CConstaterende datRozendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

1.2 Raadsvergadering 5 juli 2022, gemeente Rozendaal29.802 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

de betrokken wethouder drie groepsinterviews met betrokken beleidsambtenaren, betrokken toegangsmedewerkers en met de niet-gemeentelijke toegang. twee groepsinterviews met direct betrokken partners (aanbieders Wmo, jeugdhulp en voorliggende voorzieningen zoals Incluzio Rheden en de GGD) van de toegang in de uitvoering van de Wmo en jeugd

Casusonderzoek onder een anonieme en representatieve groep (15 WMO en 15 Jeugdwet) van bewoners met ervaring met de toegang met differentiatie naar type hulp. Het casusonderzoek heeft als doel om extra verdieping te geven aan de documentenstudie en de interviews met eerder genoemde respondentgroepen bestaande uit professionals. Het geeft zicht op de ervaringen met en wensbeelden over de praktijk. Per casus is gesproken met de bewoner/ouders en/of jeugdige. Ze zijn bevraagd op wat zij anderen toewensen vanuit wat zij zelf ervaren hebben op aspecten als toegankelijkheid, vindbaarheid, tijdigheid van de dienstverlening, kwaliteit van de vraagverheldering, kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp. Daarmee krijgen we zicht op de succesvolle en te ontwikkelen elementen. Voor 5 casussen Wmo en 5 casussen jeugd is tevens gesproken met de betrokken medewerker toegang en met

Inleiding en onderzoeksverantwoording

11

de betrokken hulpverlener van de Wmo/jeugdhulp. Dit leverde praktisch bruikbare inzichten op die verder zijn uitgediept in hun betekenis en verbetermogelijkheden in de ontwikkelkamer. De ontwikkelkamer is ingezet om tot een meer op de behoefte van bewoners afgestemde werkwijze te komen. De ontwikkelkamer is een evaluatief en lerend instrument gestoeld op concrete bevindingen uit de documentenstudie, de uitkomsten van de interviews met professionals en de uitkomsten uit casusonderzoek. Tijdens de ontwikkelkamer is daarnaast gecheckt in welke mate de gevolgde werkwijze en gang van zaken van de casussen representatief is voor het algemene beeld van de praktijk. De deelnemers aan de ontwikkelkamer hebben gereflecteerd op de uitvoeringspraktijk en de bereikte resultaten. De praktische bruikbaarheid is dat de sessie concrete aangrijpingspunten oplevert waarmee de professionals direct zelf aan de slag kunnen gaan of punten die op een ander niveau moeten worden besproken en besloten. Aan de ontwikkelkamer hebben betrokken toegangsmedewerkers, de nietgemeentelijke toegang en betrokken partners deelgenomen. Tot slot heeft een werksessie met de raad plaatsgevonden.

Deze was erop gericht om de raad te bevragen op de wijze waarop zij de sturing op de toegang ervaren (terugkijkend) en bewust te laten worden van de rol die zij kunnen innemen als het gaat om de sturing op de toegang (vooruitkijkend). In deze sessie zijn de eerste uitkomsten teruggelegd bij de raad. Rapportage De opbrengsten vanuit de verschillende onderzoeksmethoden zijn geanalyseerd en vervat in een nota van bevindingen. Deze analyse was gericht op het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Hierbij is de methode van triangulatie toegepast. Dat betekend dat daar waar sprake is van overeenkomsten tussen de verschillende bronnen, sprake is van een bevinding. Als die bevinding logisch kan worden verklaard, is sprake van een conclusie. In het geval dat bronnen elkaar tegenspreken, is verdiepende analyse van de bevindingen nodig) toegepast. Ambtelijk en bestuurlijk wederhoor en eindproduct. De nota van bevindingen is vervolgens via ambtelijk hoor- en wederhoor op feitelijke onjuistheden gecontroleerd. In dit geval werd geconstateerd door de rekenkamercommissie en onderzoekers dat naast de ambtenaren ook bestuurders betrokken zijn geweest bij de beoordeling van het feitenrelaas. Elke ambtelijke reactie is met een voorstel voor handhaving of wijziging van de tekst voorzien. Op basis hiervan is de nota van bevindingen aangepast.

Aan de nota van bevindingen is door de onderzoekers een voorstel voor conclusies en aanbevelingen toegevoegd. Deze is door de rekenkamercommissie vastgesteld en voor bestuurlijk hoor- en wederhoor voorgelegd.

1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 zijn de onderzoeksvragen vanuit het perspectief van de inwoners beantwoord. Hoofdstuk 3 bevat de bevindingen over de wettelijke en juridische kaders. In het derde hoofdstuk zijn de bevindingen rondom de gemeentelijke doelen en ambities weergegeven. Hoofdstuk 4 geeft antwoord op de onderzoeksvragen over de bedrijfsvoering en taakinvulling van de toegang in Rheden. In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de bedrijfsvoering en taakinvulling van de toegang. In hoofdstuk 6 zijn de conclusies en aanbevelingen weergegeven.

Inleiding en onderzoeksverantwoording

12

Klik hier en voeg via Invoegen Afbeeldingen een foto in. Om te vergroten: klik op een hoek en sleep. Om te verschuiven: klik op Bijsnijden in het rechtertabblad Opmaak.

2

BEVINDINGEN PERSPECTIEF INWONERS

Inleiding en onderzoeksverantwoording

14

2. Bevindingen perspectief inwoners 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de volgende onderzoeksvraag beantwoord: 1.

Hoe wordt de toegang door bewoners ervaren op de volgende aspecten: toegankelijkheid, vindbaarheid, tijdigheid van de dienstverlening, kwaliteit van de vraagverheldering, kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp.

Daar waar van toepassing gebeurt dat vanuit twee perspectieven: (1) inwoners die gebruik maken van Wmo-voorzieningen en (2) inwoners die gebruik maken van jeugdhulp. In de eerste plaats wordt een beeld geschetst van de cijfermatige ontwikkelingen van de Wmo en Jeugdhulp door de jaren heen. In paragraaf 2.2 wordt vervolgens de onderzoeksvraag op hoofdlijnen beantwoord, gevolgd door een onderbouwing. Het hoofdstuk eindigt met een toetsing aan het normenkader. Cijfers Wmo en Jeugdhulp Hieronder zijn twee tabellen opgenomen met de cijfers van unieke cliënten en trajecten/producten per jaar voor de Wmo en de Jeugdhulp. Dit geeft meer inzicht in de ontwikkelingen door de jaren heen. De gegevens zijn afkomstig uit het systeem van de gemeente Rheden dat alle toegewezen beschikkingen registreert (Civision Samenlevingszaken). Tabel 1 | Aantal unieke cliënten en trajecten Wmo Jaar 2015 2016 2017 Aantal Begeleiding 783 895 992 unieke HBH** 1448 1482 1608 cliënten Rollen 534 525 499 Vervoer 2233 2040 1020 Wonen 420 413 389 Totaal 5418 5355 4508

Aantal trajecten /producten

Jaar Begeleiding HBH Rollen Vervoer Wonen Totaal

2015 1460 1804 1425 3654 720 9063

2016 1843 2068 1495 3731 744 9881

2017 2044 2087 1433 2043 721 8328

2018 1057 1639 475 1022 387 4580

2019 1137 1881 455 959 332 4764

2020 1026 1867 393 817 252 4355

2021* 804 1879 90 281 126 3180

2018 2192 2178 1355 1954 754 8433

2019 2352 3675 1327 1874 663 9891

2020 2952 3877 1219 1639 530 10217

2021* 1682 3065 105 338 205 5395

Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021) **De term HBH staat voor hulp bij huishouden

