08b Bestemmingsplan 'Kom St. Willebrord Dorpsstraat 186 te St. Willebrord'
Tekst van het document
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Omgevingsvisie Rucphen
In de omgevingsvisie maakt de gemeente Rucphen keuzes voor de lange termijn. Het gaat om een periode van ongeveer 30 jaar. Er wordt regelmatig vooruit geblikt naar het jaar 2040. Voor deze periode gaat de gemeente in op drie vragen: • Hoe staat Rucphen ervoor en welke ontwikkelingen komen er op de gemeente Rucphen af? • Welke ambities heeft de gemeente voor het Rucphen van de toekomst? • Welke doelen stelt de gemeente om deze ambities waar te maken en welke prioriteiten gaat de gemeente hierbij geven? De gemeente Rucphen heeft doelen gesteld om de ambities waar te maken. Om deze doelen te halen heeft de gemeente prioriteiten gesteld.
De gemeente Rucphen heeft de volgende ambities met bijbehorende doelen: • Duurzaam samenleven Aanpassen van de omgeving aan de veranderende weersomstandigheden Vervangen van fossiele brandstoffen door alternatieve energiebronnen Verminderen van de afvalproductie en verbetering van afvalscheiding Een gezonde en veilige leefomgeving stimuleren • Ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding Het ontwikkelen van een gunstig ondernemersklimaat door ondernemers te faciliteren Een omgeving die mensen uitnodigt om naar buiten te gaan en te bewegen Door samenwerking worden de recreatieve mogelijkheden beter benut en uitgedragen • Prettig samenleven Versterken van een aantrekkelijke woonomgeving Een aantrekkelijke gemeente voor jonge mensen zijn De groeiende groep oudere mensen voelt zich thuis in de gemeente Woningvoorraad flexibeler maken om sneller te reageren op een veranderende woningbehoefte De nieuw te realiseren woningen sluit aan bij een groot aantal doelen van de gemeente Rucphen. Wat betreft duurzaamheid wordt een watertoets uitgevoerd om te bepalen of waterretentie benodigd is. Dit met betrekking tot de veranderende weersomstandigheden. Daarnaast worden de appartementen gasloos
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 30 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
uitgevoerd. Wat betreft prettig samenleven zorgt de toevoeging van de appartementen voor een grotere woningvoorraad. Het geeft ook kansen om mensen door te laten stromen naar een ander soort woning. Voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de Omgevingsvisie Rucphen. 4.4.2
Woonvisie gemeente Rucphen 2020-2024
De woningmarkt is steeds in beweging en verandert in een hoog tempo als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen en wijziging van wet- en regelgeving. Belangrijke uitdagingen zijn er zoals op het gebied van betaalbaarheid van woonlasten voor starters, het uitgangspunt van langer thuis blijven wonen door ouderen, verduurzaming van de woningvoorraad en de toewijzing van passende sociale huisvesting voor onze inwoners. Het is dan ook noodzaak om deze ontwikkelingen nauwlettend te volgen en het woningmarktbeleid daarop aan te passen. De Woningwet 2015 gaat er van uit dat tussen de gemeente, de woningcorporaties en de huurdersorganisaties zogenaamde prestatieafspraken gemaakt worden, die gebaseerd zijn op een actuele gemeentelijke woonvisie. Hiermee is de noodzaak van een actuele eigentijdse woonvisie helder, waarbij het de uitdaging blijft om binnen de wet- en regelgeving te blijven zoeken naar lokale optimalisatie van visie en ambities. Traditioneel is de woonvisie een belangrijk instrument in de woningbouwopgave voor de gemeente. Dat geldt zeker ook voor deze woonvisie. Echter wordt in deze woonvisie naast het perspectief van het bouwen tevens het perspectief van het wonen belicht. Daarmee heeft deze woonvisie zich ontwikkeld tot een brede WOONvisie voor de periode 2020-2024.
In de gemeentelijke Woonvisie wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid/ doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc. Deze vertaalslag zorgt ervoor dat de Woonvisie 2020-2024 het woonkompas bij uitstek is, gebaseerd op onder andere de Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 en de Structuurvisie Rucphen 2030. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen. Het initiatief past binnen de Woonvisie van Rucphen. De te realiseren appartementen zijn onder andere bedoeld voor ouderen, een belangrijke doelgroep in de gemeente Rucphen. Een deel van de appartementen valt onder goedkopere huurappartementen. 4.4.3
Groenbeleidsplan Groen R, 2022
De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dat doen zij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij spelen een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Met Groen R streeft de gemeente de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap. Wanneer het gaat om het behoud en versterken van het leefklimaat in de dorpen en het buitengebied is groen belangrijk. Dit geldt voor zowel mensen als dieren. Gemeente Rucphen is zich bewust van de bijdrage die groen levert aan een goede leefomgeving. Denk aan natuurwaarde, gezondheid, een betere luchtkwaliteit, klimaatadaptieve omgeving, recreatiewaarde, esthetische waarde, cultuurhistorische waarde en ook economische waarde. Groen biedt een plek voor ontmoeting en beweging en draagt bij aan een goed woon- en werkklimaat en een gezonde levensstijl. Bij het inpassen van bestaand groen en nieuw groen bij ontwikkelingen, tot het goed onderhouden, zodat groen volwassen wordt en bomen monumentaal. Hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van groen ook lijkt, een duidelijke borging is voor behoud en ontwikkeling van belang.
