07 DEF Visie Zonne- en Windenergie 17-11-20
Tekst van het document
25
7. 7.1
Windenergie
Inleiding
De gemeente wil haar eigen hernieuwbare energieopgave binnen haar eigen grondgebied realiseren, rekening houdend met een opgave vanuit de RES 2030 West-Brabant. Dit geldt ook voor de periode na 2030. De opgave voor de periode na 2030 omvat 36 GWh windenergie. De gemeente Rucphen wil hiervoor ruimte bieden aan grootschalige windenergie. De gemeente Rucphen kiest ervoor om slechts windenergie toe te staan in het zoekgebied dat is aangegeven in de concept RES 2030 West-Brabant. Het zoekgebied bevat het buitengebied van Schijf en het buitengebied ten zuid-oosten van Sprundel. Daarbij is tevens bepaald dat de realisatie van een windenergieproject -in principe- pas kan plaatsvinden na 2030. 7.2 Ambities De gemeente heeft met betrekking tot windenergie vier ambities geformuleerd. ➢ Binnen het zoekgebied mogen maximaal twee windparken worden gerealiseerd. Het plaatsen van een solitaire windmolen is niet toegestaan. ➢
De gemeente wil een begeleid proces waarin het plaatsen van windturbines als een integrale gebiedsontwikkeling wordt gezien: aandacht voor plaatsing, inpassing en nieuwe functies.
➢
De gemeente wil dat inwoners vroegtijdig en volwaardig worden betrokken in het proces bij de ontwikkeling van zonne- en windenergie en ziet erop toe dat marktpartijen voor inwoners een gelijkwaardig speelveld creëren.
➢
De gemeente wil dat lasten en lusten eerlijk verdeeld worden en dat waar sprake is van belasting, deze evenredig financieel wordt gecompenseerd.
7.3.
Voordelen en nadelen van wind ten opzichte van zon
7.3.1 Voordelen • Productie omvang Windmolens hebben de laatste jaren een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Op dit moment worden bij wind op land turbines geplaatst van 3 tot 4 MW met een ashoogte van 100 tot 130 meter en een tiphoogte van 150 tot 200 meter. Daarmee worden ca 2.750 vollasturen gedraaid. Windmolens van 5,6 MW leveren per stuk ongeveer 16.128 MWh/jaar energieopwek. Als we kijken naar de hoeveelheid elektriciteit die een windmolen produceert staat de productie van een windmolen van 5,6 MW gelijk aan ca. 13 ha zonneweide (17 MW vermogen). Dit komt omdat een windmolen meer productie-uren heeft ten opzichte van een zonnepark. De maatschappelijke kosten die gepaard gaan met een zonnepark zijn ook ca. 3 maal zo groot. • Continuïteit In ons land waait bijna elke dag de wind. Het waait dag en nacht, 24 uur per etmaal. In het westelijk deel waait de wind meestal harder dan in het oosten van het land. De zon schijnt slechts overdag en het aantal zonnedagen is minder dan het aantal dagen met wind. Het is maar zelden windstil in ons land, dus bij zonnige dagen is er veelal ook nog opbrengst van elektriciteit van wind. Windturbines leveren 80% van de tijd energie. Met andere woorden: bij windenergie is er sprake van ca. 2.750 vollasturen per jaar en bij zonne-energie 900 vollasturen per jaar. De continuïteit van windenergie is dus groter dan die van zonne-energie.
• Ruimte beslag Het ruimtebeslag van één windturbine is beperkt. Alleen de voetprint van de fundering en mogelijk een toegangspad is hiervoor nodig. Het ruimtebeslag voor een zonne-energie is vele malen hoger om aan dezelfde opwek van energie te komen (zie eerste bolletje). • Productie landbouw Vanwege het beperkte ruimte beslag is er sprake van een minimale afname van de landbouwproductie.
26
• Lagere maatschappelijke kosten De investering voor de bouw van een windturbine is groter dan voor de realisatie van een zonnepark, maar om dezelfde productie duurzame energie te bereiken, is veel hectare zonnepanelen nodig. Uiteindelijk zijn de investeringen per GWh opgewekt door windturbines lager dan wanneer deze wordt opgewekt met zonnepanelen. De kosten van een windturbine zijn ongeveer € 1.500.000,-- tot € 2.500.000,--; dit is sterk afhankelijk van de hoogte van een turbine. Per meter kost een windturbine ca. € 25.000,-. Een windturbine met een ashoogte van 60 m kost dus € 1.500.000,--. 7.3.2 Nadelen • Horizonvervuiling De aanwezigheid van een windturbine in het buitengebied is van veraf zichtbaar. • Effecten op vogels De effecten van windturbines op vogels zijn onder te verdelen in directe sterfte door aanvaringen met windmolens, verlies van leefgebied en barrièrevorming. Welke dat precies zijn hangt af van de locatie, het aantal en de hoogte van de windmolens, de opstelling en de uitvoering van de windmolens. Ook de periode (dag of nacht, de seizoenen) en de weersomstandigheden zijn bepalend. Het aantal vogelslachtoffers valt echter in het niet bij andere gevaren voor vogels, zoals wegverkeer, hoogspanningskabels en katten. De vogelsterfte door windmolens is slechts 1 à 2 procent van het aantal vogels dat wordt gedood door wegverkeer. • Geluid Windmolens maken geluid.
Daarom zijn er regels die bepalen hoe dicht een windmolen bij een woning mag staan. Deze afstand moet minimaal 400 meter zijn. Vergeleken met de geluidsnormen die voor snelwegen gelden, zijn de normen voor windmolens strenger: in Nederland staan 300.000 woningen binnen 300 meter van een snelweg. Aanvullend op deze wettelijke normen maken ontwikkelaars vaak nog extra afspraken met omwonenden om de windmolens stil te zetten als het heel hard waait (en ze relatief veel geluid maken) of ’s nachts. • Slagschaduw De ronddraaiende wieken van een windmolen kunnen een bewegende schaduw werpen op de omgeving. Dit wordt slagschaduw genoemd. Deze slagschaduw kan hinder veroorzaken als de windmolen dicht bij een huis staat, vooral bij een laagstaande zon. De schaduw wordt dan langer en bereikt ook huizen die verder weg staan. De projectontwikkelaar is verantwoordelijk voor een slagschaduwrapport, waarin hij moet aantonen dat een windpark of windmolen aan de normen voor slagschaduw voldoet. Een gevel met ramen mag niet meer slagschaduw ontvangen dan 17 dagen per jaar. En niet meer dan 20 minuten per dag. Dagen met heel korte slagschaduw hoeven niet te worden berekend. Bijvoorbeeld bewolkte dagen. Windmolens die relatief dicht bij woningen staan en de norm kunnen overschrijden, moeten een automatische stilstandvoorziening hebben.
De windmolens worden dan automatisch stilgezet, zodra deze de afgesproken norm voor slagschaduw overschrijden. Zo blijft de duur van de hinder binnen de norm. 7.4
Randvoorwaarden voor windenergie
Grootschalige opwekking van windenergie heeft invloed op de fysieke leefomgeving. Windmolens zijn vaak van ver te zien. De gemeente Rucphen wil dan ook zorgvuldig omgaan met het toestaan van windmolens. Deze visie geeft inzicht in de voorwaarden die de gemeente belangrijk vindt bij de totstandkoming van initiatieven voor windenergie. Daarbij leggen de volgende randvoorwaarden de basis voor het kader: 1. Effecten voor de mensen zo klein mogelijk; 2. Respect voor erfgoed en landschap; 3. Betrekken van en meeprofiteren door de samenleving; 4. Compensatieplicht.
