Bijlage: Was-wordt lijst
Tekst van het document
Bijlage: Was-wordt lijst Was Artikel 1 Begripsbepalingen Artikel 1 lid 1 onderdeel a. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.
Artikel 1 lid 1 onderdeel a Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet. Artikel 1 lid 1 onderdeel a Budgethouder: de cliënt aan wie een pgb is toegekend. Artikel 1 lid 1 onderdeel e Cliënt: een klant aan wie een Wmo product of dienst wordt geleverd. Artikel 1 lid 1 onderdeel f Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven;
dan wel zal staan ingeschreven; dan wel
het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven.
Artikel 1 lid 1 onderdeel g Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015. Artikel 1 lid 1 onderdeel i Instellingsvervoer: vervoer van en naar de Wmo geïndiceerde ondersteuning zoals dagbesteding en groepsactiviteiten.
Wordt Artikel 1 Definities Artikel 1 lid 1 onderdeel a. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is; een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en; financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet. - (begrip wordt niet meer gebruikt) - (begrip volgt uit de wet) Artikel 1 lid 1 onderdeel d Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; en ▪ in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel; ▪ het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. - (begrip wordt niet meer gebruikt)
- (begrip wordt niet meer gebruikt)
Artikel 1 lid 1 onderdeel j Integraal plan: het integraal plan geeft vorm en inhoud aan de inrichting van de benodigde ondersteuning en omvat tevens het onderzoeksverslag. Artikel 1 lid 1 onderdeel k Melding: kenbaar maken van de hulpvraag om maatschappelijke ondersteuning aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de Wmo 2015 Artikel 1 lid 1 onderdeel l Onderzoeksverslag: verslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015. Artikel 1 lid 1 onderdeel m. Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Artikel 1 lid 1 onderdeel n. Persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet, wordt door het college aan een cliënt verstrekt wanneer de cliënt dit wenst en in staat is hier uitvoering aan te geven. Het pgb stelt de cliënt in staat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Artikel 1 lid 1 onderdeel o. Sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of mantelzorger of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Artikel 1 lid 1 onderdeel p.
Sociaal vervoer: vervoer in het kader van sociale activiteiten en activiteiten verband houdend met de zelfredzaamheid. Bijvoorbeeld boodschappen halen, hobby’s uitoefenen, contacten met het sociale netwerk, arts bezoeken. Artikel 1 lid 1 onderdeel r. Voorziening in natura: een voorziening in natura is een voorziening die bestaat uit goederen of diensten, niet uit geld. Artikel 1 lid 1 onderdeel t. Wettelijke vertegenwoordiger: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van wettelijke bepalingen is aangewezen om op te treden in plaats van iemand die handelingsonbekwaam is handelingsonbekwaamheid. -
- (begrip wordt niet meer gebruikt)
Artikel 1 lid 1 onderdeel f Melding: kenbaar maken van de hulpvraag om maatschappelijke ondersteuning aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet - (begrip wordt niet meer gebruikt) - (inhoud begrip volgt uit de wet)
Artikel 1 lid 1 onderdeel g. Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.
- (begrip volgt uit de wet)
- (begrip wordt niet meer gebruikt)
Artikel 1 lid 1 onderdeel j. Voorziening in natura: een voorziening die bestaat uit goederen of diensten, niet uit geld. - (begrip vertegenwoordiger volgt uit de wet)
Artikel 1 lid 1 onderdeel i. Uitvoeringsregeling: uitvoeringsregeling Wmo 2015
Artikel 2 Melding 1.Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld. 2.Het college bevestigt de ontvangst van de melding binnen twee werkdagen en maakt, indien nodig, zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
Artikel 3 Cliëntondersteuning 1.Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning. 2.Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 4 Persoonlijk plan 1.Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. 2.Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het eerste lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening. Artikel 5 Informatie en identificatie
Artikel 2 Melding 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en wijst de cliënt op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning en op de mogelijkheid om gedurende zeven dagen na de melding een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2 van de wet te overhandigen. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van een persoonlijk plan. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. - (verwerkt in artikel 2)
- (verwerkt in artikel 2 en artikel 4)
- (dit volgt al uit de wet)
1.De cliënt dan wel diens (wettelijke) vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 2.Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van deze verordening, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 6 Gesprek en onderzoek 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn (wettelijke) vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie. 2. De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.
