CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

07.5 landschappelijke-verdieping raad

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 7 april 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Regionale Energie Strategie 2030 West-Brabant 1.019.594 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Landschappelijke onderlegger voor inpassing en vormgeving RES West-Brabant

Inhoudsopgave 1

1.1 1.2 1.3

2

Inleiding

5

Regionale landschapsanalyse West-Brabant

7

Over het doel van dit document Over het product en het proces Leeswijzer

5 5 5

2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Landschapstypen Waarden Technische randvoorwaarden Dynamiek Landschappelijke onderlegger

7 21 35 37 43

3

De bouwstenen

47

3.1 Overkoepelende informatie bouwstenen 3.2 Dorps- en stadsranden 3.3 Bedrijventerreinen 3.4 Snelwegen / spoor 3.5 Landbouw 3.6 Verhaal cultuurhistorie 3.7 Nieuwe natuur 3.8 Landschapsbouw 3.9 Op water 3.10 Slecht bruikbare gronden 3.11 Kaarten bouwstenen

47 49 61 71 85 93 99 113 125 129 131

4

135

De leidende principes

4.1 4.2 4.3 4.4

De leidende principes vanuit de Concept RES 1.0 Algemene leidende principes Leidende principes zon Leidende principes wind

135 136 142 149

5

Hoe kom je tot een eigen landschappelijke visie ?

155

6

Bijlage

159

6.1 Literatuurlijst 6.2 Afbeeldingen 6.3 Colofon

159 160 161

november 2020 LOS stadomland B.V. Postbus 142 5201 AC ‘s Hertogenbosch Nieuwe Linie 1-3, 5264 PJ Vught

Tel: 073 - 7113770 info@losstadomland.nl www.losstadomland.nl

Hein: 80 Stakeholders atelier. Niet bewoners.

1 Inleiding

1.1 Over het doel van dit document

1.2 Over het product en het proces

Momenteel zijn alle regio’s druk bezig met de RES 1.0: het bod duurzame energie voor 2030. Zo ook West-Brabant. Dit betekent in 2030 ‘de stekker erin’ en in 2025 de vergunning(en) rond. Dat is een enorme opgave, waarbij snelheid en zorgvuldigheid cruciaal zijn. De regio West-Brabant heeft al flinke stappen gezet. De regionale duurzame energieopgave voor West-Brabant is qua bestuurlijke keuzes en hoofdlijnen vastgelegd in de Concept RES. Deze Concept RES volgt twee sporen: 1. De bestuurlijke consultatie van de 16 gemeenteraden en 2. Verdieping en verscherping van verschillende onderwerpen, waaronder de landschappelijke verdieping.

Dit document geeft een analyse van het landschap, de aanwezige waarden en dynamiek. Daarbij is geput uit bestaande (kaart)materialen van de provincie en gemeenten. Op basis van de analyse en de energieopgave heeft een ontwerpend onderzoek plaatsgevonden om te testen hoe de energieopgave vanuit landschappelijk perspectief geaccommodeerd zou kunnen worden. Dit onderzoek had niet als doel dé oplossing te vinden, maar heeft geleid tot bouwstenen die benut kunnen worden bij afwegingen. Naast de landschappelijke bouwstenen zijn als advies leidende landschappelijke principes geformuleerd.

Dit document betreft de landschappelijke verdieping voor de RES West-Brabant. Deze verdieping is een landschappelijke onderlegger en geeft inpassings- en vormgevingsprincipes voor de energietransitie betreft zonne-energie en wind-energie. De onderlegger heeft als doel te helpen bij het maken van goed afgewogen keuzes over potentiële locaties voor wind- en zonne-energie voor de periode tot 2030 en voor de periode tot 2050. Dat doel bereiken we niet door een eindoordeel te geven of strak kader neer te leggen maar door “leidende principes” en “bouwstenen” aan te reiken. Daarbij is ook goed onderbouwd uitsluiten van locaties onderdeel van de opgave.

Dit document is gemaakt in samenwerking met de begeleidingsgroep RES West-Brabant. Tevens hebben een tweetal workshops plaatsgevonden in het online werkatelier van 14 mei 2020 om bouwstenen te toetsen en door te ontwikkelen. Het resultaat is op hoofdlijnen besproken op 19 mei en 30 juni 2020 in het RES-team en op 8 juli 2020 in de stuurgroep RES West-Brabant. De eindnotitie wordt in september 2020 in het RES-team en de stuurgroep behandeld.

1.3 Leeswijzer We starten met een analyse van het landschap van West-Brabant. Deze vormt een onderlegger voor de inpassingsvraagstukken wind- en zonne-energie. Vanuit de analyse ontstaat inzicht in waarden en kwaliteiten, in kansrijke gebieden en gebieden die bij voorkeur worden uitgesloten. Vervolgens geven hoofdstuk 3 en 4 de landschappelijke aanbevelingen. In hoofdstuk 3 zijn de aanbevelingen gegeven in de vorm van thematische landschappelijke bouwstenen voor inpassing en vormgeving. In hoofdstuk 4 zijn de aanbevelingen gegeven als onderliggende leidende landschappelijke principes. Tot slot geeft hoofdstuk 5 een methodiek om op lokaal (gemeentelijk) niveau zelf tot landschappelijke afwegingen te komen.

5

De regio West-Brabant bestaat uit 16 gemeenten: Steenbergen, Bergen op Zoom, Woensdrecht, Moerdijk, Halderberge, Roosendaal, Rucphen, Zundert, Etten-Leur, Breda, Drimmelen, Altena, Geertruidenberg, Oosterhout, Alphen-Chaam, Baarle-Nassau.

2 Regionale landschapsanalyse West-Brabant 2.1 Landschapstypen Op hoofdlijnen is de regio West-Brabant onder te verdelen in 4 gebieden: zand, zeeklei, rivierklei en de Naad van Brabant. De Naad van Brabant is het overgangsgebied tussen de hoger gelegen zandgronden en de lager gelegen kleigronden. Deze vier gebieden zijn verder onderverdeeld in landschapstypen met ieder zijn eigen specifieke ruimtelijke kenmerken. Het onderscheid in de vier gebieden en de landschapstypen is gebaseerd op drie lagen: • Natuurlijke basis: geomorfologie en watersysteem • Ontginningslandschap: vorming landschap door de geschiedenis heen • Moderne of functionele landschap: verstedelijking en grote ontwikkelingen Hierbij sluiten we aan op de structuurvisie en de gebiedspaspoorten van de provincie Noord-Brabant. Natuurlijke basis Bepalend voor het landschap in West-Brabant is het onderscheid tussen klei en zand. In de kleigebieden zijn de openheid, robuustheid, de kreken, de rivieren en de Biesbosch de belangrijkste dragers. Van het zandlandschap is het bekenstelsel dé drager. Het stelsel van noord-zuidlopende beken dooradert het kleinschalige landschap van het zandplateau. De Brabantse Wal vormt demarkante westgrens van het dekzandplateau met de zeekleigronden. Hier is een hoogteverschil van circa 20 meter.

De Naad van Brabant is het overgangsgebied tussen het noordelijk kleigebied en het zuidelijke zandgebied. Ontginningslandschap De mens heeft door de eeuwen heen het landschap naar zijn hand gezet. Hierbij hebben de landbouwgeschiedenis en daarbij behorende ontginningen een grote rol gespeeld. Ook de militaire, religieuze en industriële geschiedenis hebben het landschap mede gevormd tot wat het nu is. • Veen: Belangrijke dragers in het veenontginningslandschap zijn de turfvaarten. Het veen zelf is nagenoeg helemaal verdwenen. • Zand: Onderscheid tussen de oude en jonge zandontginningen, verschillende beeksystemen die de zandgronden dooraderen, de oude akkers, de bossen, vennen en heide, nevel van steden, dorpen en gehuchten, vele landgoederen en kloostercomplexen. • Zeeklei: open polders, dijkringen, nieuwvestigingen haaks op de dijk, vestingsteden, de waterlinies en de overlaten. • Rivierklei: afwisseling van besloten oeverwallen met oeverwaldorpen en open komkleigebieden met bijbehorend afwateringsstelsel.

