07b Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020 Roosendaalsebaan ong. tussen nr. 20 en 24 te Schijf
Tekst van het document
intensieve veehouderij: een veehouderij met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en waarvan de productie (nagenoeg) niet afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel, zoals een rundveemesterij, een varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier- of geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen; b. niet-intensieve veehouderij: een veehouderij waarvan de productie (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel, in die zin dat het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij; en tevens nader te onderscheiden in: c. grondgebonden veehouderij: een veehouderij die voldoet aan de criteria voor grondgebondenheid, zoals opgenomen in nadere regels die hieromtrent op basis van de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant door Gedeputeerde Staten zijn gesteld, zoals die regels gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag; d.
niet-grondgebonden veehouderij: een veehouderij die niet voldoet aan de criteria voor grondgebondenheid, zoals opgenomen in nadere regels die hieromtrent op basis van de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant door Gedeputeerde Staten zijn gesteld, zoals die regels gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke omgevingsvergunningaanvraag; 1.89 verblijfsrecreatie het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste één nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen; 1.90 (vollegronds)teeltbedrijf een agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen, met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt; 1.91 voorgevel de gevel van een gebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt; 1.92 waterberging gebieden die integraal onderdeel uitmaken van het watersysteem en die periodiek vanuit het oppervlaktewatersysteem kunnen overstromen;
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 10 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
1.93 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die het waterhuishoudkundige belang dienen, waaronder voorzieningen voor waterberging, aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop; 1.94 waterwinbedrijf een bedrijf gericht op het winnen van water uit het waterwingebied met bijbehorende voorzieningen zoals een retentievijver, een onthardingsinstallatie en kalk-opslag; 1.95 waterwingebied gebied waar waterwinning plaatsvindt ten behoeve van de openbare watervoorziening door onttrekking van grondwater; 1.96 weg als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub b van de Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; 1.97 werk een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde; 1.98 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.99 woonunit een te verplaatsen/verwijderen bouwwerk bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het woon-, dag-, of nachtverblijf van één of meer personen; 1.100 zend-/ontvangstinstallatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;
Artikel 2 2.1
Wijze van meten
Algemeen
2.1.1 afstanden van gebouwen onderling, alsmede afstanden van gebouwen tot de bouwperceelsgrens worden gemeten vanaf de zijgevel van een gebouw; 2.1.2 de bebouwde oppervlakte van een bouwperceel of een ander terrein door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in deze regels anders is bepaald; 2.1.3 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en de zijgevel van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.1.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.1.5 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen, zoals goten van dakkapellen, niet meegerekend;
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 11 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
2.1.6 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.1.7 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.1.8 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.1.9 de breedte en diepte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat; 2.1.10 de verticale diepte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het diepste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals funderingen, rioleringen, kabels en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.2
Ondergeschikte bouwdelen
Bouwdelen als plinten, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, portalen, balkons en overstekende daken worden bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen of in de regels bepaalde afstands- en hoogtematen maximaal 1 m bedraagt.
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 12 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Groen - Landschapselement
Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen De voor 'Groen - Landschapselement' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en/of cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle landschapselementen; b. extensief recreatief medegebruik; c. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; d. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van zandwegen en andere on- of halfverharde wegen; e. ondergeschikte bijbehorende wegen, paden en verhardingen; f. landschappelijke inpassing; g. andere tot de bestemming behorende voorzieningen. 3.2
Bouwregels
3.2.1 Algemeen Het is verboden om op deze gronden te bouwen. 3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1 Verboden gebruik Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden voor het opslaan, storten of bergen van materialen en producten, behoudens zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het gebruik van gronden voor het grazen van dieren. 3.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden
3.4.1 Omgevingsvergunningsvereiste Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van beplanting, waaronder bijvoorbeeld houtgewas, tenzij het beplanting betreft die wordt aangebracht ter uitvoering van een in artikel 7.2 genoemd landschappelijk inpassingsplan; b. het vellen van houtgewas wat niet overeenkomt met de duurzame ontwikkeling of instandhouding van de bij de bestemming behorende landschappelijke, natuurlijke of cultuurhistorische waarden; c. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; d. het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage; e. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; f. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; g. het aanbrengen van voorzieningen van geringe omvang ten behoeve van extensieve recreatie; 3.4.2 Uitzonderingsregel Het in lid 3.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die: a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming, als afzetten, knotten, dunnen, waarbij de in 3.1.1 sub a genoemde waarden duurzaam worden veiliggesteld; b.
reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 13 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
3.4.3 Voorwaarden Een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 3.4.1 wordt door het bevoegd gezag niet eerder verleend, nadat: a. is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de bestemming; b. een deskundigenrapport is overgelegd omtrent de vraag of door de voorgenomen werken en/of werkzaamheden de belangen in verband met de bestemming niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.
