07b3 Buitengebied Rucphen 2020 Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen ontwerp Toelichting 1
Tekst van het document
Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen
Datum: 9 juni 2023 Status: ontwerp
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
6
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan Leeswijzer
6 6 6 8
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
9
Hoofdstuk 3
Beleidskader
11
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
11 14 17
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
18
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Bodem Wegverkeerslawaai Water Flora en fauna Stikstofdepositie Bedrijven en milieuzonering Verkeer en parkeren Cultureel erfgoed Luchtkwaliteit Externe veiligheid M.e.r.-beoordeling
18 19 19 22 24 25 26 27 29 30 33
Hoofdstuk 5
Juridische planbeschrijving
34
5.1 5.2
Plansystematiek Bestemmingen
34 34
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
35
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
35 35
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 3
4 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Toelichting
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 5
Hoofdstuk 1
Inleiding
1.1 Aanleiding Aan de Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen is al geruime tijd Machinehandel Jansen B.V. gevestigd. Het bedrijf is gespecialiseerd in de wereldwijde in- en verkoop van nieuwe en gebruikte grondverzet- en wegenbouwmachines. Op de locatie is dan ook een ruim assortiment aan gebruikte en nieuwe machines te vinden. Door de toenemende diversiteit aan machines is de voorraad in de loop der jaren gegroeid en is het bedrijventerrein onvoldoende van omvang gebleken om alles op een veilige manier te kunnen stallen. Daarnaast is er door de vernieuwing van het machinepark is er sprake van steeds nieuwere machines, welke zijn voorzien van de nodige computers, sensoren en elektronica en hierdoor gevoeliger zijn voor vocht. Gelet op bovenstaande situatie en behoefte, is de wens van de initiatiefnemer dan ook om een deel van het perceel kadastraal bekend als gemeente Rucphen, sectie U, nummer 1479 (tevens in eigendom) definitief bij het bedrijfsterrein te betrekken. Daarnaast is het voornemen een goed geïsoleerde bedrijfsruimte te bouwen ten behoeve van de opslag en het verkoopgereed maken van (vochtgevoelige) machines. De gewenste ontwikkelingen zijn niet realiseerbaar binnen de kaders van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, derhalve is voorliggend bestemmingsplan opgesteld waarmee de gewenste ontwikkelingen mogelijk gemaakt kunnen worden.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het bedrijfsterrein van Machinehandel Jansen B.V. is gelegen aan de Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen, direct ten zuiden van de A58, afslag 21. Het plangebied bestaat uit de percelen kadastraal bekend als gemeente Ruchpen, sectie U, nummers 708 en 709 en een gedeelte van het perceel nummer 1479 (kadastrale aanduidingen: RPN00-U-708, RPN00-U-709 en RPN00-U-1479).
Figuur 1.1 Ligging en begrenzing van het plangebied
1.3 Vigerend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020' van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 16 december 2020 vastgesteld door gemeenteraad van Rucphen. De gronden binnen het plangebied zijn bestemd als 'Bedrijf' en ter plaatse van het perceel RPN00-U-1479 als 'Agrarisch met waarden - Natuur'. Ten behoeve van de instandhouding, bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem is een groot deel van het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' (kruisarcering). Het gehele bestemmingsvlak 'Bedrijf'
6 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
is voorzien van een bouwvlak waaraan de volgende aanduidingen en maatvoeringen zijn gebonden: Functieaanduiding: bedrijfswoning; Functieaanduiding: detailhandel volumineus; Functieaanduiding: verkooppunt motorbrandstoffen met lpg; Maatvoering: maximum bebouwd oppervlak: 220 m 2; Maatvoering: maximum bouwhoogte 8 m en maximum goothoogte 4,5 m. Ter hoogte van het plangebied zijn daarnaast de volgende gebiedsaanduidingen van toepassing: geluidzone - luchtvaart 48 dB(A) Lden; luchtvaartverkeerzone - 2; milieuzone - boringsvije zone; milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied; overige zone - waarde archeologie 3; veiligheidszone - lpg; veiligheidszone - luchtvaart; vrijwaringszone - obstakelbeheerzone; vrijwaringszone - weg. In figuur 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingplan weergeven.
