09 b2 Toelichting NL.IMRO.0840.9000B0047-ON01
Tekst van het document
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 33
Uitsnede uit de Groenstructuurkaart van het Groenstructuurplan van de gemeente Rucphen, waarop het plangebied globaal is weergegeven met een rode contour.
Beoordeling Op de Groenstructuurkaart is het plangebied aangeduid als bosgebied. Het Groenstructuurplan is er met name op gericht om groen te realiseren aan de rand van de dorpskernen om de relatie met het omliggende landschap te verfraaien. Een belangrijk thema is de bewustwording van de aanwezigheid van het omliggende landschap vanaf het dorp. Bewustwording kan geschieden door glimpen van het omliggende landschap op te vangen. De gemeente pleit voor een ecologische en natuurlijke buffer aan de randen (grenzend aan het buitengebied maar ook aan de dorpsrand).
Door middel van een goede landschappelijke inpassing van het beoogde landhuis en bijbehorend landgoed wordt de barrière tussen het bosgebied en het akkerlandschap verzacht. Tegelijkertijd zorg dit voor een representatieve entree van het landgoed voor recreanten (wandelaars). Daarmee is het initiatief passend in de lijn die met het Groenstructuurplan is ingezet.
Conclusie Onderhavig initiatief is passend binnen het Groenstructuurplan Rucphen.
34 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
Hoofdstuk 4
Milieuhygiënische aspecten
4.1 Inleiding Toetsing juncto art. 3.1.6 Bro Met betrekking tot een (ontwerp-)bestemmingsplan staat in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht vermeld: 'bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen'. Artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat rekening moet worden gehouden met de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek. Daarnaast moet ook worden getoetst aan het Besluit m.e.r. Achtereenvolgens worden behandeld: bodem; waterhuishouding; cultuurhistorie; archeologie; ecologie; akoestiek; bedrijven en milieuzonering; externe veiligheid; kabels en leidingen; luchtkwaliteit; milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem Toetsingskader Op basis van art. 3.1.6, lid 1 onder f Bro geldt dat in een toelichting op een ruimtelijk besluit de inzichten over de uitvoerbaarheid van dat besluit worden neergelegd. Ten aanzien van het aspect bodemkwaliteit staat, op basis van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (ABRvS), voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Dat doet er niet aan af dat het bevoegd gezag het ruimtelijk besluit pas kan nemen indien, voor zover redelijkerwijs valt in te zien, een eventuele bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid in de weg staat (22 december 2010, EC LI:NL:RVS:2010:BO8297, r.o. 2.18.4; 27 juni 2012, EC LI:NL:RVS:2012:BW9569, r.o. 2.10.3). Daarbij geldt als uitgangspunt dat de bodem in principe geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico vormen voor de gebruikers van de bodem.
Beoordeling Milon heeft een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie van de nieuwe woning (Bijlage 5). Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de actuele bodemkwaliteit van de onderzoekslocatie. Tijdens de werkzaamheden zijn in de boven- en ondergrond wortelresten en sporen roest waargenomen. Er zijn geen bijmengingen waargenomen die zouden kunnen duiden op een mogelijke verontreiniging van de bodem. Specifiek wordt vermeld dat er geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen. Tijdens de verldwerkzaamheden zijn in de bodem geen bijzonderheden waargenomen die duiden op een mogelijke verontreiniging van het grondwater. Analytisch is in het grondwater een sterk verhoogde concentratie nikkel aangetoond. Daarnaast zijn licht verhoogde concentraties barium en kobalt aangetroffen. Wat betreft de milieuhygiënische bodemkwaliteit bestaat er geen belemmering voor het huidige en toekomstige gebruik. Strikt genomen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de sterk verhoogde concentratie nikkel in het grondwater (herbemonstering/analyse van het grondwater). Echter omdat hier sprake is van een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie die vaker binnen de gemeente Rucphen wordt aangetroffen, wordt een dergelijk onderzoek niet zinvol geacht.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 35
Conclusie De bodemkwaliteit is geschikt voor de beoogde ontwikkeling.