Artikel 4 4.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
4.1.1 Bestemming De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in een woning, waarbij per bouwvlak één woning is toegestaan; b. groenvoorzieningen, infrastructurele voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 4.1.2 Toelaatbare bebouwing Op deze gronden mogen, met inachtneming van de aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 4.1.1 genoemde bestemmingen worden opgericht: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde. 4.2
Bouwregels
4.2.1 Algemeen Gebouwen mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: a. de afstand tussen gebouwen onderling, indien deze niet aaneengesloten zijn gebouwd, bedraagt minimaal 3 m. 4.2.2 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht; b. de goothoogte bedraagt maximaal 5,5 m en de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m; c. de breedte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 20 m; d. de afstand van de voorgevel van een hoofdgebouw tot de as van de openbare weg bedraagt minimaal 15 m; e. de inhoud bedraagt maximaal 1000 m³; f. de dakhelling bedraagt bij toepassing van hellende dakvlakken minimaal 30° en maximaal 65°; g. de afstand tot de perceelsgrenzen bedraagt minimaal 3 m. 4.2.3 Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m; c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m; d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per woning bedraagt maximaal 100 m², met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 40% bedraagt; e.
bijbehorende bouwwerken worden opgericht op een afstand van minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde hiervan. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 14 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
a.
b. c. d.
4.3
bij een woning mag maximaal één zwembad worden opgericht, met dien verstande dat: 1. het zwembad binnen het bouwvlak wordt opgericht; 2. het zwembad wordt opgericht op een afstand van minimaal 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde hiervan; 3. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt; 4. de afstand tot de woning maximaal 20 m bedraagt; 5. het zwembad mag worden overkapt met een overkapping met een bouwhoogte van maximaal 1 m, met dien verstande dat de oppervlakte van deze overkapping niet meetelt bij het bepalen van de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken als bedoeld in 4.2.3; de bouwhoogte van pergola's en tuinmeubilair bedraagt maximaal 2,5 m; de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt maximaal 4 m. Nadere eisen
Bij erhardi g a het este i gs lak Wo e die t oldaa te orde aa de regels o for de Keur a het waterschap de Brabantse Delta. Indien er een toename van het verhard oppervlakte meer dan 500 m 2 bedraagt, dienen er compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. 4.4
Afwijken van de bouwregels
4.4.1 Paardenbak Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor het oprichten van een paardenbak voor hobbymatig gebruik, met dien verstande dat: a. per woning binnen het bouwvlak maximaal 1 paardenbak is toegestaan; b. de paardenbak wordt gesitueerd achter de voorgevellijn van de woning; c. de oppervlakte van de paardenbak maximaal 1200 m² bedraagt; d. de bouwhoogte van de omheining maximaal 1,70 m bedraagt; e. er geen lichtmasten mogen worden geplaatst; f. de afstand van de paardenbak tot het bestemmingsvlak van woningen van derden minimaal 25 m bedraagt. 4.5
Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Verboden gebruik Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden binnen deze bestemming voor andere vormen van wonen dan de huisvesting van één afzonderlijk huishouden per woning, zoals bedrijfsmatige kamerverhuur of de huisvesting van (groepen) personen die geen huishouden vormen; b. het opslaan, het storten en/of het bergen van goederen, materialen en producten, behoudens voor zover dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het gebruik van opstallen voor statische opslag; d. het gebruik van gronden voor kampeermiddelen; e. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning; f. het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijbehorende bouwwerken bij de woning voor beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis dan wel voor een bed and breakfast of een theeschenkerij; g. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting. 4.6
Afwijken van de gebruiksregels
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 15 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4.6.1 Beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1.1 juncto lid 4.5.1 sub f voor de uitoefening van beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis in het hoofdgebouw en/of in bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat: a. het gebruik een kleinschalig karakter heeft en behoudt; b. door de uitoefening van de activiteit(en) het uiterlijk van de woning niet zodanig wijzigt dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest; c. de vloeroppervlakte van de activiteit(en) in de woning en bijbehorende bouwwerken gezamenlijk maximaal 70 m² bedraagt; d. de activiteit(en) niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn op grond van milieuwetgeving, met dien verstande dat deze voorwaarde niet geldt voor theeschenkerijen; e. degene die de activiteit(en) in de woning en/of bijbehorende bouwwerken uitvoert tevens gebruiker van de woning is; f. parkeren plaatsvindt op eigen terrein; g. de activiteit(en) niet leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking en/of verkeersonveilige situaties; h. de uitoefening van detailhandel niet is toegestaan, uitgezonderd als ondergeschikte nevenactiviteit gerelateerd aan de desbetreffende activiteit(en); i. er geen buitenopslag plaatsvindt; j.
