07b Kadernota 2026
Tekst van het document
Op basis van dit plan is voor de uitvoering in de jaren 2024 t/m 2027 een bedrag opgenomen in dit investeringsprogramma van € 35.000,00 en voor de jaren 2028 t/m 2033 € 25.000,00. Uitgaande van een periode van 10 jaar willen we de vervanging gefaseerd gaan uitvoeren en de continuïteit van werkzaamheden zo min mogelijk verstoren. De volgende inventarisatie zal in 2031 plaats vinden. Openbare Verlichting (OV): lichtmasten € 39.881,00 en armaturen € 100.490,00 Bedragen zijn gebaseerd op het beleidsplan Openbare Verlichting 2023-2027 (vastgesteld in de raadsvergadering van 8 maart 2023) en worden ingezet ter verbetering van de openbare verlichting. Levensduurverlengend onderhoud Wegen € 250.000,00 Op grond van het BBV mogen de kosten van levensduurverlengend onderhoud van investeringen met maatschappelijk nut niet ten laste komen van de exploitatie maar dienen deze te worden geactiveerd. Maatregelen t.b.v. verkeer en fysieke infrastructuur € 50.000,00 Dit krediet dient voor maatregelen dan wel kleinschalige aanpassingen t.b.v. de fysieke infrastructuur en verkeersveiligheid (wegen, riolering, openbare verlichting, groen, verkeer en dergelijke). Deze aanpassingen kunnen zowel op eigen initiatief als op verzoek van burgers en instellingen worden uitgevoerd. Integrale projecten Om diverse reden is het noodzakelijk om aanpassingen te doen aan de openbare ruimte.
Dit kan zijn vanuit beheer, omdat straten of riolen vervangen moeten worden, door gewijzigd beleid zoals het bomen- en groenstructuurplan of ontwikkelingen zoals aanleg van de omleidingsweg Rucphen – Sint Willebrord – Sprundel en nieuwbouwprojecten of gewijzigde inzichten/ wetgeving, bijvoorbeeld ten aanzien van klimaat. Voor deze aanpassingen zijn investeringen nodig. Door een integrale benadering kunnen de juiste prioriteiten worden gelegd. Door werk met werk te maken kunnen kosten worden bespaard en is er minder overlast voor de burgers en het verkeer. Deze nieuwe benadering heeft geleid tot onderstaande planning van projecten welke integraal zullen worden opgepakt. Deze planning dient als basis voor het investeringsprogramma verkeer vervoer en waterstaat.
25
Planning
Integrale aanpak • Binnen de projecten wordt de volledige openbare ruimte integraal aangepakt dit betekent dat: • waar nodig het riool wordt vervangen; • in het kader van klimaatadaptatie wordt regenwater afgekoppeld en opgevangen in een infiltratieriool; • en waar mogelijk worden wadi’s aangelegd; • groot onderhoud aan de weg wordt gepleegd wat betekent dat het volledige profiel opnieuw wordt bestraat of de straat wordt gereconstrueerd waarbij de verharding, het meubilair en de openbare verlichting wordt vervangen. Voornaamste wijzigingen t.o.v. begroting 2025 • Reconstructie Vorenseindseweg, van 2030 naar 2029. • Reconstructie Raadhuisstraat, van 2028 naar 2027 (vooruitlopend op IHP Rucphen, locatie Munnikenheide College). • Reconstructie Sprundelseweg en maatregelen Nijverhei, wordt in afstemming en samenhang met de uitwerking van de onderwijshuisvesting opgepakt en ingepland. Voorbereiding en uitvoering zijn indicatief en voorlopig in respectievelijk 2027 en 2028 opgenomen. • Opwaarderen Pierestraat, geraamd en opgenomen in de planning voor 2026. • Opwaarderen Hoefstraat Zegge, geraamd en opgenomen in de planning voor 2027. • Groenrenovatie Gagelrijzen, uitgesteld van 2026 naar 2027. • Groenrenovatie Zwartenburg, uitgesteld van 2026 naar 2027. • Hemelwatervoorziening De Gagelrijzen (voorheen Zwartenburg) , uitgesteld van 2026 naar 2028.
• Rucphen oost fase 1, uitgesteld van 2027 naar 2028. • Rucphen oost fase 2, uitgesteld van 2028 naar 2029. • Rucphen oost fase 3, uitgesteld van 2029 naar 2030 Daarnaast zijn de tarieven voor wegen, openbare verlichting en groen herzien op basis van de nacalculatie van de reconstructie van de Sint Martinusstraat in Rucphen en is de indexering van de tarieven geactualiseerd op basis van de door het CBS afgegeven actuele prijsindex voor de grond weg en waterbouw (3 maart 2025).
26
Investeringen uitvoeringsplan nota buitensport De genoemde werkzaamheden (inclusief de bijhorende bedragen) in 2026 zijn afgestemd met de verenigingen. De uitkomsten van de definitieve onderzoeksrapportages kan voor verschuivingen in prioritering zorgen. Algemeen – uitvoeren diverse onderzoeken In 2025 worden voor het, bij het Beleidsplan buitensport horende, uitvoeringsplan alle benodigde werkzaamheden en de bijhorende kosten in beeld gebracht. De werkzaamheden dienen jaarlijks geactualiseerd (en geïndexeerd) te worden. De actualisatie dient door gespecialiseerde bureaus te worden uitgevoerd.
R.K.S.V. Rood – Wit Renovatie D-veld In 2020 en 2021 zijn bij alle voetbalverenigingen de velden gerenoveerd en voorzien van verlichting. Hiermee voldoen de velden aan de vereisten zoals gesteld door de KNVB (NOC*NSF) en is er sprake van een gelijkwaardig basisniveau. Bij R.K.S.V. Rood – Wit zijn het D- en E-veld toen niet gerenoveerd. In 2025 is de vereniging een samenwerking aangegaan met IM Sports. Om gebruik te kunnen maken van de faciliteiten van IM Sports dient men lid te worden van de voetbalvereniging. Op basis van de onderbouwing gaat men ervanuit dat de komende vier jaar er minimaal 70 leden bij komen. Dit staat los van de reguliere aanwas bij de voetbalvereniging. Op basis van het ledenaantal komen het D- en E-veld onder de basissportvoorzieningen te vallen. Ten behoeve van deze ontwikkeling is vorig jaar (2025) het E-veld gerenoveerd. Met de renovatie van het D-veld sluit alle velden op het sportpark aan bij de uitgangspunten van het Beleidsplan buitensport en het eerder genoemde gelijkwaardig basisniveau. Renovatie was- en kleedaccommodatie (C - locatie) In tegenstelling tot de was- en kleedaccommodaties bij de andere sportverenigingen zijn de basissport accommodaties bij R.K.S.V. Rood – Wit niet gekoppeld aan de plusvoorzieningen. De uitzondering hierop is de tribune waaronder een was- en kleedaccommodatie (A – locatie) opgenomen is.
In tegenstelling tot de meeste andere buitensportverenigingen is het hierdoor niet noodzakelijk om de werkzaamheden aan de basis-en plus voorzieningen gelijktijdig uit te voeren.
27
Door een bouwkundig adviesbureau zijn de kosten in beeld gebracht om de voorzieningen te laten aansluiten bij het Beleidsplan buitensport. Op basis van de technische staat van de gebouwen wordt geadviseerd te starten met de C-locatie. Ook de vereniging heeft deze voorkeur. De B -locatie is recent door de vereniging zelf deels gerenoveerd. Door de verwevenheid van de A – locatie met de tribune dient bij het renoveren hiervan gezamenlijk opgetrokken te worden. De vereniging wenst de renovatie van de A-locatie naar achter in de tijd te plaatsen. Technisch gezien is dit ook mogelijk. H.V. Orion/ H.C. Mistral Tijdens de schouw van het gezamenlijke gebouw gezamenlijke gebouw van H.V. Orion en H.C. Mistral is vastgesteld dat het dak van het gebouw in zeer slechte staat verkeerd en aan vervanging toe is. Het dak boven de was- en kleedaccommodatie betreft een basissportvoorziening en komt daarom voor onze rekening. In 2025 zijn hiervoor reeds tijdelijke maatregelen getroffen, maar een structurele oplossing is noodzakelijk. Op basis van het rapport van een bouwkundig adviesbureau zijn de bijhorende werkzaamheden en kosten in beeld gebracht. Vanwege de urgentie zijn deze werkzaamheden aan het dak naar voren gehaald in de tijd. T.P.V. De Bocht We hebben een verzoek ontvangen van T.P.V. De Bocht voor de realisatie van 2 extra padelbanen.
