CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

08b bijlage b. t NL.IMRO.0840.2584K0039-DEF1 2024-01-08

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 6 maart 2024, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Kenbelstraatje ongenummerd, St. Willebrord20.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 12: Uitsnede Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant

In artikel 4.55 zijn specifieke regels opgenomen voor duurzame stedelijke ontwikkelingen. Hieronder is artikel 4.55 weergegeven.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 26 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Artikel 4.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen, wijst daarvoor de locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 6.2 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in het geval dat: a. een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving wordt bevorderd; b. zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden, wordt bevorderd; c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. wordt bij gedragen aan een duurzame, concurrerende economie. Lid 3 Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het omgevingsplan regels over: a. een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; b.

het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waarvan in ieder geval sprake is bij: 1. bedrijfswoningen; 2. bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden; 3. Voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.

In bovenstaand artikel zijn de specifieke regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. De ontwikkeling is passend binnen de regionale afspraken, hieraan is getoetst in paragraaf 4.3. Plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moeten zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied in de dorpskern van St. Willebrord. Het perceel ligt in de kern van St. Willebrord, met passende woningbouw wordt aangesloten op de omgeving. Het zorgvuldig ruimtegebruik binnen de kern Sprundel wordt hiermee bevordert. De stedelijke ontwikkeling dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen. De beoogde nieuwbouw dient zich te verhouden tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Voor de gemeente Rucphen wordt de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen bepaald op 515 woningen t/m 2025. Ten tijde van het opstellen van de Regionale Agenda Wonen, waren 258 woningen opgenomen binnen de harde plancapaciteit van de gemeente Rucphen. Dit betekent dat 50% van het vereiste aantal woningen is opgenomen binnen een bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan kan worden gesteld dat er ruimte is voor de ontwikkeling van 4 extra wooneenheden.

Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Structuurvisie Rucphen 2030

De gemeenteraad van Rucphen heeft bij besluit van 11 december 2013 de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ vastgesteld. In de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ geeft de raad zijn visie op de ruimtelijke ontwikkelingen. De visie gaat over de leefruimte van het gehele grondgebied van Rucphen. De structuurvisie is het richtinggevende ruimtelijke relevante afwegingskader.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 27 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De Structuurvisie bestaat uit twee delen: 1. Deel A, de beleidsvisie, bevat onze voornemens en ambities met betrekking op de toekomstige ruimte van Rucphen. 2. De projecten en de haalbaarheid ervan worden behandeld in deel B: het projectenplan. De visie heeft een looptijd tot 2030. Het projectenplan wordt regelmatig geactualiseerd. Uit figuur 13 blijkt dat het plangebied ligt in ‘Versterken uitstraling dorpskernen’. Om de woonkwaliteit en de recreatieve aantrekkelijkheid van de gemeente te vergroten is versterking van de uitstraling van de grote kernen noodzakelijk. De grote kernen zijn stenig en hebben hun relatie met het buitengebied verloren. Het gemeentelijk beleid is gericht op herstel van deze relatie. In het groenstructuurplan is aangegeven hoe: landschappelijke dooradering van de dorpen, een groen dorpshart en groene dorpsranden. Rode initiatieven worden hieraan getoetst en moeten daaraan bijdragen.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 28 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 13: Uitsnede Structuurvisie Rucphen 2020

De vier vrijstaande woningen worden gerealiseerd op een inbreidingslocatie aan het Kenbelstraatje. Om de woonkwaliteit en de recreatieve aantrekkelijkheid van de gemeente te vergroten is versterking van de uitstraling van de grote kernen noodzakelijk. Dit initiatief draagt bij aan de aantrekkelijkheid van de woonkern St. Willebrord. 4.4.2

Woonvisie gemeente Rucphen 2020-2024

De woningmarkt is steeds in beweging en verandert in een hoog tempo als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen en wijziging van wet- en regelgeving. Belangrijke uitdagingen zijn er zoals op het gebied van betaalbaarheid van woonlasten voor starters, het uitgangspunt van langer thuis blijven wonen door ouderen, verduurzaming van de woningvoorraad en de toewijzing van passende sociale huisvesting voor onze inwoners. Het is dan ook noodzaak om deze ontwikkelingen nauwlettend te volgen en het woningmarktbeleid daarop aan te passen. De Woningwet 2015 gaat er van uit dat tussen de gemeente, de woningcorporaties en de huurdersorganisaties zogenaamde prestatieafspraken gemaakt worden, die gebaseerd zijn op een actuele gemeentelijke woonvisie. Hiermee is de noodzaak van een actuele eigentijdse woonvisie helder, waarbij het de uitdaging blijft om binnen de wet- en regelgeving te blijven zoeken naar lokale optimalisatie van visie en ambities. Traditioneel is de woonvisie een belangrijk instrument in de woningbouwopgave voor de gemeente. Dat geldt zeker ook voor deze woonvisie. Echter wordt in deze woonvisie naast het perspectief van het bouwen tevens het perspectief van het wonen belicht. Daarmee heeft deze woonvisie zich ontwikkeld tot een brede WOONvisie voor de periode 2020-2024.