het gebruik niet leidt tot afbreuk en/of belemmering van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bebouwing; k. de uitoefening van seksinrichtingen niet is toegestaan; l. de uitoefening van horeca-activiteiten niet is toegestaan, met uitzondering van: 1. een theeschenkerij; 2. een bed and breakfast, met dien verstande dat: ▪ het aantal personen dat tegelijkertijd van een bed and breakfast gebruik kan maken maximaal 10 bedraagt; ▪ de vloeroppervlakte van de bed and breakfast maximaal 40% van het totale woonoppervlak bedraagt; ▪ er maximaal 4 bed and breakfast kamers mogen worden gerealiseerd; hiervan mogen maximaal 2 bed and breakfast kamers in een bestaand bijbehorend bouwwerk worden gerealiseerd voor in totaal maximaal 4 personen; ▪ de bed and breakfast niet mag worden gevestigd in of bij een mantelzorgwoning; ▪ in een voormalige mantelzorgwoning een bed and breakfast mag worden gerealiseerd wanneer deze is opgericht in een bestaand bijbehorend bouwwerk en de keukenvoorziening is verwijderd, waarbij een pantry wel is toegestaan; ▪ de bed and breakfast accommodatie niet mag worden gebruikt voor de huisvesting van seizoensarbeiders of andere vormen van huisvesting.
Artikel 5 5.1
Waarde – Archeologie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden van archeologische monumenten (AMK-terrein), archeologische vindplaatsen en historische kernen, waarbij de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' voorrang heeft op de andere daar voorkomende bestemming(en). 5.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: 5.2.1 Verbod Het is verboden om te bouwen of te laten bouwen op de voor 'Waarde- Archeologie 2' mede bestemde gronden.
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 16 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.2.2 Uitzonderingen Het in lid 5.2.1 genoemde verbod is niet van toepassing op: a. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd met een oppervlakte groter dan 100 m² en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemmingen, of; b. bouwwerken waarvoor bij de bouw geen grondwerkzaamheden worden uitgevoerd dieper dan 0,30 meter onder het bestaande maaiveld en die kunnen worden gebouwd krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), of; c. de verbouwing en/of sloop- en nieuwbouw van bestaande bouwwerken krachtens de andere daar voorkomende bestemming(en), mits: 1. de bestaande fundering wordt gebruikt; 2. de bestaande oppervlakte niet wordt uitgebreid; d. gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 5.3
Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Afwijken voor bouwen ten dienste van andere bestemming Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het verbod in lid 5.2.1 voor de bouw van bouwwerken ten dienste van de andere geldende bestemming(en), mits: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; of c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2.
een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); of 3. een verplichting de uitvoering van de bouwactiviteiten te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) 5.3.2 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 5.3.3 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een afwijking als bedoeld in lid 5.3.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.4.1 Verbod Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag:
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 17 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
a.
het uitvoeren van grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend het ophogen, afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen), woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het aanbrengen van heipalen; b. het wijzigen van de waterhuishouding, zoals het aanleggen van drainage en het uitdiepen, graven en/of verleggen van waterlopen; c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; d. het verlagen van het waterpeil; e. het aanleggen of uitbreiden van oppervlakteverhardingen, zoals wegen, paden, banen of parkeergelegenheden; f. het aanbrengen of rooien van diepwortelende bomen en/of beplanting, waarbij de stobben worden verwijderd.
5.4.2 Uitzonderingen Het in lid 5.4.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. het werken of werkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of; b. het werken of werkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,30 meter onder het bestaande maaiveld, of; c. de werken en of werkzaamheden het normale onderhoud en beheer betreffen, waaronder begrepen onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen en werkzaamheden binnen bestaande tracés van kabels, leidingen en rioleringen waarbij niet dieper gegraven wordt dan de reeds uitgegraven diepte, of; d. de werken of werkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werkingtreding van het bestemmingsplan, of; e. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; f. de werken en werkzaamheden gericht zijn op archeologisch onderzoek, waaronder begrepen het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), of; g. het gronden betreft waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
5.4.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.4.1 wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of b. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); of 3.
een verplichting de uitvoering van de werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). 5.4.4 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 18 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 5.4.5 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.4.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 5.5
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
5.5.1 Verbod Het is verboden om op de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden bouwwerken te slopen of te laten slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag. 5.5.2 Uitzonderingen Het in lid 5.5.1 genoemde verbod is niet van toepassing indien: a. het sloopwerkzaamheden betreft waarvan de oppervlakte niet meer bedraagt dan 100 m², of; b. het sloopwerkzaamheden betreft die niet dieper reiken dan 0,30 meter onder het bestaande maaiveld, of; c. de sloopwerkzaamheden reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werkingtreding van het bestemmingsplan, of; d. de sloopwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning, of; e. het sloopwerkzaamheden betreft op gronden waar naar oordeel van het bevoegd gezag reeds verstoring heeft plaatsgevonden die dieper reikt dan de te verwachten archeologische vondstlaag; bij de beoordeling hiervan laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. 5.5.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.5.1 wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of b.
