07b3 Buitengebied Rucphen 2020 Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen ontwerp Toelichting 1
Tekst van het document
24 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Beoordeling Aan de Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen is men voornemens een bedrijfshal te realiseren. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitatals de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de sloop en constructie. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS C alculator (versie 2022.1). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar.
Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
Conclusie Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de realisatie van het initiatief. Het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.
4.6 Bedrijven en milieuzonering Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige functies kan de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij de ontwikkeling van milieugevoelige functies in de directe omgeving van bedrijfsfuncties en bij de vestiging of uitbreiding van (nieuwe) bedrijfsfuncties in de directe omgeving van gevoelige functies. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt informatie gegeven over de gemiddelde milieubelasting van verschillende typen bedrijfsfuncties en -activiteiten, waarbij deze zijn ingedeeld in verschillende milieucategorieën. De milieucategorie geeft daarbij een indicatie over de minimale afstand die tussen de milieubelastende- en milieugevoelige functies moet worden aangehouden, als gevolg van hinder in de vorm van geur, stof, geluid en of gevaar. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen is echter sprake van een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een ontsluitingsweg ligt of een gebied in het buitengebied met meerdere functies. De afstanden tot de milieucategorieën zijn weergegeven in de onderstaande tabel. 15rt Milieu categorie
Richtafstand tot 'rustige woonwijk'
Richtafstand tot 'gemengd gebied'
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1000
700
6
15000
1000
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 25
Tabel 4.1 Richtafstanden VNG-publicatie
Beoordeling Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Rucphen, direct ten zuiden van de rijksweg A58, afslag 21. In het buitengebied van de gemeente Rucphen zijn meerdere agrarische en niet-agrarische bedrijfsfuncties gevestigd waardoor de omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als een 'gemengd gebied'. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bestemmingswijziging van 'Agrarisch' naar 'Bedrijf' ter plaatse van een deel van het perceel RPN00-U-1479 (dat feitelijk al in gebruik is door Machinehandel Jansen B.V.) en de mogelijkheid om binnen het bedrijfsterrein een nieuwe bedrijfshal te bouwen ter grootte van 1.600 m 2. Het bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van nieuwe (bedrijfs)activiteiten, de bestaande bedrijfsactiviteiten blijven gehandhaafd. Op basis van de VNG-publicatie geldt voor het bedrijf Machinehandel Jansen BV, dat actief is in de groothandel in machines voor de bouwnijverheid, een richtafstand van 50 meter in het gemengd gebied. De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft de woonlocatie aan de Rijksweg-Zuid 56, gelegen op circa 75 meter ten zuiden van het plangebied (gemeten van bestemmingsvlak tot bestemmingsvlak). De richtafstand van de bedrijfsactiviteiten behorende bij het machinehandel bedrijf reikt niet tot aan de woonbestemming.
Als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van de machinehandel wordt geen negatieve milieuhinder verwacht op millieugevoelige functies.
Conclusie Het machinehandel bedrijf betreft geen milieugevoelige functie, milieuhinder als gevolg van andere bedrijven kan derhalve worden uitgesloten. Als gevolg van de uitvoering van bedrijfsactiviteiten wordt eveneens geen hinder verwacht op omliggende milieugevoelige functies. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
4.7 Verkeer en parkeren Op 31 mei 2017 heeft de gemeenteraad van Ruchpen de Nota Parkeernormen Ruchpen 2017 vastgesteld. De doelstelling van de nota betreft het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Waar mogelijk wordt hiermee de bereikbaarheid en leefbaarheid van de gemeente gewaarborgd.