Figuur 1.2 Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020'
Toets bestemmingsplan Onderhavig planvoornemen voorziet in de uitbreiding van de bestemming 'Bedrijf' ter plaatse van het als 'Agrarisch met waarden - Natuur' bestemde gebied (binnen het plangebied). Hoewel dit deel van het plangebied in de feitelijke situatie al in gebruik is door het bedrijf, is het uitvoeren van bedrijfsactiviteiten hier conform het vigerend bestemmingsplan niet toegestaan. Met de beoogde bestemmingswijziging wordt de feitelijke situatie daarmee gelegaliseerd. Naast het uitbreiden van het bedrijfsterrein is ook het voornemen om ter plaatse van het plangebied een bedrijfsruimte met een oppervlakte van circa 1.600 m 2 te realiseren. De oppervlakte van de beoogde bedrijfshal overschrijdt daarmee het maximaal toegestane bebouwde oppervlak. Daarnaast is de bedrijfsruimte voor een deel voorzien ter plaatse van het als 'Agrarisch met waarden - Natuur' bestemde perceel (RPN00-U-1479) waar geen bouwmogelijkheden voor het oprichten van een bedrijfshal aanwezig zijn. Het vigerende bestemmingsplan kent geen binnenplanse afwijkings- of wijzigingsmogelijkheden die toereikend genoeg zijn voor onderhavig planvoornemen. Om de realisatie van het planvoornemen mogelijk te maken is daarom besloten om voorliggend bestemmingsplan in procedure te brengen.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 7
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een planbeschrijving gegeven van enerzijds de bestaande situatie en anderzijds de nieuwe situatie. In hoofdstuk 3 worden de beleidskaders van rijk, provincie en gemeente beschreven. De aspecten met betrekking tot het milieu en landschap komen in hoofdstuk 4 aan bod. De juridische planbeschrijving volgt in hoofdstuk 5 en in hoofdstuk 6 komen respectievelijk de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan bod.
8 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
Het voornemen van de initiatiefnemer is om het deel van het perceel RPN00-U-1479 definitief bij het terrein van het bedrijf te betrekken. Het betreffende perceel is in eigendom van de initiatiefnemer en door de groei van het machinepark rond omstreeks 2016 bij het bedrijfsterrein betrokken. C onform het vigerende bestemmingsplan is het uitvoeren van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten hier echter niet toegestaan. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de ter plaatse vigerende bestemming gewijzigd van 'Agrarisch met waarden - Natuur' naar 'Bedrijf', waarmee de bestaande situatie planologisch wordt gelegaliseerd.
Figuur 2.1 Kaartweergave bedrijfsterrein in de beoogde nieuwe situatie
Naast de uitbreiding van het bedrijfsterrein is het voornemen om goed geïsoleerde bedrijfsruimte op het terrein te realiseren ten behoeve van de opslag en het verkoopgereedmaken van (vochtgevoelige) machines. Deze bedrijfsruimte is voorzien op de percelen RPN00-U-709 en RPN00-U-1479 en heeft een omvang van circa 64 x 25 meter met een hoogte van 8 meter en is, vanuit het oogpunt van maatschappelijk verantwoord ondernemen en duurzaamheid, volledig voorzien van zonnepanelen. Voor wat betreft de positionering van de bedrijfsruimte op het terrein is rekening gehouden met de in het vigerende bestemmingsplan opgenomen aanduiding 'vrijwaringszone - weg'.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 9
Figuur 2.2 3D-impressies bedrijfsterrein en bedrijfshal in de beoogde nieuwe situatie
Verkeer en parkeren Machinehandel Jansen B.V. betreft een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf gelegen in het buitengebied van de gemeente Rucphen. Het bedrijfsterrein is in de bestaande situatie volledig verhard en wordt met name gebruikt ten behoeve van de opslag van grondverzet- en wegenbouwmachines. Het bedrijfsterrein fungeert daarmee in feite als een grote parkeerplaats voor deze machines. Voor het parkeren van auto's kan eveneens gebruik worden gemaakt van het bedrijfsterrein. In de bestaande situatie is er geen sprake van een grote parkeerdruk of parkeeroverlast. De uitbreiding van het bedrijfsterrein heeft feitelijk gezien al plaatsgevonden, met voorliggend bestemmingsplan wordt enkel de bestemming ter plaatse omgezet. Als gevolg van de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan zal de parkeerbehoefte van het bedrijf naar verwachting niet toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Het bedrijfsterrein is gelegen direct ten zuiden van de rijksweg A58, ter hoogte van afslag 21. Het merendeel van de verkeersbewegingen vanuit het bedrijf zal vanaf de Rijksweg-Zuid richting het zuiden naar de Rucphenseweg rijden om vervolgens de A58 op te gaan. Als gevolg van de uitbreiding van het bedrijfsterrein zal de verkeersgeneratie van het bedrijf naar verwachting niet onevenredig toenemen.
De uitbreiding van het bedrijfsterrein heeft feitelijk al plaatsgevonden, De verkeersgeneratie als gevolg van de uitvoering van voorliggend bestemmingsplan zal naar verwachting geen belemmering vormen voor de verkeersafwikkeling.
10 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 januari 2024 in werking zal treden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020 en biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan ingespeeld worden op de grote uitdagingen die er zijn. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.
Met de NOVI wordt een proces in gang gezet waarmee de keuzes voor de leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden om te bouwen aan een mooier en sterker Nederland. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten: 1. 2.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel
3. 4.
Sterke en gezonden steden en regio's Toekomstig bestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: C ombinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Beoordeling en conclusie Gezien de aard en omvang van voorliggend initiatief heeft bovengenoemd rijksbeleid niet direct invloed op onderhavige ontwikkeling. De inhoudelijke keuzes en afweging ligt bij de gemeente. Zij zullen daarbij uiteraard de richtlijnen en vier prioriteiten van het Rijk als leidraad gebruiken.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 11
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 22 augustus 2011 vastgesteld en op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen etc.. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Een aantal onderwerpen is geregeld in de bij het Barro behorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro).