27 7.4.1 Effecten zo klein mogelijk • Overlast en gezondheid De wettelijke minimale afstand van windmolens tot woningen bedraagt 400 meter. De afstand is ingegeven door overlast van geluid en slagschaduw, niet door het gezondheidsvraagstuk. Op dit moment is er nog geen wetenschappelijke aanwijzing dat windmolens schadelijke effecten hebben voor de gezondheid. Ook op korte termijn kan hierin geen duidelijkheid worden gegeven. De belangrijkste nadelige effecten zijn geluid en slagschaduw. Het is gerechtvaardigd te stellen dat een voorzorgafstand van 400 meter tussen de woningen en windturbines een goede maat is om de overlast van windmolens te beperken. Binnen deze 400 meterzone is het bouwen van woningen niet mogelijk. Wanneer een woning binnen de 400 meterzone ligt, moet de woning door initiatiefnemer worden aangekocht en aan de woonbestemming worden onttrokken voor dat de realisering van een windpark of die ene windmolen kan worden vergund. • 750 meter als grens In principe houdt de gemeente op basis van grens bebouwde kom de 750 metergrens rond de woonkernen aan als harde afstand. Hierdoor ontstaat een grillige 750-zone rond de kernen Schijf en Sprundel. Binnen deze zones mogen geen windmolens worden gebouwd. Mogelijke overlast van geluid, slagschaduw en visuele effecten nemen onmiskenbaar af naarmate de afstand groter wordt.
Dit betekent niet dat solitaire woningen in het buitengebied ‘vogelvrij’ zijn. De voorzorgafstand van 400 meter voor deze woningen blijft gelden. Onderzoek naar geluid en slagschaduw zal moeten uitwijzen waar de precieze contour zal liggen. 7.4.2 Respect voor erfgoed en landschap • Bescherming cultuurhistorische gebieden Cultuurhistorische gebieden, structuren of objecten (kortgezegd cultuurhistorische waarden) tonen de geschiedenis van een gebied. Voor veel inwoners zijn deze cultuurhistorische waarden een deel van de eigenheid van het gebied waar bijzonder veel belang aan wordt gehecht. Het herkenbaar en afleesbaar houden van deze waarden staat voorop bij het toestaan van nieuwe ontwikkelingen, dus ook windenergie. De plaatsing van windmolens kan visuele effecten en verstoring van cultuurhistorische gebieden met zich meebrengen. De gemeente neemt daarom als eis op dat wanneer windmolens worden geplaatst er een studie uitgevoerd moet zijn naar de effecten (openheid, aanzicht, vrij zicht) van de windmolens op de cultuurhistorische waarden van het gebied. • Landschappelijke inpassing Bij de landschappelijke inpassing van windmolens wordt met name gedoeld op de wijze waarop de locatiekeuze van windmolens op de landschappelijke structuur kan worden afgestemd.
In algemene zin gelden de volgende uitgangspunten: Clustering: windmolens staan in een cluster en op plekken die een logische landschappelijke verankering hebben. -
Lijnopstelling: als er sprake is van meer windmolens, dan kennen de windmolens een logische ordening. De lijn moet bij voorkeur ingegeven worden door bestaande lijnen in het landschap (weg, rivier, kanaal, bosrand, hoogspanningsleiding).
De bouw van windmolens kan een stimulans zijn voor het behoud of versterken van de landschappelijke of natuurlijke kwaliteiten binnen de invloedssfeer van de windmolens. Voor deze nieuwe kwaliteiten wordt gezocht naar koppelkansen, onder andere op het gebied van water, natuur of infrastructuur. Te denken valt aan het opnemen van ruimte voor weidevogelleefgebied, mogelijkheden om de biodiversiteit in het gebied te versterken, mogelijkheden om recreatieve verbindingen te maken, historische beplanting te herstellen of om waterberging te realiseren. Deze koppelkansen kunnen samen met de inwoners en de gemeente in het participatieproces inzichtelijk worden gemaakt. De gemeente vindt het van belang dat een principeverzoek voor de bouw van een windmolen gepaard gaat met een voorstel voor de landschappelijke inpassing. Het landschappelijk inpassingsplan laat zien dat bij de landschappelijke inpassing koppelkansen zijn verzilverd en er daarnaast rekening is gehouden met: de historisch gegroeide landschapsstructuur, dan wel de historische dorpsstructuur van het gebied; een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de windmolen(s).
28 Voor windmolens is het van belang dat ze op een landschappelijk gezien logische plek staan. Daarmee zijn ze weliswaar een nieuw element in het landschap, maar bouwen ze verder op de bestaande landschappelijke opzet. Dit maakt de ontwikkeling van het landschap afleesbaar. Vanuit die denklijn is een aantal richtlijnen te geven voor de positionering van windmolens: a. Kies voor windmolens een plek die aansluit bij de bestaande landschappelijke opzet van het gebied. b. Voorkom dat windmolens belangrijke landschappelijke of historische zichtlijnen wegnemen. c. Als er meerdere windmolens worden geplaatst, zijn de windmolens allemaal hetzelfde (type, assen tiphoogte). De vormgeving van windmolens is maatwerk en ook onderhevig aan innovaties en nieuwe technieken. Vanuit landschappelijk oogpunt verdient het de voorkeur dat windmolens een ranke en transparante constructie hebben en neutrale kleuren die wegvallen of opgaan in de achtergrond. 7.4.3 Betrekken van en meeprofiteren door de samenleving De gemeente Rucphen wil ruimte bieden aan grootschalige windenergie, maar wel windenergie die door, voor en met de Rucphense samenleving tot stand komt. Rucphen kiest ervoor om slechts windenergie toe te staan in de zoekgebieden die zijn aangegeven in de concept RES 2030 WestBrabant. Het zoekgebied bevat het buitengebied van Schijf het buitengebied ten zuid-oosten van Sprundel.
Daarbij is tevens bepaald dat de realisatie van een eventueel windenergieproject -in principe- pas kan plaatsvinden na 2030. In hoofdstuk 10 “Maatschappelijke voorwaarden” wordt uitgebreid ingegaan op dit onderwerp. 7.4.4 Compensatie Omwonenden kunnen aanspraak maken op compensatie door een initiatiefnemer, wanneer zij onevenredige hinder ervaren van één of meer windmolens op hun individuele woningen. In de lijn van het klimaatakkoord wordt primair gestreefd naar lokaal eigendom van een windmolenpark van 50%. Los van dit uitgangspunt hanteert de gemeente voor compensatie de volgende regeling: binnen de voorzorgafstand (eerst indicatief, beoordeling o.b.v. nader onderzoek) van 400 meter compensatie door initiatiefnemer ofwel de betreffende woning onderdeel te laten zijn van het windpark (molenaarswoning), dan wel de woning opkopen en aan de woonbestemming onttrekken. tussen de 400 meter en 750 meter gedeeltelijke compensatie door initiatiefnemer. Dit is afhankelijk van de uitkomsten van de effectonderzoeken (geluid en slagschaduw). buiten de 750 meter hoeft geen compensatie te worden verstrekt. Op voorhand kan de gemeente niet aangeven wat in elk geval een redelijke compensatie is. De gemeente zal zich echter goed laten informeren of hierin redelijkheid betracht is.
Ook als een inwoner zich net buiten de aangegeven grenzen bevindt of anderszins kan worden aangetoond dat een individuele inwoner bijzonder nadeel ondervindt door een initiatief, houdt de gemeente het recht voor deze inwoners compensatie te bedingen. Naast individuele compensatie kan de initiatiefnemer ook kiezen voor het deelnemen aan of instellen van een gebiedsfonds. De invulling van het gebiedsfonds is in beginsel vrij en wordt bepaald in overleg met de inwoners. Dit fonds wordt gevuld met een deel van de opbrengsten van de energieopwekking. De financiële middelen kunnen breed worden ingezet voor leefbaarheid en de verduurzaming van de leefomgeving. Te denken valt aan de financiering van de verduurzaming van een buurthuis of het gesubsidieerd aanbieden van besparings- en verduurzamingsmaatregelen voor particulieren.
29 7.5
Netaansluitingen en -voorzieningen
Het zoekgebied voor windparken in de concept RES 2030 West-Brabant is gelegen in een gebied waar de netwerkinfrastructuur zeer beperkt is. De beperkte beschikbaarheid van het elektriciteitsnetwerk is dan ook de reden dat pas na 2030 windparken in dit deel van de gemeente Rucphen kunnen worden gerealiseerd. Ook voor realisatie van een zonnepark in dit zoekgebied is de kans aanwezig dat het elektriciteitsnetwerk moet worden uitgebreid.
30
8.