Op basis van de bij het verzoek gesloten berekening wordt aangetoond dat de vereniging, op basis van de uitgangspunten van de KNLTB en het Beleidsplan buitensport, recht heeft op de gewenste banen. Bij de vaststelling van het Beleidsplan buitensport is aangegeven om dergelijke verzoeken niet meer als separaat raadsvoorstel in te dienen maar op te nemen in de Kadernota van het betreffende jaar zodat uw raad een integrale afweging kan maken. AVR’90 Bij de periodieke keuring van de atletiekbaan door de Atletiek Unie (NOC*NSF) in september (2025) wordt de hoogspringmat niet meer goedgekeurd. Vanaf 2027 voldoet de hoogspringmat niet meer aan de gestelde afmetingseisen. Er kunnen dan geen hoogspringwedstrijden meer gehouden worden. De mat dient, inclusief de behuizing, vervangen te worden. Investeringen en planning nota buitensport in relatie tot afweging nieuwe woningbouwlocaties Omgevingsvisie 2.0 In de ontwerp Omgevingsvisie 2.0 is opgenomen dat bij de afweging voor nieuwe woningbouwlocaties ook naar sportparken zal worden gekeken. Hierbij zal de afweging worden gemaakt of er in de huidige situatie sprake is van een duurzame, toekomstbestendige locatie, of dat er kansen liggen om (eventueel gecombineerd) met woningbouw naar alternatieve locaties te kijken.
Deze mogelijke verkenning is vooraf echter niet met de verenigingen die gebruik maken van de sportparken afgestemd en is om die reden nog voor de ter inzagelegging van de ontwerp Omgevingsvisie 2.0 met de verenigingen gecommuniceerd. De betreffende sportparken maken overigens geen onderdeel uit van de gronden die nodig zijn om de doelstelling van minimaal 700 woningen tot 2040 uit het ontwerp volkshuisvestingprogramma te kunnen realiseren. De planning van het uitvoeringsplan nota buitensport is zorgvuldig opgebouwd in nauwe samenspraak met de betreffende verenigingen, de staat van onderhoud van de basissportvoorzieningen en conform de uitgangspunten van het beleidsplan. Voor de komende drie jaar staan er enkele noodzakelijke investeringen op de planning bij R.K.S.V. Rood-Wit en S.V. Sprundel. Uit de gesprekken met de vertegenwoordigers van R.K.S.V. Rood-Wit en S.V. Sprundel is o.a. gebleken dat zij een duurzame toekomst zien op hun huidige locatie en er daarnaast nog ruimte is voor groei in aantal leden. De sportparken waar deze verenigingen gebruik van maken kunnen gezien hun ligging en omvang echter ook aangemerkt worden als toekomstige potentiële woningbouwlocatie zoals is opgenomen in de ontwerp Omgevingsvisie 2.0. Gezien de omvang van de noodzakelijke investeringen die de komende drie jaar bij R.K.S.V. Rood-Wit en S.V.
Sprundel aan de orde zijn, zullen er om die reden verdiepende gesprekken met deze verenigingen worden gevoerd om de mogelijkheid uit de Omgevingsvisie 2.0 nader te bespreken. Mocht dit leiden tot concrete onderlinge afspraken voor de toekomst, dan kan dit mogelijk ook een wijziging van de planning van het uitvoeringsplan of enkele investeringen inhouden. In de begroting 2026 komen we hier bij uw raad op terug.
28
Vervangen hekwerken sportparken De hekwerken rondom de sportparken zijn afgeschreven en voldoen op veel locaties niet meer aan het vereiste van een afgesloten en daarmee veilig sportpark. Met minimale middelen worden beschadigingen verholpen. Dit betreffen geen structurele oplossingen. De hekwerken rondom de sportparken zijn geen onderdeel van het Beleidsplan buitensport. Ze zijn echter wel onlosmakelijk verbonden met de werkzaamheden zoals opgenomen in het uitvoeringsplan en dienen dan ook tegelijk met de looptijd van het uitvoeringsplan te worden uitgevoerd. Bij S.V. Sprundel en R.K.V.V. Schijf zijn de hekwerken beschadigd waardoor er oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de voetbalvelden op het sportpark. De hekwerken dienen dan ook in 2026 vervangen te worden. Vervanging tractor € 150.000,00 De vervanging van de tractor van de servicedienst is gepland in 2026. Zoals gebruikelijk wordt voorafgaand aan het jaar van investering de hoogte van het te investeren bedrag getoetst aan de actuele prijzen. Renovatie openbaar groen € 130.000,00 Begin 2022 is het groenbeleidsplan Groen R vastgesteld. Dit plan dient als basis om tijdens de behandeling van het investeringsplan aan te geven welke renovaties de komende jaren zijn gepland. We werken hierbij zoveel mogelijk integraal in een buurt- of wijkgerichte aanpak met de disciplines water en wegen.
Hierdoor is het mogelijk duidelijk te communiceren richting bewoners wanneer het groen in hun wijk wordt aangepakt. Voor de groenrenovaties worden omwonenden uitgenodigd mee te denken en hun wensen kenbaar te maken. Uitgangspunt is een jaarlijks gemiddeld te besteden bedrag van € 130.000,00. Uitbreiden, vernieuwen, onderhouden speel- en beweegplekken € 30.000,00 Voldoende en goede speel- en beweegplekken in de openbare ruimte dragen bij aan de gezondheid van onze inwoners. De speel- en beweegplekken worden waar nodig uitgebreid of vernieuwd zodat ze beter aansluiten bij de demografische samenstelling van de omgeving. Om te blijven voldoen aan de wet- en regelgeving en de instandhouding van de bestaande speel- en beweegplekken te waarborgen, is het daarnaast noodzakelijk dat de bestaande speel- en beweegplekken worden onderhouden. Jaarlijks wordt voor dit alles een bedrag € 30.000,00 beschikbaar gesteld. Gemeentelijk Rioleringsprogramma (GRP) Uw raad heeft op 15 juni 2022 het Gemeentelijk Rioleringsprogramma 2023-2026 vastgesteld. Conform dit GRP wordt ingezet op klimaatmaatregelen om schade en overlast ten gevolge van wateroverlast zo veel mogelijk te beperken. Rioolbeheer wordt risicogestuurd uitgevoerd.
Integraal werken is hierbij het uitgangspunt, omdat gecombineerde uitvoering van riool-, weg- en groenbeheer kosteneffectief is en minder overlast geeft voor verkeer en burger. De regionale samenwerking in water- en klimaatkring De Baronie en SWWB-verband wordt voortgezet en er wordt ingezet op participatie van inwoners. In de Programmabegroting 2024 is aangegeven dat jaarlijks bij de kadernota bekeken zal worden in hoeverre de indexering nog aansluit bij de CBS gegevens. Op basis van de meest recente CBS gegevens zijn de investeringen met betrekking tot riolering in 2025 ten opzichte van de opgenomen investeringen 2025 uit de Programmabegroting 2024 aanvullend geïndexeerd met 3,65%. Het toepassen van deze indexeringscorrectie is ook van toepassing op de jaren daarna. Ontwikkelbudget grondbedrijf € 75.000,00 Vanwege de keuze voor het “situationeel grondbeleid” kan ook de gemeente initiatiefnemer zijn. Om projecten te kunnen starten en op haalbaarheid te onderzoeken is een ontwikkelbudget gewenst. Uit dit budget worden haalbaarheidsonderzoeken (zoals stedenbouwkundige verkenningen en taxaties), maar ook voorbereidingskosten voor een bestemmingsplan bekostigd.
29
5.
Financiële ontwikkelingen
5.1. Inleiding In deze kadernota wordt een aantal beleids- en andere ontwikkelingen gepresenteerd. Een absolute randvoorwaarde voor het realiseren van deze plannen is een goed zicht op de beschikbare middelen te hebben en te houden. Deze kadernota geeft op basis van de huidige inzichten en beschikbare informatie een indruk van de meerjarige financiële positie. Uiteraard geldt daarbij dat de meerjarenraming naarmate het jaar van raming verder in de toekomst ligt, steeds meer onzekerheden bevat. Zo kan de Septembercirculaire het perspectief nog wijzigen.
5.2. Opbouw financiële positie In het vervolg van dit hoofdstuk wordt de financiële positie van onze gemeente concreet in beeld gebracht. De mutaties ten opzichte van de reeds bestaande ramingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Indien sprake is van hogere lasten of lagere baten (negatieve effecten voor de exploitatie) zijn de bedragen met een minteken (-) vermeld. Hierbij wordt het volgende opbouw gevolgd: A. Uitgangspositie bepalen: Primitieve begroting (paragraaf 5.3.1) Vaststelling programmabegroting 2025 – 2028 (paragraaf 5.3.2) Raadsbesluiten met gevolgen voor financiële positie 2026 – 2029 (paragraaf 5.3.3) Uitgangspunt voor de kadernota 2026 (paragraaf 5.3.4.) Naast besluitvorming door de gemeenteraad zijn er (autonome) ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de financiële positie van onze gemeente in de komende jaren: B. Relevante kostenontwikkelingen in beeld brengen: De ontwikkelingen in het benodigde loonkostenbudget (paragraaf 5.4.1) De ontwikkelingen in het benodigde kapitaallastenbudget (paragraaf 5.4.2) De kostenontwikkeling a.g.v. deelname in gemeenschappelijke regelingen (paragraaf 5.4.3) C.