Figuur 3.1 Weergave radarverstoringsgebied (Rarro, geconsolideerde versie d.d. 1 december 2020)
Beoordeling en conclusie Zoals te zien is in bovenstaand figuur is het plangebied gelegen binnen een radarverstoringsgebied. In dit gebied dient rekening te worden gehouden met de functionele bruikbaarheid daarvan. Rondom radarstations mogen geen bestemmingen worden opgenomen die het oprichten van bouwwerken mogelijk maken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Binnen het radarverstoringsgebied geldt een maximale bouwhoogte van 90 meter ten opzichte van het NAP. In het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020' is deze maximale bouwhoogte gewaarborgd middels de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone - obstakelbeheerzone'. In het onderhavige plan wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt die deze maat overschrijdt. Voor het projectgebied geldt verder dat er regels zijn opgenomen inzake de uitoefening van het vliegverkeer vanaf luchthaven Breda International Airport. Er dient sprake te zijn van een obstakelvij (start- en landings)vlak. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerszone - 2' mag de bouwhoogte van een bouwwerk niet meer bedragen dan de bouwhoogte die wordt verkregen door lineaire interpolatie van 9,14 m en 54,14 m boven NAP. De beoogde nieuwe bebouwing overschrijdt deze maat niet.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is artikel 3.1.6 toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro); dit artikel bevat de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Met de toevoeging van dit artikel in het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd. Het Bro regelt thans dat 'de verantwoording van een juridisch verbindend ruimtelijk besluit van een decentrale overheid dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving dient te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Tevens is geregeld dat indien het ruimtelijk besluit die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, de verantwoording een motivering dient te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien'.
12 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Bij toepassing van de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' dient antwoord gegeven te worden op een aantal vragen. Indien een vraag positief kan worden beantwoord, dient de 'ladder' verder te worden doorlopen. Indien een vraag niet positief kan worden beantwoord, dan is de 'ladder' niet (verder) van toepassing, dan wel kan niet aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking' worden voldaan. 1. 2. 3. 4. 5.
Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied? Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren?
Beoordeling 1. Voorziet het onderhavige besluit in een stedelijke ontwikkeling? Onderhavige ontwikkeling voorziet in een uitbreiding van een bestaand bedrijfsterrein ter plaatse van een als 'Agrarisch met waarden - Natuur' bestemd perceel en de bouw van een bedrijfsruimte ter grootte van 1.600 m 2. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de bestemming gewijzigd naar 'Bedrijf' en wordt de bouw van een nieuwe bedrijfsruimte mogelijk gemaakt. Zowel de uitbreiding van het bedrijfsterrein als de bouw van de bedrijfsruimte is te omschrijven als een stedelijke ontwikkeling.
2. Voorziet het onderhavige besluit in een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Op basis van jurisprudentie wordt geconcludeerd dat voor ontwikkelingen die voorzien in de uitbreiding van een bedrijfsterrein in beginsel geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als het ruimtebeslag minder dan 500 m 2 bedraagt. In onderhavig planvoornemen bedraagt de uitbreiding van het bedrijfsterrein circa 2.070 m 2, derhalve is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Het ruimtelijk verzorgingsgebied van Machinehandel Jansen B.V. omvat Rucphen en de omgeving. Hoewel het bedrijf ook internationaal actief is komen veel werknemers uit de omgeving en ook veel klandizie komt uit de regio. Het bedrijf is daarmee gebonden aan de locatie. Gezien de aard en omvang van onderhavig planvoornemen is regionale afstemming niet noodzakelijk.
3. Is er sprake van een behoefte aan de voorziene ontwikkeling? Door de uitbreiding van het machinepark is het bestaande bedrijfsterrein van onvoldoende omvang gebleken om alle machines op een veilige wijze te kunnen stallen. Omstreeks 2016 is daarom een deel van het perceel RPN00-U-1479, wat tevens in eigendom is van de initiatiefnemer, in gebruik genomen door het bedrijf. De feitelijke uitbreiding van het bedrijfsterrein heeft derhalve al plaatsgevonden. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de bestemming ter plaatse gewijzigd naar 'Bedrijf' waarmee de bestaande situatie planologisch wordt ingepast. Door de continue vernieuwing van het machinepark beschikt het bedrijf over steeds meer nieuwere machines die zijn uitgerust met de nodige computers, sensoren en elektronica. Deze nieuwere machines zijn hierdoor gevoeliger voor vocht, het langdurig buiten stallen van deze machines kan hierdoor schadelijk zijn. De bouw van een goed geïsoleerde bedrijfsruimte waar de nieuwere machines op een veilige wijze kunnen worden gestald is hierdoor noodzakelijk. Vanuit het oogpunt van maatschappelijk verantwoord ondernemen en duurzaamheid word de bedrijfsruimte volledig voorzien van zonnepanelen. Daarnaast zal er een landschappelijke inpassing van het bedrijfsterrein plaatsvinden door de realisatie van een groenstrook van circa 1.000 m 2 bestaande uit bomenrijen en bosschages.
