CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

07b Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 Sprundelseweg 10 te Rucphen - Juli 2021 - definitief

gemeenteraad 9 maart 2022, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Sprundelseweg 10 te Rucphen21.097 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

uitgesloten. Het bos in en om het MMC heeft naast een functie als buffer, ook een redelijk hoge natuurwaarde. Het gebied wordt door middel van een robuuste ecologische verbindingszone via de Schijfse Vaart verbonden met de Rucphense Bossen. Ook de westelijke overgang van bos naar open gebied moet geleidelijker worden om een maximale ecologische waarde te creëren. Dit kan door middel van het aanleggen van houtwallen en door het aanbrengen van laanbeplanting. In de beboste bufferzone rondom het MMC is extensieve recreatie toelaatbaar. Door middel van beheersmaatregelen wordt een meer natuurlijker soortenrijkdom van het bos nagestreefd. Om het ideaalbeeld uit het LOP te kunnen bereiken mogen de ruimtelijke kenmerken van de deelgebieden niet worden aangetast maar dient het landschap te worden hersteld en versterkt. Ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Rucphen landschapspakketten per deelgebied opgesteld waarin wordt aangegeven welke landschapselementen toegepast kunnen worden om het deelgebied afhankelijke landschap te kunnen versterken. Dit is verwoord in de Structuurvisie Landschap. Deze structuurvisie heeft het primaire doel economische activiteiten in het buitengebied bij bouw- en gebruiksaanvragen te koppelen aan zorg om kwaliteit van het landschap conform het ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ principe uit de provinciale Vr.

Het behoud en ontwikkeling van het landschap staat in deze structuurvisie voorop. Deze structuurvisie dient te voorkomen dat het ontplooien van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zorg om kwaliteit is daarom een voorwaarde voor elk initiatief in het buitengebied. Voor de nieuwe activiteiten geldt dat altijd een algemene toets naar de waarden (natuur, landschap, cultuurhistorie) moet worden uitgevoerd. De landschapspakketten zijn gebaseerd op landschapselementen uit het Groen-Blauw stimuleringskader in combinatie met de deelgebieden uit het Landschapsontwikkelingsplan Rucphen. Deze pakketten zijn bindend voor landschappelijke inpassingen. Binnen de bouwblokken is echter ruimte voor maatwerk. De beoogde ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast, zoals beschreven in paragraaf 2.4 met landschapspakket L1A (STIKA).

35

De landschapspakketten zijn gebaseerd op landschapselementen uit het Groen-Blauw stimuleringskader in combinatie met de deelgebieden uit het Landschapsontwikkelingsplan Rucphen. Deze pakketten zijn bindend voor landschappelijke inpassingen. Binnen de bouwblokken is echter ruimte voor maatwerk. Welstandsnota De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de 'Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019' vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal worden getoetst of welstandsregels van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn geen welstandsregels van toepassing. Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030 De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 opgesteld. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid.

Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). De ambities van de gemeente Rucphen zijn voor nieuwbouw woningen: Bij nieuwbouw is het streven dat er duurzame woningen worden gebouwd met een Energielabel A. Het streven naar het verminderen van het verhard oppervlak in particuliere tuinen met 20% in 2030 ten opzichte van 2019. Bij nieuwe bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden door te toetsen op waterberging. Het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouwwoning op de locatie Sprundelseweg is duurzaamheid. De woning dient te voldoen aan de energieprestatie-eisen (EPC), daarnaast wordt de woning gasloos uitgevoerd. Het aspect water komt in paragraaf 4.3 verder aan bod. Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast, wat een bijdrage levert aan de duurzaamheid.

3.4

Toetsing beleidskaders

Een en ander is derhalve passend binnen het rijks- en provinciaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van het bestemmingsplan. Het rijksbeleid wordt niet aangetast. Het provinciaal beleid wordt in acht genomen door een zuinig ruimtegebruik en landschappelijke inpassing, zoals deze uit de Vr blijkt. Om deze reden is er dan ook planologisch gezien geen probleem om de ontwikkeling door te zetten.

36

Hoofdstuk 4 4.1

Sectorale aspecten, kwaliteit van de leefomgeving

Bodem

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijkingsbesluit. Bij grond afvoer en grondverzet vanaf het plangebied naar elders treden de regels van het Besluit bodemkwaliteit in werking. Deze regels wijken af van de voor het rapport gehanteerde regels van de Wet Bodembescherming. De uiteindelijke beslissing met betrekking tot de functionele geschiktheid van de bodem voor de beoogde doelstelling is strikt voorbehouden aan het bevoegd gezag. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek NEN5740 uitgevoerd op 23 februari 2016 (bijlage 3). Wet bodembescherming Geconcludeerd kan worden dat de bovengrond met sporen baksteen licht verontreinigd is met PCB.