op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of c. één of meerdere van de volgende voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning indien op basis van archeologisch onderzoek, weergegeven in een door het bevoegd gezag goedgekeurd archeologisch rapport, in voldoende mate is vastgesteld, dat de archeologische waarden door de sloopwerkzaamheden kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd behoudsmaatregelenplan, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of 2. een verplichting tot het doen van opgravingen door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE); of 3. een verplichting de uitvoering van de sloopwerkzaamheden te laten begeleiden door een gecertificeerde instantie conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen (PvE).
5.5.4 Archeologisch rapport Indien het bevoegd gezag niet beschikt over een voor de beoordeling van de aanvraag toereikend archeologisch onderzoek voor de gronden waarop een aanvraag om omgevingsvergunning wordt gedaan, dient de aanvrager ten behoeve van de beoordeling van archeologische waarden van de gronden een archeologisch rapport te overleggen. 5.5.5 Advies Bij de beoordeling van een archeologisch rapport en de verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 5.5.1, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige. Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 19 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5.6
Wijzigingsbevoegdheid
5.6.1 Wijziging op basis van archeologisch onderzoek Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. 5.6.2 Advies Alvorens de in lid 5.6.1 bedoelde wijziging wordt toegepast, laat het bevoegd gezag zich adviseren door een archeologisch deskundige.
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 20 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 3 Artikel 6
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 7.1
Algemene bouwregels
Afstand van geluidsgevoelige bebouwing tot de weg
7.1.1 Algemeen Deze bepaling strekt tot de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met het wegverkeerslawaai van lokale en interlokale wegen. 7.1.2 Bouwregels Voor de bouw van woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen op gronden die zijn gelegen naast wegen dient in ieder geval een afstand van 15 m uit de as van de weg in acht te worden genomen. 7.1.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, al dan niet in combinatie met de afwijkingsbevoegdheid zoals opgenomen in lid 10.4, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.1.2 voor het toestaan van een kortere afstand tot de weg, met dien verstande dat de voldaan moet worden aan de geluidsnormen voor nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen uit de Wet geluidhinder juncto het Besluit geluidhinder. 7.2
Ondergronds bouwen
7.2.1 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. binnen het bouwvlak zijn ondergrondse bouwwerken toegestaan, met dien verstande dat: 1. ondergrondse bouwwerken onder de contouren van woningen, bedrijfswoningen en agrarische bedrijfsgebouwen in de vorm van dierenverblijven zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 4 m, met dien verstande dat toegangen tot deze ondergrondse bouwwerken, zoals hellingbanen en trappen, ook buiten de genoemde contouren zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 4 m; 2. hellingbanen en laaddocks, anders dan bij woningen, bedrijfswoningen en agrarische bedrijfsgebouwen in de vorm van dierenverblijven zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 4 m; 3. randvoorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, zoals bergbezinkbassins, bergbezinkleidingen en bergingsbassins, zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 4 m; 4. voorzieningen ten behoeve van kadaverkoelingen zijn toegestaan tot een oppervlakte van maximaal 10 m2 en een verticale diepte van maximaal 1,5 m; 5. overige ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 1,5 m; b. buiten het bouwvlak zijn uitsluitend de volgende ondergrondse bouwwerken toegestaan: 1.
voorzieningen ten behoeve van kadaverkoelingen, met een maximum oppervlakte van 10m2 en een maximale verticale diepte van 1,5 m; 2. randvoorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, zoals bergbezinkbassins, bergbezinkleidingen en bergingsbassins, tot een verticale diepte van maximaal 6 m; c. bij de berekening van de inhoud van woningen en bedrijfswoningen wordt de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet meegerekend.
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 21 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
7.2.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.1 voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 m onder peil, onder de voorwaarde dat de waterhuishouding niet wordt verstoord en nadat schriftelijk advies is verkregen van het waterwinbedrijf. 7.3
Bestaande afstanden en andere maten
7.3.1 a.
Bestaande afstanden In die gevallen dat afstanden tot of tussen bestaande gebouwen en bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande afstanden, uitsluitend ter plaatse van de afwijking, als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden. b. In het geval van sloop en vervangende nieuwbouw is het bepaalde onder a van overeenkomstige toepassing, maar uitsluitend indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
7.3.2 a.