In tabel 1 is zichtbaar dat het totaal aantal unieke cliënten van de Wmo over het geheel van 2015 t/m 2020 iets is gedaald in Rheden. Het aantal unieke cliënten is in 2020 licht afgenomen ten aanzien van 2019, dit is mogelijk het gevolg van de corona pandemie. In het jaar 2020 is er tijdelijk extra ingezet op het toetsen van de beschikkingen voor Wmo op rechtmatigheid. Dat heeft mogelijk ook invloed gehad op de daling in aantal Wmo-trajecten. Daarnaast is te zien dat het totaal aantal trajecten/producten in diezelfde periode is toegenomen, wat laat zien dat unieke cliënten van meer verschillende trajecten/producten gebruik zijn gaan maken. Unieke cliënten zijn in deze periode een intensiever

Bevindingen perspectief inwoners

15

beroep gaan doen op de Wmo. Bovendien valt op dat het aantal cliënten dat gebruik maakt van vervoer en wonen in de periode 2015 t/m 2020 sterk is afgenomen. Tabel 2 | Aantal unieke cliënten en trajecten Jeugdhulp Jaar 2015 2016 2017 2018 Aantal 990 1134 1263 1409 unieke cliënten Aantal 1630 2280 2864 3469 trajecten /producten

2019 1519

2020 1459

2021* 1250

3826

4995

2982

Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021)

Tabel 2 laat een stijging zien van het aantal unieke jeugdhulp cliënten van 2015 t/m 2020. Naast dat het aantal unieke cliënten is gestegen, is ook sprake van een stijging van het aantal trajecten/producten van 2015 t/m 2020. Dit betekent dat het aantal jeugdigen dat gebruik maakt van de jeugdhulp is gestegen én deze jeugdigen daarnaast meer gebruik zijn gaan maken van jeugdhulptrajecten. Het aantal unieke cliënten neemt in 2020 licht af. Ook dit is mogelijk het gevolg van de coronacrisis. Een aandachtspunt bij deze cijfers is dat de Jeugdhulp in 2015, 2016 en 2017 is uitbesteed bij Zorglokaal. De aantallen van deze jaren komen uit een ander bestand en kunnen volgens de gemeente niet exact worden geverifieerd. De cijfers uit tabel 1 en tabel 2 zijn grafisch weergegeven in figuur 1 en figuur 2. Figuur 1: Aantal Wmo- en jeugdhulp cliënten in de gemeente Rheden van 2015 tot en met 2021*

Aantal clienten

6000

5418

5355

5000

4508

4580

4764 4355

4000 3180

3000

Wmo

2000 990

1134

1263

jeugdhulp

1409

1519

1459

2018

2019

2020

1250

1000 0 2015

2016

2017

2021

Jaren Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021)

Bevindingen perspectief inwoners

16

Figuur 2: Aantal Wmo- en jeugdhulp trajecten in de gemeente Rheden van 2015 tot en met 2021* 12000

10000

9891

9881 9063

Aantal trajecten

8328

10217

8433

8000 6000

4995

4000 2280

2000

2864

3469

5395

Wmo

3826 2982

Jeugdhulp

1630

0 2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Jaren Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021)

2.2

Ervaringen met de toegang tot de Wmo en jeugdhulp

Voor het casusonderzoek is gesproken met 15 Wmo-cliënten en 15 jeugdhulp-cliënten. In de gevoerde gesprekken staat centraal hoe bewoners de toegang tot de Wmo en de jeugdhulp hebben ervaren. In onderstaand rood tekstvlak wordt een samenvatting gegeven van de bevindingen uit het casusonderzoek, waarmee de onderzoeksvraag op hoofdlijnen wordt beantwoord. Steeds wordt gestart met een aantal algemene bevindingen, die gelden voor zowel de Wmo als voor de jeugdhulp. Vervolgens worden de gevonden verschillen toegelicht. De samenvatting uit het rode tekstvlak wordt gevolgd door een onderbouwing. Omdat de onderbouwing voor de Wmo op verschillende punten afwijkt van de onderbouwing voor de Jeugdhulp is gekozen voor afzonderlijke onderbouwingen. In bijlage 1 zijn de uitkomsten uit het casusonderzoek uitgebreider weergegeven. Beantwoording onderzoeksvraag op hoofdlijnen: ▪ Uit het casusonderzoek komt een beeld naar voren dat bewoners van tevoren niet altijd de weg kenden naar de hulp. Enkele bewoners hebben zelf via internet de website van de gemeente gevonden, anderen zijn doorverwezen via de huisarts, kennis of andere (hulp)instantie(s). Voor de Wmo geldt dat 8 van de 15 onderzochte casussen doorverwezen zijn naar de gemeente via de hulpinstantie waar zij al in beeld waren.

9 van de 15 onderzochte jeugdhulp casussen kwam bij de gemeente terecht via school, jeugdzorg, reclassering of jeugdbescherming. ▪ 22 van de 30 bewoners uit het casusonderzoek geven aan goed terecht te kunnen met hun hulpvraag. Bewoners geven aan behoefte te hebben aan een brede uitvraag van de consulent, waarbij uitgebreid wordt gevraagd wat iemand nodig heeft en de verschillende mogelijkheden besproken worden. ▪ De meeste gesproken respondenten zijn (gedeeltelijk) tevreden over het contact met de consulent. 18 van de 30 Wmo- en jeugdhulpgebruikers uit het casusonderzoek geven aan tevreden te zijn met het contact met de consulent. 6 van de 30 gebruikers zijn gedeeltelijk tevreden en 4 van de 30 gebruikers geven aan ontevreden te zijn over het contact met de consulent. Voor 2 van de 30 gebruikers was de vraag niet van toepassing. Het contact met

Bevindingen perspectief inwoners

17

▪

▪

▪

▪

de gemeente verliep via een contactpersoon (coach, reclassering of iemand van hulporganisatie). Deze bewoners geven aan dat het fijn was dat de tussenpersoon de regeldruk uit handen kon nemen. De bewoners die ontevreden zijn over het contact met de consulent geven aan dat de consulent onvoldoende met hen meedacht. Alle gesproken bewoners hechten veel waarde aan een goede klik met de consulent en aanbieder van hulp en ondersteuning. Zowel aanbieders van hulp als de bewoners hebben behoefte aan een vast aanspreekpunt bij de gemeente. Nagenoeg alle gesproken bewoners geven aan last te hebben van de grote hoeveelheid wisselingen in consulenten en hulpverleners, een vast gezicht wordt gemist. De paar bewoners die wel een vaste consulent hebben geven aan dat deze vaste contactpersoon heel belangrijk is. De meeste bewoners uit het casusonderzoek zijn tevreden met de beslissing van de gemeente. 8 van de 15 Wmo-gebruikers vonden dat in hun ogen de juiste beslissing werd gemaakt over de te ontvangen hulp tegenover 9 van de 15 jeugdhulp gebruikers. De Wmogebruikers die ontevreden zijn over de afgegeven beschikking hebben te maken gehad met een afgewezen aanvraag of een nieuwe beschikking waarbij de hoeveelheid hulp werd afgeschaald. Voor de ontevreden jeugdhulp gebruikers geldt dat zij niet tevreden waren over de afgegeven beschikkingstermijn of over een wisseling van zorgaanbieder.