Dit groenbeleidsplan sluit aan en bouwt voort op landelijke wettelijke kaders en verschillende gemeentelijke beleidskaders (waaronder: Visie Groenbeleid 2008 en Groenstructuurplan gemeente Rucphen 2009).
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 31 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Om te komen tot Groen R zijn de volgende zes bouwstenen van belang. De bouwstenen geven inzicht in de verschillende verschijningsvormen en relaties van groen. Het geeft per bouwsteen de huidige situatie weer en daarnaast ook de noodzakelijke opgaven. De bouwstenen zijn: ▪ Groen en identiteit; ▪ Groen en natuur; ▪ Groen en de gezondheid; ▪ Groen en klimaatadaptatie; ▪ Groen en de CO2 opgave; ▪ Groen en de landbouw. In de visie werkt de gemeente aan de verbinding en de verbetering van het groen in de kernen en het buitengebied, met als doel een sterke groenstructuur. De structuur moet bestaan uit een gevarieerd groenpalet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. Door het verbinden van groene gebieden ontstaan meer mogelijkheden voor dieren en voor planten om te leven en voor onze inwoners om daar van te genieten. Geleidelijk ontstaat zo in de publieke (en in de private) buitenruimte een samenhangend groen netwerk. Die groenstructuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan en groen zo aan te leggen dat het een meerwaarde heeft voor mensen en dieren. De gemeente Rucphen ontwikkeld de groene ruimte in de gemeente met aandacht voor gezondheid, natuur, klimaatadaptatie en sociaal welzijn.
Een ruimtelijke visie voor de hele gemeente die gebaseerd is op de ruimtelijke kenmerken en rekening houdt met dynamiek en ontwikkelingen binnen de gemeente. Het groenplan is niet per definitie een blauwdruk maar geeft richting aan ontwikkelingen in het groen, en biedt kaders voor niet-groenprojecten. Groen R bestaat uit de genoemde bouwstenen. Als er groene ruimtes worden toegevoegd, verbeterd, beheerd of ontworpen, doet de gemeente dat door het inzetten van een aantal principes die de basis vormen onder deze visie. Alle vier zijn ze gericht op het doel van een leefbare gemeente voor mens en dier. ▪ Principe 1 We zorgen voor genoeg en gevarieerd groen voor iedereen; ▪ Principe 2 We zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven; ▪ Principe 3 De gemeente wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd; ▪ Principe 4 Aan groen werken we samen. De visie Groen R gaat over de invulling van openbaar groen binnen de gemeente Rucphen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen. De planlocatie ontsluit aan de Dorpsstraat. De Dorpsstraat is in de groenstructuurkaart aangemerkt als een hoofdstructuur met bomen. De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op eventueel in de omgeving gelegen groenstructuren.
Het groenstructuurplan heeft geen gevolgen voor de ontwikkeling op de planlocatie of andersom.
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 32 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 14: Groenstructuurkaart kern Sint Willebrord, Groenbeleidsplan Groen R
4.4.7
Groene kaart
De Groene Kaart toont en beschrijft de meest waardevolle bomen en houtopstanden binnen de gemeente. Deze mogen niet zonder omgevingsvergunning worden gekapt.
Figuur 15: Uitsnede Groene kaart
Volgens de uitsnede van de Groene Kaart, weergegeven in figuur 17 zijn er geen relevante waarden van groen voor luchtkwaliteit, speelruimte, economie, gezondheid, natuur, water, leefbaarheid en ruimtelijke waarde in of in de directe nabijheid van het plangebied. De voorwaarden die zijn opgesteld in het Visiedocument Groenbeleid vormen daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Aan de zijde van de Dorpsstraat wordt een strook groen van twee meter breed aangebracht. Dit versterkt de groenbeleving in de Dorpsstraat. 4.4.5
Klimaatbestendig Rucphen
Alle gemeenten in Nederland moeten aan de slag met klimaatadaptatie. Samen met de provincies, waterschappen en het Rijk hebben zij afgesproken om in 2050 klimaatbestendig te zijn. Dit is op elk schaalniveau vertaald in verschillende beleidsstukken. Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 33 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Om in 2050 klimaatbestendig te zijn zullen er meer maatregelen moeten worden genomen. De gemeente Rucphen streeft naar een leefomgeving waar het voor mens, dier en plant aangenaam leven is, nu en in de toekomst. De gemeente Rucphen heeft per thema - wateroverlast, droogte en hitte(stress) - neergezet hoe dit aangepakt dient te worden. Het initiatief op de planlocatie is getoetst aan deze thema s: • Ambitie wateroverlast: op de planlocatie is geen ruimte om 75 m2 groen per woning te realiseren. In de huidige situatie is de planlocatie volledig verhard. In de toekomstige situatie wordt aan de kant van de Dorpsstraat een openbare groenstrook gerealiseerd. Daarnaast wordt een gedeelte van de parkeerplaatsen met halfopen verharding uitgevoerd en wordt op de begane grond een stukje tuin gerealiseerd. • Hitte(stress): op de planlocatie wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het toepassen van verkoelende maatregelen. Het gebouw wordt uitgevoerd met zonwering en een klimaatsysteem. • Droogte: het regenwater wordt zoveel mogelijk geïnfiltreerd in het te realiseren groen op de planlocatie. Daarnaast kan het infiltreren via de parkeerplaatsen die met halfopen verharding uitgevoerd worden. Bij de groenstrook die aangeplant wordt kan gekozen worden voor klimaatbestendige soorten groen.