Bestaande andere maten In die gevallen dat hoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande gebouwen en bestaande bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan meer dan wel minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen de bestaande maten en hoeveelheden, uitsluitend ter plaatse van de afwijking, als maximaal respectievelijk minimaal toelaatbaar worden aangehouden. b. In het geval van sloop en vervangende nieuwbouw is het bepaalde onder a van overeenkomstige toepassing, maar uitsluitend indien de vervangende nieuwbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
7.4
Nadere eisen
7.4.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning, met inachtneming van de regels vervat in hoofdstuk 2, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling en nokrichting van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.4.2 Voorwaarden De in lid 7.4.1 bedoelde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gronden, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in verband met calamiteiten.
Artikel 8 8.1
Algemene gebruiksregels
Algemene gebruiksregels
Het is verboden de in de artikelen 3 tot en met 4 bedoelde gronden en bouwwerken: a. te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de bestemmingsomschrijving; b. te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven voor een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie; c. te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven ten behoeve van de productie, opslag, stalling en dumping van: 1. een verboden middel zoals bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet; Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 22 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
2.
8.2
grondstoffen ten behoeve van en afvalstoffen afkomstig uit het productieproces van een verboden middel zoals bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet.
Voorwaardelijke verplichting
De gro de e ou erke ter plaatse a de este i g Wo e , oge uitsluite d orde ge ruikt te behoeve van wonen indien de landschappelijke inpassing is gerealiseerd, wordt beheerd en in stand wordt gehouden conform het beplantingsplan zoals is toegevoegd in bijlage 1 bij deze regels, en met dien verstande dat de vereiste kwaliteitsverbetering van het landschap wordt uitgevoerd binnen 24 maanden nadat het bestemmingsplan voor de betreffende locatie onherroepelijk in werking is getreden. 8.3
Alternatieve landschappelijke inpassing
8.3.1
Landschappelijke inpassing
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 8.2, teneinde voor de betreffende locatie een andere landschappelijke inpassing toe te staan dan opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan dat is opgenomen in de bijlage bij deze regels, mits een vergelijkbare kwalitatieve staat van landschappelijke inrichting wordt bereikt. Hiertoe wordt een door het bevoegd gezag goed te keuren landschappelijk inpassingsplan overgelegd. 8.3.2
PvE Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven
De gro de e ou erke ter plaatse a de este i g Wo e , oge uitsluite d orde ge ruikt te behoeve van wonen indien er op de locatie een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd is. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd zoals omschreven staat in het PvE Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven. Het PvE is toegevoegd in bijlage 8 van de toelichting.
Artikel 9 9.1
Algemene aanduidingsregels
Milieuzone - boringvrije zone
9.1.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - boringvrije zone' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening. 9.1.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 tot en met 4) mag de verticale diepte van een bouwwerk niet meer dan 10 m bedragen. 9.1.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.1.2 voor het bouwen van een bouwwerk met een verticale diepte van meer dan 10 m, met dien verstande dat: a. het bouwwerk of de bouwwerkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening; b. schriftelijk advies is verkregen van Gedeputeerde Staten waarbij het bevoegd gezag het advies van het Gedeputeerde Staten als afweging meeneemt bij de verlening of weigering van de omgevingsvergunning. 9.1.4 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden Op het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zijn de rechtstreeks werkende regels voor de boringvrije zone zoals opgenomen in de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant van toepassing.
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 23 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
9.2
Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied
9.2.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening. 9.2.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 tot en met 4) mag de verticale diepte van een bouwwerk niet meer dan 3 m bedragen 9.2.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.2.2 voor het bouwen van een bouwwerk met een verticale diepte van meer dan 3 m, met dien verstande dat: a. het bouwwerk of de bouwwerkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening; b. schriftelijk advies is verkregen van Gedeputeerde Staten waarbij het bevoegd gezag het advies van het Gedeputeerde Staten als afweging meeneemt bij de verlening of weigering van de omgevingsvergunning. 9.2.4 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden Op het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden zijn de rechtstreeks werkende regels voor het grondwaterbeschermingsgebied zoals opgenomen in de (interim) Omgevingsverordening Noord-Brabant van toepassing. 9.3
Overige zone – beslotenheid
9.3.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - beslotenheid' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor het behoud van de beslotenheid in het landschap. 9.3.2 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden a. Omgevingsvergunningsvereiste Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag houtgewas te vellen of te kappen. b. Uitzonderingsregel Het in lid 8.3.2 sub a vervatte verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die: a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming; b. behoren tot de reguliere werkzaamheden ten behoeve van een boomteeltbedrijf; c. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. c. Voorwaarden Een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 9.3.2 sub a wordt door het bevoegd gezag niet eerder verleend dan nadat is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de landschappelijke waarden. 9.4
Vrijwaringszone - obstakelbeheerzone
9.4.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - obstakelbeheerzone' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming van de radarverstoringsgebieden van
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 24 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Vliegbasis Woensdrecht en radarstation Herwijnen, teneinde de verstoring van het radarbeeld te voorkomen en bescherming van de obstakelbeheerzones van Vliegbasis Woensdrecht. 9.4.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 tot en met 4): a. mogen geen bouwwerken worden gebouwd met een hoogte van meer dan 88 meter; b. geldt voor windturbines, in aanvulling op het bepaalde onder a en naast de bouwregels zoals opgenomen in de artikelen 3 tot en met 4, dat geen windturbines mogen worden opgericht met een tiphoogte hoger dan 90 m + NAP. 9.4.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.4.2 voor het bouwen overeenkomstig het bepaalde in de andere bestemmingen, met dien verstande dat: a. het functioneren van de radar niet in onevenredige mate wordt of kan worden aangetast; b. de Minister van Defensie ingestemd heeft met de ontwikkeling.