Parkeren Het machinehandel bedrijf betreft een arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied. Door de groei van het machinepark heeft het bedrijf omstreeks 2016 een deel van het perceel RPN00-U-1479 in gebruik genomen, om zo de machines te kunnen stallen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de bestemmingswijziging naar 'Bedrijf' ter plaatse van de uitbreiding en de mogelijkheid om een nieuwe bedrijfshal te bouwen. De uitbreiding van het bedrijfsterrein heeft in de bestaande situatie al plaatsgevonden, ten opzichte van de bestaande situatie voorziet voorliggend bestemmingsplan niet in verdere uitbreiding. Het bedrijfsterrein is in de bestaande situatie volledig verhard en wordt met name gebruikt ten behoeve van de opslag van grondverzet- en wegenbouwmachines. Het bedrijfsterrein fungeert daarmee in feite als een grote parkeerplaats voor deze machines. Voor het parkeren van auto's kan eveneens gebruik worden gemaakt van het bedrijfsterrein. In de bestaande situatie is er geen sprake van een grote parkeerdruk of parkeeroverlast. In tabel 4.2 zijn de parkeernormen en verkeersgeneratie behorende bij arbeidsextensief/bezoekersextensief bedrijf opgenomen, zoals vermeld in de gemeentelijke Parkeernormen.
26 id 51 te Rucphen
een Nota
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Tabel 4.2 Parkeernormen en verkeersgeneratie (bron: Nota Parkeernormen Rucphen 2017)
Het bedrijfsterrein behorende bij de machinehandel heeft in de bestaande situatie een oppervlakte van circa 10.000 m 2. Op basis van de parkeernormen in tabel 4.2 dienen er voor dit bedrijf dan 105 parkeerplaatsen aanwezig te zijn voor dit bedrijf. Dit aantal is een zeer ruime overschatting waardoor gesteld kan worden dat de kencijfers van de Nota niet in aanmerking komen voor deze ontwikkeling. Ten opzichte van de bestaande situatie voorziet voorliggend bestemmingsplan niet in een verdere uitbreiding van het bedrijfsterrein, als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan zal de parkeerbehoefte van het bedrijf dan ook niet toenemen. Aangezien er in de bestaande situatie ook geen sprake is van een parkeerprobleem kan er worden geconcludeerd dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
Verkeer Het bedrijfsterrein is gelegen direct ten zuiden van de rijksweg A58, ter hoogte van afslag 21. Het merendeel van de verkeersbewegingen vanuit het bedrijf zal vanaf de Rijksweg-Zuid richting het zuiden naar de Rucphenseweg rijden om vervolgens de A58 op te gaan. Omdat de feitelijke uitbreiding van het bedrijfsterrein al heeft plaatsgevonden zal de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan naar verwachting niet leiden tot een onevenredige toename van de verkeersgeneratie van het bedrijf.
4.8 Cultureel erfgoed Vanaf 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden rekening is gehouden.
4.8.1 Archeologie Op grond van het vigerend bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2020" zijn ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de bijbehorende gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 3' van toepassing. C onform de bestemmingsplanregels is het verplicht gesteld dat bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m 2 en dieper dan 50 cm onder het maaiveldniveau voorafgegaan moeten worden door een archeologisch onderzoek. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 5 toegevoegd aan dit bestemmingsplan, hieronder volgt een samenvatting met de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek.
Beoordeling Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Volgens het bureauonderzoek heeft de top van het dekzand een middelhoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithium - Mesolithicum en een lage verwachting voor bewoningssporen en sporen van landgebruik uit het Neolithicum - Vroege Middeleeuwen. Archeologische resten worden alleen verwacht als het gebied voor de periode van veenvorming droog genoeg is geweest om podzolisatie te laten plaatsvinden en wanneer deze podzolbodem niet is afgetopt bij de ontginning van het gebied in de Middeleeuwen. Aan het maaiveld worden sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd verwacht. De archeologische verwachting voor dit niveau is laag. Uit het veldonderzoek is gebleken dat het dekzand in het plangebied onder een humeuze toplaag met
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 27
een dikte van 35 tot 175 cm ligt. Deze huneuze toplaag betreft een geroerde/opgebrachte bouwvoor. De bouwvoor heeft een lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. De geroerde/opgebrachte bouwvoor is het dikst ter plaatse van boring 2, 5 en 6. Deze boringen liggen binnen het aangegeven vergraven deel in het plangebied en bevestigen hiermee dat dit deel van het plangebied is vergraven. Onder de humeuze toplaag is in het plangebied geen (restant van een) podzolbodem aangetroffen. Het plangebied heeft daarom een lage verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum. Uit het archeologisch vooronderzoek kan worden geconcludeerd dat het plangebied een lage verwachting heeft voor de top van het dekzand voor de periode Laat-Paleolithicum - Mesolithicum, er is geen (restant van een) bodzolbodem aangetroffen. De verwachting voor resten uit het Neolithicum Vroege Middeleeuwen blijft laag. Op basis van het vooronderzoek is niet vastgesteld of het plangebied overveend is geraakt. De geroerde/opgebrachte bouwvoor heeft een lage verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geadviseerd om bij de wijziging van het bestemmingsplan het plangebied vrij te geven voor de geplande werkzaamheden
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.8.2 Cultuurhistorie In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden (artikel 3.1.6, lid 5 Bro). De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid provincie Noord-Brabant Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. In de provincie dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale C ultuurhistorische Waardenkaart (C HW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven.