De overige bovengrond is niet verontreinigd. De ondergrond is niet verontreinigd. Het grondwater is licht verontreinigd met naftaleen. Besluit bodemkwaliteit Zowel de bovengrond als de ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarde (AW). De eventueel tijdens de bouwactiviteiten vrijkomende bovengrond is geschikt voor hergebruik ter plaatse. Mogelijk kan de bovengrond voldoen aan de eisen voor achtergrondwaarden grond. Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de gronden grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan de onderzoekslocatie. De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek vormen geen belemmering de voorgenomen bouwplannen ter plaatse te realiseren.

Sinds het onderzoek is het perceel niet gebruikt; het ligt nog steeds braak. Daarmee kunnen de resultaten van het onderzoek 2016 nog gebruikt worden.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Om dit meewegen te laten plaatsvinden wordt, naast de in ontwikkeling zijnde regelgeving en beleid, een economische factor toegevoegd. De kosten voor het zorgvuldig omgaan met het bodemarchief, dus de kosten voor inventarisatie, (voor)onderzoeken, bodemonderzoek en documentatie, worden door de initiatiefnemer betaald.

37

Op 1 januari 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta worden hiermee in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Sinds 2007 zijn gemeenten wettelijk belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dat wil zeggen dat men rekening dient te houden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn , dan is vooronderzoek nodig. Na de vaststelling van het bestemmingsplan op 29 maart 2012, heeft de gemeenteraad op 27 september 2012 de Gemeentelijke Erfgoedkaart (figuur 24 en 25) met bijbehorend beleid vastgesteld. De erfgoedkaart onderscheidt verschillende, relevante archeologisch waardevolle gebieden waar, op basis van verwachtingen, sprake is van een archeologisch onderzoeksplicht. Ter plaatse geldt archeologisch beleidsadviesgebied 3. Dit betekent dat er een archeologische zorgplicht geldt bij bodemingrepen die groter zijn dan 100 m2 en dieper gaan dan 50 cm. onder het maaiveld.

Op basis van het bureauonderzoek was een middelhoge archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen en een lage verwachting voor de perioden Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. De lage verwachting voor de perioden Late-Middeleeuwen tot en met Nieuwe tijd kan op grond van de veldresultaten worden gehandhaafd. De middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen kan op grond van de veldresultaten voor het noordelijke deel van het plangebied worden bijgesteld naar laag. Gezien de aangetroffen verstoringen in het noordelijke deel van het plangebied worden er geen vindplaatsen meer verwacht die kunnen worden bedreigd door de voorgenomen graafwerkzaamheden. Voor het zuidelijke deel van het plangebied (vanaf 10 meter ten zuiden van boring 2, figuur 26) geldt dat de voorgenomen graafwerkzaamheden een bedreiging vormen voor het eventueel aanwezige archeologische bodemarchief.

Figuur 24: Archeologische waarden en verwachtingen 2012 38

Figuur 25: Beleidskaart 2012 Op grond van de resultaten van het onderzoek van 15 februari 2016 (bijlage 2) acht Archeodienst BV een archeologisch vervolgonderzoek in het noordelijk deel van het plangebied niet noodzakelijk. Indien in het zuidelijk deel van het plangebied graafwerkzaamheden gaan plaatsvinden zou vervolgonderzoek in eerste instantie wel noodzakelijk zijn. Dit advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit advies betekent niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de gemeente, die vervolgens een selectiebesluit neemt. In verband hiermee kan de aanduiding ‘hoge archeologische verwachtingswaarden’ in de bestemmingsregels op het noordelijk plandeel (zwarte arcering) in elk geval vervallen. Dit is door de gemeente al verankerd in het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020. Op 18 september 2019 heeft de gemeenteraad van Rucphen ook de Nota Archeologie gemeente Rucphen vastgesteld en daarbij het archeologiebeleid aangepast. Op de beleidskaart (figuur 27) is het onderzoek uit 2016 verankerd; het zuidelijk deel van het plangebied is met een middelhoge verwachting, in plaats van hoge verwachting, geduid. De maatvoering voor onderzoek is bijgesteld tot 1000 m2 en 50 cm.

De verwachting komt terug op de verwachtingenkaart (figuur 28). Dit betekent dat nader onderzoek, waarover in 2016 werd gesproken, niet langer nodig is. De dubbelbestemming blijft voor het zuidelijk deel van het perceel wel gehandhaafd.

39

Figuur 26: Locatie boringen

Figuur 27: Beleidskaart 40

Figuur 28: Archeologische waarden en verwachtingen 2019 Cultuurhistorie Sinds 1 januari 2012 is art. 3.1.6 Bro gewijzigd en verdient cultuurhistorie nadrukkelijk aandacht in een bestemmingsplan. Met behulp van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), die door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) wordt verzorgd en de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW2015) van de provincie Noord-Brabant is nagegaan of de gronden binnen het plangebied van archeologische betekenis zijn. De CHW bestaat uit de volgende onderdelen: • historische bouwkunst: dit zijn de ‘monumenten’ uit het dagelijks taalgebruik; • historische stedenbouw: het kan gaan om een gehucht, dorp, stad, woonwijk of industrieel complex; • historische geografie: aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving; • historisch groen: de groenelementen en structuren die door ingrepen van de mens ontstaan; • historische zichtrelaties: hieronder vallen: molenbiotopen, schootsvelden, eendenkooien en zichtrelaties; • archeologische monumenten: deze kaartlaag bestaat uit de Archeologische Monumenten Kaart Noord-Brabant (AMK); • indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW): naast de hierboven genoemde archeologische monumenten zijn op de cultuurhistorische waardenkaart indicatieve archeologische waarden af te lezen.