Mix van zonne- en windenergie
8.1
Inleiding
Om te voldoen aan de opgave in het kader van de RES 2030 zal in de gemeente Rucphen voor 2030 ongeveer 30 hectare zonnepanelen moeten worden gerealiseerd (dak- en grondgebonden). In hoofdstuk 6 “ Zonne-energie” is al gesteld dat deze opgave niet kan worden gerealiseerd met alleen Zon-op-dak. Aanvulling is noodzakelijk met realisatie van zonneparken. Uitgegaan wordt dat de zonneparken voor een periode van 25 jaar worden vergund. Deze periode komt min of meer overeen met de levensduur van de zonnepanelen. In hoofdstuk 7 “Windenergie” is de opgave windenergie van 36 GWh vermeld voor de periode na 2030 met als doel een energie-neutrale gemeente in 2050. Dat wil zeggen dat alle dan benodigde energie op duurzame wijze op het eigen grondgebied wordt opgewekt. Gelet op deze opgave en de verwachting dat de opgave voor 2030 30 GWh Zon-op-dak niet volledig zal zijn ingevuld, is een mix van zonne-energie en windenergie noodzakelijk. In dit hoofdstuk wordt de wenselijke situatie omschreven, waarbij voldaan kan worden aan de RES2030 opgaven. 8.2
Noodzaak mix van zonne- en windenergie
De grootste duurzame energiebronnen zijn zon en wind. Zoals al eerder gesteld is het niet mogelijk om de nationale, regionale en lokale opgaven te realiseren zonder een mix van deze energiebronnen. ➢ Opgaven zonne- en windenergie RES 2030 Om het buitengebied niet onevenredig te belasten en ter bescherming van de agrarische en recreatieve functie van het buitengebied is een mix van de twee grootste duurzame energiebronnen (zon en wind) noodzakelijk. Hieronder zijn de hernieuwbare energiebronnen per RES-opgave vermeld. RES-opgave vóór 2020 30 GWh zon op dak / zonneparken Hernieuwbare energie
1 ha. 1 windmolen
Realisering opqave
Aantal zonnepanelen
Aantal voetbalvelden
Zonne-energie
1,23 Gwh
25 ha.
151.516
50 stuks
Windenergie
16 GWh
2 stuks
n.v.t.
n.v.t.
RES-opgave vóór 2020 30 GWh zon op dak / zonneparken Hernieuwbare energie
1 ha. 1 windmolen
Realisering opqave
Aantal zonnepanelen
Aantal voetbalvelden
Zonne-energie
1,23 Gwh
30 ha.
181.819
60 stuks
Windenergie
16 GWh
3 stuks
n.v.t.
n.v.t.
Het bouwen van slechts 2 windmolens is niet rendabel. Het is dan ook noodzakelijk een mix van zonne- en windenergie toe te passen. Met 5 windmolens van 5,6 MW kan een vermogen van 80 GWh worden opgewekt en kan met minder kosten meer dan de volledige opgave van de RES 2030
31 worden ingevuld. Met een doorkijk naar een energieneutraal Rucphen in 2050 is windenergie dan ook niet weg te denken bij de energietransitie. ➢ Energieneutrale gemeente 2050 Wanneer geen windenergie wordt toegepast dan zijn er in 2050 bij een energie neutrale gemeente 297 ha. zonnepanelen nodig. Dit betreft de optelsom van zonnepanelen op woningen, bedrijven, beschikbare grond aan de randen van de bebouwde omgeving en zonneparken in het buitengebied. Het ruimte beslag in het buitengebied zal enorm zijn en het buitengebied verliest hiermee voor een deel landbouwproductie, zijn uitstraling en daarmee de recreatieve en agrarische functie. Hernieuwbare energie Windenergie
Procent
Aantal
Vorm
0
0
windmolens
Biomassa
0
0
ketels
Vergisting (groen gas)
10
3
vergisters
Geothermie
20
0,5
systemen
Zonneenergie
70
297 ha.
zonnepanelen
Mix zonder windenergie en zonder biomassa 2050 energieneutraal
Type/ vollasturen 4MW 3000 vol.uren 400 KW 2000 vol.uren 1 MW 7500 vol.uren 15 milj. m³ Aardgasverv milj. m³ Aardgasverv
Opbrengst 0 0 138 TJ
275 TJ 963 TJ 1.115.058 zonnepanelen
32
Hernieuwbare energie Windenergie
Procent
Aantal
Vorm
15
5
windmolens
Biomassa
0
0
ketels
Vergisting (groen gas)
10
3
vergisters
Geothermie
20
0,5
systemen
Zonneenergie
55
234 ha.
zonnepanelen
Type/ vollasturen 4MW 3000 vol.uren 400 KW 2000 vol.uren 1 MW 7500 vol.uren
Opbrengst
15 milj. m³ Aardgasverv. 900 MWh/ha.pj
275 TJ
206 TJ 0 138 TJ
756 TJ 876 .117 zonnepanelen
Mix met windenergie zonder biomassa 2050 energieneutraal.
Bij het bepalen van de energiemix is van de volgende uitgangspunten uitgegaan: 1. Er is uitgegaan van windmolens van 4 MW met 3.000 vollast uren. 2. Biomassaverbranding is niet in de mix meegenomen omdat hier geen sprake is van duurzame energie. 3. Bij vergisters wordt uitgegaan van installaties van 1 MW en 7.500 vollasturen. 4. Voor geothermie wordt uitgegaan van systemen met een omvang van 15 miljoen m 3 aardgas equivalenten. 5. Bij zon op dak en zonneparken wordt uitgegaan van een vermogen van 900 MWh/ha/jaar. 8.3
Wind en zon op dezelfde locatie
Het kan zijn dat initiatiefnemers voor grootschalige wind- en zonneparken onafhankelijk van elkaar hetzelfde gebied voor ogen hebben. De mogelijkheid bestaat ook dat een initiatiefnemer met opzet beide vormen van duurzame energie (en de daarvoor noodzakelijke infrastructuur en voorzieningen) wil combineren. De netwerkcapacteit kan dan optimaal worden benut door koppeling van zonne- en windenergie vanwege de ongelijktijdigheid van het opwekken en het afschakelen van pieken. De gemeente staat niet negatief tegenover dergelijke initiatieven in beginsel niet belemmeren, maar zal uiteraard kritisch kijken naar de inpassing en de cumulatieve effecten van een gecombineerd initiatief voor het buitengebied. 8.4
Vergunningen voor bepaalde tijd
Zoals al eerder in deze Visie is verwoord zijn de technieken en inzichten aan verandering onderhevig. Dit betekent dat tussentijds het beleid aan veranderingen onderhevig kan zijn. Het is niet reëel om nu te stellen dat dit beleid in het kader van de energietransitie onveranderd blijft tot 2050. Beleidswijzigingen op landelijk niveau, innovaties en opgedane ervaringen kunnen leiden tot actualisatie van het beleid. Daarom zullen wij voor zonne- en windparken slechts vergunningen verlenen voor een bepaalde tijd. Voor zonneparken wordt gedacht aan een periode van 25 jaar. Deze periode komt overeen met de levensduur van zonnepanelen. Windturbines hebben een levensduur van 15 à 20 jaren. In overleg met de initiatiefnemer zal de periode van vergunningverlening worden bepaald. De ervaring leert dat na deze periode op deze locaties een nieuw zonne- en/of windpark wordt gerealiseerd.
8.5
Voorkeurscenario RES 2030 West-Brabant
Tot 2030 wordt opwekking van zonne-energie toegestaan via Zon-op-dak, zonneparken in of nabij de bebouwde omgeving en langs de A58 (treden 1 t/m 3). Het restant van de opgave 2030 en de gehele opgave na 2030 wordt ingevuld met windenergie.
33
Voorkeurscenario
34
9.