7

Aandijkingen, veenpolders en oud bedijkt land

Modern/functioneel landschap De Brabantse samenleving heeft zich ontwikkeld van een regionaal en ruraal georiënteerde samenleving naar een overwegend stedelijke, geïndustrialiseerde en internationaal georiënteerde samenleving. De bijbehorende aanpassingen aan het watersysteem, de groei van de verstedelijking en het mobiliteitsnetwerk zorgen voor een behoorlijke intensivering van het West-Brabantse landschap. Het stedelijk patroon is een kralensnoer van steden op de overgang van zand naar klei. 2.1.1 Zeeklei Het zeekleigebied ligt op de overgang van het dekzandplateau naar de RijnSchelde-delta, oftewel tussen de hoger gelegen zandgronden aan de zuidzijde en het Haringvliet en Hollandsch Diep aan de noordzijde. Het zeekleigebied bestaat grotendeels uit zeekleipolders met de (restanten van) kreken die zich hier in het verleden een weg hebben gebaand. Buitendijks langs de rivier en bij de Biesbosch liggen slikken en schorren.

je op de lagere gronden langs de kreken. Hier komen ook restanten hakhout en grienden voor. Vroeger was er in de Biesbosch en in de buitendijkse gebieden langs het Hollandsch Diep een uitgebreide riet- en griendcultuur. Modern/functioneel landschap De zeekleigrond is erg goede landbouwgrond voor bieten, aardappels, tarwe en groenteteelt. Niet voor niets is de agrarische sector erg sterk aanwezig en bepalend voor het krachtige open landschapsbeeld. De grote teelten bepalen hier de inrichting en ontsluiting van het gebied. De Biesbosch is een natuurgebied van (inter)nationale allure. De strategische ligging aan spoorlijnen, water- en snelwegen tussen Rotterdam en Antwerpen heeft de afgelopen decennia geleid tot grootschalige ontwikkelingen op het gebied van bedrijvigheid en industrie, kassen, drinkwaterbekkens en infrastructuur. Het gaat hierbij o.a. om industrieterrein Moerdijk, de glastuinbouw bij Dinteloord en Made, de infrabundel A16, spoor en HSL.

Ontginningsgeschiedenis Op het dikke pakket dekzand ontstaan na de laatste ijstijd eerst bossen en later moerassen. Vanuit die moerassen komt de veenvorming op gang. Veen vormt zich als plantenresten zich ophopen en er geen zuurstof bij komt. Het veen breidde zich in de loop der eeuwen uit over een groot deel van West-Brabant.

In het zeekleigebied onderscheiden we de volgende landschapstypen en landschappelijk eenheden: • Zeekleipolders • Kreken en kreekruggen • Slikken en schorren

Toen de mens rond 1000 het veengebied ging ontginnen, leidde dat tot bodemdaling als gevolg van klink en oxidatie. Deze bodemdaling werd versterkt toen hier de zout- en turfwinning floreerden. Het veen nam zout op wanneer het in contact kwam met zeewater. Het zout werd uit het veen gewonnen door het te laten drogen, nog een aantal keren te overgieten met zeewater, weer te laten drogen en vervolgens de verbranden. Van Zevenbergen en Moerdijk tot Bergen op Zoom vormt de zoutwinning een belangrijke inkomstenbron. Door al die afgravingen komt het land steeds lager te liggen en neemt de druk op de dijken vanuit de zee en de rivieren toe. Er volgen vele overstromingen. In 1421 is de Sint Elisabethvloed de genadeklap. De overstroming komt erg ver landinwaarts en duizenden mensen en dieren overlijden. Herstellen heeft geen zin meer. Wat er overblijft is de Biesbosch. Zevenbergen en Hazeldonk blijven als eilanden in het nieuwgevormde waddengebied over. Al het aanwezige veen wordt door de zee weggespoeld.

Binnendijks liggen de zeekleipolders. Dit zijn de polders die ontstaan zijn door de landaanwinningen. De kreken en kreekruggen zijn over het algemeen grillige (voormalige) watergeulen, die door de verschillende zeekleipolders lopen. Buitendijks langs het Hollandsch Diep en in de Biesbosch bevinden zich de slikken en schorren. Zeekleipolders: Polders ontstaan door landaanwinningen. Kreken en kreekruggen: Een kreek is een kleine watergeul ontstaan als gevolg van een dijkdoorbraak of een restant van een vroegere getijdengeul. Ze zijn gevormd door in geulen afgezet zand. In tegenstelling tot het voormalige omringende veenlandschap zijn de kreken niet gedaald. Daardoor liggen de kreken hoger in het landschap, waardoor ze een logische vestigingsplaats waren voor de mens. Hier is de karakteristieke lintbebouwing op ontstaan. Slikken en schorren: Een slik is een droogvallende plaat in een getijdengebied. Slikken vallen droog bij laagwater en lopen onder bij hoogwater. Schorren liggen hoger en lopen alleen bij springtij onder water. Op schorren komen planten voor op slikken en platen niet.

Het gebied staat vol onder invloed van de zee. Door aanslibbingen van zeeklei komen delen land zo hoog te liggen dat er een dijk of kade omheen kan. Vanaf de 16e werd eerder verloren land zo beetje bij beetje teruggewonnen op de zee. Initiatieven voor nieuwe bedijkingen kwamen vaak van grootgrondbezitters zoals de heren van Breda en de markiezen van Bergen op Zoom. De polders werden rationeel ingericht met een nieuwe hoofdweg in de lengte van de polder en dwarswegen hier loodrecht op. Polder Ruigenhil en Prinsenland zijn mooie en nog oorspronkelijke voorbeelden hiervan. De Dintel, de Steenbergse vliet en de Roosendaalse vliet zijn begin 19e eeuw gekanaliseerd ten behoeve van de scheepvaart en de waterbeheersing. Door de goede waterhuishouding en vruchtbare grond is er veel akkerbouw. In de oudere polders is er een mix van akkerbouw en weilanden. Tot diep in de 19e eeuw werd er meekrap geteeld. Dit is een plantje waar uit de wortels de natuurlijke verfstof wordt gewonnen. Suikerbiet is een ander gewas dat hier groots was en is. De suikerfabriek in Stampersgat bestaat nog steeds. Grasland vind

Kenmerken zeekleipolders: • Door dijken omgeven grootschalige polders • Open en rationeel ingericht landschap • Hoge en steile dijken met beplanting (veelal essen) • Dijklinten (met zicht op de open polders) en voorstraatdorpen • Zuiderwaterlinie met vestingsteden, forten en liniedijken en een stelsel van inundatievlakten • Open schootsvelden rond fortificaties • Molenbiotopen • Kreken, grienden, watergangen, hakhout.

9

Functioneel landschap De hoofdwegen en spoorlijnen hebben grote invloed op de stedelijke ontwikkeling gehad. In de West-Brabantse veenontginningen zijn twee steden ontstaan: Roosendaal en Etten-Leur. Beide zijn afgelopen decennia erg hard gegroeid. Ten zuidwesten van Etten-Leur liggen de dorpen Sint Willibrord, Rucphen en Sprundel. Deze drie dorpen zijn aan elkaar gegroeid. Het overige deel van het gebied is sterk agrarisch en wordt gekenmerkt door blokverkavelingen en voor zandgronden relatieve openheid. Bossen en linten doorsnijden het gebied.

2.1.2 Zand Het zandlandschap van West-Brabant is een zwak golvend dekzandlandschap dat in het oostelijke deel (Baronie) natuurlijke beken had en in het westelijke deel (West-Brabantse Venen en Brabantse Wal) niet. De gebiedspaspoorten van Noord-Brabant onderscheiden op regionale schaal de volgende drie deelgebieden: • West-Brabantse Venen • Brabantse Wal • Baronie West-Brabantse Venen Tot de West-Brabantse Venen behoort het veenontginningsgebied rondom Roosendaal, Etten-Leur en Rucphen. Het licht golvende dekzandlandschap had hier van nature geen beeklopen die zorgden voor een natuurlijke afwatering. Door de slechte ontwatering bleven de dekzandkommen nat en ontstonden er meren en later vennen. Vanuit deze vennen heeft de veenvorming zich op grote schaal uitgebreid over de omgeving. Zo zijn de hoogveencomplexen in West-Brabant ontstaan. Van deze veenlaag is echter niets meer over. Deels is het weggeslagen door overstromingen en deels is het veen ontgonnen en afgegraven door de mens. Daardoor is het tegenwoordig weer dekzandgebied. Ontginningslandschap Kenmerkend voor het ontstaan van het huidige landschap is de het proces van veenontginning. Het gewonnen veen werd tot turf verwerkt. Een belangrijk veengebied ligt ten oosten van Roosendaal, bij Zegge. Turfwinning vond hier plaats vanaf het midden van de 13e eeuw tot het midden van de 16e eeuw.