Het doel van dit beleidsstuk is het creëren van houvast om de toekomstige projecten en initiatieven op een klimaatbestendige manier in te passen in de huidige leefomgeving. Rucphen klimaatadaptief maken is niet alleen goed voor de bewoners zelf, maar het maakt de gemeente ook toeristisch, economisch en ecologisch aantrekkelijk. Het draag bij aan een gezonde omgeving. Met het initiatief op de planlocatie wordt zo veel mogelijk aangesloten bij klimaatbestendig en duurzaam bouwen. 4.4.6
Waterplan Rucphen, visie en maatregelen
De gemeente Rucphen wil samen met het Waterschap Brabantse Delta, de Provincie Noord-Brabant en Brabant Water het watersysteem in Rucphen op orde brengen en op orde houden. Het waterplan Rucphen geeft met de watervisie voor 2050 aan hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast geeft het waterplan inzicht in de verschillende waterthe a s die spelen en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de wateropgave. In het waterplan wordt het watersysteem en de waterketen beschreven en wordt ingegaan op de (bekende) knelpunten en de punten die goed zijn of potentie hebben. Daarna wordt ingegaan op de watervisie voor de gemeente Rucphen in 2050. De drie hoofdthema s zij de aterstructuur, water in de omgeving en waterbeleving in het groen. Ten slotte worden maatregelen beschreven. De maatregelen kunnen van verschillende aard zijn: communiceren, organiseren (werkafspraken) en feitelijke aanpassingen aan het watersysteem. Het plangebied is niet gelegen binnen een ontwikkeling in het kader van het Waterplan Rucphen. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor het plangebied. 4.4.7
Nota Archeologie Gemeente Rucphen
Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Rucphen de Nota Archeologie Gemeente Rucphen opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Het aspect archeologie is in paragraaf 5.2 verder uitgewerkt. 4.4.8
Nota uiterlijk van bouwwerken
De gemeenteraad heeft op septe er de Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 201 astgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 34 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal worden getoetst of welstandsregels van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn geen welstandsregels van toepassing. 4.4.9
Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030
De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente. Achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet te zien als een geïsoleerd beleidsterrein maar op te pakken als een integrale opgave binnen de gemeentelijke organisatie en de samenleving. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw/ Gemeente. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). Duurzaam ondernemen is een van de ambities binnen de visie. De gemeente is samenwerking met bedrijven een platform Duurzaamheid aan het ontwikkelen ter bevordering van duurzaam ondernemen.
Hierbij liggen bijvoorbeeld kansen om op grote bedrijfsdaken zonnepanelen te plaatsen. Voor duurzaam bouwen is de ambitie om bestaande bedrijfsgebouwen aan Energielabel B te laten voldoen. Een duurzame samenleving heeft hoge natuurwaarden en een goede waterkwaliteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken. Circulaire economie In 2014 heeft de gemeente Rucphen het Convenant Duurzaam Bouwen West-Brabant ondertekend. In het convenant is aangegeven wat de deelnemende gemeenten belangrijk vinden. Voor het verduurzamen van de nieuwe woningbouw, de bestaande woningvoorraad, bestaande utiliteitsgebouwen en het gemeentelijk vastgoed, moeten, i sa e spraak et de part ers, uit oeri gsprogra a s orde opgesteld en mogelijk ook kaders worden vastgesteld om de uitvoering van concrete activiteiten te bevorderen. Deze concrete activiteiten hebben grotendeels te maken met isoleren en duurzame energieopwekking, maar ook het gebruik maken van duurzame materialen en het onderwerp circulaire economie zijn hierbij van belang.
