07b Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 Sprundelseweg 10 te Rucphen - Juli 2021 - definitief
Tekst van het document
Temeer nu er reeds bestaande woningen op een korte afstand van deze inrichtingen zijn gelegen, welke daarmee het toetsingskader vormen als het gaat om de toetsing van eventuele toekomstige 60
ontwikkelingen van die inrichtingen, is milieuzonering niet een belemmerende factor. De inrichtingen hebben niet een negatieve uitstraling.
C A
B
D Figuur 40: Milieuzonering
4.9
Verkeer
Elke nieuwe woning genereert gemiddeld een zes- tot achttal verkeerbewegingen per dag. Gelet op de huidige verkeersintensiteiten en de verwachting dat het aantal bewegingen zal afnemen als gevolg van alle omleidingen in de gemeente Rucphen (figuur 41), vormt de nieuwe woning geen probleem. De maximale capaciteit van de weg wordt nog niet benut. Na realisatie van de omleiding Rucphen-Sprundel-St. Willebrord is het verkeer op een andere wijze door de gemeente gaan rijden. De realisatie van de nieuwe infrastructuur en het afwaarderen van andere wegen, is voor de gemeente Rucphen aanleiding geweest een Verkeerscirculatieplan (VCP), inclusief wegcategoriseringsplan op te stellen van 6 oktober 2014. Met aandacht voor fietsen, parkeren en bewegwijzering in alle dorpskernen. De St. Martinusstraat, Rucphensevaartkant, Raadhuisstraat, deel Schijfse Vaartkant en Zundertseweg worden opgenomen in het verblijfsgebied BIBEKO met een maximumsnelheid van 30 km/uur omdat de wegen nu niet de vormgeving overeenkomstig een toegangsweg hebben. De Nota Parkeernormen Rucphen 2017 is op 31 mei 2017 vastgesteld. De Nota Parkeernormen heeft het volgende doel: Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien.
Waar mogelijk wordt hiermee de bereikbaarheid en leefbaarheid van de gemeente gewaarborgd.
61
Figuur 41: Omleiding Rucphen De Nota Parkeernormen 2017 heeft de volgende uitgangspunten: • Het vaststellen van parkeernormen levert een bijdrage aan de leefbaarheid in de gemeente. Het gaat hierbij met name om de kwaliteit van de openbare ruimte; • de Nota Parkeernormen 2017 levert een bijdrage aan de economische vitaliteit van de gemeente. Parkeren vormt immers een belangrijke schakel in de totale bereikbaarheid van de gemeente; • de Nota Parkeernormen 2017 speelt in op de toekomstige ontwikkeling, zodat duurzaamheid is gewaarborgd; • de Nota Parkeernormen 2017 kent een algemene strekking. Dit betekent dat de Nota niet in alle gevallen direct van toepassing is omdat in specifieke gevallen maatwerk noodzakelijk en wenselijk is. In deze gevallen hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid gemotiveerd maar in de geest van de Nota te handelen. De Nota Parkeernormen 2017 is gebaseerd op de CROW-publicatie nr. 317 ‘kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Op grond van de door de Nota gehanteerde gebiedsindeling is voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied een parkeernorm opgenomen van 2,4 parkeerplaats per woning. Dit resulteert dat binnen de planlocatie minimaal 3 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn.
4.10 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De 62
Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Om te beoordelen of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat wordt bij een ruimtelijke ordeningstoets voor de omgekeerde werking eveneens de Wet geurhinder en veehouderij toegepast. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (ouE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden). De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De bedrijfswoning die tot de veehouderij zelf behoort, wordt niet aangemerkt als geurgevoelig object.
Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om eigen geurbeleid op te stellen. De gemeente Rucphen heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door op 15 december 2011 de ‘Geurgebiedsvisie Rucphen’ op te stellen. Hierin is een zestal transformatiegebieden aangewezen, waar woningbouw mogelijk zal worden gemaakt. De aanwezigheid van veehouderijen kan belemmeringen opleveren voor het realiseren van de woningbouwplannen. Met de door de gemeente Rucphen opgestelde Geurgebiedsvisie met verordening, die op 8 februari 2017 is gewijzigd, wordt de mogelijkheid geboden om afwijkende geurnormen vast te stellen. Het plangebied ligt niet langer meer nabij een transformatiegebied. Het wettelijk toetsingskader is daarom de Wet geurhinder en veehouderij. Een woning is een geurgevoelig object.