In het landschap is hier nauwelijks nog iets van te zien. Tegenwoordig herinneren alleen de turfvaarten en turfhavens nog aan de eeuwen van turfwinning. Initiatiefnemers van de veenontginning waren de abdijen, kloosters en gasthuizen. In die tijd zijn imposante kerken in de kleine dorpen gebouwd: de basiliek in Oudenbosch, Klein Lourdes in Sint Willibrord en de kerk van Wouw. Ten behoeve van de ontwatering zijn er beken en waterlopen in noordzuidrichting gegraven. Nabij Rucphen zijn later op grote schaal bossen aangelegd, enerzijds om de dreigende verstuiving van de resterende heide tegen te gaan en anderzijds als leverancier van mijnbouwhout. Zie voor de “Geschiedenis turfwinning, Moerenkaart en turfvaatstelsels 1250-1750” blz 25.

Kenmerken West-Brabantse venen: • Langgerekte veendorpen (ontginningslinten) op hoge ruggen in het landschap • Turfvaarten en turfhavens • Imposante kerken in kleine dorpjes • Gegraven beken en waterlopen in noord-zuidrichting • Bossen • Landgoederen • Houtwallen • Landbouw op de ontgonnen veengronden: rundvee, akkerbouw, groenteteelt, tuinbouw, intensieve veehouderij • Voor zandgronden relatief open agrarisch gebied met blokverkavelingen We onderscheiden de volgende landschapstypen en/of landschappelijke eenheden: • Veenontginningen • Essenlandschap • Kampenlandschap • Heideontginningen • Beken • Bossen Brabantse Wal De Brabantse Wal is lang een zandrug te midden van veenmoerassen geweest. Door afgraving en oxidatie/inklinking zijn de veenmoerassen ten westen en noorden van de Brabantse Wal volledig verdwenen en is hier zeeklei afgezet. Ten oosten van de Brabantse Wal zijn de veengronden volledig afgegraven. Tegenwoordig is het hoogteverschil aan de westzijde van de Brabantse Wal spectaculair. Het hoogteverschil is hier circa 20 meter tussen de hoge zandgronden en de lage zeekleigronden. De overgang van de Brabantse Wal naar de oostzijde is veel geleidelijker. Ontginningslandschap Kenmerkend is de grote verscheidenheid aan bossen: parkbossen bij landgoederen, productiebossen bij landgoederen, doorgeschoten hakhoutcomplexen en bossen tegen de zandverstuiving.

De Brabantse Wal bestaat uit kleinschalig besloten landschap met steden, dorpen, landbouwgronden, landgoederen met bossen, plantages met loof- en naaldhout, vennen, heidevelden en open zandgronden. Het is vooral een natuurgebied. Landbouwkundig is het niet interessant. Er zijn enkele intensief gebruikte graslanden in kwelzones met rundveebedrijven en akkerbouw. Op de overgang naar de zeeklei liggen enkele oude akkercomplexen en de overgang naar het oosten kent agrarische percelen omzoomd door bossen (kamers). Vestingstad Bergen op Zoom en de omliggende forten zijn onderdeel van de Zuiderwaterlinie. Zie voor de “Geschiedenis Zuiderwaterlinie” blz 29.

11

Functioneel landschap De Brabantse Wal bestaat voor een groot deel uit natuurgebieden. Op de steile westflank van de Brabantse Wal is het stedelijk gebied sterk gegroeid. Halsteren en Bergen op Zoom zijn ongeveer aan elkaar gegroeid en Hoogerheide en Woensdrecht ook bijna. Op de oostelijke overgangszone zijn meerdere huisjesterreinen en campings ontstaan, evenals glastuinbouwcomplexen en een vuilstort. Het nog aanwezige kleinschalige besloten landschap is van belang voor de natuurwaarden. De natuurgebieden op de Brabantse Wal worden doorsneden door vliegveld Woensdrecht, de A58 en het spoor. Kenmerken Brabantse Wal: • Beboste zandkop • Markante grens zand-klei, hoogteverschil van ca 20 m • Verscheidenheid aan bossen: landgoederenbossen, doorgeschoten hakhoutcomplexen en dennenbossen tegen de zandverstuiving. • Kleinschalige, versnipperde landbouw • Oude zandontginningen met bos en besloten landschap • Zuiderwaterlinie: vestingstad Bergen op Zoom en omliggende forten Op de Brabantse Wal onderscheiden we de volgende landschapstypen en landschappelijke eenheden: • Landgoederenzones • Bossen, zandverstuivingen, heide • Kampenlandschap • Essenlandschap Baronie Met de Baronie wordt vaak ook het centraal-westelijke deel van de provincie Noord-Brabant bedoeld, dus inclusief de West-Brabantse Venen. Hier bedoelen we het zandgebied ten oosten van de West-Brabantse Venen.

Ook dit deelgebied is onderdeel van het dekzandplateau. In het westelijk deel stromen de Aa of Weerijs en de Mark richting Breda. In het oostelijk deel stromen ’t Merkske, de Chaamse beken en de Strijbeekse beek eveneens richting Breda. Ontginningslandschap Tot het einde van de Vroege Middeleeuwen was het grootste deel van de Baronie wildernis. Toen werden maar weinig gronden gebruikt voor landbouw. De randen langs de beekdalen en de wat hogere gelegen gronden waren wel geschikt voor landbouw. Na het jaar 1000 vond er geleidelijk een verandering plaats. Er werden nieuwe akkers ingericht. In de Middeleeuwen werd het landschap ontgonnen en ontstond de kenmerkende inrichting met akkers, graslanden (beemden) en woeste gronden (heide). Vanaf de 16e eeuw werden ook gronden gebruikt om landgoederen en productiebossen aan te leggen. De stad Breda ontwikkelde zich tegen het einde van de 15e eeuw als de residentie van de graven van Nassau. Dat bracht allerlei adel van elders naar de stad, die het op prijs stelde om buiten de stad nog een zomerverblijf te hebben. Daartoe konden de bestaande oude kasteel-

tjes dienen, maar er werden ook boerderijen opgekocht om tot buitenhuis verbouwd te worden. Zo ontstond in de 16e eeuw rond Breda het landgoederenlandschap, dat in de17e eeuw door de heren van Breda verder uitgebouwd werd. Eind 19e eeuw bracht de uitvinding van de kunstmest de ontginning van de heidevelden in een stroomversnelling. De ontginning van de heidevelden was deels voor landbouwgrond en deels voor bossen. Functioneel landschap Verschillen tussen oude en jonge zandontginningen zijn door landinrichting grotendeels verloren gegaan afgelopen decennia. Het landelijk gebied heeft een opener karakter gekregen. In oost-westrichting doorsnijden de A58, de spoorlijn Breda-Tilburg en het Wilhelminakanaal de Baronie. In noord-zuidrichting doorsnijden de A16, de HSL en de A27 de Baronie. De steden Breda en Oosterhout en bijbehorende bedrijventerreinen liggen op de zandgronden op de overgang naar de klei, gekoppeld aan de snelwegen, spoorlijnen en kanalen. De kleine dorpen liggen verspreid in het landschap. Er komen relatief veel bossen voor, die zowel een belangrijke natuurfunctie als recreatiefunctie hebben. Rondom Zundert ligt een omvangrijke concentratie boomteeltbedrijven. In het algemeen komen er vooral akkerbouwbedrijven en rundveehouderijen voor en incidenteel glastuinbouw (rond Etten-Leur, bij Prinsenbeek en bij Zundert).