4.3 Waterhuishouding Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. C oncreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.
Beleid provincie Noord-Brabant Vigerend is het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 – 2021 (PWMP) van 18 december 2015. Het PMWP is de structuurvisie voor o.a. het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de verplichte onderdelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water. Behalve dat het PMWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid van waterschappen en gemeenten, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid. Als algemene uitgangspunten zijn onder andere te noemen de scheiding van relatief schone en vuile waterstromen en het benutten van mogelijkheden voor infiltratie en/of conservering van hemelwater.
Beleid waterschap Brabantse Delta De projectlocatie is gelegen binnen het stroomgebied van waterschap Brabantse Delta. De visie van waterschap Brabantse Delta is vervat in het Waterbeheerplan 2016 – 2021 en kent een geldigheid vanaf 22 december 2015. Het waterschap richt zich hierbij op een doelmatig waterbeheer als motor voor een economische en ecologisch krachtige regio. Speerpunten uit het waterbeheerplan zijn klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging. Deze ontwikkelingen geven aanleiding tot nieuwe accenten: het nationale Deltaprogramma voor waterveiligheid en de versterking van de dijken langs de Rijkswateren en de regionale rivieren; het optimaliseren van de zoetwatervoorziening met het oog op de toenemende droogte; inzet op bewustwording van watergebruikers zodat hun inzicht groeit over wat ze zelf aan waterbeheer kunnen bijdragen; helderheid over zowel beperkingen als mogelijkheden voor de gebruiksfuncties van het watersysteem; het verbeteren van de waterkwaliteit in een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van verbeteren van de waterstanden, onderhouden van sloten en treffen van inrichtingsmaatregelen); afvalstoffen steeds meer inzetten als waardevolle grondstoffen zoals terugwinning van fosfaat en productie van bioplastic uit afvalwater; een duurzame energiewinning.
Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur waterschap Brabantse Delta 2015 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren.
36 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015. In de nieuwe keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. b. c. d.
het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel:
Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: a. b.
c.
de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.
Beoordeling Uit de keurkaart behorende bij de Keur van het waterschap Brabantse Delta blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een beschermd gebied waterhuishouding. In een beschermd gebied kunnen hogere eisen gelden om verdroging te voorkomen.
Uitsnede keurkaart Keur waterschap Brabantse Delta 2015, plangebied rood omkaderd weergegeven
Ten aanzien van het Beschermd gebied waterhuishouding zijn regels opgesteld, welke zijn verankerd in de Verordening ruimte Noord-Brabant.
Met onderhavig bestemmingsplan zal het verhard oppervlak in beperkte mate toenemen. De verwachting is dat het nieuwe landhuis een footprint van ongeveer 300 m 2 krijgt. Het bijgebouw krijgt
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 37
een foodprint van 200 m 2. Daarnaast wordt een terras en verharding op het erf binnen de woonbestemming aangelegd van ongeveer 300 m 2. De wandelpaden worden onverhard aangelegd. De verhardingstoename bedraagt bij benadering 800 m 2. Hiermee blijft onderhavige ontwikkeling buiten het toepassingsbereik van regels voor beschermde gebieden waterhuishouding. Doordat het verhard oppervlak onveranderd blijft behoeven er op grond van het beleid van het waterschap geen extra retentievoorzieningen te worden aangelegd. Binnen het plangebied zijn ruim voldoende mogelijkheden voor infiltratie van hemelwater.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4 Cultuurhistorie Toetsingskader In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid provincie Noord-Brabant In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de provinciale C ultuurhistorische aangeven.