In de gemeentelijke Woonvisie wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid/ doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc. Deze vertaalslag zorgt ervoor dat de Woonvisie 2020-2024 het woonkompas bij uitstek is, gebaseerd op onder andere de Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 en de Structuurvisie Rucphen 2030. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 29 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen. Het initiatief past binnen de Woonvisie van Rucphen. Doorstromers in de gemeente zijn voornamelijk op zoek naar een grotere woning. Hieruit kan worden afgeleid dat, hoewel reeds sprake is van een groot aantal vrijstaande woningen in St. Willebrord, de vraag naar dit type woning aanhoudt. Met het onderhavige initiatief wordt tegemoetgekomen aan de vraag naar deze woningen. 4.4.3

Groenbeleidsplan Groen R, 2022

De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dat doen zij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij spelen een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Met Groen R streeft de gemeente de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap. Wanneer het gaat om het behoud en versterken van het leefklimaat in de dorpen en het buitengebied is groen belangrijk. Dit geldt voor zowel mensen als dieren. Gemeente Rucphen is zich bewust van de bijdrage die groen levert aan een goede leefomgeving. Denk aan natuurwaarde, gezondheid, een betere luchtkwaliteit, klimaatadaptieve omgeving, recreatiewaarde, esthetische waarde, cultuurhistorische waarde en ook economische waarde. Groen biedt een plek voor ontmoeting en beweging en draagt bij aan een goed woon- en werkklimaat en een gezonde levensstijl. Bij het inpassen van bestaand groen en nieuw groen bij ontwikkelingen, tot het goed onderhouden, zodat groen volwassen wordt en bomen monumentaal. Hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van groen ook lijkt, een duidelijke borging is voor behoud en ontwikkeling van belang.

Dit groenbeleidsplan sluit aan en bouwt voort op landelijke wettelijke kaders en verschillende gemeentelijke beleidskaders (waaronder: Visie Groenbeleid 2008 en Groenstructuurplan gemeente Rucphen 2009). Om te komen tot Groen R zijn de volgende zes bouwstenen van belang. De bouwstenen geven inzicht in de verschillende verschijningsvormen en relaties van groen. Het geeft per bouwsteen de huidige situatie weer en daarnaast ook de noodzakelijke opgaven. De bouwstenen zijn: ▪ Groen en identiteit; ▪ Groen en natuur; ▪ Groen en de gezondheid; ▪ Groen en klimaatadaptatie; ▪ Groen en de CO2 opgave; ▪ Groen en de landbouw. In de visie werkt de gemeente aan de verbinding en de verbetering van het groen in de kernen en het buitengebied, met als doel een sterke groenstructuur. De structuur moet bestaan uit een gevarieerd groenpalet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. Door het verbinden van groene gebieden ontstaan meer mogelijkheden voor dieren en voor planten om te leven en voor onze inwoners om daar van te genieten. Geleidelijk ontstaat zo in de publieke (en in de private) buitenruimte een samenhangend groen netwerk. Die groenstructuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan en groen zo aan te leggen dat het een meerwaarde heeft voor mensen en dieren.

De gemeente Rucphen ontwikkeld de groene ruimte in de gemeente met aandacht voor gezondheid, natuur, klimaatadaptatie en sociaal welzijn. Een ruimtelijke visie voor de hele gemeente die gebaseerd is op de ruimtelijke kenmerken en rekening houdt met dynamiek en ontwikkelingen binnen de gemeente. Het groenplan is niet per definitie een blauwdruk maar geeft richting aan ontwikkelingen in het groen, en biedt kaders voor niet-groenprojecten. Groen R bestaat uit de genoemde bouwstenen. Als er groene ruimtes worden toegevoegd, verbeterd, beheerd of ontworpen, doet de gemeente dat door het inzetten van een aantal principes die de basis vormen onder deze visie. Alle vier zijn ze gericht op het doel van een leefbare gemeente voor mens en dier. ▪ Principe 1 We zorgen voor genoeg en gevarieerd groen voor iedereen;

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 30 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪ ▪ ▪

Principe 2 We zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven; Principe 3 De gemeente wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd; Principe 4 Aan groen werken we samen.

De visie Groen R gaat over de invulling van openbaar groen binnen de gemeente Rucphen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen. De planlocatie ontsluit aan het Kenbelstraatje. Het Kenbelstraatje is in de groenstructuurkaart niet aangemerkt als een structuur met groen of bomen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op eventueel in de omgeving gelegen groenstructuren. Het groenstructuurplan heeft geen gevolgen voor de ontwikkeling op de planlocatie of andersom.