De hulp kwam lang niet altijd op tijd volgens de gesproken bewoners. 11 van de 15 Wmogebruikers vond dat de hulp niet of slechts gedeeltelijk op tijd kwam tegenover 8 van de 15 jeugdhulp gebruikers. Wmo-gebruikers zijn dus vaker ontevreden over de tijdigheid van de hulp dan jeugdhulpgebruikers. De levering van speciale hulpmiddelen binnen de Wmo kan lang in beslag nemen, dit blijkt een grote impact te hebben op de zelfstandigheid van bewoners met hulpvragen. Lange levertijden van hulpmiddelen binnen de Wmo was hier een oorzaak van. Binnen de Jeugdhulp is de complexiteit van de hulpvraag doorgaans de oorzaak. De gesproken bewoners vinden het belangrijk dat na afgeving van de beschikking contact wordt opgenomen door de consulent om te vragen naar de ervaring met de hulp. Zeker wanneer een ziektebeeld progressief is, wensen bewoners een proactieve rol van de consulent. Bij de Wmo nam de consulent slechts in enkele onderzochte casussen na de beschikking nog contact op, bij de jeugdhulp was dit in bijna de helft van de onderzochte casussen.

Onderbouwing Wmo Onderstaande bevindingen zijn gebaseerd op het casusonderzoek onder bewoners die gebruik hebben gemaakt van de toegang tot de Wmo. De vindbaarheid en toegankelijkheid De meeste gesproken bewoners waren voorafgaand aan hun hulpvraag meestal niet op de hoogte van de mogelijkheid om bij de gemeente aan te kloppen bij vragen om hulp en ondersteuning. Veruit de meeste casussen zijn doorverwezen vanuit een hulpinstantie waar de bewoners al bij in beeld waren. Ook kwam een aantal bewoners bij de Wmo terecht via de website van de gemeente, via een tip van iemand uit het netwerk of via de huisarts. Veel bewoners twijfelen of andere bewoners goed de weg weten te vinden richting de Wmo. Met name bewoners die eenzaam of minder mondig zijn, worden mogelijk minder goed bereikt. Al geven de gesproken bewoners ook aan dat het voor de gemeente lastig is om achter de voordeuren te kijken en te weten welke bewoners hulp nodig hebben. Kwaliteit van de vraagverheldering Bij de meeste casussen lukte het de consulent goed om de hulpvraag helder te krijgen. In sommige gevallen had de bewoner hierbij hulp nodig van een begeleider of coach.

Zeker voor mensen die zichzelf wat lastiger kunnen verwoorden of het spannend vinden om nieuwe personen over de vloer te krijgen, kan het helpen als er iemand bij het gesprek aanwezig is die hen goed kent en kan helpen met het verduidelijken van de hulpvraag.

Bevindingen perspectief inwoners

18

Een brede uitvraag is heel belangrijk voor de gesproken bewoners. In ongeveer de helft van de casussen werd een brede uitvraag gedaan door de consulent en gevraagd wat er allemaal nodig was. Meerdere bewoners gaven aan dat dit heel prettig was en zij goed gewezen werden op de hulp die zij konden krijgen. Uit de interviews is gebleken dat een aantal bewoners deze brede intake niet hebben gehad en niet gewezen zijn op de verschillende mogelijkheden en regelingen binnen de Wmo. Een aantal bewoners kwam er achteraf achter dat ze ook hulp hadden kunnen krijgen op andere onderdelen, waardoor zij breder ondersteund hadden kunnen worden. Goed contact met de consulent vinden de gesproken bewoners van belang. Daarbij gaat het om een goede klik en een consulent die met je meedenkt. Het regelmatig wisselen van consulenten ervaren alle gesproken Wmo-gebruikers als vervelend. Hierdoor lukt het niet altijd even goed (en snel) om bij een volgende beschikking de hulpvraag helder te krijgen. Als er sprake is van een wisseling zien Wmogebruikers graag een warme overdracht. Het is voor hen belangrijk dat het dossier door de volgende consulent goed wordt gelezen. Een aantal Wmo-gebruikers heeft het als vervelend ervaren dat zij steeds bij een nieuwe consulent weer moesten aantonen dat zij hulp nodig hadden.

Zo noemde iemand het gevoel te hebben steeds opnieuw te moeten bewijzen hulp nodig te hebben om niet gekort te worden op ondersteuning. Kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp Iets meer dan de helft van de gesproken bewoners is tevreden over de ontvangen hulp van de gemeente. Voor een aantal geldt een gedeeltelijke tevredenheid (omdat bijvoorbeeld een gedeelte van het verzoek wel werd toegekend en een gedeelte niet) en een paar gebruikers zijn ontevreden. De bewoners die ontevreden zijn begrijpen niet goed waarom hun verzoek is afgewezen en vinden dit zelf onterecht. Uit interviews blijkt dat een klein deel daarvan een bezwaar heeft ingediend. Dit geeft niet aan of de kwaliteit van de beslissing op; toewijzing of afwijzing van de hulp goed was. Het geeft weer of inwoners de beslissing begrepen hebben en waarom deze is afgewezen en of ze zich hebben neer kunnen leggen bij het besluit van de toegang op de door hen ingediende aanvraag. Tijdigheid van de dienstverlening Over het algemeen vond het eerste gesprek snel plaats en werd het proces snel in gang gezet. Slechts een paar gebruikers is volledig tevreden over de tijdigheid van de hulp. Voor een gedeelte van de gesproken bewoners geldt dat zij gedeeltelijk tevreden zijn omdat slechts een gedeelte van de hulp op tijd in gang werd gezet.

Een paar Wmo-gebruikers is zeer ontevreden over de tijdigheid van de hulp, voor één bewoner duurde de levering van een aangepast onderdeel voor een hulpmiddel meer dan een half jaar. Het ontbreken van dit onderdeel zorgde ervoor dat deze bewoner niet zelfstandig de deur uit kon. Kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp. Meerdere bewoners uit het casusonderzoek benoemen dat het belangrijk is dat een consulent zich proactief opstelt en contact onderhoudt tussen de beschikkingen door. Bewoners worden graag op de hoogte gehouden van mogelijke veranderingen en zaken waar zij rekening mee moeten houden. Indien sprake is van een progressief verloop van een ziekte is het extra belangrijk dat een consulent peilt of de geboden hulp nog voldoende is. In slechts een paar gevallen nam de consulent na de beschikking uit zichzelf contact op met de bewoner. Onderbouwing jeugdhulp Onderstaande bevindingen zijn gebaseerd op het casusonderzoek onder bewoners die gebruik hebben gemaakt van de toegang tot de jeugdhulp. De vindbaarheid en toegankelijkheid Voor de meeste gesproken bewoners geldt dat zij met de jeugdhulp in aanraking kwamen omdat hun hulpvraag in beeld was bij school, jeugdzorg of jeugdreclassering. Een enkeling is doorverwezen door

Bevindingen perspectief inwoners

19

de huisarts, een andere hulpinstantie of is zelf op zoek gegaan naar hulp via de website van de gemeente. De meeste bewoners wisten waar ze terecht konden met hun hulpvraag, voor twee casussen gold dit niet. Deze twee bewoners waren lange tijd op zoek naar de juiste hulp en wisten niet waar zij hun hulpvraag neer konden leggen. Bijna alle bewoners vonden dat ze goed terecht konden met hun hulpvraag. Drie bewoners konden niet goed terecht, voor hen geldt dat zij een vrij complexe hulpvraag hadden. Daarnaast denkt slechts een paar bewoners dat bewoners in Rheden weten waar ze terecht kunnen met hun hulpvraag. Kwaliteit van de vraagverheldering De meeste bewoners uit het casusonderzoek zijn van mening dat het de consulent lukte om de hulpvraag helder te krijgen, bovendien zijn de meeste bewoners tevreden over het contact met de consulent. Wel wordt een paar keer benoemd dat de kwaliteit van de vraagverheldering en de kwaliteit van het contact kan verschillen per consulent. Ervaring, inlevingsvermogen en meedenkend vermogen zijn volgens bewoners belangrijke voorwaarden voor goed contact met een consulent. Bovendien vinden bewoners het belangrijk dat er een goede klik is met de consulent. Niet alle gesproken bewoners hebben direct contact gehad met hun consulent, voor sommigen verliep het contact met de gemeente via een hulporganisatie of persoonlijk begeleider/coach.