Figuur 4.1 Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant.
28 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Beoordeling en conclusie Ter hoogte van het plangebied is de Rijksweg-Zuid deels aangewezen als een historische geografische lijn van zeer hoge waarde. Het planvoornemen voorziet echter niet in wijzigingen aan de Rijksweg-Zuid, waarmee er ook geen afbreuk wordt gedaan aan deze waarde. Binnen het plangebied zijn verder geen elementen aanwezig van cultuurhistorische waarde die behouden dienen te blijven. Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
4.9 Luchtkwaliteit In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht. De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C 6H6), zwaveldioxide (SO 2), lood (Pb) en koolmonoxide (C O). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m 3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO 2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m 3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m 3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden. De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO 2).
Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor zowel PM10 als NO 2. In artikel 4 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 200.000 m 2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling Onderhavige ontwikkeling betreft de uitbreiding van een bedrijfsterrein en de bouw van een nieuwe bedrijfshal. De uitbreiding van het bedrijfsterrein heeft een oppervlakte van circa 2.070 m 2. Gesteld kan
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 29
worden dat dit plan in verhouding tot de wettelijke ondergrens voor onderzoek, gelegen op de bouw van 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte, niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan het verslechteren van de luchtkwaliteit.
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling.
4.10
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie, of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd met als doel het bepalen of er sprake is van overschrijdingen van de grens- en streefwaarden zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hiertoe wordt onder andere het groepsrisico bepaald. Daarnaast worden de overige risicobronnen rondom het plangebied beschouwd. De volledige rapportage van het onderzoek is als Bijlage 6 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan, hieronder volgend de belangrijkste conclusies.
Inventarisatie risicobronnen Met behulp van de Atlas Leefomgeving kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van het plangebied worden gemaakt. Hiervan is hieronder een uitsnede weergegeven.
Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart
Transport Op circa 110 meter is de rijksweg A58 gelegen (1). Op circa 825 meter ten noorden van het plangebied is het spoorwegtraject Route 12, Roosendaal Oost – Breda aansl. (2) gelegen. Via deze transportroutes die onderdeel uitmaken van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. In de onderstaande tabel zijn per bron de invloedsgebieden en aantallen transporten per stofcategorie weergegeven.
30 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Tabel 4.3 Overzicht invloedsgebieden en aantallen transporten
Het plangebied is gelegen binnen 200 meter van de rijksweg en bevindt zich binnen het invloedsgebied van de in de bovenstaande tabel grijs gearceerde stofcategorieën. Een kwantitatieve risicoanalyse en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. Omdat het plangebied niet is gelegen binnen 200 meter van het spoorwegtraject, is een kwantitatieve risicoanalyse niet noodzakelijk. Wel is een beperkte verantwoording van het groepsrisico van toepassing vanwege het invloedsgebied van stof categorieën B2 en D4. Tot slot zijn er routes die niet zijn aangewezen als een basisnetroute. Het transport van gevaarlijke stoffen vindt voornamelijk plaats over provinciale wegen. Het gaat voornamelijk om stofcategorie GF3 met een invloedsgebied van 355 meter. Voor zover bekend zijn er binnen een straal van 355 meter behoudens het basisnet geen transportroutes gelegen die het plan kunnen belemmeren.
