CConstaterende datRozendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

1.2 Raadsvergadering 7 november 2023, gemeente Rozendaal34.875 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Daarnaast werken we verder aan de uitvoeringsagenda Gelderse Maatregelen Stikstof.

1. Omvorming en extensivering landbouwgebieden in Natura 2000-gebied Rijntakken In de Groene Metropoolregio bevinden zich een aantal Natura 2000-gebieden, waaronder De Bruuk, de Sint Jansberg (gedeeltelijk), de Veluwe en de Rijntakken. In dit laatste omvangrijke rivierengebied is er een grote wateropgave die we samen met het Rijk oppakken. Hierbij zien wij kansen voor meer natuurinclusieve, en eventueel extensivering van de landbouw. Dit past bij het principe ‘water- en bodem sturend’ en kan bijdragen aan de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn voor de Rijntakken en aan de VLGG-doelen voor areaaluitbreiding, hydrologie en stikstofreductie. Dat laatste is van extra van belang voor de kwetsbare Natura 2000-gebieden. Deze denklijn sluit aan bij de doelen van het Integraal Rivier Management (IRM). In dit nationale programma wordt ingezet op een toekomstbestendig rivierengebied wat als systeem goed functioneert en meervoudig bruikbaar is. Binnen het IRM is de Rijntakken aangewezen tot een prioritair gebied. Ook bestaat er een verband met het Programma Aanpak Grote Wateren (PAGW) vanuit Rijkswaterstaat.

18

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

2. Ontwikkeling Ecologische Verbindingszones (EVZ’s) Op meerdere plekken in de regio liggen kansen voor de ontwikkeling van EVZ’s. Het maakt het natuurnetwerk robuuster en versterkt de biodiversiteit. Want door de verbindingszones vindt er meer uitwisseling van flora en fauna tussen de natuurgebieden plaats. Deze zones staan al langer op beleidskaarten en op een aantal plekken hebben de waterschappen, gemeenten en provincie hier al veel werk in verzet. Maar we kunnen de EVZ’s’ nog actiever oppakken en verder realiseren. Het uiteindelijke doel is het landschappelijk verbinden van grotere natuurgebieden om het algemene natuur-, water- en bodemsysteem in Nederland robuuster te maken.

De EVZ’s’ waar we met het VLGG in de regio op in willen zetten zijn onder andere: • de verbindingszone tussen Heumen en Horssen, langs de Hatertse en Overasseltse Vennen (Heumen-Horssen/Overasseltse Vennen-Hernen-NoordBrabant) en Malden-Noord (Teerse Sluispolder); • de verbindingszone tussen Park Lingezegen en de Drielse Rijndijk (Overbetuwe-KAN/uiterwaarden Rijn-Waal); • de verbindingszones tussen de Veluwe en de IIssel, de voormalige poorten: het Soerens Beekdal, de verbinding tussen Veluwezoom en het Bergherbos in de Liemers en Duitsland (Montferland Noord/ Montferland-Slangenburg) en de verbinding Veluwezoom-IJssel langs Velp en Rheden; • de verbindingszone tussen Malden en Nijmegen die de bossen van Berg en Dal verbindt met de Hatertse vennen; • de verbindingszone de Bekken van Groesbeek. Deze loopt langs de Leigraaf en verbindt onder andere De Bruuk met Duitsland. Een EVZ die nog niet formeel op de kaart staat, maar wel gewenst is en dus wordt meegenomen in het plan, is de verbinding van de Duivelsberg via het Wylerbergmeer naar de Millingerwaard en de uiterwaardennatuur langs de Waal.

Per verbindingszone kijken we naar de gewenste invulling van de investering: nat en/of droog, wat past er binnen het landschap en in het water- en bodemsysteem en voor welke dier- en plantensoorten is het bedoeld? Met de landschappelijk inrichting van de EVZ’s’ dragen we bij aan de doelstelling van 10% groen-blauwe dooradering in het landelijk gebied. Ook zijn er meerdere koppelkansen met de invulling van de bossenstrategie binnen en buiten het Gelders Natuurnetwerk (GNN), het verbeteren van de zoetwaterkwaliteit via blauwe dooradering en het tegengaan van droogte (bijvoorbeeld in de EVZ door het Broek in de Liemers).