Artikel 10 10.1
Algemene afwijkingsregels
Algemeen
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van: a. de in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10%, met dien verstande dat deze afwijking niet is toegestaan voor de vergroting van de inhoud van woningen en bedrijfswoningen en voor de vergroting van de oppervlakte van recreatiewoningen, en enkel in de gevallen waarbij is aangetoond dat afwijking noodzakelijk is: 1. ten gevolge van de technische eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit; of 2. in verband met een woningaanpassing in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning; of 3. ter optimalisering van de bedrijfsvoering; b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, met dien verstande dat de overschrijding maximaal 2,5 m bedraagt en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing; c. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-/ontvangstinstallaties en/of sirenemasten wordt verhoogd tot maximaal 40 m; d. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m; met dien verstande dat: 1.
de belangen van de eigenaren en gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet aantoonbaar onevenredig worden geschaad; 2. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad; 3. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt geschaad. 10.2
Kleinschalig beschermd wonen
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen en vormen van kleinschalig beschermd wonen toestaan, met dien verstande dat: a. voor het inrichten van een bijbehorend bouwwerk als woonruimte ten behoeve van het aanbieden van beschermd wonen, geldt dat: 1. het maximum aantal te huisvesten personen 5 bedraagt; 2. het maximum aantal bouwwerken per locatie 5 bedraagt; 3. de voorziening voor beschermd wonen uitsluitend mag worden bewoond door personen, waarvoor de behoefte aan beschermd woningen is aangetoond door middel van een indicatie die is afgegeven door de (centrum)gemeente; 4. het gaat om tijdelijke huisvesting van personen (maximaal 2 jaar per persoon); Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 25 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
5. 6.
b.
10.3
er geen zelfstandige woning ontstaat; de oppervlakte van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van beschermd wonen minimaal 15 m2 en maximaal 25 m² per persoon bedraagt. De oppervlakte ten behoeve van beschermd wonen wordt niet meegerekend voor de maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij de (bedrijfs)woning; 7. de afstand tussen de bouwwerken minimaal 5 m bedraagt; 8. parkeren op eigen terrein plaatsvindt; 9. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing die dient te worden aangetoond door het overleggen van een door het bevoegd gezag goedgekeurd landschappelijk inpassingsplan; 10. aangetoond is dat de voorziening voor kleinschalig beschermd wonen geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven; 11. de brandweer advies heeft uitgebracht over de voorziening. voor het plaatsen van (een) tijdelijke vrijstaande woonunit(s) ten behoeve van het aanbieden van beschermd wonen, geldt dat: 1. het maximum aantal te huisvesten personen 5 bedraagt; 2. het maximum aantal te plaatsen woonunits per locatie 5 bedraagt; 3. de voorziening voor beschermd wonen uitsluitend mag worden bewoond door personen, waarvoor de behoefte aan beschermd woningen is aangetoond door middel van een indicatie die is afgegeven door de (centrum)gemeente; 4. het gaat om tijdelijke huisvesting van personen (maximaal 2 jaar per persoon); 5.
