CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

08b bijlage b. t NL.IMRO.0840.2584K0039-DEF1 2024-01-08

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 6 maart 2024, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Kenbelstraatje ongenummerd, St. Willebrord20.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting

bestemmingsplan “Kenbelstraatje ong., St. Willebrord” Planstatus: Datum: Plan identificatie:

vastgesteld 2024-01-08 NL.IMRO.0840.2584K0039-DEF1

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Colofon

Titel:

Bestemmingsplan ‘Kenbelstraatje ong., St. Willebrord’

Ontwerp: Molenzicht 2 4881 BW ZUNDERT Tel: 076-5990340 www.schoenmakersadvies.nl Projectnummer:

190860

Rapportnummer

190860.01

Datum:

8 januari 2024

Status:

vastgesteld

Ontwerp:

p.m.

Definitief:

--

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 2 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Toelichting Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 3 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding ................................................................................................................................. 5 1.1 Aanleiding & doel .................................................................................................................................. 5 1.2 Ligging en begrenzing plangebied ......................................................................................................... 5 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................................... 6 1.4 Planvorm................................................................................................................................................ 7 1.5 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 7 Hoofdstuk 2 De huidige situatie ................................................................................................................. 8 2.1 Beschrijving plangebied ......................................................................................................................... 8 2.2 Ruimtelijke structuur .............................................................................................................................

9 2.3 Functionele structuur .......................................................................................................................... 10 2.4 Verkeer ................................................................................................................................................ 11 Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie ............................................................................................................ 13 3.1 Ruimtelijke structuur ........................................................................................................................... 13 3.2 Functionele structuur .......................................................................................................................... 14 3.3 Stedenbouwkundige verantwoording ................................................................................................. 15 Hoofdstuk 4 Beleidskader......................................................................................................................... 17 4.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 17 4.2 Europees- en Rijksbeleid .....................................................................................................................

17 4.3 Provinciaal beleid ................................................................................................................................ 20 4.4 Gemeentelijk beleid............................................................................................................................. 27 Hoofdstuk 5 Relevante (Milieu)aspecten .................................................................................................. 36 5.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 36 5.2 Cultuurhistorie en archeologie ............................................................................................................ 36 5.3 Bodem ................................................................................................................................................. 38 5.4 Water ................................................................................................................................................... 40 5.5 Ecologie ............................................................................................................................................... 42 5.6 Wegverkeerslawaai .............................................................................................................................

44 5.7 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................ 44 5.8 Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................... 48 5.9 Externe Veiligheid ................................................................................................................................ 49 5.10 Kabels en leidingen .............................................................................................................................. 53 5.11 Besluit milieueffectrapportage ............................................................................................................ 53 Hoofdstuk 6 Juridische aspecten .............................................................................................................. 55 6.1 Inleiding ............................................................................................................................................... 55 6.2 Algemene toelichting verbeelding ....................................................................................................... 55 6.3 Algemene toelichting regels ................................................................................................................

55 Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 58 7.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................................. 58 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 58 Afzonderlijke bijlagen: 1. Akoestisch onderzoek, Kraaij Akoestisch Adviesbureau, rapportnummer VL.2132.R01, 25 juli 2023 2. Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Moerdijk Bodemsanering B.V., rapportnummer 2410.88.211.r1, 29 november 2021 3. Omgevingsdialoog

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 4 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding & doel

Initiatiefnemers zijn woonachtig aan het Kenbelstraatje te St. Willebrord. In de directe nabijheid van de woningen hebben initiatiefnemers enkele gronden in bezit welke ze wensen te ontwikkelen ten behoeve van woningbouw. Deze gronden zijn eveneens gelegen aan het Kenbelstraatje en zijn momenteel allen onbebouwd. Het plan betreft de ontwikkeling van vier vrijstaande woningen. Drie woningen aan de noordzijde van het Kenbelstraatje, tussen de woningen met nummers 33 en 39 in. Eén woning wordt aan de zuidzijde van het Kenbelstraatje beoogd, aan de westzijde van de woning met nummer 27. Met het plan worden waardevolle open ruimtes binnen het stedelijk gebied van St. Willebrord opgevuld, waardoor sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Het vigerende bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’ staat de gewenste ruimtelijke ontwikkeling niet toe. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is gekozen voor een bestemmingsplanprocedure ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch kader. 1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen in de kern St. Willebrord. St. Willebrord maakt onderdeel uit van de gemeente Rucphen. De gemeente Rucphen is gelegen in de provincie Noord-Brabant. Het plangebied ligt aan de noorden zuidzijde van het Kenbelstraatje, welke aan de westzijde wordt ontsloten door de Roosendaalseweg. De percelen binnen de planlocatie zijn bekend onder de kadastrale gemeente RPN, sectie M, met nummers 1811, 1812 en 2074.