3. Ontwikkeling Groene Ontwikkelingszones (GO) Aangrenzend aan Natura 2000-gebieden, zoals de Veluwe, ligt een GO. Er is onderscheid gemaakt tussen de EVZ’s’ en de GO’s’ omdat ze een verschillende rol en status hebben in het provinciale natuurnetwerk. De EVZ’s’ zijn op een grotere schaal bedoeld als landschappelijke verbinders tussen natuurgebieden, de GO’s vormen een schil om deze natuurgebieden heen. In de GO’s zien we mogelijkheden voor een groen-blauw dooraderd landschap, ten minste deels gefinancierd vanuit het VLGG. Dit geeft de terreinbeheerders een perspectief op de natuurgebieden en een schil om de kwetsbare natuurwaarden te beschermen. Zo kan het vergroten van het aantal landschapselementen een ecologische impuls geven aan de landgoederen in het Gelders Arcadië aan de zuidkant van de Veluwe, terwijl hun halfopen cultuurhistorische karakter behouden blijft Rondom het weteringenstelsel bij Wijchen, in de Ooijpolder en in de Veluwezoom liggen grote zones van het GO, waar een groen-blauwe dooradering een waardevolle invulling kan bieden aan het klimaatadaptieve vermogen en de biodiversiteit in het landschap. Bovendien kan een recreatieve ontsluiting gekoppeld aan de groen-blauwe dooradering (bijvoorbeeld wandelen fietspaden of toeristenknooppunten) helpen met de spreiding van de recreatiedruk en zo het ontlasten van de kwetsbare Natura 2000-gebieden.

Een groen-blauwe dooradering in de GO’s draagt bij aan de VLGG-doelen van 10% groen-blauwe dooradering, overgangsgebieden en extra natuur en landschap

19

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

voor systeemherstel. Ook biedt het een mogelijk perspectief aan agrariërs in de overgangsgebieden met een ander, maar dekkend en langjarig verdienmodel. 4. Strategie herstel natuur en hydrologie beekdalen Veluwezoom en Berg en Dal Als provincie, waterschappen en gemeenten willen we de verdroging van de beekdalen structureel aanpakken aan de zuidkant van de Veluwe en bij de stuwwal van Berg en Dal. Als we het landgebruik in het stroomgebied op basis van de ondergrond en hydrologie slim indelen, kunnen we het beekdalensysteem meer klimaatadaptief en toekomstbestendig maken. Dit sluit aan bij de beheerplannen voor de delen van de beken in het Natura 2000-gebied van de Veluwe. Met gebiedsprocessen en een generiek maatregelenpakket, waarbij we ook de bedrijfslocaties en hun milieu-impacts meenemen, kunnen we dit via het VLGG cyclisch oppakken. De beekdalenstrategie draagt bij aan de VLGG-doelen voor waterberging, een goede toestand van de grondwaterlichamen, toekomstbestendige landbouw die past in het natuurlijke systeem en eventueel de natuurdoelen in en grenzend aan Natura 2000-gebieden, het GNN en de GO’s. Beekdalen lopen langs en door stedelijk gebied en maken hier verbinding met de parken en stadsbossen. Hiermee verbinden we mens, dier en leefomgeving op alle schaalniveaus, zoals bijvoorbeeld de Groene Wig Spoorpark Arnhem Oost.