Waardenkaart (C HW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen
De provincie onderscheidt 12 regio's. Elke regio kent een toelichting met daarin de ontwikkelingsstrategieën, het cultuurhistorisch belang, de essentiële aspecten en een beschrijving. De 12 regio's zijn een uitwerking van de 12 gebiedspaspoorten uit de Structuurvisie ruimtelijke ordening en hebben eenzelfde doel: aangeven welke kenmerken bepalend zijn voor de kwaliteit van een gebied of landschapstype en welke ambities de provincie heeft voor de ontwikkeling van de landschapskwaliteit. De gebiedspaspoorten en de daarvan afgeleide regio's werken niet rechtstreeks door naar derden, maar zijn zelfbindend voor de provincie. Bovendien is onderhavig initiatief kleinschalig van aard en kent het niet het schaalniveau waarop de cultuurhistorische waarden ontwikkeld, behouden of versterkt kunnen worden ter verwezenlijking van de regionale ambitie. Deze ligging heeft derhalve geen invloed op het initiatief.
Beoordeling Uit de cultuurhistorische waardenkaart volgt tot slot dat de locatie is gelegen binnen de regio van provinciaal cultuurhistorisch belang de 'West-Brabantse Venen'. Dit is de regio die zich uitstrekt van Oud Gastel tot Nispen en van Etten-Leur tot Heerle. De winning en het transport van turf heeft het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaarten en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Op deze kaart is het plangebied aangeduid als jonge bossen, welk deel overeenkomst met de aanduiding 'Natuur Netwerk Brabant' en de oude zandontginningen, welke zijn aangeduid als 'Groenblauwe mantel'.
38 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant, 2018. Met de rode contour is het plangebied aangeduid.
Landgoed Havikshorst wordt gerealiseerd nabij het landgoed 'Jachthuis Schijf'. Dit jachthuis is op de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als rijksmonument. Dit landgoed wordt voornamelijk gebruikt voor privédoeleinden en is niet permanent opengesteld voor publiek. Uit bescherming van de natuur is de openstelling van het landgoed gedoseerd. Het landgoed is op aanvraag toegankelijk voor kleinschalige activiteiten zoals excursies, exposities en natuurwerkgroepen. Een deel van de gronden van landgoed 'Jachthuis Schijf' zijn verkocht aan de nieuwe eigenaren van landgoed 'Havikshorst'. Zodoende wordt een deel van de gronden van het 'Jachthuis Schijf' met de ontwikkeling van onderhavig landgoed publiekelijk opengesteld, terwijl de openstelling in de huidige situatie is gedoseerd. Binnen de plangrenzen zijn geen cultuurhistorische waarden opgenomen, zoals te zien op bovenstaande uitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant.
Conclusie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.
4.5 Archeologie Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. De uitgangspunten van dit verdrag dienen te worden vertaald in nationale wetgeving. In Nederland heeft deze vertaling plaatsgevonden in de Erfgoedwet, welke in werking is getreden op 1 juli 2016. Ten aanzien van het aspect 'archeologie' is in art. 9.1, lid 1 van de Erfgoedwet, welk artikel een deel van het overgangsrecht regelt, bepaalt dat tot het tijdstip waarop de Omgevingswet in werking treedt onder meer Hoofdstuk V, paragraaf 1 van de inmiddels vervallen Monumentenwet 1988 van toepassing blijft. In Hoofdstuk V, paragraaf 1 is vastgelegd dat een gemeente in de ruimtelijke besluitvorming (w.o. bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor planologisch afwijken) rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten (artt. 38a t/m 41 Monw 1988). Daartoe kan de gemeente in dat besluit regels stellen, bijvoorbeeld tot het doen van archeologisch onderzoek. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie (EC LI:NL:RVS:2011:BU7102, r.o. 2.9.7). Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop archeologische verwachtingswaarden zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Beoordeling Volgens de ‘Advies archeologische beleidskaart’ van de gemeente Rucphen liggen de gronden in onderhavig plan binnen het ‘Archeologisch Beleidsadviesgebied 3’. Voor gronden binnen dit gebied geldt bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 39
een onderzoeksplicht bij een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m 2 en een diepte van 50 cm. Onderhavig initiatief overschrijdt deze grenswaarden. Middels een archeologisch rapport dient verzekerd te worden dat archeologische waarden behouden blijven.