Figuur 1: Topografische kaart met daarop het plangebied

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 5 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 2: Luchtfoto plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan ‘Kom St. Willebrord’. Op 8 maart 2023 is het bestemmingsplan vastgesteld.

Figuur 3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen in drie verschillende enkelbestemmingen. De percelen ten noorden van het Kenbelstraatje zijn gelegen in respectievelijke ‘Tuin’ en ‘Wonen’, het perceel ten zuiden van het Kenbelstraatje

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 6 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

is gelegen binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Verder zijn over alle percelen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ gelegen en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – radar’. 1.4

Planvorm

Het bestemmingsplan ‘Kenbelstraatje ong., St. Willebrord’ is vervat in een verbeelding, regels en gaat vergezeld met een toelichting. Verbeelding Op de verbeelding, met het nummer NL.IMRO.0840.2584K0039-DEF1, zijn onder meer de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangegeven met bijbehorende verklaringen, het zogenaamde renvooi. De verbeelding legt de verbinding tussen de bestemmingen die op de kaart aanwezig zijn aangegeven en de regels. De kaart is getekend op schaal 1:500. Regels De regels bevatten juridische regeling betreffende het gebruik en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden die in het plan zijn inbegrepen. De regels zijn ingedeeld in 4 hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgang- en slotregels. De regels worden conform landelijke richtlijnen SVBP2012 en IMRO2012 toegepast en het gemeentelijk handboek. Toelichting In de toelichting worden de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van de in artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichtte onderzoeken opgenomen. Daarnaast dient een rapportering van de inspraak en de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 van het Bro bedoelde overleg, deel uitmaken van de toelichting. 1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de omschrijving van het plan. De toekomstige situatie wordt in hoofdstuk 3 beschreven. In hoofdstuk 4 van de onderbouwing wordt het vigerende beleid op Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven dat voor de ontwikkeling van het plangebied relevant is. De relevante (milieu)aspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hierbij worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van geluid, bodemgesteldheid, milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en ecologie beschreven. In hoofdstuk 6 komen de juridische aspecten aan bod. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 de uitvoerbaarheid beschreven.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 7 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving plangebied

2.1.1

Algemeen

De huidige situatie

St. Willebrord is de grootste kern van de gemeente Rucphen en heeft van oorsprong een lintvormige opbouw. De lintbebouwing langs de Dorpsstraat, een oude verbindingsweg, is het meest karakteristieke element in de ruimtelijke opbouw van St. Willebrord, met de kerk en omgeving als spil. Aan de zuidzijde grenst St. Willebrord aan de bebouwde kom van Sprundel, aan de noordzijde ligt de snelweg A58. St. Willebrord ligt in de brede stedenband Roosendaal, Etten-Leur, Breda en Tilburg. Deze band valt binnen twee stedelijke regio’s. De stedenband markeert ook de overgang van zandgronden naar de kleigronden van West-Brabant. 2.1.2

Ontstaansgeschiedenis

St. Willebrord is van oorsprong (alvorens er sprake was van een nederzetting) een toponiem waarmee een klein onbewoond heidegebied van circa 400 bunders werd aangeduid dat was gelegen aan de oostzijde van de Rucphense Achterhoek, de noordwestzijde van de Sprundelse Luienhoek, de westzijde van de Ettense Hoge Donk en de Zuidelijke hoek van de Hoevense Heul (Bremstraat). Vanaf circa 1700 raakte dit heidegebied geleidelijk bewoond. In 1841 was de nederzetting uitgegroeid tot circa 100 woningen met circa 500 inwoners. Nadat er in 1841 een parochie werd gesticht en een kerk werd gebouwd trad er verdichting van de bebouwing op. Het dorp is na 1940 sterk gegroeid. De ruimtelijke structuur van de bebouwde kom van St. Willebrord bestaat uit een paar belangrijke structuurlijnen, waarlangs zich bepaalde (woning)bouwprojecten hebben ontwikkeld. In de kern van St. Willebrord is sprake van een grote verscheidenheid aan en menging van functies. Deze functies zijn met name geconcentreerd in het centrumgebied langs het historische lint, de Dorpsstraat.