Slechts een aantal bewoners heeft langere tijd contact gehad met dezelfde consulent, voor de rest was er sprake van wisselingen. Meerdere bewoners benoemen dat deze wisselingen lastig zijn omdat je steeds opnieuw je verhaal moet doen. Om dit ongemak iets weg te nemen is het daarom belangrijk dat er sprake is van een goede informatieoverdracht van de ene naar de andere consulent. Kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp Iets minder dan de helft van de gesproken bewoners is tevreden over de beslissing die werd gemaakt door de gemeente over de te ontvangen hulp. Een aantal van de gesproken bewoners is gedeeltelijk tevreden over de afgegeven beschikking. Eén van de bewoners had te maken met een wisseling van aanbieder, de oude aanbieder was niet langer gecontracteerd, over deze wisseling was de bewoner erg ontevreden. Ook heeft één bewoner te maken gehad met meerdere verkeerde beschikkingen waardoor de hulp rond het wachten op de nieuwe beschikking steeds opnieuw stil werd gezet. Ook was één bewoner ontevreden over de toewijzing vanwege een lange reistijd naar de toegewezen aanbieder. Tijdigheid van de dienstverlening Voor iets minder dan de helft van de gesproken bewoners kwam de hulp op tijd. Een aantal bewoners is van mening dat de hulp sneller geboden had kunnen worden.

De bewoners die niet geheel tevreden zijn over de tijdigheid van de hulp hadden vaak een wat complexere hulpvraag, waar maatwerk nodig was om tot een goede oplossing te komen. Kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp. In ongeveer de helft van de casussen nam de consulent na afgeving van de beschikking nog contact op met de bewoner om te vragen hoe de hulp bevallen was. Bij een aantal casussen verliep al het contact via hun begeleider/coach of hulporganisatie waardoor de cliënt zelf niet op de hoogte was van het contact met de gemeente.

2.3

Toetsing aan het normenkader: Wmo

Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: ▪ Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze (0%) wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel (<=50%) wordt voldaan aan de norm

Bevindingen perspectief inwoners

20

▪ ▪ ▪

Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel (>50%, <75%) wel dan niet wordt voldaan aan de norm Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte (>75%) wordt voldaan aan de norm Voldoet: dit betekent dat volledig (100%) wordt voldaan aan de norm.

Norm ▪ Inwoners oordelen positief over: o De toegankelijkheid, o Vindbaarheid, o Tijdigheid van de dienstverlening, o Kwaliteit van de vraagverheldering, o Kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp.

2.4

Toetsing o Toegankelijkheid en vindbaarheid: voldoet grotendeels ▪ 11 van de 15 bewoners wisten waar zij terecht konden met hun hulpvraag; ▪ 12 van de 15 bewoners konden goed terecht met hun hulpvraag; o Tijdigheid van de dienstverlening: voldoet beperkt ▪ 4 van de 15 bewoners kregen op tijd de gevraagde hulp, voor 6 van de 15 bewoners was een gedeelte van de hulp op tijd en voor 4 van de 15 bewoners kwam de hulp te laat of is de hulp helemaal niet geboden. Dit is de tijdigheid van de daadwerkelijke hulpverlening en niet het binnen de termijnen van de Wmo op te leveren onderzoeksverslag.; o Kwaliteit van de vraagverheldering: voldoet grotendeels ▪ Bij 12 van de 15 bewoners lukte het de consulent om de hulpvraag duidelijk te krijgen (soms met wat hulp van een coach of begeleider); o Kwaliteit van de beslissing op toewijzing: voldoet merendeels ▪ Bij 8 van de 15 onderzochte casussen waren de bewoners tevreden over de te ontvangen hulp, 4 bewoners zijn gedeeltelijk tevreden over de beslissing van de gemeente en 3 bewoners zijn geheel ontevreden; o Kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp: voldoet beperkt ▪ In slechts 3 van de 15 onderzochte casussen nam de consulent na de beschikking nog contact op met de bewoner om te vragen hoe de hulp beviel en of er nog andere dingen nodig waren.

Toetsing aan het normenkader: Jeugdhulp

Voor de toetsing aan de norm werken we met de volgende termen in volgorde van niet voldoen tot voldoen: ▪ Voldoet niet: dit betekent dat op geen enkele wijze (0%) wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet beperkt: dit betekent dat voor een klein deel (<=50%) wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet merendeels: dit betekent dat voor een groter deel (>50%, <75%) wel dan niet wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet grotendeels: dit betekent dat voor een zeer groot gedeelte (>75%) wordt voldaan aan de norm ▪ Voldoet: dit betekent dat volledig (100%) wordt voldaan aan de norm.

Bevindingen perspectief inwoners

21

Norm ▪ Inwoners oordelen positief over: o De toegankelijkheid, o Vindbaarheid, o Tijdigheid van de dienstverlening, o Kwaliteit van de vraagverheldering, o Kwaliteit van de beslissing op toewijzing (of afwijzing) van hulp en kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp.

Toetsing o Toegankelijkheid en vindbaarheid: voldoet merendeels ▪ 11 van de 14 bewoners wisten waar zij terecht konden met hun hulpvraag, voor 1 bewoner was de vraag niet van toepassing omdat de hulpvraag niet vanuit de bewoner zelf kwam maar de hulp min of meer werd opgelegd vanuit school; ▪ 10 van de 15 bewoners konden goed terecht met hun hulpvraag; o Tijdigheid van de dienstverlening: voldoet beperkt ▪ 7 van de 15 bewoners kregen op tijd de benodigde hulp, voor 4 van de 15 bewoners was een gedeelte van de hulp op tijd en voor 4 van de 15 bewoners kwam de hulp te laat of is hulp helemaal niet geboden; o Kwaliteit van de vraagverheldering: voldoet grotendeels ▪ Bij 8 van de 13 bewoners lukte het de consulent om de hulpvraag duidelijk te krijgen.

Bij twee bewoners was de vraag niet van toepassing, gezien de zorgaanbieder in deze gevallen de vraagverheldering op zich heeft genomen; o Kwaliteit van de beslissing op toewijzing: voldoet merendeels ▪ 9 van de 15 bewoners vond dat de juiste beslissing werd gemaakt over de te ontvangen hulp, 4 bewoners zijn gedeeltelijk tevreden over de beslissing van de gemeente en 2 bewoners zijn geheel ontevreden; o Kwaliteit van de voortgangsbewaking na toewijzing van hulp: voldoet meerendeels ▪ Bij 7 van de 12 onderzochte casussen nam de consulent na de beschikking nog contact op met bewoner om te vragen hoe de hulp beviel en of er andere dingen nodig waren. Voor 3 onderzochte casussen was de vraag niet van toepassing gezien het contact via een zorgaanbieder verliep.

Bevindingen perspectief inwoners

22

Klik hier en voeg via Invoegen Afbeeldingen een foto in. Om te vergroten: klik op een hoek en sleep. Om te verschuiven: klik op Bijsnijden in het rechtertabblad Opmaak.

3

BEVINDINGEN PERSPECTIEF WETTELIJKE EN JURIDISCHE KADERS

Bevindingen perspectief inwoners 24

3. Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders 3.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de volgende onderzoeksvraag beantwoord: 2.

Hoe is het toegangsproces feitelijk ingericht en is de toegang tot de Wmo en jeugdhulp daarmee rechtmatig ingericht?