Deze factoren zijn: de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn
Artikel 3 Onderzoek Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger(s) danwel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: o de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; o het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; o de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; o de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; o de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; o de mogelijkheden om met gebruikmaking van een
participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens, verschuldigd zal zijn. 3.Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt, dan wel diens (wettelijke) vertegenwoordiger, in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 4.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure, vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. 5.Indien de gespreksvoorbereiding een afgerond beeld oplevert over de hulpvraag, kan het college in overleg met degene door, of namens wie de melding is gedaan, afzien van een gesprek.
6.Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten: a. a.op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen; b. b.op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer
algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; o de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; o de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; o welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 en artikel 2.1.4a van de wet verschuldigd zal zijn, en o de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2 lid 2 aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.
daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken. 7.Het college verstrekt de cliënt dan wel diens (wettelijke) vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, door middel van een integraal plan of gespreksverslag. 8.Het college wijst de cliënt dan wel zijn (wettelijke) vertegenwoordiger op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen. Artikel 7 Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien: a. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd; b. het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de persoonlijke omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden; c. het college dat overigens gewenst vindt. - (dit was verwerkt in artikel 6)
Artikel 8 Aanvraag 1.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding. 2.Een aanvraag kan door, of namens de cliënt door de (wettelijke) vertegenwoordiger, schriftelijk en ondertekend bij het college worden ingediend. 3.Een schriftelijke aanvraag kan worden ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 4.Een voor akkoord ondertekend onderzoeksverslag als integraal plan, of
Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
Artikel 8 Advisering Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.
Artikel 4 Verslag Het college verstrekt aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het verslag). Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd. Artikel 5 Aanvraag 1. Een aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt door een cliënt of diens gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger schriftelijk ingediend bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van: a. een door het college vastgesteld aanvraagformulier, of b. een door of namens de cliënt ondertekend verslag als bedoeld in artikel 4. 2. Als een cliënt zelf wenst in te kopen met een pgb, dient de cliënt daartoe een pgb-
ondertekend integraal plan, of in voorkomend geval, een ondertekend persoonlijk plan wordt door het college als complete aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschouwd. 5.De ontvangst van de aanvraag wordt schriftelijk bevestigd. 6.De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college desgevraagd terstond een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 7.Als een cliënt zelf wenst in te kopen met een pgb, dient de cliënt daartoe een pgb-plan in zoals bedoeld in artikel 20 van deze verordening. Het pgb-plan geldt als een aanvraag voor een pgb. 8.De ontvangst van de aanvraag wordt schriftelijk bevestigd. Artikel 9 Second opinion 1. Als de cliënt het niet eens is met de gang van zaken tijdens de procedure van het onderzoek, tussen de melding en aanvraag, dan heeft hij eenmalig de mogelijkheid tot een second opinion. Deze second opinion betekent een nieuw onderzoek met een andere gespreksvoerder. 2. Als de uitvoering van onderzoek in het kader van een second opinion een overschrijding van de onderzoekstermijn, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 met zich brengt, dan wordt cliënt hierover zo spoedig als mogelijk voorgelicht. Aan cliënt wordt tevens expliciet gevraagd in te stemmen met de verlenging van de onderzoekstermijn.
Artikel 10 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1.Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot ondersteuning en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van: a. eigen kracht; en/of b. gebruikelijke hulp; en/of c. mantelzorg; en/of d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk; en/of e. algemeen gebruikelijke voorzieningen; en/of f. algemene voorzieningen; en/of g. andere voorzieningen.