Relevante ontwikkelingen rondom belangrijke opbrengstencomponenten in beeld brengen: Beleidsuitgangspunten lokale heffingen (paragraaf 5.5.1) Onroerende zaakbelasting (paragraaf 5.5.2) Overige heffingen, rechten en leges (paragraaf 5.5.3) Ontwikkelingen gemeentelijk belastinggebied (paragraaf 5.5.4) Algemene uitkering gemeentefonds (paragraaf 5.5.5) Dividend Bank Nederlandse Gemeenten (paragraaf 5.5.6) Aanvullende maatregelen om het meerjarig tekort te verkleinen (paragraaf 5.5.7) D. Benodigd weerstandvermogen en risicomanagement (paragraaf 5.6) E. Voorstel vrijval reserve IHP (paragraaf 5.7)
30
5.3. Uitgangspositie 5.3.1. Primitieve begroting Als uitgangspunt geldt het financiële meerjarenperspectief zoals dat in de primitieve meerjarenprogrammabegroting 2025 t/m 2028 is weergegeven. 5.3.2. Vaststelling programmabegroting 2025 – 2028 Op 13 november 2024 is de programmabegroting 2025 – 2028 vastgesteld. 5.3.3. Raadsbesluiten met gevolgen voor de financiële positie 2026 – 2029 Na vaststelling van de programmabegroting is door uw raad een aantal begrotingswijzigingen vastgesteld, waaruit meerjarige financiële effecten voortvloeien. In deze kadernota zijn de begrotingswijzigingen tot en met de raadsvergadering van 2 juli 2025 verwerkt. 5.3.4. Uitgangspunt voor de kadernota Verwerking van de hierboven genoemde besluiten levert het volgende uitgangspunt op voor de meerjarenbegroting 2026 – 2029. Begroting (structurele effecten) Oorspronkelijke ramingen begroting Wijzigingen: raadsbesluiten + wijzigingen t/m de raadsvergadering 2 juli 2025 Begrotingssaldo volgens primitieve begroting 2026–2029 (incl.raadsbesl.)
2026 -704.944
2027 -130.904
2028 43.683
2029 498.435
162.452
196.195
363.352
427.507
-542.492
65.291
407.035
925.942
5.4. Relevante kostenontwikkelingen 5.4.1. Ontwikkelingen loonkostenbudget Cao ontwikkelingen In april 2025 is een nieuwe cao voor gemeenteambtenaren vastgesteld. De nieuwe cao loopt van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2027. Deze cao heeft financiële consequenties voor de loonkosten binnen de organisatie. De loonontwikkelingen als gevolg van deze cao zijn op dit moment nog niet verwerkt in de meerjarenbegroting. Deze worden meegenomen bij het opstellen van de begroting 2026. Conform onze begrotingsuitgangspunten hanteren wij voor de berekening van de meerjarige loonkosten de percentages met betrekking tot de loonvoet sector overheid uit de meicirculaire van het Gemeentefonds. Omdat de meicirculaire 2025 te laat gepubliceerd wordt voor deze kadernota om de effecten van de loonkosten te kunnen verwerken, wordt in de periode tussen de kadernota 2026 en de Programmabegroting 2026 de meerjarenberekening met betrekking tot de loonkosten geactualiseerd. De financiële consequenties hiervan worden verwerkt in de Programmabegroting. 5.4.2. De ontwikkelingen in het benodigde kapitaallastenbudget, inclusief de effecten van het liquiditeitenverloop Ten opzichte van de ramingen van de begroting 2025 zijn de kapitaallasten in de jaarschijven 2026-2028 aangepast.
Dit heeft met name te maken met vertraagde uitvoering van investeringen, aanvullende besluitvorming, en de te verwachten “nieuwe” kapitaallasten uit het investeringsprogramma 2026-2029. Op basis van de recent geactualiseerde liquiditeitenplanning zullen we in de periode 2026–2029 afgerond € 33 miljoen aan geldleningen moeten aantrekken. De rentekosten ontwikkelen zich als volgt: Omschrijving
2026
2027
2028
2029
Rentekosten huidige meerjarenbegroting
770.759
903.386
1.015.116
1.078.491
Totaal geactualiseerde rentekosten
873.193
1.047.067
1.157.899
1.225.716
-102.434
-143.681
-142.783
-147.225
Totaal financiële mutatie (-= nadeel)
Volgens de geactualiseerde liquiditeitenplanning is er voldoende liquiditeit tot en met het derde kwartaal 2026, omdat we verwachten ook in 2025 een langlopende lening aan te moeten trekken. Ook in 2026 en verder
31
moeten we lenen. Hierbij houden we rekening met een rentepercentage van 3,0 % in 2026 en 2% meerjarig. De nadelige mutatie ten opzichte van de huidige begroting heeft te maken met een hoger aan te trekken bedrag en een hoger rentepercentage. Hieronder zijn de mutaties, gesplitst in een aantal hoofdgroepen, weergegeven: - = nadeel Omschrijving Act. kapitaallasten incl. IP 2026 t/m 2029
2026
2027
2028
2029
0
-63.320
-83.396
-86.866
Rentekosten
-102.434
-143.681
-142.783
-147.225
Totaal financiële mutatie (-= nadeel)
-102.434
-207.001
-226.179
-234.091
Voor toekomstige investeringen, waarvoor al of niet een reserve is gevormd, zal voor de daadwerkelijke financiering rekening worden gehouden met rentekosten. 5.4.3. De kostenontwikkelingen uit deelname in gemeenschappelijke regelingen In uw raadsvergadering van 11 juni 2025 zijn de (ontwerp)begrotingen 2026 van de gemeenschappelijke regelingen uit onderstaande tabel behandeld. De financiële effecten op het begrotingssaldo worden verwerkt in deze kadernota. Na het besluit door het Algemeen Bestuur van de betreffende GR worden de bijdragen voor 2026 definitief verwerkt in de Programmabegroting voor 2026. Gemeenschappelijke Regeling WVS-Groep (WVS) Voor 2026 is de totale bijdrage van de deelnemende gemeenten aan het WVS € 7.386.000,00 (herziene begroting WVS 2025: € 4.866.000,00). Voor ons gaat het om een bijdrage van € 834.402,00. In de jaarschijf 2026 van de herziene begroting 2025 van het WVS is rekening gehouden met een gemeentelijke bijdrage van € 720.866,00. Het verschil van € 113.536,00 wordt verwerkt ten laste van het begrotingssaldo 2026. Gemeenschappelijke regeling Gemeentelijke Gezondheidsdienst West-Brabant (GGD) In 2026 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan de GGD West-Brabant € 29.913.293,00 (begroting GGD 2025: € 27.825.474,00). Voor ons is de bijdrage 2026 bepaald op € 639.466,00.
In de meerjarenbegroting 2025 – 2028 was een gemeentelijke bijdrage van € 643.015,00 geraamd. Het verschil van € 3.549,00 komt ten gunste van het begrotingssaldo 2026. Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-West-Noord (RAV) Sinds 2012 is de gemeentelijke bijdrage aan de RAV Brabant Midden-West-Noord komen te vervallen. Ook in 2026 en verder blijft de RAV in staat de begroting sluitend te houden zonder inkomsten uit gemeentelijke bijdragen. In de beleidsbegroting 2026 is dan ook geen gemeentelijke bijdrage opgenomen. Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) In 2026 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan de OMWB € 28.102.593,00 (begroting OMWB 2025: € 29.286.457,00). De bijdrage 2026 voor ons bedraagt € 541.306,00. In de meerjarenbegroting 2025 – 2028 was een gemeentelijke bijdrage van € 598.983,00 opgenomen. Het verschil van € 57.647,00 komt ten gunste van het begrotingssaldo 2026. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (VRMWB) In 2026 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan de VRMWB € 83.258.069,00 (begroting VRMWB 2025: € 81.668.469,00). De bijdrage 2026 voor ons bedraagt € 1.414.782,00. In onze meerjarenbegroting was een gemeentelijke bijdrage van € 1.411.510,00 opgenomen. Het verschil van € 3.272,00 komt ten laste van het begrotingssaldo.