Elektriciteitsnetwerk
9.1
Inleiding
Vanuit technisch oogpunt zijn er drie aspecten die van invloed zijn op het aansluiten van energieproductie door wind of zon. Dat is de locatie van het initiatief, de gevraagde capaciteit van de aansluiting en de termijn waarin het gerealiseerd kan worden. De locatiekeuze van zonneparken nabij beschikbare infrastructuur heeft grote invloed op het aanleggen van het noodzakelijk elektriciteitsnetwerk. Mogelijk is dat de capaciteit van de infrastructuur voor het initiatief moet worden uitgebreid. De kosten hiervoor zijn afhankelijk van de grootte van de aansluiting en het tracé voor de aansluitkabels. Het is aan te bevelen dat bij de keuze van de locatie van de zonne- en windparken wordt gekeken naar de totale ambitie van de gemeente. Hiermee kan dan rekening worden gehouden voor de investeringen die voor de hoofdinfrastructuur worden gedaan. Het energienet in de gemeente Rucphen bestaat uit verschillende netvlakken. Deze hebben verschillende functies in het transport en distributie van energie. Dit is weergegeven in de afbeelding onder aan dit document. Het landelijke hoogspanningsnet met een spanningsniveau van 150kV of 380kV wordt gebruikt als transportnet in Nederland. De landelijke netbeheerder hiervoor is Tennet. Over dit transportnet worden landelijk grote vermogens over grote afstanden getransporteerd. Bijvoorbeeld van de energiecentrales of windparken naar de regio’s.
Op het middenspanningsnet wordt energie gedistribueerd binnen de regio’s en de gemeenten. De netbeheerder is hier Enexis. Vanuit een Hoogspanningsstation wordt het spanningsniveau getransformeerd naar 10 kV of 20 kV. Hiermee wordt ondergronds de energie via het distributienet van Enexis verdeeld. Dit distributienet is eveneens opgebouwd uit stations, zogenaamde middenspanningsstations. Hier wordt de het spanningsniveau getransformeerd naar laagspanning (240V/400V) wat wordt toegepast in bijvoorbeeld woningen. Werd voorheen energie geproduceerd door grote energiecentrales, nu wordt er steeds meer energie decentraal opgewerkt. Onder andere door windmolens, zon op dak en andere duurzame energiebronnen. Hierdoor ontstaat een nieuwe situatie wat een grote impact heeft op het energienet. Daarnaast wordt er voor afname en opwekking meer capaciteit gevraagd op het energienet. De capaciteit van een aansluiting is dus afhankelijk van het verbruik en/of van de opwek van de elektrische energie. Hieronder is voor het opwekken van energie aangegeven welke capaciteiten op welk netvlak mogelijk beschikbaar zijn. 9.2
Enexis
Het netwerk in en rond de gemeente Rucphen is momenteel nog niet toereikend om de ontwikkelingen naar energieneutraliteit te kunnen faciliteren. Er zijn in de komende decennia flinke aanpassingen nodig. De energietransitie leidt tot een veel grotere vraag naar elektriciteit en dito opwekking van duurzame elektriciteit via windmolens en zonnepanelen. Enexis geeft voor onze gemeente aan voldoende in staat te zijn te kunnen reageren op onze ambities en initiatieven. Voorwaarde is wel dat deze ambities en initiatieven in een zo vroeg mogelijk stadium concreet worden gemaakt en bekend worden gemaakt bij Enexis. Wat vervolgens van belang is, is om goed af te stemmen met alle andere initiatieven in de regio. Het ontbreken van aansluitmogelijkheden op het elektriciteitsnet voor grootschalige elektriciteits- en warmteopwekking zal gevolgen hebben voor de invulling van de opgaven en uitbreidingen zijn dus noodzakelijk. Aansluiten op een hoogspanningsstation is op dit moment in Etten-Leur of Roosendaal. De verwachting is dat het aantal aanvragen voor aansluitingen op het elektriciteitsnet in de regio snel gaan toenemen. De RES 2030 is de plek bij uitstek om regionaal met gemeenten en Enexis hierover afspraken te maken met betrekking tot o.a. prioritering. Deze afstemming is noodzakelijk om de (regionale) opgave van de energie- en de warmtetransitie te kunnen realiseren.
In het zuiden van onze gemeente is de infrastructuur van het elektriciteitsnet momenteel beperkt en ontoereikend om grootschalige opwek aan te sluiten. Dit heeft tot gevolg dat de locatie voor
35 grotere initiatieven voor het opwekken van duurzame energie momenteel eerder in het noordelijke gebied van de gemeente gezocht moet worden. Bij elk initiatief wordt gekeken of dit op de huidige infrastructuur past. Kleinschalige opwek op bijvoorbeeld woningen heeft vanzelfsprekend minder impact op het energienet dat grotere initiatieven. Indien dit noodzakelijk is zal Enexis de infrastructuur aanpassen naar behoefte en ambitie. Het is ook de wettelijke plicht van Enexis om aansluitingen te realiseren. Hierbij wordt gekeken naar de totale plannen van de gemeente en de regio en de investeringen die hiervoor noodzakelijk zijn. In overleg met de gemeente zal door Enexis altijd worden gekeken hoe maatschappelijke financiële middelen zo efficiënt mogelijk kunnen worden ingezet. We betalen daar immers allemaal aan mee. 9.3
Aanwezigheid van grote afnemers
In een ideale situatie ligt een zonnepark en/of windpark zo dicht mogelijk bij de afnemer van de opgewerkte elektriciteit of warmte. Opwek en verbruik dicht bij elkaar heeft een groot voordeel vanuit kostenminimalisatie (transportkosten). Locaties met grote afnemers bevinden zich in beginsel in het stedelijk gebied. Bedrijventerreinen zijn de stedelijke locaties waar de meeste elektrische energie of warmte gebruikt wordt. In het buitengebied zijn de agrarische bedrijven en het kassengebied aan te merken als grote afnemers. In de toekomst kan ook gedacht worden aan tankstations voor elektrisch vervoer. 9.4
Locaties met een zware aansluiting
In een andere ideale situatie kan een zonne- en/of windpark gebruik maken van locaties die al een voldoende zware aansluiting hebben om energie te kunnen leveren. In het buitengebied is een aantal situaties denkbaar zoals (voormalige) agrarische bedrijven. Op basis van bovenstaande overwegingen is een inschatting gemaakt welke van de in deze visie aangegeven voorkeursgebieden gezien de kansen en mogelijkheden voor aansluiting op het elektriciteitsnetwerk prioriteit hebben. 9.5
Netwerkaansluitingen en -voorzieningen
Het RES 2030 West-Brabant zoekgebied voor windparken in de gemeente Rucphen is gelegen in een gebied waar de netwerkinfrastructuur beperkt is. Voor realisatie van een zonnepark of windpark in dit zoekgebied moet het elektriciteitsnetwerk uitgebreid worden. Vooraf zal de initiatiefnemer moeten onderzoeken of het realiseren van een windpark op deze locatie financieel haalbaar is. Dit is voor de haalbaarheid van een initiatief een belangrijke factor. Hierbij is de afstand tot de dichtstbijzijnde transportstations van belang. Om zeker te zijn dat het initiatief voor SDE-subsidie in aanmerking komt en uitvoerbaar is, moet de initiatiefnemer aantonen dat er een geldende offerte ligt van de netbeheerder, of op andere wijze borgen dat aansluiting op het elektriciteitsnetwerk kan plaatsvinden. De huidige opbouw van het elektriciteitsnetwerk in de gemeente Rucphen en de ontwikkelingen en keuzes in de regio voor 2030 maakt dat initiatieven in het zuiden van de gemeente, zoals een zonne- of windpark, waarschijnlijk pas na 2030 kunnen worden gerealiseerd.
36
37
10.
Bestuurlijke workshop ‘Zonne- en Windenergie’
10.1 Inleiding In de concept RES 2030 zijn voor onze gemeente de opgaven opengenomen om tot 2030 30 GWh zonne-energie en na 2030 36 GWh windenergie te realiseren. Met de concept RES 2030 heeft de raad in zijn vergadering van juni 2020 ingestemd. Ter voorbereiding van deze ‘Visie Zonne- en Windenergie’ is op verzoek van de raad, op 25 augustus 2020, een informatieve bijeenkomst georganiseerd in de vorm van een workshop c.q. bewustwordingssessie. 10.2 Workshop / bewustwordingssessie “Visie Zonne- en Windenergie” Doelen van de workshop ‘Visie zonne- en Windenergie’ waren inzicht te krijgen in de wijze waarop de RES-opgaven door de gemeente Rucphen worden gerealiseerd en inzicht te krijgen in de impact van de toepassing van zonne- en windenergie voor het buitengebied. ➢ Inhoud workshop Na het algemene informatieve deel zijn, ten behoeve van het interactieve deel, de deelnemers verdeeld in 3 groepen. Alle groepen hadden tot hun beschikking de plattegrond van de gemeente, de hectares zonnepanelen op schaal en pionnen die de windmolens voorstelden. De groepen hebben de volgende opdrachten gekregen: Realiseer de RES opgave 30 GWh voor 2030 met zonne-energie door het leggen van hectares zonnepanelen op de plattegrond. Realiseer de RES opgave 30 GWh voor 2030 met windenergie door plaatsing van windmolens op de plattegrond.
Realiseer de RES opgave 30 GWh voor 2030 met een mix van zonne- en windenergie. Realiseer de RES opgave 36 GWh na 2030 met windenergie door plaatsing van windmolens op de plattegrond. Realiseer de RES opgave 36 GWh na 2030 met zonne-energie door het leggen van hectares zonnepanelen op de plattegrond. Realiseer de RES opgave 36 GWh na 2030 met een mix van zonne- en windenergie. Realiseer de totale RES 2030 opgave van 66 GWh met zonne- en/of windenergie (de voorkeursversie). De resultaten van deze interactieve bijeenkomst en de daarbij gemaakte opmerkingen zijn vertaald naar uitgangspunten. Uitdrukkelijk merken wij op dat met het benoemen van deze uitgangspunten en opmerkingen geen standpunt is ingenomen met betrekking tot de toepassing van zonne- en/of windenergie. ➢ De opbrengst van de workshop De verkregen uitgangspunten/opmerkingen zijn de volgende. 1. Vanaf de (recreatieve) fietsroutes moet het open zicht op het landschap behouden blijven. Er mogen dus geen zonneparken over een langere afstand evenwijdig aan deze fietsroutes worden gerealiseerd. 2. In het kader van de haalbaarheid en betaalbaarheid is het wenselijk de zonne- en/of windparken te realiseren zo dicht mogelijk in de nabijheid van een middenstation c.q. een hoofdstation. Hiermee wordt de economische haalbaarheid gediend. 3.
Gestreefd moet worden naar clustering van zon- en/of windinitiatieven om de verstoring van het buitengebied zoveel als mogelijk te voorkomen. 4. Om de RES-opgaven te kunnen realiseren, moet zonne-energie en windenergie uitwisselbaar zijn. Dit wil zeggen dat beide energiebronnen vóór en na 2030 mogen worden gerealiseerd. 5. Bestudeer de mogelijkheid van het gebruik van taluds, bijv. langs de Vosdonkseweg aan de noordzijde, voor het plaatsen van zonnepanelen. 6. De energietransitie moet zo min mogelijk belastend zijn voor mens en natuur. Geen zonneparken en/of windparken nabij natuur- en recreatieve gebieden. Langs wegen is dit niet storend.
38 7.
Bij grootschalige energieopwekking met zon op dak alle nieuw te bouwen grote gebouwen,
ook op het bedrijventerrein verplichten zonnepanelen te leggen. 8.
9.
10.
Het is wenselijk dat ten behoeve van de realisatie van duurzame energie een energiecorporatie wordt opgericht zodat de belangen van bewoners beter kunnen worden behartigd (o.a. mogelijkheden van postcoderoos, 50% eigenaarschap e.d.). Bij het realiseren van zonne- en/of windparken moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing die meerwaarde heeft voor het buitengebied. Deze landschappelijke inpassing moet blijven bestaan wanneer het zonnepark of windpark verdwijnt. Aan alle grenzen van onze gemeente zijn windmolens van onze buurgemeenten te zien. Hiermee is de horizon al vervuild. Zij hebben de baten, maar wij ook de ‘lasten’.
39
11.
Maatschappelijke voorwaarden
11.1
Inleiding
Een belangrijk aspect bij de aanpak van de energietransitie is het creëren van draagvlak in de lokale gemeenschap en bij direct omwonenden. De energietransitie heeft een enorme impact op de leefomgeving van mensen. Uit de haalbaarheidsstudie van de provincie Noord-Brabant blijkt dat er voldoende ruimte is in Brabant om de overgang van een fossiele naar een duurzame energievoorziening vorm te geven. Een goede landschappelijke inpassing is daarbij van belang, en het accent moet liggen op het benutten van ruimte op daken en gronden aan de randen van bebouwd gebied. Maar het is onvermijdelijk dat er zonnevelden en windparken in het landschap zullen verschijnen. 11.2
Proceswijzer participatie
Het is van het grootste belang dat inwoners en andere belanghebbenden worden betrokken bij de ontwikkeling van initiatieven voor een windpark. Van initiatiefnemers wordt dan ook verwacht en gevraagd dat zij op gezette momenten in het ontwikkelproces in gesprek zijn met de omwonenden en belanghebbenden om zo te komen tot afspraken over: locatiekeuze; inpassing en omvang; deelname en eigenaarschap; compensatie. De eerste stap in het proces is het uitwerken van een projectvoorstel. Dit projectvoorstel is een principeverzoek en moet duidelijk maken op welke manier invulling wordt gegeven aan de vier randvoorwaarden van het windkader: Effecten voor de mensen zo klein mogelijk; Respect voor erfgoed en landschap; Betrekken van en meeprofiteren door de samenleving; Compensatieplicht. De gemeente wil graag meepraten en meedenken in het proces. Zij kan adviseren over de uitwerking van het plan en faciliteren in het participatieproces. Tijdens een overleg wordt het initiatief besproken, worden de kansen en aandachtspunten verkend en vervolgstappen uitgestippeld. De gemeente werkt alleen mee aan initiatieven als daarvoor een positieve principeuitspraak is toegekend op basis van het ingediende projectvoorstel. Het voorstel vormt ook de basis voor het vervolg van het daadwerkelijke proces en de daarna volgende ruimtelijke procedure en vergunningverlening.
Al vroeg in het proces is er ruimte voor zeggenschap van inwoners en wordt ingezet op lokale gebondenheid van het initiatief vanuit de samenleving. Het initiatief moet immers door het dorp, de wijk, buurt en in het bijzonder omwonenden gedragen kunnen worden. Draagvlak is niet in absolute cijfers te meten, maar door belanghebbenden de ruimte te bieden inbreng te geven bij de locatiekeuze en daar ook randvoorwaarden aan te stellen, is een vroegtijdige betrokkenheid geborgd. Met de inbreng en lokale kennis van de inwoners kan het idee verder worden uitgewerkt tot een eerste opzet. Dit plan wordt wederom met in ieder geval de omwonenden besproken. Als alle inbreng concreet is en het schetsplan tot een definitief voorstel is verwerkt, kan de gemeente komen tot een principebesluit voor het initiatief. Het voorstel heeft het niveau van een schetsontwerp of principeverzoek en moet voldoende duidelijk maken op welke manier invulling wordt gegeven aan de in deze visie genoemde voorwaarden. Daarbij wordt door de gemeente meegewogen hoe het participatieproces is verlopen, wie bij het proces zijn betrokken en op welke wijze door de initiatiefnemers rekening is gehouden met de belangen en wensen van de deelnemers in het proces. Het college van burgemeester en wethouders neemt uiteindelijk het besluit of een verzoek wordt toe- of afgewezen.
Voor de aanvraag en behandeling van een verzoek voor aanwijzing van een projectlocatie voor een windpark worden leges in rekening gebracht volgens de geldende legesverordening.
40
Participatie zonne- en windenergie
11.3
Betrekken van en meeprofiteren door de samenleving
11.3.1 Zeggenschap Om de realisatie van grote windmolens succesvol te laten zijn, is draagvlak van de inwoners noodzakelijk. Dit draagvlak ontstaat als inwoners en ondernemers vroegtijdig worden meegenomen in initiatieven in hun woon- en leefomgeving. Inwoners hechten waarde aan zeggenschap bij de totstandkoming van initiatieven en willen delen in de opbrengst van de initiatieven, onder de noemer van een ‘eerlijke verdeling van de lusten en de lasten’. De gemeente staat daar ook zo in: windenergie moet van, voor en met de lokale samenleving worden gerealiseerd. De revenuen moeten zoveel mogelijk terugvloeien naar de lokale gemeenschap. Van initiatiefnemers wordt daarom gevraagd om inwoners vroegtijdig te betrekken bij de planvorming en ook ruimte te geven aan daadwerkelijke deelname in een windpark. Op die manier wordt direct een lokale betrokkenheid georganiseerd. Bovendien wordt op deze manier ook de lokale kennis van de fysieke leefomgeving ingebracht in het proces. Participatie valt uiteen in twee aspecten: procesparticipatie en financiële participatie. Bij procesparticipatie gaat het erom hoe inwoners worden betrokken bij de ontwikkeling van initiatieven en plannen. Dit wordt nader uitgewerkt in paragraaf 11.10. Bij financiële participatie gaat het over de mogelijkheid om financieel te participeren en eventueel (mede)-eigenaar te worden van een duurzaamheidsinitiatief.
11.3.2 Rollen Het bouwen aan draagvlak is primair de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer. Bij de initiatiefnemer ligt dus de verantwoordelijkheid voor het goed doorlopen van het participatieproces. Vanuit de gemeente zullen we in de rol van regisseur voor de vergunningenprocedure nauw betrokken zijn bij de te zetten participatiestappen. Bij het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning voor het initiatief wordt meegewogen op welke wijze het proces is doorlopen, of daarin voldoende zorgvuldigheid is betracht en voldoende is ingezet op het bouwen van draagvlak voor het initiatief. Zie daarvoor de stappen in de proceswijzer in paragraaf 11.10. 11.3.3 Financiële participatie Het Klimaatakkoord stelt dat participatie en draagvlak essentieel zijn voor de uitvoerbaarheid van de energietransitie. Het zorgvuldig betrekken van inwoners en belanghebbenden geeft medeeigenaarschap over het proces en helpt in het creëren van draagvlak, maar zorgt niet voor direct eigenaarschap van het project/initiatief. Dit kan door middel van financiële participatie om zo lokale gebondenheid en lokaal gebruik te regelen. In het participatietraject wordt daarom ook onderzocht op welke wijze er voor lokale partijen en inwoners de mogelijkheid is om eigenaarschap te verwerven in het project. Dit kan gelijktijdig of navolgend op het doorlopen van het inhoudelijke proces rond het initiatief.
Afhankelijk van de wijze van participatie kan zo echt eigendom ontstaan. De gemeente hanteert daarbij het uitgangspunt van minimaal 50% lokaal eigenaarschap. In beginsel zijn er twee manieren voor financiële participatie: deelnemen in de financiering; deelnemen in de exploitatie; instellen gebiedsfonds. • Deelnemen in financiering Het meefinancieren van een zonnepark en/of windpark betekent feitelijk dat inwoners, lokale bedrijven, maar ook de gemeente kunnen investeren in het initiatief en daarmee een rendement
41 realiseren. De investeerder hoeft niet per se de eigenaar te zijn, maar krijgt rendement op het gefinancierde bedrag. In deze vorm is er geen sprake van lokaal eigenaarschap. • Deelnemen in exploitatie Door een rol te nemen in de exploitatie van een zonnepark en/of windpark worden deelnemers daadwerkelijk een risicodragende investeerder. In ruil daarvoor krijgen de investeerders zeggenschap over het initiatief en delen ze in de opbrengsten ervan. In deze situatie is er sprake van eigenaarschap. Het streven van de gemeenten is erop gericht dat in ieder initiatief voor een zonnepark of windpark lokaal eigendom een plek heeft. Daarbij vraagt de gemeente een lokaal eigendom van minimaal 50%. Dat sluit aan bij de afspraken die in het kader van het Klimaatakkoord zijn gemaakt en een-op-een door de gemeente is overgenomen. Er zijn daarmee meerdere manieren waarop financiële participatie mogelijk wordt gemaakt. Dat kan in een coöperatieve vorm, maar er zijn meerdere manieren waarop financiële participatie mogelijk wordt gemaakt, bijvoorbeeld met een postcoderoosregeling en aandeelhouderschap. De vormen liggen niet op voorhand vast en de gemeente staat open voor creatieve voorstellen die een evenredig voordeel opleveren voor de lokale samenleving en haar opgave voor de energietransitie.
Het is aan de initiatiefnemer om te onderbouwen dat de gekozen vorm voldoet aan de minimale 50% eis. • Instellen gebiedsfonds Naast individuele compensatie kan de initiatiefnemer ook kiezen voor het deelnemen aan of instellen van een gebiedsfonds. De invulling van het gebiedsfonds is in beginsel vrij en wordt bepaald in overleg met de inwoners. Dit fonds wordt gevuld met een deel van de opbrengsten van de energieopwekking. De financiële middelen kunnen breed worden ingezet voor leefbaarheid en de verduurzaming van de leefomgeving. Te denken valt aan de financiering van de verduurzaming van een buurthuis of het gesubsidieerd aanbieden van besparings- en verduurzamingsmaatregelen voor particulieren.
42
12.
Procedure en processtappen
11.1
Inleiding
Van belang is dat bij het starten van initiatieven om te komen tot een zonne- of windpark bij partijen vooraf bekend is wat van elkaar wordt verwacht, welke acties moeten worden uitgevoerd en wat de rechten en plichten zijn. Aanvullend op onderstaande beschrijving zijn de wettelijk vastgestelde procedures eveneens van toepassing. 11.2
Omschrijving proces
Op het moment dat de gemeenteraad de Visie Zonne- en Windenergie vaststelt, kunnen initiatiefnemers starten met het proces zoals in de proceswijzer is omschreven. De gemeente verwacht dat, als de vergunning wordt ingediend, de initiatiefnemer de stappen zoals in de proceswijzer zijn aangegeven, heeft doorlopen. Dit betreft het startgesprek met de gemeente in de idee-fase, het betrekken van de samenleving van idee tot project en een verkenning van en afspraken over het eigenaarschap (partners, financiering en financiële participatie). De ruimtelijke procedure is een traject op zichzelf. Voor het doorlopen van het vergunningentraject zijn een aantal documenten nodig. Dat begint allereerst met een vastgesteld bestemmingsplan. Op basis daarvan kunnen vergunningen worden verleend. Het bestemmingsplan omvat een ruimtelijke onderbouwing van het initiatief inclusief alle (milieu) onderzoeken. Bij het bestemmingsplan kunnen ook de resultaten van het participatieproces worden gevoegd evenals de landschappelijke inpassing en onderbouwing. Afspraken met betrekking tot de landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering en het eventueel terugbrengen van de locatie in oorspronkelijke situatie worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer. Het bestemmingsplan wordt ter visie gelegd door de gemeente.
In die fase is er ook formeel de mogelijkheid voor het indienen van zienswijzen door inwoners of andere belanghebbenden. 11.3
Proces in stappen
Hieronder worden de stappen in het ontwikkelproces in hoofdlijnen beschreven: 1. Een ontwikkelaar gaat voordat een principeverzoek wordt ingediend in overleg met de gemeente en met de directe omgeving over de beoogde locatie en de manier waarop de voorwaarden worden gehanteerd. Hij moet daarbij ook inzicht geven hoe de maatschappelijke meerwaarde wordt behaald. 2. De ontwikkelaar werkt zijn plan verder uit, stemt dit af met gemeente en omgeving en dient dit in als principeverzoek. 3. Naast het principeverzoek stellen gemeente en initiatiefnemer een anterieure overeenkomst op waarin de maatschappelijk voorwaarden worden vastgelegd. De directe omgeving wordt bij het opstellen van deze overeenkomst betrokken. 4. Het college van burgemeester en wethouders toetst dit principeverzoek en de anterieure overeenkomst aan het beleid. 5. De bestemmingsplanprocedure en de vergunningsprocedure kunnen gelijktijdig worden doorlopen omdat een Coördinatieverordening in onze gemeente is vastgesteld. 6. Na het verlenen van de vergunning kan de aanleg starten. 11.4
Regelgeving en beleid
De initiatiefnemer kan geen rechten ontlenen aan de Visie Zonne- en Windenergie alleen. Het kan zijn dat ook vanwege regelgeving en vastgesteld beleid van andere overheden toestemmingen en/of vergunningen noodzakelijk zijn.