Figuur 4: Uitsnede historische kaart 1890 – 1899

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 8 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

2.1.3

Plangebied Kenbelstraatje

Het plangebied is gelegen aan het Kenbelstraatje te St. Willebrord, welke ten westen wordt begrensd door de Roosendaalseweg. De woningen in de nabijheid van het plangebied zijn relatief jong. Het betreffen over het algemeen wat ruimte vrijstaande woningen. Het plangebied betreft drie onbebouwde percelen welke zijn gelegen tussen en naast de bestaande woningen met nummers 27, 33 en 39.

Figuur 5: Zicht op Kenbelstraatje

2.2

Ruimtelijke structuur

2.2.1

Bebouwingsstructuur

De ruimtelijke structuur van de bebouwde kom van St. Willebrord bestaat uit een paar belangrijke structuurlijnen, waarlangs zich bepaalde (woning)bouwprojecten hebben ontwikkeld. De belangrijkste en ook de oudste structuurlijn is de Dorpsstraat. Langs deze straat, die de aflopende rug van de noordelijke uitloper van het plateau van Sprundel volgt, heeft de eerste bebouwing van de nederzetting zich ontwikkeld. De Dorpsstraat kruist in noordelijke richting met de Bremstraat. De Bremstraat is een belangrijke ontsluitingsweg voor de noordelijke rand van de kern van St. Willebrord. De Bremstraat kent diverse zijwegen, waaronder het Kenbelstraatje. Van een architectonische eenheid in de nabijheid van het Kenbelstraatje is geen sprake. De wijk is de afgelopen jaren wat uitgebreid door hier en daar een nieuwbouwwoning, welke door particulieren zijn uitgewerkt. Elke woning is dan ook gebouwd onder een “eigen” architectuur. De omgeving kenmerkt zich dus door vrijstaande woningen waarbij de individuele bouwkundige eenheid met name van belang is. De bebouwing bestaat uit één of twee lagen hoog met kap of plat dak. Kapvormen die voorkomen zijn een zadeldak, schilddak, lessenaarsdak, samengesteld etc. Kleur en materiaal van de hoofdmassa zijn voor de vrijstaande woningen over het algemeen traditioneel, namelijk gevelstenen in aardetinten, maar ook zandsteen komt voor.

De woningen zijn veelal voorzien van rode en donkergrijze dakpannen. De afsplitsing van het Kenbelstraatje ter hoogte van het plangebied betreft een smalle weg, waarbij geen trottoir aanwezig is. De weg is opgedeeld onder verschillende percelen, welke over het algemeen in particulier

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 9 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

bezit zijn. De straat kenmerkt zich door ondiepe voortuinen, waarbij de hoofdbebouwing relatief dicht aan de weg is gesitueerd, wat een versteend effect uitstraalt. Het Kenbelstraatje gaat aan de westzijde over in de Roosendaalseweg, wat een parallelweg van de naastgelegen snelweg betreft.

Figuur 6: Bebouwingstructuur rondom plangebied Kenbelstraatje

2.3

Functionele structuur

2.3.1

Wonen

In de omgeving van het plangebied komt overwegend de functie wonen voor. Over het algemeen bestaat de omgeving van het plangebied uit eengezinswoningen. Op de functiekaart (figuur 7) is met geel aangegeven, waar de functie wonen aanwezig is. 2.3.2

Detailhandel en horeca

In de omgeving zijn een aantal detailhandel functies aanwezig, zoals aan de Bremstraat. Met roze is de detailhandel aangegeven (figuur 7).

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 10 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 7: Functiekaart omgeving plangebied

2.3.3

Bedrijven en kantoren

In de omgeving van het plangebied zijn verspreid een aantal bedrijven gevestigd. De positie (figuur 7) van de bedrijven is met paars aangegeven. Het gros van de bedrijven in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen op het kleinschalig industrieterrein aan de noordelijke rand van St. Willebrord. De bedrijven binnen de kern bestaan uit bedrijven met milieucategorie 1 en 2 en of taxi/transportbedrijven. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen zelfstandige kantoren aanwezig. 2.3.4

Maatschappelijke voorzieningen

Rondom het plangebied zijn geen directe maatschappelijke voorzieningen aanwezig. In die iets verdere omgeving, in het centrum van St. Willebrord, zijn een Rooms katholieke kerk en een woonzorgcentrum gevestigd. 2.3.5

Sport en recreatie

In de omgeving van het plangebied zijn geen sport- en recreatiefuncties aanwezig. Sportgelegenheden bevinden zich aan de oostkant van de kern van St. Willebrord en in het Leisuregebied van Rucphen. 2.4

Verkeer

2.4.1

Verkeerstructuur

Het plangebied is gelegen aan het Kenbelstraatje. Het Kenbelstraatje gaat aan de westzijde over in de Roosendaalseweg. De Roosendaalseweg is gelegen aan de Poppestraat, welke in verbinding staat met de