Regio West Brabant (RWB) In 2026 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan de Regio West-Brabant (incl. Rewin) € 30.353.000,00 (2025: € 29.948.000,00).
32
De bijdrage 2026 voor ons bedraagt € 616.446,00. In de meerjarenbegroting 2025 – 2028 was een gemeentelijke bijdrage van € 626.363,00 opgenomen. Het verschil van € 9.917,00 verwerken we ten gunste van het begrotingssaldo. West-Brabants Archief (WBA) In 2026 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan het WBA € 3.056.666,00 (2025 na wijziging: € 3.066.626,00). De bijdrage 2026 voor ons bedraagt € 128.756,00. In de meerjarenbegroting 2025 – 2028 was een gemeentelijke bijdrage van € 137.166,00 opgenomen. Het verschil van € 8.410,00 komt ten gunste van het begrotingssaldo. Regionaal Bureau Leren (RBL) In 2026 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan het RBL € 2.684.289,00 (2025: € 2.713.719,00). De bijdrage 2026 voor ons bedraagt € 21.496,00. In de meerjarenbegroting 2025 – 2028 was een gemeentelijke bijdrage van € 21.913,00 opgenomen. Het verschil van € 417,00 komt ten gunste van de reserve voortijdig schoolverlaten. Werkplein Hart van West-Brabant Voor 2026 bedraagt de totale bijdrage (excl. plustaken) van de gemeenten die deelnemen aan het Werkplein € 130.404.720,00 (begroting 2025: € 121.133.629,00). Voor ons gaat het om een bijdrage van € 10.829.662,00. Ten opzichte van de jaarschijf 2026 van onze meerjarenbegroting levert de begroting van het Werkplein een nadeel op van € 324.173,00.
De hoogte van de Rijksbijdrage voor de gebundelde uitkering (BUIG) is voor 2026 nog niet bekend. In de meerjarenbegroting houden we voor 2026 rekening met € 6.098.273,00, wat ongeveer € 300.000,00 lager is dan de voorlopige vaststelling van 2025. Daarnaast is het uitgangspunt dat hogere uitgaven voor inburgering zullen worden gecompenseerd door een hogere Rijksbijdrage. Rekening houdend met deze twee zaken wordt uitgegaan van een (nagenoeg) budgettair neutraal resultaat. Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) De totale bijdrage van de deelnemende gemeenten en het waterschap in 2026 bedraagt € 21.217.000,00 (2025: € 21.368.000,00). De gemeentelijke bijdrage aan de BWB voor 2026 is bepaald op € 525.000,00 (inclusief € 32.000,00 compensabele BTW). In de meerjarenbegroting 2025 – 2028 was een gemeentelijke bijdrage van € 552.000,00 opgenomen; een voordeel van € 27.000,00. Er is ook een afname van in compensabele BTW. Deze BTW kunnen we niet meer terugvragen en geeft een nadeel van € 2,000,00. Tot en met 2025 zijn de betaalde proceskostenvergoedingen n.a.v. waardebezwaren als budget opgenomen in de begroting van de BWB. Vanwege het onvoorspelbare karakter van deze kosten (open-einde-karakter) zorgen ze vaak voor aanzienlijke afwijkingen in de deelnemersbijdragen. Vanaf 2026 worden de uitbetaalde proceskostenvergoedingen niet meer opgenomen in de begroting van de BWB.
In plaats daarvan worden deze direct verrekend met de belastingopbrengsten. Hiervoor wordt een structureel budget opgenomen; dit geeft een nadeel van € 8.000,00. Per saldo is er een voordeel van € 17.000,00 in 2026. O.b.v. de kostenverdeelstaat kunnen we het voordeel verdelen tussen de belastingsoorten. Alle (minder)kosten direct of indirect verbonden aan afval (€ 3.600,00) en riolering (€ 2.100,00) worden minder doorbelast in de heffing. Omdat hier ook inkomsten tegenover staan, heeft dit geen effect op het begrotingssaldo. Het deel wat kan worden toegerekend aan de heffingen, € 11.300,00, komt wel ten gunste van het begrotingssaldo 2026. Gemeenschappelijke Regeling Geweld in Afhankelijkheidsrelaties (GIA) en Meldpunt Crisiszorg (MCZ) De totale bijdrage van de deelnemende gemeenten aan GR GIA en MZC in 2026 is € 10.232.796,00 (2025: € 9.944.408,00). De bijdrage 2026 voor ons bedraagt € 344.558,00. In de meerjarenbegroting was een gemeentelijke bijdrage van € 335.158,00 opgenomen. Het verschil van € 9.400,00 komt ten laste van het begrotingssaldo 2026.
33
5.5. Relevante ontwikkelingen rondom de belangrijkste opbrengstencomponenten 5.5.1. Beleidsuitgangspunten lokale heffingen De belangrijkste beleidsuitgangspunten voor de heffing van gemeentelijke belastingen, rechten en leges worden ieder jaar in de paragraaf lokale heffingen van de begroting beschreven. Hieronder worden de uitgangspunten voor deze periode benoemd zoals beschreven in het Hoofdlijnenakkoord. Zoals u weet staat onze gemeente financieel onder druk en zijn de uitgangspunten uit het Hoofdlijnenakkoord heroverwogen. In hoeverre we de uitgangspunten volgen komt per belastingsoort aan de orde. De meest belangrijke uitgangspunten voor deze periode kunnen als volgt worden samengevat: • de opbrengstverhoging van de onroerende-zaakbelastingen (OZB) jaarlijks beperken tot maximaal 2%; • een 100% kostendekkende tariefberekening bij de afvalstoffenheffing en rioolheffing. Verder is het gebruikelijk om de jaarlijkse verhoging van de toeristen- en forensenbelasting te koppelen aan de OZB-opbrengstverhoging. De verhoging van andere belastingen en rechten, zoals het marktgeld en lijkbezorgingsrechten, koppelen we aan het Consumenten Prijs Indexcijfer (CPI). Zoals gebruikelijk wordt het voorstel tot aanpassing van de belastingverordeningen en wijziging van de tarieven in de raadsvergadering van december, voorafgaand aan het nieuwe belastingjaar, behandeld.
Het vaststellen van belastingverordeningen en tarieven is een autonome bevoegdheid van de gemeenteraad. 5.5.2. Onroerende zaakbelastingen In 2026 willen we afwijken van het Hoofdlijnenakkoord 2022 - 2026. Daarin wordt een verhoging van de opbrengst onroerende-zaakbelastingen van maximaal 2% gehanteerd. We vinden deze verhoging niet langer passend voor de huidige financiële situatie. In de periode 2022 – 2025 hebben we de ozb-opbrengst, conform het hoofdlijnenakkoord, met een vast percentage van 2% per jaar laten stijgen. In de periode 2022 - 2024 is de consumentenprijsindex (CPI) met 17% (afgerond) toegenomen. Dit betekent concreet dat we met de huidige ozb opbrengst 11% minder kunnen bekostigen dan voorheen, omdat de prijzen harder zijn gestegen dan de inkomsten. We willen dit in 2026 met terugwerkende kracht corrigeren. Dat betekent dat we de opbrengst in totaal met 13,46% laten stijgen in 2026. Dit staat gelijk aan een aanvullende structurele opbrengst van afgerond € 474.000,00 en kost een gemiddelde woningeigenaar € 40,00 extra per jaar. Om deze stijging in perspectief te plaatsen vergelijken wij deze met de De6 op totaalniveau en per inwoner. Wat opvalt aan onderstaande tabellen is dat alle omliggende gemeenten in 2025 of eerder een forse stijging hebben doorgevoerd in de opbrengst. Wat verder opvalt is dat een vergelijkbare gemeente als Zundert ruim € 1,5 mln.