De toenemende schaarste van grondstoffen en het belang van een duurzame samenleving vraagt om een circulaire benadering van grondstoffen. Het ultieme doel is dat er helemaal geen sprake meer is van afval, maar dat al het afval opnieuw als grondstof wordt ingezet. Dit wordt ook wel circulaire economie genoemd. Hooguit blijft een restfractie over waar geen betere toepassing voor is dan verbranding ten behoeve van energieopwekking. De gemeente heeft het doel gesteld van een afvalscheiding van 75% in 2024 met als ultieme doel een afvalloze samenleving. Voor de korte termijn streeft de gemeente het doel na van 100 kg restafval per inwoner in 2024. Beoordeling In de Visie Duurzaamheid is onder andere opgenomen dat wordt gestreefd om bij nieuwbouwplannen te voorzien in 75 m² openbaar groen per nieuwe woning. Dit uitgangspunt is niet één op één toe te passen bij (kleinschalige) stedelijke inbreidingslocaties. Per plan wordt bekeken hoe aan de doelstelling invulling gegeven kan worden. Aangezien hier sprake is van toevoeging van woningen binnen een bestaand bouwperceel, aan
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 35 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
een bestaande weg en in het bestaande lint (met daarbij een beperkt wegprofiel) is er geen ruimte om invulling te geven aan de 75 m² groen per woning. Binnen het plangebied vergt dit daarom maatwerk. De planlocatie Dorpsstraat 186 is getoetst aan de ambities die beschreven zijn in de Visie Duurzaamheid van de gemeente Rucphen. Het wijzigen van de bestem i ge Detailhandel aar Wo e , Groe e Verkeer heeft positieve gevolgen op het gebied van duurzaamheid. Het onderhavig bestemmingsplan laat overigens geen nieuwe ontwikkelingen toe die binnen de bestemming Detailhandel vallen. Het verkeer met bedrijfsmatige doeleinden neemt daarom af rondom de planlocatie. De ontwikkeling op de planlocatie voldoet aan de ambitie om de CO²-uitstoot door het verkeer te verminderen. Daarnaast is duurzaamheid het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouw woningen op de locatie Dorpsstraat 186. De woningen dienen te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), daarnaast worden de nieuw te realiseren woningen gasloos uitgevoerd. Tijdens de verdere uitwerking van het ontwerp van de woningen wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk gebruiken van duurzame bouwmaterialen. 4.4.10
Bestemmingsplan Kom St. Willebrord
Op het plangebied vigeert het bestemmingsplan Kom St. Willebrord . Het bestemmingsplan is op 8 maart 2023 vastgesteld. Het plangebied heeft binnen het bestemmingsplan Kom St. Willebrord de bestemming Detailhandel . Daarnaast heeft het perceel de dubbelbestemming Waarde – Archeologie met de gebiedsaanduiding overige zone – waarde archeologie 4 . Over het plangebied liggen de gebiedsaanduidingen luchtvaartverkeerzone – 5 en vrijwaringszone – radar en de maatvoeringsaanduiding maximum bouwhoogte – 10 m en maximum goothoogte 6 m . Binnen de bestemming Detailhandel is het niet mogelijk om tien wooneenheden op te richten. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien. In figuur 18 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.
Figuur 16: Uitsnede plankaart behorend bij Bestemmingsplan 'Kom St. Willebrord'
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 36 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 5 5.1
Relevante (Milieu)aspecten
Algemeen
Het plangebied is gelegen in de kern van St. Willebrord, ingeklemd tussen de Dorpsstraat en de Wim van Eststraat. Het voornemen is om met het bouwplan het oprichten van maximaal tien appartementen planologisch mogelijk te maken. Het huidige bestemmingsplan dient te worden herzien door middel van een bestemmingsplanprocedure. In onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieu hygiënische aspecten welke betrekking hebben op het plangebied uiteengezet. 5.2
Cultuurhistorie en archeologie
5.2.1
Cultuurhistorie
Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 37 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Deze kaart is eveneens via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 19) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat het plangebied is gelegen in de regio West-Brabantse Vene , elke a pro i iaal ultuurhistoris h ela g is. Daarnaast is de Dorpsstraat gemarkeerd als historische geografie – lijnen van redelijk hoge waarden .
Figuur 17: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (Provincie Noord-Brabant)
Cultuurhistorische landschappeen De West-brabantse Venen maken deel uit van het zwak golvende dekzandlandschap. Anders dan in OostBrabant waren hier geen beeklopen, waardoor de dekzandkommen een slechte ontwatering hadden. Hierdoor ontstond op grote schaal veen. Stormvloeden hebben grote delen van het West-brabantse veen weggeslagen. Grote delen van de resterende venen zijn door de mens afgegraven en ontgonnen. De natuurlijke basis van dit gebied bestaat daardoor weer uit dekzand. De ontwikkeling binnen het plangebied doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied. Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 38 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Historische geografie De historische geografische lijnen aan de Dorpsstraat dienen behouden te blijven. Het plangebied wordt stedenbouwkundig ingepast in het bestaande karakter van het gebied. Op het plangebied wordt een ontsluiting aangebracht aan de Dorpsstraat. De elementen van deze geografische lijn worden door het initiatief aan de niet aangetast. De toe te voegen appartementen en ontsluiting zullen ingepast worden in het bestaande beeld van de Dorpsstraat. De ontwikkelingen hebben hierdoor geen invloed op de historische geografische lijnen van de Dorpsstraat. 5.2.2
Archeologie
Gemeentelijk beleid Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Rucphen de Nota Archeologie Gemeente Rucphen opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Op de ar heologis he aarde ‐ e er a hti gskaart ordt onderscheid gemaakt tussen archeologische verwachtingen en waarden. In figuur 20 is ter plaatse van het plangebied een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in een archeologisch waardevol gebied met een middelhoge archeologische verwachting (waardevol gebied 4).