Uitsnede 'Advies archeologische beleidskaart' van de gemeente Rucphen. Delen van het plangebied waar bodemingrepen gaan plaatsvinden zijngeduid met een gele contour.
Door ADC ArcheoProjecten is in augustus 2018 verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Rapportage hiervan is als bijlage 6 gevoegd bij deze toelichting. Het verkennend archeologisch onderzoek is aangevangen met een plan van aanpak en een bureauonderzoek. Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Volgend uit de resultaten van dit onderzoek kan het grootste gedeelte van het plangebied worden vrijgegeven van archeologische verwachtingswaarde. In de boring 2 t/m 4, waar een restant van een podzolbodem is aangetroffen, is de bodemopbouw grotendeels intact. Dit gebied is in onderstaande figuur met rood aangeduid. Voor dit gebied adviseert ADC een karterend booronderzoek bij ingrepen dieper dan 30 cm beneden het maaiveld en groter dan 100 m 2. In de overige boringen is de bodemopbouw op grond van het ontbreken van duidelijke sporen van een podzolbodem als verstoord aan te merken. Voor dit resterende deel van het plangebied wordt geen aanvullend archeologisch onderzoek geadviseerd. De locatie van het landhuis wordt op advies door ADC vrijgegeven voor ontwikkeling.
40 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
Archeologische advieskaart, bron: Archeologisch onderzoek ADC
Conclusie De ontwikkellocatie van het nieuwe landhuis valt buiten de zone die ADC ArcheoProjecten aangeeft. De gebiedsaanduidingen 'overige zone - waarde archeologie 3' wordt uitsluitend opgenomen waar vervolgonderzoek wordt aanbevolen. Aldus is de uitvoerbaarheid van de realisatie van het landhuis aangetoond.
4.6 Natuurbescherming Toetsingskader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 41
jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb. Onderdeel van deze gebiedsbescherming wordt gevormd door het Programma Aanpak Stikstof 2015 2021 (PAS), welke in werking is getreden per 1 juli 2015. Het PAS betreft een programma, voorheen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en gecontinueerd onder de Wnb, en heeft als doel om de depositie van stikstof op de Natura 2000-gebieden te verminderen, de natuur te versterken en ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen.
Natuur Netwerk Brabant C onform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Mogelijk is sprake van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wnb.
Beoordeling Wet natuurbescherming Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. In onderhavige situatie is er sprake van de realisatie van één nieuw landhuis. Als Bijlage 7 is een stikstofberekening toegevoegd. Op basis van de uitgevoerde berekening kan geconcludeerd worden dat bij de te beschermen gebieden geen relevante bijdrage (0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie berekend wordt. Aangezien geen significante negatieve effecten mogen worden verwacht, vormt stikstofdepositie geen belemmering voor de planrealisatie.
Natuur Netwerk Brabant Met het initiatief vinden ingrepen in en nabij het Natuur Netwerk Brabant plaats. Deze ingrepen hebben als doel natuurwaarden te creëren en de bestaande te versterken. Op vier precelen binnen het onderzoeksgebied zal nieuwe natuur ontwikkeld worden, met op een van de drie percelen de bouwkavel van het landhuis. Op één perceel worden de natuurwaarden gerealiseerd of versterkt:
42 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
het noordelijke perceel bestaat uit 0,89 ha, nieuwe natuur; het perceel met bouwkavel bestaat uit 1,56 ha, nieuwe natuur; het zuidelijke perceel bestaat uit 0,3 ha, nieuwe natuur; het westelijke perceel bestaat uit 0,4 ha, bestaande natuur (revitalisatie); Een totaal gebied van circa 3,0 ha binnen het plangebied (inclusief bouwkavel) zal als nieuwe natuur worden ingericht (zie bijlage 1 bij de regels).
