vulling van het ven (vanaf 10,7-10,9 m +NAP). Deze verwachtingen zijn op kaart weergegeven in bijlage 8.

24

11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied heeft oorspronkelijk op een dekzandwelving en een ven gelegen. Deze dekzandkop heeft mogelijkheden voor bewoning geboden gedurende het Laat Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Gedurende de Bronstijd is het plangebied overgroeid geraakt met veen. Na afloop van de turfwinning in de 18e eeuw is het plangebied in een heidegebied veranderd.

2.

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? De top van het dekzand is aangemerkt als archeologisch relevant niveau voor alle periodes. Tijdens het veldonderzoek is aangetoond dat ter plaatse van zes boringen sprake is van intacte Bh- en BC-horizonten in de top van het dekzand. Deze horizonten zijn aangetroffen vanaf een diepte van 15-75 cm -Mv (11,7-12,6 m +NAP). Ter plaatse van het ven is sprake van een humeuze venvulling vanaf een diepte van 40-50 cm -Mv (11,4-11,5 m +NAP) op de top van het dekzand (10,7-10,9 m +NAP).

3.

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? De top van het dekzand is nog ter plaatse van vier boringen nog intact, op basis van de Bhhorizont. Ook onder de venvulling is het dekzand nog als intacte te beschouwen. Ter plaatse van 4 boringen is de top van het dekzand vergraven, waardoor alleen nog verstoorde vondstconcentraties aangetroffen kunnen worden.

4.

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? In het plangebied is sprake van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en het Neolithicum. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op een dekzandwelving aan de rand van een ven. Gedurende het Neolithicum is het dekzand en het ven overgroeid met veen, waardoor het gebied ongeschikt is geworden voor bewoning tot het begin van de turfwinning in 1553. Gedurende de Nieuwe tijd is echter geen sprake van bebouwing tot de huidige bebouwing tot stand is gekomen in het plangebied. Aan de hand van de resultaten van het veldonderzoek is aangetoond dat in de top van het dekzand sprake is van Bh-horizonten die wijzen op een intact archeologisch relevant niveau in het westelijk deel van het van plangebied. In het zuidoostelijk deel van het plangebied is het dekzand nog intact onder een venvulling. In de top van het dekzand kunnen intacte vondstconcentraties bestaand uit vuursteen, verbrand bot, houtskool en aardewerk worden aangetroffen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Centraal in het plangebied is de top van het dekzand aangetast, gebaseerd op de aanwezigheid van uitsluitend BChorizonten. Daardoor zijn hier geen intacte vondstconcentraties meer aan te treffen zijn.

Wel kunnen hier ex situ vondsten worden aangetroffen, zoals deze ook al rondom het plangebied zijn aangetroffen. De informatiewaarde van dergelijke verstoorde resten is echter zeer gering.

25

12. Conclusies en advies Conclusie Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum. Deze verwachting is gebaseerd op de ligging van het plangebied op een dekzandwelving aan de rand van een ven. In de directe omgeving van het plangebied is reeds een groot aantal vuurstenen artefacten uit deze periode aangetroffen tijdens veldkarteringen. Gedurende de Bronstijd is het dekzandlandschap overgroeid geraakt met veen, waardoor het plangebied ongunstige omstandigheden voor bewoning heeft gekregen tot het moment van de turfwinning. De turfwinning is in het plangebied gestart in 1553 en gedurende de late 18e eeuw afgerond, waarna het gebied weer bewoonbaar wordt, omdat door de aanleg van een systeem van greppels en turfvaarten de algehele grondwaterstand in het gebied was verlaagd. Het plangebied bleef echter na de turfwinning ongebruikt en verandert in heide, die pas in de 20e eeuw ontgonnen wordt. Daarom is voor de periode Bronstijd – Nieuwe tijd sprake van een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de ligging van het plangebied op een dekzandwelving en in een voormalig ven vastgesteld.

In het westelijk deel van het plangebied is in de top van het dekzand sprake van inspoelingshorizonten (Bh-horizonten). Deze horizonten zijn een aanwijzing dat de top van het archeologisch relevante niveau, het dekzand, nog intact is. In het zuidoosten van het plangebied is aangetoond dat sprake is van een dichtgestoven of dichtgeschoven. Op basis van deze resultaten geldt daarom in navolging van het bureauonderzoek in het westelijk en zuidoostelijk deel van het plangebied een hoge verwachting op het aantreffen van intacte vondstconcentraties uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum (bijlage 8). Centraal in het plangebied is de bodemopbouw aangetast tot in de BC-horizont. Hier worden daarom geen intacte vondstconcentraties verwacht. De verstoorde vondstconcentraties die hier nog kunnen worden aangetroffen vertegenwoordigen archeologisch gezien nog weinig waarde. Advies In het gehele plangebied is sprake van een twee verwachtingen op het aantreffen van archeologische resten in een verschillende mate van intactheid (bijlage 8). Ten behoeve van de voorgenomen ingrepen in het plangebied adviseren wij het volgende: •

De voorgenomen sloopwerkzaamheden tot een diepte van 70 cm -Mv (12,2 m +NAP) vinden plaats waar geen intacte vondstconcentraties meer verwacht worden, wegens het ontbreken van een intacte bodemopbouw. Daarom adviseren wij om deze ingrepen plaats te laten vinden zonder archeologisch vervolgonderzoek.