plan in zoals bedoeld in artikel 11 van deze verordening. Het pgb-plan geldt als een aanvraag voor een pgb. (vereenvoudigd, onder meer door bepalingen die al uit de wet volgen weg te laten)
- (verwerkt in artikel 3)
Artikel 6 Criteria voor een maatwerkvoorziening a. Het college neemt het verslag als bedoeld in artikel 4 als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. b. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
2.Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang/beschermd wonen als: a. de cliënt problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving; of b. de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld; c. voor zover de cliënt deze problemen niet kan wegnemen/verminderen door gebruik te maken van: a. 1. eigen kracht; en/of b. 2. gebruikelijke hulp; en/of c. 3. mantelzorg; en/of d. 4. hulp van andere personen uit het sociale netwerk; en/of e. 5. voorliggende voorzieningen; f. 6. algemeen gebruikelijke voorzieningen; en/of g. 7. algemene voorzieningen; en/of h. 8. andere voorzieningen; d. cliënt kan alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als de voorziening het goedkoopst compenserend is. 3.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de periode waarvoor de voorziening is verstrekt (de economische levensduur), is verstreken: a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; of b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten; of c.
als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de duur waarvoor voorzieningen worden verstrekt.
personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 3 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. c. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 3 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
d. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. e. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. f. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de vorm waarin en de duur waarvoor voorzieningen worden verstrekt. g. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis. h. Een maatwerkvoorziening in de vorm van een autoaanpassing of een pgb hiervoor, wordt alleen verstrekt als de aan te passen auto niet ouder is dan 36 maanden op de datum van aanvraag voor een autoaanpassing. i. Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen conform het
daartoe vastgesteld beleid van de (centrum)gemeente Arnhem, de geldende verordening Artikel 11 Maatwerkvoorziening vervoer 1. Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer, indien cliënt vanwege zijn beperkingen: 1. geen gebruik kan maken van het Openbaar Vervoer; 2. geen gebruik kan maken van eigen vervoer; 3. onvoldoende of geen mogelijkheden heeft in de omgeving om in de behoefte te voorzien. 2.De maatwerkvoorziening voor sociaal vervoer stelt de cliënt in staat binnen de eigen woon- en leefomgeving (lokaal) een afstand van 1500 km per jaar te reizen. 3.Een maatwerkvoorziening voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving stelt cliënt in staat een afstand van 750 km per jaar af te leggen. 4.Beschikt cliënt over een maatwerkvoorziening voor vervoer in de directe woon- en leefomgeving, dan wordt de reisafstand bedoeld in het tweede lid gesteld op 750 km per jaar. 5.Als cliënt een aantoonbaar grotere vervoersbehoefte heeft dan bedoeld in het tweede lid om in aanvaardbare mate te participeren, zulks ter beoordeling door het college, dan wordt een vervoersvoorziening toegekend overeenkomstig deze grotere vervoersbehoefte. 6.De maatwerkvoorziening collectief vraag afhankelijk vervoer heeft voorrang boven individuele vervoersvoorzieningen.
Dat wil zeggen dat een cliënt alleen in aanmerking komt voor een individuele vervoersvoorziening als het collectief vraagafhankelijk vervoer voor cliënt geen adequate compensatie vormt. 7.Een maatwerkvoorziening voor vervoer per eigen auto wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De tegemoetkoming wordt vastgesteld aan de hand van een tarief van € 0,19 per kilometer. Voor sociaal vervoer geldt een maximum tegemoetkoming van € 285,00 per jaar. Beschikt de cliënt over een vervoersvoorziening voor de directe woon- en leefomgeving, dan is de tegemoetkoming maximaal € 142,50 per jaar.
- (deels opgenomen in andere artikelen en beleidsregels)
8. Is een cliënt aangewezen op een maatwerkvoorziening voor vervoer om te kunnen deelnemen aan dagbestedingsactiviteiten, dan voorziet de maatwerkvoorziening in het hiervoor benodigde vervoer. 9. Een maatwerkvoorziening in de vorm van een autoaanpassing of een pgb hiervoor, wordt alleen verstrekt als de aan te passen auto niet ouder is dan 36 maanden op de datum van aanvraag voor een autoaanpassing. Artikel 12 Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden: 1. de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; 2. de cliënt is aangewezen op zorg en ondersteuning die gepaard gaat met permanent toezicht; 3. de cliënt maakt geen of kan geen gebruik maken van een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; 4. de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg levert aan de cliënt moet ontlast worden van deze zorg. Artikel 13 Maatwerkvoorziening opvang en beschermd wonen Het college heeft voor het verstrekken en uitvoeren van de maatwerkvoorziening beschermd wonen, de centrumgemeente Arnhem gemandateerd.
