CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Kadernota 2022

gemeenteraad 7 juli 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Kadernota 202219.797 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

2022 45.000 45.000

2023 45.450 45.450

2024 45.905 45.905

2025 46.364 46.364

Uitbesteden onderhoud voertuigen servicedienst Het voertuigonderhoud door eigen personeel servicedienst is niet meer mogelijk, door het uitbesteden stijgen de kosten en is het huidige budget ontoereikend. Onvoldoende budget kan leiden tot risico's door slecht onderhoud, veiligheidsrisico’s of niet meer inzetbare voertuigen. Eén van de doelen van de herstructurering van de buitendienst was het aan de markt overlaten van terugkerende en te plannen werkzaamheden. Het voertuigonderhoud behoort tot deze categorie. Als gevolg van deze destijds gemaakte keuze is het personeelsbestand van de servicedienst aangepast op de afname van eigen taken, de personele capaciteit voor deze taak is niet meer aanwezig. De kosten voor het uitvoeren van het onderhoud door derden liggen hoger dan het beschikbare budget.

24

Besparingen op uitgaven voor de eigen werkplaats zijn aanwezig maar deze komen echter als hogere kosten terug bij een commerciële partij. Een ruime daling in uitgaven is gerealiseerd in personeelslasten (min 3 fte vanaf de start herstructurering waarvan 1,5 fte in de werkplaats). Kosten van deze ambitie: Omschrijving Uitbesteden onderhoud voertuigen servicedienst

2022

2023

2024

2025

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

15.000

BOA (uitbreiding van de formatie met 1 fte) Gelet op de toename van het takenpakket van de BOA en diens rol en functie binnen de openbare ruimte, is uitbreiding tot 4 BOA’s noodzakelijk (we beschikken nu over 3 BOA’s). Het takenpakket van de Boa is de afgelopen jaren aanzienlijk gegroeid, mede door de kerntakendiscussie van de politie. Met name de veelvoorkomende kleine ergernissen hebben geen prioriteit meer binnen de politie, maar raken vaak wel direct het woon- en leefklimaat van onze inwoners en ondernemers. Denk aan hondenpoep, geluidsoverlast of fout geparkeerde auto’s. Zaken waar de politie niets meer mee doet en waar de BOA’s direct een wezenlijke bijdrage op kunnen leveren. Maar de BOA is meer: de BOA stimuleert mensen om zich aan de regels te houden en zo bij te dragen aan een plezierige woon- en leefomgeving. Hij/zij is een extra paar ogen en oren voor de gemeente, voor de politie, voor straathoekwerkers en veldwerkers, voor de woningbouw en/of OOGZ. Kortom: de BOA’s zijn onze operationele veiligheidsprofessionals in de kernen. We zien echter dat er veel, heel veel van de BOA’s gevraagd wordt. Met ‘slechts’ 3 BOA’s kunnen we niet op alle plekken tegelijk zijn, terwijl het aantal meldingen en klachten toeneemt en de politie in het straatbeeld steeds minder zichtbaar is. Dit gaat dus niet over minder of meer BOA’s in andere gemeenten, dit gaat over vraag en aanbod.

We zien een leemte die op veel plaatsen wordt ingevuld door BOA’s. Dat doen wij ook, maar de vraag is groter dan het aanbod. Dat is niet erg, maar betekent wel dat ook wij niet overal kunnen zijn en/of zaken op kunnen pakken en dat leidt weer tot klachten vanuit de omgeving. Voorts neemt de sociale problematiek in de wijken toe door de tendens dat steeds meer GGZ of verslaafde cliënten extramuraal (dus in de wijken) worden behandeld. Dit leidt ook tot de nodige overlast, die deels wordt opgepakt door de politie en/of BOA’s, maar deels ook om multidisciplinaire afstemming vraagt. Deze taak ligt nu deels bij de AOV, deels bij de adviseur Ondermijning en deels bij de BOA’s. Dergelijke versnippering van deze relatief nieuwe taak is niet ideaal en er is ook sprake van een afbreukrisico als het met een dergelijke cliënt mis gaat in de wijk! Verder neemt de sociale problematiek in de wijken steeds meer toe. Een BOA die zich met name vanuit de veiligheidskant met deze casuïstiek bezig houdt, is zeer gewenst in casu noodzakelijk om alle casuïstiek bij te kunnen houden. Kosten van deze ambitie: Omschrijving BOA

2022 70.000 70.000

2023 70.700 70.700

2024 71.407 71.407

2025 72.121 72.121

ZLM Tour in Rucphen in 2022 – 2024 Betreft het aangaan van een overeenkomst met Libéma Profcycling voor organiseren etappe ZLM Tour in Rucphen in 2022 – 2024 tegen gereduceerd tarief. Daarnaast wordt Yellow Jersey Classic nieuw leven ingeblazen door jaarlijkse organisatie fietstocht door Libéma. Voor de jaren 2022 t/m 2024 bedragen de kosten € 45.000,00 per jaar. Het betreft hier incidentele middelen. Kosten van deze ambitie: Omschrijving ZLM Tour in Rucphen in 2022 – 2024

2022 45.000 45.000

2023 45.000 45.000

2024 45.000 45.000

2025 0

25

LaVuelta 2022 In 2020 zou LaVuelta door Rucphen rijden maar door Corona is dit helaas niet doorgegaan. De editie van 2022 gaat door en wordt in Nederland gehouden met eveneens een doortocht door Rucphen. Kosten van deze ambitie: Omschrijving LaVuelta 2022

2022 25.000 25.000

2023

2024

2025

0

0

0

E-dienstverlening Om te voorzien in de behoefte van burgers en ondernemers aan meer digitale producten, mede versneld door de coronapandemie, is het echt noodzaak onze digitale dienstverlening uit te breiden. Dit kunnen we realiseren middels de aanschaf van een applicatie waarin een aantal digitale producten aangeboden worden waarvan de afhandeling dan rechtstreeks in de burgerzaken applicatie plaats vindt. Op deze manier zorgen wij dat ondernemers en inwoners, die het digitale kanaal kiezen, een optimale gebruikservaring hebben en wij de regie houden over onze dienstverleningsprocessen. Tevens wordt hiermee de kwaliteit van de data verbeterd. Op deze manier geven wij invulling aan een belangrijk speerpunt vanuit het Programmaplan DV&I 2020-2025: namelijk een start maken met digitale dienstverlening aan onze ondernemers (ondernemersloket). Kosten van deze ambitie: Omschrijving E-dienstverlening

2022 22.000 22.000

2023 22.506 22.506

2024 23.024 23.024

2025 23.554 23.554

Meldingensysteem Het contract met de Buiten Beter app loopt af en moet vervangen worden. Momenteel wordt onderzocht hoe de procesgang van de meldingen openbare ruimte efficiënter kan verlopen. Hiermee kan de dienstverlening ook effectief verbeterd worden. Om de efficiëntie en verbetering van dienstverlening te kunnen bereiken is een oplossing benodigd met functionaliteiten die niet in de Buiten Beter app zitten. De raming voor de claim is gebaseerd op prijzen van meldingssystemen die de noodzakelijk functionaliteiten voor een effectievere dienstverlening wel in zich hebben. Kosten van deze ambitie: Omschrijving Meldingensysteem

2022 5.000 5.000

2023 5.115 5.115

2024 5.233 5.233

2025 5.353 5.353

Uitbreiding basisvariant Onderhoud voetbalvelden Conform het besluit in de raad van 30 oktober 2019 is samen met de verenigingen een (concept)beheer- en onderhoudsplan opgesteld voor de voetbalvelden. In de begroting 2021 is een basisvariant opgenomen. Na 2021 zijn alle velden gerenoveerd en dient er een uitbreiding van de bijdrage te komen voor het dagelijks onderhoud. Dit is als scenario genoemd in de begroting 2021. De bijdrage is gericht op het langdurig uitstellen van veldrenovaties door middel van goed onderhoud. Indien er geen aanvullende bijdrage ter beschikking wordt gesteld is de verwachting op korte termijn weer de velden te moeten renoveren. Deze kosten zijn, conform de Nota buitensport, volledig voor de gemeente. Door de veranderende afspraken wordt de Nota buitensport aangepast. Kosten van deze ambitie: Omschrijving Uitbreiding basisvariant onderhoud voetbalvelden

2022

2023

2024

2025

63.750

63.750

63.750

63.750

63.750

63.750

63.750

63.750

Formatie afdeling Maatschappelijke Ondersteuning Op basis van het capaciteitsonderzoek van Kurtosis is vastgesteld dat een formatie uitbreiding van 3,9 fte nodig is. Uw raad heeft in november 2020 bij de behandeling van de Programmabegroting 2021 besloten middelen voor 2,7 fte beschikbaar te stellen. Er resteert nu dus nog 1,2 fte in te vullen.

26

De resterende uit te breiden formatie heeft betrekking op 0,7 fte jeugdprofessional en 0,5 fte beleidsondersteuning. Het ontbreken van de onafhankelijk vastgestelde noodzakelijke basisformatie betekent een extra druk op de medewerkers en heeft gevolgen voor het te leveren resultaat. Voor beleid betekent dit regelmatig niet kunnen voldoen aan verwachtingen van bijv. tijdigheid. In de door Kurtosis geconstateerde toename van taken van de jeugdprofessionals en toename van complexiteit van jeugdcasussen is geen wijziging gekomen. In het kader van het herinrichten van de Veiligheidsketen c.q. het verkorten van de procedure tot uithuisplaatsing zijn er extra taken bij de Jeugdprofessionals gekomen: de Jeugdprofessional is van begin tot eind de regisseur bij dergelijke casussen. Met subsidie van het Rijk konden de gemeenten in West-Brabant deze uitbreiding tijdelijk bekostigen. Nu deze extra 0,7 fte Jeugdprofessional niet gehonoreerd is betekent dit dat de extra taken bij het team “ingebreid” moeten worden. Dit gaat ten koste van het aantal casussen dat onder handen is en/of van de andere op preventie gerichte taken. Dit zijn juist de speerpunten van het West-Brabantse Jeugdstelsel en van onze eigen doorontwikkeling lokale sociale domein.

Minder casussen onder handen = meer doorverwijzen naar de duurdere Niet-vrij-toegankelijke-zorg en heeft dus waarschijnlijk een verhoging van de zorgkosten tot gevolg. Minder andere taken = minder contacten met bijvoorbeeld scholen, oggz, huisartsen etc.. Bedacht moet ook worden dat het rapport over de financiële beheersing sociale domein van Kurtosis juist als maatregel aangaf te investeren in het voorliggend veld en de capaciteit van de afdeling op orde te brengen. Inmiddels zijn de preventieve taken van de jeugdprofessionals anno 2021 ook daadwerkelijk geschrapt, zijn er steeds opnieuw wachtlijsten, is er onvoldoende sprake van intensievere samenwerking met voorliggend veld, scholen, huisartsen en andere ketenpartners. Verder wordt er regelmatig voor indicatie terugverwezen naar huisartsen. Kosten van deze ambitie: Omschrijving Formatie afdeling Maatschappelijke Ondersteuning

2022

2023

2024

2025

100.000

102.000

104.040

106.121

100.000

102.000

104.040

106.121

Muzieksubsidies De muziekverenigingen vragen met het oog op hun voortbestaan om een verhoging van het subsidiebudget. De verenigingen kunnen amper sparen voor vervanging van uniformen en instrumenten. In een enkele kern zijn de inkomsten vanuit de kermis al vervallen. Daarnaast vervallen mogelijk de komende jaren de inkomsten uit de oudpapier-inzameling. Kosten van deze ambitie: Omschrijving Muzieksubsidies

2022 12.907 12.907

2023 12.907 12.907

2024 12.907 12.907

2025 12.907 12.907

Sjors sportief – creatief Voor de periode 2019-2021 zijn er vanuit de stimuleringsregeling sociaal domein middelen beschikbaar gesteld voor Sjors Sportief en Creatief. Om dit kunnen continueren zijn er structureel middelen nodig. Uit de gegevens van Sportservice over de laatste 3 jaar blijken de projecten succesvol. Verlenging dient nog aan college voorgelegd te worden. Op dit moment wordt uitgegaan van € 8.000,00 per jaar, aangezien op dit moment nog niet duidelijk is of de buurtsportcoach dit kan oppakken (mocht tussentijds hier wel duidelijkheid over komen dan kan de claim alsnog worden bijgesteld naar € 6.000,00). Kosten van deze ambitie: Omschrijving Sjors sportief – creatief

2022 8.000 8.000

2023 8.000 8.000

2024 8.000 8.000

2025 8.000 8.000

Aanschaf Planning & Control systeem Het opstellen van P&C stukken is verplicht op grond van de Gemeentewet en Besluit Begroting en Verantwoording. De huidige manier waarop wij de P&C documenten samenstellen is erg arbeidsintensief en leidt vaak tot stressmomenten gelet op de strakke tijdsplanning van de documenten. Om één voorbeeld te noemen: het is niet mogelijk om met meerdere personen tegelijkertijd aan het basisdocument te werken. Dit maakt het lastig, vooral tegen het einde van het proces, noodzakelijke wijzigingen aan te brengen. De kans op fouten neemt hierdoor toe.

27

Ook de leesbaarheid en toegankelijkheid voor de burger is vanwege de vorm beperkt. Diverse gemeenten hebben hiertoe een software programma (Planning & Control systeem ) in gebruik voor optimalisering proces en betere toegankelijkheid van de P&C documenten via een webbrowser. In plaats van het lezen van een statisch document kan dan interactief door een document worden gelopen. De lezer kan doorklikken op de onderwerpen die voor hem/haar interessant zijn. De leesbaarheid van de stukken wordt hiermee vergroot op PC en tablet. Het programma moet ook de mogelijkheid hebben om een (pdf-) document te maken. Door het gebruik van templates wordt gewaarborgd dat de huisstijl overal consequent wordt toegepast. De software moet financiële koppelingen ondersteunen zodat geactualiseerde cijfers in 1 keer op alle plaatsen in het document kunnen worden aangepast. Het programma maakt gebruik van een workflow zodat de voortgang bewaakt kan worden. Voor het kunnen maken van een kwaliteitsslag is het doorontwikkelen van het P&C proces en de informatievoorziening aan burger en raad onontkoombaar. Gelet op de druk op de formatie is het ook noodzakelijk om waar mogelijk de processen te optimaliseren. De aanschaf van een Planning en Control systeem biedt ook daarvoor de mogelijkheden. Investering (€ 57.600,00 afschrijving in 5 jaar) is opgenomen in jaarplan DV en I 2021.

Qua financiering is in uitvoeringsplan DV en I aangegeven dat bekostiging via KN nodig is waar het reguliere budget niet in voorziet. Kosten van deze ambitie: Omschrijving afschrijvingslast investering(€ 57.600,00/5) structurele lasten

2022 0 7.000 7.000

2023 11.520 7.070 18.590

2024 11.520 7.141 18.661

2025 11.520 7.212 18.732

Externe ondersteuning bij aangifte Vennootschapsbelasting Aangifte vennootschapsbelasting is een wettelijke taak. Het is de bedoeling dat wij als gemeente de aangifte zelfstandig kunnen gaan uitvoeren, maar dan moeten de spelregels wel duidelijk zijn. Wij missen de expertise om met de belastingdienst op een gelijkwaardig niveau te onderhandelen. Daarom is het noodzakelijk om hiertoe externe ondersteuning in te huren voor 2022 en 2023. Nadat er duidelijke afspraken gemaakt zijn met de belastingdienst kunnen we de mate van structurele ondersteuning door de juridische adviseur en het daarvoor benodigde structurele budget beoordelen. Wij streven er naar om uiterlijk begin 2023 een duidelijker beeld te hebben of deze expertise al dan niet binnen het eigen team opgevangen kan worden en wat hiervan de gevolgen zullen zijn voor de formatie. Kosten van deze ambitie: Omschrijving Externe ondersteuning bij aangifte Vennootschapsbelasting

2022

2023

11.500

11.500

11.500

11.500

2024

2025

0

0

Doorontwikkeling Horizontaal toezicht belastingen In het huidige Convenant Horizontaal Toezicht (HT) uit 2012 zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop onze gemeente tussentijds met de belastingdienst in gesprek blijft. De belastingdienst stuurt nu aan op een Doorontwikkeling Horizontaal Toezicht met 6 criteria: 1 Bereidheid om transparant te willen zijn; 2 Bereidheid tot onderhouden van zakelijke werkrelatie die HT mogelijk maakt; 3 Het willen opstellen van een gedocumenteerde fiscale strategie; 4 Het overleggen van een fiscale risico-analyse met de key-risks; 5 Het hebben van een adequaat werkende monitoring t.a.v. de key-risks; 6 Het kunnen borgen van de gegevens t.b.v. de belastingheffing van derden. Wij staan nu voor de keuze van Doorontwikkeling Horizontaal Toezicht of beëindiging van het convenant. Door de afspraken met de belastingdienst zijn wij (fiscaal) in control en lopen wij bij beëindiging ervan meer (financiële) risico’s bij controles. Om de doorontwikkeling in goede banen te leiden is externe ondersteuning noodzakelijk omdat we zelf onvoldoende specifieke expertise in huis hebben. Kosten van deze ambitie: Omschrijving Doorontwikkeling Horizontaal toezicht

2022 15.000 15.000

2023

2024

2025

0

0

0

28

Totaaloverzicht bestuurlijke ambities Omschrijving Integr. Beh. Openb. ruimte-wegen Integr. Beh. Openb. ruimte-groen obv huidige kadernotitie verwacht tekort groen obv nieuwe werkwijze (raad september 2021) Cyclisch boombeheer Onkruidbestrijding verhardingen Ondersteuning juridische kwaliteitszorg ruimtelijke procedures Gemeentelijk rioleringsplan (GRP) Implementeren Omgevingswet thema ‘water’ Riolering, kolkenzuigen Uitbesteden onderhoud voertuigen servicedienst BOA (uitbreiding formatie met 1 fte) ZLM Tour in Rucphen in 2022 – 2024 LaVuelta 2022 E-dienstverlening Meldingensysteem Uitbreiding basisvariant Onderhoud voetbalvelden Formatie afdeling Maatschappelijke Ondersteuning Muzieksubsidies Sjors sportief – creatief Aanschaf Planning & Control systeem Externe ondersteuning bij aangifte Vennootschapsbelasting Doorontwikkeling Horizontaal toezicht belastingen Totaal bestuurlijke ambities waarvan incidentele middelen waarvan dekking tlv GRP structurele last voor begrotingssaldo

2022 102.390

2023 222.390

2024 277.390

2025 277.390

29.000

29.000

29.000

29.000

150.000 60.000 50.000

150.000 60.600 50.000

150.000 61.206 50.000

150.000 61.818 50.000

90.000 20.000

91.800

93.636

95.509

45.450

45.905

46.364

15.000 70.000 45.000 25.000 22.000 5.000

15.000 70.700 45.000

15.000 71.407 45.000

15.000 72.121

22.506 5.115

23.024 5.233

23.554 5.353

63.750

63.750

63.750

63.750

100.000 12.907 8.000 7.000

102.000 12.907 8.000 18.590

104.040 12.907 8.000 18.661

106.121 12.907 8.000 18.732

11.500

11.500

15.000 956.547 96.500 30.000

1.024.308 56.500

1.074.159 45.000

1.035.619

830.047

1.024.308

1.074.159

1.035.619

10.000 45.000

29

6.

Actualisatie financiële positie 2022 – 2025

6.1. Inleiding In deze kadernota wordt een aantal beleids- en andere ontwikkelingen gepresenteerd. Een absolute randvoorwaarde voor het realiseren van deze plannen is een goed zicht op de beschikbare middelen te hebben en te houden. Doordat de kabinetsformatie nog op zich laat wachten, ontstaat er veel onzekerheid en onduidelijkheid omtrent de algemene uitkering van het gemeentefonds. Daarom hebben we ervoor gekozen deze Kadernota net als vorig jaar “financieel technisch en beleidsarm” op te stellen. Deze kadernota geeft op basis van de huidige inzichten en beschikbare informatie een indruk van de meerjarige financiële positie. Uiteraard geldt daarbij dat de meerjarenraming naarmate het jaar van raming verder in de toekomst ligt, steeds meer onzekerheden bevat. Zo kan de Septembercirculaire het perspectief nog wijzigen.

6.2. Opbouw financiële positie In het vervolg van dit hoofdstuk zal de financiële positie van onze gemeente concreet in beeld worden gebracht. Daartoe zijn de mutaties ten opzichte van de reeds bestaande ramingen opgenomen. Indien sprake is van hogere lasten of lagere baten (negatieve effecten voor de exploitatie) zijn de bedragen met een minteken (-) vermeld. Hierbij wordt het volgende stramien gevolgd: A. Uitgangspositie bepalen: - Primitieve begroting (paragraaf 6.3.1) - Vaststelling programmabegroting 2021 – 2024 (paragraaf 6.3.2) - Raadsbesluiten met gevolgen voor financiële positie 2022 – 2025 (paragraaf 6.3.3) - Uitgangspunt voor de kadernota 2022 (paragraaf 6.3.4.) Naast besluitvorming door de gemeenteraad zijn er (autonome) ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de financiële positie van onze gemeente in de komende jaren: B. Relevante kostenontwikkelingen in beeld brengen: - De ontwikkelingen in het benodigde loonkostenbudget (paragraaf 6.4.1) - De ontwikkelingen in het benodigde kapitaallastenbudget (paragraaf 6.4.2) - De kostenontwikkeling a.g.v. deelname in gemeenschappelijke regelingen (paragraaf 6.4.3) C.

Relevante ontwikkelingen rondom belangrijke opbrengstencomponenten in beeld brengen: - Beleidsuitgangspunten lokale heffingen (paragraaf 6.5.1) - Onroerende zaakbelasting (paragraaf 6.5.2) - Overige heffingen, rechten en leges (paragraaf 6.5.3) - Ontwikkelingen gemeentelijk belastinggebied (paragraaf 6.5.4) - Algemene uitkering gemeentefonds (paragraaf 6.5.5) - Dividend nv Bank Nederlandse Gemeenten (paragraaf 6.5.6) D. Overige financiële mutaties (paragraaf 6.6) E. Benodigd weerstandvermogen en risicomanagement (paragraaf 6.7)

30

6.3. Uitgangspositie 6.3.1. Primitieve begroting Als uitgangspunt geldt het financiële meerjarenperspectief zoals dat in de primitieve meerjarenprogrammabegroting 2021 t/m 2024 is weergegeven. 6.3.2. Vaststelling programmabegroting 2021 – 2024 Op 11 november 2020 is de programmabegroting 2021 – 2024 vastgesteld. 6.3.3. Raadsbesluiten met gevolgen voor de financiële positie 2022 – 2025 Na vaststelling van de programmabegroting is door uw raad een aantal begrotingswijzigingen vastgesteld, waaruit meerjarige financiële effecten voortvloeien. In deze kadernota zijn de begrotingswijzigingen tot en met de raadsvergadering van 7 juli 2021 verwerkt. 6.3.4. Uitgangspunt voor de kadernota Verwerking van de hierboven genoemde besluiten levert het volgende uitgangspunt op voor de meerjarenbegroting 2022 – 2025. Begroting (structurele effecten) Oorspronkelijke ramingen begroting Wijzigingen: raadsbesluiten + wijzigingen t/m de raadsvergadering 7 juli 2021 Begrotingssaldo volgens de primitieve begroting 2022 – 2025 (incl.raadsbesluiten)

2022

2023

2024

2025

419.020

229.907

441.349

-101.933

-59.773

4.747

-14.743

-16.689

359.247

234.654

426.606

-118.622

6.4. Relevante kostenontwikkelingen 6.4.1. Ontwikkelingen loonkostenbudget Voor de jaren 2022 t/m 2025 wordt op basis van de Programmabegroting 2021 rekening gehouden met een stijging van de loonkosten in verband met toe te kennen periodieke verhogingen en uitloopschalen en met de gevolgen van de CAO 2019-2020. Deze cao liep van 1 januari 2019 tot 1 januari 2021 en tijdens het opstellen van deze kadernota is er nog geen sprake van een nieuwe cao. Vanaf 2021 houden we daarom in de begroting rekening met een jaarlijkse indexering van 2.6%. 6.4.2. De ontwikkelingen in het benodigde kapitaallastenbudget, inclusief de effecten van het liquiditeitenverloop In deze paragraaf worden de kapitaallasten van het meerjaren-investeringsprogramma 2022-2025 geactualiseerd. Ten opzichte van de ramingen van de begroting 2021 zijn de kapitaallasten in de jaarschijven 2022-2024 aangepast. Dit heeft met name te maken met vertraagde uitvoering van investeringen, aanvullende besluitvorming, en de te verwachten “nieuwe” kapitaallasten uit het investeringsprogramma 2022-2025. Op basis van de recent geactualiseerde liquiditeitenplanning zullen we in de periode 2022–2025 afgerond 15,5 miljoen aan geldleningen moeten aantrekken en doorlopend 5,0 miljoen aan kasgeldleningen.

De rentekosten ontwikkelen zich als volgt: Omschrijving Rentekosten huidige meerjarenbegroting Totaal geactualiseerde rentekosten Totaal financiële mutatie (-= nadeel)

2022 429.138 401.411 27.727

2023 540.796 425.856 114.940

2024 582.818 444.827 137.991

2025 585.702 460.755 124.947

De voordelige mutaties ten opzichte van de huidige meerjarenbegroting hebben zowel te maken met het totaal aan te trekken bedrag aan langlopende geldleningen als met het moment van afsluiten.

31

Zolang de rente op kasgeld negatief blijft, is dit de meest voordelige manier om liquide te blijven. Door doorlopend kasgeld te lenen, neemt de behoefte naar langlopende geldleningen in 2022 en verder af met maximaal de kasgeldlimiet. O.b.v. begroting 2021 is dit € 5.485.274,00. Volgens de geactualiseerde liquiditeitenplanning is er voldoende liquiditeit tot en met het derde kwartaal 2022. Voor de rentekosten betekent dit ten opzichte van de huidige meerjarenbegroting dat er een verschuiving van de rentelast plaatsvindt. Door in 2022 minder geld aan te treken, verschuift die rentelast verder naar de toekomst. Hieronder zijn de mutaties, gesplitst in een aantal hoofdgroepen, weergegeven: - = nadeel Omschrijving Act. kapitaallasten incl. IP 2022 t/m 2025 Rentekosten Totaal financiële mutatie (-= nadeel)

2022 0 27.727 27.727

2023 -30.967 114.940 83.973

2024 -32.867 137.991 105.124

2025 -41.067 124.947 83.880

Voor toekomstige investeringen, waarvoor al of niet een reserve is gevormd, zal voor de daadwerkelijke financiering rekening worden gehouden met rentekosten. 6.4.3. De kostenontwikkeling a.g.v. deelname in gemeenschappelijke regelingen Omschrijving WVS-Groep (WVS) GGD West-Brabant (GGD) Regionale Ambulancevoorziening (RAV) Omgevingsdienst (OMWB) Veiligheidsregio MWB Regio West-Brabant (RWB) West-Brabants Archief (WBA) Regionaal Bureau Leren (RBL) * Werkplein Hart van West-Brabant Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) Totaal financiële mutatie ( - = nadeel)

2022 -48.375 -16.126 -3.096 18.927 97.236 2.770 121.162 -6.500 165.998

2023 8.352 -12.503 -19.801 28.851 184.630 4.422 92.252 5.900 292.103

2024 -4.973 -8.726 -19.104 41.080 169.101 6.701 77.157 500 261.736

2025 11.714 -15.532 -30.729 51.893 164.315 8.828 55.019 -5.000 240.508

* De bijdrage voor het RBL loopt via de reserve voortijdig schoolverlaten.

Gemeenschappelijke Regeling WVS-Groep (WVS) Voor 2022 bedraagt de totale bijdrage van de deelnemende gemeenten aan de Gemeenschappelijke Regeling WVS € 8.009.000,00 (herziene begroting WVS 2021: € 7.593.000,00 excl. de eenmalige mindering met € 2 miljoen uit coronacompensatie). De toename ten opzichte van 2021 kan vrijwel volledig worden toegeschreven aan de langere termijn effecten van de COVID-19 pandemie. In de begroting van het WVS is € 500.000,00 opgenomen in verband met de mogelijke effecten hiervan. Voor de gemeente Rucphen gaat het in 2022 om een bijdrage van € 941.167,00. In de jaarschijf 2022 van de herziene begroting 2021 van WVS is rekening gehouden met een gemeentelijke bijdrage van € 892.792,00. De financiële consequentie van de begroting 2022 van - € 48.375,00 wordt verwerkt ten laste van het begrotingssaldo 2022. Gemeenschappelijke regeling GGD West-Brabant In 2022 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan de Gemeenschappelijke Regeling GGD West-Brabant € 19.920.433,00. De totale bijdrage is, ten opzichte van 2021, € 236.792,00 hoger. Deze stijging bestaat volledig uit loon- en prijsindexering. Voor Rucphen is de bijdrage 2022 bepaald op € 428.643,00. In de meerjarenbegroting 2021 – 2024 was een gemeentelijke bijdrage van € 412.517,00 opgenomen. Het verschil van - € 16.126,00 komt ten laste van het begrotingssaldo 2022.

Op basis van de meerjarenbegroting van de gemeenschappelijke regeling is de gemeentelijke bijdrage vanaf 2022 jaarlijks doorgerekend.

32

Regionale Ambulancevoorziening Brabant Midden-West-Noord (RAV) Sinds 2012 is de gemeentelijke bijdrage aan de RAV Brabant Midden-West-Noord komen te vervallen. Ook in 2022 en verder blijft de RAV in staat de begroting sluitend te houden zonder inkomsten uit gemeentelijke bijdragen. In de beleidsbegroting 2022 is dan ook geen gemeentelijke bijdrage opgenomen. Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant (OMWB) In 2022 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan de Omgevingsdienst Midden- en WestBrabant € 20.454.434,00. De totale bijdrage is in 2022 € 1.262.141,00 hoger ten opzichte van 2021. De toename wordt vooral veroorzaakt door een toename van de op te nemen verzoektaken in programma 2 en de laatste fase toegroei naar de MWB-norm. De bijdrage 2022 voor de gemeente Rucphen bedraagt € 322.998,00. In de meerjarenbegroting 2021 – 2024 was een gemeentelijke bijdrage van € 319.902,00 opgenomen. Het verschil van - € 3.096,00 komt ten laste van het begrotingssaldo 2022. Ook voor de jaren 2023 tot en met 2025 verwerken we het verschil ten laste van het laste van het begrotingssaldo. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant In 2022 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan de Veiligheidsregio Midden- en WestBrabant € 67.104.776,00. De totale bijdrage is € 611.736,00 hoger ten opzichte van 2021. De stijging bestaat volledig uit loon- en prijsontwikkeling.

De bijdrage 2022 voor de gemeente Rucphen bedraagt € 1.150.678,00. In onze meerjarenbegroting was een gemeentelijke bijdrage van € 1.169.605,00 opgenomen. Het verschil van € 18.927,00 komt ten gunste van het begrotingssaldo 2022. Ook voor de jaren 2023 tot en met 2025 verwerken we het verschil van respectievelijk € 28.851,00, € 41.080,00 en € 51.893,00 ten gunste van het begrotingssaldo. Regio West Brabant (RWB) In 2022 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan de Regio West-Brabant (incl. Rewin) € 22.286.00,00. Dit is € 1.037.000,00 lager ten opzichte van 2021. Dit verschil wordt grotendeels veroorzaakt door een lagere bijdrage voor KCV (Deeltaxi). Vorig jaar was de bijdrage hieraan juist hoger doordat er in de voorafgaande periode meer gebruik was gemaakt van de Deeltaxi door onze inwoners. Hierop was de begroting van 2021 gebaseerd. Nu is dat weer genormaliseerd. De bijdrage 2022 voor de gemeente Rucphen bedraagt € 500.436,00. In de meerjarenbegroting 2021 – 2024 was een gemeentelijke bijdrage van € 597.672,00 opgenomen. Het verschil van € 97.236,00 alsmede de mutaties in de bijdragen voor de jaren 2023 tot en met 2025 verwerken we ten gunste van het begrotingssaldo. West-Brabants Archief (WBA) In 2022 is de totale bijdrage voor de deelnemende gemeenten aan het West-Brabants Archief € 2.422.579,00.

De totale bijdrage in 2021 is € 22.231,00 lager ten opzichte van 2021. In de meerjarenraming 2023-2025 zijn geen indexmatige verhogingen toegepast. De bijdrage 2022 voor de gemeente Rucphen bedraagt € 99.667,00. In de meerjarenbegroting 2021 – 2024 was een gemeentelijke bijdrage van € 102.437,00 opgenomen. Het verschil van € 2.770,00 komt ten gunste van het begrotingssaldo 2022. Ook voor de jaren 2023 tot en met 2025 verwerken we het verschil van respectievelijk € 4.422,00, € 6.701,00 en € 8.828,00 ten gunste van het begrotingssaldo. Regionaal Bureau Leren (RBL) De bijdrage 2022 voor de gemeente Rucphen bedraagt € 36.598,00. In de meerjarenbegroting was een gemeentelijke bijdrage van € 34.416,00 opgenomen. Het verschil van € 2.182,00 komt ten laste van de Reserve voortijdig schoolverlaten. Ook voor de jaren 2023 tot en met 2025 verwerken we het verschil van respectievelijk € 2.036,00, € 2.219,00 en € 2.169,00 ten laste van die reserve. De totale bijdrage van de gezamenlijke gemeenten is in 2022 € 1.687.308,00. De totale bijdrage is in 2022 € 90.016,00 hoger ten opzichte van 2021. De mutaties in 2022 bestaan uit de Pilot Projectaanjager Leerplicht (0,6 Fte) (€ 57.503,00) en de indexering van personele en materiële kosten (€ 32.513,00).

33

Werkplein Hart van West-Brabant Voor 2021 bedraagt de totale bijdrage van de gemeenten die deelnemen aan de Gemeenschappelijke Regeling Werkplein € 96.106.613,00 (2021 na wijziging: € 88.419.589,00). Voor de gemeente Rucphen gaat het om een bijdrage van € 8.087.162,00. Ten opzichte van de jaarschijf 2022 van onze meerjarenbegroting levert de begroting van het Werkplein een nadeel op van € 562.381,00. Dit nadeel werkt structureel door. Dit is maar één kant van het verhaal. Met onze prognosetool LIAS BUIG hebben we vanaf begrotingsjaar 2023 de Gebundelde uitkering (Wet BUIG) berekend. Het model voorziet een stijging van de gebundelde uitkering ten opzichte van onze huidige raming. Dit is voldoende om voornoemd nadeel op te vangen. Om aansluiting te zoeken met de mutaties in BUIG, is de raming voor het Programma Inkomen vanaf 2023 niet gebaseerd op de begroting van het Werkplein, maar op de prognoses LIAS/BUIG. Programma Werk en Participatie Inkomen Inkomensondersteuning Bedrijfsvoering Totaal Werkplein

2022 -12.766 -425.911 -5.958 -117.746 -562.381

2023 -16.384 -408.939 -6.066 -126.868 -558.257

2024 -20.201 -375.905 -6.175 -138.037 -540.318

2025 -43.352 -342.870 -6.287 -136.912 -529.421

Gebundelde uitkering (Wet BUIG) Totaal financiële mutatie ( - = nadeel)

683.543 121.162

650.509 92.252

617.475 77.157

584.440 55.019

Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) De totale bijdrage van de deelnemende gemeenten en het waterschap in 2022 bedraagt € 16.975.900,00. De totale deelnemersbijdrage stijgt met een bedrag van € 585.600,00 ten opzichte van de begroting 2021. De stijging is grotendeels te wijten aan een landelijke stijging van het aantal waardebezwaren. Dit wordt veroorzaakt door de tussenkomst van no cure no pay (NCNP)-bureaus. De gemeentelijke bijdrage aan de BWB voor 2022 is bepaald op € 376.400,00 (inclusief € 23.600,00 compensabele BTW). In de vergadering van 30 oktober 2020 heeft het algemeen bestuur, na vaststelling van de begroting 2021, ingestemd met een overgangsregeling voor de deelnemersbijdrage in verband met de invoering van de nieuwe systematiek voor de kostenverdeling. De overgangsregeling houdt in dat 66% van dit herverdeeleffect gecorrigeerd is op de deelnemersbijdrage voor 2021 en 33% op de deelnemersbijdrage voor 2022. Voor Gemeente Rucphen heeft voornoemde overgangsregeling een negatief effect van € 17.800,00 in 2022. Dit maakt de totaalbijdrage voor 2022 € 394.200,00. Ten opzichte van de meerjarenraming 2021 betekent dit een stijging van de bijdrage met € 6.400,00. Meerjarig kent de deelnemerbijdrage het volgende verloop (inclusief compensabele BTW): • 2023: € 381.800,00 • 2024: € 387.200,00 • 2025: € 392.700,00

6.5. Relevante ontwikkelingen rondom de belangrijkste opbrengstencomponenten 6.5.1. Beleidsuitgangspunten lokale heffingen De belangrijkste beleidsuitgangspunten voor de heffing van gemeentelijke belastingen, rechten en leges worden ieder jaar in de paragraaf lokale heffingen van de begroting beschreven. Deze uitgangspunten volgen het Coalitieakkoord 2018–2022 voor deze raadsperiode. De meest belangrijke uitgangspunten kunnen als volgt worden samengevat: • de opbrengstverhoging van de onroerende-zaakbelastingen (OZB) jaarlijks beperken tot maximaal 2%; • een 100% kostendekkende tariefberekening bij de afvalstoffenheffing en rioolheffing.

34

Verder is het gebruikelijk om de jaarlijkse verhoging van de toeristen- en forensenbelasting te koppelen aan de OZB-opbrengstverhoging. De verhoging van andere belastingen en rechten, zoals het marktgeld en lijkbezorgingsrechten, koppelen we aan het Consumenten Prijs Indexcijfer (CPI). Zoals gebruikelijk wordt het voorstel tot aanpassing van de belastingverordeningen en wijziging van de tarieven in de raadsvergadering van december, voorafgaand aan het nieuwe belastingjaar, behandeld. Het vaststellen van belastingverordeningen en tarieven is een autonome bevoegdheid van de gemeenteraad. 6.5.2. Onroerende zaakbelastingen Bij de vaststelling van de OZB-opbrengst wordt, conform het coalitieakkoord, vastgehouden aan de afgesproken maximale stijging van 2%. Deze jaarlijkse stijging is verwerkt in de meerjarenraming. Daarnaast is ook rekening gehouden met extra opbrengst als gevolg van areaaluitbreiding. De vastgestelde OZB-opbrengst in combinatie met totale WOZ-waarde bepaalt het definitieve tarief. Hierbij wordt uitgegaan van de totale WOZ-waarde van alle woningen en niet-woningen. Deze waarde wordt berekend exclusief areaaluitbreiding en waardeverlaging als gevolg van bezwaar- en beroepschriften. Wel houden we rekening met de verwachte waardeontwikkeling die door de Waarderingskamer bekend wordt gemaakt.

Meeropbrengst OZB areaaluitbreiding In onze meerjarenbegroting ramen we een meeropbrengst OZB als gevolg van areaaluitbreiding. Areaaluitbreiding bestaat uit nieuwbouw en aanbouw van (niet-)woningen. Het uitgangspunt is dat areaaluitbreiding jaarlijks € 30.000,00 aan meeropbrengst oplevert. 6.5.3. Overige heffingen, rechten en leges Afvalstoffenheffing Zoals in het coalitieakkoord aangegeven geldt bij de afvalstoffenheffing het uitgangspunt van een volledig 100%-kostendekkende tariefberekening. Alle kosten van de activiteiten die in enige mate (geheel/gedeeltelijk) kunnen worden toegerekend aan de in de Wet Milieubeheer opgenomen gemeentelijke zorgplicht voor het verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen, inclusief de kosten van de milieustraat, worden in de kostenonderbouwing meegenomen. Daarbij maken we onderscheid tussen vaste en variabele kosten, om zo het vaste tarief per perceel en de verschillende containertarieven te berekenen. Rioolheffing De tariefontwikkeling van de rioolheffing is afhankelijk van de kostenonderbouwing zoals opgenomen in de financiële paragraaf van het gemeentelijk rioleringsplan. Op 13 december 2017 heeft uw raad het verbreed gemeentelijke rioleringsplan (vGRP) 2018 – 2022 vastgesteld. Hierbij is gekozen voor het scenario ‘risicogestuurd rioolbeheer’.

Hieraan is een jaarlijkse tariefstijging van 0,7% gekoppeld, waarbij een volledig 100%-kostendekkende tariefberekening het uitgangspunt is. Toeristenbelasting en forensenbelasting Conform de begrotingsuitgangspunten worden deze belastingopbrengsten verhoogd met hetzelfde percentage als de OZB. Voor de toeristenbelasting is in 2014 door uw raad besloten om de tarieven op € 0,05 af te ronden en pas aan te passen als de meerjarige indexering leidt tot een verhoging met € 0,05 of een veelvoud daarvan ten opzichte van het dan geldende tarief. In de verordening Toeristenbelasting 2019 zijn de tarieven voor het laatst verhoogd. In 2022 is een verhoging van het tarief voor volwassenen van € 1,00 naar € 1,05 aan de orde. Leges algemeen We berekenen alle leges tarieven op basis van de ‘activity-based-costing-methode’, waarbij we een inschatting maken van de werkelijke kosten van een dienst/product. Hierbij houden we rekening met de geraamde tijdsbesteding, externe kosten en een doorbelasting van overhead. De opbrengst uit de leges mag de totale kosten niet overtreffen. De tarieven voor leges zijn daarom kostendekkend berekend. Daarnaast zijn er bepaalde producten waarvoor maximum tarieven gelden. Deze zijn landelijk vastgesteld.

35

Risico op minder legesinkomsten De nieuwe Omgevingswet en de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen hebben gevolgen voor de legesinkomsten. Er komen minder vergunningplichten, de huidige omgevingsvergunning wordt gesplitst in een ‘technisch deel’ en een ‘ruimtelijk deel’ en gemeenten mogen milieuleges gaan heffen. Gelijktijdig met de Omgevingswet treedt de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen in werking. Deze wet bewaakt de kwaliteit van ontwerp en uitvoering van bouwplannen. Een groot deel van het werk dat gemeenten nu uitvoeren, moet na inwerkingtreding van deze wet door aanvragers van omgevingsvergunningen worden gedaan. De nieuwe wetten zullen niet direct leiden tot minder werk omdat er vanuit inwoners en bureaus nog vele vragen zullen blijven over de benodigde vergunningen en meldingen eveneens behandeld moeten worden. Daar staan dan echter geen legesinkomsten tegenover. Leges reisdocumenten en rijbewijzen De opbrengst van de leges reisdocumenten en rijbewijzen vertoont gedurende de planperiode fluctuaties. Zoals in de Kadernota 2016 (Financieel Perspectief 2015-2019) al was aangekondigd, is vanaf 2019 een “reisdocumenten dip” ontstaan. Dit komt door het wijzigen van de geldigheidsduur van paspoorten en IDkaarten, 10 jaar in plaats van 5 jaar. De verkoop van reisdocumenten en rijbewijzen zal vanaf 2024 weer toenemen.

Marktgeld en lijkbezorgingsrechten Bij deze rechten is bewust gekozen om slechts gedeeltelijke kostendekking te realiseren. Een verhoging van de tarieven naar volledig kostendekkende tarieven leidt tot ongewenst hoge (schrik-)tarieven. Wel worden de rechten gekoppeld aan het CPI-cijfer om de dekking constant te houden. Kwijtschelding De taken op het gebied van kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen zijn per 1 januari 2018 overgedragen aan de Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB). Op basis van de kwijtgescholden bedragen uit 2020 verhogen we de meerjarenraming van € 65.000,00 naar € 80.000,00. Deze verhoging is te wijten aan de verhoging van het tarief voor afvalstoffenheffing. Door de tariefverhoging wordt er per casus een hoger bedrag kwijtgescholden. In 2020 bestond onze kwijtschelding volledig uit afvalstoffenheffing. De kosten voor kwijtschelding worden volledig doorbelast in de afvalstoffenheffing. Omschrijving

2022

2023

2024

2025

toename lasten kwijtschelding

-15.000,00

-15.000,00

-15.000,00

-15.000,00

toename baten afvalstoffenheffing

-15.000,00

-15.000,00

-15.000,00

-15.000,00

0,00

0,00

0,00

0,00

Totaal financiële mutatie (-=nadeel)

6.5.4 Ontwikkelingen gemeentelijk belastinggebied Toename waardebezwaren De verwachting is dat de groei van het aantal waardebezwaren van de afgelopen jaren blijft doorzetten (22% per jaar). Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de tussenkomst van no cure no pay (NCNP)-bureaus. Het verdienmodel van NCNP-bureaus is gericht op vergoedingen (proceskosten) die zij ontvangen als professionele ondersteuner in een bezwaarproces. Die vergoedingen zijn vaak een veelvoud van het voordeel voor de bezwaarmaker. Deze ontwikkeling leidt tot een sterke stijging van de kosten, door extra tijdsbesteding aan bezwaarafhandeling en te betalen proceskosten. De BWB zet in op verschillende hulpmiddelen om de bezwaarmakers te motiveren om rechtstreeks met BWB te schakelen. Er zijn dan geen proceskosten verschuldigd en het resultaat voor de bezwaarmaker blijft gelijk. 6.5.5. Algemene uitkering gemeentefonds Op basis van de Meicirculaire 2021 kunnen wij de actuele stand van zaken met betrekking tot de algemene uitkering van het Gemeentefonds in beeld brengen. Hierbij is uitgegaan van een aantal aannames, bijvoorbeeld aantal inwoners, woonruimten en bijstandontvangers. De mogelijkheid bestaat dan ook dat de daadwerkelijke uitkering als gevolg van mutaties in de aantallen nog zal wijzigen. De ervaring leert dat de Septembercirculaire ook altijd weer belangrijke (structurele) mutaties bevat.

36

Accres De voeding van het gemeentefonds als gevolg van de methode ‘samen de trap op en samen de trap af’ wordt het accres genoemd. Anders dan in de septembercirculaire 2020 zijn deze keer de accressen vanaf 2022 wel bijgewerkt. De meicirculaire laat zien dat alle jaren (2022 t/m 2025) negatief verlopen. In alle jaren zijn de lagere accressen volgens de circulaire het gevolg van lagere loon- en prijsontwikkeling dan tot nu toe aangenomen. Vanaf 2023 is het accres neerwaarts bijgesteld als gevolg van lagere rentelasten en lagere EUafdrachten. Financiële mutaties Hieronder geven wij aan wat de raming van de algemene uitkering voor de jaren 2022 t/m 2025 was (meerjarenbegroting 2021-2024 o.b.v. de Septembercirculaire 2020) en vervolgens onze berekening o.b.v. de Meicirculaire 2021. Algemene uitkering Omschrijving Septembercirc. 2020: meerjarenbegroting 2021-2024 Meicirc. 2021: meerjarenbegroting 2022-2025 Totaal Algemene uitkering tgv begrotingssaldo

2022 2023 2024 2025 31.846.951 32.568.267 33.341.744 33.341.744 32.495.142 33.158.262 33.822.185 34.696.163 648.191

589.995

480.441

1.354.419

De cijfers in deze tabel zijn inclusief structurele middelen voor jeugdzorg. In 2019 hebben het Ministerie van BZK, de VNG en de provinciale toezichthouders als bijlage bij de meicirculaire 2019 een richtlijn opgenomen over hoe gemeenten in hun meerjarenraming met deze onzekerheid kunnen omgaan. Deze richtlijnen is nog steeds van kracht en zal worden aangepast zodra de gesprekken tussen het nieuwe kabinet en de VNG zijn afgerond. Het betreft de volgende richtlijn: 1. De extra middelen jeugdzorg voor de jaren 2019 tot en met 2022, die onderdeel uitmaken van de algemene uitkering, worden als structureel dekkingsmiddel aangemerkt. 2. Voor de jaren na 2022 kan door de gemeente een stelpost ‘Uitkomst onderzoek jeugdzorg’ geraamd worden: per gemeente naar rato van de € 300 miljoen (in 2022). 3. Deze stelpost ‘Uitkomst onderzoek jeugdzorg’ kan als structureel opgenomen worden. 4. Voorwaarde is dat daarnaast de gemeente zelf maatregelen neemt in het kader van de transformatie rondom jeugdzorg en ggz mede gericht op beheersing van de kosten. Gemeenten spelen immers zelf ook een actieve rol in de transformatie en daarmee ook in het kunnen beperken van de uitgaven. Ondanks dat het accres voor alle jaren negatief verloopt, laat bovenstaande tabel zien dat de algemene uitkering wel positief uitpakt.

De voornaamste oorzaak is de ontwikkeling van de uitkeringsbasis in de betreffende jaren door actualisatie van de raming van de volumina van de verdeelmaatstaven. Vooral de ontwikkelingen in het aantal bijstandsontvangers, in de maatstaven over inwoneraantallen en in de OZB maatstaven zijn van invloed. De grote stijging in 2025 heeft als oorzaak dat bij de Programmabegroting 2021 jaarschijf 2025 gelijk is gesteld met 2024. Dit omdat 2025 buiten die begrotingsperiode viel en omdat de Septembercirculaire 2020 voor het jaar 2025 een forse stijging liet zien, waarbij wij onze twijfels hadden. Nu blijkt, volgens de Meicirculaire 2021, dat deze stijging terecht was en dat we deze cijfers gewoon kunnen verwerken. Taakmutatie Wet Open Overheid Deze initiatiefwet is op 26 januari 2021 door de Tweede Kamer aangenomen en beoogt de gehele overheid transparanter en toegankelijker te maken. Met dit wetsvoorstel geven de initiatiefnemers zowel de actieve als de passieve openbaarmaking van overheidsinformatie een nieuwe basis, verankeren zij het recht op toegang tot informatie wettelijk en beogen zij de informatievoorziening en informatiehuishouding van het Rijk en decentrale overheden te verbeteren. De Eerste Kamer dient nog een besluit te nemen over de WOO. Bij instemming van de Eerste Kamer zal de wet een halfjaar later in werking treden.

Dit zal waarschijnlijk in het eerste kwartaal van 2022 zijn. De huidige Wet openbaarheid van bestuur (WOB) wordt ingetrokken bij de inwerkingtreding van de WOO.

37

Vooruitlopend op de besluitvorming in de Eerste Kamer heeft het kabinet bij de kabinetsreactie op het rapport ´Ongekend onrecht´ van de Parlementaire Ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (POK) financiële middelen vrijgemaakt. Met de beschikbaarstelling van deze financiële middelen ondersteunt het Rijk gemeenten bij de implementatie en uitvoering van de WOO. De financiële middelen bestaan uit zowel incidentele als structurele middelen. De incidentele middelen, voor de periode 2022 tot en met 2026 een bedrag van € 25 miljoen per jaar, zijn bestemd voor het verbeteren van systemen, het opleiden van medewerkers en het aanpassen van processen en de organisatie. De structurele middelen, € 21 miljoen in 2022, oplopend naar structureel € 42 miljoen vanaf 2026, zijn bedoeld voor de actieve openbaarmaking van de informatiecategorieën zoals genoemd in de WOO, het aanwijzen van een contactfunctionaris en het beheer en onderhoud van systemen. De bedragen voor de gemeente Rucphen zijn in onderstaande tabel opgenomen en worden als stelpost opgenomen in de begroting. Omschrijving Wet Open Overheid (incidenteel) Wet Open Overheid (structureel) Totaal middelen Wet Open Overheid

2022 55.400 46.800

2023 55.400 58.500

2024 55.400 70.200

2025 55.400 81.900

102.200

113.900

125.600

137.300

Decentralisatie- en integratie-uitkering Integratie-uitkering Inburgering De inwerkingtreding van de nieuwe Inburgeringswet is met een half jaar uitgesteld tot 1 januari 2022. De reeds verstrekte compensatie over 2021 voor uitvoeringskosten in de IU Inburgering ad. € 27 miljoen wordt teruggedraaid. Wel krijgen gemeenten compensatie voor het uitstel en voor de zgn. ondertussengroep (dat zijn inburgeraars die nog inburgeringspichtig zijn onder de Wet inburgering 2013). De bedragen die gemeenten vanaf 2021 ontvangen betreffen de structurele bijdrage in de uitvoeringskosten. Op basis van de Septembercirculaire 2020 waren de bedragen voor Rucphen vanaf 2022 € 64.209,00 en vanaf 2023 en verder € 70.638,00. Op basis van de Meicirculaire 2021 worden de bedragen voor Rucphen: € 78.348,00 in 2022; € 78.300,00 in 2023; € 75.584,00 in 2024 en € 72.558,00 in 2025. Integratie-uitkering raadsledenvergoeding kleine gemeenten In de decembercirculaire 2018 zijn gemeenten geïnformeerd over de structurele verhoging van de raadsledenvergoeding in gemeenten tot 24.000 inwoners. De fondsbeheerders hebben ervoor gekozen om de middelen toe te kennen via een integratie-uitkering. Het benodigde bedrag van € 9,76 miljoen is vanaf 2019 onttrokken aan de algemene uitkering via een verlaging van de uitkeringsfactor. Op basis van de Meicirculaire 2021 is de integratie-uitkering geactualiseerd.

Dit heeft tot gevolg dat de uitkering vanaf 2021 met € 0,30 miljoen toeneemt naar in totaal € 10,07 miljoen. De actualisatie komt voort uit enerzijds een afname van het aantal gemeenten dat recht heeft op de uitkering: vanwege herindelingen en/of bevolkingsgroei is een aantal gemeenten in inwoneraantal gegroeid naar meer dan 24.000 inwoners. Anderzijds diende het toegenomen verschil tussen de hoogte van de oude raadsledenvergoeding en de nieuwe vergoeding gecompenseerd te worden vanwege de jaarlijkse indexatie. Bij de berekening van deze actualisatie hebben de fondsbeheerders de nieuwe vergoedingen (per 1 januari 2021) vergeleken met de gehanteerde oude raadsvergoedingsbedragen, waarbij die laatste zijn gecorrigeerd met de jaarlijkse indexatiepercentages (2019 tot en met 2021) die zijn vastgelegd in het rechtspositiebesluit voor decentrale politieke ambtsdragers. Voor de gemeente Rucphen stijgt de integratie-uitkering van € 77.780,00 naar € 85.126,00. Het voornemen is om de integratie-uitkering in het kader van de herijking van het gemeentefonds over te hevelen naar de algemene uitkering. Dat zal naar verwachting plaatsvinden per 2023. Integratie-Uitkering Sociaal Domein (IUSD) Zoals bekend is vanaf 2019 een groot deel van de integratie-uitkering Sociaal Domein overgeheveld naar de algemene uitkering. Voor enkele onderdelen wordt nog wel een integratie-uitkering ontvangen.

Op basis van de meicirculaire 2021 zijn de integratie-uitkeringen voogdij/18+ (Jeugd) en participatiewet (Wajong en Wsw)

38

geactualiseerd. De mutatie van de integratie-uitkering participatiewet (Wajong) komt ten gunste van het begrotingssaldo. De mutatie op de integratie-uitkering participatiewet (Wsw) wordt ook toegepast op het budget Wsw. De mutatie met betrekking tot de integratie-uitkering voogdij/18+, wordt onder de tabel verder toegelicht. In onderstaande tabel zijn de huidige ramingen afgezet tegen de nieuwe bedragen o.b.v. de meicirculaire 2021: Omschrijving JEUGD: IUSD 18+/voogdij (OUD) JEUGD: IUSD 18+/voogdij (NIEUW)

2022 326.995 616.283

2023 326.995 616.283

2024 326.995 616.283

2025 326.995 616.283

Totale mutatie

289.288

289.288

289.288

289.288

Omschrijving PW: IUSD (Reint. Wajong/Begel.) (OUD) PW: IUSD (Reint. Wajong/Begel.) (NIEUW)

2022 327.106 333.061

2023 356.791 363.290

2024 384.207 391.202

2025 384.207 423.619

5.955

6.499

6.995

39.412

2022 5.775.936 5.789.605 13.669

2023 5.655.989 5.681.010 25.021

2024 5.392.910 5.400.977 8.067

2025 5.203.437 5.209.687 6.250

Totale mutatie tgv begrotingssaldo Omschrijving PW: IUSD (Wsw) (OUD) PW: IUSD (Wsw) (NIEUW) Totale mutatie budget Wsw

Integratie uitkering Voogdij/18+ (i.v.m. woonplaatsbeginsel) Tot en met uitkeringsjaar 2021 wordt voor dit onderdeel een historisch verdeelmodel gehanteerd. Een historisch verdeelmodel geeft jaarlijks schommelingen in de bedragen, wat niet praktisch is. Per 2022 gaan we over naar een nieuw woonplaatsbeginsel: de voogdijregeling wordt afgeschaft en de gemeente wordt verantwoordelijk voor de kinderen die uit de eigen gemeente komen, maar in een andere gemeente worden behandeld. Het gaat landelijk om naar schatting 20.000 jongeren. Met het nieuwe woonplaatsbeginsel worden 2 compensatieregelingen in het leven geroepen: - Gemeenten die in 2022 nadeel ondervinden van de vervallen T-2-systematiek - Gemeenten die in 2022 en 2023 kosten moeten maken voor jongeren waar geen financieel verantwoordelijke voor is aan te wijzen. In 2023 komt geen afrekening over 2021 en in 2024 evenmin een afrekening over 2022. Wel komt er een compensatieregeling voor nadeelgemeenten, de bedragen zijn nog niet bekend. Door het nieuwe woonplaatsbeginsel ontvangt de gemeente Rucphen vanaf 2022 een extra bedrag van € 289.288,00. Dit budget wordt als stelpost opgenomen in de begroting. Decentralisatie-uitkering armoedebestrijding kinderen Vanaf 2017 is landelijk € 85 miljoen structureel beschikbaar gesteld voor de bestrijding van de gevolgen van armoede van kinderen.

Jaarlijks vindt in de meicirculaire actualisatie plaats van de verdeling voor het jaar t+1 (betreft nu dus 2022) en verder. De middelen worden verdeeld op basis van door CBS ontwikkelde gegevens over kinderen met een kans op armoede. Op basis van de actualisatie wordt het bedrag vanaf 2022 verhoogd van € 65.270,00 naar € 74.452,00. Overige ontwikkelingen o.b.v. Meicirculaire 2021 BTW-compensatie Fonds (BCF) Onderdeel van de algemene uitkering is de stelpost ruimte plafond BTW-compensatiefonds. Het Ministerie van BZK heeft in afstemming met de VNG en de provinciale toezichthouders een advies opgesteld over de wijze waarop de ruimte onder het plafond BCF door gemeenten “kan” worden opgenomen als verwachte bate. Dit advies luidt: Gezien de onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van de ruimte onder het plafond BCF, adviseren we om voorzichtigheid in acht te nemen door een raming op te nemen, die maximaal gebaseerd is op de meest recente, gerealiseerde ruimte onder het plafond BCF. Voor de begroting 2022 is dit de realisatie 2020 zoals die in de Meicirculaire is opgenomen. Deze komt neer op een bedrag van € 221.000,00. De provinciale toezichthouders gebruiken dit advies als richtlijn bij het beoordelen van de (meerjaren)begroting 2022-2025.

Omdat er al jaren sprake was van een daling van de ruimte onder het BCF-plafond vinden wij het nu niet realistisch deze inkomstraming structureel te verwerken in

39

deze Kadernota. Bij de begroting 2022 zullen wij de afweging maken of het verantwoord is deze stelpost (gedeeltelijk) op te nemen. Opschalingskorting Vorig jaar is bij de meicirculaire (2020) de laatste tranche 2025 toegevoegd, zodat de structurele uitname van € 975 miljoen is bereikt. Deze korting wordt door gemeenten als zeer oneerlijk ervaren omdat het principe van herindelen van bovenaf opgelegd is geschrapt in 2013. De opschalingskorting heeft de gemeenten in de jaren 2015 t/m 2021 cumulatief al € 1,5 miljard gekost en daarnaast nog € 150 miljoen als gemist accres over die opschalingskorting. In de Meicirculaire wordt er verder geen tekst aan gewijd. Eventueel schrappen van deze korting is aan het nieuwe kabinet. Arbitrage-uitspraak Jeugdzorg In mei 2021 is een uitspraak gedaan in de arbitragezaak met betrekking tot de middelen voor jeugdzorg, die de VNG tegen het kabinet heeft aangespannen. De arbitrage is uitgevoerd door een commissie van wijzen onder voorzitterschap van staatsraad van Zwol. Die commissie heeft ook nadrukkelijk gekeken naar de resultaten van de commissie Sint over de (financiële) houdbaarheid van het stelsel van jeugdzorg. De belangrijkste overweging van de arbitragecommissie was dat jeugdzorg wordt aangemerkt als een taak van (verplichte) medebewind. Dan worden alle kosten vergoed.

De arbitragecommissie overweegt: Van 2005 tot en met 2015 stegen de jeugdzorgkosten met 250%. Het was te optimistisch om te veronderstellen dat het na een periode van zulke sterke groei mogelijk zou zijn om in korte tijd een structurele daling van de uitgaven voor de jeugdzorg te realiseren door overdracht aan de gemeenten, die helemaal nog geen ervaring in de jeugdzorg hadden. Daardoor is niet voldaan aan de Gemeentewet. Volgens de arbitragecommissie moet er landelijk gezien miljarden euro’s meer naar de jeugdzorg. De VNG geeft hierbij aan dat deze uitspraak duidelijk is en dat het Rijk gemeenten nu moet gaan compenseren voor de tekorten in de jeugdzorg. De arbitragecommissie spreekt zich niet uit over een compensatie met terugwerkende kracht voor de jaren tot en met 2021. Het doet een semi-bindend advies aan het nieuwe kabinet over de jaren daarna. Zoals aangegeven in hoofdstuk 3 bij de claim KN22/S5 Jeugd: niet vrij toegankelijke zorg, is op 3 juni 2021 door het kabinet en de VNG bekend gemaakt dat gemeenten in 2022 1,314 miljard aan compensatie van de tekorten op de jeugdzorg gaan ontvangen. De uitwerking hiervan zal naar verwachting plaatsvinden in de Septembercirculaire 2021 van het Gemeentefonds. Voor extra budget voor de jaren na 2022 geldt het oordeel van de arbitragecommissie als zwaarwegende inbreng voor de kabinetsformatie.

Uiteindelijk dient het nieuwe kabinet hier dus een besluit in te nemen, de eventuele vergoeding vanuit het Rijk voor die jaren blijft op dit moment onzeker. Herijking verdeling gemeentefonds Op 2 februari 2021 hebben de fondsbeheerders de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) advies gevraagd over het voorlopige voorstel voor de nieuwe verdeling van het gemeentefonds. De adviesaanvraag en de (achterliggende berekening van de) voorlopige uitkomsten zijn gepubliceerd op de website van de rijksoverheid. De ROB heeft op 26 maart 2021 in een tussenbericht aan de fondsbeheerders om meer toelichting op de keuzes en effecten gevraagd en enkele kritische kanttekeningen geplaatst bij de uitlegbaarheid van de uitkomsten, met name in het sociaal domein. Daarnaast heeft de Tweede Kamer naar aanleiding van de adviesaanvraag vragen gesteld en hebben de fondsbeheerders veel reacties en vragen gekregen van gemeenten. Op het moment van opstellen van deze Kadernota wordt een nadere analyse uitgevoerd naar aanleiding van de reacties van de ROB, gemeenten en de Tweede Kamer. De VNG is nauw bij dit vervolgonderzoek betrokken. Met de ROB is afgesproken dat het nieuwe verdeelvoorstel, zodra het gereed is, tezamen met de antwoorden op de vragen uit het tussenbericht met hem gedeeld zal worden, opdat hij tot een eindadvies kan komen.

Het aangepaste verdeelvoorstel zal naar verwachting begin juni 2021 gereed zijn en – samen met de geactualiseerde voorlopige uitkomsten per gemeente – op de website van de rijksoverheid worden gepubliceerd. Ook de VNG zal om advies worden gevraagd. Besluitvorming over de invoering van de nieuwe verdeling – voorzien per 1 januari 2023 - is aan het nieuwe kabinet.

40

6.5.6. Dividend nv Bank Nederlandse Gemeenten Het jaarlijks bedrag aan dividend over de afgelopen begrotingsjaren kent een wisselend verloop: • 2017: € 49.729,68 • 2018: € 56.019,60 • 2019: € 24.963,00 • 2020: € 35.577,36 Het dividend van de BNG Bank N.V. voor 2022 en verder baseren we op het gemiddelde bedrag aan dividend over de afgelopen vier begrotingsjaren. De huidige raming (€ 38.000,00) is passend voor 2022.

6.6. Overige financiële mutaties Algemeen In hoofdstuk 3 van deze Kadernota zijn de claims en knelpunten gepresenteerd. Daarnaast dient nog één financiële mutatie verwerkt te worden die geen effect heeft op het begrotingssaldo. inzet vrijvallende middelen reserve wegbeheer voor Integraal beheer openbare ruimte: wegenonderhoud De gemeente Rucphen beschikt nog over een reserve wegbeheer. De restant boekwaarde van deze reserve bedraagt € 528.314,93. Deze reserve diende als egalisatiereserve met betrekking tot wegenonderhoud. Omdat deze reserve geen specifieke bestemming meer heeft en ook niet meer ingezet wordt dient deze te worden opgeheven. Voorgesteld wordt om € 528.300,00 te storten in de reserve dekking kapitaallasten en met dit bedrag de afschrijvingslasten te bekostigen van lopende investeringen met betrekking tot wegen. Op deze manier creëren we structurele ruimte binnen de begroting van € 17.610,00 per jaar (€ 528.300,00 / 30 jaar afschrijving). Deze gecreëerde structurele ruimte voegen we toe aan het budget Integraal beheer openbare ruimte: Wegenonderhoud, zodat hiervoor inmiddels structureel € 282.610,00 in de begroting is opgenomen. In hoofdstuk 5 bestuurlijke ambities is de bestuurlijke ambitie met betrekking tot Integraal beheer openbare ruimte: wegenonderhoud, om te komen tot het gewenste kwaliteitsniveau, opgenomen.

Het kleine restantbedrag van de boekwaarde van de reserve wegbeheer van € 14,93 zal worden toegevoegd aan de algemene reserve.

6.7. Benodigd weerstandvermogen en risicomanagement De benodigde weerstandscapaciteit bedraagt volgens de jaarrekening 2020, per 31 december 2020 € 2.032.291,00. De beschikbare weerstandscapaciteit, gecorrigeerd voor middelen welke niet als dekking gebruikt kunnen worden bedraagt € 7.717.770,00. Volgens de normtabel weerstandsvermogen is onze weerstandscapaciteit uitstekend. Bij de bepaling van de ratio is al rekening gehouden met toekomstige onttrekkingen uit de Algemene Reserve. Tussen de vaststelling van deze Kadernota en de Programmabegroting 2022 vindt een actualisatie van de risico’s plaats, zodat in de Programmabegroting 2022 een actuele stand van het benodigd weerstandsvermogen kan worden gepresenteerd. Mutaties weerstandsvermogen tot en met 7 juli 2021 resume toekomstige ontwikkelingen weerstandscapaciteit af: Storting in reserve Kadernota (o.b.v. Kadernota 2021)*

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10336572/1