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 11 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

snelweg A58. Aan de zuidzijde ligt het Kenbelstraatje aan de Bremstraat. De Bremstraat is een belangrijke verbindingsweg door die van west naar oost door het noordelijk deel van het dorp St. Willebrord loopt. Aan de noordzijde gaat de weg over op de Roosendaalseweg, die aansluit op de A58. Het Kenbelstraatje is een smalle 30 km/pu weg waarbij ter hoogte van het plangebied geen trottoir aanwezig is. Het Kenbelstraatje wordt over het algemeen enkel gebruikt door bestemmingsverkeer. De weg is opgedeeld in diverse percelen, welke over het algemeen in particulier bezit zijn. 2.4.2

Parkeren

In de kern St. Willebrord en in de nabijheid van het plangebied vindt het parkeren, zowel plaats op eigen terrein als in de parkeervakken aan de openbare weg. 2.4.3

Openbaar vervoer

In St. Willebrord bevindt zich één bushalte, aan de Noorderstraat. Vanaf hier rijdt lijn 312 richting Roosendaal en Breda.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 12 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijke structuur

3.1.1

Bebouwingsstructuur

Toekomstige situatie

Het plangebied ligt in de kern van het dorp St. Willebrord en zorgt voor een gepaste inpassing ter plaatse. De gronden zijn momenteel allen onbebouwd en gelegen tussen en naast andere bebouwde percelen. Het invullen van de onbebouwde percelen met woningbouw is dan ook een erg waardevolle ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het oprichten van vier vrijstaande woningen. Ten noorden van het Kenbelstraatje, tussen de woningen met nummers 33 en 39 in, wordt voorzien in drie vrijstaande woningen met ieder een eigen bijgebouw. Kavel 1 heeft een oppervlakte van 1.357 m2, kavel 2 een oppervlakte van 1.271 m2 en kavel 3 een oppervlakte van 1.220 m2. Ten zuiden van het Kenbelstraatje, ten westen van de woning met nummer 27, wordt voorzien in één vrijstaande woning met bijgebouw. Kavel 4 heeft een oppervlakte van 668 m2. Het hoofdgebouw dient opgericht te worden binnen het bouwvlak. De voorgevels van de woningen zullen gelijk liggen met de bestaande woningen aan het Kenbelstraatje. De goot- en bouwhoogte mogen respectievelijk 3,5 en 7,5 meter bedragen. In de omgeving staan enkele woningen met dezelfde goot- en bouwhoogte. Op de planlocatie worden de woningen uitgevoerd met 1,5 verdieping met kap. De dakhelling bedraagt bij toepassing van hellende dakvlakken maximaal 65°. De breedte van het hoofdgebouw bedraagt minimaal 6 meter en maximaal 20 meter.

De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 2 meter. De gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bijgebouwen mag per woning maximaal 100 m² bedragen. Bijbehorende bijgebouwen kunnen zowel vrijstaand als aangebouwd zijn. De goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3,5 meter en 6 meter bedragen.

Figuur 8: Verkaveling Kenbelstraatje

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 13 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Voor de architectuur van de nieuwe woningen dient aansluiting gezocht te worden bij de omgeving. De kleuren en materialen dienen te bestaan uit traditionele materialen en geen afwijkende kleuren. Gelet op de omvang en inrichting van alle percelen is er voldoende ruimte voor de vrijstaande woningen met bijgebouwen en (achter)tuinen, zodat de woningen de ruimtelijke structuur van het Kenbelstraatje versterken en aansluiten bij het dorpslandelijke karakter. Op de noordwestelijke kavel wordt een afvalverzamelpunt gerealiseerd, waar containers gestald kunnen worden op de vuilophaaldagen. 3.1.2

Groenstructuur

In de huidige situatie zijn er op de percelen ten noorden van het Kenbelstraatje geen opgaande groenstructuren aanwezig. De percelen zijn in gebruik als grasland. Het perceel ten zuiden van het Kenbelstraatje is momenteel zowel agrarisch in gebruik en als tuin. Aan de perceelsranden zijn enkele opgaande groenstructuren aanwezig in de vorm van een haag en bomen. Verder is het perceel in gebruik als weiland voor het grazen van enkele paarden. Al deze groenstructuren blijven zoveel als mogelijk gehandhaafd. Om te kunnen voldoen aan Visie Duurzaamheid van de gemeente Rucphen dient 75 m2 openbaar groen per woning gerealiseerd te worden, in totaal is dit 300 m2. Dit wordt gerealiseerd aan de voorzijden van de percelen. In deze groenstroken worden tevens wadi’s gerealiseerd. De groenstroken worden ingezaaid met het bloemenmengels L2 van De Bolderik. In de groenstroken worden de volgende bomen aangeplant: • Liriodendron tulipifera ‘Fastigiata’ • Amelanchier ‘Ballerina’ • Sorbus vilmorinii. Verder zal uit dit plan blijken dat er ter plaatse van de woonkavels enkele maatregelen moeten worden getroffen ten aanzien van akoestiek. In het desbetreffende onderzoek zal nader worden beschreven hoe deze maatregelen exact tot uiting moeten komen.