meer opbrengst uit ozb genereert dan gemeente Rucphen. Tot slot is de onroerendezaakbelasting (woningen en niet-woningen) per inwoner in Rucphen aanzienlijk lager dan in omliggende gemeenten. Totaal onroerendezaakbelasting in 1.000 euro 2022
2023
2024
2025
Etten-Leur
8.923
9.023
9.759
10.589
Halderberge
7.677
7.706
8.450
8.883
Moerdijk
18.780
19.395
23.080
24.535
Roosendaal
13.974
14.465
14.914
17.227
Rucphen
3.927
4.005
4.084
4.165
Zundert
5.482
5.520
6.167
6.695
34
Procentuele opbrengststijging 2022
2023
2024
2025
Etten-Leur
2,0%
1,1%
8,2%
8,5%
Halderberge
4,3%
0,4%
9,7%
5,1%
Moerdijk
1,6%
3,3%
19,0%
6,3%
Roosendaal
1,9%
3,5%
3,1%
15,5%
Rucphen
1,9%
2,0%
2,0%
2,0%
Zundert
1,0%
0,7%
11,7%
8,6%
Totaal onroerendezaakbelasting per inwoner 2022
2023
2024
2025
Etten-Leur
202
202
216
233
Halderberge
250
248
271
283
Moerdijk
503
514
606
642
Roosendaal
181
186
192
222
Rucphen
168
170
171
173
Zundert
246
245
274
293
Gelet op het bovenstaande houden we bij de vaststelling van de OZB-opbrengst in 2026 een stijging van 13,46% aan. Meerjarig (2027 - 2029) wordt nog steeds 2% gehanteerd. Deze mutatie is verwerkt in de meerjarenraming. Daarnaast is rekening gehouden met extra opbrengst als gevolg van areaaluitbreiding. De vastgestelde OZB-opbrengst in combinatie met totale WOZ-waarde bepaalt het definitieve tarief. Hierbij wordt uitgegaan van de totale WOZ-waarde van alle woningen en niet-woningen. Deze waarde wordt berekend exclusief areaaluitbreiding en waardeverlaging als gevolg van bezwaar- en beroepschriften. Wel houden we rekening met de verwachte waardeontwikkeling die door de Waarderingskamer bekend wordt gemaakt. Meeropbrengst OZB areaaluitbreiding In onze meerjarenbegroting ramen we een meeropbrengst OZB als gevolg van areaaluitbreiding. Areaaluitbreiding bestaat uit nieuwbouw en aanbouw van (niet-)woningen. Het uitgangspunt is dat areaaluitbreiding jaarlijks € 60.000,00 aan meeropbrengst oplevert. We hebben dit bedrag met € 30.000,00 verhoogd vanaf begroting 2026. Uit de afgelopen jaren is gebleken dat de werkelijke meeropbrengst uit areaaluitbreiding hoger is. Enerzijds door de sterkere waardeontwikkeling van de afgelopen jaren en anderzijds door een sterkere toename van het areaal. Omschrijving
2026
2027
2028
2029
Verhoging ozb
474.000
474.000
474.000
474.000
Meeropbrengst OZB areaaluitbreiding Totaal financiële mutatie (-= nadeel)
30.000
30.000
30.000
30.000
504.000
504.000
504.000
504.000
5.5.3. Overige heffingen, rechten en leges Afvalstoffenheffing Bij de afvalstoffenheffing geldt het uitgangspunt van een volledig 100%-kostendekkende tariefberekening. Alle kosten van de activiteiten die in enige mate (geheel/gedeeltelijk) kunnen worden toegerekend aan de in de Wet Milieubeheer opgenomen gemeentelijke zorgplicht voor het verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen, inclusief de kosten van het grondstoffencentrum, worden in de kostenonderbouwing meegenomen. Daarbij maken we onderscheid tussen vaste en variabele kosten, om zo het vaste tarief per perceel en de verschillende containertarieven te berekenen.
35
Egalisatievoorziening afvalstoffenheffing In de egalisatievoorziening afvalstoffenheffing zit, na de resultaatbestemming 2024, een bedrag van € 215.393,00. Dit bedrag kan (deels) worden ingezet om het tarief voor 2026 te drukken. We gaan hier terughoudend mee om, omdat de voorziening maar eenmalig kan worden ingezet. Wanneer de volledige voorziening in 2026 wordt ingezet om het tarief te drukken, kan dit zorgen voor een onverwachte tariefstijging in 2027. We willen de voorziening gefaseerd afbouwen. Rioolheffing De tariefontwikkeling van de rioolheffing is afhankelijk van de kostenonderbouwing zoals opgenomen in de financiële paragraaf van het gemeentelijke rioleringsprogramma. Op 15 juni 2022 is het gemeentelijke rioleringsprogramma 2023 – 2026 door uw raad vastgesteld. Hierbij is tot een systematiek besloten waardoor matige stijging van het tarief wordt bereikt. Dit wordt bereikt door vanaf 2032 niet volledig lineair af te schrijven, maar een gedeelte direct na investering ten laste van de voorziening te brengen. Hierdoor daalt de boekwaarde van de investeringen en daarmee dalen ook de kapitaallasten. Toeristenbelasting en forensenbelasting We willen vanaf 2026 de splitsing tussen personen tot 18 jaar en vanaf 18 jaar loslaten. Er is dan één tarief per persoon per nacht.
Op basis van de opgelegde aanslagen 2024 bestaat de toeristenbelasting voor 95% uit overnachtingen van personen vanaf 18 jaar en 5% tot 18 jaar. Conform de begrotingsuitgangspunten worden deze belastingopbrengsten verhoogd met hetzelfde percentage als de OZB. Ook is in 2014 door uw raad besloten om de tarieven op € 0,05 af te ronden en pas aan te passen als de meerjarige indexering leidt tot een verhoging met € 0,05 of een veelvoud daarvan ten opzichte van het dan geldende tarief. In 2026 stijgt het tarief per persoon per nacht van € 1,10 naar € 1,25. Omschrijving
2026
2027
2028
2029
Toeristenbelasting
16.000
16.000
16.000
16.000
Totaal financiële mutatie (-= nadeel)
16.000
16.000
16.000
16.000
Leges algemeen We berekenen alle leges tarieven op basis van de ‘activity-based-costing-methode’, waarbij we een inschatting maken van de werkelijke kosten van een dienst/product. Hierbij houden we rekening met de geraamde tijdsbesteding, externe kosten en een doorbelasting van overhead. De opbrengst uit de leges mag de totale kosten niet overtreffen. De tarieven voor leges zijn daarom kostendekkend berekend. Daarnaast zijn er bepaalde producten waarvoor maximum tarieven gelden. Deze zijn landelijk vastgesteld. Marktgeld en lijkbezorgingsrechten Bij deze rechten is bewust gekozen om slechts gedeeltelijke kostendekking te realiseren. Een verhoging van de tarieven naar volledig kostendekkende tarieven leidt tot ongewenst hoge (schrik-)tarieven. Wel worden de rechten gekoppeld aan het CPI-cijfer om de dekking constant te houden. Kwijtschelding Kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen wordt uitgevoerd door de Belastingsamenwerking WestBrabant (BWB). Op basis van de kwijtgescholden bedragen uit 2024 (€ 100.807,75) is het niet nodig om het budget voor kwijtschelding van (€ 105.000,00) verder te verhogen. In 2023 bestond onze kwijtschelding volledig uit afvalstoffenheffing. De kosten voor kwijtschelding worden daarom volledig doorbelast in de afvalstoffenheffing. 5.5.4.
Ontwikkelingen gemeentelijk belastinggebied Proceskostenvergoedingen Tot en met 2025 zijn de betaalde proceskostenvergoedingen n.a.v. waardebezwaren als budget opgenomen in de begroting van de BWB. Vanwege het onvoorspelbare karakter van deze kosten (open-einde-karakter) zorgen ze vaak voor aanzienlijke afwijkingen in de deelnemersbijdragen. Vanaf 2026 worden de uitbetaalde proceskostenvergoedingen niet meer opgenomen in de begroting van de BWB, maar worden deze direct verrekend met de belastingopbrengsten.
36
Per saldo is er geen effect voor de deelnemers. Deze mutatie zorgt voor een verlaging van de deelnemersbijdrage en gelijktijdig moet een budget worden gevormd om de proceskostenvergoedingen te kunnen dekken. Wij nemen een bedrag van € 8.000,00 op in onze begroting. 5.5.5. Algemene uitkering gemeentefonds Op basis van de meicirculaire 2025 kunnen wij de actuele stand van zaken met betrekking tot de algemene uitkering van het gemeentefonds in beeld brengen. Hierbij is uitgegaan van een aantal aannames, bijvoorbeeld aantal inwoners, woonruimten en bijstandontvangers. De mogelijkheid bestaat dan ook dat de daadwerkelijke uitkering als gevolg van mutaties in de aantallen nog zal wijzigen. De ervaring leert dat de septembercirculaire ook altijd weer belangrijke (structurele) mutaties bevat. Accres De gemeenten in Nederland krijgen het meeste geld uit het gemeentefonds. Hoeveel geld ze elk jaar krijgen of minder krijgen, noemen we het accres. In de meicirculaire 2025 is een nieuwe verwachting (raming) van het accres voor de jaren vanaf 2026 opgenomen. Vanaf 2024 hangt het accres af van hoe de Nederlandse economie groeit. Dat gebeurt via de nieuwe financieringssystematiek. Die methode kijkt naar het bruto binnenlands product (bbp). Dat is een manier om te meten hoe goed de economie het doet.