Uit het NNB-effectenonderzoek blijkt dat er door de geplande inrichting geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. Hierbij dient er wel rekening gehouden te worden met toekomstige verlichting. Daarnaast wordt er geadviseerd om het gebied alleen overdag open te stellen voor publiek, dit om de nachtelijk rust van mogelijk aanwezige fauna te kunnen garanderen. Verder wordt geadviseerd om rekening te houden met de aanwezige flora en fauna vanuit de zorgplicht. De gekozen soorten beplanting ten behoeve van de realisatie van natuurwaarden gedijen goed in de bestaande bodem, concludeert Econsultancy in een bodemkundig bureauonderzoek. De restulaten van het onderzoek zijn te zien in Bijlage 4.
Houtopstanden Op de locatie zijn houtopstanden aanwezig die vallen onder artikel 4.3 van de Wnb. Aangezien op locatie geen houtopstanden geveld gaan worden is dit onderdeel niet van toepassing.
Conclusie Onderhavig initiatief voldoet aan de vereisten ten aanzien van gebiedsbescherming.
4.7 Flora en fauna Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De Wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen.
Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten. C onform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. C onform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.
Beoordeling De initiatiefnemer is voornemens nieuwe bebouwing toe te voegen aan de zuidzijde van het landgoed, ter plaatse wordt één nieuwe wooneenheid gerealiseerd. Ten behoeve van de ontwikkeling van het landgoed dient eveneens nieuwe natuur te worden ontwikkeld, alsmede mogelijkheden voor extensieve recreatie. Voor het landgoed is een inrichtingsvoorstel opgesteld.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 43
Door Econsultancy is in november 2017 een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Rapportage daarvan is als Bijlage 2 gevoegd bij deze toelichting. Het onderzoek heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Overzicht geschiktheid plangebied voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Bron: quickscan flora & fauna, Econsultancy, november 2017.
Conclusie Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden is de verwachting dat de voorgenomen plannen uitvoerbaar zijn. Een ontheffingaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.
4.8 Wegverkeerslawaai Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;
44 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid).
in
een
geluidsgevoelige
functie
De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Stedelijk
Buitenstedelijk
Aantal rijstroken
Aantal meter aan weerszijden van de weg
5 of meer
350 m
600 m
3 of 4
350 m
400 m
1 of 2
200 m
250 m
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/h geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen. Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting.
Beoordeling De Roever Omgevingsadvies heeft 10 september 2018 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd als Bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat de hoogste geluidbelasting Lden vanwege een zoneringsplichtige weg 25 dB bedraagt (inclusief aftrek ex art. 110g). De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Er hoeft geen hogere waarde procedure te worden gevolgd.
Conclusie Het geluid dat afkomstig is van wegverkeer is aanvaardbaar voor de ruimtelijke ontwikkeling. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het nieuwe landhuis.
4.9 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-brochure) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).
Beoordeling Met milieuzonering worden 2 omgevingstypen onderscheiden: rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied. Het plangebied is gelegen in een gebied dat kan worden gekenmerkt als gemengd gebied. Richtwaarden uit de VNG-brochure mogen derhalve met één stap worden verlaagd. Onderhavig bestemmingsplan maakt de bouw van één woning mogelijk, waardoor ter plaatse gevoelige functies worden toegevoegd. Bij de beoordeling van een project voor de realisatie van een gevoelige functie moet enerzijds beoordeeld worden of de ontwikkeling geen gevolgen heeft voor de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijvigheid. Anderzijds moet getoetst worden of ten
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 45
aanzien van de milieubelasting van deze bedrijvigheid een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het nieuwe landhuis ligt vrij solitair in het landschap. Het agrarisch bouwvlak van de veehouderij aan de Hoeksestraat 24 ligt het meest nabij het landhuis op een afstand van ongeveer 60 meter. Dit bedrijf heeft een vergunning voor het houden van 20 melkkoeien ouder dan 2 jaar met bijbehorend jongvee, blijkt uit de digitale registratie op Web-BVB Noord-Brabant (zie onderstaande figuur).