Wel kan op voorhand worden opgemerkt dat dit in combinatie zal zijn met enkele groenstructuren, zoals een aangeplante aardewal met daarop een kokowall of greenwall. Deze aardewal is als groenstrook aangegeven op de verkaveling-tekening. Dit zal dan ook bijdragen aan het groene karakter van de omgeving. 3.2

Functionele structuur

3.2.1

Algemeen

Het initiatief binnen het plan ‘Kenbelstraatje ong.’ bestaat uit het oprichten van maximaal 4 vrijstaande woningen met bijbehorende bijgebouwen. In de bestaande situatie hebben de percelen respectievelijke de bestemmingen ‘Agrarisch’, ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Het gehele plangebied krijgt de bestemming ‘Wonen’. De tussenliggende bestemming ‘Verkeer’ blijft gehandhaafd. Deze weg zal nog worden verbreed, maar dit staat verder los van dit bestemmingsplan. De gronden ter plaatse van deze beoogde verbreding hebben namelijk al de benodigde bestemming ‘Verkeer’, waardoor hier geen wijzigingen benodigd zijn. Ter plaatse van de drie woonkavels ten noorden van het Kenbelstraatje wordt drie bouwvlakken met de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum bouwhoogte 8,5 m’ en ‘maximum goothoogte 4,5 m’ toegevoegd. Per bouwvlak is één woning toegestaan. Tevens wordt een bouwaanduiding toegevoegd met ‘vrijstaand’. Tot slot wordt een gevellijn opgenomen. Ter plaatse van de woonkavel ten zuiden van het Kenbelstraatje wordt één bouwvlak toegevoegd met daarin de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum bouwhoogte 8,5 m’ en ‘maximum goothoogte 4,5 m’ toegevoegd. Per bouwvlak is één woning toegestaan. Tevens wordt een bouwaanduiding toegevoegd met ‘vrijstaand’. Tot slot wordt een gevellijn opgenomen.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 14 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.2.2

Verkeer en parkeren

Verkeer Grenzend aan het plangebied is een bestaande verkeersstructuur aanwezig, de te realiseren planontwikkeling sluit aan op het Kenbelstraatje. Gemeente Rucphen heeft aangegeven dat in het kader van verkeersveiligheid en bereikbaarheid (o.a. hulpdiensten) het Kenbelstraatje moet worden verbreed. De gronden zijn over het algemeen in particulier eigendom, waaronder in eigendom van initiatiefnemers. Initiatiefnemers zullen er dan ook zorg voor dragen dat in ieder geval dat op de gronden die ze zelf ter beschikking stellen, maatregelen worden genomen om het Kenbelstraatje te verbreden. Een definitieve invulling van deze maatregelen zal worden vastgelegd op het moment dat de benodigde omgevingsvergunningen moeten worden aangevraagd. De rijbaan wordt verbreed tot een breedte van circa 3,80 m. Parkeren De gemeente Rucphen hanteert de Nota Parkeernormen Rucphen voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid. In de nota is per functie uitgegaan van de maximale norm van het CROW. De indeling naar prijzen van woningen heeft een onderverdeling van goedkoop, midden en duur. Ten aanzien van het parkeren worden de parkeernormen gehanteerd die gelden voor een ‘overige bebouwde kom’, waarbij de gemeente Rucphen gebruik maakt van haar eigen parkeernorm die zijn gebaseerd op de algemene kencijfers van het CROW.

Onderstaand de parkeernorm uit de nota parkeernormen van de gemeente Rucphen.