Er wordt gekeken naar twee dingen: Hoeveel de economie groeit in volume (gemiddeld over 8 jaar). Zo wisselt het accres minder sterk. Hoeveel de prijzen stijgen in het huidige jaar. Zo blijft het geld ‘op peil’ met de echte kosten. Naast het accres zijn er nog meer mutaties in de meicirculaire 2025 die de omvang van de algemene uitkering van het Gemeentefonds beïnvloeden: BTW compensatie Fonds (BCF) Onderdeel van de algemene uitkering is de stelpost ruimte plafond BTW compensatiefonds. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) heeft in afstemming met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de provinciale toezichthouders een advies opgesteld over de wijze waarop de ruimte onder het plafond BCF door gemeenten “kan” worden opgenomen als verwachte bate. Dit advies luidt: Gezien de onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van de ruimte onder het plafond BCF, adviseren we om voorzichtigheid in acht te nemen door een raming op te nemen, die maximaal gebaseerd is op de meest recente, gerealiseerde ruimte onder het plafond BCF. Voor de Begroting 2026 is dit de realisatie 2024 zoals die in de meicirculaire 2025 is opgenomen. Deze komt neer op een bedrag van € 340.208,00 (bij de Begroting 2025 was het bedrag realisatie 2023 € 665.774,00).
De provinciale toezichthouders gebruiken dit advies als richtlijn bij het beoordelen van de (meerjaren)begroting 2026-2029. Gezien het advies en de ontwikkelingen van de ruimte onder het BCF-plafond van de afgelopen jaren, verwerken wij in deze Kadernota structureel 50% van het toegestane bedrag (€ 170.104,00). Jeugdzorg Gemeenten krijgen van 2025 tot en met 2027 in totaal ongeveer € 3 miljard extra voor jeugdzorg en om een lagere uitkering in 2026 te voorkomen.
• •
•
Minder geldverlies in 2026 (Demping terugval gemeentefonds 2026): In 2026 krijgen gemeenten € 400 miljoen extra. Vanaf 2030 wordt dat € 424 miljoen per jaar. Voor Rucphen in 2026 afgerond € 535.000,00 Tekort delen tussen Rijk en gemeenten: Er is een tekort in het budget voor jeugdzorg. De helft wordt betaald door het Rijk: dat kost € 414 miljoen per jaar. Voor Rucphen in 2026 afgerond € 555.000,00 Maatregelen gaan langzamer (Groeipad maatregelen Hervormingsagenda): De geplande veranderingen in de jeugdzorg gaan rustiger van start. In 2026 is hiervoor € 498 miljoen beschikbaar en in 2027 € 447 miljoen. Vanaf 2028 moet de volledige besparing worden gehaald. Voor Rucphen in 2026 afgerond € 670.000,00
37
•
•
•
•
Geld voor nieuwe plannen (Hervormingsagenda Jeugd): Voor de Hervormingsagenda Jeugd is extra geld beschikbaar. In 2026 is dat € 333 miljoen en in 2030 € 320 miljoen. Dat geld gaat naar hulp aan jongeren. Over een deel van het geld wordt nog overlegd. Voor Rucphen in 2026 afgerond € 445.000,00 Eigen bijdrage jeugdzorg vanaf 2028: Ouders of jongeren moeten vanaf 1 januari 2028 zelf meebetalen aan jeugdzorg. De uitname van €260 miljoen door het Rijk is in deze Kadernota verwerkt. De verwachte toekomstige opbrengsten voor de gemeente zijn hierin nog niet meegenomen. We willen dat het Rijk hierover eerst meer duidelijkheid verschaft. Korte jeugdzorgtrajecten: Gemeenten en het Rijk willen zorgen dat zorgtrajecten korter worden. Dit moet vanaf 2028 jaarlijks € 68 miljoen opleveren. In deze Kadernota is alleen de uitname door het Rijk verwerkt en niet een eventuele financiële opbrengst voor de gemeente. Nieuwe besparing door prijsstijging (Indexeren opbrengst Hervormingsagenda): Omdat prijzen en zorggebruik zijn gestegen sinds 2019, wordt er meer besparing verwacht: € 507 miljoen per jaar vanaf 2028.
De stelpost jeugdmiddelen die wij in de begroting 2025 verwerkt hebben, komt door bovenstaande mutaties te vervallen. Uitstel vervanging abonnementstarief Wmo In 2023 is besloten dat het vaste abonnementstarief voor de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) wordt afgeschaft. In plaats daarvan komt er vanaf 2026 weer een eigen bijdrage die afhangt van iemands inkomen en vermogen. Er wordt nu een wetsvoorstel voorbereid om dit te regelen. Maar de invoering van deze nieuwe regel is uitgesteld naar 1 januari 2027 (in plaats van 1 januari 2026). Omdat de nieuwe regel pas later ingaat, valt de geplande besparing van € 225 miljoen in 2026 weg. Deze besparing stond al in de plannen van de Voorjaarsnota 2023. Voor Rucphen komt dit neer op een bedrag van afgerond € 295.000,00. Financiële stand van zaken Hieronder geven wij aan wat de raming van de algemene uitkering voor de jaren 2026 t/m 2029 was (meerjarenbegroting 2025-2028 o.b.v. de septembercirculaire 2024) en vervolgens onze berekening o.b.v. de meicirculaire 2025. In deze cijfers zijn alle bovenstaande mutaties verwerkt, zoals het accres, de jeugdzorg en het abonnementstarief van de Wmo. Algemene uitkering Omschrijving Septembercirc. 2024:meerjarenbegr. 2025-2028 Algemene uitkering Stelpost BCF Stelpost jeugdmiddelen Totaal algemene uitkering Begroting 2025 Meicirc. 2025: meerjarenbegr.
2026-2029 Algemene uitkering Stelpost BCF Stelpost jeugdmiddelen Totaal algemene uitkering Kadernota 2026 Mutatie septembercirc. 2024 / meicirc. 2025
2026
2027
2028
2029
45.657.809 47.577.042 49.247.294 51.146.245 332.872 332.872 332.872 332.872 374.796 278.457 247.444 247.444 46.365.477 48.188.371 49.827.610 51.726.561 48.884.737 50.442.849 50.565.608 52.677.033 170.104 170.104 170.104 170.104 0 0 0 0 49.054.841 50.612.953 50.735.712 52.847.137 2.689.364
2.424.582
908.102
1.120.576
De tabel laat zien dat de algemene uitkering voor alle jaren stijgt ten opzichte van de cijfers uit de begroting 2025. Deze stijging word met name veroorzaakt de stijging van het accres, de extra middelen met betrekking tot jeugdzorg, de eenmalige terugstorting in 2026 door het uitstel vervanging abonnementstarief Wmo en door actualisatie van de maatstafgegevens. Decentralisatie- en integratie-uitkering Decentralisatie-uitkering armoedebestrijding kinderen Vanaf 2017 is landelijk € 85 miljoen structureel beschikbaar gesteld voor de bestrijding van de gevolgen van armoede van kinderen. Jaarlijks vindt in de meicirculaire actualisatie plaats van de verdeling voor het jaar t+1
38
(betreft nu dus 2026) en verder. De middelen worden verdeeld op basis van door CBS ontwikkelde gegevens over kinderen met een kans op armoede. Het bedrag wordt door de actualisatie vanaf 2026 verlaagd van € 87.191,00 naar € 83.489,00. Het bijbehorende budget in de begroting wordt hierop aangepast. Decentralisatie-uitkering gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen Gemeenten en hun antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) werken samen als het gaat om de preventie van discriminatie op lokaal niveau. Voor de kerntaken van de ADV’s krijgen gemeenten sinds 2009 structureel geld via de algemene uitkering van het gemeentefonds. Net als in 2024 krijgen gemeenten in 2025 en 2026 middelen om méér aan preventie te kunnen doen. Hiervoor is in 2025 en 2026 jaarlijks € 2,5 miljoen beschikbaar. Deze extra middelen worden verdeeld op basis van een vast bedrag per inwoner van € 0,14. In 2026 wordt een bedrag van € 3.333,00 toegevoegd aan het budget wat hiervoor in de begroting is opgenomen. Decentralisatie-uitkering jeugdhulp aan kinderen in een AZC Vanaf 2019 zijn gemeenten volledig verantwoordelijk geworden voor de organisatie en financiering van jeugdhulp, inclusief de jeugd-ggz, aan kinderen in een AZC. Vanaf 2024 is structureel € 5,1 miljoen hiervoor beschikbaar. Wij ontvangen hiervoor structureel € 11.769,00. Dit bedrag wordt als stelpost verwerkt.