er geen zelfstandige woning ontstaat; 6. de oppervlakte van een tijdelijke woonunit minimaal 15 m2 en maximaal 25 m² per persoon bedraagt. De oppervlakte ten behoeve van beschermd wonen wordt niet meegerekend voor de maximale gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij de (bedrijfs)woning; 7. de afstand tussen de woonunits minimaal 5 m bedraagt; 8. plaatsing van een tijdelijke woonunit uitsluitend binnen het bouwvlak en minimaal 2 m achter de voorgevel van de (bedrijfs)woning is toegestaan; 9. de goothoogte van een tijdelijke woonunit maximaal 3 m bedraagt; 10. de bouwhoogte van een tijdelijke woonunit maximaal 5 m bedraagt; 11. parkeren op eigen terrein plaatsvindt; 12. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing die dient te worden aangetoond door het overleggen van een door het bevoegd gezag goedgekeurd landschappelijk inpassingsplan; 13. aangetoond is dat de voorziening voor kleinschalig beschermd wonen geen belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven; 14. de brandweer advies heeft uitgebracht over de voorziening. Bouwwerken ten behoeve van hobbymatig agrarisch grondgebruik
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen en de bouw van een bouwwerk ten behoeve van hobbymatig agrarisch grondgebruik toestaan, met dien verstande dat: a. medewerking uitsluitend wordt verleend op de gronden met de aanduiding 'Overige zone kernrandzone'; b. de oppervlakte van een bouwwerk ten hoogste 20 m² bedraagt; c. de bouwhoogte van een bouwwerk ten hoogste 4 m bedraagt; d. er geen sprake is van een aantoonbaar onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; e. er geen sprake is van een aantoonbaar onevenredige aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en (agrarische) bedrijven. 10.4
Kleinere afstand van bouwwerken tot de weg
Het bevoegd gezag kan, al dan niet in combinatie met de afwijkingsbevoegdheid zoals opgenomen in lid 7.1.3, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van de minimale afstand van bouwwerken tot de as van de weg zoals voorgeschreven in hoofdstuk 2, met dien verstande dat Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 26 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
a. b.
de belangen van de eigenaren en gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet aantoonbaar onevenredig worden geschaad; het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
Artikel 11 11.1
Algemene procedureregels
Nadere eisen
Bij toepassing van de nadere eisen regeling, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 12 12.1
Overige regels
Parkeerregeling a.
bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken, dient tenminste voldaan te worden aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017' d.d. 31 mei 2017; b. het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde onder a indien wordt voorzien in parkeervoorziening, die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is als bedoeld onder a; c. indien de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017' als bedoeld onder a gedurende de planperiode van dit bestemmingsplan wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning getoetst aan deze wijziging. d. parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden.
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 27 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 4 Artikel 13 13.1
13.2
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Overgangsrecht gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
a.
Artikel 14
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingspla Schijf .
Buitengebied Rucphen 2020, Roosendaalsebaan ong. tussen 20 en 24 te
Bestemmingsplan regels 202280 I 23-07-2024
Pagina 28 van 30
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bijlagen
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Bijlage 1 Landschapsplan
Landschappelijke inpassing RvR tussen Roosendaalsebaan 20 en 24 Schijf
1925
1950
1990
2022
Gebiedsbeschrijving: Het gebied Schijfse vaart bestaat hoofdzakelijk uit oude besloten zandontginningen. De landerijen tussen de Rucphense Bossen en de kern Schijf liggen op een hoger gelegen dekzandrug. Daarom zijn de oude landbouwgronden, de bolle akkers juist daar te vinden. De overgang van de bossen naar het relatief open landschap zijn hard en abrupt. In het landschap zijn nog enkele historische lijnen en boskavels terug te vinden, die nog dateren uit de tijd van de ontginning. Het gebied heeft een grotendeels agrarische functie. Er is vooral intensieve veehouderij te vinden, maar ook boomteelt. Verder heeft Schijf een voorzieningenfunctie voor recreanten uit de Rucphense Bossen. Op de pla lo atie orde de la ds hapsele e te K ip- scheerheg , La ds haps o e i o e rij , La ds haps oo als solitair e Struweelhaag toegepast. Aa de oord, zuidzijde e deels oostzijde van het perceel wordt een Struweelhaag aangeplant met daartussen landschapsbomen, deze worden hier geplant om de overgang van tuin naar het achterliggende bos zachter te maken. Aan de oorzijde a het per eel ordt het la ds happelijk ele e t la ds haps o e i o e rij aangeplant . Gezien de verbindende functie van de Roosendaalsebaan wordt een bomenrij aan de straatzijde aangeplant met inheemse bomen eerste grootte.
De knip-scheerheg wordt tussen de percelen aangeplant, deze dienen om de perceelsgrens aan te geven en om de privacy van beide locaties te waarborgen. De inpassing sluit aan op de voorgenomen inpassing van Roosendaalsebaan 24. Door variatie van soorten en hoogtes van de beplanting, zorgt het voor een versterking/aanvulling van de biodiversiteit.
Pagina 2
Landschappelijke inpassing – Roosendaalsebaan tussen nr. 20 en 24 - Schijf
Landschappelijke inpassing
Nieuwe Struweelhaag 1800M² + 14 bomen
Knip- scheerheg 76mtr lang 150cm hoog
Nieuwe landschapsbomen in bomenrij 10 stuks
N
Schaal 1:1000
Pagina 3
Landschappelijke inpassing – Roosendaalsebaan tussen nr. 20 en 24 - Schijf
Struweelhaag 1800 M²: Het la ds hapsele e t Stru eelhaag alt o der het la ds hapspakket L doornachtige struiken met een bedekking van minimaal 80%.