Tabel 1: Parkeernorm volgens Nota Parkeernormen Rucphen

De beoogde ontwikkeling omvat het oprichten van vier vrijstaande koopwoningen in het gebied ‘overige bebouwde kom’. Dit betekent dat er in totaal (4 x 2,3 = 9,2) 10 parkeerplaatsen benodigd zijn binnen het plangebied. De verkavelingstekening laat zien dat er per kavel voldoende ruimte is om voor het bijgebouw te voorzien in 4 parkeerplaatsen. Dit betekent dat er binnen het plangebied ruimschoots de ruimte is om te voorzien in de 10 minimaal benodigde parkeerplaatsen. Daarnaast worden er bij de noordelijke drie kavels drie parkeerplaatsen in de openbare ruimte voorzien. In de bestaande situatie wordt hier ook geparkeerd. Op deze manier gaan deze parkeervakken niet verloren. 3.3

Stedenbouwkundige verantwoording

3.3.1

Randvoorwaarden en uitgangspunten

Het doel van het stedenbouwkundig ontwerp is het inpassen op bestaande gebouwde omgeving. Om dit te bewerkstelligen dient een aantal ruimtelijke uitgangspunten gehanteerd te worden: ▪ inpassen in de huidige ruimtelijke structuur; ▪ behouden van het dorpskarakter; ▪ bouw- en goothoogte dienen aan te sluiten bij de bestaande bebouwing; ▪ de woningen dienen goed bereikbaar te zijn voor brandweer e.d.; ▪ voldoende parkeergelegenheid; ▪ een goed woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 15 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.3.2

Woningtypologieën

In het plan wordt gebruik gemaakt van de woningtypologie: vrijstaande woningen. In het plangebied worden maximaal 4 vrijstaande woningen gerealiseerd. De positionering van de woningen wordt ingepast in de bestaande bebouwingsstructuur van het Kenbelstraatje.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 16 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het Rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige bestemmingsplan is het relevante ruimtelijke beleid voor het plangebied Kenbelstraatje ong. opgenomen. 4.2

Europees- en Rijksbeleid

4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut. In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied. 4.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten, die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn voorlopig zes projecten beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Binnenkort volgen nog: hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequenties voor het plangebied. Het plangebied ligt wel in de radarverstoringsgebieden behorend bij vliegbasis Woensdrecht en radarstation Herwijnen. In het bestemmingsplan is hiervoor de aanduiding ‘vrijwaringszone – radar’ opgenomen. Bij deze aanduiding behoren de volgende bouwregels:

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 17 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

a.

mogen binnen een afstand van 15 km van de radarantenne van Vliegbasis Woensdrecht geen gebouwen worden opgericht hoger dan de denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf de radarantenne op Vliegbasis Woensdrecht op 48 m + NAP, oplopend met 0,25 graden tot een hoogte van 113 m + NAP; b. geldt voor windturbines, in aanvulling op het bepaalde onder a en naast de bouwregels zoals opgenomen in de artikelen 3 tot en met 25, dat geen windturbines mogen worden opgericht met een tiphoogte hoger dan 90 m + NAP. Het plangebied ligt op een afstand van 19 kilometer van de radarantenne van Vliegbasis Woensdrecht, daarnaast omvat de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied geen oprichting van een windturbine. Door de beoogde ontwikkeling worden radarbeelden niet verstoord. 4.2.3

Nota Wonen

De Nota Wonen: Wonen in de 21e eeuw is opgezet onder het motto "de burger centraal”. Daarbij wordt veel aandacht besteed aan de individualisering van de samenleving. De nota gaat uit van: meer keuzevrijheid voor burgers, aandacht voor maatschappelijke waarden en een betrokken overheid bij beheerste marktwerking. Het gaat om het principe van prestatie en tegenprestatie die als basis dient voor transacties tussen de partijen. Dit wil niet zeggen dat er geen wetgeving meer noodzakelijk is. 4.2.4

Nationaal Milieubeleidsplan 4

Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters: ▪ transitie naar duurzame energiehuishouding; ▪ transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen; ▪ transitie naar duurzame landbouw. Dit NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen. 4.2.5

Wet op de archeologische monumentenzorg (nota belvedère)

In de nota belvedère staat de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering voorgestaan, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt hanteert en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. Het plangebied is niet gelegen in een gebied aangewezen binnen de nota belvedère. Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag wordt het ‘Verdrag van Malta’ genoemd. Het verdrag van Malta heeft als hoofddoel archeologische resten in Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 18 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2021 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Om invulling te geven aan deze gemeentelijke zorgtaak heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen, samen met de Nota Archeologie en de bijbehorende verordening. Zie verder paragraaf 4.4.6. 4.2.6

Water

Het Nationaal Waterplan (NWP) In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Watertoets Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke waterhuishoudkundig relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap.