Op basis van de provinciale website Web-BVB (Bestand Veehouderij Bedrijven) liggen er enkele bedrijven binnen 1.500 meter van het plangebied, uit te splitsen in (a) bedrijven met dieren met emissiefactoren en (b) veehouderijen waarvoor vaste afstanden gelden. Alle bedrijven liggen op ruime afstand, meer dan 900 meter. Reeds andere geurgevoelige objecten in de omgeving van veehouderijen bedoeld onder a zijn bepalend voor de milieuruimte van die bedrijven. Dit betekent dat er nu geen belemmeringen zijn voor het verblijfklimaat aan de Sprundelseweg. Binnen 50 meter liggen er evenmin bedrijven zoals bedoeld onder b. Daarmee wordt voldaan aan de wet- en regelgeving. Onder voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van één veehouderij, die de meeste geurbelasting op het geurgevoelige object veroorzaakt, verstaan. Voor de een representatieve bepaling van de voorgrondbelasting dient de geurbelasting van de omliggende veehouderijen afzonderlijk berekend te worden, om te bepalen welke de dominante veehouderij is. Onder achtergrondbelasting wordt de geurbelasting van de in de omgeving liggende veehouderijen op een geurgevoelig object verstaan. In figuur 42 en 43 is een uitsnede uit Plan-MER herziening Structuurvisie RO transitie veehouderij, provincie Noord-Brabant d.d. 9 september 2013 weergegeven. In de uitsnede is de achtergrondbelasting geur in kaart gebracht.
Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van de planlocatie als ‘zeer goed’ te kwalificeren is. 63
Voorzover er dus veehouderijen rondom de planlocatie liggen, is het ook belangrijk om te melden dat zowel in de provinciale verordening als in het gemeentelijk bestemmingsplan een verbod op uitbreiding is opgenomen c.q. een beperking voor de veehouderij. Omliggende veehouderijen worden ook niet beperkt door de komst van de woning. In relatie tot de geuremissie, liggen deze bedrijven dus op voldoende afstand, zodat een goed verblijfklimaat kan worden gegarandeerd en nader onderzoek niet nodig is.
Figuur 42: Geurbelasting maximale invulling
Figuur 43: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur
4.11 Overige belemmeringen, kabels en leidingen Er zijn geen overige belemmeringen bekend. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden zal een Klicmelding worden uitgevoerd, waardoor eventueel overige aanwezige kabels en leidingen aangetoond kunnen worden waarmee rekening gehouden dient te worden bij werkzaamheden.
4.12 Besluit m.e.r. Aanleiding Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het
64
opstellen van een milieueffectrapportage. Deze paragraaf wordt als aanmeldnotitie beschouwd, waarover hierna meer. Wettelijk kader Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande drie criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is.
Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan dus leiden tot twee conclusies: • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Aanmeldnotitie Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.
Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die via het herzien van een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, middels een vormvrije m.e.r.- beoordeling in beeld moeten worden gebracht met een aanmeldnotitie, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieu effectrapportage op te stellen. De aanmeldnotitie moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in Bijlage III Richtlijn 2011/92/EU. De criteria vallen uiteen in de: • kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; • plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; • kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. 65
Voorliggende milieuparagraaf is als aanmeldnotitie bedoeld. Hierin zijn de milieueffecten in relatie tot het planvoornemen geïnventariseerd en gebundeld weergegeven. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage. Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling, Activiteit en drempelwaarde Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van bedrijfsbebouwing. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. Het bouwen hiervan komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D 11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van één woning en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde.
Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Passende beoordeling Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat het plangebied niet ligt nabij een natuurnetwerk. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Verder zijn de volgende aspecten onderzocht, met verwijzing naar de voorgaande paragrafen uit hoofdstuk 4 met bijbehorende uitgevoerde onderzoeken en is daaruit niet van een milieubelemmering gebleken. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.
Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Bèlvéderegebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. De bodemgesteldheid is onderzocht, er heeft een watertoets plaatsgevonden en externe veiligheid is beoordeeld. De effecten van het planvoornemen blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. De effecten zijn beperkt en de ontwikkeling stuit niet op bezwaren in relatie tot de aangehaalde milieuaspecten. Er is geen sprake van ‘belangrijke nadelige’ milieueffecten. MER-plicht Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MERplichtig op grond van de Provinciale milieuverordening. Conclusie In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot 66
het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. Gelet op het vorenstaande wordt voorgesteld om op basis van deze aanmeldnotitie te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is. Temeer nu inmiddels uit jurisprudentie is gebleken dat het bouwen van een enkele woning zelfs niet als stedelijke ontwikkeling behoeft te worden aangemerkt.