43 Bijlage 1
Regels Interim omgevingsverordening zelfstandige opstellingen van zonnepanelen (voorheen: o.a. Verordening ruimte 2019)
1.
In afwijking van artikel 3.1, tweede lid onder a (verbod op nieuwvestiging) is nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen.
2.
In afwijking van artikel 6.10/7.10, eerste lid onder a (niet-agrarische functies) is vestiging van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen mogelijk met een grotere omvang dan 5000 m2.
3.
Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste en tweede lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2e of 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. uit een gemeentelijke visie blijkt dat de aanwijzing van een projectlocatie nodig is om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie; b. in deze visie is afgewogen welke locaties binnen de gemeente geschikt zijn gelet op aspecten van zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit; c. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft; d. de ontwikkeling gelet op artikel 3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.
4.
De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in het derde lid onder c wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria: a. de mate van meervoudig ruimtegebruik; b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken; c. de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen.
5.
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden: a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt; b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning de bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd; c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.
44 Bijlage 2
Toelichting Interim omgevingsverordening (voorheen: o.a.
Zonneparken In toenemende mate worden er initiatieven ontwikkeld voor het opwekken van zonne-energie. De verordening biedt daartoe reeds mogelijkheden op daken. Voor grondgebonden zonneparken bestaan er mogelijkheden in stedelijk gebied, in zoekgebieden verstedelijking en op bestaande locaties in het landelijk gebied zoals rioolzuiveringsinstallaties, stortplaatsen maar ook op vrijkomende agrarische locaties tot een omvang van 5000 m2. De voorkeur van het beleid gaat uit naar plaatsing van zonnepanelen op daken of op braakliggende gronden in of aansluitend op stedelijk gebied. Dat heeft het voordeel dat ze dicht bij de gebruiker en energiesystemen worden geplaatst wat bijdraagt aan zorgvuldig ruimtegebruik en effectief is vanuit kostenminimalisatie. De verwachting is dat dit onvoldoende blijkt om in de behoefte te voorzien. Daarom biedt de regeling ook de mogelijkheid om zelfstandige opstellingen van zonne-energie te ontwikkelen. Hieraan zijn diverse eisen verbonden. Bij de afweging van locaties vragen wij specifiek aandacht voor transformatie en meervoudig gebruik van locaties zoals op vliegvelden, langs snelwegen, stortplaatsen, zuiveringsinstallaties, grond- en slibdepots, gunstig gelegen vrijkomende locaties in het buitengebied etc.
De gemeente weegt hierbij diverse belangen af zoals een efficiënte aansluiting op het energienet in samenspraak met de netwerkbeheerders, de kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van energieinfrastructuur maar ook aspecten rondom zorgvuldig ruimtegebruik en kwaliteit. Deze aanpak past ook bij de regionale energie strategieën die regio's gezamenlijke gemeenten nu aan het opstellen zijn. Vanuit het nu voorgestelde kader worden er op voorhand geen beperkingen gesteld aan de locatie waar zonneparken ontwikkeld kunnen worden of aan de omvang daarvan. Dat betekent dat er ook mogelijkheden voor nieuwvestiging zijn of een ruimere omvang dan 5000 m2 op een vrijkomende locatie. Daarom is in de voorwaarden een bepaling opgenomen rondom maatschappelijke meerwaarde. Naarmate de inbreuk op de basisregels groter is, verwachten wij een grotere inspanning op het gebied van een bijdrage aan maatschappelijke doelen. Bijvoorbeeld als er in afwijking van de reguliere omvang van 5000 m2 voor niet-agrarische functies een zonnepark gerealiseerd wordt van 10 hectare dat dit bijdraagt aan sloop van vrijkomende opstallen elders. In het derde lid is aangegeven hoe de maatschappelijke meerwaarde onderbouwd wordt. In beginsel gaan wij er vanuit dat de realisatie van zonneparken voorziet in een tijdelijke behoefte.
De technologische ontwikkeling voor het opwekken van zonne-energie gaat steeds verder waardoor er steeds meer mogelijkheden ontstaan voor meervoudig ruimtegebruik zoals op daken (op het noorden), op muren, geïntegreerd in ruiten, op wegen enzovoorts. Het is daarom goed al bij het toelaten na te denken over hoe de sanering wordt veilig gesteld. Vanwege dit tijdelijke karakter van zelfstandige opstellingen voor zonne-energie is de ontwikkeling daarom uitsluitend mogelijk met de toepassing van een omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan. Aan een dergelijke vergunning kan een termijn worden verbonden en de voorwaarde dat na afloop van de termijn de situatie van voor de vergunningverlening wordt hersteld. Het vereiste van een omgevingsvergunning is efficiënt vanuit het terugdringen van bestuurslasten omdat er geen bestemmingsplanprocedures doorlopen hoeven te worden bij aanvang en bij afloop van het gebruik. Bovendien ontstaan er met een dergelijke procedure geen planologische rechten die op termijn kunnen leiden tot andere gebruiksfuncties of planschade claims. De vestiging van zelfstandige opstellingen groter dan 5000 m2 of de nieuwvestiging van zelfstandige opstellingen
45 buiten zoekgebieden voor verstedelijking is dus niet mogelijk met een herziening van een bestemmingsplan.
46 Bijlage 3
Landschappelijke karakteristieken en visie per deelgebied
Bron: Landschapsontwikkelingsplan 2012
1. Heipolder De Heipolder is een jong ontginningsgebied, dat oorspronkelijk uit woeste heidegronden bestond die eind 19e, begin 20e eeuw in cultuur zijn gebracht. Het is een relatief open gebied met een rationele verkaveling. Er is sprake van een harde overgang van de open Heipolder naar de dichte Rucphense Bossen. De zandpaden die nog aanwezig zijn in het gebied vormen waardevolle cultuurhistorische elementen. De beboste zone ter hoogte van Nederheide, dwars door Heipolder heen, vormt de verbinding tussen de Rucphense Bossen en de landgoederen zone van Roosendaal. De beboste zone is aangewezen als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur. In het uiterste zuidwesten is een natte ecologische verbindingszone aanwezig langs de Natte of Elderse Turfvaart. Het Landschapsontwikkelingsplan is erop gericht de openheid van de Heipolder te handhaven. Overige maatregelen zijn het herstellen van zandpaden en het verzachten van de Rucphense Bossen met nieuwe beplantingselementen zoals houtwallen. 2. Rucphense Bossen De Rucphense Bossen liggen op de hogere delen van een dekzandrug en hebben een geaccidenteerde ondergrond. Die ondergrond bestaat onder andere uit landduinen. De gebieden waar nu de bossen staan, bestonden oorspronkelijk uit heide en stuifzanden. Deze werden tussen 1900 en 1930 beplant met naald- en loofbomen voor de houtproductie.
De bossen worden doorsneden door een strak patroon van brandgangen en zandpaden. In de verkaveling van de bospercelen is de oude structuur van de heidegebieden deels nog te herkennen. Ingesloten in het bos liggen nog enkele relicten van stuifzanden, open heide en heidevennen. Met name aan de noordzijde van de bossen zijn ook enkele percelen grasland ingesloten. Deze worden begrensd door houtwallen met hakhout. Langs de bosrand zijn nog enkele historische bouwwerken te vinden, zoals een jachthuis uit 1929 met bijbehorende inrichting en een kapel uit 1930. De Rucphense Bossen hebben een belangrijke ecologische waarde vanwege de landschappelijke variatie en de infiltrerende werking van de bodem. 3. Schijfse Vaart Het landschap rond Schijf bestaat uit oude, besloten zandontginningen. Opvallend element in dit landschap is de Schijfse Vaart, een oude turfvaart die dateert uit de tijd van de turfwinning. De vaart is een archaïsch element en niet meer op alle plekken herkenbaar. De waterhuishouding van het gebied is divers, de gebieden langs de bossen zijn infiltratiegebieden, in de lager gelegen delen is het vochtiger omdat het water uit de hoger gelegen delen zich hier verzameld. De landerijen tussen de Rucphense Bossen en de kern Schijf liggen op een hoger gelegen dekzandrug.