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 39 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 18: Uitsnede Archeologische beleidskaart Rucphen
Op de archeologische waarde ‐ e erwachtingskaart wordt onderscheid gemaakt tussen archeologische verwachtingen en waarden. In figuur 20 is ter plaatse van het plangebied een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in een archeologisch waardevol gebied 4: Middelhoge archeologische verwachting. Archeologisch waardevol gebied 4: Waarde archeologie – hoog Het betreft archeologische terreinen waarvan de feitelijke aanwezigheid en behoudenswaardigheid van archeologische resten is vastgesteld. Ook de historische dorpskernen zijn opgenomen in deze maatregelcategorie. De volgende ontheffingscriteria zijn op deze categorie van toepassing: ▪ oppervlakte plangebied tot 1000 vierkante meter (wettelijke ondergrens); ▪ diepte bodemingreep tot 50 centimeter onder maaiveld. Op het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan, ter plaatse van het aangewezen waardevol gebied 4 , de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 opgenomen. Deze bestemming bepaalt dat indien de grondroerende werkzaamheden meer zijn dan 500 m² en dieper zijn dan 0,5 meter er een archeologisch rapport overlegd moet worden waarin eventuele archeologische waarden vastgelegd zijn. De dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4 ordt op de planverbeelding en in de regels van onderhavig bestemmingsplan gehandhaafd.
Ten tijde van de aanvraag van omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen binnen deze zone zal door het bevoegd gezag beoordeeld worden of de planontwikkelingen binnen de ondergrens blijven zoals geborgd in de regels van het bestemmingsplan. 5.3
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd voordat de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt ingediend.
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 40 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.4
Water
5.4.1
Beleid waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende the a s/speerpu ten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.
Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
Figuur 19: Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 41 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 20: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta
5.4.2
Grondwaterbeschermingsgebied en waterlopen
Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en is gelegen buiten het Natura 2000 invloedsgebied. In de directe nabijheid zijn geen waterlopen aanwezig. 5.4.3 Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Bij voorkeur het gebruik hiervan reguleren door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst. Voor de geprojecteerde bebouwing op het plangebied geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel.
Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat voor locaties de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 500 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Het totale plangebied van omvat een oppervlakte van circa 1.069 m². De toename van de verharding bedraagt niet meer dan 2.000 m², in de bestaande situatie is bijna de gehele planlocatie verhard. Het is daarom niet nodig om te voorzien in een extra voorziening voor infiltratie- of retentie. 5.4.4
Watertoets
Het watertoets proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoets proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen.
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 42 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.5
Ecologie
5.5.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.5.2
Gebiedsbescherming
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Door Maassen Ecologisch Advies en Onderzoek is op 3 september 2020 (rapportnummer 2008-1) een ecologische quickscan uitgevoerd om aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld te brengen en mogelijke effecten daarop in beeld te brengen. Bepaald is of de ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000 gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming en aanvullend de gemeentelijk AVP zijn beschermd. Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland / EHS of Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied liggen op een afstand van 14 tot 16 km. Het betreft de gebieden Ulvenhoutse Bos, Hollands Diep en Brabantse Wal.
Gelet op de schaal en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland worden er geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijk waarden en kenmerken van de NNN/ EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op voldoende afstand. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied ligt buiten het Attentiegebied NNB en Groenblauwe mantel waardoor de wetgeving op dit punt niet van toepassing is. 5.5.3
Beschermde soorten
Het is in theorie mogelijk dat op de locaties dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De volgende beschermde soorten kunnen mogelijk in het plangebied worden aangetroffen, concreet zijn dit de kamsalamander, de heikikker, de poelkikker, de rugstreeppad, de vleermuis en de drijvende waterweegbree. Met uitzondering van de vleermuis bestaat de habitat van deze soorten voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Op dit moment is er geen water op het plangebied aanwezig. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat op de locatie één of meer beschermde amfibiesoorten voorkomen. De vleermuis leeft in bomen en/of in gebouwen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, maar ook achter betimmering en daklijsten en zijn dus zeer moeilijk op te sporen. Binnen het plangebied en de directe invloedsfeer daarvan ontbreken geschikte verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen en andere soorten waarvoor een strikte bescherming geldt. Negatieve effecten op verblijfplekken en functioneel leefgebied voor soorten waarvoor een strikt beschermingsregime geldt kunnen uitgesloten worden. Soorten nationaal beschermd Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 43 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Negatieve effecten van jaarrond beschermde verblijfplekken van soorten die nationaal beschermd zijn, het iddelz are es her i gsregi e a a dere soorte , ku en binnen het plangebied en invloedsfeer daarvan uitgesloten worden. Jaarrond beschermde verblijfplekken van zoogdieren en vogels Binnen het plangebied en de invloedssfeer daarvan kunnen verblijfplaatsen die als jaarrond beschermde vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren kunnen worden aangemerkt en beschermd zijn uitgesloten worden. Als gevolg van de ontwikkeling worden ook geen negatieve effecten verwacht op elementen die van essentieel belang kunnen zijn voor de instandhouding van het functioneel leefgebied van soorten waarvoor een strikte bescherming geldt. Beschermde houtopstanden Binnen het plangebied ontbreken houtopstanden die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming of kapvergunning plichtig zijn. Conclusie Uit bovenstaande (en het volledige rapport van de ecologische quickscan) blijkt dat de ontwikkeling in het plangebied geen belemmering oplevert voor de ecologische waarden in het gebied. In hoofdstuk 6 van de ecologische quickscan worden algemene voorzorgsmaatregelen beschreven die aanbevolen worden in acht te worden genomen. Het betreft het rekening houden met het broedseizoen en een algemene zorgplicht voor in het wild levende dieren en planten.