Figuur 14: Groenstructuurkaart kern Sint Willebrord, Groenbeleidsplan Groen R

4.4.4

Boombeleid gemeente Rucphen

De gemeente Rucphen streeft de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het bomenbestand. De aspecten gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde zijn de drie bepalende pijlers. Het behouden en versterken van de boomstructuur, het vergroten van de biodiversiteit en klimaatadaptief maken van de gemeente zijn daarbij uitgangspunt. Door het benoemen van de essentiële groenstructuur van de dorpen kan gericht worden gewerkt aan het groene geraamte. Dit wordt tevens bereikt door het stellen van heldere inrichtings- en beheereisen. De gemeente Rucphen is zich als groene gemeente bewust van het belang van een goede biodiversiteit. Waarbij we inzetten op goede robuuste en fijnmazige netwerken, een duidelijke en passende soortkeuze en het stimuleren van milieu- en natuureducatie. Het draait bij de waardering van de bomen over de beleving door de gebruikers. Van de Rucphense Bossen tot de kleine landschapselementen in het buitengebied en van de bomenlanen tot de bomen in de woonstraten binnen de dorpen. Met een bomenbestand van circa 14.000 bomen is er gemiddeld 0,6 boom per inwoner, dat is vergelijkbaar met het landelijke gemiddelde van 0,5 boom per inwoner. Een groot aantal van de bomen binnen de gemeente is aangewezen als waardevol, deze bomen zijn opgenomen op de groene kaart. Ze dragen op een bijzondere manier bij aan de groene uitstraling van de gemeente.

De planlocatie ontsluit aan het Kenbelstraatje. Het Kenbelstraatje is niet aangemerkt als hoofd- of nevenstructuur van gemeentelijke bomen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op eventueel in de omgeving gelegen groenstructuren. Het groenstructuurplan heeft geen gevolgen voor de ontwikkeling op de planlocatie of andersom.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 31 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 15: Uitsnede Boombeleid kaart

4.4.5

Nota Parkeernormen Rucphen

De Nota parkeernormen Rucphen is een bijlage van het Gemeentelijk Verkeers‐ en Vervoerplan. In de Nota parkeernormen Rucphen worden de gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen vastgesteld. De normen zijn vastgesteld om in de toekomst te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte en de bereikbaarheid en leefbaarheid van de verschillende kernen van de gemeente Rucphen te waarborgen. Het aspect parkeren komt in paragraaf 3.2.2 aan bod, het parkeren dient te voldoen aan de nota parkeernormen. 4.4.6

Waterplan Rucphen, visie en maatregelen

De gemeente Rucphen wil samen met het Waterschap Brabantse Delta, de Provincie Noord-Brabant en Brabant Water het watersysteem in Rucphen op orde brengen en op orde houden. Het waterplan Rucphen geeft met de watervisie voor 2050 aan hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast geeft het waterplan inzicht in de verschillende waterthema’s die spelen en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de wateropgave. In het waterplan wordt het watersysteem en de waterketen beschreven en wordt ingegaan op de (bekende) knelpunten en de punten die goed zijn of potentie hebben. Daarna wordt ingegaan op de watervisie voor de gemeente Rucphen in 2050. De drie hoofdthema’s zijn de waterstructuur, water in de omgeving en waterbeleving in het groen. Ten slotte worden maatregelen beschreven. De maatregelen kunnen van verschillende aard zijn: communiceren, organiseren (werkafspraken) en feitelijke aanpassingen aan het watersysteem. Het plangebied is niet gelegen binnen een ontwikkeling in het kader van het Waterplan Rucphen. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor het plangebied. 4.4.6

Nota Archeologie Gemeente Rucphen

Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Rucphen de Nota Archeologie Gemeente Rucphen opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Het aspect archeologie is in paragraaf 5.2 verder uitgewerkt.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 32 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.4.7

Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030

De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente. Achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet te zien als een geïsoleerd beleidsterrein maar op te pakken als een integrale opgave binnen de gemeentelijke organisatie en de samenleving. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw/ Gemeente. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). Duurzaam ondernemen is een van de ambities binnen de visie. De gemeente is samenwerking met bedrijven een platform Duurzaamheid aan het ontwikkelen ter bevordering van duurzaam ondernemen.