De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2010 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor de planontwikkeling. 4.2.7

Ecologie

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming (1 januari 2017). Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. Het plangebied valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 19 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan het merendeel van de inheemse dieren en planten in Nederland. De nieuwe Wet natuurbescherming regelt niet alleen de ‘ruimtelijke ingrepen’, maar ook de andere onderwerpen zoals overig bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, klacht en beheer en schadebestrijding. Een verandering ten opzichte van de oude Natuurbeschermingswet 1998 is dat de provincies voor hun gebied bepalen wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is enkel nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. De beschermingsstatus van de inheemse dier- en plantensoorten houdt onder meer in dat in geval van voorgenomen activiteiten zoals aanleg van infrastructuur of bouwprojecten, het plangebied moet worden getoetst op de aanwezigheid van beschermde soorten: de ‘natuurtoets’. Het aspect ecologie wordt in paragraaf 5.5 verder uiteengezet. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018

Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2022 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ▪ Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. ▪ Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan. 4.3.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 20 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vijf rollen: 1. Ontwikkelen De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol. 2. Ordenen De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur. 3. Beschermen De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op. 4. Regionaal samenwerken De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda. 5.

Stimuleren Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 21 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 9: Uitsnede structurenkaart, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant 2014

Uit figuur 9 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de ‘Stedelijke structuur - kernen in het landelijk gebied’. De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De verschillen tussen de (middel)grote steden, suburbane kernen, dorpen en plattelandskernen, zowel in ruimtelijk, sociaal als economisch opzicht, zijn een belangrijke kwaliteit van Brabant. De vijf grote steden Tilburg, Breda, 's-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond, zijn met de omliggende suburbane gebieden uitgegroeid tot de brandpunten van de verstedelijking in Noord-Brabant. Hier wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen. Samen vormen zij het stedelijk netwerk BrabantStad. De groene geledingszones tussen de steden en (suburbane) kernen verbinden de steden met het omliggende landelijke gebied en vervullen een belangrijke rol als stedelijk uitloopgebied. Ook dat is een belangrijke kwaliteit van de stedelijke structuur in Brabant. In het landelijk gebied bieden vitale kernen landelijke en meer kleinschalige woon- en werkmilieus. Ontwikkelingen voor wonen, werken en voorzieningen zijn gericht op de eigen behoefte. Voor de opvang van de woningbouwbehoefte geldt het principe van bouwen voor migratiesaldo-nul. Om de leefomgeving aantrekkelijk te houden, verplaatsen bedrijven die hier qua aard, schaal en functie niet meer bij passen naar werklocaties rond de steden.

De leefbaarheid is een belangrijk aandachtspunt. Samen met de bewoners wordt gezocht naar mogelijkheden om gemeenschappelijke voorzieningen voor de kernen te behouden. De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen en werken. De provincie stuurt op een concentratie van verstedelijking. De sturing op de kernen in het landelijk gebied sluit daarom aan op de sturing voor stedelijke concentratiegebieden. Hier zijn alleen elementen opgenomen in aanvulling/afwijking op teksten van het stedelijk concentratiegebied. Het ontwikkelingsplan Kenbelstraatje ong. voorziet in een inbreiding in het bestaand stedelijk gebied. Het betreft hier zorgvuldig ruimtegebruik. Met de inbreiding wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit, het ontwikkelingsplan Kenbelstraatje ong. vindt zijn aansluiting op de omgeving. Het beoogde plan past binnen de beleidslijnen van de SVRO. 4.3.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

In 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 22 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: - Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer; - Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; - Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; - Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; - Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet; - Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Deze beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt.

Op hoofdlijnen gaat het om: - een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; - aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; - aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. De Provinciale Staten heeft de Interim omgevingsverordening op 25 oktober 2019 vastgesteld. In figuur 10 zijn de uitsneden van de kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor het plangebied. Uit figuur 10 blijkt dat het plangebied is gelegen in het ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’ met daarbij de aanduiding ‘Stalderingsgebied’ en ‘Boringsvrije zone’.

Figuur 10: Uitsneden kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening, Noord-Brabant

In het plangebied worden maximaal vier vrijstaande woningen opgericht op onbebouwde percelen binnen het stedelijk gebied. In de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen waaraan gehouden moet worden bij de ontwikkeling van bovenstaand initiatief. De ontwikkeling binnen het plangebied kan binnen de Interim omgevingsverordening onderverdeeld worden in twee onderdelen. Dit zijn de onderdelen ‘oprichten

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 23 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

woningen’ en ‘algemene regels’. Hieronder wordt elk onderdeel getoetst aan de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderdeel 1: Oprichten woningen Het initiatief is om in het plangebied vier vrijstaande woningen te realiseren. In artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor nieuwbouw van woningen binnen het werkingsgebied ‘Stedelijk gebied – Landelijke kern’. Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit. Plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moeten zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied in de dorpskern van St. Willebrord. De locatie betreft een inbreidingslocatie. De percelen liggen in de kern van St. Willebrord, met passende woningbouw wordt aangesloten op de omgeving. Het zorgvuldig ruimtegebruik binnen de kern St. Willebrord wordt hiermee bevordert.