De voorzorgsmaatregelen worden tijdens de ontwikkeling in acht genomen. Een vervolgonderzoek of ontheffingsaanvraag is hierdoor niet benodigd. Het volledige rapport m.b.t. de ecologische quickscan is als afzonderlijke bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd. 5.6
Wegverkeerslawaai
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. De Dorpsstraat is ter plaatse van de onderzoekslocatie een 50 km/h weg en de Wim van Eststraat een 30 km/h weg. 30 km/h wegen hebben geen geluidzone op grond van de Wet geluidhinder.
De Wim van Eststraat hoeft formeel niet getoetst te worden aan de Wet geluidhinder. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel wenselijk de geluidbelasting van deze weg te beschouwen. De geluidsbelasting van de wegen zal worden berekend op de nieuwbouw en worden getoetst aan (kwalitatieve) eisen voor een goede ruimtelijke ordening. Op 16 oktober 2020 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een Akoestisch onderzoek (rapport: VL.2073.R01) uitgevoerd ter bepaling van de geluidbelasting op de gevels van een nieuwbouwplan aan de Dorpsstraat 186188 in St. Willebrord. Toetsing aan Wet geluidhinder Dorpsstraat
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 44 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De geluidbelasting op de gevels van de nieuwbouw bedraagt vanwege deze weg ten hoogste 61 dB op de westgevel, ten hoogste 50 dB op de noordgevel, ten hoogste 30 dB op de oostgevel en ten hoogste 52 dB op de zuidgevel. Hiermee kan worden geconcludeerd dat bij de nieuwbouw de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De overschrijding bedraagt 2 – 13 dB. Nader onderzoek naar aanvullende maatregelen om de geluidbelasting vanwege de Dorpsstraat te reduceren is daarmee noodzakelijk. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor woningen in stedelijk gebied wordt niet overschreden. Rijksweg A58 De geluidbelasting op de gevels van de nieuwbouw bedraagt vanwege deze weg ten hoogste 50 dB op de noordgevel, ten hoogste 47 dB op de oostgevel en de zuidgevel en ten hoogste 48 dB op de westgevel. Hiermee kan worden geconcludeerd dat bij de nieuwbouw de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De overschrijding bedraagt 1 – 2 dB. Nader onderzoek naar aanvullende maatregelen om de geluidbelasting vanwege de A58 te reduceren is daarmee noodzakelijk. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor woningen binnen de zone van auto(snel)wegen (buitenstedelijk gebied) wordt niet overschreden.
Maatregelenonderzoek Om de geluidbelasting vanwege de Dorpsstraat en de A58 op de nieuwbouw te reduceren zijn de volgende maatregelen denkbaar: • bronmaatregelen; • maatregelen in de overdrachtssfeer • maatregelen bij de ontvanger Beoordeling akoestisch woon- en leefklimaat De gecumuleerde geluidbelasting vanwege wegverkeer in de nabijheid van de nieuwbouw bedraagt ten hoogste 67 dB (zonder rekening te houden met de aftrek conform art. 110g van de Wgh) op de westgevels, ten hoogste 57 dB op de noord- en zuidgevels en ten hoogste 53 dB op de oostgevels van de nieuwbouw. De geluidbelasting aan de achterzijde van de appartementen aan de west- en oostzijde bedraagt ten hoogste 53 dB. De nieuwbouw bestaat vooralsnog uit zes appartementen aan de westzijde van het gebouw. Het akoestisch woon- en leefklimaat bij deze appartementen dient op basis van de Milieukwaliteitsmaat te worden beoordeeld als zeer sle ht tot sle ht bij de westgevels, direct langs de Dorpsstraat gelegen, als atig ij de zijgevels van deze appartementen en als goed aa de a hterge els. De nieuwbouw bestaat bovendien uit vijf appartementen aan de oostzijde van het gebouw (alleen op de beide verdiepingen gelegen).