Hierbij liggen bijvoorbeeld kansen om op grote bedrijfsdaken zonnepanelen te plaatsen. Voor duurzaam bouwen is de ambitie om bestaande bedrijfsgebouwen aan Energielabel B te laten voldoen. Een duurzame samenleving heeft hoge natuurwaarden en een goede waterkwaliteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken. Circulaire economie In 2014 heeft de gemeente Rucphen het Convenant Duurzaam Bouwen West-Brabant ondertekend. In het convenant is aangegeven wat de deelnemende gemeenten belangrijk vinden. Voor het verduurzamen van de nieuwe woningbouw, de bestaande woningvoorraad, bestaande utiliteitsgebouwen en het gemeentelijk vastgoed, moeten, in samenspraak met de partners, uitvoeringsprogramma’s worden opgesteld en mogelijk ook kaders worden vastgesteld om de uitvoering van concrete activiteiten te bevorderen.

Deze concrete activiteiten hebben grotendeels te maken met isoleren en duurzame energieopwekking, maar ook het gebruik maken van duurzame materialen en het onderwerp circulaire economie zijn hierbij van belang. De toenemende schaarste van grondstoffen en het belang van een duurzame samenleving vraagt om een circulaire benadering van grondstoffen. Het ultieme doel is dat er helemaal geen sprake meer is van afval, maar dat al het afval opnieuw als grondstof wordt ingezet. Dit wordt ook wel circulaire economie genoemd. Hooguit blijft een restfractie over waar geen betere toepassing voor is dan verbranding ten behoeve van energieopwekking. De gemeente heeft het doel gesteld van een afvalscheiding van 75% in 2024 met als ultieme doel een afvalloze samenleving. Voor de korte termijn streeft de gemeente het doel na van 100 kg restafval per inwoner in 2024. Beoordeling In de Visie Duurzaamheid is onder andere opgenomen dat wordt gestreefd om bij nieuwbouwplannen te voorzien in 75 m² openbaar groen per nieuwe woning. Dit uitgangspunt is niet één op één toe te passen bij (kleinschalige) stedelijke inbreidingslocaties. Per plan wordt bekeken hoe aan de doelstelling invulling gegeven kan worden. Op de planlocatie is aan de straatzijde ruimte om invulling te geven aan de 75 m² groen per woning.

Hier wordt een groene rand gerealiseerd, waardoor het straatbeeld van het Kenbelstraatje groener wordt.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 33 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 16: Realisatie van groen aan het Kenbelstraatje

Daarnaast is duurzaamheid het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouw woningen op de locatie aan het Kenbelstraatje. De woningen dienen te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), daarnaast worden de nieuw te realiseren woningen gasloos uitgevoerd. Tijdens de verdere uitwerking van het ontwerp van de woningen wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk gebruiken van duurzame bouwmaterialen. 4.4.8

Bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’

Op het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’. Het bestemmingsplan is op 8 maart 2023 vastgesteld.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 34 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 16: Uitsnede ontwerpbestemmingsplan Kom St. Willebrord

Het plangebied is gelegen in drie verschillende enkelbestemmingen. De percelen ten noorden van het Kenbelstraatje zijn gelegen in respectievelijke ‘Tuin’ en ‘Wonen’, het perceel ten zuiden van het Kenbelstraatje is gelegen binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Verder zijn over de percelen de gebiedsaanduidingen ‘luchtvaartverkeerzone – 3’, ‘milieuzone – boringvrije zone’ en ‘vrijwaringszone – obstakelbeheerzone’ gelegen. Over een gedeelte van de percelen liggen de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone – weg’ en ‘geluidzone – luchtvaart 47 dB(A) Lden’. Binnen de bestemming huidige bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Tuin’ en ‘Wonen’ is het niet mogelijk om vier woningen op te richten. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien. In figuur 17 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 35 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 5.1

Relevante (Milieu)aspecten

Algemeen

Het plangebied is gelegen in de kern van St. Willebrord, gelegen aan het Kenbelstraatje. Het voornemen is om met het bouwplan het oprichten van maximaal vier vrijstaande woningen planologisch mogelijk te maken. Het huidige bestemmingsplan dient te worden herzien door middel van een bestemmingsplanprocedure. In onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieu hygiënische aspecten welke betrekking hebben op het plangebied uiteengezet. 5.2

Cultuurhistorie en archeologie

5.2.1

Cultuurhistorie

Figuur 17: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (Provincie Noord-Brabant)

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 36 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Sinds 1 juli 2011 is de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in werking getreden. Als gevolg hiervan is het Bro (artikel 3.6.1. lid 2) gewijzigd. Kort gezegd geldt nu voor cultuurhistorie, wat al sinds 2007 voor archeologie geldt. Ook voor cultuurhistorie moet nu in elk bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Het gaat daarbij niet alleen om cultuurhistorische objecten, ook historische geografie hoort hierbij. Om te bepalen of binnen het plangebied sprake is van cultuurhistorische elementen waarmee rekening dient te worden gehouden, is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. Deze kaart is eveneens via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 18) is te zien dat het plangebied is gelegen in de regio ‘Westbrabantse Venen’, deze regio heeft een provinciaal cultuurhistorisch belang. De West-brabantse Venen maken deel uit van het zwak golvende dekzandlandschap. Anders dan in OostBrabant waren hier geen beeklopen, waardoor de dekzandkommen een slechte ontwatering hadden. Hierdoor ontstond op grote schaal veen. Stormvloeden hebben grote delen van het West-brabantse veen weggeslagen.