Daar waar van toepassing gebeurt dat vanuit twee perspectieven: (1) Wmo en (2) Jeugdwet. In de eerste plaats wordt meer inzicht gegeven in het aantal toegekende aanvragen van de Wmo en Jeugdhulp door de jaren heen. In paragraaf 3.2 wordt vervolgens de onderzoeksvraag op hoofdlijnen beantwoord, gevolgd door een onderbouwing. Het hoofdstuk eindigt met een toetsing aan het normenkader. Aantal toegekende aanvragen Tabel 3 geeft overzichtelijk weer hoeveel Wmo- en jeugdhulpaanvragen door de jaren heen zijn toegekend uitgesplitst naar het soort ondersteuning of het soort verwijzing. Tabel 3 | Aantal toegekende Wmo- en jeugdhulpaanvragen per jaar Jaar 2015 2016 2017 2018 Aantal Begeleiding 357 412 412 804 toegekende HBH** 76 175 94 206 aanvragen per Rollen 84 105 89 84 jaar per Vervoer 202 274 280 364 ondersteuning Wonen 171 180 175 203 (Wmo) Totaal 890 1146 1050 1661

Aantal toegekende aanvragen per jaar per soort verwijzing (Jeugdhulp)

Jaar Jeugdvoorziening (gemeentelijke verwijzing) Jeugdvoorziening (externe verwijzing) Totaal

2019 1062 983 103 450 260

2020 892 896 92 310 226

2021* 722 1239 72 348 213

2858

2416

2594

2015 0

2016 0

2017 6

2018 877

2019 720

2020 712

2021* 679

0

1

3

1395

1726

1597

791

0

1

9

2272

2446

2309

1470

Bron: Civision Samenlevingszaken *De cijfers van 2021 zijn voorlopige cijfers (tot eind oktober 2021) **De term HBH staat voor hulp bij huishouden

Tabel 3 maakt het aantal aanvragen inzichtelijk zoals die door het gemeentelijke systeem geregistreerd zijn. De aantallen kunnen verschillen met tabel 1 en tabel 2. Deze tabellen geven het aantal unieke cliënten en het aantal unieke trajecten in een jaar weer. Trajecten en cliënten kunnen in meerdere jaren meetellen (bijvoorbeeld: in tabel 1 en 2 telt een cliënt die in november 2020 een traject heeft wat doorloopt tot maart 2021 in 2020 én in 2021 mee). Tabel 3 laat zien dat het aantal toegekende Wmo aanvragen is gestegen tot en met 2019 en daarna iets afneemt. De daling in 2020 ten opzichte van 2019 is volgens respondenten mogelijk het gevolg van de coronacrisis. Voor jeugdhulp geldt dat voor 2018 geen

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

25

sprake was van complete cijfers over het aantal toegekende aanvragen. In 2015, 2016 en 2017 zijn de aanvragen van jeugd uitbesteed geweest bij Zorglokaal. De aanvragen werden wel door de gemeente uitgevoerd. Vanaf 2020 is sprake van een afname van het aantal toegekende jeugdhulp aanvragen, dit is mogelijk het gevolg van de coronacrisis. Een andere genoemde mogelijke verklaring is dat vanaf 2020 Incluzio een deel van de aanvragen oppakt en bewoners daaropvolgend rechtstreeks verwijst naar ondersteuning vanuit de sociale basis. De sociale basis vangt de lichte ondersteuning (Wmo en jeugd) op. Daarmee is er extra ingezet op de toegang via Incluzio terwijl vooralsnog geen sprake is van vermindering van de inzet van de toegang bij de gemeente. De eerste cijfers over de inzet van Incluzio zijn in onderstaande figuren weergegeven. In figuur 3 is inzichtelijk gemaakt via welke route bewoners bij Incluzio terecht zijn gekomen. De meeste bewoners zijn via team toegang Wmo bij Incluzio terecht gekomen. Deze inwoners hebben zich in eerste instantie met hun hulpvraag bij de gemeente gemeld en zijn toen doorverwezen naar Incluzio. Ook valt op dat een relatief groot aandeel van de instroom bij Incluzio wordt gevormd door bewoners die zonder verwijzing de weg naar Incluzio weten te vinden.

Figuur 3: Aantal inwoners die bij de instroom zijn doorverwezen naar Incluzio door de verschillende partijen in 2021*

*Cijfers t/m oktober 2021

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

26

Verschillende partijen

Figuur 4: Aantal inwoners die bij afsluiting zijn doorverwezen door Incluzio naar de verschillende partijen in 2021* Team Toegang Jeugdhulp

28

Overig Gemeente Rheden

29

Overig

30

Eerstelijns gezondheidszorg

38

Vrijwilligersorganisatie

47

WMO (maatwerk)

62

Team Toegang WMO

80

Interne doorverwijzing / Sociale basis

90

Geen doorverwijzing

569

0

100

200

300

400

500

600

Aantal inwoners *Cijfers t/m oktober 2021

Figuur 4 laat zien naar welke partijen bewoners vanuit Incluzio worden doorverwezen met hun hulpvragen. Het grootste gedeelte van de inwoners wordt niet doorverwezen (bijvoorbeeld als sprake is van een heel eenvoudige hulpvraag) of wordt intern doorverwezen naar de sociale basis. 199 bewoners werden uiteindelijk wel doorverwezen naar de Wmo, Jeugdhulp of een ander onderdeel van de gemeente. Naast naar de gemeente worden inwoners ook naar de eerstelijns gezondheidszorg en vrijwilligersorganisatie toegeleid.

3.2

Inrichting toegang Wmo en jeugdhulp

Beantwoording onderzoeksvraag op hoofdlijnen: In de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 zijn verschillende wettelijke vereisten opgenomen omtrent de toegang tot de Wmo. Voor de toegang tot de jeugdhulp geldt dat deze wettelijke vereisten zijn opgenomen in de Jeugdwet 2015. Hieronder zijn twee van deze wettelijke vereisten weergegeven: ▪ Wmo 2015: Hulp wordt geboden indien een bewoner in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie. ▪ Jeugdhulp 2015: Jeugdhulp wordt geboden indien een jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen, die niet door henzelf kunnen worden opgelost, waarbij ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een andere voorziening of het eigen netwerk. De ‘verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rheden 2019’ en ‘verordening Jeugdhulp 2019’ sluiten aan bij de wettelijke vereisten. Bovendien zijn de verschillende stappen om te komen tot een beslissing of afwijzing van de aanvraag uitvoerig uitgewerkt binnen de Wmo- en jeugdhulpverordening.

Zo beoogt Incluzio sinds 1-1-2021 een gedeelte van de hulpvragen op te vangen binnen de sociale basis (het voorliggend veld) in plaats van direct over te gaan tot een maatwerkvoorziening of specialistische jeugdhulp. Voor de Wmo geldt dat de wettelijke termijn van 8 weken (van melding tot aan besluit) in de eerste helft van 2021 steeds vaker werd behaald. In de zomer van 2021 werd bij zo’n 22% van de casussen de termijn niet gehaald. Dit blijft wel een punt van

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

27

aandacht. Het aantal bewoners dat langer dan 6 weken wachtte op een besluit van de gemeente liep van augustus tot en met november 2021 weer sterk op. Voor meer dan 50% van de werkvoorraad gold dat de 6 wekentermijn niet werd gehaald. Voor de jeugdhulp geldt geen wettelijke termijn maar een ‘redelijke termijn’. Wel is in één van de beleidsdocumenten van Rheden een beoogde termijn opgesteld van 8 weken (van het neerleggen van de hulpvraag tot aan het besluit). Voor jeugdhulp geldt dat de beoogde termijn van 8 weken vanaf 6 september tot en met halverwege november steeds werd gehaald. Onderbouwing Wmo Wettelijke kaders In de Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015 wordt clientondersteuning gedefinieerd als: “Onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen." Een ingezetene van Nederland komt overeenkomstig de bepalingen van deze wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit: a.