STILA . Het is ee vrijliggend lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten begroeiing van inheemse, overwegend
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer Het element is tenminste 25 meter lang en is ten minste 2 meter en ten hoogste 5 meter breed; Het element kan vrij uitgroeien en wordt maximaal 1 maal per 6 jaar op tenminste 1 meter hoogte gesnoeid; overhangende takken aan de zijkanten mogen maximaal 1 maal per 3 jaar worden teruggesnoeid; Bij versnipperen van het takhout (met versnipperaar) mogen de snippers niet in het element worden verwerkt; Bij verbranden van het takhout (indien dit mogelijk is in kader van APV) geen vuur maken in of binnen 5 meter vanaf het element; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v. pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat stammen en hakhoutstobben en betreding van het element wordt voorkomen.
Het raster mag niet bevestigt zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden in beginsel alleen verricht in de periode tussen 1 november en 15 maart.; bestrijding van ongewenste houtsoorten kan in de periode tussen 15 juli en 15 maart plaats vinden.
Soort
Maat
Aantal
Latijnse naam
Nederlandse naam
Corylus avellana
Hazelaar
60-100
2700
Prunus spinosa
Sleedoorn
60-100
2700
Viburnum opulus
Gelderse roos
60-100
2700
Rosa canina
Hondsroos
60-100
2700
Ribes nigrum
Zwarte Bes
60-100
2700
Pagina 4
Landschappelijke inpassing – Roosendaalsebaan tussen nr. 20 en 24 - Schijf
Landschapsboom als solitair en in bomenrij ( 24 Stuks): Het la ds hapsele e t La ds haps oo i o e rij alt o der het la ds hapspakket L STILA . Ee solitaire la ds haps oo is een alleenstaande inheemse loofboom, niet zijnde een knotboom, die doorgaans in een vrij grote, open ruimte staat. In geval er langs een perceelsgrens of in een groep minder dan 10 bomen staan worden alle bomen als solitaire boom beschouwd. De boom staat niet in een ander landschapspakket waarbij de beheersvergoeding gerelateerd is aan de oppervlakte (zoals houtsingel en hakhoutbosje). Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer: De bomen kunnen periodiek worden gesnoeid, waarbij de kroon (onderste dikke tak tot de top) na het snoeien altijd meer dan 50% van de lengte van het takvrij stamstuk bedraagt. Bij verbranden van het takhout (indien dit mogelijk is in kader van APV) geen vuur maken onder de kronen van de bomen. Bij beweiding van de aanliggende gronden is bij solitaire bomen langs een perceelsgrens een raster aanwezig waardoor schade door vraat aan stammen en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigt zijn aan stammen van het element zelf. Indien de boom in een beweid perceel staat is rond de boom een raster aanwezig op 1,5 meter uit de voet van de stam. Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen.
Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 augustus en 15 maart.
Soort
Maat
Aantal
Latijnse naam
Nederlandse naam
Styphnolobium japonicum
Honingboom
18-20
5
Tilia cordata
Kleinbladige Linde
18-20
14
Juglans regia
Walnoot
18-20
5
Pagina 5
Landschappelijke inpassing – Roosendaalsebaan tussen nr. 20 en 24 - Schijf
Knip- Scheerhaag 76 meter:
Het la ds hapsele e t K ip-S heerhaag alt o der het la ds hapspakket L struiken, dat regelmatig wordt geknipt of geschoren.
STILA . Het is ee vrijliggende lijnvormig landschapselement, met aaneengesloten begroeiing van inheemse bomen- en
Algemene eisen ten aanzien van inrichting en beheer: Het element is tenminste 25 meter lang en is ten minste 1 meter en ten hoogste 3 meter breed; Het element wordt minimaal eenmaal per 2 jaar en maximaal eenmaal per jaar geknipt ofgeschoren en de haag heeft in geschoren toestand een hoogte van minimaal 1 meter; Bij verbranden van het takhout (indien dit mogelijk is in kader van APV) geen vuur maken in of binnen 5 meter vanaf het element; Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen in het element is niet toegestaan m.u.v.`pleksgewijze bestrijding van akkerdistel, ridderzuring, Jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop en van ongewenste houtsoorten (Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik en Robinia) middels een stobbenbehandeling; Bij beweiding van de aanliggende gronden is een raster aanwezig waardoor schade door vraat stammen en hakhoutstobben en betreding van het element wordt voorkomen. Het raster mag niet bevestigt zijn aan stammen van het element zelf; Grondbewerking van de aanliggende gronden wordt zodanig uitgevoerd dat schade aan het element wordt voorkomen; Snoeiwerkzaamheden worden alleen verricht in de periode tussen 1 juni en 15 maart. Voor de knip-scheerhaag worden vier planten per meter gebruikt.