Inrichtingen Op circa 22 meter ten westen van het plangebied is een benzine- en LPG-tankstation met vulpunt (3) gelegen. Voor LPG-tankstations is het invloedsgebied vastgesteld op 150 meter vanuit het vulpunt en de ondergrondse tank. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied van het tankstation is gelegen, is derhalve een kwantitatieve risicoanalyse noodzakelijk. Op circa 450 meter ten noordwesten van het plangebied is een inrichting met propaanopslagtank gelegen (4). Deze inrichting heeft invloedsgebied van 30,5 meter. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van de propaantank, derhalve levert deze inrichting geen belemmeringen op. Binnen een straal van 1 kilometer zijn geen verdere risicovolle inrichtingen gelegen.
Buisleidingen Op circa 540 meter ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich een buisleiding (5). Het betreft een hogedruk aardgastransportleiding met een diameter van 8,6 inch en 40 bar werkdruk. De bijbehorende inventarisatieafstand bedraagt 95 meter. Het plangebied is niet gelegen in het invloedsgebied van de buisleiding. De grootste inventarisatieafstand voor hogedruk aardgastransportleidingen bedraagt 580 meter. Overige buisleidingen liggen buiten de grootste inventarisatieafstand, derhalve bestaan er geen belemmeringen voor het voorgenomen plan.
Berekening groepsrisico Vanwege de ligging van het plangebied nabij de rijksweg A58 en een LPG-tankstation, is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd.
Rijksweg A58 Er is geen plaatsgebonden risicocontour belemmering voor het plangebied.
van
10-6/jaar.
Het plaatsgebonden
risico
vormt geen
Uit de berekeningen volgt dat het gesommeerd groepsrisico in zowel de bestaande als de toekomstige situatie ruim lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde. Ruimtelijke maatregelen tot het verlagen van de groepsrisico (zoals het verlagen van de aanwezigheid van personen) zijn niet noodzakelijk. Het mogelijk aantal slachtoffers in zowel de huidige situatie als in de toekomstige situatie blijft gelijk.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 31
Omdat het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie lager is dan 0,1 x de oriëntatiewaarde kan volgens artikel 8 lid 2a van het Bevt worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
LPG-tankstation Uit de berekening blijkt dat het groepsrisico voor de toekomstige situatie en huidige situatie, uitgaande van hittewerende coating, onder de oriëntatiewaarde ligt. Na realisatie van de uitbreiding neemt het maximaal aantal slachtoffers toe. De normwaarde bedraagt in de huidige situatie 0,006. In de toekomstige situatie is de normwaarde 0,009. Het groepsrisico na realisatie van de bedrijfshal neemt slechts zeer beperkt toe. Het groepsrisico is in de toekomstige situatie lager dan 0,1 x oriëntatiewaarde. Derhalve volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
Beperkte verantwoording van het groepsrisico (A58) Analyse scenario's Door een ongeval met een tankwagen op de A58 en/of een ketelwagen op het spoorlijn kunnen giftige stoffen vrijkomen. Via de A58 vindt vervoer plaats van stofcategorieën LT2, GF3, GT3 en GT4. Via het spoortraject vindt vervoer plaats van de stoffen B2 en D4. Er moet rekening gehouden worden met de scenario’s fakkelbrand, explosie (koude en/of warme BLEVE) en wolkbrand / gaswolkexplosie. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. Hieronder wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden. De verantwoording is gericht op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, bereikbaarheid en zelfredzaamheid.