Door het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is, te verstrekken ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover hij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam is of in staat is tot participatie, b. Beschermd wonen, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, voor zover hij in verband met psychische of psychosociale problemen niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving, dan wel c. Opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt, indien hij de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, en niet in staat is zich op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te handhaven in de samenleving.

Wettelijke termijn In artikel 2.3.2 komt naar voren dat het college zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 6 weken na de melding een onderzoek dient uit te voeren. Bovendien dient het college te bevestigen dat zij de melding hebben ontvangen. Voordat dit onderzoek van start gaat krijgt de client de mogelijkheid een persoonlijk plan te overhandigen met hierin de omstandigheden en de ondersteuning die naar zijn mening het meest is aangewezen. Zodra het onderzoek is uitgevoerd (of als de wettelijke termijn van 6 weken is overschreden) kan de cliënt een aanvraag doen. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. Oftewel, de wettelijke beslistermijn (van melding tot aan beschikking) betreft 8 weken. Lokale kaders (verordening en beleidsregels) Wmo-verordening In de Memorie van Toelichting op de Wmo is aangegeven dat de gemeente een Wmo-verordening dient op te stellen: “De gemeenteraad stelt bij verordening de regels vast voor de uitvoering van het beleid door het college. De gemeentelijke verordening is daarmee een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van een gemeente met betrekking tot ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie, beschermd wonen en opvang”. De verordening is daarmee een uitvloeisel van zowel het wettelijk kader als het eigen beleid van de gemeente. De gemeente Rheden heeft een Wmo-verordening.

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

28

In deze Wmo-verordening komen de punten terug die de Wmo voorschrijft om bij verordening te regelen, zoals: ▪ De gemeenteraad stelt bij verordening de regels vast die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. Dit betreft het vaststellen van de Wmo-verordening. ▪ Het college draagt er in ieder geval zorg voor dat voor ingezetenen cliëntondersteuning beschikbaar is. Het college draagt er zorg voor dat bij de cliëntondersteuning het belang van betrokkene uitgangspunt is (artikel 2.2.4). Dit is opgenomen in de Wmo-verordening. ▪ Het college draagt er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Hieraan zijn in artikel 2.3.2 meerdere eisen gesteld. Bijvoorbeeld dat onderzoek moet plaatsvinden, waar dat onderzoek zich op moet richten, binnen welke termijn dat moet gebeuren en dat dit in een plan moet worden vastgelegd. Dit is in de Wmoverordening vastgelegd. ▪ In artikel 2.3.5 is voorgeschreven binnen welke termijn het college moet beslissen over een aanvraag voor een maatwerkvoorziening en hoe deze voorziening is afgestemd op omstandigheden en bijvoorbeeld andere voorzieningen. Dit is in de Wmo-verordening vastgelegd.

In de Wmo-verordening 2019 van Rheden staat een aantal zaken die specifiek betrekking hebben op de toegang tot de Wmo: Melding: Het college bevestigt binnen twee dagen dat zij een melding over een hulpvraag hebben ontvangen. Indien nodig wordt zo spoedig mogelijk een afspraak gemaakt voor een gesprek. In het geval van spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 treft het college een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Onderzoek: Om te bepalen of een maatwerkvoorziening kan worden getroffen wordt een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek bestaat uit een aantal onderdelen/stappen: a. Persoonlijk plan. b. Informatie en identificatie. c. Gesprek. d. (Wettelijke) factoren. e. Terugkoppeling. f. Aanvraag maatwerkvoorziening. g. Aanvraag voor een pgb. h. Mogelijkheid tot second opinion. Criteria voor een maatwerkvoorziening en weigeringsgronden: Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening zijn een aantal criteria opgesteld. Deze zijn terug te lezen in artikel 10, 11, 12 en 13 van de verordening. Daarnaast kan een maatwerkvoorziening op basis van een aantal gronden worden geweigerd. Zo kan de aanvraag bijvoorbeeld worden geweigerd als de cliënt aanspraak kan maken op enige andere passende voorziening of dienst op grond van andere wet- en regelgeving.

In artikel 14 van de verordening wordt verder ingegaan op de weigeringsgronden. Beleidsregels Wmo In het document ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rheden 2019’ wordt onder andere ingegaan op beleidsregels omtrent de toegang van de Wmo en Jeugdhulp: ▪ Aanvaardbaar niveau: De gemeente Rheden streeft binnen de Wmo en Jeugdhulp naar een aanvaardbaar niveau van zelfredzaamheid, participatie en veiligheid van de bewoners. Hierbij wordt gekeken naar wat past bij de leeftijd en situatie van de bewoner. Aanvaardbaar geeft aan dat er soms belemmeringen of beperkingen blijven die niet verholpen kunnen worden. De ondersteuning richt zich tot wat noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid, participatie en veiligheid. De ondersteuning breidt zich niet uit tot wat de inwoner noodzakelijk vindt in het kader van gewoonte of smaak. Het

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

29

▪

▪

betekent niet per definitie dat alle activiteiten zoals hobby’s kunnen worden uitgeoefend zoals voorheen. Rol consulent: De consulent is in staat om de situatie van de bewoner te onderzoeken en een onafhankelijke afweging te maken van de situatie en de eventueel benodigde ondersteuning. Er wordt in samenwerking met de inwoner een (integraal) plan opgesteld en specifieke, meetbare, haalbare, realistische en tijdgebonden doelen geformuleerd. Indien specialistische kennis voor het maken van de afweging noodzakelijk is, maakt de consulent gebruik van een externe adviseur. Indien de bewoner het niet eens is met de beslissing kan een second opinion worden aangevraagd. In dit geval kijkt een consulent van een ander team nogmaals naar de gemaakte beslissing. Regierol: In principe voert een inwoner zelf de regie over de ondersteuning en/of zijn leven. Wanneer een inwoner niet in staat is zelf regie te voeren over de ondersteuning en/of zijn leven, worden er verschillende mogelijkheden onderzocht. Er wordt allereerst gekeken of iemand uit het netwerk naast de inwoner kan staan. Als dit niet mogelijk is, kan een zorgaanbieder (tijdelijk) naast de inwoner staan totdat deze zelf in staat is weer regie te voeren. Wanneer er geen passende mogelijkheden zijn, bijvoorbeeld doordat er sprake is van een complexe situatie, kan de consulent tijdelijk de rol van regisseur op zich nemen.

Regie voeren op een proces betekent: a. Helicopterview, overzicht bewaken; b. Organiseren en coördineren; c. Delegeren van acties en taken; d. Doelen monitoren en evalueren; e. Ondersteunen waar nodig, loslaten waar kan; f. Overdragen/Beleggen van het regie voeren voor de toekomst.

▪

▪

Verlenging onderzoektermijn: Zoals in de Wmo verordening 2019 naar voren komt, dient binnen zes weken het onderzoek te worden uitgevoerd. De onderzoekstermijn van zes weken en het verstrekken van het plan of verslag wordt alleen uitgesteld met instemming van de inwoner. De inwoner ontvangt hiervoor een schriftelijke bevestiging. Hierin staan de datum van de melding, de reden van uitstel van het onderzoek, welke activiteiten nog moeten worden verricht en de termijn van de verlenging. Verlenging beslistermijn: Zoals in de Wmo verordening 2019 naar voren komt, dient binnen twee weken na een aanvraag een besluit te worden genomen. Het verlengen van de beslistermijn van twee weken gebeurt alleen met instemming van de inwoner. De inwoner ontvangt hiervoor een schriftelijke bevestiging. Hierin staan de datum van de aanvraag, de aangevraagde ondersteuning, de reden van uitstel, wat nog nodig is voor het besluit en de beslistermijn van twee weken (zo kort mogelijk).