Deze waarden zijn belangrijk en moeten in beginsel beschermd worden, zie figuur 29, lage trefkans. De planlocatie komt niet op de CHW-kaart (figuur 30) voor. De Sprundelseweg is geduid als lijn van redelijke hoge waarde. In de nabijheid ligt een drietal gebouwen met historische bouwkunst en één monumentale boom. De planlocatie ligt in de regio Westbrabantse venen. In de ‘Westbrabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Door de nieuwe woning worden de cultuurhistorische waarden niet aangepast.

41

Figuur 29: IKAW

Figuur 30: CHW 2015

42

Figuur 31: Cultuurhistorische kaart gemeente Ook op de gemeentelijke cultuurhistorische kaart (figuur 31) komt de locatie niet voor. Op deze kaart is, aanvullend op de provinciale kaart, het historische groen en dorpsgebied 1900 aangegeven. De Zundertseweg is als oude hoofdverbinding geduid. Daarnaast is op de Cultuurhistoriekaart een ‘matrix waardering en beleid’ opgenomen, waarin wordt aangegeven op welke wijze de cultuurhistorische waarden in ruimtelijk beleid verankerd kunnen worden. Aardkundige waarden Uit de aardkundige waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een aardkundig waardevol gebied en evenmin op korte afstand van een dergelijk gebied is gelegen.

4.3

Water

Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan, aanvullend op het vigerende bestemmingsplan. Waterwet De Waterwet van 22 december 2009 vervangt een aantal bestaande wetten, zoals het Waterbeleid 21e eeuw en de Kaderrichtlijn Water, op het gebied van waterbeheer. De Waterwet is gericht op integraal waterbeheer, met de doelstelling voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. 43

Waterstructuurplan Het provinciale beleid richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant. Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Vijf hoofdthema's vormen de kern van het beleid: • het realiseren van een duurzame watervoorziening; • het verbeteren van de waterhuishoudkundige situatie; • het verbeteren van de waterkwaliteit; • het inrichten van waterlopen met het oog op de versterking van natuurwaarden; • het anders omgaan met water in bebouwd gebied. Provinciaal milieu- en waterplan 2016-2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP, figuur 32) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Doelen van het PMWP: • voldoende water voor mens, plant en dier • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met de partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid.

In de eerste helft van 2016 wordt met hen de Dynamische Uitvoeringsagenda (het uitvoeringsprogramma) uitgewerkt.

Figuur 32: Provinciaal Waterplan 2016-2021 Integraal Waterbeheersplan 2010-2015 Waterschap Brabantse Delta is de beheerder van zowel de kwantiteit als de kwaliteit van het oppervlaktewater ter plaatse. Het waterbeheer is gericht op het duurzaam beheren van het watersysteem, waarbij uitgegaan wordt van een watersysteembenadering. Op 9 december 2009 heeft het algemeen bestuur van het Waterschap Brabantse Delta het Waterbeheersplan 2010 – 2015 44

vastgesteld evenals de Keur. Het plan is op 22 december 2009 in werking getreden en is zes jaar geldig. Dit waterbeheerplan is anders dan voorgaande plannen. Het plan bevat minder details en biedt daardoor meer ruimte om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Het waterschap werkt aan een beter watersysteem, voor mensen en voor flora en fauna. Het watersysteem moet robuuster worden: veiliger, minder kwetsbaar voor regenval en droogte, schoner, natuurlijker en beter toegankelijk voor recreanten. Deze thema’s pakt het waterschap in samenhang aan, omdat een integrale aanpak meerwaarde oplevert voor het resultaat. In het waterbeheerplan staan de doelen en de noodzakelijke ingrepen. Bij de keuze daarvan heeft het waterschap een afweging gemaakt tussen belangen van boeren, bedrijven, burgers, natuurbeheerders en andere partijen. Het waterbeheer blijft steeds in beweging, net als het water zelf, de samenleving en het klimaat. In zes jaar tijd kan er veel veranderen. Daarom controleert het waterschap tijdens de planperiode regelmatig of doelen en maatregelen nog steeds goed gekozen zijn of dat aanpassing nodig is. Het waterbeheerplan geeft de basis voor dit continue proces van plannen (wat willen we bereiken?), doen (wat gaan we doen?), controleren (hoe meten we de resultaten?) en aanpassen (wat hebben we de afgelopen jaren geleerd?).