Er zijn een aantal concentraties intensieve landbouw (kaart “2.4 Dynamiek” blz 37). Kenmerken Baronie: • Afwisselend zandlandschap: oude en jonge zandontginningen, bossen • Oude zandontginning: akkercomplexen met aan- en omliggende buurtschappen en groenstructuren. Voorbeeld: rond Castelré. • Jonge zandontginningen: besloten en open • Bossen: plantages, jachtbossen, jonge bossen voor productie mijnbouw • Veel landgoederen en bossen gesticht. • Beekdalen • Turfvaarten • Zuiderwaterlinie bij Terheijden In de Baronie onderscheiden we de volgende landschapstypen en landschappelijke eenheden: • Landgoederenzones • Bossen, zandverstuivingen, heide, vennen • Kampenlandschap • Essenlandschap • Heideontginningen • Beekdalen

13

Zandgebied als totaal Als we de landschapstypen en de landschappelijke eenheden van de WestBrabantse Venen, de Brabantse Wal en de Baronie samenvoegen, hebben we het overzicht voor het zandgebied van West-Brabant. In het zandgebied als totaal onderscheiden we de volgende landschapstypen en landschappelijke eenheden: • Voormalige veenontginningen • Zandontginningen – essen • Zandontginningen – kampen • Heideontginningen • Landgoederenzones • Oude en nieuwe bossen • Beekdalen Veenontginningen Het veenontginningsgebied ligt rondom Roosendaal, Etten-Leur en Rucphen. Hier heeft op grote schaal turfwinning plaatsgevonden. In het huidige landschap is hier weinig meer van te zien. Het meest duidelijke spoor zijn de nog aanwezige turfvaarten en turfhavens. Op de plekken waar het veen volledig was afgegraven, kwam de zandbodem weer aan de oppervlakte. Hierop werden waar mogelijk akkers ingericht en bossen aangeplant. Essen- en kampontginningen Kenmerkend voor het essen- en kampenlandschap is het kleinschalige en afwisselende landschap. De kleinschaligheid komt voort uit de aaneenschakeling van fijnmazige ruimtes die ontstaan zijn door erfbeplanting en houtsingels. De verkaveling en de wegen zijn hier kronkelig. De essen en kampen zijn hoger gelegen en omgeven door beplanting, zoals houtwallen, bosschages, bosopstanden en erfbeplanting.

De beplanting was om de gewassen te beschermen tegen het wild en het vee. Over het algemeen liepen de schapen hier los. De koeien graasden op de lagere, natte gronden nabij de beken. Om de arme zandgronden vruchtbaarder te maken, brachten de boeren eeuwenlang plaggen en mest aan op de akkers. Hierdoor kwamen de akkers steeds hoger te liggen. De boerenerven liggen op de rand van de es/kamp op de overgang van de lager liggende hooi- en weidegronden nabij de beken. Het essen- en kampenlandschap is eigenlijk beter het beste te zien op oude historische kaarten. Door de modernisering en schaalvergroting in de landbouw is het landschap opener en minder kleinschalig geworden. De graanakkers hebben plaats gemaakt voor mais en weidegrond. Essenontginningen Essen zijn oude opbollende akkers die ontstaan zijn door gemeenschappelijk ontginning. Het zijn aaneengesloten oude bouwlandgebieden die in gebruik waren bij verschillende boeren. Deze grote open akkercomplexen ontstonden vanaf de Middeleeuwen. Essen waren vooral in gebruik als akkergrond en liggen altijd hoger dan de omgeving. Vaak is er sprake van een markante rand met randbeplanting. Essen zijn onbebouwd en de wegen lopen langs de randen in plaats van er overheen.

15

Kampenontginningen Een kamp is een kleine individuele akker, ook wel eenmanses genoemd. Kampontginningen zijn nieuwe huiskampen die vanaf het einde van de Middeleeuwen aangelegd werden op de wat minder vruchtbare zandgronden. Heideontginningen Veel heidevelden waren het resultaat van eeuwenlange overexploitatie door begrazing van de eens voorkomende natuurlijke bossen. Het overgrote deel van de heide was in gemeenschappelijk gebruik. Boeren lieten er hun schapen grazen en staken er plaggen voor de bemesting van hun akkers. Verschillende ontwikkelingen versnelden rond 1900 decgrootschalige heideontginning: de ontdekking van de kunstmest, de komst van goedkope wol uit Australië en de verbeterde ontwatering van de natte heidevelden. Er ontstond een nieuw landschap. Kenmerkend voor dit landschapstype is het vlakke, open en relatief grootschaliger landschap. De rationele verkaveling is blok- en of strokenvormig. Duizenden kleine boeren vonden hier een nieuw bestaan. De erven liggen gelijkmatig verspreid langs de rechte ontsluitingswegen. Het landschap was in het verleden meer besloten door houtwallen en houtsingels. Tegenwoordig is veel van deze beplanting verdwenen en is het landschap opener. De droogste heidegronden waren minder geschikt voor landbouw en werden vaak bebost.

Bossen (met heide, zandverstuivingen en vennen) De bossen liggen op de hogere delen van het zandlandschap en hebben vaak een geaccidenteerde ondergrond. Veel van de huidige bosgebieden waren vroeger heide- en stuifzandgebieden. Deze zeer arme zandgronden waren niet interessant om te ontginnen ten behoeve van de landbouw en werden beplant met naald- en loofbomen. De bossen hadden verschillende functies: namelijk houtproductie voor de bouw van huizen, kastelen en schepen, de jacht, het tegengaan van verstuiving en houtproductie voor de mijnbouw. De eerste productiebossen, die vanaf de 16 eeuw werden aangeplant door rijke kooplui waren eentonige plantages. Sommige zijn heel oud, bijvoorbeeld de Wouwse Plantage en het Mastbos. De boomsoort was afhankelijk van wat op het plantmoment als beste soort werd gezien: Grove Den, Corsicaanse Den, Zeeden, Fijnspar of Douglas. Er waren ook jachtbossen. Deze waren vooral voor de familie Van Oranje-Nassau. De jongere productiebossen waren ten behoeve van de mijnbouw. Hiertoe behoorden: Ulvenhoutse bosch (oud bos dat in gebruik is genomen als productiebos), Sint Annabosch, Prinsensbos, Chaamse Bosschen en Strijbeekse Heide. In veel van deze bossen zijn landgoederen en buitenplaatsen gesticht. De grotere, niet bij de landgoederen horende bossen, werden in de twintigste eeuw bij Staatsbosbeheer ondergebracht.

De oude productiebossen krijgen pas na zeer lange tijd betere natuurwaarden. In de bossen liggen ook heide, zandverstuivingen en vennen. Deze zorgen voor bijzondere natuurwaarden. Landgoederenzones Een landgoed is een groot stuk grond van meerdere hectares met landerijen, bossen en tuinen. Op een landgoed bevindt zich meestal een bijzonder gebouw, zoals een landhuis, kasteel of villa. Landbouw en houtproductie zijn de economische dragers van oudsher voor een landgoed. Tegenwoordig levert recreatie en toerisme daar ook een belangrijke bijdrage aan. Op de Brabanstse Wal, ten zuiden van Breda en langs de Turfvaart(en) zijn vooral vanaf de 18e eeuw vele landgoederen aangelegd. De bijbehorende bossen dienden als productiebos voor de mijnbouw of als jachtbos. In West-

Brabant zijn drie landgoederenzones: Brabantse Wal, ten zuiden van Breda en de landgoederen bij Zundert (en Etten-Leur). Aanvankelijk waren dat landbouwgronden met bossen, vennen en heideterreinen. De bossen werden aangelegd voor de houtproductie en de jacht. Het geheel vormt vaak een rustige harmonische en vrijwel natuurlijk eenheid, die gevarieerd oogt en plaats biedt aan veel soorten planten en dieren. Zie ook “2.2.2 Cultuurhistorische waarden” blz 25 Beekdalen Een beekdal is een lager gelegen gebied in het dekzandgebied, waardoor een beek stroomt. Een beek is een min of meer natuurlijke stroom ondiep water die vanuit een oorsprong, vaak een bron, stroomafwaarts vloeit. Van oudsher stromen er natuurlijke beken in het oostelijke deel van de regio West-Brabant. Deze beken stromen allemaal richting Breda om daar samen te komen in de Mark en de Dintel. Zuidwestelijk van Breda stromen de Aa of Weerijs en de Mark. Zuidoostelijk van Breda stromen ‘t Merkske, de Chaamse beken en Strijbeekse Beek. In het westelijke deel van West-Brabant stroomden vroeger geen natuurlijke beken. Door de slechte afwatering ontstond hier een dik veenpakket. De eeuwenlange veenontginning en turfwinning gingen samen met het ontwateren van het gebied. De in noord-zuid richting gegraven waterlopen (turfvaarten, vlieten, etc.) zorgen ook nu nog voor de ontwatering van dit gebied.

De mensen maakten ook handig gebruik van aanwezige natuurlijke waterlopen. De beekdalen zijn het beste te zien op de historische kaarten van rond 1900. De beekdalen kenden een kleinschalige verkaveling afgezet met beplanting en een grondgebruik van grasland. De mensen woonden op de hogere gronden en lieten hun vee grazen in de lagere, natte beekdalen. De beekdalen in West-Brabant hebben allemaal hun eigen unieke geschiedenis en karakter. Zo is het beekdal van de Mark in de gemeente Alphen-Chaam heel open, terwijl het beekdal van ‘t Merkske in Baarle-Nassau juist kleinschalig en besloten is. Ook de omliggende functies hebben invloed op het karakter van de beek. De beken stromen door natuurgebieden, landbouwgebieden, dorpen, steden, etc. De beekdalen spelen ook een belangrijke rol in het tegengaan van de verdroging van de zandgronden. Het streven is het water zo lang mogelijk vast te houden in het gebied en/of te laten infiltreren. Daarnaast zijn veel beken ecologische verbindingszones. Ook de landbouw heeft een belang bij de beken voor de watertoevoer en -afvoer.

17

2.1.3 De Naad van Brabant De Naad van Brabant is een 1 tot 4 kilometer brede en 175 kilometer lange strook in oost-westelijke richting door Noord-Brabant. Deze strook vormt de scheiding tussen de hoger gelegen zandgronden en de lager gelegen kleigronden (zeeklei en rivierklei). In deze strook komt een grote hoeveelheid kwelwater naar boven. In de zandgronden infiltreert het regenwater naar het grondwater. Het grondwater stroomt van hoog naar laag door de bodem. Doordat de kleibodem dichter is dan de zandbodem, wordt het grondwater bij het bereiken van de kleigronden omhoog gestuwd. De kwel en de venige bodem levert heel bijzondere en waardevolle natuur op. De natuur wordt in de Naas van Brabant onderbroken door verstedelijkte gebieden met als grotere kernen Roosendaal, Etten-Leur, Breda, Oosterhout en buiten de regio West-Brabant nog Waalwijk en ’s-Hertogenbosch. In de Naad van Brabant onderscheiden we de volgende landschapstypen / landschappelijk eenheden: • Overgangsgebied • Veenvlakten De bijzondere moergebieden zijn in het huidige landschap bijna niet zichtbaar. Hier ligt een kans om ze manifester te maken door te vernatten, te vergroten en recreatiemogelijkheden toe te voegen. Door de moergrond te vernatten klinken ze niet in en stoten ze ook minder CO2 uit.

Kenmerken Naad van Brabant: • Moergronden • Hoge kweldruk • Natte(re) gebieden • Overgang hoge zandgronden naar lage kleigronden • Enorme potentie voor bijzondere en waardevolle natuur • Huidige landschap onderscheidt zich amper van de omgeving 2.1.4 Rivierklei Het rivierkleilandschap van de regio West-Brabant maakt onderdeel uit van het jonge rivierkleilandschap. Het gebied wordt begrensd door de Biesbosch en drie rivieren: de Boven Merwede, de Bergsche en de Afgedamde Maas. Het rivierkleigebied bestaat uit oeverwallen, stroomruggen en het komgebied. De oeverwallen en de stroomruggen zijn ontstaan doorafzettingen vanuit de rivieren en liggen dan ook langs de rivier of een oude rivierloop. Ontginningslandschap Tijdens de laatste ijstijd zijn hier zandduinen (donken) ontstaan. Deze liggen onder andere bij Almkerk en Uitwijk. Het gebied was toen kaal en er stroomden rivieren doorheen. Dit waren voorlopers van de Maas en Merwede. Toen het warmer werd ontstond er een groot bos en later een uitgestrekt veen- en kleigebied. Hier doorheen stroomden grote en kleinere rivieren, die duizenden jaren rivierklei en zand hebben afgezet. Bij hoog water zette de rivier de zwaarste deeltjes dichtbij af en de lichtere deeltjes verder weg. Zo zijn de oeverwallen en de stroomruggen ontstaan. De rivieren hebben regelmatig hun loop verlegd.

De bewoning vond vanaf de 9e eeuw plaats op de hoger gelegen gronden: de oeverwallen en de donken. Er ontwikkelde zich een kralensnoer langs de Afgedamde Maas en de Nieuwe Merwede. Door de zeespiegelstijging en de

bodemdaling op plaatsen met veen kreeg men wateroverlast. Daarop werden de dorpen omgeven door een dijk. Toen dat niet voldoende bleek zijn er aaneengesloten dijken langs de rivieren aangelegd. Zo ontstond de Grote Waard, die zich uitstrekte van Vlijmen tot Strijen en Maasdam. Dit grote gebied ging verloren tijdens de Sint Elisabethvloed in 1421. Er ontstonden diepe kreken en geulen. Dit gebied was niet meer te redden. Zo ontstond de Biesbosch. In het oosten had de Sint Elisabethvloed minder schade aangericht. Hier werd een nieuwe dijk aangelegd: de Kornse Dijk. Dit deel van de Groote Waard maak tegenwoordig deel uit van het komgebied in het Land van Heusden en Altena. In de loop der tijd werd steeds meer buitendijks land ingepolderd. De kwelders tussen Bakkerskil en de Oude Korndijk werden bedijkt. Zo ontstonden de Uppelse Polder, de Nieuwe Doornse Polder en de Emmikhovense Polder. Langs de dijken werden boerderijen gebouwd en bij sluizen ontstond een cluster van bebouwing (Hank en Nieuwendijk). Functioneel landschap Op de oeverwallen ligt een kralenketting van dorpen. De dorpen langs de Afgedamde Maas en de Boven Merwede liggen op zeer korte afstand van elkaar en grenzen direct aan de rivieren. Deze dorpen zijn deels aan elkaar gegroeid. De dorpen langs de Bergsche Maas zijn kleiner en liggen verder uit elkaar.

Doordat het rivierkleigebied vroeger behoorlijk geïsoleerd lag van de doorgaande infrastructuur is het gebied vrij gebleven van grootschalige stedelijke ontwikkelingen. In het rivierkleigebied onderscheiden we de volgende landschapstypen/landschappelijke eenheden: • Komgebied • Oeverwallen • Stroomruggen • Uiterwaarden Kenmerken: • Rationeel ingerichte grootschalige en open rivierkleipolders • Langgerekte, kleinschalige, meer besloten oeverwallen met akkers en boomgaarden • Kenmerkende landschapselementen: grienden en eendenkooien • Nieuwe Hollandse Waterlinie: vestingstad Woudrichem, forten en inundatievlaktes • Kastelen: Kasteel Dussen en Kasteel Meeuwen • Landbouw: grondgebonden landbouw

19

2.2 Waarden In dit hoofdstuk zijn waarden onderzocht die het plaatsen van zonnevelden en/ of windturbines kunnen uitsluiten vanuit landschappelijk oogpunt. Het betreft natuurwaarden en cultuurhistorische waarden. Veel recreatieve waarden hangen hiermee samen. Uiteraard is woongenot ook een heel belangrijke waarde. Deze is voor windenergie meegenomen in de technische randvoorwaarden en voor zonne-energie in de bouwstenen voor de stads- en dorpsrand. 2.2.1 Natuurwaarden Op de kaart natuurwaarden zijn de door het Rijk en de Provincie NoordBrabant beschermde natuurgebieden opgenomen. Het betreft: Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Natuurnetwerk Brabant (NNB), ecologische verbindingszones, natte natuurparels, stiltegebieden en weidevogelgebied. Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden. Deze gebieden krijgen extra bescherming, omdat er bijzondere planten en dieren voorkomen. In West-Brabant liggen 8 Natura 2000-gebieden. NNN en NNB Natuurnetwerk Brabant (NNB) is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het is een netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden die door ecologische verbindingszones met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kunnen dieren zich makkelijker verplaatsen tussen verschillende natuurgebieden. De NNN en NNB zorgen voor een verbetering van de biodiversiteit.

Ecologische verbindingszones Ecologische verbindingszones zijn veelal langgerekte landschapselementen langs dijken, waterlopen, wegen, spoor- en vaarwegen, door middel waarvan natuurgebieden met elkaar kunnen worden verbonden. Natte natuurparels Natte natuurparels zijn de waterafhankelijke delen van het NNB, die behoren tot een samenhangend complex van natuurgebieden die sterk afhankelijk zijn van hoge grondwaterstanden of kwel. Het beleid is gericht op maximale rust en ruimte voor ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden.