Gegevens bedrijf Hoeksestraat 24. Bron: Web-BVB Noord-Brabant, 2018.
Uit deze gegevens blijkt dat dit bedrijf melkvee houdt. De nieuwe woning ligt binnen of nabij de richtafstand van enkele omliggende bedrijven. In onderstaande tabel is hier een overzicht van gegeven:
Veehouderij van Overveld-Lauwerijs sen Schijf
Locatie
Max. milieucategorie
Richtwaarde VNG Afstand tot plangebied
Hoeksestraat 24
3.2
100 meter
60 meter
Het gebied kan worden gekenmerkt als een gemengd gebied omwille meerdere factoren. Ten eerste zijn woonfuncties verweven met agrarische functies. Ten tweede is een doorgaande weg aanwezig nabij het plangebied. De richtafstand vanuit de VNG mag derhalve met één categorie worden verlaagd. De minimale afstand van een woning tot een rundveehouderij in een gemengd gebied dient 50 meter te bedragen. De woning wordt op 60 meter van de veehouderij gebouwd en derhalve is een goed woonen leefklimaat binnen het plangebied verzekerd. Omgekeerd hindert het planvoornemen andere bedrijven niet in hun bedrijfsvoering. Immers ligt ten zuiden van de veehouderij reeds een woning op kortere afstand van de veehouderij dan het nieuwe landhuis.
Conclusie Binnen het plangebied is met betrekking tot milieuzonering een goed woon- en leefklimaat verzekerd. Onderhavig initiatief belemmert omliggende inrichtingen niet in hun bedrijfsvoering.
4.10
Externe veiligheid
4.10.1
Inrichtingen en externe veiligheid
Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn
46 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd.
Uitsnede van de risicokaart. Het plangebied is globaal geduid met een blauw kader.
De dichtstbijzijnde inrichting met een potentieel veiligheidsrisico betreft een inrichting met een propaantank, direct ten noordoosten van het plangebied. Deze propaantank is gelegen op ruime afstand waar een nieuw gevoelig object wordt gerealiseerd (ongeveer 500 meter). Er is geen sprake van een PR 10-6 risicocontour. De veiligheidsafstand als genoemd in het activiteitenbesluit voor propaantanks bedraagt 10 meter. Aan deze afstand wordt voldaan. Er zijn geen gevolgen wat betreft externe veiligheid inzake het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor het overige zijn er geen relevante inrichtingen met een potentieel veiligheidsrisico in de buurt van het plangebied.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 47
Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor onderhavig initiatief.
4.10.2
Transport en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 5 kilometer van de Rijksweg A58 waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor deze weg geldt dat er op basis van de risicokaart sprake is van een risicocontour van 4 kilometer voor het groepsrisico. Gelet op de ruime afstand van de weg tot het plangebied vormt de ligging van de weg geen belemmering voor onderhavig voornemen. Voorts geldt dat het plangebied is gelegen op een afstand van circa 5,8 kilomter van de spoorlijn tussen Etten-Leur en Roosendaal. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Er is geen sprake van een risicocontour. Gelet op de ruime afstand van de spoorweg tot het plangebied vormt de ligging van de spoorweg geen belemmering voor onderhavig voornemen.