Grote delen van de resterende venen zijn door de mens afgegraven en ontgonnen. De natuurlijke basis van dit gebied bestaat daardoor weer uit dekzand. De winning en het transport van turf heeft het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaarten en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden werden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. De planlocatie betreft geen landgoed en er zijn ook geen turfvaarten in de directe omgeving aanwezig. Op de planlocatie vinden geen ontwikkelingen plaats die van invloed kunnen zijn op de cultuurhistorische landschappen. 5.2.2

Archeologie

Het is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologisch waarden. De archeologen van de Regio West Brabant adviseren de gemeente hierin.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 37 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 18: Uitsnede Archeologische beleidskaart Rucphen (bron: Gemeente Rucphen)

Op de archeologische waarden‐ en verwachtingskaart wordt onderscheid gemaakt tussen archeologische verwachtingen en waarden. In figuur 19 is ter plaatse van het plangebied een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in een archeologisch waardevol gebied 5: Lage archeologische verwachting. Archeologisch waardevol gebied 5: Waarde archeologie – laag Ter plaatse van deze gebieden met archeologische waarde 5 is de archeologische verwachtingswaarde laag. Ter plaatse van deze gebieden gelden dan ook geen ontheffingscriteria voor grondwerkzaamheden conform de Archeologische beleidskaart. Op het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen. Dit bestemmingsplan dateert al van 2012 en is dan ook niet meer afgestemd met het de Nota Archeologie, welke is opgesteld in 2019. Daarbij dient aanvullend te worden opgemerkt dat in het hernieuwede voorontwerp bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’, dat sinds 2020 ter inzage ligt, er ter plaatse van het plangebied geen archeologische dubbelbestemming meer is opgenomen. Deze nieuwe archeologische dubbelbestemming is afgestemd op de uitkomsten zoals opgenomen in de Nota Archeologie 2019 en de bijbehorende Archeologische beleidskaart gemeente Rucphen.

Gelet op voorgaande motivering kan worden bepaald dat er geen archeologisch onderzoek is benodigd voor het planologisch mogelijk maken van vier woningen. Wanneer bij de bouw archeologische vondsten worden gedaan, dient toch een onderzoek uitgevoerd te worden. 5.3

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op 29 november 2021 is door Moerdijk Bodemsanering B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit (in relatie tot mogelijke verontreinigingen in de bodem). Hiertoe is de kwaliteit van zowel de grond als het grondwater beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal boringen is verricht en een aantal grond(meng)monsters en grondwatermonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Onderstaand zijn in het kort de belangrijkste

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 38 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

onderzoeksresultaten beschreven. Voor het volledige onderzoek wordt kortheidshalve verwezen naar de afzonderlijke bijlage (bijlage 4). Conclusie en aanbevelingen De locatie heeft een oppervlakte van 5.320 m2 en betreft een braakliggend perceel en een weiland. De locatie is altijd in gebruik geweest voor agrarische doeleinden of was braakliggend. Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als onverdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van bodemverontreiniging. Ter plaatse van de puinhoudende grond/puin is tevens een verkennend asbestonderzoek verricht. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: - Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn ter plaatse van de boringen 12 t/m 15, 19 en 21 t/m 23 bijmengingen met puin aangetroffen. Ter plaatse van boring 12 is tevens puingranulaat aangetroffen. Boring 15 is gestaakt op circa 0,6 m -mv. Voor het overige zijn tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zintuiglijk (geur, kleur en samenstelling) geen afwijkingen waargenomen. Braakliggend perceel, 4.020 m2 - In het zintuiglijk ‘schone’ bovengrondmengmonster M01 is een licht verhoogd gehalte aan koper aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden. - In de zwak puinhoudende bovengrond ter plaatse van grondmengmonster M02 is een licht verhoogd gehalte aan PCB aangetroffen.

De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden. - In het zintuiglijk ‘schone’ ondergrondmengmonster M03 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In grondwatermonster GW01 zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond overschrijden de nader onderzoekswaarden echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie derhalve niet noodzakelijk geacht. Weiland, 1.300 m2 - In de zwak puinhoudende bovengrond ter plaatse van grondmengmonster M04 zijn licht verhoogde gehalten aan koper, zink en lood aangetroffen. De nader onderzoekswaarden worden niet overschreden. - In het zintuiglijk ‘schone’ ondergrondmengmonster M05 zijn geen verhoogde gehalten aangetroffen. - In grondwatermonster GW02 zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. De tevoren gestelde hypothese ‘onverdachte’ locatie dient formeel gezien te worden verworpen. De verhogingen in de grond overschrijden de nader onderzoekswaarden echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie derhalve niet noodzakelijk geacht. Puinhoudende grond/puin braakliggend perceel t.a.v. asbest, circa 500 m2 - In de puinlaag ter plaatse van puinmengmonster AM01 is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen.