Bij ieder thema zijn deze onderwerpen terug te vinden. Verder, in de nota 'De ruimte blauw geordend' beschrijft Brabantse Delta waar kansen liggen voor landbouw en stedelijke functies, zonder de randvoorwaarden voor een duurzaam watersysteem te schenden. Dit toetsingskader is een ruimtelijke vertaling van het waterschapsbeleid.

Figuur 33: Uitsnede Waterbeheersplan De locatie is gelegen in de zone Westelijke zandgronden en ligt nabij een volledig beschermd gebied. Op ongeveer 15 meter loopt de waterleiding. Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap Brabantse Delta werkt 24 uur per dag aan waterveiligheid, droge voeten, voldoende en schoon water. Hoe? Dat staat beschreven in het Waterbeheerplan. In het waterbeheerplan staan doelen en maatregelen voor de periode van 2016 tot en met 2021. Ook beschrijft het waterschap hoe 45

ze inspelen op de veranderende omstandigheden, zoals het klimaat. In vijf jaar tijd kan er veel veranderen. Daarom controleert het waterschap tijdens de planperiode regelmatig of doelen en maatregelen nog steeds goed gekozen zijn of dat aanpassing nodig is. Het Waterbeheerplan geeft de basis voor dit continue proces van plannen. Het waterschap wil de samenwerking met burgers, ondernemers en organisaties actief betrekken bij het waterbeheer in Midden- en West-Brabant. Gezond water is immers van belang voor iedereen. Met het waterbeheerplan nodigt het waterschap uit in gesprek te gaan. Goede initiatieven die bijdragen aan droge voeten, voldoende en schoon water worden gestimuleerd. Het Waterbeheerplan is samen met gemeenten, industriële en agrarische ondernemers, Natuurverenigingen, de provincie en het rijk opgesteld. Het algemeen bestuur heeft het waterbeheerplan definitief vastgesteld op 14 oktober 2015. Waterschap Brabantse Delta blijft de verbinding zoeken met inwoners en partners bij de uitvoering van het plan en blijft voortdurend kijken naar de mogelijkheden voor duurzame maatregelen en efficiënter uitvoeren van werkzaamheden. Gemeentelijk beleid Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater.

Het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP) 2018-2022 en het gemeentelijk waterplan (2008) verantwoorden aan de inwoners van de gemeente Rucphen de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht. Bij de realisatie van (nieuwe) bebouwing wordt het scheiden van waterstromen nagestreefd. Bij rioolvervanging wordt, mits kosteneffectief, actief beleid gevoerd op het afkoppelen van hemelwater en scheiden van waterstromen. Voor het afkoppelen van dakvlakken op particulier terrein wordt bij bestaande bouw een doelmatigheidstoets uitgevoerd. Bij het infiltreren van het regenwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan, afvoeren. De zorgplicht hemelwater valt onder de Waterwet (in de toekomst Omgevingswet). In artikel 3.5 is de wettelijke verplichting vastgelegd: De gemeente draagt zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. En de gemeente draagt zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater.

Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk. De gemeente Rucphen heeft belang bij een robuust watersysteem, wat bij hevige regenval het water uit de rioolwateroverstorten kan verwerken. Dit is immers een randvoorwaarde voor het beperken van wateroverlast in bebouwd gebied tot een aanvaardbaar niveau. Retenties worden daarom gedimensioneerd met een ‘regenreeks’ die gemiddeld 1 keer per 100 jaar voorkomt in Nederland. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering, zodat het watersysteem zodanig wordt gedimensioneerd dat het toekomstbestendig is. Voor 'Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen' wordt het beleid van het waterschap Brabantse Delta gevolgd.

46

Keur Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. In april 2021 is het beleid van het waterschap gewijzigd en is de ondergrens vanaf wanneer het waterschap retentie eist bij een toename aan verhard oppervlak veranderd van 2000 m2 naar 500m2. Voorbeelden van situaties waarbij een watervergunning nodig is: • het dempen of wijzigen van een watergang; • het aanleggen van een kabel of leidingen; • het planten van bomen en struiken; • het brengen van water in een watergang.

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’.

Watertoets Huidige situatie De locatie ligt in een historisch nat gebied, kweltype ‘kwel- en infiltratie, grondwatertype landbouw. Het bodemtype is zandgrond, voedselarm en vochtig tot droog. Op de reliëfkaart is het perceel aangeduid als een hoge dekzandrug. Het maaiveld is de funderingsdiepte. Aan de overzijde ligt één sloot. Er is nu sprake van een totaal onverhard weiland. Er zijn geen keringen of andere oppervlaktewateren aanwezig. Nieuwe situatie De woning wordt circa 150 m2 tot 200 m2 groot, aan bijgebouwen kan (vergunningvrij) eveneens 150 m2 worden opgericht. Voor terras, verhardingen en de oprit wordt ook met 150 m2 rekening gehouden. Totaal nemen de verhardingen toe met maximaal 500 m2 zodat feitelijk geen extra waterberging of compensatie nodig is. Neemt niet weg dat op advies van het waterschap wel gezorgd wordt voor retentie voor opvang van hemelwater. De bodemeigenschappen laten dit goed toe. 47