Het akoestisch woon- en leefklimaat bij deze appartementen dient op basis van de Milieukwaliteitsmaat te worden beoordeeld als redelijk ij de oostge els, dire t la gs de Wi a Eststraat gelege , als atig ij de noordgevel van de apparte e te , als redelijk tot goed aan de westgevels e als goed aa de zuidge el. Conclusie en advies Gelet op de geluidbelasting in relatie tot de stedelijke ligging van het plangebied en de aanwezigheid van minimaal één geluidluwe gevel per appartement wordt het woonklimaat in onderhavige situatie nog aanvaardbaar geacht en kan voor de nieuwbouw een hogere grenswaarde aangevraagd worden bij de gemeente Rucphen. Het volledige onderzoek is als afzonderlijke bijlage aan de toelichting toegevoegd. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve hiernaar verwezen. 5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publi atie Bedrij e en Milieuzoneri g gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 45 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied. Het plangebied is in de dorpskern van St. Willebrord gelegen, waar verschillende functies voorkomen. Gelet op bovenstaande kan de omgeving van het plangebied getypeerd worden als het omgevingstype gemengd gebied . Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor gevaar. Deze wordt niet verkleind. 5.7.2
Milieuzones
Alle bedrijven in een straal van 150 meter van het plangebied zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van het plangebied. Tabel 4: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ͚gemengd gebied͛
Tapijthandel
Dorpsstraat 214
Kledingwinkel Kermisopslag
Dorpsstraat 145 Dorpsstraat 169
Detailhandel voor zover n.e.g. Restaurants, cafetaria s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten Detailhandel voor zover n.e.g. Opslaggebouwen (Verhuur opslagruimte)
Afstand in meters Richtafstand bouwvlak tot omgevingstype gemengd gebied
GEVAAR
Dorpsstraat 184 Dorpsstraat 200
Milieu cat.
GELUID
Postkantoor Snackbar
omschrijving
STOF
adres
GEUR
bedrijf
1 1
0 0
0 0
0 0
0 10
0 meter 50 meter
2
0
0
10
10
80 meter
1 2
0 0
0 0
0 10
0 10
90 meter 100 meter
Het plangebied ligt buiten de milieuzoneringen van de in de omgeving gevestigde bedrijven. Het dichtstbijzijnde gevestigde bedrijf is een eenmanszaak in de vorm van een postkantoor op de locatie Dorpsstraat 184. Het aangewezen bouwvlak van het postkantoor ligt op 0 meter van het bestemmingsvlak van het plangebied. Omdat het plangebied in een gemengd gebied gelegen is, mogen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. De richtafstand van het postkantoor is 0 meter, het bedrijf wordt niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling. 5.7.3
Geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld staan. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen geurhinder. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals het wijzigen van een bestemming. De Wet geurhinder en veehouderij vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige o je te e dus oor de rui telijke orde i g, dit ordt o gekeerde erki g ge oemd.
Voor wat betreft geurhinder van veehouderijen betekent dit dat de volgende aspecten in oogschouw moeten worden genomen: ▪ Wordt er een onevenredige inbreuk gemaakt op de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling van de nabij gelegen veehouderijen? ▪ Is ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd? Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Het gebouw moet hiervoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze worden gebruikt. De woningbouw voor maximaal 10 appartementen aan de Dorpsstraat 186 kan gezien worden als geurgevoelig object. Voor de planlocatie dient te worden uitgegaan van een goed woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 46 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bij de beoordeling of het leefklimaat ter plaatse van de planlocatie acceptabel is, dient de geurbelasting veroorzaakt door alle in de buurt gelegen veehouderijen samen (achtergrondbelasting) en de geurbelasting op het plangebied door de individuele bedrijven (voorgrondbelasting en vaste afstand) veroorzaakt in beeld te worden gebracht. Beoordeeld moet worden of de belasting acceptabel is. De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeente Rucphen kent voor het gebied waarin de planlocatie is gelegen geen geurverordening, in deze paragraaf worden de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij gehanteerd. Woon- en leefklimaat op basis van geuremissie In de Wet geurhinder en veehouderij zijn in artikel 3 grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object. Deze grenswaarden worden weergegeven in odour units per kubieke meter (ouE/m3). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de ligging binnen of buiten concentratiegebieden en de bebouwde kom. De gemeente Rucphen is conform bijlage 1 van de Meststoffenwet gelegen binnen een concentratiegebied.
De planlocatie Monseigneur van Rooijstraat 6, is gelegen binnen de bebouwde kom, waardoor conform artikel 3, lid 1b van de Wgv een geurbelasting van 3 odour units (ou E/m³) op een gevoelig object is toegestaan. Verder worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder een geuremissiefactor en een geurgevoelig object. De norm van 3 ouE/m³ geldt altijd, tenzij het gaat om het houden van dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Dan geldt een vaste afstand. De nieuwe woningen aan de Monseigneur van Rooijstraat 6 kunnen gezien worden als een geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij voor omliggende bedrijven. Gekeken moet worden of op de planlocatie een acceptabel woon- en leefklimaat aanwezig is en of de ontwikkeling op de planlocatie geen beperkende werking heeft voor omliggende veehouderijen. Het woon- en leefklimaat als het gevolg van de geurbelasting van omliggende veehouderijen is in onderstaande afbeelding weergegeven. De Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant heeft voor heel Noord-Brabant, op basis van een export van de bronnen uit Web-BVB met behulp van V-Stacks Gebied, de achtergrondbelasting bepaald. De gehanteerde emissiegegevens dateren van februari 2021 en zijn daarmee actueel.