•

De voorgenomen nieuwbouw zal deels plaatsvinden op die locatie waar geen intacte vondstconcentraties meer worden verwacht (bijlage 8; blauwe zone) en deels ter plaatse van het ven. Ter plaatse van het ven zal het maaiveld echter opgehoogd (vanaf 11,0 m +NAP) worden en zal de top van het dekzand (10,7-10,9 m +NAP) niet worden aangetast. Daarom kunnen ook de ingrepen ten behoeve van nieuwbouw plaatsvinden zonder archeologisch vervolgonderzoek. Wel willen wij de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden wijzen op de wettelijke plicht om eventuele toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10).

•

Ter plaatse van de westelijke zone met een hoge verwachting adviseren wij om bij toekomstige ingrepen in de ondergrond een aanvullend karterend onderzoek uit de voeren naar de aard en aanwezigheid van eventuele vondstconcentraties. Gezien de verwachting op het aantreffen van hoofdzakelijk vondstconcentraties, kan dit onderzoek het beste worden uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek volgens methode A4 van de Leidraad voor Karterend Booronderzoek. 26

Het bovenstaande vormt een advies. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Rucphen, om op basis van de resultaten van dit rapport een selectiebesluit te nemen over de daadwerkelijke omgang met eventuele archeologische resten in het plangebied

27

13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. • www.ahn.nl • www.ruimtelijkeplannen.nl • www.planviewer.nl • www.topotijdreis.nl • www.bodemloket.nl • www.dinoloket.nl • Beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.dans.easy.knaw.nl • www.pdok.nl • Turfdatabank Antwerpen: https://www.provincieantwerpen.be/aanbod/dict/gis/digitalekaarten.html • CHW Noord-Brabant: https://www.brabant.nl/onderwerpen/kunst-cultuur-enerfgoed/erfgoed/cultuurhistorische-waarden-in-brabant • https://westbrabantsarchief.nl/ • www.ikme.nl Lijst met afbeeldingen Figuur 1. Ligging van het plangebied op een topografische kaart uit 2018. Bron topografische kaart: www.pdok.nl. ............................................................................................................................................ 8 Figuur 2. Locatie van de voorgenomen ingrepen. In het blauw de te slopen gebouwen, in het bruin de te handhaven gebouwen en met de roze omlijning de voorgenomen locatie van nieuwbouw. Naar: tekeningen Schoenmakers Advies. ........................................................................................................... 9 Figuur 3.

Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl................................................................................................................ 16 Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1925. Bron: topotijdreis.nl. ... 17 Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit circa 1880. Bron: topotijdreis.nl. ................................................................................................................................................................ 17 Figuur 6. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1980. Bron: topotijdreis.nl. ... 18 Figuur 7. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1955. Bron: topotijdreis.nl. ... 18 Figuur 8. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1997. Bron: topotijdreis.nl. ... 19 Figuur 9. Het plangebied (rood omlijnd) op een luchtfoto uit 2019. Met de bruine lijnen is de bestaande bebouwing in het plangebied weergegeven. Bron: www.pdok.nl ........................................ 19 Figuur 10. Foto’s van het plangebied. Links betreft het westelijk deel van het plangebied vanaf de rand van de tuin richting boorpunt 1. Rechts betreft een zicht richting het oosten vanaf boorpunt 6. Fotograaf: J.

Rap, 16-09-2020 ................................................................................................................. 22 Figuur 11. Foto’s van het plangebied. Links betreft een dierenweide ter plaatse van boring 3, rechts betreft het erf ter plaatse van boringen 5 en 8 gezien richting het zuiden. Op de rechter foto is duidelijk het dalende maaiveld richting boring 8 zichtbaar. Fotograaf: J. Rap, 16-09-2020................... 23 Literatuur Bakker, H., de, en J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus, Wageningen.

28

Ball, E.A.G. en R.M. van Heeringen, 2016, Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants Zandgebied, Amersfoort, Nederlandse Archeologische Rapporten 51 – RCE. Berendsen, H.J.A., 2005a. Landschappelijk Nederland. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2005b. Fysisch-geografisch onderzoek, thema’s en methoden. Van Gorcum. Assen. Berkel, G., van en K. Samplonius, 2006, Nederlandse plaatsnamen herkomst en historie. Prisma. Deeben, J., E. Drenth, M-F. van Oorsouw en L. Verhart, 2005: De Steentijd van Nederland (Archeologie 11-12), 181-187., 2005 Huisman, D.J., J. Bouwmeester, G. de Lange, Th. van der Linden ,G. Mauro ,D. Ngan-Tillard, M. Groenendijk, T. de Ridder, C. van Rooijen, I. Roorda, D. Schmutzhart & R. Stoevelaar, 2010. De invloed van bouwwerkzaamheden op archeologische vindplaatsen, Bouwen en Archeologie, Amersfoort (RCE). Jongmans, A.G., M.W. van den Berg, M.P.W. Sonneveld, G.J. W.C. Peek, en R.M. van den Berg van Saparoea, 2013. Landschappen van Nederland. Wageningen. Kerkhoven, A.A. en H.G. Pape, 2014, Scherpenbergsebaan 8a te Schijf (gem. Rucphen), Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Utrecht (Transect-rapport 417) Leenders, K.A.H.W., 2013. Verdwenen Venen.

Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250 1750. Een actualisering. Woudrichem. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof, en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten. Rap, J., 2020, Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Schijf, Schijfsebaan 17, Nieuwegein, intern document Transect. Schorn, E.A., 2016, Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Scherpenbergsebaan ten noorden van huisnummer 2 (perceel 409) te Schijf, Zevenaar (Archeodienstrapport 886). Schorn, E.A. en R. Nillesen, 2016, Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Scherpenbergsebaan (tussen huisnummer 2 en 6) te Schijf, Zevenaar (Archeodienst-rapport 797) Stouthamer, E., K.M. Cohen, en W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land. Utrecht: Perspectief Uitgevers. Timmermans, F., L.Wetering-Korthorst, G.R. Ellenkamp & H.J.L.C. Koopmanschap, 2019. Toelichting op de actualisatie van de archeologiekaarten en beleid gemeente Rucphen 2019. RWB, Etten-Leur. Vos, P.C., 2015. Compilation of the Holocene paleogeographical maps of the Netherlands, in P.C. Vos (ed.), The origin of the Dutch coastal landscape, Groningen, 50-81. Vos, P.C./S. de Vries, 2015. 2e generatie paleogeografische kaarten van Nederland (versie 2.0).

sd, www.archeologieinnederland.nl (11-30-2015). Wetering-Korthorst, L., F. Timmermans & D. Melsen, 2019. Nota Archeologie gemeente Rucphen. Regio West-Brabant, Etten-Leur.

29

Archeologische periode-indeling voor Nederland Periode

Deel-/subperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe Tijd

Late-Nieuwe tijd Midden-Nieuwe tijd Vroege-Nieuwe tijd

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP

30

Archeologiebeleid

31

32

Geomorfologie

33

Maaiveldhoogte

34

35

Bodem

36

Archeologische waarden en onderzoeken

37

Boorpuntenkaart

38

Resultatenkaart

39

Foto’s van boringen Boringen representatief voor het plangebied. De boringen zijn uitgelegd per 50 cm. De onderzijde van de boorkernen wijst naar boven.

Boring 1: 0-100 cm -Mv.

Boring 2: 0-100 cm -Mv.

Boring 3: 0-130 cm -Mv.

Boring 4: 0-110 cm -Mv.

40

Boring 5: 0-150 cm -Mv

Boring 6: 0-150 cm -Mv.

Boring 7: 0-120 cm -Mv

Boring 8: 0-150 cm -Mv.

41

Boorbeschrijvingen

42

boring: 20718-1 beschrijver: JR, datum: 16-9-2020, X: 98.331, Y: 390.478, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,64, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Schijf, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,64 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, grijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: A-horizont Opmerking: humeuze moderne bewerking

30 cm -Mv / 12,34 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, geelbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: B-horizont met ingespoelde humus, veel Fe-vlekken Opmerking: afgetopte B

40 cm -Mv / 12,24 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: diffuus (3-10 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtgeelbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: BC-horizont Opmerking: Zeer zwak humeus

70 cm -Mv / 11,94 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeelgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zeer compact dekzand, gelig

Einde boring op 100 cm -Mv / 11,64 m +NAP

boring: 20718-2 beschrijver: JR, datum: 16-9-2020, X: 98.370, Y: 390.502, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,95, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Schijf, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,95 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: A-horizont Opmerking: plastic snippers

35 cm -Mv / 12,60 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: A-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: geroerde top dekzand, humeuze brokken

55 cm -Mv / 12,40 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeelgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zeer compact dekzand, gelig

Einde boring op 100 cm -Mv / 11,95 m +NAP

boring: 20718-3 beschrijver: JR, datum: 16-9-2020, X: 98.409, Y: 390.510, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,53, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Schijf, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,53 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, grijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: A-horizont Opmerking: moderne bouwvoor

15 cm -Mv / 12,38 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingeel, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: BC-horizont Opmerking: zeer zwak humeus in dekzand

95 cm -Mv / 11,58 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, grijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zeer compact, haast lemig. Stramproy?