De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie kan worden verwerpen aangezien geen bodemverontreiniging is aangetroffen. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie derhalve niet noodzakelijk geacht. Puinhoudende grond weiland t.a.v. asbest, circa 500 m2 - In de puinhoudende bovengrond ter plaatse van grondmengmonster AM02 is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen. De nader onderzoekswaarde wordt niet overschreden. De tevoren gestelde hypothese ‘verdachte’ locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhoging overschrijdt de nader onderzoekswaarden echter niet. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden ten aanzien van deze deellocatie derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw op de locatie.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 39 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.4

Water

5.4.1

Beleid waterschap Brabantse Delta

Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. In het waterbeheerprogramma staan de doelstellingen en ambities van het waterschap. Het bestuur geeft hiermee de koers aan voor de komende zes jaar. In het waterbeheerprogramma staan de kerntaken van het waterschap centraal. Dat zijn zorgen voor voldoende en schoon water voor natuur en landbouw, bescherming tegen overstromingen en het zuiveren van afvalwater. In dit plan is verwoord dat het waterschap aan een beter watersysteem werkt, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Deze thema’s pakt het waterschap in samenhang aan, omdat een integrale aanpak meerwaarde oplevert voor het resultaat. Daarnaast heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Figuur 20: Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 40 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.4.2

Grondwaterbeschermingsgebied en waterlopen

Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en is gelegen buiten het Natura 2000 invloedsgebied. In de directe nabijheid zijn geen waterlopen aanwezig. 5.4.3

Riolering en infiltratie

Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Bij voorkeur het gebruik hiervan reguleren door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst. Voor de geprojecteerde bebouwing op het plangebied geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat voor locaties de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 500 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Binnen dit plan worden vier woonkavels gerealiseerd waar binnen iedere kavel een vrijstaande woning met bijgebouw kan worden gebouwd.

De bebouwde oppervlakte per bouwperceel betreft per kavel maximaal 50%. - Kavel 1 heeft een oppervlakte van 1.357 m2 x 50% = 678,2 m2 - Kavel 2 heeft een oppervlakte van 1.271 m2 x 50% = 635,5 m2 - Kavel 3 heeft een oppervlakte van 1.220 m2 x 50% = 610 m2 - Kavel 4 heeft een oppervlakte van 668 m2 x 50% = 334 m2 Gelet op bovenstaande bebouwingsoppervlaktes en de ingetekende gebouwen en bijgebouwen op de verkavelings-tekening, is het niet aannemelijk dat de totale verharde oppervlakte per kavel hoger zal uitvallen dan bovenstaande oppervlaktes. Derhalve worden bovenstaande oppervlaktes gehanteerd in het bepalen van de minimale retentiecapaciteit op basis van toename verhard oppervlak.

Figuur 19: Uitsnede gevoeligheidskaart Keur

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 41 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m2) * gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) De gevoeligheidsfactor voor het gehele plangebied aan het Kenbelstraatje betreft 0,25. - De benodigde compensatie voor kavel 1 is: 678,2 * 0,25 * 0,06 = 10,2 m3. - De benodigde compensatie voor kavel 2 is: 635,5 * 0,25 * 0,06 = 9,5 m3. - De benodigde compensatie voor kavel 3 is: 610 * 0,25 * 0,06 = 9,2 m3 - De benodigde compensatie voor kavel 4 is: 334 * 0,25 * 0,06 = 5 m3. De compensatie kan bijvoorbeeld plaatsvinden in de vorm van wadi’s, vijver, verbrede sloot, infiltratiekratten, een groen sedum dak en dergelijke. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt de precieze verharding en de vorm van de compensatie bepaald. De compensatie vindt plaats binnen de planlocatie, er is sprake van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Om dit te borgen is een bepaling in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. 5.4.4

Watertoets

Het watertoets proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoets proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. Het advies wordt als vooroverlegreactie in toegevoegd aan onderhavig plan. 5.5

Ecologie

5.5.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.5.2

Gebiedsbescherming

Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland / EHS of Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied liggen op een afstand van 14 tot 16 km. Het betreft de gebieden Ulvenhoutse Bos, Hollands Diep en Brabantse Wal. Gelet op de schaal en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland worden er geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijk waarden en kenmerken van de NNN/ EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op voldoende afstand. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht.