5. Klimaatadaptatie op de hoge zandgronden en in de komgronden Als breder thema is klimaatadaptatie van belang voor de gehele Groene Metropoolregio. In het landelijke gebied is het voornamelijk urgent op de stuwwallen en in de laaggelegen komgronden in het rivierengebied. Op de hogere zandgronden bij Nijmegen en de Veluwezoom speelt de problematiek van verdroging en de bijkomende natuurbrandrisico’s, wateroverlast en -veiligheid bij piekbuien en grondwater-onttrekking en bodemkwaliteit en beeksystemen van de Veluwe. Hier kunnen we inzetten op verloving van de begroeiing in de bossen (zie ook denklijn 6), het verminderen van grondwater¬onttrekkingen en het vergroten van de waterberging. Onttrekking van het grondwater voor drinkwater, landbouw of industrie, zorgt voor een (lokale) daling van de grondwaterstand en zou op de stuwwallen zoveel mogelijk beperkt moeten worden (zie denklijn 4). Ook moeten we goed kijken welke onttrekkingen we voorrang willen geven op de stuwwallen. In de komgebieden van de Groene Metropoolregio, zoals bijvoorbeeld het Broek in de Liemers en de weteringenstelsels bij de Boven-Linge en tussen Wijchen en Beuningen, kijken we naar maatregelen om het (grond)water langer in het gebied te houden. Daarbij zoeken we naar verbetering van de bodemkwaliteit in de komgronden om zo het waterbergende vermogen, de sponswerking, van de bodem te vergroten.

Ook het vergroten van de waterberging in de weteringen door bijvoorbeeld aanpassing van het profiel of aanleg van natuurvriendelijke oevers draagt daar aan bij. Zo werken we aan de kwantiteit, maar ook aan de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater. Door het bergen en vasthouden van water en bodemverbetering dragen we bij aan een klimaat-bestendig landelijk gebied. Het watersysteem is dan ook beter in staat periodes van extreme droogte en wateroverlast op te vangen en de zoetwaterbeschikbaarheid op peil te houden. Deze denklijn kan bijdragen aan de VLGG-doelen voor koolstofvastlegging, de Kader Richtlijn Water (KRW) en andere hydrologische doelen. Ook wordt het landelijk gebied, inclusief de landbouw en de bosgebieden op de stuwwallen, ingericht volgens het principe ‘water en bodem sturend’.

20

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

6. Realisatie bossenstrategie Met de bossenstrategie kunnen we in samenwerking met de terreinbeherende organisaties de bossen op de stuwwallen revitaliseren met meer structuur, biodiversiteit en meer loofhout in plaats van naaldhout. Naaldbossen dragen namelijk bij aan extra verdroging van de zandgronden. Ook zien we kansen om rondom en in de kernen en steden nieuwe bossen aan te leggen en bestaande bossen en parken vitaler te maken en om te vormen, voor de doelrealisatie van 3.000 hectare recreatief uitloopgebied in de Groene Metropoolregio (zie ook denklijn 9). De Groene corridor in Nijmegen en het programma Radicaal Vergroenen Arnhem bieden hier kansen voor. Kansrijke gebieden hiervoor liggen verder tussen de kernen van Westervoort, Duiven en Zevenaar. Ook de Danenberg bij Slijk-Ewijk en landschapszone Knoop 38 zijn kansrijk om het groen te behouden en uit te breiden rondom de verstedelijkte gebieden. Op andere plekken in het landelijk gebied (binnen en buiten het Gelders Natuur Netwerk) kunnen we landschapselementen, zoals bosjes en lijnvormige groenblauwe dooradering, aanleggen. De doelstelling voor de bossenstrategie is om in de Groene Metropoolregio binnen het Gelders Natuurnetwerk 155 hectare bos toe te voegen. De revitalisatie en de aanleg van bossen en landschapselementen dragen onder andere bij aan de VLGG-doelen van natuuruitbreiding en aan hydrologische doelen.

Ook zorgt het voor CO2-opslag en stikstofreductie omdat delen van het landbouwareaal uit productie worden gehaald.

7. Beschouwing specifieke bedrijfslocaties met impact op het milieu Een aantal bedrijven in de regio heeft door hun ligging, uitstoot en wateronttrekking een negatieve impact op het omliggende natuurlijke systeem. Hier kunnen we kijken naar de mogelijkheden voor een aanpassing in de bedrijfsvoering of een meer passende locatie voor deze bedrijven om de impact tegen te gaan. Dit is nodig om te komen tot een duurzame grondwaterbalans die het mogelijk maakt te voldoen aan de verplichtingen vanuit de Europese regelgeving. Deze regelgeving sluit aan bij de uitgangspunten van water en bodem sturend. Denklijn 7 draagt bijvoorbeeld bij aan de KRW- en Vogel- en Habitat Richtlijn (VHR)-doelen. Omdat het helpt de emissies van schadelijke stoffen en de onttrekking uit het grondwatersysteem bij de bron tegen te gaan. Daarmee worden de blokkades op het natuurlijke en ruimtelijke systeem opgeheven.