De Veiligheidsregio adviseert met betrekking tot bereikbaarheid het volgende. Voor het nieuwe landhuis is de bereikbaarheid slecht. Er dient rekening te worden gehouden met het aanleggen van een nieuwe erftoegangsweg, die geschikt is voor de afmetingen, gewichten en aslasten van een brandweervoertuig. Voor een goede bereikbaarheid van brandweervoertuigen moeten wegen een vrije doorgang hebben van tenminste 4,2 meter hoog en 3,5 meter breed. Daarbij moet de weg over tenminste 3,0 meter breedte zijn voorzien van een verharding, die geschikt is voor voertuigen met een asbelasting van tenminste 10 ton en een totaalgewicht van tenminste 30 ton. De bochten in wegen dienen te zijn uitgevoerd met een binnengochtstraal van 5,5 meter en een buitenbochtstraal van 10 meter. Voor de verharding van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dient, naast bovenstaande eisen ten aanzien van aslasten en gewichten, ook rekening te worden gehouden met een stempeldruk van 100 ton/m2 voor een redvoertuig en de afmetingen in onderstaande tabel. Tankautospuit
Redvoertuig
Breedte
4 meter
5 meter
Lengte
10 meter
10 meter
Hoogte
4,2 meter
4,2 meter
Voor een doodlopende weg langer dan 40 meter zonder verdere vertakkingen en voorzien van een keerlus aan het eind, geldt een minimale wegbreedte van 4,5 meter. Indien er geen keerlus is voorzien geldt een minimale wegbreedte van 5,0 meter, zodat achteruit rijden mogelijk is. In het landschappelijk inpassingsplan is rekening gehouden met een minimale breedte van 5,0 meter.
Conclusie
48 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
Het aspect transport en externe veiligheid is geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.
4.10.3
Buisleidingen en externe veiligheid
Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.
Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat de dichtsbijzijnde hogedruk aardgasleiding gelegen is op een afstand van circa 600 meter tot het plangebied. Gelet op de ruime afstand van de buisleiding tot het plangebied vormt de ligging van de buisleiding geen belemmering voor onderhavig voornemen.
Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.11
Kabels en leidingen
Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant in verband met onderhoud, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. 1 a. b. c. d. e.
hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. 2 1.
'Leidingen die deel uitmaken van een inrichting' zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van de inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting (laatstgenoemde leidingen hebben een zgn. functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer).
2.
Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.
Beoordeling Ter plaatse van het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Indien nodig zal in een later stadium van onderhavig project een KLIC -melding worden uitgevoerd.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 49
4.12
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C 6H6), zwaveldioxide (SO 2), lood (Pb) en koolmonoxide (C O). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m 3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO 2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m 3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.
De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.
Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO 2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 als NO 2.
In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling 100.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg 200.000 m² bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 1 landhuis. Gesteld kan worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 1500 woningen, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit. Bovendien is blijkens de luchtkwaliteitskaarten van het RIVM ter hoogte van het plangebied geen sprake van een hoge achtergrondbelasting inzake fijnstof of stikstofdioxide. Daarmee kan worden gesteld dat met betrekking
50 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
tot luchtkwaliteit een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied is gegarandeerd.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de onderhavige ontwikkeling. Binnen het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.13 Milieueffectrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. 2. 3.
Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C - of D-lijst van het Besluit m.e.r.); Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C -255/08 – C ommissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C - of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C - of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.
Beoordeling Met het onderhavige planvoornemen is er sprake van de ontwikkeling/realisatie van een landgoed met één landhuis. Dit betreft geen activiteit die voorkomt op de C -lijst. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. De activiteit komt wel voor op de D-lijst, namelijk onder categorie D 11.2, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De grenswaarde betreft hier gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op o.a. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat. Het initiatief heeft slechts betrekking op de realisatie van één woning. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling ver beneden de drempelwaarde uit de D-lijst ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. Er geldt derhalve geen verplichting tot het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordeling, waardoor enkel een vormvrije m.e.r.-beoordeling resteert. Middels de toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. Hieruit zijn geen belangrijke nadelige milieugevolgen gebleken, waaruit bovendien geconcludeerd kan worden dat er geen noodzaak is tot het opstellen van een MER.
Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is gelegen in een gebied waar
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 51
de Provinciale milieuverordening geldt. Er is dus geen sprake van de verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de bijbehorende procedure. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden, waarbij alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten zijn getoetst en akkoord bevonden. Er is geen sprake van belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conclusie Zoals beschreven is er bij onderhavig project geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. of de Provinciale milieuverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. Wel dient het college expliciet een besluit te nemen dat het planvoornemen niet m.e.r.-plichtig is naar aanleiding van een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling.