Feitelijke inrichting Toegang via de gemeente De toegang via de gemeente verloopt via het Sociaal Meldpunt. Bij het Sociaal Meldpunt kunnen bewoners terecht met al hun vragen over hulp bij het huishouden, woningaanpassing, vervoersvoorzieningen en hulpmiddelen. Uit de interviews blijkt dat de bewoners die zich telefonisch melden bij de gemeente eerst via het klantcontactcentrum worden geholpen. Het klantcontactcentrum bepaalt of een bewoner wordt doorgeleid naar het Sociaal Meldpunt. Inmiddels, zo blijkt uit de interviews, kunnen bewoners het Sociaal Meldpunt ook rechtstreeks benaderen. Uit de gesprekken blijkt dat de in de verordening genoemde volgorde van melden, onderzoek (inclusief keukentafelgesprek) en het aanvragen en toekennen van een voorziening ook in de praktijk plaatsvindt. Toegang via Incluzio Sinds begin 2021 verloopt de toegang tot de Wmo en Jeugdhulp bij voorkeur via Incluzio. Bewoners melden zich met hun hulpvragen bij Incluzio, voor maatwerk kunnen ze bij de gemeente terecht. Pas na een eerste intake komt een inwoner, indien de laagdrempelige hulp van Incluzio niet toereikend is, terecht bij de consulenten van de gemeente. Incluzio doet in feite vooronderzoek. Voor de bewoner zit er, indien

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

30

maatwerk nodig is, wel een week meer tijd tussen omdat ze zich altijd eerst bij Incluzio aanmelden. Hoewel de bevindingen van Incluzio kunnen worden meegenomen in het verder onderzoek door de consulent van de gemeente in het kader van de beoordeling aanspraak op maatwerk, is het voor de bewoner, indien er maatwerk nodig is, wel een extra schakel, omdat ze zich altijd eerst bij Incluzio aanmelden. Het doel met de positionering bij Incluzio is om meer hulpvragen op te vangen met de laagdrempelige hulp en slechts een gedeelte door te verwijzen naar de maatwerkvoorzieningen. Het gevolg hiervan is dat bewoners met een nieuwe hulpvraag inclusief verwijzing naar maatwerk, vanaf begin dit jaar te maken hebben met een toegang in twee fasen. In onderstaand plaatje (overgenomen uit het werkproces van december 2020) is schematisch weergegeven hoe het proces van hulpvraag tot aan Wmo-ondersteuning of Jeugdhulp beschikking via de gemeentelijke toegang en die van Incluzio is ingericht. Dit is het werkproces sinds 01-01-2021. Tot eind 2020 zijn er veel vragen die met lichte ondersteuning (Jeugd en WMO) te maken hebben en die bij de gemeentelijke Toegang belanden.

De gemeente heeft de verwachting dat de verbreding en versteviging van de sociale basis door de opdracht bij Incluzio tot een toename van de informatie en advies rol van de sociale basis zal leiden en een afname bij de Toegang van de gemeente. De maatwerkvoorzieningen Wmo en Jeugd: deze voorzieningen zijn lokaal dan wel regionaal ingekocht, toeleiding is belegd bij de gemeentelijke Toegang en bevoegde verwijzers. Dus mensen die eerst via Incluzio binnenkomen en niet kunnen worden doorverwezen naar de sociale basis maar richting maatwerkvoorzieningen moeten gaan, krijgen dan vervolgens weer te maken met de toegang van de gemeente.

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

31

TOEGANGSPROCES RHEDEN

1b. Inwoner meldt zich bij de gemeente met een ondersteuningsvraag

1a. Inwoner meldt zich bij Incluzio voor een ondersteuningsvraag

Keuze A. Vraag voor gemeente?

Keuze B. Vraag voor sociale basis of begeleiding?

N E E

N E E

3. Incluzio voert een Gesprek met als resultaat een persoonlijk ondersteuningsplan

2. MIDD OFFICE GEMEENTE

6.

Gemeente start indicatie met verwijzing naar de algemene voorzieningen Triage

ncluzio

Keuze C: aanvullend maatwerk nodig?

4. Incluzio en gemeente voeren samen een tweede gesprek

JA

5. Gemeente Indiceert met verwijzing naar de algemene voorzieningen

N E E

UITVOERING VANUIT DE SOCIALE BASIS

UITVOERING VANUIT MAATWERK WMO OF JEUGDHULP

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

32

Beoogde en gerealiseerde termijnen Nadat de bewoner een melding doet, wordt door het college een onderzoek uitgevoerd. De beoogde termijn voor het uitvoeren van het onderzoek is zes weken. Wanneer vervolgens een aanvraag wordt ingediend krijgt het college twee weken de tijd om de beschikking af te geven of het verzoek te weigeren. De totale beoogde termijn (van melding tot aan beschikking/weigering) betreft dus acht weken. Uit interviews met medewerkers van de toegang is naar voren gekomen dat in het verleden het beslissen bij het grootste (zo’n 90%) gedeelte van de onderzochte Wmo-casussen meer tijd in beslag nam dan de beoogde termijn van acht weken. In de eerste helft van 2021 is fors ingezet op het verkorten van de termijnen. De medewerkers van de toegang schatten in dat in de zomer van 2021 nog 2 van de 9 onderzochte casussen de termijn niet halen (zo’n 22%). Daarnaast geven deze medewerkers aan dat er in de loop van 2021 minder telefoontjes binnenkomen van bewoners die ontevreden zijn over de lange wachttijd. Eén van de verklaringen die wordt genoemd is dat tegenwoordig met kleurcodes wordt gewerkt waardoor bewoners waarbij sprake is van een urgente situatie naar voren worden geschoven. De kleurcode rood geeft aan dat een casus op of over de termijn zit, waardoor dit nu sneller wordt opgepakt.

Het aantal casussen dat meer dan 6 weken op een besluit wacht is sinds augustus 2021 tot en met november 2021 gestegen. Zie tabel 4 op pagina 30 voor de actuele cijfers van het aantal overschrijdingen van de termijnen voor de Wmo en jeugdhulp. Onderbouwing jeugdhulp Wettelijke kaders Jeugdwet De Jeugdwet draagt op, de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van, de ondersteuning, hulp en zorg bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering bij de gemeente te beleggen. Dit om te komen tot betere samenwerking van hulpverleners rond gezinnen, eerdere ondersteuning bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, hulp op maat en meer ruimte voor professionals en tot het demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren van de jeugdsector, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. De jeugdhulp is overgeheveld naar de gemeenten die zich in hun beleid moeten richten op: a. Het voorkomen en de vroege signalering van en vroege interventie bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; b. Het versterken van het opvoedkundige klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang; c.

Het bevorderen van de opvoedvaardigheden van de ouders, opdat zij in staat zijn hun verantwoordelijkheid te dragen voor de opvoeding en het opgroeien van jeugdigen; d. Het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren, waarbij voor zover mogelijk wordt uitgegaan van hun eigen inbreng; e. Het bevorderen van de veiligheid van de jeugdige in de opvoedsituatie waarin hij opgroeit; f. Integrale hulp aan de jeugdige en zijn ouders, indien sprake is van multiproblematiek, en g. Het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen en het verlenen van hulp op basis van familiegroepsplannen, ter uitvoering van artikel 4.1.2 en indien sprake is van vroege signalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen.