21

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

8. Gedifferentieerde aanpak verduurzaming landbouw De transitie van het landelijke gebied en de rol van alle betrokkenen, waaronder die van de Groene Metropoolregio, zal de komende periode onderwerp van gesprek zijn. De transitie van het landelijke gebied in de Groene Metropoolregio is volop gaande. De omvang van de landbouw en het grondgebruik zijn de afgelopen decennia flink veranderd. Dit zal in de toekomst niet anders zijn. De regio heeft unieke landschappelijke kwaliteiten onder andere door de variatie. Tegelijkertijd is het ook een uitdaging deze variatie te behouden; de verstedelijking drukt zijn stempel op de regio. Ook heeft het landelijk gebied in de regio grote maatschappelijke opgaven, zoals verdroging van de Liemers en het Middengebied, en herstel van de natuurkwaliteit van de grote rivieren en de Veluwe. In de regio bestaan veel initiatieven voor duurzame kringlooplandbouw, bijvoorbeeld in Malden-Noord en in de landbouwenclaves in de Veluwezoom. Daarnaast bestaan er enkele gebieden waar meer intensieve landbouw bedreven wordt. Deze ‘landbouwhubs’ liggen in het Broek in de Liemers, het westelijke komgebied in de Betuwe en in het Rijk van Nijmegen bij Wijchen. We zien hier 2 mogelijke aanvliegroutes die elkaar kunnen aanvullen. Enerzijds kunnen we de kringlooplandbouw ondersteunen op de plekken waar daar energie voor is.

Anderzijds zien we kansen om gebiedsprocessen te faciliteren in de landbouwhubs. Dit helpt agrariërs en andere betrokkenen hier korte ketens en groen-blauwe dooradering te realiseren via een dekkend en langdurig verdienmodel. De kwaliteit van het landschap is hierbij een belangrijk aandachtspunt. We zoeken naar verbreding van de agrarische bedrijfsvoering en alternatieve verdienmodellen waarbij de ecologische en landschappelijke kwaliteiten op die plekken worden versterkt en/of behouden. Grenzend aan de Natura 2000-gebieden Veluwe, De Bruuk en de St. Jansberg (bevoegdheid Limburg) liggen zogenaamde overgangsgebieden, waarin het overwegend agrarisch grondgebruik en het watersysteem invloed heeft op de natuurwaarden binnen de Natura 2000-gebieden. Voor de Rijntakken, zie denklijn 1. De provincie laat onderzoeken welke maatregelen het meest bijdragen aan natuurherstel. In die focusgebieden kunnen we met de betrokken partijen uitzoeken welke maatregelen en/of veranderingen in de bedrijfsvoering hieraan kunnen bijdragen. Denklijn 8 draagt bij aan een toekomstbestendig perspectief voor de landen tuinbouw. Daarnaast helpt het bij de doelstellingen voor groen-blauwe dooradering en het water- en bodemsturende principe.

Met een passende stimulering van een meer natuurinclusieve landbouw kan ook de verdere uitspoeling van nutriënten en de uitstoot van schadelijke stoffen worden tegengegaan.

22

9. Uitbreiden van het stedelijk uitloopgebied In de Verstedelijkingsstrategie staat dat verstedelijking samen moet gaan met een ontwikkeling van het omliggende landschap om zo een gezonde leefomgeving voor de inwoners te creëren. Het doel is 5.000 hectare aan recreatieve uitloopgebieden te realiseren in de Groene Metropoolregio en de Regio Foodvalley. Dit kan gekoppeld worden aan doelen voor klimaatadaptatie, natuurinclusieve (stads)landbouw, de bossenstrategie en 10% groen-blauwe dooradering. Voorbeelden van kansrijke gebieden hiervoor zijn de mantels rondom Nijmegen en Arnhem, maar ook de gebieden rondom de snelgroeiende kernen zoals Duiven, Westervoort en Zevenaar. Via bijvoorbeeld snelfietspaden en toeristische overstappunten kan het stedelijk uitloopgebied verder worden uitgestrekt, voorbij de direct aangrenzende omgeving.