Het plangebied ligt buiten het Attentiegebied NNB en Groenblauwe mantel waardoor de wetgeving op dit punt niet van toepassing is.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 42 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.5.3

Beschermde soorten

Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Dit kunnen verschillende dier- en plantsoorten betreffen, bijvoorbeeld zoogdierensoorten, amfibieën, reptielen, vissen, vogels en vleermuizen. De habitat van amfibieën, reptielen en vissen bestaat voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Op dit moment is er geen water op de planlocatie aanwezig. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat de locatie één of meer van deze beschermde soorten voorkomen. De vleermuis leeft in bomen en/of in gebouwen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, maar ook achter betimmering en daklijsten en zijn dus zeer moeilijk op te sporen. Op de planlocatie worden geen bomen gekapt en zijn er geen bouwwerken aanwezig. Een nader onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht, maar er geldt altijd een algemene zorgplicht voor beschermde en onbeschermde soorten. Tevens kan door middel van de Effectenindicator soorten van Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gekeken worden of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormen voor de beschermde soorten. De resultaten van deze scan zijn opgenomen in onderstaande figuur.

Uit de Effectenindicator soorten volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten en een overtreding van hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming onwaarschijnlijk is.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 43 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 20: Uitsnede Effectenindicator soorten

Beschermde houtopstanden Binnen het plangebied ontbreken houtopstanden die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming of kapvergunning plichtig zijn. Conclusie Uit bovenstaande (en het volledige rapport van de ecologische quickscan) blijkt dat de ontwikkeling in het plangebied geen belemmering oplevert voor de ecologische waarden in het gebied. In hoofdstuk 6 van de ecologische quickscan worden algemene voorzorgsmaatregelen beschreven die aanbevolen worden in acht te worden genomen. Het betreft het rekening houden met het broedseizoen en een algemene zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten. 5.6

Wegverkeerslawaai

Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 44 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. Op 25 juli 2023 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een Akoestisch onderzoek (rapport: VL.2132.R01) uitgevoerd ter bepaling van de geluidbelasting op de gevels van een nieuwbouwplan aan het Kenbelstraatje in St. Willebrord. Het ene plan (hierna locatie A) omvat de bouw van drie woningen aan de noordzijde van het Kenbelstraatje, op twee percelen tussen de woningen Kenbelstraat 33 en 39. De andere planlocatie (hierna planlocatie B) bevindt zich aan de zuidzijde van het Kenbelstraatje, op het perceel ten westen van de woning Kenbelstraatje 27 en voorziet in één nieuwe woning. Momenteel zijn de planlocaties onbebouwd. Conclusie en advies Voor de drie woningen van planlocatie A dient een hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting vanwege de A58. De aan te vragen hogere waarde bedraagt 53 dB. Voor de woning van planlocatie B dient een hogere waarde te worden aangevraagd voor de geluidbelasting vanwege de A58, de Poppestraat en de Roosendaalseweg.

De aan te vragen hogere waarde bedraagt: - 53 dB vanwege de A58 - 50 dB vanwege de Poppestraat - 50 dB vanwege de Roosendaalseweg In combinatie met de aanvraag voor een hogere waarde en het toepassen van de minimaal noodzakelijke geluidafscherming, wordt geadviseerd alle nieuwe woningen ook uit te voeren met een karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van tenminste 28 dB voor een verblijfsgebied en tenminste 26 dB voor een verblijfsruimte. De geluidwering van de gevels dient daarbij te worden afgestemd op de berekende gecumuleerde geluidbelasting op de gevels. Op basis hiervan kan een goed akoestisch woon- en leefklimaat in de woningen worden gewaarborgd. Bovendien dienen de gevels van alle woningen op de verdiepingshoogte aan de noordgevel en tevens aan de westgevel bij woning 4 (locatie B) als dove gevel te worden uitgevoerd als er zich direct grenzend aan deze gevels een verblijfsgebied of verblijfsruimte bevindt.

Uitgaande van de gecumuleerde rekenresultaten (inclusief toepassing van de schermmaatregelen) en op basis van de MKM in tabel 2.2 kan het akoestisch woon- en leefklimaat bij de nieuwbouw worden beoordeeld als: - ‘Goed’ op de begane grond aan de zuidzijde van alle woningen, tevens op de begane grond bij de woningen van locatie A (woning 1 t/m 3) aan de oost- en westgevel en bij de woning van locatie B (woning 4) aan de oostgevel op de begane grond; - ‘Redelijk tot matig’ op de noordgevel van alle woningen, tevens op de verdiepingshoogte bij de woningen van locatie A aan de west-, zuid- en oostgevel en bij de woning van locatie B op de begane grond aan de westgevel en op de verdiepingshoogte van de zuid- en oostgevel; - ‘Tamelijk slecht’ op de verdiepingshoogte aan de westgevel van de woning van locatie B. Het akoestisch woon- en leefklimaat in de buitenruimte aan de achterzijde van de nieuwbouw kan uitgaande van de gecumuleerde rekenresultaten en met toepassing van de schermmaatregelen als ‘redelijk tot matig’ bij zowel planlocatie A als B worden beoordeeld. Gelet op bovenstaande kwalificering in relatie tot de ligging van beide planlocaties wordt het akoestisch woonen leefklimaat nog wel aanvaardbaar geacht, mede door het toepassen van schermmaatregelen, zoals beschreven in paragraaf 3.4 van het akoestisch rapport.