Einde boring op 120 cm -Mv / 11,33 m +NAP

1

boring: 20718-4 beschrijver: JR, datum: 16-9-2020, X: 98.371, Y: 390.456, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,73, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Schijf, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,73 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, grijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: A-horizont Opmerking: humeuze moderne bewerking

25 cm -Mv / 12,48 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingeel, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: BC-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: roestige waas, zwak humeuze vlekjes

50 cm -Mv / 12,23 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, geelgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, veel Fe-vlekken Opmerking: roestige vlekjes

90 cm -Mv / 11,83 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeelgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zeer compact dekzand, gelig

Einde boring op 120 cm -Mv / 11,53 m +NAP

boring: 20718-5 beschrijver: JR, datum: 16-9-2020, X: 98.414, Y: 390.474, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,19, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Schijf, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,19 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, grijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: A-horizont, enkele Fe-vlekken Opmerking: humeuze moderne bewerking, verploegde brokken E- en B

50 cm -Mv / 11,69 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: veel Fe-vlekken Opmerking: opgebracht? Strepig. BC?

100 cm -Mv / 11,19 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, grijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: AC-horizont, enkele Fe-vlekken Opmerking: homogene humeuze laag. Venbodem?

130 cm -Mv / 10,89 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeelgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zeer compact dekzand, gelig

Einde boring op 150 cm -Mv / 10,69 m +NAP

2

boring: 20718-6 beschrijver: JR, datum: 16-9-2020, X: 98.368, Y: 390.421, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,46, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Schijf, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,46 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, grijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: A-horizont Opmerking: humeuze moderne bewerking

45 cm -Mv / 12,01 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, donkergrijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: afgedekt/begraven A-horizont Opmerking: begraven oud maaiveldniveau?

75 cm -Mv / 11,71 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, oranjebruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: B-horizont met ingespoelde humus en ijzer/aluminium Opmerking: veel humus en ijzerinspoeling

85 cm -Mv / 11,61 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, bruingeel, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: B-horizont met ingespoelde humus, veel Fe-vlekken Opmerking: sterk humeuze inspoeling

100 cm -Mv / 11,46 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zeer compact

Einde boring op 150 cm -Mv / 10,96 m +NAP

boring: 20718-7 beschrijver: JR, datum: 16-9-2020, X: 98.406, Y: 390.438, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 12,82, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Schijf, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 12,82 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, grijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: A-horizont Opmerking: humeuze moderne bewerking

25 cm -Mv / 12,57 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtbruingeel, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: BC-horizont, veel Fe-vlekken Opmerking: roestige waas, zwak humeuze vlekjes

35 cm -Mv / 12,47 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, geelgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont met roestvlekken, veel Fe-vlekken Opmerking: roestige vlekjes

95 cm -Mv / 11,87 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgeelgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zeer compact dekzand, gelig

Einde boring op 120 cm -Mv / 11,62 m +NAP

3

boring: 20718-8 beschrijver: JR, datum: 16-9-2020, X: 98.439, Y: 390.454, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 49F, hoogte: 11,78, precisie hoogte: 1 cm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - verkenning, provincie: NoordBrabant, gemeente: Rucphen, plaatsnaam: Schijf, opdrachtgever: Schoenmakers Advies, uitvoerder: Transect b.v.

0 cm -Mv / 11,78 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, grijsbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: A-horizont Opmerking: humeuze moderne bewerking

25 cm -Mv / 11,53 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, matig humeus, bruingrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: AB-horizont Opmerking: menglaag, brokken E en B podzol

40 cm -Mv / 11,38 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, geelbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: B-horizont met ingespoelde humus, veel Fe-vlekken Opmerking: afgetopte B

50 cm -Mv / 11,28 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: diffuus (3-10 cm) Lithologie: zand, matig siltig, zwak humeus, lichtgeelbruin, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: BC-horizont Opmerking: venbodem? Zeer zwak humeus

110 cm -Mv / 10,68 m +NAP Lithologie: zand, matig siltig, lichtgrijs, matig fijn, kalkloos Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zeer compact

Einde boring op 150 cm -Mv / 10,28 m +NAP

4

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3. Verkennend bodem- en asbestonderzoek, rapportnummer 2410.09.201.r1, d.d. 26 augustus 2020, Moerdijk Bodemsanering B.V.

Bestemmingsplan bijlagen 180920 | 02-08-2021

Verkennend bodem- en asbestonderzoek Schijfsebaan 17 te Schijf

Opdrachtgever :

Schoenmakers Advies Molenzicht 2 4881 BW Zundert

Kenmerk :

2410.09.201.r1

Datum :

26 augustus 2020

Auteur :

R.A.C. Hereijgers

Gecontr. :

S.A.C. Schrauwen

INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING ........................................................................................................... 1 2. VOORONDERZOEK ............................................................................................. 2 2.1

Algemeen en bronvermelding........................................................................ 2

2.2

Historische en actuele gegevens onderzoekslocatie ........................................ 2

2.3

Bodemonderzoeken/saneringen .................................................................... 4

2.4

Bodemopbouw en geohydrologie .................................................................. 5

2.5

Hypothese ................................................................................................... 5

3. VELDWERK ........................................................................................................ 6 3.1