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

In de Veluwezoom speelt het Gelders Arcadië een belangrijke rol. De landgoederen zijn in dit gebied de primaire locaties voor recreatie en de verschillende VLGGdoelen, zoals waterberging en duurzame landbouw. Lettend op de gevolgen van recreatie op natuurwaarden, moet het creëren van uitloopgebieden via een genuanceerde aanpak verlopen. We moeten vragen stellen als: waar stellen we het landschap open voor onze inwoners? Waar geven we juist dieren de ruimte? Zo kunnen we echt groeien in balans. Het doel voor de uitbreiding van uitloopgebieden sluit aan bij de ambities uit de Verstedelijkings-strategie. De vervlechting van steden en het omliggende landschap moet hierbij realiteit worden. De stad wordt als ecosysteem gezien, dat in verbinding moet staan met de omgeving voor een robuust natuursysteem. De ontwikkeling van het stedelijk uitloopgebied draagt bij aan verschillende natuurdoelen, CO2-opslag, groen-blauwe dooradering (ook een maatregel) en klimaatadaptatie (bijvoorbeeld voor waterberging en tegen hittestress en natuurbrandrisico’s).

23

10. Impuls geven aan lopende projecten In de regio zijn er meerdere projecten, waarvan de planvorming al is uitgewerkt en die richting uitvoering gaan, maar daarbij nog (financiële) hobbels kennen. Enkele voorbeelden zijn: • Park Lingezegen, een icoonproject en een belangrijke regionale NoordZuidverbinding met een functie voor VHR-doelsoorten (Rijntakken Natura 2000). De basisuitrusting hiervan is gereed. Maar er is een kans dit verder te ontwikkelen langs de Bovenlinge en via de EVZ richting de Drielse Rijndijk en de uiterwaarden van de Nederrijn. • Renkums en Heelsums Beekdal, waar - in een gebiedsproces met verschillende grondeigenaren, inwoners en overheden - ontwikkelingen met elkaar worden verbonden. Daardoor kunnen natuur, landschap, water, recreatie en lokale economie versterkt worden. Er zijn kansen voor natuurontwikkeling, verbetering van het watersysteem, transities in de landbouw en klimaatmitigatie. • Daarnaast ligt er een MIRT-onderzoek voor de IJsseluiterwaarden Havikerwaard, Bemmelerwaard, Fraterwaard en Olburgerwaard. Waarbij natuur, landbouwtransitie en duurzame delfstoffenwinning samen kunnen worden opgepakt mits er financiële ondersteuning wordt geleverd. Ook het rivierklimaatpark IJssel is hier een voorbeeld van. • De stuwwal van Berg en Dal, waar een kans ligt voor de Blauwe Motor.

Hier ligt een wens om de verdroging van de stuwwal tegen te gaan en de kwelstromen richting de Ooijpolder en Millingerwaard te herstellen. Het project vindt grotendeels plaats in het GO en het GNN. En het draagt daarnaast bij aan de ecologische verbinding tussen de stuwwal en de uiterwaarden van de Waal (zie ook denklijn 2).

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Gezien de uiteenlopende thema’s binnen deze projecten, draagt hun ondersteuning bij aan een reeks verschillende VLGG-doelen voor onder andere groen-blauwe dooradering, natuurherstel, duurzame landbouw, en hydrologische doelen.