52 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
Hoofdstuk 5
Juridische planopzet
5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald. Bij het opstellen van de juridische regeling heeft het uitgangspunt centraal gestaan dat er een regeling geboden wordt die de ontwikkeling van het plangebied mogelijk maakt.
5.2 Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de binnen de gemeente C uijk gehanteerde bestemmingsplansystematiek voor recreatieterreinen. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de gewenste functies. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.
5.3 Regels 5.3.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 'Begrippen' In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 standaard omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.
Artikel 2 'Wijze van meten' In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.3.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Het stramien voor de bestemmingsplanregels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels;
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 53
specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. Een bestemming hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit kan per bestemming Onderstaand worden de in het bestemmingsplan gehanteerde bestemmingen toegelicht.
verschillen.
Artikel 3 'Bos' Ten behoeve van het behoud van de aanwezige bosgebieden is een groot deel van de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Bos'. Binnen de bestemming wordt de functieaanduiding 'pad' opgenomen. Deze paden zijn conform het natuurinrichtingsplan.
Artikel 4 'Natuur' Ten behoeve van realisatie van natuurwaarden is een deel van de gronden binnen het plangebied bestemd als 'Natuur'. Voor zover deze gronden de bestemming ‘Natuur’ hebben gekregen geldt dat deze gronden zijn gelegen binnen het ‘Natuur Netwerk Brabant’ op basis van de Verordening ruimte Noord-Brabant. De aanduiding 'ontsluiting' wordt opgenomen voor de toegangsweg vanaf de openbare weg naar de nieuwe woning.
Artikel 5 'Wonen' Het plangebied bevat de bestemming ‘Wonen ’. Ter plaatse van deze bestemming is realisatie van één nieuwe vrijstaande woning van 1.500 m 3 toegestaan. Een hoofdgebouw mag uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak. Bijbehorende bouwwerken tot 200 m 2 mogen worden opgericht overeenkomstig de gestelde regels. Omdat een landhuis van allure wordt beoogd, wordt afgeweken van de standaard bouwhoogten die gelden voor hoofdgebouwen. De maximale toegestane goot- en bouwhoogten zijn in dit bestemmingsplan met één meter verhoogd. Binnen de bestemming 'Wonen' is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze verplichting 'specifieke vorm van wonen voorwaardelijke verplichting' regelt dat de natuurontwikkeling van het landgoed binnen 24 maanden na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan dient te zijn gerealiseerd conform het landschappelijk inpassingsplan.
Artikel 6 'Waarde - Archeologie' Deze gronden zijn tevens bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 3' is deze dubbelbestemming van toepassing.
Artikel 7 'Waarde - Ecologie - Natuur Netwerk Brabant' Voor zover gronden zijn bestemd als ‘Natuur’ ligt op deze gronden tevens de dubbelbestemming ‘Waarde - Ecologie - Natuur Netwerk Brabant’. Hiervoor geldt dat deze gronden zijn gelegen binnen het ‘Natuur Netwerk Brabant’.
5.3.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels Dit hoofdstuk omvat drie artikelen:
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.
Artikel 9 Algemene bouwregels In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen,
54 avikshorst
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H
de dakhelling van hellende dakvlakken en de nokrichting en de plaatsing en vormgeving van andere bouwwerken. Deze eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.
Artikel 10 Algemene gebruiksregels In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie is expliciet uitgesloten.
Artikel 11 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen binnen op de verbeelding gebiedsaanduidingen. De volgende aanduiding komt in het bestemmingsplan voor:
opgenomen
milieuzone - boringsvrije zone; milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied; overige zone - groenblauwe mantel; overige zone - landgoed; vrijwaringszone - obstakelbeheerzone. Artikel 12 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Daarnaast is er een afwijking opgenomen voor het oprichten van antennes en masten tot 15 meter hoog én voor erkers, balkons en luifels. De afwijkingen zijn enkel mogelijk indien er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de samenhang in straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.