Uitvoering van het veldwerk ......................................................................... 6

3.2

Resultaten van het veldwerk ......................................................................... 6

3.3

Afwijkende bodemkenmerken ....................................................................... 6

4. CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................... 8 4.1

Uitvoering van het chemisch-analytisch onderzoek ......................................... 8

4.2

Toetsingscriteria........................................................................................... 8

4.3

Interpretatie analyseresultaten ................................................................... 10

5. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...................................................................... 12 6. VERANTWOORDING ........................................................................................... 14 7. LITERATUURLIJST .............................................................................................. 15 BIJLAGEN 1a. Situatieschets met geplaatste boringen en proefgaten 1b. Kadastrale tekening 1c. Foto’s onderzoekslocatie 2. Boorprofielen 3. Analyseresultaten en toetsingstabellen grond 4. Algemene gegevens proefgaten

1. INLEIDING In opdracht van Schoenmakers Advies heeft Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de locatie Schijfsebaan 17 te Schijf. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen functiewijziging naar ‘niet-agrarisch bedrijf’. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van de grond/puin beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen/proefgaten is verricht en een aantal grond/puin(meng)monsters chemischanalytisch zijn onderzocht. Als uitgangspunt voor de onderzoeksstrategie is de werkwijze conform de NEN 5725 (vooronderzoek), de NEN 5740 (uitvoering verkennend onderzoek) en de NEN 5897 (uitvoering verkennend asbestonderzoek) gehanteerd. In de volgende hoofdstukken wordt ingegaan op de locatiegegevens, de verrichte veldwerkzaamheden, het chemisch-analytisch onderzoek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek. Tot slot worden de verzamelde gegevens over de grond- en puinkwaliteit getoetst aan de huidige richtlijnen en worden aanbevelingen geformuleerd. Moerdijk Bodemsanering B.V. is in het bezit van het Procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek conform de BRL 2000.

Het veldwerk is derhalve verricht onder dit certificaat op basis van de richtlijnen in het protocol 2001. Moerdijk Bodemsanering B.V. verklaart dat het veldwerk onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd conform de eisen van de BRL 2000 en de daarbij behorende protocollen.

2410.09.201.r1

1

2.

VOORONDERZOEK

2.1 Algemeen en bronvermelding Alvorens het verkennend bodemonderzoek wordt uitgevoerd is een vooronderzoek verricht conform de NEN 5725-norm; strategie A-Bodemonderzoek. Op basis van het vooronderzoek is bepaald of in het verleden mogelijk bodembedreigende activiteiten zijn ontplooid. Bij het verzamelen van de historische gegevens zijn verschillende bronnen geraadpleegd. In onderstaande tabel is vermeld welke bronnen hiervoor gebruikt zijn en welke informatie daar globaal te vinden is. In de hierna volgende paragrafen zijn de resultaten van het vooronderzoek toegelicht. Tabel 1. Geraadpleegde bronnen vooronderzoek Internet www.bodemloket.nl

www.dinoloket.nl

Indicatie aanwezigheid (ernstige) bodemverontreiniging of bodembedreigende activiteiten. De Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG) zijn onderdeel van het overheidsstelsel van basisregistraties. Op de kaart kunnen adresgegevens eenvoudig verkregen worden, alsmede het bouwjaar van de aanwezige gebouwen en het gebruiksdoel van het gebouw. Indicatie bodemopbouw en geohydrologie.

www.topotijdreis.nl

Indicatie historisch gebruik van de onderzoekslocatie (o.a. bebouwing).

www.archeologieinnederland.nl

Verwachtingskans archeologische monumentenkaart (AMK).

www.bagviewerkadaster.nl

Gemeente Rucphen en Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) Milieuvergunning

Tankenbestand

Veel inrichtingen (bedrijven en instellingen) hebben een omgevingsvergunning nodig. Aan de verlening van een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Op de locatie of in de directe omgeving kunnen reeds bodemonderzoeken zijn uitgevoerd. Deze kunnen een indicatie geven van de kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. Indicatie aanwezigheid (ondergrondse) brandstoftank(s).

Asbestkansenkaart

Verwachtingskans aantreffen asbest in de bodem.

Bodemonderzoeken

2.2 Historische en actuele gegevens onderzoekslocatie De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Rucphen, sectie R, nummer 388 en 389, en heeft een oppervlakte van 10.146 m2. De locatie betreft een vrijstaande woning met schuur, kantoor, verschillende bijgebouwen en een weiland. De onderzoekslocatie beperkt zich tot het bouwblok en heeft een oppervlakte van circa 4.800 m2. Een situatieschets van de locatie is opgenomen in bijlage 1a; een kadastrale kaart is opgenomen in bijlage 1b. In bijlage 1c zijn enkele foto’s opgenomen van de huidige situatie. 2410.09.201.r1

2

In tabel 2 staan de historische, huidige en toekomstige gegevens over de locatie vermeld. Tabel 2. Historisch, huidig en toekomstig bodemgebruik onderzoekslocatie Historisch Gebruik locatie

Voormalige bodembedreigende activiteiten Boven- en ondergrondse tanks

De woning met schuur op de locatie is omstreeks 1947 gerealiseerd. In de jaren hierna zijn op de locatie verschillende bijgebouwen gerealiseerd en ook weer gesloopt. De locatie was in het verleden in gebruik als agrarisch bedrijf. De laatste jaren is de locatie in gebruik als hoveniersbedrijf. Volgens de eigenaar is op de locatie in het verleden een boomgaard aanwezig geweest. Niet bekend.