Bij de uitwerking van de bouwplannen zal definitief gekeken worden naar de mogelijkheden voor berging / infiltratie van regenwater op eigen terrein. Dit kan vrij eenvoudig door bijvoorbeeld een vijverpartij. Conform de gemeentelijke bouwverordening dient bij nieuwbouw de riolering gescheiden op de erfgrens aangeboden dient te worden zodat deze op het bestaande gescheiden stelsel kan worden aangesloten. Om verontreiniging van het grondwater of het oppervlaktewater te voorkomen mogen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink, zachte PVC en geïmpregneerde materialen worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Op deze wijze neemt het risico kwaliteit grondwater niet toe. Ten behoeve van het huishoudelijke afvalwater dient een afzonderlijke leiding aangelegd te worden in het nieuwbouwplan. Dit stelsel dient gedimensioneerd te worden op de toekomstige bebouwing in het plangebied. Het nieuwe stelsel kan dan aangesloten worden op het gescheiden rioleringsstelsel. Er wordt gemiddeld 120 liter vuilwater per dag geproduceerd per inwoner en afgevoerd naar het rioolstelsel. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag vanuit het plangebied wordt “geproduceerd”.

Er worden geen capaciteitsproblemen verwacht door deze minimale hoeveelheid. Om grondwateroverlast te voorkomen, wordt gestreefd naar een bepaalde minimale ontwateringsdiepte bij de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). De ontwateringsdiepte is het verschil tussen het maaiveld en het grondwaterpeil. Gestreefd wordt naar een ontwateringsdiepte van 0,70 meter onder maaiveld. Dit is vooral van belang bij bijvoorbeeld het verdiept bouwen van een eventuele kelder. De gemiddeld hoogste grondwaterstand is 1,15 meter onder maaiveld, de gemiddeld laagste grondwaterstand is 2,40 meter onder maaiveld en de gemiddelde voorjaars grondwaterstand is 1,30 meter onder maaiveld. Het plangebied voldoet daarmee aan het streven. Geen extra kwel zal ontstaan. In 2016 heeft het Waterschap al een positief advies gegeven met een aanvullende advies d.d. 12 mei 2021.

4.4

Geluidhinder

Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. In een 30 km/uur-gebied kan toetsing veelal achterwege blijven. Het plangebied is gelegen in een 50 km/uur-gebied. Vanwege het aspect geluid is daarom onderzoek verricht door Greten Raadgevende Ingenieurs d.d. 9 september 2016. Omdat de positie van de woning nu duidelijk in beeld is én verkeerscijfers zijn gewijzigd, is het onderzoek geactualiseerd d.d. 29 januari 2021 en te zien in bijlage 4. De gevelbelasting vanwege het wegverkeer op de Zundertseweg en Sprundelseweg bedraagt maximaal 54 dB (ter hoogte van de voorgevellijn van Sprundelseweg 10, zijnde 25 meter van de as van de weg), in plaats van de toegestane 48 dB. Een ontheffing hogere waarde kan door het college verleend worden tot maximaal 63 dB (buitengebied) of 58 dB (stedelijk gebied). Deze procedure voor de waarden op de voor- en zijgevels (van 50 tot en met 54 dB) wordt aangevraagd en doorlopen, vóór de vaststelling van het bestemmingsplan. De achtergevel van de woning wordt geluidluw uitgevoerd.

Overdrachtsmaatregelen in de vorm van een scherm zijn niet mogelijk. Stedenbouwkundig is het met betrekking tot wegverkeerslawaai niet wenselijk de woning nog verder naar achter op het perceel te positioneren noch is het wenselijk tussen de rijlijnen en de aangestraalde gevels een scherm te situeren. Tevens worden overdrachtsmaatregelen in de vorm van schermen financieel niet wenselijk geacht. Op indicatief niveau kan worden aangenomen dat de kosten van deze maatregel niet in 48

verhouding zijn met het aantal woningen waarvoor de maatregel zou worden toegepast. Bronmaatregelen (verlagen verkeersintensiteit, dunne deklagen type B en geluidsarm asfalt) zijn deels mogelijk en afhankelijk van de omleiding in Rucphen. Bij de aanvraag Omgevingsvergunning wordt ten behoeve van toetsing aan het Bouwbesluit nog een Geluidwering Gevel Onderzoek met berekeningen uitgevoerd.

4.5

Luchtkwaliteit

Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (AmvB), verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 μg/m³ voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg is een grens van 1500 woningen bepaald. Het project ligt heel ver onder deze grens. Het project leidt dus ‘niet in betekenende mate’ tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Bovendien ligt de planlocatie niet binnen een dergelijke zone. Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCNkaarten) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten (figuur 34) geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2018 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide circa 18.3 μg/m3 en voor fijn stof is dit circa 18.3 μg/m3. De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 μg/m3 en voor fijn stof 40 μg/m3.

Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven. Een en ander betekent dat een luchtkwaliteitonderzoek niet noodzakelijk is en dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.

49

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2020

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m3

0,01

PM10 in μg/m3

0,00

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

50

8

1,2

Figuur 34: Kaarten luchtkwaliteit

4.6

Externe veiligheid

Doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit legt eisen op aan bedrijven waarvan het plaatsgebonden risico (PR) hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, waaronder inrichtingen die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO) 1999 en inrichtingen die vallen onder de richtlijnen van de Publicatie Gevaarlijke Stoffen deel 15 van de onafhankelijke Adviesraad Gevaarlijke Stoffen. Als de afstand tot een risicovolle activiteit maar groot genoeg is, is er sprake van 100% veiligheid. Maar deze afstand kan kilometers groot zijn. Nederland is te klein om deze afstanden te hanteren. Daarom is gekozen voor het hanteren van een basisbeschermingsniveau. Dit wordt geconcretiseerd door toepassing van grens- en richtwaarden PR. Het PR is de kans dat een persoon die permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Dit risico wordt uitgedrukt in de overlijdenskans per jaar. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een transportroute. Er zijn verschillende normen voor risico’s als gevolg van risicovolle activiteiten bij bedrijven en het transport van gevaarlijke stoffen.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en in bestaande en in nieuwe situaties. Voor kwetsbare objecten zoals woningen, ziekenhuizen en scholen gelden de strengste eisen. Ingeval er sprake is van kwetsbare objecten waarbij het PR groter is dan 10-5 dan dient binnen drie jaar de risicovolle inrichting gesaneerd te worden. Ook buiten de PR-contouren bestaat nog een invloedsgebied waarbinnen groepen personen slachtoffer 51

kunnen worden van een ongeval. Daarom moet ook het groepsrisico (GR) worden onderzocht. De hoogte van het GR is niet ruimtelijk weer te geven, wel het invloedsgebied waarover het GR wordt berekend. Het GR geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Voor het GR gelden oriënterende waarden. Over elke overschrijding van de oriënterende waarde en over de toename van het GR moet verantwoording worden afgelegd. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. In het BRZO staan criteria die aangeven welke bedrijven zoveel gevaarlijke stoffen hebben, dat er een risico van een zwaar ongeval bestaat. Voor deze bedrijven gelden strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie. De lichtere categorie wordt ook wel Preventiebeleid Zware Ongevallen genoemd, omdat deze bedrijven een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem. Bedrijven van de zware categorie moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport opstellen. Beleidsvisie gemeente Rucphen 2010-2014 De gemeente Rucphen heeft een veiligheidsvisie opgesteld.

Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Rucphen haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s. Per gebiedstype hanteert de gemeente aanvullende eisen ten opzichte van het Rijksbeleid. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘buitengebied’. In aanvulling op de wettelijke eisen hanteert de gemeente voor het gebiedstype buitengebied onder meer de volgende ambities: • geen nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour; • overschrijding van de oriëntatiewaarde wordt niet toegelaten; • geen nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen binnen het invloedsgebied. Op basis van de provinciale risicokaart (figuur 35) zijn geen kwetsbare objecten gelegen in of in de (directe) nabijheid van het plangebied die gevolgen hebben voor de voorgenomen ontwikkeling. Het beoogde gebruik van het plangebied betreft geen risicovolle activiteit maar is wel een (beperkt) kwetsbaar object als bedoeld bij externe veiligheid. Op grond van de provinciale kaart zijn in de omgeving van het beoogde plangebied geen BRZO bedrijven echter wel andere inrichtingen (zwembad, houthandel, propaantank) gelegen , maar deze bevinden zich op voldoende afstand. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen.

De locatie ligt buiten De munitiezone C vanwege Kamp Rucphen en buiten de NNB waar brandgevaar is; circa 200 meter afstand wordt aangehouden. Er loopt op circa 2.500 meter van het plangebied een verkeersroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, namelijk de A58. Er is geen PR-contour en het invloedsgebied voor het groepsrisico is slechts 200 meter. De locatie bevindt zich evenmin in een plasbrandaandachtsgebied. Op basis van de provinciale risicokaart zijn ook geen risicovolle buisleidingen in het plangebied aanwezig. Transportroutes vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In de (nabijheid van de) planlocatie bevinden zich geen relevante aardgastransportleidingen. Er bevinden zich geen spoorwegen of hoofdvaarwegen in de nabijheid van de planlocatie. Voor het beoordelen van de externe veiligheid is een aantal omliggende locaties relevant: • Ten eerste is de invloed van de munitieopslagplaats MMC van belang. Het plangebied ligt buiten de C-zone. Deze zone is de meest ruime zone rondom de munitieopslagplaats en conform het Barro mogen hierbinnen geen bouwwerken opgericht worden met vlies- of gordijngevelconstructies of grote glasoppervlakten waarbinnen zich doorgaans een groot aantal personen bevindt. De munitieopslag van Defensie aan de Zundertseweg 45 ligt op 780 meter; de inrichting zelf op 300 meter. 52