Centrumgemeente Arnhem verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente, waaronder de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het pgb in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de overige nadere regels van de centrumgemeente. Artikel 14 Weigeringsgronden Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover de cliënt aanspraak kan maken op enige andere passende voorziening of dienst
1.
(geen specifieke criteria in verordening voor deze voorziening meer, er wordt aangesloten bij de algemene criteria van artikel 6. Zo nodig wordt dit uitgewerkt in nadere regels en/of beleidsregels).
- (verwerkt in artikel 6)
Artikel 7 Weigeringsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien: 1. voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een
op grond van andere wet- en regelgeving; b. ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie indien er geen sprake is van geobjectiveerde beperkingen vastgesteld aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden; c. wanneer de gevraagde maatwerkvoorziening een (mogelijk) anti-revaliderende werking heeft; d. indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet en vóór datum van besluit, als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet, heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld; e. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; f. als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase. 2.Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: 1. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Rheden; 2. indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond. 3.Geen woonvoorziening wordt verstrekt: f. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; g. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen,
voorziening op grond van andere wet- of regelgeving bestaat; 2. er geen geobjectiveerde beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie kunnen worden vastgesteld aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden; 3. de gevraagde maatwerkvoorziening een anti-revaliderende werking heeft, niet veilig voor cliënt of zijn omgeving is, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt of het effect op de beperkingen van cliënt onvoldoende vaststaat; 4. cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; 5. cliënt de gevraagde voorziening na de melding als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet en vóór datum van besluit als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 2 van de wet heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan vaststellen; 6. deze niet in overwegende mate op het individu is gericht; 7. de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase. 2.
Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt: a. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Rheden; b. indien deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding. 3. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: 1. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet
vakantie- en recreatiewoningen, ADLclusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing; h. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; i. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; j. de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; k. indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van coouderschap; l. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing. 4.Het college kent geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing toe, als een maatwerkvoorziening voor verhuizing en herinrichting de goedkoopst compenserende voorziening vormt.
5.Geen vergoeding voor verhuiskosten wordt verstrekt indien:
voldoet aan de geldende wettelijke eisen; 2. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADLclusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing; 3. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is; 4. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; 5. de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden; 6. indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van coouderschap; 7. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; 8.
als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. 4. Geen vergoeding voor verhuiskosten wordt verstrekt indien: 1. een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen; 2. een persoon met beperking verhuist naar een instelling op grond van de Wet langdurige zorg.
i.
een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen; ii. een persoon met beperking verhuist naar een instelling op grond van de Wet langdurige zorg. 6.Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Artikel 15 Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: 1. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; 2. de ingangsdatum en duur van de verstrekking; 3. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; 4. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; 5. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: 1. aan welk doel het pgb moet worden besteed; 2.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; 3. wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen; 4. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; 5. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; en
Artikel 9 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: 1. welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; 2. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; 3. hoe de voorziening wordt verstrekt. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: • voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; • welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; • wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; • welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; • wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en • de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
6. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. 4.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening maakt het integraal plan of gespreksverslag deel uit van de beschikking. 5.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking vermeld dat de cliënt zich moet houden aan een eventueel van toepassing zijnde bruikleenovereenkomst Artikel 16 Persoonsgebonden budget algemeen 1.Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2.De hoogte van het pgb voor een roerende zaak wordt maximaal vastgesteld op: • het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud; of • het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten. 3.Als de natura verstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met de kosten van onderhoud en verzekering.
4.Indien het op basis van het eerste en tweede lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 5.Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb. Artikel 17 Persoonsgebonden budget vervoer 1.Indien een cliënt, die gebruik kan maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer, in plaats daarvan aanspraak maakt op een pgb, dan wordt de hoogte van dit pgb berekend aan de hand van de kosten die de gemeente zou maken als de cliënt met het collectief vraagafhankelijk vervoer zou reizen. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van deze kosten.
4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
Artikel 11 Regels voor pgb 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen met een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. Het college maakt daarbij gebruik van het pgb-plan zoals bedoeld in artikel 10. 2. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: 1. kosten voor bemiddeling; 2. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; 3. kosten voor het voeren van een pgbadministratie 4. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; 5. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. Artikel 12 Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb voor een zaak wordt maximaal vastgesteld op: 1. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; 2. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. 2.