Ophoging en demping

Niet bekend.

Voormalige bodembedreigende activiteiten in de nabijheid van de locatie Explosieven en archeologie

Niet bekend.

Calamiteiten

Niet bekend.

Niet bekend.

Huidig Locatie-inspectie Gebruik locatie

De terreinverkenning is, voorafgaand aan het veldwerk, op 27 juli 2020 uitgevoerd door de heer N. Havermans. Hierbij zijn geen bijzonderheden aangetroffen. Hoveniersbedrijf.

Bebouwing

Vrijstaande woning met schuur, kantoor en verschillende bijgebouwen.

Terreinverharding

Klinkers/puingranulaat/onverhard.

Bodembedreigende activiteiten Asbesthoudende bouw-, bodem- en/of verhardingsmaterialen Geval van ernstige bodemverontreiniging Gebruik directe omgeving

Niet bekend. Puingranulaat circa 10 jaar geleden aangebracht, afkomstig van een gesloopte varkensstal; Asbesthoudende dakbedekking op schuur met dakgoten. Niet bekend. Voornamelijk agrarische doeleinden.

Toekomstig Gebruik locatie Bodembedreigende activiteiten

2410.09.201.r1

De schuur aan de woning en de bijgebouwen worden gesloopt. Aan de zuidoostzijde van de locatie wordt een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd. n.v.t.

3

Luchtfoto onderzoekslocatie

(bron: Google Earth)

2.3 Bodemonderzoeken/-saneringen In de volgende tabel zijn de bodemonderzoeken en saneringen op de locatie en/of in de directe nabijheid ervan weergegeven; evenals het beknopte resultaat ervan (een eventuele toelichting op het resultaat is weergegeven onder deze tabel). Tabel 3. Bodemonderzoeken en/of -saneringen op de onderzoekslocatie en in de directe nabijheid ervan Type onderzoek Onderzoeksbureau Kenmerk Datum Opmerking Op de onderzoekslocatie Niet bekend

-

-

-

-

13-04-2005

Voldoende onderzocht

In de omgeving van de onderzoekslocatie Schijfsebaan (tussen 2b en 4b) Indicatief bodemonderzoek

AquaTerra Water en Bodem B.V.

-

Voor het overige zijn op de locatie en in de directe nabijheid ervan geen (relevante) bodemonderzoeken en/of saneringen bekend.

2410.09.201.r1

4

Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Rucphen (Nota Bodembeheer) valt de boven- en ondergrond op de locatie in de kwaliteitsklasse ‘AW2000’. 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Voor het verkrijgen van inzicht in de regionale bodemopbouw en de geohydrologische gegevens van de omgeving is gebruik gemaakt van de Grondwaterkaart van Nederland. Ter plaatse kunnen de volgende geohydrologische eenheden worden onderscheiden: Tabel 3. Geohydrologische gegevens Globale diepte (m -mv) Geohydrologische eenheid 0 - 60

Eerste en tweede watervoerend pakket

60 - 80

Scheidende laag

Samenstelling Fijne slibhoudende zanden, afgewisseld door kleiige/lemige lagen Matig tot uiterst grof zand

De horizontale stromingsrichting van het freatisch grondwater is globaal noordwestelijk gericht, maar zal mogelijk worden beïnvloed door lokale ontwateringsmiddelen (sloten, kabels en leidingen). Ter plaatse van de onderzoekslocatie is sprake van een inzijgingssituatie. De locatie is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. 2.5 Hypothese Als uitgangspunt voor de onderzoeksstrategie zullen de NEN 5740 en de NEN 5897 gehanteerd worden. Het bodemonderzoek heeft een zogenaamd retrospectief karakter, dit wil zeggen dat het onderzoek primair gericht is op reeds opgetreden (bodem)verontreiniging. De onderzoekslocatie betreft het in bijlage 1a aangegeven terrein met een totaaloppervlak van circa 4.800 m2. Op basis van de hierboven weergegeven informatie wordt de volgende hypothese met bijbehorende onderzoeksstrategie toegepast: Tabel 5. Onderzoeksstrategie Deellocatie(s) Gehele locatie, circa 4.800 m2 Puingranulaat t.a.v. asbest, circa 750 m2

2410.09.201.r1

Strategie

Mogelijke parameter(s) in grond/puin

VED-HE-NL

Organo Chloorbestrijdingsmiddelen (OCB)

Mogelijke parameter(s) in grondwater -

-

Asbest

-

5

3.

VELDWERK

3.1 Uitvoering van het veldwerk Ter plaatse zijn de volgende werkzaamheden verricht: Tabel 6. Veldwerkzaamheden Deellocatie Veldwerk Gehele locatie, circa 4.800 m2

14 x boring tot 1,0 meter beneden maaiveld (m -mv) 3 x boring tot het freatisch grondwater (minimaal 1,0 m -mv/ maximaal 2,0 m -mv) 1 x boring tot 5,0 m -mv* 6 x proefgat (0,3 x 0,3 m) tot minimaal 0,5 m -mv

Puingranulaat t.a.v. asbest, circa 750 m2 * Aangezien het grondwater niet binnen 5,0 m -mv is aangetroffen, is het plaatsen van een peilbuis achterwege gebleven (conform de NEN 5740).

3.2 Resultaten van het veldwerk Het veldwerk is uitgevoerd conform het protocol 2001. De veldwerkzaamheden zijn verricht op 27 juli 2020 door de erkende veldwerkers N. Havermans en R. Snijder. In bijlage 1a zijn de boorposities weergegeven. De bodem ter plaatse is globaal als volgt opgebouwd: Vanaf maaiveld is tot circa 3,0 m -mv een zandpakket aangetroffen. Vervolgens is tot circa 5,0 m -mv (einde boordiepte) een leemlaag aangetroffen. Het vrijgekomen boormateriaal is zintuiglijk beoordeeld op geur, kleur en samenstelling en beschreven in boorprofielen (zie bijlage 2). 3.3 Afwijkende bodemkenmerken Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) de volgende afwijkende bodemkenmerken waargenomen: Tabel 7. Afwijkende bodemkenmerken Boring/proefgat Traject (m -mv) 03 0,50 - 0,51

Zintuiglijke afwijking Gestaakt

08/105

0,00 - 0,20

Puingranulaat

09/104

0,00 - 0,15

Puingranulaat

10/103

0,00 - 0,15

Puingranulaat

11/102

0,00 - 0,20

Puingranulaat

12/100

0,00 - 0,20

Puingranulaat

13/101

0,00 - 0,20

Puingranulaat

2410.09.201.r1

6

Voor het overige zijn tijdens de veldwerkzaamheden geen afwijkingen waargenomen. Asbest Ter plaatse van het puingranulaat is een maaiveldinspectie verricht. Het tijdens het veldwerk vrijkomende materiaal is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbest. Het te analyseren materiaal is per laag op de locatie gezeefd (met een maaswijdte van 20 mm). Indien na het zeven visueel asbestverdachte materialen achterblijven, worden deze verzameld (en onderzocht). Er zijn visueel op het maaiveld en in de bodem/puingranulaat geen asbestverdachte (plaat)materialen aangetroffen. In bijlage 4 zijn de algemene gegevens van de proefgaten opgenomen.

2410.09.201.r1

7

4. CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK 4.1 Uitvoering van het chemisch-analytisch onderzoek De volgende analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde milieulaboratorium Eurofins Analytico te Barneveld: Tabel 8. Analyses Code Monster(s)

Analyse grond/puin

M01

NEN-gr en OCB-gr

M02

M03

AM01

08 (0,20 - 0,50) 09 (0,15 - 0,50) 10 (0,15 - 0,50) 13 (0,20 - 0,50) 02 (0,10 - 0,50) 05 (0,00 - 0,40) 14 (0,10 - 0,30) 16 (0,00 - 0,30) 01 (0,60 - 1,00) 04 (0,60 - 1,00) 07 (0,40 - 0,90) 18 (0,50 - 1,00) 100 (0,00 - 0,20) 101 (0,00 - 0,20) 102 (0,00 - 0,20) 103 (0,00 - 0,15) 104 (0,00 - 0,15) 105 (0,00 - 0,20)

NEN-gr en OCB-gr

NEN-gr

Asbest puin

NEN-gr:

lutum en organische stof (in minimaal 2 representatieve mengmonsters), 9 zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK 10 vrom), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie;

OCB-gr:

Organo Chloorbestrijdingsmiddelen.

4.2 Toetsingscriteria De analyseresultaten van de grond worden beoordeeld aan de hand van de achtergrondwaarden uit bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit en de interventiewaarden uit de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. De volgende toetsingswaarden worden onderscheiden voor grond: - AW: Achtergrondwaarde, het gehalte in onbelaste natuurgebieden en landbouwgronden; - T: tussenwaarde, het gemiddelde van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde, criterium voor nader onderzoek; - I: Interventiewaarde, het gehalte waarboven ernstige vermindering optreedt van de functionele eigenschappen van de bodem.