Daarom zijn de oude landbouwgronden, de bolle akkers waar de bewoners van Schijf van oudsher hun gewassen verbouwden, juist daar te vinden. De overgang van de bossen naar het relatief open landschap zijn hard en abrupt. In het landschap zijn nog enkele historische lijnen en boskavels terug te vinden, die nog dateren uit de tijd van de ontginning. Het gebied heeft een grotendeels agrarische functie. Er is vooral intensieve veehouderij te vinden, maar ook boomteelt. Verder heeft Schijf een voorzieningenfunctie voor recreanten uit de Rucphense Bossen. 4. Het noorden Het noorden is een gevarieerd gebied dat bestaat uit oude en jonge besloten zandontginningen met een geaccidenteerde ondergrond en een gemengde waterhuishouding. Het gebied is relatief open, maar is wel doorsneden met historische boskavels en houtwallen. Deze groene elementen maken deel uit van Natuur Netwerk Brabant en drukken een duidelijke stempel op de uitstraling van het gebied. Het noordoostelijke deel is opener van karakter. Ondanks de aanwezigheid van de snelweg is er nauwelijks sprake van grootschalige bedrijvigheid die zich meestal op dit soort locaties ontwikkelt. Ook in dit landschap zijn sporen te vinden van de turfwingeschiedenis in de vorm van de Rucphense Vaart – Vlettevaart en de Zwarte Sloot.
Een ander opvallend cultuurhistorisch element is de industrie- en poldermolen uit 1844 met een nabijgelegen houtwal. De agrarische sector is vooralsnog een belangrijke drager van het landschap, in het gebied is
47 melkrundveehouderij, tuinbouw en intensieve veehouderij aanwezig. Ook liggen er kassen. De bebouwing ligt verspreid in het landschap. 5. Zegge Het gebied rondom de kern Zegge kan worden gekarakteriseerd als jonge, open veenontginning. Het is een oud, historisch landschap en heeft nog een herkenbare waardevolle structuur. Zegge is ontstaan op een hoger gelegen dekzandrug, die werd omgeven door woeste, natte veengebieden. Delen van het landschap zijn al tussen 1280 en 1287 in cultuur gebracht. De oorspronkelijke structuur in de vorm van kavelgrenzen en watergangen is nog te herkennen in het landschap van nu. Het landschap is open en grootschalig en heeft een rationele structuur. Landbouw is de belangrijkste drager van het landschap, waaronder intensieve veehouderij. Verspreid door het landschap zijn enige boskavels te vinden en een concentratie van opgaand groen is te vinden aan de rand van het plangebied te zuiden van de kern Zegge. De agrarische bebouwing, waaronder een behoorlijk aantal monumenten, ligt verspreid door het landschap en is haaks op de wegen georiënteerd. Het deelgebied Zegge is verwevingsgebied. Dit betekent dat er kansen liggen voor een groei en/of transformatie van de landbouw, mits dit te verenigen is met andere functies, zoals wonen, water en natuur. 6.
Het oosten Het gebied ten oosten van de kernen bestaat hoofdzakelijk uit oude besloten zandontginningen, met als uitzondering het gebied ten zuiden van de Blikloop, dat kan worden gekarakteriseerd als coulisselandschap. De reliëfrijke ondergrond en de grillige waterhuishouding hebben een belangrijke rol gespeeld in de wijze van ontginning van het landschap. Op de relatief hogere gronden zijn monumentale boerderijen en oude bolle akkers terug te vinden. Vanaf deze plekken zijn in een later stadium de lager gelegen delen in cultuur gebracht. De geschiedenis van het gebied is terug te vinden in de namen van de straten, zoals Heikant en Turfstraat en in de aanwezigheid van de Oude Vaart en de Turfvaart. De kavelstructuur is grillig en is her en der aangezet met houtwallen. Het grootse deel van deze karakteristieke elementen is echter verloren gegaan. Een ander opvallend element is de laanbeplanting langs de wegen. Het patroon van bomenrijen en lanen maakt het landschap kleinschaliger. Door de grillige structuur en de aanwezigheid van veel opgaande beplanting zijn landschapskamers ontstaan die allerlei agrarische functies herbergen. Er bevinden zich veel intensieve veehouderijen, maar ook boomteelt en kassen. De zuidrand van Het oosten is attentiegebied in de Verordening Waterhuishouding.
In dit deelgebied wordt ingezet op het behouden en beperkt herstellen van lijnvormige beplantingselementen. Waar mogelijk kan door het laten ontstaan van ruige perceelsranden en slootkanten de huidige kamerstructuur verder versterkt worden en een ecologische meerwaarde worden gecreëerd. In deze ‘kamers’ zijn meerdere vormen van landgebruik denkbaar; akkerbouw, melkveehouderij, bomenteelt en zelf kleinschalige glastuinbouw of intensieve veehouderij. 7. Militair Mobiliteits Centrum (MMC complex) Het MMC bestaat uit een groot aantal functioneel vormgegeven loodsen omgeven door een gemengd bosgebied, de Molenheide. Het MMC stamt uit 1945 en is rationeel verkaveld. De Molenheide heeft grillige, maar harde randen naar de omgeving. Aan de westzijde loopt de Zundertseweg die begeleid wordt door een historische bomenrij. Aan deze kant liggen enkele agrarische bedrijven. Het grootste deel van de bossen rondom het complex functioneert als buffer en is toegankelijk voor extensieve recreatie door middel van paden en wegen. Het bos heeft daarnaast ook een ecologische functie en speelt door de ligging op een dekzandrug een belangrijke rol in de waterhuishouding van de gemeente Rucphen. Het MMC is een beschermd gebied in het kader van de Verordening Waterhuishouding, in verband met de infiltratiewerking van de ondergrond. 8.
Grensgebied Zundert Het grensgebied met Zundert valt door de scherpe gemeentegrens uiteen in twee delen, een noordelijk en een zuidelijk deel. Het grootste van het grensgebied maakte oorspronkelijk deel uit van de oude besloten zandontginningen, maar daar is nu nog weinig van terug te zien in het landschap. Enkele oude zandpaden resteren nog. Het gebied heeft hoofdzakelijk een open, grootschalige agrarische uitstraling. Er is onder andere glastuinbouw te vinden. Incidenteel zijn nog restanten van de oorspronkelijke beplanting terug te vinden. Hierbij gaat het onder andere om de
48 historische laanbeplanting langs de Schijfse Baan, die bestaat uit beuken en een enkele eik. Aan de uiteinden van dit deelgebied ligt een deel coulisselandschap dat de overgang vormt naar de vochtige landschappen en het voormalige hoogveengebied in de gemeente Zundert. Door het grensgebied loopt een kleine waterloop, de Blikloop. De noordelijke kant is aangewezen als attentiegebied in de Verordening Waterhuishouding: ter bescherming hiervan zijn regels opgenomen in het bestemmingsplan in de vorm van een gebiedsaanduiding. Tevens is het deels een zoekgebied voor extensivering van de melkveehouderij en intensieve veehouderij. Het zuidelijke deel is verwevingsgebied, maar draagt ook de aanduiding leefgebied kwetsbare soorten. 9. Oude Zoek De Oude Zoek is een droogmakerij uit 1865. De droogmakerij onderscheidt zich van de omliggende gebieden door haar ronde vorm en rationele verkaveling. Deze karakteristieke vorm is nog een extra aangezet door de opgaande laanbeplantingen. Een belangrijke factor voor de verschijningsvorm is de hoge grondwaterstand, bij de ontginning zijn de natste delen overgeslagen. Dit is goed te zien aan het Moergat, een oud ven. Hier was de bodem zo vochtig, dat de randen van het ven slechts gebruikt konden worden voor hakhoutteelt. De bomen zijn op rabatten, opgehoogde ruggen geplaatst om ze toch nog enige ruimte te geven om te wortelen.