11. Areaaluitbreiding Natuur in de Gelderse Poort In het kader van de PAGW ligt er een ambitie voor natuurherstel, -versterking en -uitbreiding in de Gelderse Poort, waardoor ook de waterkwaliteit wordt verbeterd. Hierbij wordt uitgegaan van een zgn. systeembenadering, waardoor natuurlijke processen weer op gang komen. Op de lange termijn (2050) gaat het om een areaal van ca. 7.500 hectare, voornamelijk buitendijks maar deels ook binnendijks te realiseren. Het Rijnstrangengebied is hier onderdeel van. In de PAGW wordt ingezet op een optimaal samengaan van doelen voor natuur, in samenhang met een krachtige economie. Aspecten van waterveiligheid (hoogen laagwater), natuurinclusieve landbouw, natuur en duurzame delfstofwinning met maatschappelijke meerwaarde komen hier samen. Via de 3e tranche PAGW zijn recent Rijksmiddelen voor de Gelderse Poort gereserveerd ter waarde van €20 miljoen. De middelen gaan over de uitvoeringsperiode 2030-2033. Het doel is om een vliegwiel op gang te brengen voor de grote systeemingrepen die nodig zijn voor de uiteindelijke PAGW-ambitie. Deze geplande uitvoering loopt gelijk met de lopende projecten in de Groene Metropoolregio. De bedoeling is dat deze uitvoering de projecten versterkt, waarmee de korte termijn (Natura 2000, GNN) als groeikristal dient voor de lange termijn (PAGW).

De financiën vanuit PAGW kunnen we dan koppelen aan middelen uit de andere kaders. In de Groene Metropoolregio kan de areaaluitbreiding in samenhang met Natura 2000, het GNN, het PAGW en het IRM bijdragen aan de VLGG-doelen van areaaluitbreiding van: natuur, landbouw passend bij het water- en bodemsysteem, de realisatie van de bossenstrategie en doelen voor hydrologie. Een koppeling met landbouw en de scheepvaart is daarbij ook van belang.

Vier mogelijke koplopers Vanuit de elf denklijnen, de criteria vanuit het VLGG en de gebiedsprocessen die lopen in de regio bij de provincie, gemeenten en waterschappen, zien wij een aantal gebieden als kansrijk voor programmering in het VLGG. Deze gebieden of delen daarvan, zijn in een dermate fase van ontwikkeling dat ze mogelijk als eerste koplopers kunnen fungeren binnen het VLGG. Het gaat om de volgende gebieden of gebiedsontwikkelingen: • Projecten in de Gelderse Poort (waaraan de zgn. derde tranche middelen vanuit PAGW kunnen worden gekoppeld); • Beekherstel en de omliggende beekdalen in de Veluwezoom; • Landschap Berg en Dal/Heumen – Ooijpolder-stuwwal-Heumen; • Versterking landschap Overbetuwe en Lingewaard - doorontwikkeling Lingezegen. Met elkaar bekijken we de komende maanden of dit inderdaad de koploper– gebieden zijn en of deze ook daadwerkelijk in het VLGG kunnen worden geprogrammeerd. Dit betekent niet dat de andere denklijnen en de andere kansen en ontwikkelingen die we in het groen-blauw raamwerk zien, niet of minder belangrijk zijn. Het betekent ook niet dat deze koplopergebieden in beton gegoten zijn; er kunnen gebieden afgaan en erbij komen. Het betekent alleen dat we ons de komende maanden focussen op deze gebieden, omdat deze het verst ontwikkeld lijken te zijn en daarmee meest kansrijk om op korte termijn te realiseren.

24

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

4.1.2

Klimaatadaptatie Door klimaatverandering valt er in de winter steeds meer regen en zijn er vaker en langere periodes van droogte. Het drainerende effect van de uitgesleten rivierbeddingen telt daar nog bij op. De opgaven zijn gericht op: water beter vasthouden, grondwaterstanden verhogen, verbeteren van de waterkwaliteit, beekherstel en waterberging. Verdergaande klimaatverandering vraagt de komende decennia om meer ruimte voor waterberging en meer sponswerking van het bodem- en watersysteem. In lijn met de nationale aanpak richten we ons op de vier belangrijke gevolgen van klimaat-verandering: • Waterveiligheid, zeespiegelstijging en hoog water • Droogte, inclusief laag water in de rivieren en de gevolgen voor de waterkwaliteit • Wateroverlast door extreme of langdurige regenval • Hitte door langdurige hittegolven