4. Is de voorziene ontwikkeling gelegen buiten bestaand stedelijk gebied Het plangebied aan de Rijksweg-Zuid 51 is gelegen buiten het bestaand stedelijk gebied.
5. Is het mogelijk om de voorziene ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren? Het bedrijf is al ruim veertig jaar gevestigd op de huidige locatie. Het stallen van het uitgebreide machinepark neemt veel ruimte in beslag, deze benodigde ruimte is niet of zeer beperkt beschikbaar in het bestaand stedelijk gebied. De ligging naast de A58 is daarnaast van belang voor de goede
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 13
bereikbaarheid van het bedrijf voor vrachtverkeer van en naar de locatie. Het bedrijf is daarmee gebonden aan de locatie.
Conclusie Uit de bovenstaande beoordeling wordt geconcludeerd dat onderhavig planvoornemen voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant De nieuwe Omgevingswet (welke naar verwachting 1 januari 2023 in werking zal treden) bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de Provincie Noord-Brabant alvast een provinciale Omgevingsvisie gemaakt welke op 14 december 2018 is vastgesteld. De omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. De basisopgave voor de provincie is: 'werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit'. Hierbij heeft de provincie als doel gesteld voor de middellange termijn, 2030: Brabant heeft een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit doordat wij voor alle aspecten voldoen aan de wettelijke normen. Voor de lange termijn, 2050, wil men een goede leefomgevingskwaliteit hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. Om de basisopgave te behalen heeft men vier hoofdopgaven verwoord: 1.
Werken aan de Brabantse energietransitie; a. Doel 2050: 100% duurzame energie, grotendeels afkomstig uit Noord-Brabant. b. Doel 2030: ten minste 50% reductie van broeikasgassen ten opzichte van de uitstoot in 1990 en ten minste 50% duurzame energie.
2.
Werken aan een klimaatproof Brabant; a. Doel 2050: Brabant is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. b. Doel 2030: Brabant handelt al sinds 2020 klimaatbestendig en waterrobuust; in 2030 zijn de eerste grote gebiedsopgaven daartoe al gerealiseerd. Werken aan de slimme netwerkstad; a. Doel 2050: Het stedelijk netwerk van Brabant functioneert als één samenhangend duurzaam en concurrerend netwerk van steden en dorpen als onderdeel van de Noordwest-Europese metropool. Brabant kenmerkt zich door een sterke sociale cohesie, een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeersen vervoersysteem en een uitstekende (digitale) infrastructuur. b. Doel 2030: Brabantse partijen werken aan de transformatie van het bestaand bebouwd gebied van Brabant. Ondersteund door de digitale ontwikkelingen zijn er belangrijke stappen gezet in de richting van een excellent en duurzaam woon-, leef- en vestigingsklimaat met een comfortabel, betrouwbaar en multimodaal verkeers- en vervoersysteem. Bewoners uit alle geledingen van de bevolking voelen zich verbonden met hun omgeving en met elkaar doordat zij meedenken en meedoen aan de veranderingen in hun omgeving. Werken aan een concurrerende, duurzame economie; a. Doel 2050: Brabant is top kennis- en innovatieregio in Europa.
Producten, materialen en grondstoffen worden op alle onderdelen van de Brabantse economie in verregaande mate hergebruikt. Niet hernieuwbare hulpbronnen worden behouden. Het streven naar waardecreatie voor mens, natuur en economie gaan hand in hand. De Brabantse economie is verregaand circulair. b. Doel 2030: Brabant is top kennis- en innovatieregio in Europa. We werken aan een circulaire economie door duurzamer om te gaan met de beschikbare grondstoffen en natuurlijke bronnen. We verminderen daartoe samen met maatschappelijke partners het gebruik van niet vernieuwbare grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen) volgens de landelijke afspraken met 50%. c. De Omgevingsvisie bevat geen sectorale beleidsdoelen. De concrete doelen, voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit, staan nu nog in de bestaande plannen van de provincie (PMWP, Structuurvisie RO, BRUG, PVVP). Grote delen van
3.
4.
14 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
die beleidsplannen horen vanuit het systeem van de Omgevingswet straks (soms verplicht) thuis in een programma zoals het natuurbeheerplan en het waterprogramma. De komende tijd wordt dit sectorale beleid afgestemd op de Omgevingsvisie en al dan niet uitgewerkt in de programma's en/of omgevingsverordening. Beoordeling en conclusie Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de (planologische) uitbreiding van een bestaand bedrijfsterrein en de mogelijkheid om ter plaatse een nieuwe bedrijfsruimte te realiseren. De voorgenomen ontwikkelingen zijn gewenst om zo de machines van het bedrijf op een veilige wijze te kunnen stallen. Door het bedrijfsterrein landschappelijk in te passen wordt er geen afbreuk gedaan aan de landelijke omgeving en past het voornemen binnen de omgevingsvisie. De gewenste ontwikkeling is passend binnen de provinciale omgevingsvisie en doet niet af aan de waarden die de omgevingsvisie beoogd te beschermen.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (IOV) Alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving, staan voortaan bij elkaar in de Interim Omgevingsverordening (IOV). Deze Omgevingsverordening is vastgesteld op 25 oktober 2019. De Interim Omgevingsverordening vervangt diverse provinciale verordening, waaronder de verordening Ruimte. De Interim Omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter en vooral is bedoeld om bestaande regelingen samen te voegen, heeft er ook (nog) geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald thema gecontinueerd moet worden. Uitgangspunt van deze Interim Omgevingsverordening is dat de huidige regels met het huidige beschermingsniveau zijn gehandhaafd.