De emissie van elk bedrijf is geconcentreerd op de x- en y-coördinaat zoals die in het Web-BVB is ingevoerd. Hierdoor geeft de onderstaande kaart een indicatie van het woon- en leefklimaat. Opgemerkt dient te worden dat in de directe nabijheid van een veehouderij de achtergrondbelasting net anders kan zijn. Als uit deze kaart blijkt dat er overbelaste situaties aan de orde zijn, is een gedetailleerde achtergrondberekening benodigd. Uit onderstaande figuur, een uitsnede van de achtergrondbelastingkaart van de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant, blijkt dat de k aliteit a de leefo ge i g op asis a de a htergro d elasti g als zeer goed is aa te merken. Op de planlocatie is er geen sprake van een overbelaste situatie. Een aanvullende berekening voor het bepalen van de achtergrondbelasting of voorgrondbelasting is in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Er is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat op basis van geuremissie.
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 47 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 21: Uitsnede kaart Achtergrondbelasting geur
Woon- en leefklimaat op basis van vaste afstanden In de Wet geurhinder en veehouderij worden eisen gesteld aan de afstand tussen een veehouderij met dieren zonder geuremissiefactor en een geurgevoelig object. Conform artikel 4.1 van de Wet geurhinder en veehouderij gelden voor agrarische bedrijven met dieren zonder geuremissiefactor vaste afstanden tussen het dierverblijf en geurgevoelige objecten. De minimale afstand binnen de bebouwde kom betreft 100 meter. Daarnaast dient op grond van artikel 5.1 van de Wet geurhinder en veehouderij een minimale afstand aangehouden te worden van 50 meter van de gevel van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object. Het dichtstbijzijnde veehouderijbedrijf waarbij de vaste afstanden van toepassing zijn, is het melkveehouderij bedrijf aan de Irenestraat 81 te St. Willebrord. De veehouderij ligt op een afstand van 470 meter afstand ten westen van de planlocatie, en ligt daarmee op een grote afstand van de planlocatie. Alle overige veehouderijen met dieren waarbij de vaste afstanden gelden zijn op een grotere afstand vanaf de planlocatie gelegen. De ontwikkelingen op de planlocatie Dorpsstraat 186 vinden hierdoor plaats op een ruime afstand van bestaande veehouderijbedrijven. De hiervoor genoemde afstanden worden hiermee ruimschoots behaald. Er is derhalve sprake van een goed woon- en leefklimaat op basis van de vaste afstanden.
Gelet op voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkelingen binnen het plangebied, en andersom ook geen beperkende werking hebben op eventuele toekomstige uitbreiding mogelijkheden van veehouderijbedrijven in de omgeving. 5.8
Luchtkwaliteit
Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Bij inwerkingtreding van het NSL heeft gevolgen voor het NIBM. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. De categorieën die altijd NIBM zijn, de volgende:
Bestemmingsplan toelichting 201390 | 20-02-2024
Pagina 48 van 59
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Woningbouw: ▪ 1500 woningen (netto) bij minimaal één ontsluitingsweg; ▪ 3000 woningen (netto) bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Het toevoegen van tien wooneenheden zal niet resulteren in een significante toename van het verkeer in de Dorpsstraat te St. Willebrord. Voor het onderhavige plan is de grens van 3 % geldig. De extra verkeersbewegingen als gevolg van de tien nieuwe appartementen zal naar verwachting geen invloed hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse en derhalve de 3 % grens nooit overschrijden. Een nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Omdat bij de beoogde ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient ook een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van het plangebied zijn bij benadering: ▪ x = 99880 ▪ y = 396040 De Grootschalige Concentratie- en Depositiekaart Nederland (GCN) van het RIVM tonen ter hoogte van deze coördinaten, de volgende achtergrondconcentraties: 2021: PM10: 16,23 μg/m3 en NO2: 15,27 μg/ 2025: PM10: 14,70 μg/ e NO : 3,78 μg/ 2030: PM10: 13,96 μg/ e NO : 11,58 μg/ Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling op het plangebied. 5.9
Externe Veiligheid
5.9.1
Algemeen
μg/
. Hier ee or t het
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico s oor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het met name gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets misgaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. 5.9.2
Risico inventarisatie externe veiligheid
Een risico inventarisatie externe veiligheid betreft alle risicobronnen die invloed hebben of kunnen hebben op het groepsrisico, zoals Bevi-inrichtingen, transportleidingen en autowegen die gebruikt worden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In een verantwoording groepsrisico wordt door het bevoegd gezag (De Gemeenteraad) de aanwezige risicobronnen beschouwd en verantwoord.