• • • •

•

Het Ijspaleis ligt op voldoende afstand, circa 1,5 km, aan de Rucphensebaan 48. Daar is sprake van ammoniak en machinekamer. Op geruime afstand, circa 550 meter, ligt een leiding van de gasunie Z-520—33, diameter 168mm, 40 bar. Op circa 900 meter aan de Sprundelseweg 45 is het 3.2 bedrijf Houtleeft BV gevestigd. Er is sprake van brandbare vaste stoffen, in de vorm van houtopslag in de open loods. Er is geen PR. De afstand van de planlocatie tot het tankstation ‘Firezone Rucphen’ aan de Sprundelseweg 29a bedraagt circa 350 meter en is daarmee voldoende. Er is geen LPG aanwezig binnen de inrichting van het tankstation. De risicocontour van een LPG-tankstation bedraagt 150 meter, maar omdat er geen LPG aanwezig is bij ‘Firezone Rucphen’, is de risicocontour kleiner dan 150 meter. De afstand tot benzineverkooppunt De Haan aan de Raadhuisstraat 83 is 50 meter en daarmee ook voldoende.

Figuur 35: Provinciale risicokaart 53

In het Beleid bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de Veiligheidsregio is een bluswatermatrix opgenomen. Binnen een 200 meter van de woning moet in principe een bluswatervoorziening aanwezig zijn met een debiet van 90 m3/uur. Feitelijk ligt er op 100 meter van het plangebied een bluswatervoorziening, echter met een debiet van 60 m3/uur. Aangezien het bijna nooit haalbaar is om het vereiste debiet uit een normale ondergrondse brandkraan te halen, is de afwijking verantwoord. Als gevolg van het bouwen van de extra woningen zal het groepsrisico (door toepassing van de vuistregels) niet toenemen. De Veiligheidsregio heeft een standaard advies opgesteld voor de gemeente Rucphen. Het plangebied is gelegen binnen de gestelde uitgangspunten van het advies en kan worden gebruikt voor de (beperkte) verantwoording van het Groepsrisico. Het standaard advies is als bijlage 8 toegevoegd. Samengevat kan worden dat het aspect externe veiligheid de ontwikkeling niet belemmert.

4.7

Ecologie / flora en fauna

Op basis van de natuurwetgeving is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten. Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In onderstaande paragrafen wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is reeds beschermd in het Barro en provinciale IOV. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen.

Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Zoals uit figuur 37 blijkt, ligt de planlocatie niet in of nabij een gebied dat voor de Natura 2000 en/of Natuurbeschermingswet relevant is. Op dit vlak zijn er geen belemmeringen. De Maatjes (België) en de Brabantse Wal, liggen op meer dan 12 resp. 13 km afstand en is daarmee niet relevant.

Gezien de afstand tot het omliggende Natura 2000-gebied en omdat er tussen het gebied en de beoogde ontwikkeling veel landschapselementen aanwezig zijn zoals opstallen in de vorm van woningen, bossen en wegen, is er op de omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake van negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. 54

Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland In de 20e eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen. De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het NNN opgericht. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN (figuur 36) liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van art. 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van art.

2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn IOV de gebieden opgenomen als NNB (voorheen Ecologische Hoofdstructuur EHS, figuur 38). Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het NNB wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de IOV. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘natuur en landschap’ van de IOV is binnen of nabij het plangebied geen NNB aanwezig. Op 100 meter ligt wel NNB De Molenheide. Aan art. 3.16 IOV moet worden getoetst.

De afstand is voldoende ruim om geen belemmering te vormen. De NNB wordt in tact gelaten. Het is een productiebos met ruimte voor recreatie. Deze wordt in tact gelaten; effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van dit bosperceel zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Het gebied vormt ook geen onderdeel van een breder netwerk aan gebied. Het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing op het perceel is dusdanig beperkt, dat deze de NNB (voormalige EHS) niet belemmert. De woning wordt niet in de directe omgeving van de NNB gerealiseerd, eventuele optische verstoring (menselijke activiteit en bebouwing) kan worden weggenomen door bijvoorbeeld hoge dichte begroeiing én er mag geen verlichting op de NNB worden gericht (minimaal gebruik van tuin- en gevelverlichting, gericht naar de grond. Door de aan te leggen bufferzone zijn negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNB uitgesloten.

55

Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in art. 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden.

Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. • Alle vogelsoorten hebben een bepaalde mate van bescherming. Er geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Daarbij kan het naast broedende vogels, ook gaan om vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken en ook jaarrond beschermd zijn. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van volgens. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is.

De periode april tot half juli kan globaal worden aangehouden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen.