67
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Planvorm
Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Sprundelseweg 10 te Rucphen’ kan gekarakteriseerd worden als een compact ontwikkelingsplan. Eén en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een gedetailleerd kaartbeeld en een uniforme opzet van de bepalingen, waarbij veelal is aangesloten bij de bestemmingen en systematiek (verbaal bouwblok) uit het vigerende bestemmingsplan. Het plan wordt digitaal vastgesteld volgens SVBP2012/IMRO2012. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een set regels met bijbehorende geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0840.9000B0023-VO02. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De regels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen, hoofdstuk 3 omvat de algemene regels en in hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en de slotregels weergegeven. De planregels zijn afgestemd op de regels van het bestemmingsplan dat eind 2020 voor het buitengebied van Rucphen zal worden vastgesteld.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
1 INLEIDENDE REGELS Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 2 BESTEMMINGSREGELS Groen – Landschapselement (artikel 3) Ten behoeve van de landschappelijke inpassing, zoals noodzakelijk conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, is het perceel rondom bestemd met een groenbestemming. Dit geldt ook voor de solitaire hoogstamfruitbomen. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor de instandhouding van natuurlijke en/of cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle landschapselementen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en bijbehorende wegen, paden en verhardingen. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen worden opgericht ten dienste van de bestemming. Wonen (artikel 4) Woningen bestemd voor de huisvesting van één huishouden worden in een bestemmingsplan bestemd tot ‘Wonen’. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een op de kaart opgenomen bouwvlak, welke gelijk is aan het bestemmingsvlak.
De afstand van de voorgevel van de woning tot de bestemmingsgrens dient 25 meter te bedragen. Door het opnemen van een bouwvlak wordt de situering van de bebouwing en bijbehorende bouwwerken nader geregeld. In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering. Aansluiting is gezocht bij het vigerende bestemmingsplan, waarbij de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt. Goot- en bouwhoogtes voor hoofdgebouwen zijn in het plan standaard in de regels bepaald op maximaal 5,5 c.q. 9 meter. Voor bijbehorende bouwwerken bedraagt de bouwhoogte van de bebouwing maximaal 6 meter en bedraagt de maximale goothoogte 3,5 meter. De natuurlijke tuin heeft geen bouwvlak. 68
Archeologie (artikel 5) Vanwege de archeologische waarden is een dubbelbestemming opgenomen te samen met aan aanduiding, volgens het recente gemeentelijk beleid. 3 ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel (artikel 6) Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een bouwvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Doel van deze zogenaamde dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (artikel 7) In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen, de dakhelling van hellende dakvlakken en de nokrichting en de plaatsing en vormgeving van andere bouwwerken. Deze eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten. Ook wordt de afstand geregeld van bebouwing tot aan de as van de weg én is het ondergronds bouw geregeld.
Algemene gebruiksregels (artikel 8) In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie is expliciet uitgesloten. Algemene aanduidingsregels (artikel 9) In dit artikel zijn regels opgenomen voor het bouwen in onder andere een gebied met beslotenheid en milieuzones. De regels dienen ter bescherming van het woon- en leefklimaat. Voor de planlocatie geldt ook de vrijwaringszone-radar. Hoewel op de planlocatie geen hoge bouwwerken zullen worden opgericht, zijn deze regels volledigheidshalve toch opgenomen in het bestemmingsplan, zodat de vrijwaringszone ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan in tact blijft. Algemene afwijkingsregels (artikel 10) In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid volgens de Wabo opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Ook zijn geringe afwijkingen mogelijk, die in het belang zijn van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de bestemming niet wijzigt en een bouwgrens maximaal 2,50 meter verschuift.