De stedelijke ontwikkeling dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen. De beoogde nieuwbouw dient zich te verhouden tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Het onderzoek naar de behoefte van woningen wordt door de provincie Noord-Brabant strak geregisseerd. Dit is verankerd in Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ van de Interim omgevingsverordening. In Afdeling 5.4 is bepaald dat er ten minste tweemaal per jaar een regionaal omgevingsoverleg plaats vindt tussen Gedeputeerde Staten, gemeenten, regio’s en waterschappen. De gemeente Rucphen is ingedeeld bij de regio West-Brabant. Volgens de Afdeling 5.4 ‘Regionaal samenwerken’ plegen de deelnemers aan het RRO regionale afstemming en maken afspraken over de programmering en planologische voorbereiding van de bouw van woningen; informeren elkaar over de voortgang van hiervoor bedoelde voornemens en afspraken; en hebben een monitoringssysteem waarin de voortgang van de woningbouw wordt bijgehouden. Rucphen maakt deel uit van het RRO-gebied West-Brabant (18 gemeenten) en de subregio West (landelijk gebied). RRO-gebied West-Brabant valt samen met het COROP-gebied West-Noord-Brabant.

Dit is conform het advies uit de Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking van het Ministerie van infrastructuur en Milieu. Via de RRO's geven de Brabantse gemeenten jaarlijks inzicht in hun woningbouwplannen. Hiertoe actualiseren de gemeenten jaarlijks hun 'overzicht woningbouwcapaciteiten per gemeente', kortweg de matrix genoemd. Sinds 1 december 2016 is de Regionale Agenda Wonen 2017 van toepassing, waarin de meest actuele regionale woningbouwafspraken zijn opgenomen. De provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose 2016 t/m 2025 laat een behoorlijke regionale woningbouwopgave zien van circa 33.000 woningen (39.000 inclusief sloop) tot 2030. De groei van de woningvoorraad is de afgelopen jaren echter achter blijven lopen ten opzichte van de geprognosticeerde woningbehoefte. De regio West-Brabant heeft op basis van de toekomstige bevolkingsontwikkelingen, de bevolkings- en woningbehoefteprognose en de gemeentelijke woningbouwontwikkelingen de regionale woningvoorraad en woningbouwopgave per gemeente voor de periode 2016 t/m 2025 bepaalt. In de Regionale Agenda Wonen is de woningbouwcapaciteit en - opgaven per gemeente opgenomen.

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 24 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 11: Woningbouwopgaven en plancapaciteiten gemeenten 2016 t/m 2025

Voor de gemeente Rucphen wordt de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen bepaald op 515 woningen t/m 2025. Ten tijde van het opstellen van de Regionale Agenda Wonen, waren 258 woningen opgenomen binnen de harde plancapaciteit van de gemeente Rucphen. Dit betekent dat 50% van het vereiste aantal woningen is opgenomen binnen een bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan kan worden gesteld dat er ruimte is voor de ontwikkeling van vier vrijstaande wooneenheden. Onderdeel 2:

Algemene regels: Bevordering ruimtelijke kwaliteit

Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie; Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik: Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied.

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in: ▪ dat een ruimtelijke ontwikkeling in beginsel plaatsvind binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; ▪ ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); ▪ een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, tweede lid, Bro) Een plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in ieder geval in dat ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame

Bestemmingsplan toelichting 190860 | 08-01-2024

Pagina 25 van 59

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

ontwikkeling). Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro (ladder voor duurzame ontwikkeling). Op 1 juli 2017 is de nieuwe ladder vastgesteld. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder kent meerdere vragen die achter elkaar worden doorlopen. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied betreft de ontwikkeling van maximaal vier vrijstaande wooneenheden. De onderhavige woningbouw ontwikkeling is kleinschalig van aard en kan daarom, conform vaste jurisprudentie, niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro worden aangemerkt. Gelet hierop is het plan niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, uit het Bro en is de ontwikkeling niet ladderplichtig.

De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en de opstelling van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken zoals die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg. De beoogde ruimtelijke planontwikkeling voldoet aan de regels zoals opgesteld in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.3.4

Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De omgevingsverordening is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet, die in 2023 in werking gaat treden. In figuur 12 is de uitsnede van de kaart behorende bij de Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie. Uit figuur 12 blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘Stedelijk gebied’.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13831176/1