56

Figuur 36: Overzicht natuur

Figuur 37: Natura 2000-gebieden

57

Figuur 38: NNB Door Van Helvoirt Groenprojecten is een Quickscan flora & fauna uitgevoerd, d.d. 22 februari 2016. Hieruit (bijlage 1) blijkt dat de natuurwaarden op het perceel laag zijn. Als gevolg hiervan kunnen de geplande werkzaamheden normaal doorgang vinden. Indien alsnog (onvermoed) zwaarder beschermde soorten worden aangetroffen, dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen. Om invulling te geven aan het zorgvuldig handelen dient gewerkt te worden volgens de voorschriften van een gedragscode. Geadviseerd wordt om de ‘Gedragscode flora en faunawetgeving, Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de vereniging Stadwerk’ te hanteren. Deze gedragscode is van toepassing op de uitvoering van aanlegwerkzaamheden in groenvoorzieningen. Door te handelen volgens deze gedragscode wordt schade aan (lokale) populaties van beschermde planten en dieren voorkomen of tot een minimum beperkt. Sinds de quickscan heeft het perceel onveranderd braakgelegen en zijn de omstandigheden niet gewijzigd. Stikstof De hoeveelheid stikstof terugdringen, de natuur versterken en tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk maken. Dat was het doel van het Programma Aanpak Stikstof (PAS), dat de overheid in 2015 introduceerde. Het PAS bood ruimte om vergunningen voor (bouw)projecten in de buurt van een Natura 2000-gebied toch te verlenen.

Zelfs als dat betekende dat er extra stikstof in de natuur terechtkwam. Er werden tenslotte ook maatregelen genomen om de stikstof te verminderen en de natuur te herstellen. Maar de overheid liep te ver op de zaken vooruit, oordeelde De Raad van State. Een toestemming ‘vooraf’ mocht niet. Dat was namelijk in strijd met Europese natuurwetgeving. Op 29 mei 2019 werd daarom een ferme streep gezet door het PAS. Dit leidde tot grote onzekerheid. 58

Zowel projecten met een lopende vergunningaanvraag als projecten die eerst geen natuurvergunning nodig hadden, moesten nu opnieuw beoordeeld worden. Het plangebied is gelegen op circa 10 km afstand van een Natura 2000-gebied. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling. Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve kan aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald.

Figuur 39: Ligging zangronden/afstand Natura 2000-gebied

59

De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. De gebruiksfase ziet op het gebruik van de woningen en de emissie die daarbij plaatsvindt. Significante stikstofbronnen zijn het verkeer van en naar het plan. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de aanleg van de woningen vinden in de aanlegfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van de bouw en sloop en gebruik van bouwmaterieel binnen het plangebied. Inmiddels is er in februari 2020 een Handreiking woningbouw en Aerius vanuit het rijk verschenen waaruit blijkt dat minder dan 50 woningen op zandgronden op een grotere afstand dan 7 km van een Natura 2000-gebied (figuur 39) tot een emissie van 0,00 mol/ha/jaar leiden en dat een berekening achterwege kan blijven.

4.8

Milieuhinder

Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Bij deze toets blijft een eigen bedrijfswoning buiten beschouwing. Een bedrijfswoning van derden wordt als reguliere burgerwoning beschouwd. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn aan de bedrijven dan wel bedrijfsactiviteiten milieucategorieën en richtafstanden toegekend. De genoemde afstanden zijn adviserend en indicatief, de situatie ter plaatse kan reden zijn om hiervan af te wijken. Bedrijven worden beoordeeld op gevaar, stof, geur en geluid. Deze brochure is als hulpmiddel (niet als blauwdruk) opgesteld om toe te passen bij plannen en toetsmomenten van ruimtelijke ontwikkeling, aldus ook de ondertitel van de brochure. De brochure is niet bedoeld om bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu te worden geraadpleegd. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren. Wel is dit een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken.

Milieucategorie in relatie tot afstand ‘rustige woonwijk’ 1 10 meter 2 30 meter 3.1 50 meter 3.2 100 meter 4.1 200 meter 4.2 300 meter. De afstanden zijn de afstanden tussen de bedrijvigheid/voorzieningen en de milieugevoelige bestemming; dus in beginsel de afstand van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. De VNGpublicatie geeft richtafstanden tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit geldt ook voor lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid. Hiervan is thans sprake. Het nieuwe woonperceel (figuur 40) ligt op circa 25 meter van de school (locatie A). Het bouwbedrijf/de smederij (B) is op circa 20 meter van het woonperceel gelegen. Een benzineverkooppunt zonder LPG (C) ligt op circa 50 meter van het woonperceel. Het zijn categorie-2 inrichtingen. De reguliere aan te houden afstand van 30 meter kan naar 10 meter worden teruggebracht. De zonering vormt geen belemmering. Een aannemer (D) is gelegen op circa 75 meter van de beoogde achtergevel van de woning. Dit betreft een categorie-3 inrichting. De aan te houden afstand, na reductie, van 30 meter wordt gerespecteerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11245063/1