Decentralisatie-uitkering Voorschoolse voorziening peuters De decentrale uitkering voorschoolse voorzieningen peuters heeft als doel dat alle peuters, zonder recht op kinderopvangtoeslag of voorschoolse educatie, naar een voorschoolse voorziening kunnen gaan. De decentrale uitkering voorschoolse voorzieningen is voor 2025 structureel geactualiseerd met de voluminastanden van uitkeringsjaar 2024. Op basis van deze actualisatie wordt het bedrag vanaf 2025 verhoogd van € 33.953,00 naar € 34.902,00. Deze verhoging wordt toegevoegd aan het budget onderwijsachterstanden overig en onvoorzien die hiervoor in de begroting is opgenomen. Integratie-Uitkering Sociaal Domein (IUSD) Op basis van de meicirculaire 2025 is de integratie-uitkering participatiewet (beschut werken en Wsw) geactualiseerd. De mutatie op de integratie-uitkering participatiewet (Wsw) wordt ook toegepast op het budget Wsw. De mutatie met betrekking op het onderdeel beschut werken valt vrij ten gunste van het begrotingssaldo, omdat in de begroting van het Werkplein met deze Rijksmiddelen rekening is gehouden. In onderstaande tabel zijn de huidige ramingen afgezet tegen de nieuwe bedragen o.b.v. de meicirculaire 2025: Algemene uitkering Omschrijving PW: IUSD (Wsw) (OUD) PW: IUSD (Wsw) (NIEUW) Totale mutatie budget Wsw
2026 6.061.130 6.284.548 223.418
2027 5.611.867 5.791.688 179.821
2028 5.377.371 5.525.324 147.953
2029 5.033.110 5.189.137 156.027
Omschrijving PW: IUSD (beschut werken) (OUD) PW: IUSD (beschut werken) (NIEUW)
2026 321.236 336.698
2027 343.745 360.290
2028 365.998 383.617
2029 388.510 407.214
Totale mutatie tgv begrotingssaldo
15.462
16.545
17.619
18.704
Rijksbijdrage sociale infrastructuur Vanaf 2025 geeft het Rijk extra geld aan gemeenten. Met dit geld kunnen gemeenten uiteindelijk 10.000 werkplekken mogelijk maken. Deze werkplekken zijn voor mensen die niet in aanmerking komen voor beschut werk, maar wel hulp nodig hebben van sociale ontwikkelbedrijven. Zij gebruiken deze werkplekken om zich voor te bereiden op een gewone baan, of als tijdelijke oplossing als ze (nog) niet aan het werk kunnen. Gemeenten krijgen dit extra geld om te zorgen dat er genoeg hulp en begeleiding beschikbaar is. Dit past bij de hogere bijdrage van het Rijk aan beschut werk sinds 2024. Gemeenten ontvangen circa € 3.600,00 per plek. Dit komt neer op € 19,8 miljoen in 2025, met een oploop naar structureel € 35,9 miljoen. Dit structurele niveau wordt in 2035 bereikt. Voor onze gemeente gaat het om € 27.486,00 in 2026 oplopend naar € 33.764,00 in 2029. Deze middelen worden als stelpost verwerkt.
39
5.5.6. Dividend Bank Nederlandse Gemeenten Het jaarlijks bedrag aan dividend over de afgelopen begrotingsjaren kent een wisselend verloop: • 2021: € 44.815,68 • 2022: € 49.140,00 • 2023: € 42.456,96 • 2024: € 49.336,56 Het dividend van de BNG Bank N.V. voor 2026 en verder baseren we op het gemiddelde bedrag aan dividend over de afgelopen vier begrotingsjaren. De huidige raming € 42.000,00 wordt verhoogd naar € 46.000,00 in 2026. Omschrijving
2026
2027
2028
2029
Toename baten dividend
4.000
4.000
4.000
4.000
Totaal financiële mutatie (-= nadeel)
4.000
4.000
4.000
4.000
5.5.7. Aanvullende maatregelen om het meerjarig tekort te verkleinen Inzet vrij besteedbaar deel algemene reserve Gemeenten mogen op basis van een nieuw Gemeenschappelijke Financieel Toezichtkader (GTK) een deel van de algemene reserve inzetten om structurele lasten te dekken. Het gaat om 10% van het vrij besteedbare deel van de algemene reserve. Dit mogen we alleen doen in afstemming met de Provincie en moet worden gezien als eenmalige ingreep. Op basis van de Kadernota 2026 bedraagt de vrije ruimte in de algemene reserve € 4,6 miljoen, waarvan 10% (€ 459.877,00), kan worden ingezet voor het ‘ravijnjaar’. Gezien het begrotingssaldo 2026 in deze Kadernota is inzet van de algemene reserve niet aan de orde. Verlagen post onvoorzien In de Financiële verordening Rucphen 2025 is het lid over de post onvoorzien geheel geschrapt. In plaats daarvan willen we jaarlijks bij het vaststellen van de begroting bepalen hoe groot deze post moet zijn. Onder de vorige verordening waren we gebonden aan € 55.000,00 en werd automatisch een beslag op deze begrotingsruimte gelegd; ook wanneer dit onnodig of onwenselijk is. Door het schrappen van dit lid laten we het vaste bedrag los en creëren we meer flexibiliteit. Opname in de verordening is niet nodig, omdat we ook al op grond van BBV verplicht zijn een post onvoorzien op te nemen in de begroting.
Ook is het bedrag niet voorgeschreven (de post mag zelfs € 0 zijn). De afgelopen jaren is de post onvoorzien niet, of niet volledig besteed, maar legde wel een beslag op de begrotingsruimte. We kiezen er voor om de post onvoorzien te verlagen naar € 0,00 vanaf 2026. Hiermee creëren we € 55.000,00 aan structurele begrotingsruimte. Extra storting in reserve dekking kapitaallasten uit algemene reserve Geadviseerd wordt een bedrag van € 667.056,00 ten laste van de Algemene reserve aan te wenden en te storten in de Reserve dekking kapitaallasten. Dit bedrag vertegenwoordigt de afschrijvingslasten van diverse lopende investeringen die in de jaren 2026 t/m 2029 aflopen. Door het bedrag in de Reserve dekking kapitaallasten te storten kunnen deze afschrijvingslasten ten laste worden gebracht van deze reserve in plaats van het begrotingssaldo. Hiermee creëren we in de jaren 2026 t/m 2029 begrotingsruimte. In onderstaande tabel is het effect per begrotingsjaar weergegeven. Omschrijving
2026
2027
2028
2029
Inzet vrij besteedbaar deel algemene reserve
459.877
Verlagen post onvoorzien
55.000
55.000
55.000
55.000
Extra storting in reserve dekking kapitaallasten uit algemene reserve
267.645
198.370
141.041
60.000
Totaal financiële mutatie (-= nadeel)
782.522
253.370
196.041
115.000
40
5.6. Benodigd weerstandvermogen en risicomanagement De benodigde weerstandscapaciteit bedraagt volgens de jaarrekening 2024, per 31 december 2024 € 3.713.250,00. De beschikbare weerstandscapaciteit, gecorrigeerd voor middelen welke niet als dekking gebruikt kunnen worden bedraagt € 6.693.178,00. Volgens de normtabel weerstandsvermogen is onze weerstandscapaciteit ruim voldoende. Bij de bepaling van de ratio is al rekening gehouden met toekomstige onttrekkingen uit de Algemene Reserve, waarover uw raad heeft besloten. Tussen de vaststelling van deze kadernota en de Programmabegroting 2026 vindt een actualisatie van de risico’s plaats, zodat in de Programmabegroting 2026 een actuele stand van het benodigd weerstandsvermogen kan worden gepresenteerd. Mutaties Algemene reserve tot en met 2 juli 2025 Mutaties Algemene reserve
Bedrag
Jaar
Af: Op peil brengen reserve kadernota ivm eenmalige claims KN2025
-205.423
2025
Bij: Resultaatbestemming 2024
2.503.395
2025
Bij: vrij te besteden weerstandsvermogen Reserve grondexploitatie
227.249
2025
Af: storting in reserve dekking kapitaallasten
-667.056
2026
Af: Op peil brengen reserve kadernota i.v.m. eenmalige claims KN2026
-133.000
2026
Af: Op peil brengen reserve kadernota i.v.m. eenmalige claims KN2026
-38.000
2027
Af: Op peil brengen reserve kadernota i.v.m. eenmalige claims KN2026
-16.500
2028
Totaal voorgestelde mutaties
1.670.665
Raadsbesluiten tot de voorlopige aanwending van / storting in de algemene reserve Storting in reserve kadernota ten behoeve van begroting 2025 o Aanwending: € 205.423,00; o Programmaverantwoording 2025; o Raad 13 november 2024. -
Storting in algemene reserve als onderdeel van de resultaatbestemming 2024 o Storting: € 2.503.295,07; o Programmaverantwoording 2024; o Raad 11 juni 2025 (ten tijde van schrijven nog niet besloten).