Om het effect van de voorgestelde geluidschermen te bepalen, is ook een berekening van de geluidbelasting van de A58 uitgevoerd zonder de geluidschermen. Uit de rekenresultaten blijkt dat het effect van de geluidschermen ten hoogste 7 dB bedraagt op de achtergevel van de noordwestelijk gesitueerde woning. Door toepassing van de geluidschermen wordt voorkomen dat de achtergevel op begane grondniveau als dove gevel moet worden uitgevoerd. Tevens wordt hiermee het woon- en leefklimaat in de buitenruimte aanzienlijk verbeterd.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 45 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.7

Bedrijven en milieuzonering

5.7.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied. Het plangebied is aan de rand van de dorpskern van St.

Willebrord gelegen, waar verschillende functies voorkomen. Daarnaast is er op locatie sprake van een relatief hogere geluidbelasting als gevolg van de in de nabijheid gelegen rijksweg A58. Er is derhalve sprake in de omgeving van een functiemenging tussen wonen en milieubelastende activiteiten én een bepaalde verstoring als gevolg van de A58, waardoor het omgevingstype van het plangebied aangemerkt wordt als “gemengd gebied”. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor gevaar. Deze wordt niet verkleind. 5.7.2

Milieuzones

Alle bedrijven in een straal van 100 meter van het plangebied zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van het plangebied. Tabel 2: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied’ Afstand in meters

GEVAAR

Richtafstand bestemming ‘Wonen’ tot ‘Bedrijf’

GELUID

Milieu cat.

STOF

adres

GEUR

bedrijf

Bergbezinkbassin (nutsvoorziening) Inpakbedrijf

Kenbelstraatje

n.v.t.

0

0

0

0

16 meter

Bremstraat 72

2

0

0

10

46 meter

Benzineservicestation (met LPG) <1.000 m3 Timmerbedrijf/Bouwbedrijf algemeen Transportbedrijf

Poppestraat 130

3.1

0

50

76 meter

Kenbelstraatje 2a

3.1

10

90 meter

Roosendaalseweg 13

3.2

(10) 30 (0) 10 (0) 10

(10) 30 (10) 30 (30) 50 (50) 100

30

96 meter

(10) 30 0

Het plangebied ligt buiten de milieuzoneringen van de in de omgeving gevestigde bedrijven. Derhalve kan worden geconcludeerd dat omliggende bedrijven niet worden belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er dan ook geen belemmeringen voor het initiatief. 5.7.3

Geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 46 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt ‘omgekeerde werking’ genoemd. Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De woning aan de Koekoekstraat 66 te Sprundel kan gezien worden als geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat.

Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Woensdrecht kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, in deze paragraaf worden de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Rucphen is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied.

De locatie Koekoekstraat 66 te Sprundel is gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 3 odour units (ouE/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 3 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand. De woning op de locatie Koekoekstraat 66 kan gezien worden als een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij voor omliggende bedrijven. Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van februari 2021 en zijn daarmee actueel. De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd.

Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. Uit onderstaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant, blijkt dat de kwaliteit van de leefomgeving op basis van de achtergrond belasting als ‘zeer goed’ is aan te merken. Aan de rand van kavel 4 is sprake van een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 47 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Er is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van geuremissie.

Figuur 21: Uitsnede achtergrondbelastingkaart ODZOB

5.8

Luchtkwaliteit

Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Bij inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2.

De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende: Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het toevoegen van vier wooneenheden zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer in de Dorpsstraat te St. Willebrord. Voor het onderhavige plan is de grens van 3 % geldig. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de elf nieuwe appartementen zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3 % grens nooit overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten ter hoogte van het plangebied zijn bij benadering: ▪ x = 99 397

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 48 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪

y = 396 845

De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2020: PM10: 15,55 μg/m3 en NO2: 14,96 μg/m3 2025: PM10: 15,72 μg/m3 en NO2: 14,0 μg/m3 2030: PM10: 13,74 μg/m3 en NO2: 11,59 μg/m3 Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 μg/m3. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling op het plangebied. 5.9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13831176/1