Figuur 3.2 Uitsnede Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (geconsolideerde versie 15 april 2022)
Beoordeling Onderhavig planvoornemen voorziet in een uitbreiding van een bestaande niet-agrarische functie in het Landelijk gebied.
Artikel 3.71 Bestaande niet-agrarische functie in Landelijk gebied Op basis van artikel 3.71 onder c. van het IOV kan een bestemmingsplan voorzien in een redelijke uitbreiding, als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. 2.
een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 15
mobiliteit,
3.
hoe de uitbreiding bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in Landelijk gebied.
De beoogde uitbreiding van het bestaande bedrijfsterrein en de bouw van een nieuwe bedrijfshal betreft een ontwikkeling van relatief kleine aard en omvang. De effecten op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied zijn toegelicht in hoofdstuk 4 van voorliggend bestemmingsplan. Het slopen van overtollig en leegstaand vastgoed in het landelijk gebied is niet van toepassing in onderhavig plan. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld welke middels een voorwaardelijke verplichting in de planregels is geborgd.
Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering landschap Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt in landelijk gebied bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. In de toelichting van het bestemmingsplan dient gemotiveerd te worden dat de verbetering past binnen de gewenste ontwikkeling van het gebied én op welke wijze de uitvoering is geborgd door dat: a. b.
dit financieel, juridisch en feitelijk is geborgd in het plan; of de afspraken uit het regionaal overleg worden nagekomen.
Een verbetering van de landschappelijke kwaliteit kan de volgende aspecten omvatten: a.
c.
de landschappelijke inpassing van bebouwing, voor zover expliciet vereist op grond van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant; het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; het behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen;
d. e. f. g.
het wegnemen van verharding; het slopen van bebouwing; de realisering van Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden;
b.
De uitvoering van kwaliteitsverbetering van het landschap heeft regio West-Brabant in 2014 vastgelegd in het 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant'. Deze notitie geeft aan hoe de gemeenten in de regio West-Brabant toepassing geeft aan artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening. Het afsprakenkader biedt duidelijkheid voor het grootste gedeelte van de buitenstedelijke ruimtelijke ontwikkelingen. In het afsprakenkader is opgenomen of en welke vorm van kwaliteitsverbetering van toepassing is bij ontwikkelingen, aan de hand van een drietal categorieën: C ategorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. C ategorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief. C ategorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst.
1
of
2
behoren.
De
Onderhavig projectgebied is gelegen in het landelijk gebied 'Verstedelijking afweegbaar'. C onform het afsprakenkader geldt voor stedelijke uitbreiding in zoekgebieden voor stedelijke ontwikkeling een minimale investering in kwaliteitsverbetering van 1% van de totale waardevermeerdering van de grond. Dit bedrag zal worden geïnvesteerd in de landschappelijke inpassing van het plangebied. De uitvoering van de landschappelijke inpassing is middels een voorwaardelijke verplichting verankerd in de planregels van dit bestemmingsplan. Derhalve wordt voldaan aan artikel 3.9 van de Interim
16 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Omgevingsverordening.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Rucphen De gemeente Rucphen heeft op 2 november 2022 de "Omgevingsvisie Rucphen" vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente. Voor het toekomstbeeld van de gemeente Rucphen in 2040 zijn in de omgevingsvisie drie ambities geformuleerd waaraan verschillende doelstellingen zijn gekoppeld: 1.
Duurzaam samenleven: a. Aanpassen van de omgeving aan de veranderende weersomstandigheden; b. Vervangen van fossiele brandstoffen door alternatieve energiebronnen; c. Verminderen van de afvalproductie en verbetering van afvalscheiding; d. Een gezonde en veilige leefomgeving stimuleren
2.
Ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding: a. Het ontwikkelen van een gunstig ondernemersklimaat door ondernemers te faciliteren; b. Een omgeving die mensen uitnodigt om naar buiten te gaan en te bewegen; c. Door samenwerking worden de recreatieve mogelijkheden beter benut en uitgedragen;
3.
Prettig samenleven: a. Versterken van een aantrekkelijke woonomgeving; b. Een aantrekkelijke gemeente voor jonge mensen zijn; c. De groeiende groep oudere mensen voelt zich thuis in de gemeente; d. Woningvoorraad flexibeler maken om sneller te reageren woningbehoefte.
op
een
veranderende
Economische ontwikkeling is op strategisch niveau neergelegd bij de regio West-Brabant. Deze samenwerking is bedoeld om positionering van de regio, coördinatie en belangenbehartiging samen op te pakken en meer voor elkaar te krijgen. Binnen de gemeente Rucphen is de Nijverhei het centrale bedrijventerrein. De gemeente streeft ernaar om het bedrijventerrein zo intensief mogelijk te benutten. Het bedrijventerrein word daarom aan de oostkant met 2,4 hectare uitgebreid om zo ondernemers de ruimte te bieden om te werken aan de continuïteit van hun bedrijf. Binnen de gemeente Rucphen is het vestigen van nieuwe bedrijven buiten het bedrijventerrein niet mogelijk, tenzij het gaat om bedrijvigheid die niet passend is op een bedrijventerrein. Bij uitbreiding van bestaande overige bedrijven heeft verplaatsing naar de Nijverhei de nadrukkelijke voorkeur vanuit de gemeente. De gemeente werkt uitsluitend mee als een nieuwe ontwikkeling past binnen het landschap.
Beoordeling en conclusie Middels voorliggend bestemmingsplan wordt het deel van perceel RPN00-U-1479 definitief bij het bedrijfsterrein van Machinehandel Jansen B.V. betrokken en wordt tevens de bouw van een nieuwe bedrijfsruimte mogelijk gemaakt. Een verplaatsing van het bedrijf naar het bedrijventerrein de Nijverhei is niet wenselijk. Machinehandel Jansen B.V. is al meer dan veertig jaar gevestigd op de huidige locatie. De feitelijke uitbreiding van het bedrijfsterrein heeft daarnaast al reeds plaatsgevonden, van verdere uitbreiding van het bedrijfsterrein is geen sprake. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen zal het bedrijfsterrein landschappelijk worden ingepast. Hiervoor is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, welke middels een voorwaardelijke verplichting is geborgd in de planregels van voorliggend bestemmingsplan.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 17
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
4.1 Bodem De bodemkwaliteit is in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van belang indien er sprake is van functieveranderingen en/of een ander gebruik van de gronden. De bodem moet geschikt zijn voor de functie. Mocht er een verontreiniging te verwachten zijn dan wel mocht deze feitelijk aanwezig zijn, dan dient voor vaststelling van een plan en/of het nemen van het besluit inzichtelijk gemaakt te worden of de bodemverontreiniging de voorgenomen functie- en/of bestemmingswijziging in het kader van gezondheid en/of financieel gezien in de weg staat. Hierbij dient inzichtelijk gemaakt te worden of sprake is van een te verwachten of feitelijke verontreiniging. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie en op basis hiervan na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering kan opleveren voor het voorgenomen initiatief. De volledige rapportage is als Bijlage 1 toegevoegd aan voorliggend bestemmingsplan. Hieronder volgen de conclusies uit het onderzoek.
Verkennend bodemonderzoek Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Tijdens de terreininspectie zijn op het maaiveld, bestaande uit klinkers, diverse olievlekken/oliesporen waargenomen. De olievlekken/oliesporen zijn hoogstwaarschijnlijk afkomstig van de landbouwmachines/werktuigen welke op de onderzoekslocatie opgeslagen staan. Tijdens uitvoering van het veldwerk zijn er geen olievlekken/ oliesporen onder de klinkers waargenomen. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, zwak grindig, matig fijn tot matig grof zand. De bodem is bovendien zwak humeus. Zintuiglijk blijkt de bovengrond plaatselijk zwak tot matig baksteenhoudend en plaatselijk (boring 04, traject: 0,07-0,4 m -mv) zwak koolashoudend. Analytisch is de zwak baksteen- en koolashoudende bovengrond (boring 04) licht verontreinigd met lood. De zintuiglijk baksteenhoudende en zintuiglijk schone bovengrond zijn licht verontreinigd met minerale olie. De zintuiglijk schone ondergrond is niet verontreinigd. In het grondwater zijn geen verontreinigingen geconstateerd.
Conclusie en advies De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van de verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.
Asbest Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn plaatselijk zwak tot matig baksteenhoudende bijmengingen aangetroffen (eenduidig materiaal). C onform bijlage A van de NEN 5725 is baksteen niet verdacht op het voorkomen van asbesthoudend materiaal. Derhalve zijn er op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten.
Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het "Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie" of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Conclusie Op basis van het verkennend bodemonderzoek kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse
18 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
van het plangebied geen aanleiding geeft tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.2 Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald, dat bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, of het verlenen van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan voor het realiseren van nieuwe geluidgevoelige bebouwing binnen geluidzones van (spoor)wegen, middels een akoestisch onderzoek dient te worden aangetoond of ter plaatse de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient namelijk te worden voorkomen.
Beoordeling en conclusie Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van een bestaand bedrijfsterrein en de mogelijkheid voor het bouwen van een bedrijfshal. Er worden derhalve geen nieuwe geluidsgevoelige functies en/of objecten mogelijk gemaakt binnen het plangebied, een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is derhalve niet van toepassing. Ten aanzien van de ruimtelijke procedure van het voorliggende bestemmingsplan bestaan geen belemmeringen met betrekking tot het aspect wegverkeerslawaai.
4.3 Water Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water een sturende factor in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit en verdroging te voorkomen. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen dan ook verplicht.
4.3.1 Watertoets In het kader van de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied is een watertoets uitgevoerd. Hierin wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. De volledige rapportage van de watertoets is aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 2. Hieronder volgen de meest relevante aspecten en conclusies uit de watertoets.
Beleid Waterschap Brabantse Delta Waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP5) 'Water als basis voor een toekomstbestendige leefomgeving'. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. Met het Waterbeheerprogramma 2022-2027 start Brabantse Delta met de 'watertransitie'; op weg naar een toekomstbestendige waterhuishouding. Uiterlijk dient in 2050 de waterhuishouding in het hele beheergebied toekomstbestendig te zijn. Dit betekent een waterhuishouding die in een goede waterkwaliteit voorziet. En een waterhuishouding die robuust, wendbaar en in balans is met de omgeving. Zowel in het bebouwde als het landelijke gebied en van de beekdalen tot en met de hoge zandruggen. Het grond- en oppervlaktewatersysteem kan de grotere weersextremen opvangen door maximaal gebruik te maken van de dempende sponswerking van de bodem/ondergrond en de natuurlijke hoogteverschillen voor het vasthouden van water. Het waterschap hanteert daarbij drie principes die inhoudelijke sturing geven aan de watertransitie: Elke druppel vasthouden en infiltreren waar deze valt;
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 19
Functies passen zich aan het bodem- en watersysteem aan; Wat schoon is moet schoon blijven. Hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO) Bouw of uitbreiding van woningen, bedrijven of wegen veroorzaken vaak een groei in het verharden van dak en erf. Regenwater dat op stenen of wegen valt, stroomt meestal snel via een riool of een sloot weg. Hoe meer (tuinen van) steen, hoe meer regenwater weg stroomt. Bij hevige buien kan hierdoor wateroverlast ontstaan. Bijvoorbeeld water vanuit het riool op straat, omdat deze het regenwater niet aan kan. Of overstroming van een sloot of beek. Dat geeft dan weer risico’s voor de gezondheid en kan zorgen voor bijvoorbeeld schade in- en rondom huizen. Maar ook in droge perioden zorgt al dat afvoeren voor problemen. Het regenwater krijgt niet meer de tijd om weg te zakken in de bodem en het grondwater aan te vullen. In droge zomers hebben landbouw en natuur dan water te weinig. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen (HNO), waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Voorkomen moet worden dat regenwater snel verdwijnt in het riool of in de sloot. Het waterschap gebruikt daarvoor de voorkeursvolgorde voor (schoon) regenwater: 1. 2. 3. 4. 5.
Opnieuw gebruiken; Vasthouden / in laten trekken in de grond; Water bergen; Afvoeren naar sloten of rivieren; Afvoeren naar een riool.
Keur De keur is een verzameling regels die het waterschap gebruikt om dammen, dijken, sloten, beken, rivieren, gemalen en stuwen te beschermen. Bij werkzaamheden in, met of rondom het water is wet- en regelgeving uit de keur van toepassing. In de keur van het waterschap is opgenomen dat het is in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen (Artikel 3.6 'Verbod afvoer door verhard oppervlak'). De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel 'Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Het verbod uit artikel 3.6 van de keur is van toepassing tenzij: Het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m 2 is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak. De toename van het verhard oppervlak tussen 500 m 2 en 10.000 m 2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel.
Benodigde retentiecapaciteit (in m 3) = toename verhard oppervlak (in m 2) x gevoeligheidsfactor x 0,06.
Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: De bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; Afvoer mag niet meer bedragen dan 2/l/s/ha; De afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen. Bij ontwikkelingen waarbij de toename van het verhard oppervlak 500 m 2 of groter is, wordt vanuit het waterschap retentie geëist. Voor plannen groter dan 10.000 m 2 geldt Beleidsregel 13 'Afvoer door toename en afkoppelen van verhard oppervlak'. Op basis van deze beleidsregel zijn plannen met een omvang van meer dan 10.000 m 2 vergunningsplichtig en dient een waterhuishoudkundigplan te worden
20 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
opgesteld conform de onderwerpen zoals genoemd in paragraaf 4.6 van de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen.
Gemeente Rucphen Het (hemel)waterbeleid van de gemeente Rucphen is vastgelegd in het verbreed gemeentelijk rioleringsplan (vGRP). De Rucphense gemeenteraad heeft op 13 december 2017 het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 (vGRP) vastgesteld. Gemeente Rucphen maakt daarnaast onderdeel uit van waterkring 'De baronie en het Samenwerkingsverband Water West-Brabant' (SWWB). De gemeente Rucphen streeft naar een verbeterde duurzaamheid en een vermindering van de wateroverlast door waterneutraal te bouwen. Bij nieuwbouwplannen dient het hemelwater gescheiden ingezameld te worden en mag niet meer worden aangesloten op het riool. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan, dan pas afvoeren.