-
Storting in algemene reserve vrij te besteden weerstandsvermogen reserve grondexploitatie o Storting: € 227.249,00; o 1e bestuursrapportage 2025; o Raad 11 juni 2025 (ten tijde van schrijven nog niet besloten).
-
Storting in reserve dekking kapitaallasten ten behoeve van begroting 2026 - 2029 o Aanwending: € 667.056,00; o Kadernota 2026; o Raad 2 juli 2025; o Begroting 2026 (formele besluitvorming); o Raad 12 november 2025.
-
Storting in reserve kadernota ten behoeve van begroting 2026 o Aanwending: € 133.000,00; o Kadernota 2026; o Raad 2 juli 2025; o Begroting 2026 (formele besluitvorming); o Raad 12 november 2025.
41
-
Storting in reserve Kadernota ten behoeve van begroting 2027 o Aanwending: € 38.000,00; o Kadernota 2026; o Raad 2 juli 2025; o Begroting 2026 (formele besluitvorming); o Raad 12 november 2025.
-
Storting in reserve Kadernota ten behoeve van begroting 2028 o Aanwending: € 16.500,00; o Kadernota 2026; o Raad 2 juli 2025; o Begroting 2026 (formele besluitvorming); o Raad 12 november 2025.
Reserve grondexploitatie De reserve grondexploitatie bedraagt per 1 januari 2025 € 2.193.199,06. Het vrij te besteden weerstandsvermogen van deze reserve, groot € 227.249,00, valt in 2025 vrij ten gunste van de Algemene Reserve. Per saldo is er dan geen effect op de beschikbare weerstandscapaciteit. De verwachte stand per 1 januari 2026 bedraagt € 1.965.950,06. Onbenutte belastingcapaciteit De onbenutte belastingcapaciteit bij de OZB is zo groot als het verschil tussen het gehanteerde tarief en het tarief om tot een "artikel 12 gemeente" gerekend te worden. Het redelijk peil voor 2025 is 0,1595%. Wanneer we dit percentage afzetten tegen de in de begroting opgenomen ramingen voor de OZB-ontvangsten is er nog een ruimte van € 2.954.213,00 structureel. Beschikbare weerstandscapaciteit Algemene reserve per 01-01-2026
7.175.623
Reserve grondexploitatie per 01-01-2026
1.965.950
Onbenutte belastingcapaciteit (redelijk peil 2025)
2.954.213
Onvoorzien
55.000
Algemene reserve geactiveerde gronden in erfpacht (stille reserves)
953.000
Totale beschikbare weerstandscapaciteit Totaal aanwendingen tlv / vrijval tgv de algemene reserve Totaal gecorrigeerde beschikbare weerstandscapaciteit
13.103.786 -854.556 12.249.230
Totaal benodigde weerstandscapaciteit (o.b.v. 100%)
3.713.250
Vrij besteedbaar
8.535.980
af: onbenutte belastingcapaciteit en erfpacht
3.907.213
Vrij besteedbare middelen (na correctie)
4.628.767
Wanneer we de benodigde weerstandscapaciteit in mindering brengen op de beschikbare weerstandscapaciteit resteert een vrij besteedbaar bedrag van € 8.535.980,00. Als we vervolgens op dit bedrag een correctie toepassen voor de middelen welke niet als dekking gebruikt kunnen worden (onbenutte belastingcapaciteit en erfpacht), resteert nog € 4.628.767,00 aan vrij besteedbare middelen. Dit is de ruimte boven het ratio van 1,0, de vrij besteedbare ruimte boven het ratio van 1,4 bedraagt € 3.143.467,36.
42
Ratio weerstandsvermogen Om te bepalen of het weerstandsvermogen toereikend is, leggen we een relatie tussen de financieel gekwantificeerde risico’s, de daarbij gewenste weerstandscapaciteit en de beschikbare weerstandscapaciteit. De benodigde weerstandscapaciteit die uit de risicosimulatie voortvloeit, kan worden afgezet tegen de beschikbare weerstandscapaciteit. De uitkomst van die berekening vormt het weerstandsvermogen.
Ratio weerstandsvermogen
=
Beschikbare weerstandscapaciteit
12.249.230
Benodigde weerstandscapaciteit
3.713.250
3,3
Wanneer we op deze ratio een correctie toepassen voor de middelen welke niet als dekking gebruikt kunnen worden (onbenutte belastingcapaciteit en erfpacht), verandert het ratio als volgt: Ratio weerstandsvermogen (gecorrigeerd)
=
Beschikbare weerstandscapaciteit
8.342.017
Benodigde weerstandscapaciteit
3.713.250
2,2
Wanneer we alle toekomstige vooruitzichten meenemen en deze afzetten tegen de totale beschikbare weerstandscapaciteit heeft de gemeente Rucphen een ratio van 3,3. We zijn ons er van bewust dat de onbenutte belastingcapaciteit en erfpacht niet kunnen worden gebruikt als dekking. Wanneer we een correctie op deze onderdelen toepassen daalt de ratio naar 2,2, wat volgens de norm ruim uitstekend is.
43
5.7 Voorstel vrijval reserve IHP Met de vaststelling van de 2e bestuursrapportage 2024 heeft uw raad het volgende geamendeerde besluit genomen 1.
2.
3.
De 2e bestuursrapportage 2024 vast te stellen waarbij de bijgevoegde rapportage onder punt 4.1.A en 4.1B zodanig wordt gewijzigd dat het bedrag van de reserve omleiding Rucphen/ontsluiting Nijverhei ten bedrage van € 2.982.512,42 nog niet vrijval, maar in deze reserve blijft. Een extra beslispunt in het voorliggend raadsvoorstel toe te voegen: In het raadsvoorstel Kadernota 2026 een gemotiveerd voorstel te doen voor het bedrag dat kan vrijvallen uit de reserve omleiding ten gunste van de reserve IHP. De 30e begrotingswijziging, na verwerking van de wijziging zoals verwoord onder besluitpunten 1 en 2, vast te stellen.
Voorstel Allereerst willen we benadrukken dat dit een momentopname is, waarbij we uitgaan van ongewijzigde besluitvorming bij vaststelling van de jaarrekening/resultaatbestemming en het vaststellen van de Kadernota 2026 zoals nu is voorgelegd. Het mag duidelijk zijn dat wijziging in de besluitvorming ook van invloed is op het voorstel. We willen voorkomen dat het ratio weerstandsvermogen op enig moment onder de door uw raad vastgestelde 1,0 komt. We hebben daarom in onze berekening rekening gehouden met het verwachte tekort in de jaren 2026 – 2029 en met de verwachte afwaardering van gronden van camping de Witte Plas. Dit omdat beide zaken ten laste komen van de algemene reserve. Uit onderstaande tabel blijkt dat een bedrag van € 0,00 nodig is om de algemene reserve tot en met 2029 aan te zuiveren. Het restant van de reserve omleiding, groot € 2.982.512,00, kan vrijvallen ten gunste van de reserve IHP. Op een later moment zullen wij uw raad hierover formeel een besluit laten nemen bij het vaststellen van de begroting 2026 op 12 november 2025. Voorstel vrijval ten gunste van de reserve IHP Vrije ruimte Algemene reserve (ratio 1,0) Af: eenmalige inzet Algemene reserve (2026) Bij: verwacht cumulatief begrotingssaldo 2026 - 2029
4.628.767 531.626
Af: verwachte afwaardering gronden camping De Witte Plas (2029)
3.300.000
Vrije ruimte Algemene reserve
1.860.393
als de vrije ruimte binnen de Algemene reserve negatief is, dan is het ratio weerstandsvermogen onder 1,0. Op basis van het beleidskader uit de nota risicomanagement & weerstandsvermogen 2018 moet de Algemene reserve (weerstandscapaciteit) dan worden verhoogd. Reserve omleiding Af: aanzuivering Algemene Reserve Vrijval ten gunste van reserve IHP
2.982.512 2.982.512
Eenmalige inzet Algemene reserve (2026) Gemeenten mogen op basis van een nieuw Gemeenschappelijke Financieel Toezichtkader (GTK) een deel van de algemene reserve inzetten om structurele lasten te dekken. Het gaat om 10% van het vrij besteedbare deel van de algemene reserve (€ 462.877,00). Dit mogen we alleen doen in afstemming met de Provincie en moet worden gezien als eenmalige oplossing. Ons uitgangspunt is dat dit middel alleen wordt ingezet wanneer het begrotingssaldo in 2026 negatief blijkt. Verwacht cumulatief begrotingssaldo 2026 - 2029 In het geval dat een begrotingsjaar sluit met een tekort, wordt dit aangevuld door de algemene reserve aan te spreken. We verwachten (cumulatief) een tekort in de jaren 2026 – 2029 en willen om die reden de algemene reserve voldoende op peil houden.