Zelfredzaamheid Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Het ontstaan van een koude BLEVE is niet preventief te bestrijden, omdat de calamiteit zonder aankondiging plaats vindt. Wel dienen overlevenden het pand te ontvluchten in verband met secundaire branden. Er wordt verondersteld dat de huidige voorzieningen in orde zijn, zoals duidelijke vluchtborden en vluchtroutes, en deze uit te breiden voor de toekomstige situatie. De vluchtroutes dienen van de bron af te zijn gericht. Hiermee wordt de zelfredzaamheid verhoogd.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. Voor een goede bestrijdbaarheid is het van belang dat het voor de brandweer mogelijk is om: op tijd ter plaatse te zijn; voldoende opstelplaatsen te hebben; voldoende blusmiddelen te hebben. Beperkte verantwoording van het groepsrisico LPG-tankstation Zelfredzaamheid In geval van een calamiteit met een tankwagen bij het LPG-tankstation is het handelingsperspectief vluchten van de bron af. De zelfredzaamheid van personen wordt in grote mate bepaald door de mogelijkheden om van de bron af te vluchten en door de mogelijkheden om te schuilen. De vluchtroutes vanuit de bedrijfshal moeten zodanig worden ingericht dat van de risicobron af vluchten mogelijk is. Het gebouw beschikt over meerdere uitgangen. Afhankelijk van de locatie van een incident kan een van deze uitgangen worden gekozen, waarna aanwezige personen van de risicobron af kunnen vluchten. Omdat wat betreft de bron sprake is van een bestaande situatie, moet worden verondersteld dat de
32 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
voorzieningen ter bestrijding van calamiteiten voldoen aan de geldende eisen. BHV’ers kunnen door de brandweer op de hoogte worden gebracht over het gewenste handelingsperspectief. Het regelmatig uitvoeren van een evacuatie bevordert de efficiëntie.
Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid gelden geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico. Ter bevordering van de zelfredzaamheid bij realisatie van de bedrijfshal wordt geadviseerd rekening te houden met het centraal uit te schakelen van de ventilatievoorzieningen en met meerdere vluchtroutes. Omdat wat betreft het LPG-tankstation sprake is van een bestaande situatie, moet worden verondersteld dat de voorzieningen ter bestrijding van calamiteiten op orde zijn. Tevens wordt er geadviseerd om de vluchtroutes vanuit de bedrijfshal zodanig moeten worden
4.11
M.e.r.-beoordeling
Per 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Wanneer een activiteit genoemd is bij onderdeel D van de bijlage, maar onder de drempelwaarde blijft is een informele m.e.r.-beoordeling van toepassing.
Beoordeling en conclusie De activiteit zoals met voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt beperkt zich tot de bestemmingswijziging van een deel van het perceel RPN00-U-1479 naar de bestemming 'Bedrijf' en de bouw van een bedrijfshal ter grootte van 1.600 m 2. Wanneer de drempelwaarden uit de D-lijst (oppervlakte van 100 hectare of meer, op aaneengesloten gebied worden 2000 of meer woningen gebouwd, een bedrijfsvloeroppervlakte van minimaal 200.000 m 2) worden vergeleken met de voorgestane ontwikkeling wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Gelet op het karakter van het project in vergelijking met de drempelwaarden, de locatie en de conclusie van voorgaande paragrafen uit dit hoofdstuk zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Een m.e.r.-beoordeling is derhalve niet aan de orde.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 33
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
5.1 Plansystematiek Dit bestemmingsplan heeft tot doel een adequaat juridisch-planologische regeling te scheppen voor onderhavige ontwikkeling. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Het bestemmingsplan biedt een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad. Het bestemmingsplan bestaat uit: de toelichting; de planregels; de verbeelding. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking. De toelichting heeft wel een belangrijke functie voor de onderbouwing van het plan en ook bij de verklaring van de bestemmingen en planregels, en in het bijzonder ten aanzien van de regels inzake nadere eisen en afwijkingen. De planregels vormen de juridische regels voor gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding geeft de geografische ligging van de bestemmingen en aanduidingen weer. De verbeelding vormt samen met de planregels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Hierna wordt inhoudelijk ingegaan op de bestemmingen en de aanduidingen binnen het onderhavige bestemmingsplan.
5.2 Bestemmingen In onderhavig bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:
Artikel 3 Bedrijf De bedrijven in het plangebied zijn bestemd als 'Bedrijf'. Binnen deze bestemming zijn bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toegestaan, voor zover ze zijn opgenomen op de Lijst van bedrijfsactivititeiten (bijlage bij de planregels). Bedrijven die in een hogere milieucategorie vallen of die niet voorkomen op de Lijst van bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid C onform het huidige, feitelijk aanwezige gebruik. De gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.
Artikel 4 Groen - Landschapselement De voor 'Groen - Landschapselement' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en/of cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle landschapselementen. Ten behoeve van de verplichte landschappelijke inpassing is een voorwaardelijke verplichting in de planregels opgenomen.