Ook is een regeling ingevoegd voor het hobbymatig agrarisch grondgebruik in de kernrandzone. Algemene wijzigingsregels (artikel 11) In dit artikel is ten eerste een algemene wijzigingsregel opgenomen voor geringe afwijkingen van bestemmingsgrenzen (tot maximaal 5 meter) die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, geen gebouwen zijnde of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Algemene procedureregels (artikel 12) In de artikel is de procedures van de nadere eisen-regeling. 69
Overige regels (artikel 13) In dit artikel zijn is een strafbepaling opgenomen alsmede de parkeerregeling. 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht (artikel 14) In lid 1 zijn de overgangsregels ten aanzien van het bouwen opgenomen. Bouwwerken die, op het moment dat het bestemmingsplan in werking is, bestaan of (kunnen) worden gebouwd met inachtneming van de Wabo en die afwijken van het bestemmingsplan mogen gedeeltelijk worden veranderd of vernieuwd mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot. Is het bouwwerk verloren gegaan naar aanleiding van een calamiteit dan mag het bouwwerk volledig worden vernieuwd of veranderd mits de bouwaanvraag daarvoor binnen 2 jaar na de calamiteit wordt ingediend. Het voorgaande geldt niet voor bouwwerken die zonder Omgevingsvergunning voor het bouwen zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan en voor illegaal gebruik van bouwwerken. Een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen om in te springen op onbillijkheid van overwegende aard. Lid 2 betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit plan in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot.
Slotregel (artikel 15) In dit artikel is ten slotte de naam van het bestemmingsplan opgenomen.
70
Hoofdstuk 6 6.1
Economische en financiële uitvoerbaaheid
Regelgeving grondexploitatie
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In art. 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In art. 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. Hieronder valt onder meer de bouw van een of meer woningen, alsmede de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² brutovloeroppervlakte. In de Wro (art. 6.12, lid 2) is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen dan wel als kostenverhaal anderszins is verzekerd. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. In het voorliggende bestemmingsplan wordt een nieuwe woning gerealiseerd, zodat van een bouwplan sprake is. Voor dit bestemmingsplan wordt gekozen voor een anterieure overeenkomst.
Ambtelijke kosten, kosten voor het bestemmingsplan, de landschappelijke inpassing en eventuele planschade enzovoorts worden hierin opgenomen. Conform art. 6.12 Wro jo art. 6.2.1 Bro hoeft derhalve niet voldaan te worden aan de beginselplicht tot het vaststellen van een exploitatieplan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Conform art. 3.1.6, sub f Bro is ook aandacht geschonken aan de economische uitvoerbaarheid van het plan. Initiatiefnemer bekostigt het project (het bestemmingsplan) uit eigen middelen en zal hierna de kavel verkopen. De koper zal een aanvraag omgevingsvergunning tot bouwen indienen.
71
Hoofdstuk 7 7.1
Procedurele haalbaarheid
Maatschappelijke toetsing
In het kader van de gemeentelijke inspraakverordening betrekt de gemeente de bevolking in principe bij de voorbereiding van plannen op ruimtelijk gebied. In casu is, gelijktijdig met het vooroverleg, gekozen voor een formele inspraakprocedure door/namens de gemeente met een periode van terinzage van zes weken; er zijn geen inspraakreacties op het voorontwerp-bestemmingsplan ingediend. Door/namens de initiatiefnemer is ook met name de omgeving geïnformeerd omtrent de plannen. Dit is de zogenoemde omgevingsdialoog (bijlage 6). Het ontwerp-bestemmingsplan wordt hierna zes weken terinzage gelegd, waarbij de mogelijkheid is geboden zienswijzen in te dienen, alvorens de gemeenteraad een besluit omtrent vaststelling zal nemen. Het plan is digitaal ontsloten via de gemeentelijke website en de landelijke website ruimtelijkeplannen.nl. In de Staatscourant en het gemeentelijk weekblad is van de procedure kennisgegeven. (Geen) zienswijzen zijn ingediend, PM bijlage 9.
7.2
Overleg
Ter voldoening aan het bepaalde in art. 3.1.1 Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van gemeenten, het waterschap, met Rijks- en provinciale diensten et cetera. Voor dit plan is, gelijktijdig met de inspraak/informatie-procedure, onder meer overleg -op digitale wijze- gepleegd met: • Provincie Noord-Brabant; • Waterschap Brabantse Delta; • Regionale Brandweer. Er zijn vooroverlegreacties ontvangen van de provincie Noord-Brabant en het Waterschap Brabantse Delta. De provincie heeft per brief van 7 april 2021 laten weten akkoord te zijn met het plan mits tijdig voor het ontwerpbestemmingsplan de bouwtitel zal zijn aangekocht. Dit is het geval. Het waterschap heeft op 12 mei 2021 aangegeven dat de belangrijkste uitgangspunten voor het waterschap zijn opgenomen in het plan, zodat een positief wateradvies is gegeven. Op advies van het waterschap is het onlangs gewijzigde waterschapsbeleid ten aanzien van waterberging in het plan verwerkt. Ook zijn de milieuvriendelijke bouwmaterialen benoemd alsmede het achterwege laten van uitlogende materialen.
72