Projecteffecten Verhard oppervlak Het plangebied is volledig in gebruik als opslagterrein voor grondverzet- en wegenbouwmachines, en daardoor voorzien van een klinkerverharding. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt de huidige verharding verwijderd en voorzien van een bedrijfshal van 1.600 m 2. Kortom de verhardingssituatie blijft ongewijzigd.
Waterbergingsopgave Het plangebied is in de huidige situatie volledig verhard. In de nieuwe situatie is daardoor geen sprake van een toename in het verhard oppervlak met meer dan 500 m 2. C onform het beleid van waterschap Brabantse Delta en de gemeente Rucphen is ten aanzien van de ontwikkeling geen compenserende berging benodigd. Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en binnen de projectlocatie verwerkt zoals in de huidige situatie het geval is. Binnen het planvoornemen vormt het klimaat adaptief ontwikkelen het uitgangspunt. Er wordt gekeken naar reële mogelijkheden om het afstromend hemelwater (gedeeltelijk) op locatie vast te houden en te infiltreren.
Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Riolering Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden.
Conclusie Vanuit het oogpunt van de waterhuishouding worden er geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure van het plan.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 21
4.4 Flora en fauna Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten de voorgenomen ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna.
Natura 2000-gebieden Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) / Natuurnetwerk Brabant (NNB) Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Ook alle grote wateren en de gehele Noordzee behoren tot het NNN. Voor deze gebieden is het Rijk verantwoordelijk. De provincies zijn verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land. Het Natuurnetwerk Brabant maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland.
4.4.1 Ecologische quickscan Om inzicht te krijgen in de aanwezige ecologische waarden is een ecologische quickscan opgesteld. De volledige rapportage van het onderzoek is als Bijlage 3 toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Hieronder worden enkel de conclusies weergegeven.
Gebiedsbescherming In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. Hieronder wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
Natura 2000 De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, 'De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld', bevindt zich op circa 13 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de bouw op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator). In paragraaf 4.5 van voorliggend bestemmingsplan worden de stikstofeffecten van de planvoornemens nader verantwoord.
Natuurnetwerk Nederland De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het betreft de natuurbeheertype droog bos met productie. Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het
22 id 51 te Rucphen
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zu
Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de aard van de voorgenomen ingreep zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
Soortenbescherming Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. Hieronder wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen
Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen beginnen, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien de bouwwerkzaamheden binnen het broedseizoen beginnen, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn.
Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Gelet op het bosschage en de bomenrij in de directe omgeving van de onderzoekslocatie, zijn bij de bouwwerkzaamheden, overtredingen van de Wet natuurbescherming te vermijden als mogelijke vliegroutes functioneel behouden blijven. Hierdoor wordt geadviseerd geen additionele (bouw) verlichting toe te passen richting bovengenoemde elementen. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, dient een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake kundige te worden opgesteld, waar maatregelen in worden vastgelegd om verstoring door verlichting te voorkomen.
Overige zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren die gedurende de
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Rijksweg-Zuid 51 te Rucphen 23
werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen.
Overige soort(groep)en Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Conclusie Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming is er geen aanvullend ecologisch onderzoek benodigd voor de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door de start van de bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen (lopend globaal van maart tot half augustus) uit te voeren. Indien de bouwwerkzaamheden binnen het broedseizoen gestart dienen te worden, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht voor algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden zijn bezwaren mogelijk als gevolg van een toename in stikstofdepositie. Dit kan onderzocht worden middels een modelberekening (AERIUS-calculator). Indien nodig, moet een vergunning worden aangevraagd voor de bouw en de daarbij behoorde stikstofdepositie.
Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie.
4.5 Stikstofdepositie Op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen uit te voeren die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De juridische basis voor de Wet natuurbescherming zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. Per gebied zijn voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelen bepaald. Het grootste gedeelte van de Nederlandse natuurgebieden heeft te lijden onder verzuring, vermesting en verdroging. Hierdoor gaan kwetsbare en vaak bijzondere planten- en diersoorten achteruit en maken plaats voor meer algemene soorten. Een teveel aan stikstof, in de vorm van stikstofoxiden en ammoniak, is hier voor een groot deel debet aan. Voor wat betreft stikstofdepositie dient voor nieuwe of gewijzigde plannen onderzocht te worden of er sprake kan zijn van een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Met behulp van een rekenprogramma (AERIUS C alculator) moet worden bepaald of een plan een bijdrage (>0,00 mol/ha/jaar) aan stikstofdepositie veroorzaakt ter plaatse van Natura 2000-gebieden.
Indien een bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend, kan worden gesteld dat er geen sprake is van een bijdrage en daarmee het initiatief niet tot significante negatieve effecten kan leiden.
Beoordeling Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied waar stikstofgevoelige habitattypen aanwezig zijn betreft 'De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld', gelegen op circa 13 kilometer afstand ten zuiden van het plangebied. Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd van zowel de aanlegfase als de toekomstige gebruiksfase. De volledige berekeningen en bijbehorende rapportage is aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd als Bijlage 4. Hieronder volgt een korte samenvatting met de belangrijkste resultaten en conclusies.