Artikel 5 Leiding - Water De op de verbeelding 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, naast de primaire bestemming, mede bestemd voor de aanwezige waterleiding die bescherming behoeft. De leidingbeheerder beoordeelt of de veiligheid van de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad en of er geen kwetsbaar object wordt toegelaten. De leidingbeheerder geeft daarmee advies over een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dat daarmee wordt gegarandeerd.
Artikel 6 Waarde - Archeologie De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' dient ter bescherming van het archeologisch monument en van de hoge en middelhoge archeologische verwachtingswaarden.
34 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid Deze paragraaf beschrijft de onderdelen die zijn doorlopen voor het zekerstellen van de economische uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond. Er wordt nader ingegaan op de grondexploitatie en de koppeling met het exploitatieplan.
6.1.1 Toepassing grondexploitatie In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie (Grexwet) opgenomen. C entrale doelstelling van de Grexwet is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijke kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of afwijkingsbesluit. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van een of meer woningen; de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m 2 of met een of meer woningen; de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies tenminste 1.500 m 2 bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m 2. Aangezien onderhavig planvoornemen een particulier initiatief betreft wordt een anterieure overeenkomst afgesloten met de initiatiefnemer om de procedurekosten te kunnen verrekenen. Mogelijke planschade is eveneens voor rekening van de initiatiefnemers. Er zijn geen openbare werken gepland. Er zijn ook geen andere omstandigheden bekend die bijzondere kosten met zich meebrengen voor de gemeente. Het plan wordt derhalve financieel-economisch haalbaar geacht.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Omgevingsdialoog Een omgevingsdialoog is een zorgvuldige afstemming tussen de initiatiefnemer van een (bouw)plan en de omgeving. Met de 'omgeving' wordt bedoeld iedereen waarop het plan effect kan hebben, zoals bijvoorbeeld omwonenden, scholen, maatschappelijke voorzieningen en aangrenzende bedrijven. De omgevingsdialoog is er specifiek op gericht om alle wensen, belangen en bezwaren van de omgeving te kunnen betrekken in het verdere ontwerp van het plan. Doel van de omgevingsdialoog is niet om 'overeenstemming' over het plan te verkrijgen. Aanleiding voor het starten van een omgevingsdialoog is het moment dat een initiatiefnemer een ruimtelijke ontwikkelingsproject wil uitvoeren dat niet past in het geldende bestemmingsplan. In het kader van de omgevingsdialoog heeft de initiatiefnemer van de beoogde ontwikkeling aan de Rijksweg-Zuid 51 de omwonenden en ondernemers in de omgeving van het plangebied per brief geïnformeerd over het planvoornemen. In de brief is in het kort een uitleg gegeven over het initiatief en zijn de aangeschrevenen in de gelegenheid gesteld om te reageren. Op basis van de uitgevoerde omgevingsdialoog zijn er vanuit de omgeving van het plangebied geen bezwaren op het initiatief. In Bijlage 7 is een verslag van de omgevingsdialoog toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 35
6.2.2 Vooroverleg In artikel 3.1.1 van het Bro is vastgelegd dat tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg moet worden gepleegd met instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Daarbij zijn met name genoemd het waterschappen en diensten van provincie en Rijk. Ten aanzien van bekendmaking van het plan is artikel 3:6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Voorts is in artikel 3.1.6 van het Bro bepaald dat de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg in de toelichting van het plan moeten worden beschreven. In het kader van het vooroverleg is het bestemmingsplan voorgelegd aan de Provincie Noord-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta en de Brandweer Midden- en West-Brabant. Het vooroverleg heeft niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan.
6.2.3 Zienswijzen Na het wettelijk vooroverleg wordt dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegd als ontwerpbestemmingsplan. Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid om zienswijzen op het plan in te dienen. De zienswijzen worden samengevat en van commentaar voorzien. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college de raad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf (datum) gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn er (aantal) zienswijzen ingediend.
6.2.4 Beroep Na vaststelling wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbende én geen belanghebbenden die kunnen aantonen dat hij/zij niet in staat was een zienswijze af te geven én (niet) belanghebbenden indien het beroep betrekking heeft op een wijziging die is aangebracht t.o.v. het ontwerpbestemmingsplan tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
36 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu