CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

05b Programmabegroting 2026

gemeenteraad 12 november 2025, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Programmabegroting 2026 inclusief meerjarenraming 2027-202933.407 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

60

2.2

Algemene uitkeringen en overige uitkeringen gemeentefonds

De algemene uitkering is één van de uitkeringen die we van het Rijk ontvangen. Dat gebeurt via het Gemeentefonds. We kunnen, rekening houdend met wet- en regelgeving, zelf bepalen of wij de uitkering uitgeven aan taken die het Rijk opdraagt of aan eigen beleid. We hoeven aan het Rijk geen verantwoording af te leggen over de besteding van de algemene uitkering; we verantwoorden de besteding aan uw raad. In de Kadernota 2026 zijn de uitkomsten van de meicirculaire 2025 verwerkt. Aan de hand van de septembercirculaire 2025 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is de algemene uitkering opnieuw berekend. De volgende bedragen zijn in de begroting 2026 opgenomen en worden afgezet tegen de Kadernota 2026. 2026

2027

2028

2029

Kadernota 2026:o.b.v. meicirculaire 2025

48.884.737

50.442.849

50.565.608

52.677.033

Begroting 2026:o.b.v. septembercirculaire 2025

49.111.343

50.663.493

50.798.300

52.894.250

Verschil ten gunste van begrotingssaldo

226.606

220.644

232.692

217.217

Algemene uitkering 2026 De algemene uitkering 2026 bestaat uit de volgende onderdelen: Omschrijving a.

2026

Algemene uitkering

49.111.343

Totaal algemene uitkering

49.111.343

b.

Decentralisatie-uitkering Vergunningverlening, toezicht en handhaving

46.697

c.

Decentralisatie-uitkering armoedebestrijding kinderen

83.489

d.

Decentralisatie-uitkering extra capaciteit BOA's

32.635

e.

Decentralisatie-uitkering Voorschoolse voorziening peuters

34.902

f.

Decentralisatie-uitkering Wet Kwaliteitsborging Bouw (Wkb)

14.150

g.

Decentralisatie-uitkering Veilig Wonen

7.062

h.

Decentralisatie-uitkering jeugdhulp kinderen in een AZC

11.769

i.

Decentralisatie-uitkering betaalbare huur

17.977

j.

Decentralisatie-uitkering openbare bibliotheken

100.000

k.

Decentralisatie-uitkering versterking omgevingsveiligheidsdiensten

6.341

l.

Decentralisatie-uitkering Register Externe Veiligheidsrisico's (REV)

2.485

m.

Decentralisatie-uitkering Overheidsbrede Dienstverlening

22.213

n.

Decentralisatie-uitkering antidiscriminatievoorzieningen

3.333

o.

Decentralisatie-uitkering capaciteit decentrale overheden klimaat- en energiebeleid (CDOKE)

Totaal

753.438 50.247.834

De belangrijkste ontwikkelingen in het Gemeentefonds en de gevolgen daarvan voor ons, lichten wij hieronder toe. a. Algemene uitkering De raming van de algemene uitkering is voor 2026 met € 226.606,00 gestegen ten opzichte van de cijfers uit de Kadernota 2026. De algemene uitkering in 2026 bedraagt € 49.111.343,00. De jaren na 2026 wordt de algemene uitkering op basis van de septembercirculaire 2025 positief bijgesteld. b. Decentralisatie-uitkering Vergunningverlening, toezicht en handhaving Vanwege de overdracht van taken aan gemeenten op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) bij provinciale inrichtingen is vanaf 2018 structureel € 46,7 miljoen aan het Gemeentefonds toegevoegd. In dit bedrag is rekening gehouden met de bij provincies achterblijvende wettelijke taak betreffende de coördinatie van de handhavingssamenwerking binnen de provincie en de regie op de

61

kwaliteitscriteria. Voor ons bedraagt de decentralisatie-uitkering € 46.697,00. Het betreft hier geoormerkte gelden die in de begroting aan het daarvoor bestemde budget zijn toegevoegd. c. Decentralisatie-uitkering armoedebestrijding kinderen Vanaf 2017 is structureel een bedrag van € 85 miljoen beschikbaar gesteld voor de bestrijding van de gevolgen van armoede onder kinderen. Jaarlijks vindt in de meicirculaire actualisatie plaats van de verdeling vanaf het volgende jaar. De middelen worden verdeeld op basis van door het CBS ontwikkelde gegevens over kinderen met een kans op armoede. De verdeling over de gemeenten voor 2026 en verder is gebaseerd op gegevens over het jaar 2025 en komt voor onze gemeente uit op € 83.489,00. Hiervoor is in de begroting al een structureel budget opgenomen. d. Decentralisatie-uitkering extra capaciteit boa's In de openbare ruimte verrichten boa’s belangrijk werk in specialistische en complexe beleids- en wetsgebieden. In de afgelopen jaren zijn boa’s binnen hun bevoegdheid ook steeds meer taken gaan uitvoeren. De Tweede Kamer heeft d.d. 23 september 2021 de motie Hermans c.s. aangenomen. Met deze motie, waarmee structureel € 200 miljoen is vrijgemaakt voor handhaving en veiligheid, is onder meer aan het kabinet de opdracht meegegeven om de capaciteit van (wijk)agenten en boa’s in de openbare ruimte te vergroten.

Van dit bedrag wordt structureel € 25 miljoen voor de boa’s beschikbaar gesteld. Het structurele bedrag voor onze gemeente bedraagt € 32.635,00. Hiervoor is in de begroting al een structureel budget opgenomen. e. Decentralisatie-uitkering Voorschoolse voorziening peuters De decentrale-uitkering voorschoolse voorzieningen peuters heeft als doel dat alle peuters zonder recht op kinderopvangtoeslag of voorschoolse educatie naar een voorschoolse voorziening kunnen gaan. Op basis van deze actualisatie is het bedrag vanaf 2025 verhoogd van € 33.953,00 naar € 34.902,00. Deze verhoging is toegevoegd aan het budget ‘onderwijsachterstanden overig en onvoorzien’ die hiervoor in de begroting is opgenomen. f. Decentralisatie-uitkering Wet kwaliteitsborging bouw (Wkb) De Wkb is vanaf 1 januari 2024 gefaseerd in werking getreden. De Wkb heeft als doel de bouwkwaliteit en het bouwtoezicht te verbeteren door inschakeling van private kwaliteitsborgers. Onder deze wet zullen kwaliteitsborgers zorgdragen voor het voldoen aan de bouwtechnische regels. Deze taken vervallen hiermee bij gemeenten die overigens wel het bevoegd gezag blijven houden. Tegelijkertijd wijzigen bepaalde wettelijke taken en krijgen gemeenten er extra wettelijke taken bij, zoals registratie en beoordeling van de Wkbmeldingen. Wij ontvangen hiervoor in 2026 een bedrag van € 14.150,00. Dit bedrag is als stelpost verwerkt.

2026 is het laatste jaar dat we hier Rijksmiddelen voor ontvangen. g. Decentralisatie-uitkering Veilig Wonen De veiligheid van decentrale bestuurders is een vereiste voor het goed functioneren van het openbaar bestuur. Per 1 oktober 2023 wordt de werkgeversverantwoordelijkheid voor hun veiligheid daarom geëxpliciteerd met een wijziging van de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers. Ten behoeve van een veilige woonplek krijgen decentrale bestuurders (burgermeester en wethouders) een beveiligingsadvies op maat aangeboden. Bij de advisering zal een breder pakket van preventieve maatregelen worden gehanteerd, waaronder fysieke, elektronische en digitale maatregelen. Gemeenten dienen op basis van de nieuwe regeling het beveiligingsadvies altijd over te nemen en de uitvoering van de veiligheidsmaatregelen te bekostigen. Vanuit het programma Weerbaar Bestuur wordt hier een tegemoetkoming van € 2,4 miljoen per jaar tegenover gesteld voor de periode 2023-2026. Voor ons is dit een bedrag van € 7.062,00 voor de jaren 2023 tot en met 2026. Dit bedrag is toegevoegd aan het budget Veilig wonen van decentrale bestuurders. h. Decentralisatie-uitkering Jeugdhulp aan kinderen in een AZC Vanaf 2019 zijn gemeenten volledig verantwoordelijk geworden voor de organisatie en financiering van jeugdhulp, inclusief de jeugd-ggz, aan kinderen in een AZC.

Vanaf 2024 is structureel € 5,1 miljoen hiervoor beschikbaar. Wij ontvangen hiervoor structureel € 11.769,00. Omdat wij deze middelen niet direct benodigd hebben, vallen deze middelen structureel vrij ten gunste van het begrotingssaldo. i. Decentralisatie-uitkering betaalbare huur Met de Wet betaalbare huur wordt de op 1 juli 2023 in werking getreden Wet goed verhuurderschap gewijzigd. Gemeenten krijgen de bevoegdheid om toezicht te houden en handhavend op te treden met betrekking tot: • de maximale huurprijzen die gelden op grond van het woningwaarderingsstelsel (WWS);

62

• •

de maximale huurverhogingen in de gereguleerde sector; de informatieplicht voor verhuurders om hun huurders een puntentelling te overleggen bij het afsluiten van een contract. Het Rijk stelt middelen ter beschikking om gemeenten financieel te ondersteunen bij de implementatie en uitvoering van de wet. De financiering bestaat uit een incidentele bijdrage van circa € 5,5 miljoen in 2024 voor de eenmalige kosten die gemeenten maken voor de implementatie. Deze implementatiegelden worden verdeeld op basis van de grootte van de gemeente. Daarnaast ontvangen gemeenten een bijdrage voor het ontvangen en behandelen van meldingen en de handhaving op deze meldingen. Voor deze werkzaamheden ontvangen gemeenten vanaf 2024 een structurele bijdrage van circa € 6,5 miljoen per jaar. Deze middelen worden verdeeld op basis van het aandeel private huur per gemeente en de lokale woningmarktdruk (gemeten op basis van de gemiddelde WOZ-waarde). Voor onze gemeente gaat het om een bedrag van € 17.977,00 in 2026. Omdat wij deze middelen niet direct benodigd hebben, vallen deze middelen structureel vrij ten gunste van het begrotingssaldo. j. Decentralisatie-uitkering openbare bibliotheken In de periode 2023-2024 konden gemeenten een specifieke uitkering krijgen voor het versterken van het lokale bibliotheekstelsel. Vanaf 2025 krijgen gemeenten een wettelijke zorgplicht voor de openbare bibliotheek.

Hiervoor ontvangen ze een structurele bijdrage via het gemeentefonds. In de periode tussen de specifieke uitkering en de invoering van de wettelijke zorgplicht ontvangen gemeenten een decentralisatie-uitkering, om zich goed voor te kunnen bereiden op de periode van de zorgplicht. Hiervoor is in 2025 en 2026 in totaal een bedrag van € 59,3 miljoen beschikbaar. Dit bedrag wordt over alle gemeenten verdeeld op basis van een bedrag van € 2,95 per inwoner. Voor kleinere gemeenten, waar het bedrag per inwoner leidt tot een bedrag lager dan € 100.000,00, wordt de uitkering aangevuld tot € 100.000,00. Wij ontvangen in 2026 € 100.000,00. k. Decentralisatie-uitkering versterking omgevingsveiligheidsdiensten De VNG, namens de gemeenten, en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) zijn overeengekomen (in het bestuurlijk omgevingsberaad van 24 oktober 2024) dat bepaalde taken van het vervolg op de Meerjarenagenda Versterking Omgevingsveiligheid (MVO) door gemeenten worden uitgevoerd. Het gaat om wettelijke taken op het terrein van de omgevingsveiligheid. Het gaat om een bedrag van € 4,9 miljoen in 2026 en 2027 en in 2028 € 3,8 miljoen. De verdeling is gebaseerd op de gemeentelijke verdeelsleutel Externe Veiligheid (gebaseerd op aantal risicobronnen en inwonersdichtheid). Wij ontvangen hiervoor in 2026 en 2027 een bedrag van € 6.341,00 en in 2028 € 5.000,00.

Deze bedragen zijn toegevoegd aan het budget werkprogramma OMWB. l.

Decentralisatie-uitkering Register Externe Veiligheidsrisico's (REV)

Het ministerie van IenW is met medeoverheden verantwoordelijk voor het beheer van het REV. Gemeenten ontvangen via deze decentralisatie-uitkering een bijdrage als tegemoetkoming in de kosten voor het inregelen van de beheerwerkzaamheden voor de Kwetsbare gebouwen en locaties (KGL)-module binnen het REV. De bijdrage is bedoeld voor het inregelen en het mee uitwerken van een efficiënte beheeraanpak, waarbij optimaal gebruik gemaakt wordt van bestaande (basis)registraties. Het gaat landelijk om een jaarlijks bedrag van € 850.000,00 voor de jaren 2025 en 2026. De middelen worden evenredig over alle gemeenten verdeeld. In 2026 ontvangen wij een bedrag van € 2.485,00. Dit bedrag is toegevoegd aan het budget werkprogramma OMWB. m. Decentralisatie-uitkering Overheidsbrede Dienstverlening De Specifieke Uitkering (SPUK) Informatiepunten Digitale Overheid (IDO) wordt vanaf 2026 omgezet naar de decentralisatie-uitkering Overheidsbrede Dienstverlening. Via deze decentralisatie-uitkering worden gemeenten gefaciliteerd om laagdrempelige en empathische ondersteuning te bieden bij regelzaken met de (digitale) overheid en om hun regierol in het lokale netwerk in te vullen. Hiervoor is vanaf 2026 landelijk een structurele bijdrage van € 15,4 miljoen beschikbaar.

Met deze decentralisatie-uitkering kunnen gemeenten, vanuit hun regiorol, lokaal bepalen waar en welke vorm van ondersteuning het meest passend is. De verdeling van de middelen over gemeenten is gebaseerd op het aantal inwoners en het aantal lager opgeleiden in gemeenten. Vanaf 2026 ontvangen wij hiervoor jaarlijks een bedrag van € 22.213,00. n. Decentralisatie-uitkering antidiscriminatievoorzieningen Gemeenten en hun antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) werken samen als het gaat om de preventie van discriminatie op lokaal niveau. Voor de kerntaken van de ADV’s krijgen gemeenten sinds 2009 structureel geld via de algemene uitkering van het gemeentefonds. Net als in 2024 krijgen gemeenten in 2025 en 2026

63

middelen om méér aan preventie te kunnen doen. Hiervoor is in 2025 en 2026 jaarlijks € 2,5 miljoen beschikbaar. Deze extra middelen worden verdeeld op basis van een vast bedrag per inwoner van € 0,14. In 2026 ontvangen wij een bedrag van € 3.333,00. Dit bedrag is toegevoegd aan het budget wat hiervoor in de begroting is opgenomen. o. Decentralisatie-uitkering capaciteit decentrale overheden klimaat- en energiebeleid (CDOKE) De decentralisatie-uitkering CDOKE vervangt de SPUK CDOKE. In 2026 wordt een totaalbedrag van ruim € 666 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten om uitvoering te kunnen geven aan hun taken op het gebied van klimaat- en energiebeleid. Hiervan wordt € 30,5 miljoen in een volgende circulaire verdeeld op basis van een in overleg met de VNG nog vast te stellen verdeelsleutel. De middelen zijn ook beschikbaar voor de periode 2027 t/m 2030, maar de uitkeringsvorm na 2026 is nog niet bepaald. Deze decentralisatie-uitkering bestaat uit basisfinanciering en planfinanciering. Alle gemeenten ontvangen basisfinanciering ten behoeve van de vergroting van hun capaciteit (bemensing) voor de uitvoering van het klimaat- en energiebeleid.

Daarnaast zijn aanvullend middelen beschikbaar voor gemeenten die in 2024 of 2025 planfinanciering hebben aangevraagd voor bijvoorbeeld het instellen van een zero emissie-zone, het aanleggen van zonneweiden of windparken en het aardgasvrij maken van woningen. Gemeenten aan wie in 2024 of 2025 planfinanciering is toegezegd, kunnen op deze middelen rekenen tot het plan is afgerond (mits dit voor 2030 is) of de maximale termijn voor de planfinanciering is bereikt (tot 2030). Na afronding van deze plannen (mits dit voor 2030 is) worden deze planfinancieringsmiddelen herverdeeld over gemeenten zodat aanvullende plannen gefinancierd kunnen worden. In onze huidige begroting was op basis van de SPUK een bedrag opgenomen van € 425.174,00. Dit bedrag wordt nu op basis van de omzetting naar een decentralisatie-uitkering € 753.438,00. Ontwikkelingen m.b.t. algemene uitkering volgende jaren In 2023 hebben het kabinet en de gemeenten afgesproken dat het gemeentefonds wordt geïndexeerd op basis van de ontwikkeling van het bruto binnenlands product (bbp). Deze volumeontwikkeling wordt gebaseerd op een 8-jaars (historisch) gemiddelde van de ontwikkeling van het bbp. De verwachting is dat de accressystematiek hierdoor minder schommelt. Daarbovenop wordt het accres verhoogd met de inflatieverwachting van het bbp.

In het voorjaar van 2024 is besloten om deze systematiek niet pas in 2027, maar direct vanaf 2024 toe te passen. In de Miljoenennota is het accres voor het jaar 2026 en verder geactualiseerd op basis van de actuele raming van de ontwikkeling van het bbp door het Centraal Planbureau (CPB). Het accres is op basis hiervan in de septembercirculaire 2025 naar beneden bijgesteld. In 2026 bedraagt deze neerwaartse bijstelling € 78 miljoen, wat oploopt naar € 310 miljoen in 2030. Tegenover deze neerwaartse bijstelling zorgt de actualisatie van diverse maatstafgegevens, die toegepast worden in de berekening van de algemene uitkering, voor een positief effect op de algemene uitkering. Meerjarige ontwikkeling uitkeringsfactor Bij de berekening van de algemene uitkering gedurende de planperiode is rekening gehouden met de volgende uitkeringsfactoren, welke zijn genoemd in de septembercirculaire 2025: 2026

2027

2028

2029

Meicirculaire 2025

1,493

1,539

1,583

1,630

Septembercirculaire 2025

1,490

1,534

1,577

1,623

Verschil aantal punten

-0,003

-0,005

-0,006

-0,007

De uitkeringsfactoren voor de jaren 2026 tot en met 2029 dalen geleidelijk ten opzichte van de meicirculaire 2025. Taakmutaties Taakmutatie Implementatie Participatie in balans Het wetsvoorstel Participatiewet in Balans is een initiatief om de Participatiewet te vereenvoudigen en te verbeteren, met name door meer maatwerk, versoepeling van regels en een menselijkere aanpak. Er wordt € 55,5 miljoen beschikbaar gesteld in de periode 2025-2030 ten behoeve van de implementatie van deze wet. Deze € 55,5 miljoen is inclusief een bijdrage voor de regeling Verrekenen. In 2026 ontvangen wij

64

hiervoor een bedrag van € 14.500,00 en in 2027 € 2.200,00. Deze bedragen worden opgenomen als stelpost in de begroting. Taakmutatie Wet integrale suïcidepreventie Op 1 januari 2026 treedt de Wet integrale suïcidespreventie in werking. Gemeenten worden op grond van deze wet geacht suïcidepreventie in hun gezondheidsbeleid op te nemen en uit te voeren. Hiertoe wordt vanaf 2026 jaarlijks € 10 miljoen beschikbaar gesteld, wat voor ons neerkomt op een bedrag € 10.400,00. Dit bedrag wordt structureel opgenomen als stelpost in de begroting.

Taakmutatie Implementatie Participatie in balans

2025

2026

2027

2028

-14.500

-2.200

0

0

Taakmutatie Wet integrale suïcidepreventie

-10.400

-10.400

-10.400

-10.400

Verschil ten laste van begrotingssaldo

-24.900

-12.600

-10.400

-10.400

Integratie-uitkering Sociaal Domein Rijksbijdrage Beschut Werk (IU) Tussen 2025 en 2027 stelt het kabinet ruim €110 miljoen beschikbaar om de loonkostensubsidie (LKS) voor beschut werk te verbeteren. Onderzoek laat zien dat de huidige loonwaardesystematiek vaak te lage subsidies oplevert. Daarom wordt een forfaitaire LKS ingevoerd van 68%, circa 11%-punt hoger dan nu. Hiervoor is vanaf 2025 €34,3 miljoen oplopend tot €90,1 miljoen structureel (vanaf 2048) gereserveerd, passend bij de groei van het aantal beschut werkers. De maatregel vereist een wetswijziging die naar verwachting in 2028 ingaat. Tot die tijd worden de extra middelen via de Rijksbijdrage beschut werk (IU Participatie) uitgekeerd; daarna worden ze onderdeel van het reguliere budget voor bijstand en loonkostensubsidies. Op basis van deze mutatie is de integratie-uitkering participatiewet met betrekking tot beschut werken geactualiseerd. Het onderdeel Wsw is ten opzichte van de meicirculaire 2025 niet aangepast. In onderstaande tabel is de huidige raming afgezet tegen het nieuwe bedrag o.b.v. de septembercirculaire 2025: In onderstaande tabel zijn de huidige ramingen afgezet tegen de nieuwe bedragen o.b.v. de septembercirculaire 2025: Omschrijving

2026

2027

2028

2029

336.698

360.290

383.617

407.214

416.630

445.547

383.617

407.214

79.932

85.257

0

0

2026

2027

2028

2029

PW: IUSD (Wsw) (meicirculaire 2025)

6.284.548

5.791.688

5.525.324

5.189.137

PW: IUSD (Wsw) (septembercirculaire 2025)

6.284.548

5.791.688

5.525.324

5.189.137

0

0

0

0

PW: IUSD (re-integratie/beschut werken) (meicirculaire 2025) PW: IUSD (re-integratie/beschut werken) (septembercirculaire 2025) Verschil ten gunste van begrotingssaldo

Omschrijving

Totale mutatie budget Wsw

Overige ontwikkelingen BTW compensatie Fonds (BCF) Onderdeel van de algemene uitkering is de stelpost ruimte plafond BTW compensatiefonds. Het Ministerie van BZK heeft in afstemming met de VNG en de provinciale toezichthouders een advies opgesteld over de wijze waarop de ruimte onder het plafond BCF door gemeenten “kan” worden opgenomen als verwachte bate. Dit advies luidt: Gezien de onzekerheid over de toekomstige ontwikkeling van de ruimte onder het plafond BCF, adviseren we om voorzichtigheid in acht te nemen door een raming op te nemen, die maximaal gebaseerd is op de meest recente, gerealiseerde ruimte onder het plafond BCF.

65

In de Kadernota 2025 hebben wij 50% van het toegestane bedrag opgenomen. Gezien de ontwikkelingen van de ruimte onder het BCF-plafond van de afgelopen jaren, verwerken we structureel 75% van het toegestane bedrag. 2025

2026

2027

2028

Stelpost BCF 50% Kadernota 2026

170.104

170.104

170.104

170.104

Stelpost BCF 75% begroting 2026

255.156

255.156

255.156

255.156

Verschil ten gunste van begrotingssaldo

85.052

85.052

85.052

85.052

2.3

Dividend

Dividend is winstuitkering van een onderneming aan haar aandeelhouders. Onze gemeente heeft 19.656 aandelen in BNG7 Bank. We verwachten in 2026 een winstuitkering over het aandelenbezit in 2025. De raming is gebaseerd op een gemiddelde van het werkelijk ontvangen dividend over de afgelopen jaren.

2.4

Saldo van de financieringsfunctie

Onder financieringsfunctie verstaan we alle activiteiten die te maken hebben met het verwerven en beheren van financiële middelen. Het saldo van de financieringsfunctie is het saldo van de betaalde rente (kosten) over de aangegane leningen en de aangetrokken middelen in rekening-courant en de ontvangen rente (opbrengsten) over de uitzettingen inclusief de toegerekende rentelasten aan de programma’s.

Begroting 2026 Rente langlopende geldleningen

883.521

Rente kasgeldleningen

-

Rente rekening-courant

-

Rentetoerekening aandelen

1.028

Kosten betalingsverkeer en beheer

8.650

Totaal lasten

893.199

Rente toegerekend aan taakvelden

746.477

Rentevergoeding grondbedrijf

12.424

Rente hypothecaire geldleningen

346

Rente rekening-courant

100.000

Ontvangen dividend

46.000

Ontvangsten i.v.m. invordering

35.000

Totaal baten Saldo

2.5

940.247 47.048

Overige baten en lasten

Onder overige baten en lasten worden diverse stelposten verantwoord. We nemen een stelpost op in onze begroting wanneer de werkelijke kosten niet exact kunnen worden bepaald. Dit komt het vaakst voor wanneer er inkomsten worden ontvangen, waarvoor nog geen (lokaal) beleid is. Onderstaand een overzicht van de opgenomen stelposten in de Programmabegroting 2026: Baten 

7

Stelpost ruimte plafond BTW Compensatiefonds (BCF) (€ 255.156,00) Onderdeel van de algemene uitkering is de stelpost ruimte plafond BTW compensatiefonds. De ruimte onder het plafond BCF kan door gemeenten worden opgenomen als verwachte bate, wat maximaal is

Bank Nederlandse Gemeenten

66

gebaseerd is op de meest recente, gerealiseerde ruimte onder het plafond BCF. Voor de Begroting 2026 is dit de realisatie 2024 zoals die in de meicirculaire 2025 is opgenomen. Deze komt neer op een bedrag van € 340.208,00. Gezien de ontwikkelingen van de ruimte onder het BCF-plafond van de afgelopen jaren, verhogen we het percentage en verwerken we structureel 75% van het toegestane bedrag (€ 255.156,00). Lasten  Stelpost dienstverlening gemeentelijke aanpak armoede en schulden (€ 35.776,00) Vanuit de Aanpak Geldzorgen, Armoede en Schulden heeft het kabinet via het gemeentefonds € 40 miljoen aan structurele middelen voor betere dienstverlening door gemeenten op het gebied van armoede en schulden beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn vanaf 2024 structureel aan gemeenten beschikbaar gesteld.

2.6

Stelpost subsidieprogramma (€ 19.099,00) De stelpost subsidieprogramma is bedoeld om mutaties op bestaande subsidies en incidentele subsidies te bekostigen.

Stelpost Wet Integrale Suïcidepreventie (€ 10.400,00) Zie onderdeel ‘Septembercirculaire 2025’.

Stelpost Implementatie Participatiewet in balans (€ 10.400,00) Zie onderdeel ‘Septembercirculaire 2025’.

Onvoorzien

Voor 2026 is een post voor onvoorziene uitgaven opgenomen van € 0,00. Het uitgangspunt is dat tegenvallers in het lopende begrotingsjaar worden opgevangen binnen het begrotingssaldo. Tot en met 2025 werd jaarlijks een post onvoorzien van € 55.000,00 opgenomen, die sporadisch werd ingezet, maar wel een beslag legde op het begrotingssaldo. Uit flexibiliteitsoogpunt is ervoor gekozen om vanaf 2026 geen standaard bedrag meer op te nemen.

67

3.

Overzicht van de kosten van overhead

Overhead is niet direct toe te rekenen aan een specifiek taakveld en moet daarom centraal worden begroot en verantwoord. Om vast te stellen wat onder de kosten van overhead valt, is door de commissie BBV de volgende definitie opgesteld: “het geheel van functies gericht op de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Hiertoe behoren ook de systemen en aanverwante lasten die deze functies ondersteunen”.

0.4

Taakvelden

Portefeuillehouder(s)

Overhead

- Suzanne Breedveld-de Ruiter - Martijn Gijzen - René Lazeroms - Laura Matthijssen-de Jong - Marjolein van der Meer Mohr

In onderstaande tabel zijn de verschillende componenten van de overhead in rubrieken onderverdeeld. Rubriek Salariskosten

Begroting 2026 6.117.843

Overige personeelskosten

844.349

Kapitaallasten

832.240

Juridisch en bestuurlijk advies

302.962

Informatievoorziening en automatisering Facilitaire zaken en huisvesting Totale overhead Toerekening aan investeringen en grondexploitaties Netto saldo overhead

1.540.608 727.383 10.365.385 -231.798 10.597.183

Salariskosten Het merendeel van de kosten van overhead bestaat uit salariskosten. De doorbelaste salariskosten bedragen € 6.117.843,00. Overige personeelskosten Onder deze rubriek vallen alle kosten die betrekking hebben op personeel, niet zijnde salariskosten. De belangrijkste onderdelen hierin zijn:  werving en selectie;  kosten van arbodienst en arbeidsgeneeskundig onderzoek;  reis- en verblijfkosten;  organisatieontwikkeling;  studies en cursussen. Kapitaallasten Betreft afschrijving en toegerekende rente op basis van het omslagprincipe over de boekwaarde van gebouwen, inventaris, automatisering, etc. Juridisch en bestuurlijk advies Deze rubriek bevat kosten die samenhangen met de ondersteuning van het bestuur en de ambtelijke organisatie op juridisch, bestuurlijk en beleidsmatig vlak. Het gaat onder meer om uitgaven voor bezwaar- en beroepsprocedures, juridisch en fiscaal advies, interne audit, uitvoering van de Wet open overheid (WOO), en het versterken van juridische dienstverlening. Ook uitgaven voor beleidsmatige ondersteuning zoals participatie en algemene abonnementen vallen hieronder.

68

Informatievoorziening en automatisering Bevat de uitgaven voor gemeentelijke informatiehuishouding en ICT. Dit omvat de aanschaf, het onderhoud en de lease van programmatuur en apparatuur, investeringen in informatieveiligheid, digitale dienstverlening (zoals website en telefonie), en archiefkosten. Facilitaire zaken en huisvesting Deze categorie omvat alle kosten die samenhangen met het gebruik en de instandhouding van het gemeentehuis. Het gaat onder meer om schoonmaak, energie- en waterverbruik, onderhoud van gebouw, inventaris en installaties, evenals beveiliging. De huuropbrengsten zijn hierbij in mindering gebracht op de kosten. Daarnaast vallen hieronder de uitgaven voor druk- en bindwerk, postverzending, het bedrijfsrestaurant, vergaderfaciliteiten, maaltijden tijdens avondopenstellingen en de koffievoorziening.

69

4.

Bedrag voor de heffing voor de vennootschapsbelasting

De vennootschapsbelasting is een belasting over de belastbare winst. We zijn voor een aantal activiteiten belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting (Vpb). Het gaat hier om het grondbedrijf en de opbrengsten uit afval- en reclameactiviteiten.

0.9

Taakvelden

Portefeuillehouder(s)

Vennootschapsbelasting (Vpb)

- René Lazeroms

Tegen de definitieve Vpb-aanslagen over de jaren 2019 tot en met 2023 is bezwaar aangetekend. Vanaf het jaar 2019 heeft de gemeente een reclameconcessie verstrekt aan een exploitant voor buitenreclame. De fiscale behandeling van dergelijke concessies is onderwerp van landelijke discussie. Verschillende gemeenten betwisten of dergelijke concessies kwalificeren als een ondernemingsactiviteit waarover Vpb verschuldigd is. Momenteel lopen hierover twee procedures bij de Hoge Raad, die duidelijkheid zal moeten geven over de toepassing van het ondernemingsbegrip en de toepassing van de overheidstaakvrijstelling. Voor het jaar 2024 is een rapportage opgesteld inzake de fiscale positie. Hieruit blijkt een belastbare winst van € 232.905,00, voornamelijk toe te rekenen aan grondverkopen binnen grondexploitatie Hofstede. Deze winst kan volledig worden verrekend met verliezen uit voorgaande jaren. De voorlopige aanslag over 2024 bedroeg € 16.063,00. Op basis van de rapportage verwachten wij dit bedrag volledig terug te ontvangen. De definitieve aangifte moet uiterlijk op 1 mei 2026 worden ingediend; het adviesbureau dat de aangifte verzorgt zal dit tijdig verwerken. In 2025 is de voorlopige aanslag voor dat jaar opgelegd. Deze is gebaseerd op een verwachte belastbare winst van € 830.167,00 en resulteert in een verschuldigd Vpb-bedrag van € 200.582,00.

Bij de jaarrekening 2025 wordt op basis van de gerealiseerde cijfers bepaald welk Vpb-bedrag moet worden opgenomen.

70

5.

De Paragrafen

Wij nemen, conform BBV, acht programma-overstijgende paragrafen in de begroting op. In de paragrafen staat informatie waarmee u inzicht krijgt in de financiële positie van onze gemeente, de beheersmatige aspecten en de risico’s.

5.1

Lokale heffingen

In paragraaf ‘Lokale heffingen’ krijgt u op hoofdlijnen een overzicht van de opbrengsten uit de eigen belastingen, overige heffingen (retributies) en leges. Ook geven we aan wat de beleidsuitgangspunten zijn, hoe we het tarief bepalen en in hoeverre de heffingen kostendekkend zijn. Geraamde inkomsten In onderstaand overzicht zijn de inkomsten per belastingsoort opgenomen.

Begroting 2026 Algemene dekkingsmiddelen

4.472.013

Onroerendezaakbelastingen

4.332.236

eigenaren woningen

3.061.564

eigenaren niet-woningen

729.775

gebruikers niet-woningen

480.897

areaaluitbreiding

60.000

Forensenbelasting

19.919

Toeristenbelasting

119.858

Overige heffingen (retributies)

6.214.188

Rioolheffing

3.021.898

Afvalstoffenheffing

3.157.704

Lijkbezorgingsrechten Marktgelden Leges

27.336 7.250 1.161.660

Hoofdstuk 1

313.620

Hoofdstuk 1 (rijksleges)

181.900

Hoofdstuk 2

633.540

Hoofdstuk 3

7.800

Overig

18.100

Overig (rijksleges)

6.700

Totaal geraamde inkomsten

11.847.861

Beleidskader De belangrijkste beleidsuitgangspunten voor de heffing van gemeentelijke belastingen, rechten en leges worden in deze paragraaf beschreven. Daarnaast zijn er een aantal uitgangspunten vastgelegd in het ‘Hoofdlijnenakkoord 2022 – 2026’ voor deze raadsperiode. De meest belangrijke uitgangspunten hieruit kunnen als volgt worden samengevat:  bezuinigen gaat voor lastenverzwaring;  de opbrengst van de onroerendezaakbelastingen (OZB) wordt jaarlijks maximaal 2% verhoogd. In de Kadernota 2026 hebben wij uw raad voorgesteld om af te wijken van het hoofdlijnenakkoord door met terugwerkende kracht een inflatiecorrectie van 13,46% op de OZB-opbrengst toe te passen. Uw raad is van mening dat dit nu niet wenselijk is. Bij de behandeling van de Kadernota 2026 heeft u, met een amendement, het volgende beslispunt toegevoegd: “bij de vaststelling van de OZB-opbrengst in 2026 geen stijging aan te

71

houden van 13,46%, maar een stijging van maximaal 3,3%”. Dit geamendeerde voorstel hebben wij gebruikt als basis voor de begroting 2026. Het voorstel tot aanpassing van de belastingverordeningen en wijziging van de tarieven wordt in de raadsvergadering van 10 december 2025, voorafgaand aan het nieuwe belastingjaar, behandeld. Het vaststellen van belastingverordeningen en tarieven is een autonome bevoegdheid van de gemeenteraad. Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking West-Brabant (BWB) De BWB is verantwoordelijk voor de heffing en invordering van de onroerendezaakbelasting, afvalstoffenheffing, rioolheffing, toeristenbelasting en forensenbelasting. Daarnaast geeft de BWB uitvoering aan de wet WOZ. De gemeentelijke bijdrage aan de BWB voor 2026 is bepaald op € 525.000,00 (inclusief € 32.000,00 compensabele BTW). Algemene dekkingsmiddelen Onroerendezaakbelastingen (OZB) Op basis van artikel 220 van de Gemeentewet mogen we belastingen op onroerende zaken heffen. Dit doen we om een deel van onze gemeentelijke taken te bekostigen. De onroerendezaakbelastingen vormen de grootste ‘eigen’ inkomstenbron van onze gemeente. Drie groepen krijgen een aanslag OZB:  eigenaren van woningen;  eigenaren van niet-woningen;  gebruikers van niet-woningen. De eigenaar/gebruiker op 1 januari van enig jaar is belastingplichtig voor het gehele jaar.

De heffingsgrondslag is de (WOZ8)waarde van de onroerende zaak die met een WOZ-beschikking is vastgesteld. Voor het belastingjaar 2026 geldt de waardepeildatum 1 januari 2025. Bij de OZB heeft uw raad een keuzevrijheid met betrekking tot de vaststelling van de tarieven, de verdeling van de lasten tussen groepen belastingplichtigen (eigenaren en gebruikers) en het in de verordening opnemen van aanvullende vrijstellingen. In de meerjarenraming wordt uitgegaan van de 2% uit het hoofdlijnenakkoord. Daarnaast is rekening gehouden met extra opbrengst als gevolg van areaaluitbreiding. De vastgestelde OZB-opbrengst in combinatie met totale WOZ-waarde bepaalt het definitieve tarief. Hierbij wordt uitgegaan van de totale WOZ-waarde van alle woningen en niet-woningen. Deze waarde wordt berekend exclusief areaaluitbreiding en waardeverlaging als gevolg van bezwaar- en beroepschriften. Wel houden we rekening met de verwachte waardeontwikkeling. Forensenbelasting We heffen forensenbelasting om mensen die relatief veel in onze gemeente verblijven, maar geen ingezetene zijn van onze gemeente, mee te laten betalen aan voorzieningen in onze gemeente. Het doel is niet om kosten voor deze voorzieningen één op één te verhalen, maar juist om een bijdrage te vragen aan het algemene voorzieningenniveau. De heffingsgrondslag is de WOZ-waarde van de woning waarin het verblijf plaatsvindt.

We verhogen de opbrengst forensenbelasting jaarlijks met hetzelfde percentage als de OZB. Toeristenbelasting Toeristenbelasting is verschuldigd over zakelijke of privé overnachtingen van mensen buiten de gemeente die hiervoor een vergoeding betalen. Degene die overnacht, betaalt de belasting vrijwel altijd aan de ondernemer die de overnachting verzorgt. De ondernemer draagt de belasting daarna af aan de gemeente. We verhogen de opbrengst toeristenbelasting jaarlijks met hetzelfde percentage als de OZB. We laten vanaf 2026 de splitsing in tarief tussen personen tot 18 jaar en vanaf 18 jaar los. Er is vanaf 2026 één tarief per persoon per nacht. Bij de wijziging van de tarieven van de toeristenbelasting houden we rekening met het amendement dat in december 2014 door de raad is aangenomen. De tarieven worden pas verhoogd als de

8

Waardering onroerende zaken (WOZ)

72

meerjarige indexering gekoppeld aan de OZB-opbrengstverhoging leidt tot een verhoging van de tarieven met een tot op € 0,05 nauwkeurig af te ronden tarief. In 2026 stijgt het tarief van € 1,10 naar € 1,15. Overige heffingen (retributies) In dit onderdeel beschrijven we de heffingen en rechten die hoogstens kostendekkend mogen zijn. We maken inzichtelijk hoe we bij de berekening van de tarieven borgen dat de geraamde baten de geraamde lasten niet overschrijden, wat de beleidsuitgangspunten zijn en hoe deze uitgangspunten zijn gebruikt bij de tariefstelling. Rioolheffing De rioolheffing hangt samen met de wettelijke zorgplicht voor drie beleidsvelden op het gebied van water. Het doel van de rioolheffing is om geld vrij te maken voor onder meer de afvoer van afvalwater, de afvoer van regenwater (ook wel hemelwater genoemd) en het beheer van het grondwaterpeil. De inkomsten uit rioolheffing zijn alleen beschikbaar voor uitgaven gerelateerd aan de beschreven zorgtaken. Het heffen van rioolheffing om andere gemeentetaken te financieren is niet toegestaan. Onze rioolheffing bestaat uit een vast bedrag voor woningen; voor niet-woningen is de hoogte van de heffing afhankelijk van de WOZ-waarde van het object, waarbij in de verordening een maximumbedrag van € 2.600,00 is opgenomen. Het uitgangspunt bij de rioolheffing is een volledig 100%-kostendekkend tarief.

De tariefontwikkeling van de rioolheffing is opgenomen in de financiële paragraaf van het Gemeentelijk Rioleringsprogramma 2023 – 2026 (vastgesteld op 15 juni 2022). Hierin is het uitgangspunt om de tariefstijging van de rioolheffing te beperken. Het beste resultaat wordt bereikt door investeringen vanaf 2032 niet volledig lineair af te schrijven, maar ook gedeeltelijk direct af te schrijven. Hierdoor daalt de boekwaarde en daarmee de jaarlijkse afschrijvingslast. Dit heeft uiteraard een gunstig effect op het tarief na 2032. Op korte en middellange termijn wordt een stijging van het tarief geprognosticeerd. In 2026 bedraagt het tarief voor woningen € 245,70; een stijging van 4%. Kostendekkendheid rioolheffing Begroting 2026 Lasten taakveld(en), incl. (omslag)rente

1.755.021

Overhead incl. (omslag)rente

301.204

BTW

564.615

Overig

416.948

TOTAAL LASTEN Baten taakveld(en), excl. heffingen Opbrengst heffingen TOTAAL BATEN Dekkingspercentage

3.037.788 15.890 3.021.898 3.037.788 100,0%

Afvalstoffenheffing We zijn wettelijk verantwoordelijk voor de inzameling van het afval van huishoudens. Met de afvalstoffenheffing kan de inzameling van het huishoudelijk afval worden bekostigd. De inkomsten uit de afvalstoffenheffing mogen niet meer dan kostendekkend zijn. Alle particuliere huishoudens waar we afval inzamelen, moeten afvalstoffenheffing betalen. De heffing stellen we vast per perceel en bestaat uit een vast bedrag per perceel (woning) en een drietal variabele tarieven voor het per keer aanbieden van de verschillende afvalcontainers (restafval-, GFT-afval- en ondergrondse verzamelcontainer). Voor de huis-aan-huis inzameling van papier en plastic is géén bedrag verschuldigd. Het uitgangspunt bij de afvalstoffenheffing is een volledig 100%-kostendekkende tariefberekening. Alle kosten van de activiteiten die in enige mate (geheel/gedeeltelijk) kunnen worden toegerekend aan de in de Wet Milieubeheer opgenomen gemeentelijke zorgplicht voor het verwijderen van huishoudelijke afvalstoffen, inclusief de kosten van het grondstoffencentrum, zijn in de kostenonderbouwing meegenomen. Daarbij maken

73

we onderscheid tussen vaste en variabele kosten, om zo het vaste tarief per perceel en de verschillende containertarieven te berekenen. Egalisatievoorziening afvalstoffenheffing De stand van de Egalisatievoorziening afvalstoffenheffing is € 215.393,00 per 1 januari 2026. In 2026 willen we hiervan € 120.000,00 inzetten om de stijging van het tarief te beperken. Kostendekkendheid afvalstoffenheffing Begroting 2026 Lasten taakveld(en), incl. (omslag)rente

2.733.305

Overhead incl. (omslag)rente

136.892

BTW

471.024

Overig

200.035

TOTAAL LASTEN

3.541.256

Baten taakveld(en), excl. heffingen Opbrengst heffingen TOTAAL BATEN

383.552 3.157.704 3.541.256

Dekkingspercentage

100,0%

Lijkbezorgingsrechten en marktgeld Lijkbezorgingsrechten en marktgeld vallen, net als leges, onder retributies. Retributies worden geheven als de gemeente een dienst verleent of een van haar bezittingen ter beschikking stelt. In dit geval gaat het om respectievelijk het gebruik van een marktstandplaats en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaats. Ook bij deze rechten geldt dat ze maximaal kostendekkend mogen zijn, maar hier kiezen we bewust voor gedeeltelijke kostendekking. Een verhoging naar volledig kostendekkende tarieven leidt tot ongewenst hoge (schrik-)tarieven. Bij de berekening van het tarief van het markt- en promotiegeld hebben wij in verband met de praktische hanteerbaarheid het tarief op € 0,05 naar boven afgerond. De lijkbezorgingsrechten worden afgerond op hele euro’s. Kostendekkendheid lijkbezorgingsrechten Begroting 2026 Lasten taakveld(en), incl. (omslag)rente

70.564

Overhead incl. (omslag)rente

15.164

BTW

-

Overig

-

TOTAAL LASTEN Baten taakveld(en), excl. heffingen Opbrengst heffingen TOTAAL BATEN Dekkingspercentage

85.728 27.336 27.336 31,9%

74

Kostendekkendheid marktgeld Begroting 2026 Lasten taakveld(en), incl. (omslag)rente

35.204

Overhead incl. (omslag)rente

11.123

BTW

-

Overig

-

TOTAAL LASTEN

46.327

Baten taakveld(en), excl. heffingen

8.850

Opbrengst heffingen

7.250

TOTAAL BATEN

16.100

Dekkingspercentage

19,3%

Leges We heffen leges voor het in behandeling nemen van verschillende aanvragen voor gemeentelijke dienstverlening of voor het verkrijgen van diverse producten. Denk hierbij aan inwoners die betalen voor een paspoort, een rijbewijs of een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie, maar ook aan projectontwikkelaars die een aanvraag indienen voor een vergunning. De opbrengst uit de leges mag de totale kosten niet overtreffen. Met andere woorden: een gemeente mag geen winst maken op de diensten die zij levert. De tarieven voor leges zijn daarom kostendekkend berekend. Daarnaast zijn er bepaalde producten waarvoor maximumtarieven gelden. Deze zijn landelijk vastgesteld. We berekenen alle tarieven op basis van de ‘activity-based-costing-methode’, waarbij we een inschatting maken van de werkelijke kosten van een dienst/product. Hierbij houden we rekening met de geraamde tijdsbesteding, directe kosten en een doorbelasting van overhead. Ook koppelen we bepaalde leges aan het Consumenten Prijs Indexcijfer (CPI) om de dekking constant te houden. Op basis van de septembercirculaire 2025, wordt het indexcijfer voor 2026 ingeschat op 2,3%. De legestabel is onderverdeeld in drie hoofdstukken voor specifieke dienstverlening. In onderstaande tabellen is de kostendekking inzichtelijk gemaakt. Kostendekkendheid Leges Laten

Baten

Dekking

Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening

586.974

495.520

84,4%

1.264.096

633.540

50,1%

9.046

7.800

86,2%

1.860.116

1.136.860

Hoofdstuk 2 Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder de dienstenrichtlijn TOTAAL

Bovenstaande tabellen bevatten alleen de producten die zijn opgenomen in onze legesverordening. Leges met betrekking tot eigen verklaringen en naturalisatie ontbreken in dit overzicht. Voor eigen verklaringen en naturalisatie gelden vaste landelijke tarieven.

75

Lokale lastendruk In onderstaande tabel geven we een doorkijk in het verloop van de tarieven en de waardeontwikkeling. We gaan uit van voorlopige tarieven. Definitieve vaststelling vindt plaats in de raadsvergadering van december 2025. Belastingsoort

2023

2024

2025

2026

1. eigenarenheffing woningen

0,0819%

0,0795%

0,0748%

0,0773%

2. eigenarenheffing niet-woningen

0,1700%

0,1538%

0,1460%

0,1508%

3. gebruikersheffing niet-woningen

0,1376%

0,1267%

0,1218%

0,1258%

1. tarief woningen

€ 216,34

€ 227,16

€ 236,25

€ 245,70

2. tarief niet-woningen

0,1273%

0,1368%

0,1459%

0,1517%

€ 155,00

€ 175,00

€ 175,00

€ 179,00

2. tarief lediging Restafvalcontainer

€ 9,70

€ 11,30

€ 12,20

€ 11,70

3. tarief lediging GFT-afvalcontainer

€ 3,40

€ 3,90

€ 4,30

€ 4,10

4. tarief inworp OVC

€ 1,90

€ 2,30

€ 2,40

€ 2,30

1-1-2022

1-1-2023

1-1-2024

1-1-2025

1. woningen

13,1%

4,6%

11,3%

n.n.t.b.

2. niet-woningen

4,8%

4,7%

4,3%

n.n.t.b.

Gemiddelde WOZ waarde

1-1-2022

1-1-2023

1-1-2024

1-1-2025

1. woningen

€ 352.000

€ 370.000

€ 401.000

n.n.t.b.

Onroerendezaakbelastingen *

Rioolheffing **

Afvalstoffenheffing 1. vast bedrag per perceel

Waardeontwikkeling WOZ-waarde

(*) voor 2026 uitgaande van voorlopige tarieven omdat de totale WOZ-waarde van de categorie woningen en niet-woningen nog niet kan worden berekend. (**) voor 2026 gaan we uit van de voorlopige tarieven, zoals geprognosticeerd in het Gemeentelijk Rioleringsprogramma 20232026.

Ook hebben we voor de verschillende (fictieve) huishoudens de lokale lastendruk in een tabel weergegeven. Wij maken onderscheid tussen huishoudens met huurwoning, een eigen woning of een eigen bedrijf. Woning

Woning

Nietwoning

n.v.t.

€ 250.000

€ 400.000

€ 700.000

eigenarenheffing

n.v.t.

€ 193,17

€ 309,07

€ 1.055,73

gebruikersheffing

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

€ 880,74

n.v.t.

€ 245,70

€ 245,70

Belastingsoort WOZ-waarde object per 1-1-2025

Huurwoning

Onroerendezaakbelastingen

Rioolheffing woningtarief niet-woningtarief

€ 1.062,15

Afvalstoffenheffing * vast bedrag per perceel

€ 179,00

€ 179,00

€ 179,00

n.v.t.

lediging GFT-afvalcontainer

€ 24,60

€ 24,60

€ 24,60

n.v.t.

lediging restafvalcontainer

€ 128,70

€ 128,70

€ 128,70

n.v.t.

AANSLAGBEDRAG 2026

€ 332,30

€ 771,17

€ 887,07

€ 2.998,61

(*) bij de afvalstoffenheffing gaan we uit van een gemiddeld aantal ledigingen van respectievelijk 6 x GFT- en 11 x Rest afvalcontainer.

76

Kwijtscheldingsbeleid Het verlenen van kwijtschelding is geen verplichting maar een bevoegdheid. Volgens de Invorderingswet kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend aan een belastingplichtige die zijn belastingaanslag of een deel daarvan niet anders dan met buitengewoon bezwaar kan betalen. De raad stelt jaarlijks het gemeentelijk kwijtscheldingsbeleid vast. In iedere belastingverordening afzonderlijk is vermeld of kwijtschelding mogelijk is. In 2026 kan volledige kwijtschelding worden verzocht voor de aanslag OZB, rioolheffing en het vaste deel van de afvalstoffenheffing. Kwijtschelding van het variabele deel van de afvalstoffenheffing is beperkt tot een maximum aantal containerledigingen, namelijk 9 ledigingen van de restafvalcontainer, 5 ledigingen van de Gft-container en 26 inworpen in de ondergrondse verzamelcontainer. Daarnaast is in het kwijtscheldingbeleid aangegeven wanneer iemand in aanmerking komt voor kwijtschelding. Dit toetsen we aan de betalingscapaciteit en de hoogte van het vermogen van een belastingschuldige. Hier zijn normeringen voor. Het betreft de normen en bedragen genoemd in de Participatiewet (bijstandsnorm), die gelden voor de “kosten van bestaan”. In ons bestaand beleid is gekozen om de kosten van bestaan op 100% van de bijstandsnorm te stellen.

Dit is het maximaal toegestane percentage en zorgt voor de ruimste mate van kwijtschelding. In 2026 is een bedrag van € 105.000,00 begroot voor kwijtschelding.

77

5.2

Weerstandsvermogen en risicobeheersing

In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing beschrijven we ons vermogen om financiële tegenvallers op te vangen en hoe we omgaan met risico’s. Ook nemen we hier de verplichte financiële kengetallen op. Beleidskader Voor deze paragraaf zijn de volgende beleidskaders van toepassing:  ‘Nota risicomanagement & weerstandsvermogen 2018’ (19 september 2018). Beschikbare weerstandscapaciteit De beschikbare weerstandscapaciteit bestaat uit het vrij aanwendbare gedeelte van de algemene reserve, de reserve grondexploitatie, de onbenutte belastingcapaciteit, de post onvoorzien en overige stille reserves. Beschikbare weerstandscapaciteit Algemene reserve

7.175.623

Reserve grondexploitatie

1.965.950

Onbenutte belastingcapaciteit (redelijk peil 2026)

3.630.000

Onvoorzien Algemene reserve geactiveerde gronden in erfpacht (stille reserves) TOTAAL BESCHIKBARE WEERSTANDCAPACITEIT Af: aanwendingen t.l.v. / Bij: vrijval .t.g.v. de algemene reserve TOTAAL BESCHIKBARE WEERSTANDCAPACITEIT (GECORRIGEERD)

953.000 13.724.573 -1.124.556 12.600.017

Algemene reserve Per 1 januari 2026 is de verwachte stand van de algemene reserve € 7.175.623,30. Om een juist beeld te geven van het vrij aanwendbare gedeelte van de algemene reserve brengen we alle toekomstige onttrekkingen uit de algemene reserve, waarover door uw raad besluitvorming heeft plaatsgevonden, in mindering. Dat doen we ook voor alle vrijval ten gunste van de algemene reserve In 2026 houden we rekening met een storting in de Reserve Kadernota van € 187.500,00 i.v.m. de eenmalige claims uit de Kadernota 2026, een extra storting van € 667.056,21 in de reserve dekking kapitaallasten, zoals opgenomen in de kadernota en storting in de voorziening onderhoud gemeentelijke gebouwen van € 270.000,00. Reserve grondexploitatie Deze reserve gebruiken we om de risico’s van het grondbedrijf af te dekken. De verwachte stand van de reserve grondexploitatie per 1 januari 2026 is € 1.965.950,06. Onbenutte belastingcapaciteit De onbenutte belastingcapaciteit bij de onroerendezaakbelastingen is zo groot als het verschil tussen het gehanteerde tarief en het tarief om tot een "artikel 12 gemeente" gerekend te worden; het redelijk peil. Voor 2026 is dit tarief 0,1648%. Wanneer we dit percentage afzetten tegen de in de begroting opgenomen ramingen voor de OZB-ontvangsten blijkt er nog een ruimte te zijn van € 3.630.000,00 structureel. Deze waarde kan niet worden gebruikt als dekking.

Onvoorzien De post onvoorzien is een vast onderdeel van de begroting. In 2026 is een post onvoorzien van € 0,00 opgenomen. Algemene reserve geactiveerde gronden in erfpacht (stille reserves) Op basis van BBV-regelgeving moeten in erfpacht uitgegeven gronden worden gewaardeerd tegen de uitgifteprijs van eerste uitgifte. Deze waarde (€ 953.000,00) is toegevoegd aan de algemene reserve (erfpacht) en mag worden toegerekend aan onze weerstandscapaciteit. Net als bij de onbenutte belastingcapaciteit kan deze waarde niet worden gebruikt als dekking.

78

Risicoprofiel (Benodigde weerstandscapaciteit) De lijst met risico’s actualiseren we twee keer per kalenderjaar: bij de samenstelling van de begroting en de jaarrekening. In combinatie met de risico’s van de grondexploitatie en strategische gronden vormen deze risico’s het risicoprofiel van de gemeente Rucphen. Het is ondenkbaar dat alle risico’s tegelijk en in hun maximale omvang optreden. We reserveren daarom een gedeelte van het totale risicobedrag. Dit berekenen we door middel van kanspercentage x maximaal financieel gevolg. In het volgende overzicht presenteren we de grootste risico’s en het totaalbedrag van de overige risico’s uit de gemeentelijke (grond)exploitatie. Een totaallijst van deze risico’s vindt u terug in de bijlagen.

Risico's gemeentelijke exploitatie

kans

financieel gevolg maximaal

benodigde weerstandscapaciteit

Afwaardering gronden camping 'De Witte Plas'

90%

3.150.000

2.830.000

Openeinderegeling Jeugdwet

70%

1.000.000

700.000

Verkoop voormalige milieustraat gaat niet door

70%

400.000

280.000

Opzeggen huurovereenkomst Vinkenbos

10%

2.000.000

200.000

Openeinderegeling Wet maatschappelijke ondersteuning

50%

300.000

150.000

Openeinderegeling Participatiewet

50%

300.000

150.000

Ontwikkelingen bij verbonden partijen

50%

200.000

100.000

Boete Autoriteit Persoonsgegevens

10%

1.000.000

100.000

Het uitbreken van nog onbekende crises

10%

1.000.000

100.000

Overlast door extreme weersomstandigheden

50%

200.000

100.000

Totaal grote risico's

9.550.000

4.710.000

Overige risico's

2.850.000

475.000

12.400.000

5.185.000

1.404.250

1.404.250

1.404.250

1.404.250

13.804.250

6.589.250

TOTAAL RISICO'S GEMEENTELIJKE EXPLOITATIE Risico’s grondexploitatie Complexen in exploitatie (zie paragraaf 5.7)

n.v.t.

TOTAAL RISICO'S GRONDEXPLOITATIE TOTAAL GEMEENTELIJKE RISICO'S

Afwaardering gronden camping 'De Witte Plas' In de vergadering van 20 maart 2024 heeft uw raad goedkeuring verleend voor de totstandkoming van een koopovereenkomst met camping De Witte Plas. In de motivering is te lezen dat camping De Witte Plas is aangekocht, zodat ter plekke natuur gerealiseerd kan worden. Dit betekent dat het huidige gebruik als camping per 1 juli 2029 zal eindigen. Hierdoor wijzigt de economische waarde(marktwaarde) van de gronden significant en moet er op basis van BBV worden afgewaardeerd. We houden rekening met een afwaardering van afgerond € 3.150.000,00, waarvan we nu 90% reserveren. De grondwaarde per datum overdracht is nog onzeker en er blijft een deel van de bebouwing (hoofdgebouw en zwembad) staan bij overdracht, dat nog een waarde vertegenwoordigt. Ratio weerstandsvermogen Om te bepalen of het weerstandsvermogen toereikend is, dient de relatie te worden gelegd tussen de financieel gekwantificeerde risico’s en de daarbij gewenste weerstandscapaciteit en de beschikbare weerstandscapaciteit.. De uitkomst van die berekening vormt het weerstandsvermogen.

Ratio weerstandsvermogen

=

Beschikbare weerstandscapaciteit

12.600.017

Benodigde weerstandscapaciteit

6.589.250

1,9

Wanneer we op deze ratio een correctie toepassen voor de middelen welke niet als dekking gebruikt kunnen worden (onbenutte belastingcapaciteit en erfpacht), verandert de ratio als volgt:

79

Ratio weerstandsvermogen (gecorrigeerd)

=

Beschikbare weerstandscapaciteit

8.017.017

Benodigde weerstandscapaciteit

6.589.250

1,2

We streven naar een gecorrigeerd ratio met een bandbreedte tussen 1,0 en 1,4, met waarderingscijfer C. Het gecorrigeerd ratio voor de begroting 2026 ligt met 1,2 binnen deze bandbreedte. Volgens de weerstandsnorm is dit ratio ‘voldoende’. Omdat het ratio groter is dan 1,0, is sprake van vrij besteedbare ruimte binnen de Algemene reserve. Het uitgangspunt is dat deze ruimte in de Algemene reserve blijft, totdat anders wordt besloten. De vrije ruimte bedraagt: € 1.427.767,15. Weerstandsnorm Ratio

Waardering

Betekenis

>2.0

A

uitstekend

1.4-2.0

B

ruim voldoende

1.0-1.4

C

voldoende

0.8-1.0

D

matig

0.6-0.8

E

onvoldoende

<0.6

F

ruim onvoldoende

In onderstaand schema is het verloop en een prognose van het ratio weerstandsvermogen weergegeven. De genoemde documenten staan in volgorde van vaststelling. Verloop van het ratio weerstandsvermogen Weerstandsvermogen

Weerstandsvermogen (gecorrigeerd)

Begroting 2025

4,0

2,9

Jaarrekening 2024

2,9

1,8

Begroting 2026

1,9

1,2

Begroting 2027

1,9

1,2

Begroting 2028

1,7

1,0

Begroting 2029

1,6

0,9

Kengetallen Kengetallen drukken de verhouding uit tussen bepaalde onderdelen van de begroting of de balans en kunnen helpen bij de beoordeling van de financiële positie van een provincie of gemeente. Om dit te bereiken is voorgeschreven dat de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing de volgende kengetallen bevat: Netto schuldquote (gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen) De netto schuldquote geeft de hoogte van de schulden van gemeente Rucphen aan ten opzichte van de totaal baten. Het percentage gecorrigeerd voor alle verstrekte geldleningen geeft aan hoeveel schulden zijn doorgeleend aan derden. De schuldquote geeft daarmee een indicatie van de mate waarin de rentelasten en de aflossingen op exploitatie drukken. Hoe lager dit percentage, hoe beter. Solvabiliteitsratio Het solvabiliteitsratio geeft aan in hoeverre de gemeente Rucphen voldoende eigen vermogen bezit om aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Hoe hoger dit percentage, hoe gunstiger dit is voor de financiële weerbaarheid van de gemeente. Grondexploitatie Aan grondexploitatie kunnen risico’s verbonden zijn, door bijvoorbeeld herwaardering. Het percentage grondexploitatie geeft aan of de gemeente Rucphen relatief veel grond heeft en daardoor veel risico loopt. Voor het percentage grondexploitatie geldt: hoe lager dit percentage, hoe beter.