Indien een cliënt, die gebruik kan maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer, in plaats daarvan aanspraak maakt op een pgb, dan wordt de hoogte berekend aan de hand van de kosten die de gemeente zou maken als de cliënt met het collectief vraagafhankelijk vervoer zou reizen.
2.Het tarief voor individuele rolstoeltaxikosten wordt bepaald op basis van het tarief dat door zorgverzekeraars vergoed wordt voor rolstoeltaxivervoer op grond van de Zorgverzekeringswet. 3.Voor instellingenvervoer georganiseerd vanuit de cliënt, wordt de hoogte van het pgb berekend aan de hand van een tarief van € 0,19 per kilometer. Het aantal kilometers wordt berekend, uitgaande van het aantal noodzakelijk vervoersbewegingen voor de persoon die de cliënt brengt en haalt. Artikel 18 Persoonsgebonden budget wonen De hoogte van het pgb voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt vastgesteld aan de hand van het bedrag van de door het college geaccepteerde offerte van een door de gemeente Rheden gecontracteerde leverancier, die de goedkoopst compenserende voorziening kan leveren. Artikel 19 Persoonsgebonden budget voor dienstverlening 1.Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen: 1. het tarief voor gekwalificeerde hulp. Tot deze groep behoren personen die: a. werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; b.
aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor
3. Het tarief voor individuele taxikosten bedraagt maximaal het geldende tarief op basis van de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer, waarbij het uitgangspunt geldt dat in totaal 1500 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. 4. Het tarief voor dienstverlening bedraagt maximaal het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, als het gaat om personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; 5. Het tarief voor dienstverlening bedraagt maximaal 85% van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, als het gaat om personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; 6.
Het tarief voor dienstverlening bedraagt het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek, als het gaat om hulp uit het sociale netwerk zoals bedoeld in artikel 2 onderdeel b Uitvoeringsregeling. 7. Het tarief voor dienstverlening bedraagt het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek, als het gaat om personen die niet uit het sociale netwerk komen, maar ook niet voldoen aan het bepaalde in lid 4 en 5. 8. Indien op basis van het pgb-plan als bedoeld in artikel 10 een passende en toereikende voorziening voor een lager tarief kan worden ingekocht, wordt het in lid 1 t/m lid 5 bedoelde tarief hierop aangepast. 9. Indien het op basis van lid 1 t/m lid 5 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening
uitoefening van de desbetreffende taken; 2. ongekwalificeerde hulp. Tot deze groep behoren personen die: a. werkzaam zijn bij een instelling of zelfstandige zonder personeel zijn als bedoeld in het eerste lid, onder a, maar die niet beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; b. behoren tot het sociaal netwerk van cliënt en die niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, onder a. 2.De hoogte van het pgb voor gekwalificeerde hulp bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 3.De hoogte van het pgb voor gekwalificeerde hulp bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, is gelijk aan 85% van het tarief als bedoeld in het tweede lid, tenzij op basis van budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. Omdat het administratieve proces omtrent een pgb minder lasten met zich mee brengt en de regie bij de inwoner ligt, zijn er voor een pgb minder overheadkosten, namelijk 12%. Daarnaast is het risico als overheidsorganisatie laag, dit is 3%.
4.De hoogte van het pgb voor ongekwalificeerde hulp is gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek, tenzij op basis van budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 5.Als de ondersteuning geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van ongekwalificeerde hulp. 6.Voorwaarde voor toekenning van een pgb voor dienstverlening is dat zowel de gekwalificeerde als de niet-gekwalificeerde hulp desgevraagd kunnen beschikken over een
te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
Verklaring omtrent het gedrag, met uitzondering van bloed- en aanverwanten van cliënt in de eerste en tweede graad. 7.De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: 1. kosten voor bemiddeling; 2. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; 3. kosten voor het voeren van een pgbadministratie; 4. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; 5. kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. 8.Loondoorbetaling bij ziekte, vervanging bij ziekte en claims zijn verzekerd via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). 9.Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb. Artikel 20 Aanvullende criteria pgb Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient de cliënt daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format, waarbij de cliënt aangeeft: 1. wat hij met het pgb wenst in te kopen en welk resultaat hij wenst te behalen; 2. de motivatie waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; 3. hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren en de voorgenomen uitvoerder van de maatwerkvoorziening; 4. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd in het geval van informele hulp; a.