Natura 2000 gebied Omschrijving Brabantse Wal

Grote bodemdiversiteit met klei- en zandgronden, bossen, heide, stuifduinen en polderlandschap

Markiezaat

Markiezaatsmeer, moerassen, riet en wilgenbosschages

Zoommeer

Zoet meer, diep water, kreken, geulen, ondiep water, platen, kwelders of schorren en stranden

Krammer-Volkerak

Zilte pionierbegroeiingen, zilte graslanden, vochtige duinvalleien, ruigten en zomen met wilgenroosje, zachthoutooibossen en essen-iepenbossen

Hollands Diep

Onderdeel van voormalig estuarium van de delta van Rijn en Maas

Biesbosch

Nationaal Park, belangrijk voor diverse habitats, moerassen en mossen

Pompveld en Kornsche Boezem

Twee poldergebieden met moeras, bosschages en vochtig grasland

Ulvenhoutse Bossen Één van de oudste bossen van Nederland, natte broekbossen en eiken-haagbeukenbossen Stiltegebieden Noord-Brabant is dichtbevolkt en vol met geluiden. Daarom zijn stiltegebieden extra bijzonder. De provincie Noord-Brabant heeft een aantal gebieden waar nog rust te vinden is als stiltegebied aangewezen. In stiltegebieden zijn geen ontwikkelingen toegestaan die (veel) lawaai veroorzaken. In stiltegebieden zijn activiteiten die er al van oudsher plaatsvinden, zoals landbouw, bosbouw en jacht meestal toegestaan. Rustige vormen van recreatie mag ook.

21

Weidevogelgebied Noord-Brabant kent twee belangrijke weidevogelgebieden. Één daarvan ligt in de regio West-Brabant: het Land van Heusden en Altena. Het gebied is aangewezen als weidevogelgebied via het subsidiestelsel voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. De kievit is de meest voorkomende weidevogel in dit gebied. De weidevogels zijn afhankelijk van aangepast maaibeheer, kruidenrijk grasland, vochtige percelen en openheid. Er is de afgelopen jaren met name in vernattingsmaatregelen geïnvesteerd. Natuurwaarden

Omschrijving

Natura 2000

• • • • • • • •

NNN en NNB

Veelal bosgebieden, natte gebieden overgang zandklei, langs Hollandsch Diep en Volkerak, Biesbosch, etc.

Ecologische Verbindingszones

Waterlopen, beken, kreken, dijken, spoorlijnen, etc.

Natte natuurparels

• • • • • • • • • • • • • • • •

Pannenhoef Turfvaart/Bijloop (zuid) Vloeiweide De Berk/Strijpen/Kelsdonk/Zwermlaken Weimeren/Rooskensdonk BovenMarkdal Galdersche Beek Strijbeekse Heide ’t Merkske Binnenpolder Terheijden Sint Annabosch/Chaamse Bossen Halstersche Laag Noordpolder Ossendrecht Molenkreekstelsel Rietkreek Etc.

Stiltegebieden

• • • • • • • • • • •

Rucphense Bossen Oude Buissche Heide Groote Meer Markiezaat Heensche Polder Tonnekreek Biesbosch Singelheide Chaamdijk Chaamse Bossen Gecombineerde Willemspolder

Weidevogelgebied

Komgebied Rivierkleilandschap

Brabantse Wal Markiezaat Zoommeer Krammer-Volkerak Hollandsch Diep Biesbosch (Loevestein), Pompveld en Kornsche Boezem Ulvenhoutse Bos

23

Het veen is in de middeleeuwen vrijwel geheel door de mens afgegraven en daardoor verdwenen. Het westen van Noord-Brabant was in de 13e eeuw één van de eerste gebieden in Noordwest-Europa waar turf op grote schaal bedrijfsmatig werd gewonnen. Turf is gedroogd veen dat als brandstof werd gebruikt. De turf werd gestoken en te drogen gelegd om vervolgens per schip naar een overslagpunt in Roosendaal, Oudenbosch of Leur te worden vervoerd. Vanuit de overslagpunten, ook wel turfhoofden genoemd, werd de turf naar de Vlaamse steden (Antwerpen, Gent en Brugge) en later ook naar Breda en de Hollandse steden gebracht. Aanleiding was het tekort aan brandhout en de groei van de steden.

2.2.2 Cultuurhistorische waarden In het hoofdstuk 2.1 landschapstypen is ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van het West-Brabantse landschap. Een aantal grote ontwikkelingen springen er op cultuurhistorisch vlak uit: • Turfwinning • Landgoederen • De Zuiderwaterlinie • De Nieuwe Hollandse Waterlinie • De Biesbosch Van elk van deze grote ontwikkelingen geven we aan wat de cultuurhistorische waarden in het huidige landschap zijn. Om de waarden goed te kunnen plaatsen is enige kennis van het doel en de ontstaansgeschiedenis van de betreffende ontwikkeling nodig. Aan het einde van elk thema sluiten we af met een overzicht van de nog herkenbare cultuurhistorische waarden, waarmee zuinig omgegaan moet worden.

Ten behoeve van de turfwinning en het vervoer van de turf werden kanalen en soms ook zijkanalen gegraven. Dit zijn de kaarsrechte turfvaarten. Als het veen helemaal wegegraven was, werd de turfvaart doorgetrokken naar een nieuw gebied voor turfwinning. De turfvaarten kwamen zo steeds dieper het land in te liggen. Er ontstonden verschillende stelsels van turfvaarten die ieder naar hun eigen overslaghaven liepen. Grondbezitters als de Hertog van Brabant, Heren van Breda, Heren van Bergen op Zoom en Abdij Tongerlo pachtten of verkochten grond ter vervening. Van de 13e tot en met de 18e eeuw is in het gebied tussen de Brabantse Wal en Breda een enorm veengebied afgegraven. Ten noorden van de dekzandrug waar o.a. Breda op ligt, kwam het land door de turfwinning zo laag te liggen dat de zee het gebied overstroomde en een laag zeeklei afzette. Op de plekken waar het veen volledig was afgegraven kwam de zandbodem weer aan de oppervlakte. Hierop werden akkers ingericht en bossen aangeplant.

Turfwinning In de moerassige gebieden hadden afgestorven planten gedurende honderden jaren een metersdikke veenlaag gevormd. Van dit veen is vrijwel niets meer over, maar het heeft wel de inrichting van het landschap medebepaald. Zo komen er onder meer turfvaarten voor. In de Middeleeuwen werd het veenlandschap ontgonnen en ontstonden de akkers, woeste gronden (heide) en graslanden (beemden). Geschiedenis turfwinning Grote delen van het zandlandschap waren vroeger bedekt met veen. Toen na de laatste ijstijd de temperatuur steeg en het vochtiger werd, ontstond op de kale zandvlakte een gesloten bos. Toen vervolgens de zeespiegel en de grondwaterstand steeg, vormde zich op plaatsen met een slechte afwatering moerassen en veen. Veen ontstaat als plantenresten zich ophopen en er geen zuurstof bij komt (onder water). Het veen breidde zich uit en rond 1000 na Chr. lagen er op de zandgronden in West-Brabant grote pakketten veen. Alleen de hoogste delen waren niet bedekt met veen: de donken van Roosendaal en Wouw, de omgeving van Baarle en enkele plaatsen op de dekzandrug tussen Breda en Oud-Gastel. Geschiedenis turfwinning, Moerenkaart en turfvaatstelsels 1250-1750

25

Huidige waarden Turfwinning In het huidige landschap is de veenlaag nagenoeg volledig verdwenen. Wel liggen overal in West-Brabant de herinneringen aan de turfwinning voor het oprapen. Moerdijk heet zo omdat er turf werd gewonnen, gemoerd op zijn Brabants. Maar er zijn ook nog tal van landschapselementen die verwijzen naar het feit dat West-Brabant ooit een centrum van turfwinning was. Denk bijvoorbeeld aan de turfvaarten, de turfhavens en de gedempte turfvaarten die nu nog lange rechte lijnen in het landschap zijn. Dit laatste is duidelijk te herkennen in Landgoed Visdonk bij Roosendaal. Er ligt in West-Brabant één cultuurhistorische landschap dat duidelijk gerelateerd is aan de turfwinning: Landgoederen bij Zundert (landgoederen én relicten turfwinningslandschappen). Veel landgoederen werden langs oude turfvaarten aangelegd. Denk bijvoorbeeld aan Landgoed De Moeren. Daarnaast bevinden zich cultuurhistorische vlakken in deze landschappen als ‘Turfwinningslandschap Brouwersmoeren en Eldersche gronden’ en ‘Turfwinningslandschap Lange Maten, Ketelmeren en Hazenmeren’. Op de cultuurhistorische Waardenkaart van Noord-Brabant bevinden zich ook nog verschillende historisch-geografische vlakken en lijnen, zoals Vervening De Zegge, Vervening Het Laagveld, De Turfvaart, Turfvaart Halstersch Laag, Turfvaart Ligne of Bergsche Water.