80

Structurele exploitatieruimte Dit percentage geeft aan of de gemeente Rucphen voldoende structurele baten heeft om haar structurele lasten te dekken. Wanneer dit cijfer negatief is, betekent het dat het structurele deel van de inkomsten onvoldoende ruimte biedt om de structurele component van de lasten te dragen. Voor het percentage structurele exploitatieruimte geldt: hoe hoger dit percentage, hoe beter. Belastingcapaciteit De hoogte van de belastingcapaciteit geeft inzicht in hoe de belastingdruk zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Als dit percentage laag ligt, betekent het dat de gemeente meer inkomsten uit belastingen zou kunnen verwerven. Of dit wel of niet gebeurt is een beleidskeuze. Kengetallen weerstandsvermogen en risicobeheersing Rekening 2024

Begroting 2025

Begroting 2026

Begroting 2027

Begroting 2028

Begroting 2029

Netto schuldquote

43,9%

56,0%

68,5%

60,6%

59,5%

54,3%

Netto schuldquote (gecorrigeerd)

42,8%

55,2%

67,0%

59,1%

58,0%

52,8%

Solvabiliteitsratio

48,9%

46,5%

44,3%

41,3%

39,5%

37,1%

Grondexploitatie

7,9%

5,1%

0,1%

0,0%

0,0%

0,0%

Structurele exploitatieruimte

0,5%

1,7%

0,1%

0,2%

-1,5%

-1,2%

Belastingcapaciteit

94,9%

94,9%

87,4%

83,9%

80,4%

77,1%

Kengetallen

Normering kengetallen Rekening 2024

Begroting 2025

Begroting 2026

Begroting 2027

Begroting 2028

Begroting 2029

Netto schuldquote

A

A

A

A

A

A

Netto schuldquote (gecorrigeerd)

A

A

A

A

A

A

Solvabiliteitsratio

B

B

B

B

B

B

Grondexploitatie

A

A

A

A

A

A

Structurele exploitatieruimte

A

A

A

A

C

C

Belastingcapaciteit

A

A

A

A

A

A

Kengetallen

A = minst risicovol B = neutraal C = meest risicovol

81

5.3

Onderhoud kapitaalgoederen

Kapitaalgoederen leggen blijvend een groot beslag op onze begroting. Een zo volledig mogelijk overzicht én onderbouwing van deze kosten is daarom van groot belang voor een goed inzicht in de financiële positie. In de paragraaf 'onderhoud kapitaalgoederen' staat ons beleidskader, de daaruit voortvloeiende financiële consequenties en de vertaling hiervan in onze begroting voor wegen, riolering, groen en gebouwen. Wegen Op grond van de Wegenwet zijn we verplicht om een beheer/beleidsplan wegen vast te stellen. In de raadsvergadering van december 2023 is het Beleids-/beheerplan Wegen voor de periode 2024 – 2028 door uw raad vastgesteld. Hierin is integraal werken het uitgangspunt. Er wordt gecombineerd onderhoud gepleegd aan zowel wegen, water als riolering. Daarnaast zijn de uitgangspunten duurzaamheid en kostenefficiëntie in dit plan verwerkt. Het beleidsplan gebruiken we om de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s op te stellen op basis van uw keuze voor kwaliteitsniveau B (conform CROW). Gemiddeld worden de wegen tweemaal per drie jaren visueel geïnspecteerd, waarna de resultaten (de onderhoudstoestand van de wegen) worden vastgelegd in het softwarepakket t.b.v. het wegenbeheer. Op basis van objectieve criteria wordt vervolgens bepaald wanneer bepaalde wegvakken voor onderhoud of reconstructie in aanmerking komen. Er is geen sprake van achterstallig onderhoud.

De financiële consequenties welke samenhangen met het beheerplan wegen worden toegelicht in hoofdstuk 1 van deze programmabegroting onder taakveld 2.1 – Verkeer en vervoer. Riolering Uw raad heeft op 15 juni 2022 het Gemeentelijk Rioleringsprogramma 2023-2026 vastgesteld. Het rioolbeheer wordt risicogestuurd uitgevoerd, waarbij integraal werken het uitgangspunt is. Een gecombineerde uitvoering van riool-, weg- en groenbeheer is kosteneffectief en geeft minder overlast voor onze inwoners. Er is geen sprake van achterstallig onderhoud. Verder zetten we in op klimaatmaatregelen om schade en overlast als gevolg van wateroverlast zo veel mogelijk te beperken. De regionale samenwerking in water- en klimaatkring De Baronie en Samenwerking Water West-Brabant (SWWB) zetten we voort en we betrekken onze inwoners d.m.v. participatietrajecten. De reguliere voortgang op het gebied van het (financiële) beheer, investeringen en onderhoud is toegelicht onder taakveld 7.2 – Riolering. Groen De inrichting en het beheer van het gemeentelijk groen vindt plaats conform de uitgangspunten van het groenbeleidsplan ‘Groen R’ (2022), het groenbeheerplan ‘Groene Vingers’ (2022) en het boombeleid ‘BOOM’(2021). Met het groenbeleid 'Groen R' en het groenbeheerplan 'Groene Vingers' wordt het groen binnen onze gemeente, zowel in de dorpen als in het buitengebied, gewaardeerd en geborgd.

We streven de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen. De aspecten gebruiks-, belevings-, en toekomstwaarde zijn hierbij drie bepalende pijlers. Uitgangspunten hierbij zijn het behouden en versterken van de groenstructuur, het vergroten van de biodiversiteit en het klimaat-adaptief maken van de gemeente. Om het vastgestelde beeldkwaliteitsniveau B te bereiken en te behouden werken voor het groenbeheer en onderhoud op basis van een beeld- en frequentiebestek. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden zetten we de WVS-groep en commerciële partijen in. Er is geen sprake van achterstallig onderhoud. De reguliere voortgang op het gebied van het (financiële) beheer, investeringen en onderhoud is toegelicht onder taakveld 5.7 – Openbaar groen en (openlucht) recreatie.

82

Gebouwen De gemeentelijke gebouwen en objecten zoals gemeenschapshuizen, sport- en zwemaccommodatie(s) zijn in onderhoud en beheer van de gemeente. Het onderhoud vindt plaats aan de hand van het meerjarenonderhoudsplan (MJOP). Het gewenste kwaliteitsniveau is dat onze objecten zich in een redelijke tot goede staat van onderhoud bevinden. Dit houdt in dat we kleine bouwkundige en installatietechnische gebreken herstellen en regulier onderhoud uitvoeren aan de diverse elementen die (cyclisch) onderhoud nodig hebben. In 2025 is op basis van uitgevoerde conditiemetingen het meerjarenonderhoudsplan geactualiseerd. Ons college heeft kennisgenomen van het geactualiseerde meerjarenonderhoudsplan gebouwen 2026–2035 (MJOP) en de bijbehorende begroting gebaseerd op het kwaliteitsniveau ‘redelijk’. De financiële consequenties, inclusief een eenmalige storting in de voorziening MJOP gemeentelijke gebouwen, zijn (structureel) verwerkt in deze begroting. In 2026 wordt het MJOP opnieuw geactualiseerd om te komen tot een Duurzaam Meerjarenonderhoudsplan (DMJOP). In het onderhoudsplan wordt op basis van urgentie verdere invulling gegeven om de staat van onderhoud de komende jaren op het gewenste doelmatige niveau te houden. Voor 2026 is voor structureel onderhoud aan 18 objecten € 372.496,00 aan uitgaven voorzien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16158318/1