De Jeugdwet onderscheidt meerdere verwijzers en dus toegangen tot jeugdhulp: ▪ De gemeente als verwijzer via het Sociaal Meldpunt ▪ Huisartsen en jeugdartsen/medisch specialisten ▪ Instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering, (gecertificeerde instellingen). ▪ Anderen zoals scholen, rechtelijke macht en de “zelfverwijzers’

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

33

Redelijke termijn De Jeugdwet kent in tegenstelling tot de Wmo geen wettelijke termijnen voor de behandeling van een aanvraag voor jeugdhulp. Gesproken wordt van redelijke termijnen. Lokale kaders (verordening en beleidsregels) Ook voor de jeugdhulp-verordening geldt dat dit een uitvloeisel is van zowel het wettelijk kader als het eigen beleid van de gemeente. De gemeente Rheden heeft een jeugdhulp-verordening. In de Jeugdwet komt naar voren dat gemeenten een verordening moeten opstellen waarin in ieder geval de volgende zaken dienen te worden opgenomen: ▪ De door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Dit is opgenomen in de jeugdhulp-verordening. ▪ De wijze waarop de gemeentelijke toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Dit is in de jeugdhulp-verordening vastgelegd. Jeugdigen kunnen ook via huisartsen, rechterlijke macht, instellingen voor jeugdbescherming naar jeugdhulp verwezen worden. ▪ De wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget (als bedoeld in artikel 8.1.1) wordt vastgesteld. Dit is opgenomen in de jeugdhulp-verordening.

▪ De bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Dit is vastgelegd in de jeugdhulp-verordening. In het artikel 2.2 van de jeugdwet ten aanzien van het beleidsplan jeugdhulp is de volgende eis opgenomen: “Het plan beschrijft welke resultaten de gemeente in de door het plan bestreken periode wenst te behalen, hoe gemeten zal worden of deze resultaten zijn behaald en welke outcomecriteria gehanteerd worden ten aanzien van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen” In de jeugdhulpverordening 2019 van Rheden staat een aantal zaken die specifiek betrekking hebben op de toegang tot de jeugdhulp. Gesprek en onderzoek Zodra een jeugdige of ouder/voogd een hulpvraag bij het college neerlegt volgt een gesprek. In dit gesprek wordt de hulpvraag verder gespecificeerd en wordt bekeken of en welke voorzieningen tot de mogelijkheden behoren. De jeugdhulp kent twee soorten voorzieningen: algemene voorzieningen en individuele voorzieningen. Algemene voorzieningen zijn rechtstreeks voor iedereen toegankelijk. Hieronder valt welzijnswerk, jongerenwerk en preventieve/lichte opvoedondersteuning. In de eerste plaats wordt in het gesprek gekeken of het eigen netwerk of de algemene voorzieningen voldoen om de hulpvraag op te lossen.

Indien dit niet het geval is wordt in het gesprek gekeken naar de mogelijkheden om gebruik te maken van een individuele voorziening of het kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). Bovendien kan het college, met instemming van de jeugdige of ouder/voogd, informatie inwinnen bij andere instanties om de problemen en meest aangewezen hulp helder te krijgen. De criteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening en pgb zijn terug te lezen in de verordening. Aanvraag individuele voorziening of pgb Na het gesprek tussen het college en de ouder/voogd worden de besproken zaken vastgelegd in een integraal plan en/of gespreksverslag. Een ondertekend integraal plan en/of gespreksverslag is nodig om als jeugdige of ouder/voogd een aanvraag te kunnen doen voor een individuele voorziening. Ook kan gekozen worden om de hulp zelf in te kopen, in dat geval wordt een pgb-plan ingediend dat geldt als een aanvraag voor een pgb.

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

34

Besluit college Het college neemt het besluit tot toewijzing of weigering op grond van de aanvraag, het onderzoek en het daaruit voortvloeiende integraal plan. Het besluit wordt vastgelegd in een beschikking. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen zes weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. Het gespreksverslag en (eventueel) opgestelde integrale plan maken onderdeel uit van de beschikking. In de jeugdhulp-verordening is (los van spoedeisende gevallen) niet vastgesteld wat de beoogde termijn is waarbinnen een besluit wordt genomen. Hoewel in de jeugdhulpverordening geen beoogde termijnen zijn opgenomen, zijn in het document ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rheden 2019’ wel beoogde termijnen opgesteld: Binnen maximaal zes weken na het afronden van het gesprek wordt een (integraal) plan of gespreksverslag verstrekt aan de inwoner met de uitkomsten van het onderzoek. De onderzoekstermijn betreft dus 6 weken. Er wordt binnen maximaal 6 weken na het afronden van het gesprek, een (integraal) plan of gespreksverslag verstrekt aan de inwoner met de uitkomsten van het onderzoek.

De onderzoekstermijn van 6 weken en het verstrekken van het plan of verslag wordt alleen uitgesteld met instemming van de inwoner. De beslistermijn betreft 2 weken, dat is de tijd die het college krijgt om een beschikking af te geven of het verzoek te weigeren. Ook voor de beslistermijn geldt dat deze alleen kan worden verlengd met toestemming van de bewoner. De totale beoogde termijn (van melding tot aan beschikking/weigering) betreft dus acht weken. De onderzoekstermijn en beslistermijn voor de jeugdhulp komen overeen met de termijnen die zijn opgesteld voor de Wmo. Feitelijke inrichting Voor de toegang tot de jeugdhulp geldt dezelfde feitelijke inrichting als voor de toegang tot de Wmo. Zie hiervoor het vorige hoofdstuk. De gemeente zet ook praktijkondersteuners bij huisartsenpraktijken in. In Dieren en Rheden zijn dat praktijkondersteuners die in de huisartsenpraktijk werken. Bij huisartsen in Velp is een ondersteuner Jeugd en Gezin als vast aanspreekpunt verbonden aan de huisartsenpraktijk, maar deze werkt niet op locatie en niet onder de verantwoordelijkheid van de huisarts. De jeugdarts van de GGD is ook een verwijzer. Deze heeft ook contacten met het Sociaal Meldpunt en met de huisartsen. Met Incluzio zijn deze contacten er nog niet. Uit de interviews blijkt dat dit vooral te maken heeft met het feit dat Incluzio sinds 2021 is gestart.

Beoogde en gerealiseerde termijnen In de jeugdhulp-verordening 2019 Rheden staat niet vermeld wat de beoogde termijn is waarbinnen een besluit moet worden genomen. De beoogde termijn is wel opgesteld in de beleidsregels, zoals eerder dit hoofdstuk naar voren kwam. In het document ‘Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rheden 2019’ staat dat de onderzoekstermijn zes weken betreft en de beslistermijn twee weken. De totale beoogde termijn betreft dus acht weken. Volgens medewerkers van de toegang wordt in de zomer van 2021 bij ongeveer 60% van de jeugdhulp casussen de termijn niet gehaald. In 2021 zijn een aantal grote stappen gezet, voorheen ging ongeveer 100% van de casussen over de gestelde termijn heen. Daarmee lijkt het er op dat ten tijde van het opstellen van het rapport (december 2021) de overschrijdingen nagenoeg zijn weggewerkt en hiermee de effectiviteit op dit punt verhoogd is. Sinds 2019 houdt de gemeente Rheden maandelijks bij welke aanvragen de onderzoekstermijn van 6 weken overschrijden. Bij navraag geeft de gemeente aan alleen te kijken naar de overschrijdingen van de onderzoekstermijn van 6 weken. Hierbij wordt dus geen rekening gehouden met de beslistermijn van 2

Bevindingen perspectief wettelijke en juridische kaders

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rozendaal&id=362c921c-f1f8-45ec-9234-ca5404a32ee3