Landgoederenzones Op de plekken waar het veen was afgegraven, werden de zandgronden met heide en vennen omgezet in landbouwgrond en bossen. Vanaf de 16e eeuw worden de productiebossen aangeplant door rijke kooplui. De Wouwse Plantage (1504) en het Mastbos zijn aangelegde productiebossen. Andere oude bossen die in gebruik worden genomen als productiebos en jachtbos zijn het Liesbos en het Ulvenhoutsche Bos. Op de Brabanste Wal, ten zuiden van Breda en langs de Turfvaart(en) zijn vooral vanaf de 18e eeuw veel landgoederen aangelegd. De bijbehorende bossen dienden als productiebos voor de mijnbouw of als jachtbos. In West-Brabant komen drie landgoederenzones voor: Brabantse Wal, ten zuiden van Breda en de landgoederen bij Zundert (en Etten-Leur). De landgoederen waren multifunctioneel en bestonden uit een woning, die zich door zijn rijke karakter onderscheidt van gewone bebouwing en waarbij een siertuin en één of meerdere agrarische bedrijven behoorden. In meer uitgebreide vorm beslaat het landgoed een grote oppervlakte landschap met tuinen, parken, waterpartijen, zichtlijnen, lanen, etc. Naast het kasteel, buitenhuis of villa werd een rijk landgoed ook opgesierd met allerlei bijzondere elementen, zoals een grafkelder, een ijskelder, beelden, etc.

Huidige waarden Landgoederenzones Er liggen in West-Brabant drie cultuurhistorische landschappen die gebaseerd zijn op of duidelijk gerelateerd zijn aan de landgoederen: Landgoederen bij Zundert, Landgoederen ten zuiden van Breda en De Brabantse Wal.

Cultuurhistorische landschappen

Complexen van cultuurhistorisch belang

Landgoederen bij Zundert

• Veenkolonie De Matjens en omgeving • Weijmersche Heide • Turfwinningslandschap Brouwersmoeren en Eldersche gronden • Landgoed Oude Buisse Heide • Landgoed Wallsteyn • De Oude Zoek • Landgoed De Moeren • Maria Toevlucht • Turfwinningslandschap Lange Maten, Ketelmeren en Hazenmeren • Pannehoef/Lokker • Goudberg • Landgoed De Vloeiweide • Brandsche Vaart • Oostpolder en Westpolder

Landgoederen ten zuiden van Breda

• • • • • • • •

Brabantse Wal

• • • •

Beekdal Aa of Weerijs Mastbos Kasteel Bouvigne De Drie Hoeven Daasdonkse Tiend en omgeving Landgoederen Luchtenberg en Hondsdonk Dal Chaamse Beek en Groote Beek Beekdalen Broeksche Beek en Groot Heikantsche Beek Sint Annabosch en Nieuw Bosch Landgoed Anneville en omgeving Ulvenhoutsche Bosch Liesbos

• • • • • • • • • • • • •

Moretusbos Heideontginning Koude Heide Landgoed Titurel Landgoederen Le Pavillon en Putse Moer Landgoed Het Groote Meer Volksabdij Onze Lieve Vrouwe ter Duinen De Bergen bij Huijbergen Wouwse Plantage Landgoed Borgvlietsche Duinen Landgoed Groot Molenbeek Landgoed Lievensberg Landgoed Zoomland Landgoed Mattemburgh en omgeving

27

Brabant, daar brandt nog licht!

Zuiderwaterlinie De Zuiderwaterlinie is de oudste, langste én meest gebruikte van alle waterlinies. Het is een verdedigingslinie van Bergen op Zoom tot aan Grave, bestaande uit vestingsteden, forten en inundatievlaktes. Al sinds de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) gebruikt men in Brabant water als verdedigingsmiddel. Eerst tegen de Spanjaarden en later tegen de Fransen en de Belgen. Pas in de Tweede Wereldoorlog wordt deze manier van verdedigen verslagen: de Duitsers vliegen er met hun gevechtsvliegtuigen en parachutisten eenvoudigweg overheen. Geschiedenis Zuiderwaterlinie In de Middeleeuwen rond 1200 verrezen de eerste vestingsteden. Met dikke muren beschermden ze zich tegen de vijand. Toen de wapens krachtiger werden en over de muren heen konden schieten, werd water steeds vaker ingezet als verdedigingsmiddel, zodat de vijand van veel verder weg moest schieten. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog is in West-Brabant de ‘Linie van de Eendracht’ aangelegd om de Spanjaarden buiten de poort te houden. In 1628 en 1629 experimenteerden Bergen op Zoom en Steenbergen met water als verdedigingsmiddel. Met een sluis en beekjes werden grote stukken land strategisch onder water gezet om de opmars van de Spanjaarden te stoppen. Deze techniek van bewust land onder water zetten heet inundatie en is de basis voor alle Nederlandse waterlinies.

Na de tachtigjarige Oorlog raken de verdedigingswerken in verval. Om goed beschermd te zijn tegen de dreiging uit het zuiden ontwerpt Menno van Coehoorn (ingenieur en militair) in 1697 één lange ketting van waterlinies: het Zuiderfrontier. Hij versterkte oude vestingsteden, bouwde op hoge delen tussen de steden forten en benutte de lage delen als inundatievlaktes. Het Brabantse deel noemen we de Zuiderwaterlinie. Deze linie maakt het de Fransen lastig vanaf 1747. Een hele strenge winter in 1794 zorgt ervoor dat de Fransen over de bevroren rivieren heen kunnen. Als later de Belgen in 1830 onafhankelijk worden, is Brabant opnieuw grensgebied van Nederland. De verdedigingswerken worden voor de zekerheid opnieuw versterkt. In de Eerste Wereldoorlog is Nederland neutraal. In de Tweede Wereldoorlog vliegen de Duitsers gemakkelijk over de Zuiderwaterlinie heen met gevechtsvliegtuigen en parachutisten. Vanaf dat moment is de Zuiderwaterlinie geen goed verdedigingsmiddel meer. In 1952 wordt de Zuiderwaterlinie definitief opgeheven als militaire verdedigingslinie. Huidige waarden Zuiderwaterlinie Deze vestingsteden en forten van de Zuiderwaterlinie zijn deels nog terug te vinden in het huidige landschap. In West-Brabant zijn Bergen op Zoom, Steenbergen, Willemstad, Klundert, Geertruidenberg en Breda de vestingsteden van de Zuiderwaterlinie.

Van deze steden hebben Bergen op Zoom, Willemstad, Geertruidenberg en Breda een beschermd stadsgezicht. Er liggen in West-Brabant drie cultuurhistorische landschappen op basis van de Zuiderwaterlinie: Zuiderwaterlinie bij Willemstad en Klundert, Zuiderwaterlinie bij Terheijden en de Zuiderwaterlinie bij Steenbergen. Daarnaast zijn de volgende forten en vestingwerken opgenomen als complex van cultuurhistorisch belang: Fort Pinssen, Fort De Rovere, Fort Sabina Henrica, Fort De Hel, vestingwerken ten noorden van Breda.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie De Nieuwe Hollandse Waterlinie was een verdedigingslinie waarbij militairen grote delen land onder water konden zetten van Muiden tot aan de Biesbosch. Dit om Holland te beschermen. Op strategische plaatsen stuitte de vijand op forten, kastelen en kazematten. Het land werd 30 tot 60 cm onder water gezet. Deze diepte zorgde ervoor dat het water te ondiep was om over te kunnen varen en te diep om met paarden of kanonnen door te trekken. Het water was diep genoeg om wegen, sloten en greppels te verbergen. De vijand raakte zo gedesoriënteerd, paarden braken hun benen in de onzichtbare sloten en greppels en kanonnen bleven steken. De waterlinie was enkele kilometers breed, zodat de vijand er niet overheen kom schieten. Kwetsbare plekken, zoals de hoger gelegen dijken of sluizen, werden verdedigd door batterijen, schansen of forten. Met relatief weinig mankracht kon zo een heel groot gebied verdedigd worden. In West-Brabant ligt het zuidelijke puntje van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het betreft het gebied tussen Werkendam en Giessen, oftewel de inundatiekom Land van Altena. De grenzen van de kom bestonden uit natuurlijke reliëfranden en kades.