2410.09.201.r1

8

Asbest De interventiewaarde voor asbest in grond, bodem en puingranulaat is vastgesteld op 100 mg/kg d.s. gewogen (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De waarde van 100 mg/kg d.s. gewogen geldt tevens als eis voor de hergebruikswaarden voor asbest in grond, baggerspecie en bouwstoffen. De genoemde richtlijnen gelden voor zowel gebonden als niet gebonden asbest. In tegenstelling tot andere chemische stoffen is het volumecriterium (minimaal 25 m 3 verontreinigd bodemvolume) voor asbest niet van toepassing. Voor asbest geldt dat zodra grond aanwezig is met gehalten aan asbest boven de interventiewaarde (100 mg/kg d.s. (gewogen)), onafhankelijk van het volume, sprake is van een geval van ernstige verontreiniging. Voor de berekening van de concentratie asbest in de bodem wordt in eerste instantie het gewicht van alle verzamelde asbesthoudende materialen per proefgat/-sleuf bepaald. Op basis van dit gewicht per sleuf met daarbij het percentage asbest in de representatieve (plaat)materialen, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen serpentijnasbest en amfiboolasbest, worden de concentraties serpentijn- en amfiboolasbest berekend voor de gehele sleuf.

Vervolgens worden deze berekende concentraties asbest opgeteld bij de concentraties asbest in de representatieve mengmonsters, waarna de totale serpentijnasbestconcentratie wordt vermeerderd met 10 maal de totale amfiboolasbestconcentratie. Besluit bodemkwaliteit (BBK) Voor de toepassing van grond en bagger op landbodem geldt vanaf 1 juli 2008 het toetsingskader op basis van het Besluit bodemkwaliteit. In de bijbehorende Regeling bodemkwaliteit zijn normen opgenomen waaraan de kwaliteit van toe te passen grond of bagger of de kwaliteit van de ontvangende bodem kan worden getoetst. De analyseresultaten zijn met behulp van het toetsingsinstrument BoToVa (T1, beoordeling kwaliteit grond en bagger bij toepassing op of in de bodem) indicatief getoetst aan de toetsingswaarden van de Regeling bodemkwaliteit.

2410.09.201.r1

9

Binnen het generieke beleid van het besluit bodemkwaliteit worden bij grondverzet de volgende toetsingswaarden onderscheiden: -AW: Achtergrondwaarde, het gehalte in onbelaste natuurgebieden en landbouwgronden. -MWw: Maximale Waarde wonen, het maximale gehalte waarbij de bodemkwaliteit duurzaam geschikt is voor de bodemfunctieklasse wonen; -MWi: Maximale Waarde industrie, het maximale gehalte waarbij de bodemkwaliteit duurzaam geschikt is voor de bodemfunctieklasse industrie. 4.3 Interpretatie analyseresultaten De volgende tabellen geven een overzicht van de analyseresultaten van de grond- en puinmonsters. De resultaten hiervan zijn opgenomen in de onderstaande tabel. De analyseresultaten en toetsingswaarden zijn opgenomen in bijlage 3. Tabel 9. Interpretatie van de analyseresultaten van de grondmonsters Code Monsters >AW (+index) >T (m -mv) M01 08 (0,20 - 0,50) Kwik (-) 09 (0,15 - 0,50) DDD (-) 10 (0,15 - 0,50) Drins (0,03) 13 (0,20 - 0,50) M02 02 (0,10 - 0,50) DDE (0,1) 05 (0,00 - 0,40) DDD (-) 14 (0,10 - 0,30) DDT (0,13) 16 (0,00 - 0,30) Drins (0,02) M03 01 (0,60 - 1,00) 04 (0,60 - 1,00) 07 (0,40 - 0,90) 18 (0,50 - 1,00) Tabel 10. Analyseresultaten fijne fractie puinmonsters Code Monsters (m -mv) AM01 100 (0,00 - 0,20) 101 (0,00 - 0,20) 102 (0,00 - 0,20) 103 (0,00 - 0,15) 104 (0,00 - 0,15) 105 (0,00 - 0,20)

2410.09.201.r1

>I (+index)

Indicatief BBK

-

Klasse industrie

-

Klasse industrie

-

Altijd toepasbaar

Gehalte asbest <20 mm (mg/kg d.s.) 16

10

Uit de analyseresultaten kan het volgende worden afgeleid: - In de bovengrond, direct onder het puingranulaat, ter plaatse van de boringen 8, 9, 10 en 13 (M01) zijn licht verhoogde gehalten aan kwik, DDD en Drins aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet benaderd. - In de bovengrond ter plaatse van de boringen 2, 5, 14 en 16 (M02) zijn licht verhoogde gehalten aan DDE, DDD, DDT en Drins aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet benaderd. - In de ondergrond ter plaatse van de boringen 1, 4, 7 en 18 (M03) zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - Aangezien het freatisch grondwater niet binnen 5,0 m -mv is aangetroffen, is het plaatsen van een peilbuis achterwege gebleven (conform de NEN 5740). - In het puingranulaat ter plaatse van de proefgaten 100 t/m 105 (AM01) is in de fijne fractie (< 20 mm) een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. De nader onderzoekswaarde voor asbest wordt niet benaderd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10795465/1