de hulpverlener dient een verklaring omtrent gedrag (niet ouder dan twee jaar) te kunnen overleggen, met uitzondering van bloed- en aanverwanten van de cliënt in de eerste en tweede graad; b. de hulpverlener kan de grenzen van het eigen kunnen en bevoegdheden inschatten en kan aangeven wanneer professionele of specialistische hulp nodig is; c. de hulpverlener heeft aangegeven dat de zorg aan de budgethouder voor hem niet tot overbelasting leidt; en
Artikel 10 pgb-plan 1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen met een pgb, dient de cliënt daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. 2. Het college kan bij nadere regels bepalen welke eisen er gesteld worden aan de inhoud van een pgb-plan.
d. de hulpverlener werkt actief samen met andere hulpverleners wanneer sprake is van een bedreiging van de veiligheid of welzijn van de cliënt; 5. een onderbouwde begroting. Artikel 21 Financiële tegemoetkoming 1.Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van een voorziening. 2.De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt gemaximeerd op een bedrag van € 500,00 per jaar. Overschrijden de kosten van de maatwerkvoorziening dit maximumbedrag, dan wordt de maatwerkvoorziening verstrekt in natura of in de vorm van een pgb. 3.Uitbetaling van de financiële tegemoetkoming vindt plaats op declaratiebasis. Artikel 22a Financiële tegemoetkoming meerkosten Het college kan ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële tegemoetkoming verstrekken aan ingezetenen die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben. Het college stelt nadere regels over de gevallen waarin een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt, de berekening van de hoogte en de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming.
Artikel 23 Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen 1.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb zolang de cliënt gebruikmaakt van de maatwerkvoorziening in natura of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.Voor de maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming is de cliënt geen bijdrage in de kosten verschuldigd. 3.In afwijking van het eerste lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: 1. rolstoelvoorzieningen;
Artikel 13 Financiële tegemoetkoming Een cliënt komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie en het om de kosten voor verhuizen en herinrichting gaat. De hoogte is gebaseerd op marktonderzoek naar de kosten voor verhuizing en de Nibud-normen voor stoffering. Het college legt de hoogte vast in de nadere regels.
Artikel 20 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie op aanvraag een financiële tegemoetkoming voor medisch afval en/of voor een maaltijdservice verstrekken aan ingezetenen die als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen aannemelijke meerkosten hebben en beschikken over een Gelrepas. 2. Het college stelt nadere regels over de gevallen waarin een financiële tegemoetkoming kan worden verstrekt, de berekening van de hoogte en de wijze van verstrekking van de tegemoetkoming. Artikel 14 Abonnementstarief voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor de algemene voorziening Hulp bij het huishouden. 3. De hoogte van de bijdrage voor de in lid 1 en lid 2 genoemde voorzieningen bedraagt voor een of meerdere voorzieningen tezamen € 19,-
2. kindvoorzieningen, waaronder woningaanpassingen; 3. voorziening in de verhuis- en herinrichtingskosten; 4. transferhulpmiddelen (zoals tilliften); 5. woonvoorzieningen die voorzien in toegankelijkheid van de woning. 4.De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 5.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura of een pgb is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening of het pgb zelf maakt. 6.De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening zijn gelijk aan de maximale bedragen en percentages opgenomen in het uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 7.Voor deelname aan het collectief vraagafhankelijk vervoer is cliënt naast de bijdrage in de kosten een reizigersbijdrage verschuldigd. De hoogte hiervan wordt vastgesteld door het college en is niet hoger dan het Openbaar Vervoer-tarief voor vervoer met een OV-chipkaart. Artikel 24a Basistarief en maximum aantal uur algemene voorziening Hulp bij het huishouden 1. De kostprijs voor de algemene voorziening Hulp bij het huishouden bedraagt € 24,57 per uur in 2019. Jaarlijks vindt een indexering plaats aan de hand van de Overheidsbijdrage in de Arbeidskosten (OVA), als percentage gepubliceerd door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).