Het militair stelsel in het Land van Altena bestaat uit de volgende onderdelen: • Hoofdverdedigingslijn & tussenstelling Woudrichem-Werkendam • Fort Giessen • Fort Altena • Fort bij het Steurgat • Werk aan de Bakkerskil • Vesting Woudrichem. Geschiedenis Nieuwe Hollandse Waterlinie Eind 18e eeuw zijn de eerste schetsen voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie gemaakt. Cornelis Krayenhoff, directeur der Hollande Fortificatiën, stelde voor de Oude Hollandse Waterlinie naar het oosten te verplaatsen, zodat Utrecht ook beschermd zou worden door de waterlinie. Het is echter pas in 1815 dat Koning Willem I besluit dit idee uit te voeren. De bouw van het geheel van sluizen, forten en andere werken duurde van 1815 tot 1870. Ook daarna werden de forten nog voortdurend verbeterd als reactie op de steeds sterker wordende munitie. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is vier keer geheel of gedeeltelijk onder water gezet. De eerste keer was tijdens de Frans-Duitse Oorlog van 1870 tot 1871. De tweede keer tijdens de Eerste Wereldoorlog van 1914 tot 1918. Een Duits spionagerapport uit die tijd geeft aan dat de waterlinie toen voorkomen heeft dat Duitsland Nederland aanviel. De derde keer was aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het systeem bleek toen hopeloos verouderd. De Duitsers vlogen er met hun gevechtsvliegtuigen en parachutisten eenvoudig overheen.

De laatste keer gebruikten de Duitsers de inundatiegebieden tegen de opmars van de geallieerden.

29

Huidige waarden Nieuwe Hollandse Waterlinie Tegenwoordig is het open Linielandschap het grootste Rijksmonument van Nederland en bovendien genomineerd als UNESCO Werelderfgoed. Het grootste deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie is nog intact. Bijna alle forten zijn er nog. De inundatievlaktes zijn door verstedelijking, infrastructuur en bomen wel aangetast. De Nieuwe Hollandse Waterlinie betreft in West-Brabant alleen de inundatiekom Land van Altena. De historische stadskern van Woudrichem is gerestaureerd en tegenwoordig een beschermd stadsgezicht. Cultuurhistorische waarden

Omschrijving

Vestingsteden

• Woudrichem

Beschermd stadsgezicht

• Woudrichem

Cultuurhistorische landschappen en vlakken Complexen van cultuurhistorisch belang

Nieuwe Hollandse Waterlinie • Inundatiegebieden en forten van Nieuwe Hollandse Waterlinie • Buitendijkse gronden bij Sleeuwijk • Fort Altena • Fort aan de Bakkerskil • Fort Giessen • Wilhelminasluis • (Slot Rijswijk

Biesbosch Nationaal Park De Biesbosch is het grootste zoetwatergetijdengebied van Europa. De Biesbosch is ontstaan na een enorme overstroming. Het is nu een zeer waardevol natuurgebied met vele kreken, wilgenvloedbossen, grienden en open graslanden. Het is een vogelparadijs. Geschiedenis Biesbosch Het veen in West-Brabant bevatte door alle overstromingen veel zout. Door stoken en koken werd het zout gewonnen. Van Zevenbergen en Moerdijk tot Bergen op Zoom vormde de zoutwinning een belangrijke bron van inkomsten. Door al die afgravingen achter de zwakke dijken werd de druk van het zeewater en de rivieren te groot en volgden er overstromingen. De bekendste en beruchtste is de Sint-Elisabethvloed in 1421. De zeedijken begaven het en het rivierengebied overstroomde door de hevige regenval. Duizenden mensen en dieren verdronken. Er ontstond een reusachtig meer tot diep in Brabant. Nadat de zoveelste stormvloed opnieuw de dijken vernielde, stopte men met herstelwerkzaamheden bij de Hollandsche Waard. Wat er overblijft is de Biesbosch. In 1874 had men met vijf stoombaggermolens een kanaal dwars door de Biesbosch gegraven. Dit kanaal, de Nieuwe Merwede, was gegraven om het smelt- en regenwater uit de rivier goed af te kunnen voeren. De Nieuwe Merwede verdeelt de Biesbosch in twee stukken: een Brabants gedeelte en een Dordts gedeelte.

Tot aan de jaren ’60 was er volop bedrijvigheid in de Biesbosch: visserij, grienden rietcultuur, eendenkooien en het verwerken van de biezen. Veel van deze ambachten zijn niet meer van deze tijd en verdwenen uit het gebied. Tussen de jaren ’50 en ’80 is er veel vervuild slib terechtgekomen in de Biesbosch. De Biesbosch fungeerde onbedoeld als bezinkbak van chemicaliën uit de sterk verontreinigde Rijn. Tot de afronding van de Deltawerken was de Biesbosch een getijdengebied met een niveauverschil van gemiddeld 2 meter. Daar bleef slechts 20 cm van over. Ook kwamen er die spaarbekkens voor drinkwateropslag. Vanaf de jaren ’90 is er ingezet op natuurontwikkeling. Sinds 1997 is de Biesbosch een Nationaal Park. Huidige waarden Biesbosch De Biesbosch is zowel vanuit cultuurhistorie als vanuit natuur zeer waardevol. In de Biesbosch liggen drie spaarbekkens met hele hoge dijken er omheen voor de drinkwatervoorziening. De Provincie Noord-Brabant heeft de Biesbosch als Cultuurhistorisch Landschap aangewezen. Hierbinnen liggen een viertal cultuurhistorische vlakken en verschillende historisch geografische lijnen (polderdijken). Cultuurhistorische waarden

Omschrijving

Cultuurhistorische landschap De Biesbosch en cultuurhistorische vlakken

De Biesbosch: • De Groote Zonzeelsche Polder • Biesbosch bij Werkendam • Afgedamde gaten en killen van de Biesbosch • De Worp en de Koekoek

Historisch geografische lijnen

• Polderdijk Noorderplaat: zeer hoog • Dijken Corneliapolder, Polder Ganzennest, Heenplaat: zeer hoog • Dijk Polder Lange Plaat: zeer hoog • Dijken Polder Turfzakken, Polder Kwestieus: zeer hoog • Dijken Polders Moordplaat, Lepelaar e.a.: zeer hoog • Dijk, Kade Ruwenhennip: zeer hoog • Dijk, Kade Vijf Ambachten: zeer hoog

31

2.2.3 Uitsluitingenkaart In de vorige hoofdstukken zijn de natuurwaarden en cultuurhistorische waarden van het West-Brabantse landschap in beeld gebracht. Dit heeft geleid tot twee kaarten: waarden natuur en waarden cultuurhistorie. Het is te simpel om te zeggen dat we beiden kaarten samenvoegen en dat het resultaat de uitsluitingenkaart is. Hoe gaan we dan wel om met deze waarden in relatie tot wind- en zonne-energie? Natuurwaarden Door het Rijk of de Provincie Noord-Brabant beschermde natuurgebieden sluiten we uit met betrekking tot het plaatsen van windturbines en/of zonnevelden. Het gaat om Natura2000 gebieden, NNN en NNB, ecologische verbindingszones, natte natuurparels en weidevogelgebied. Daarbij geldt als enige uitzondering dat als de betreffende natuurwaarden verbeterd kunnen worden door de plaatsing van zonnevelden en/of windturbines dit het onderzoeken waard is. Het landschap zal dan een flinke ontwikkeling of transformatie door moeten maken ten behoeve van de natuurontwikkeling. Stiltegebieden zijn een aparte categorie. Vaak valt deze samen met de NNN of NNB. Een stiltegebied op zichzelf is geen reden tot uitsluiting. In een stiltegebied mag geen lawaai veroorzaakt worden. Verder staan op de kaart natuurwaarden de beekdalen en de kreken. De beekdalen zijn de ruimtelijke dragers van het zandlandschap. Niet voor niets heeft het Nationaal Park Vincent Van Gogh i.o.

deze twee blauwe longen een prominente plek gegeven als ruggengraat van het Nationaal Park. De linker blauwe long wordt gevormd door het bekenstelsel naar Breda toe. De beekdalen hebben primair een waterfunctie en dienen klimaatrobuust te zijn of te worden. Voor de droge zandgronden geldt dat het vasthouden van water erg belangrijk is. De beken zijn over het algemeen ook ecologische verbindingszones. Waterberging en natuurontwikkeling gaat goed samen in de beekdalen. Vanwege de belangrijke functie voor het water en de natuur zijn beekdalen in principe uitgesloten voor de plaatsing van windturbines en/of zonnevelden. Uitzonderingen zijn alleen mogelijk als de natuur- en waterfunctie aanzienlijk verbeterd worden. Ook hier geldt dat het beekdal, eventueel in combinatie met omliggend landschap, een flinke ontwikkeling of transformatie door moet maken ten behoeve van waterberging en natuurontwikkeling. Zo’n enorme verbetering is alleen mogelijk als het huidige beekdal ongewenste functies bevat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9923643/1