Daarbij wordt steeds het definitieve percentage in het voorgaand kalenderjaar voor indexering van het komende kalenderjaar gebruikt. 2. De algemene voorziening Hulp bij het huishouden is gemaximeerd tot 1,5 uur per week. Als de cliënt meer dan 1,5 uur per week aan uren voor overname van de lichte en/of zware huishoudelijke taken nodig heeft kan de cliënt aanvullend op de algemene voorziening in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Artikel 24 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Voor de volgende algemene voorzieningen is de cliënt een bijdrage verschuldigd:
per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënt tezamen. 4. In afwijking van lid 1 is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: 1. rolstoelvoorzieningen; 2. kindvoorzieningen, uitgezonderd woningaanpassingen; 3. voorziening in de verhuis- en herinrichtingskosten; 4. bemoeizorg 5. In afwijking van artikel 2.1.4a lid 4 van de wet is voor deelname aan het collectief vervoer een reizigersbijdrage verschuldigd. De hoogte is gelijk aan het openbaar vervoer tarief voor vervoer met een OV-chipkaart. 6. De hoogte van de bijdrage voor een hulpmiddel, woningaanpassing, de in lid 5 genoemde maatwerkvoorziening voor vervoer en de in lid 2 genoemde algemene voorziening, overstijgt niet de kostprijs van de voorziening. 7. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura of een pgb is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening of het pgb zelf maakt. 8. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 9. De kostprijs van de in lid 2 genoemde algemene voorziening is gelijk aan de kosten die het college voor de betreffende voorziening per cliënt maakt. 10.
De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
- (verwerkt in artikel 14 en artikel 20)
1. De maaltijdservice: € 5,00 tot € 10,00 per maaltijd, afhankelijk van de maaltijdkeuze van cliënt. 2. Hulp bij het huishouden: de cliënt die gebruikmaakt van de algemene voorziening Hulp bij het huishouden is hiervoor een eigen bijdrage verschuldigd per maand dat de cliënt hiervan gebruikmaakt. De eigen bijdrage is in 2019 € 17,50 en in 2020 € 19,00 per maand. De hoogte van de eigen bijdrage is vanaf 2020 altijd gelijk aan het abonnementstarief voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de wet van 24 april 2019 tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening. Artikel 25 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door in elk geval: 1. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; 2. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; 3. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; 4.
de zelfredzaamheid van de cliënt en het vermogen om te participeren te stimuleren, en aldus zorgafhankelijkheid te verminderen. 2.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de op basis van het eerste en tweede lid gestelde eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 4.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden wijst het college
Artikel 15 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: 1. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; 2. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; 3. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; 4. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken; 5. de zelfredzaamheid van de cliënt en het vermogen om te participeren te stimuleren, en aldus zorgafhankelijkheid te verminderen. 2. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. 3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks
aanbieders van een voorziening erop om overeenkomstig de betreffende privacywetgeving zorg te dragen voor de bescherming van de privacy van de cliënten afkomstig uit de gemeente Rheden.
Artikel 26 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met: 1. de aard en omvang van de te verrichten taken; 2. de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; 3. een redelijke toeslag voor overheadkosten; 4. een voor de sector reële mate van nonproductiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; 5. kosten voor bijscholing van het personeel; 6. de professionele standaard. 2.Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: 1. de marktprijs van de voorziening; en 2. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: a. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; b. instructie over het gebruik van de voorziening; c. onderhoud van de voorziening; en d. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld wijkteams).
cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 4. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden wijst het college aanbieders van een voorziening erop om overeenkomst, de betreffende privacywetgeving zorg te dragen voor de bescherming van cliënten afkomstig uit de gemeente Rheden. Artikel 21 Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: 1. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of 2. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: a. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en b. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, als bedoeld in lid 1, vast: 1. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en 2. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.
Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs onder andere op de volgende kostprijselementen: 1. de kosten van de beroepskracht; 2. redelijke overheadkosten; 3. kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; 4. reis- en opleidingskosten; 5. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;