Waterveiligheid Het water- en bodemsysteem van de grote rivieren bevat opgaven voor hoogwaterveiligheid, waterkwaliteit en een duurzame rivierbodemligging. Het Hoogwaterbeschermingsprogramma heeft een grote opgave voor dijkversterkingen in deze regio. De versterking van de noordelijke Waaldijk is in uitvoering en zal komende periode worden doorgezet van Nijmegen tot aan het Pannerdensch Kanaal. Ook de dijken op de zuidoever van de Waal, de noordoever van de Maas, langs het Pannerdensch Kanaal, de Bovenrijn en de Nederrijn moeten voor 2050 worden versterkt. Droogte Op veel plekken ondervinden we de consequenties van droogte, de risico’s van extreme buien en extremere waterstanden in de grote rivieren. Voor de Achterhoek en de Liemers is een analyse gemaakt van het probleem, de opgave en de handelingsperspectieven. Daaruit blijkt dat ongeveer 100 mm extra watervoorraad nodig is om 10% van de droogste jaren te overbruggen en voorbereid te zijn op de gemiddelde zomers in 2050. Met deze verdiepende analyses hebben we zicht op een mogelijk handelingsperspectief en inzicht in de mogelijke kosten van deze opgave en eventueel de transitieopgave. In gebiedsprocessen zullen we dit in verkenningen en planuitwerkingen in samenhang met andere opgaven en mede gebaseerd op de Regionale Adaptatie Strategieën (RAS) verder uit moeten werken tot concrete uitvoeringsplannen.

25

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Vergroening: wateroverlast en hitte tegengaan Vanuit de Verstedelijkingsstrategie werken we bovendien aan een catalogus op het gebied van klimaatadaptatie met maatregelen voor gezonde, circulaire, biodiverse en klimaatadaptieve verstedelijking, inclusief normen. Uitgangspunt is de nationale Maatlat Klimaatadaptief Bouwen. De kernopgave bestaat uit het uitbreiden van groen in de bebouwde omgeving. Met deze opgave worden, naast het uitbreiden van het groen, ook de ingrepen voor klimaatadaptatie in de bestaande steden en dorpskernen bedoeld. Het gaat om ingrepen voor het toevoegen en verbeteren van groen in de openbare ruimte, het tegengaan van hittestress, het realiseren van waterberging en het realiseren van groene daken. Denk bijvoorbeeld aan de Arnhemse aanpak klimaat en vergroenen met programma Radicaal Vergroenen en de Nijmeegse aanpak klimaatadaptatie en biodiversteitsplan. Wat kosten voor het vergroenen van bestaande steden en dorpen betreft, gaan we uit van €40 per m² bebouwde omgeving. Deze kostprijs is een gemiddelde tussen kosten voor het aanleggen en verbeteren van groen in de openbare ruimte, ingrepen om hittestress tegen te gaan, ingrepen voor waterberging en het realiseren van groene daken. Voor de Groene Metropoolregio en Regio Foodvalley komt dit uit op een totaal bedrag van €250 miljoen euro.

Op basis van een 60/40verdeling zal het grofweg om een bedrag van €150 miljoen gaan voor de Groene Metropoolregio. Daarnaast staan gemeenten gesteld voor hogere onderhouds– kosten de komende jaren voor de groene en klimaatadaptieve leefomgeving. Tot slot benoemen we in dit kader de drinkwatervoorziening. Niet alleen verandert het klimaat en gebruiken we de bodem steeds intensiever; door bevolkingsgroei en economische groei stijgt de komende jaren de vraag naar drinkwater. Het veiligstellen van de drinkwatervoorziening is een provinciale taak. Door (inter)nationale afspraken met betrekking tot water en natuurherstel zijn de uitbreidingsmogelijkheden van grondwateronttrekkingen beperkt. Met het aanwijzen van Aanvullende Strategische Voorraden voor drinkwater, probeert de provincie de grondwatervoorraden, die in de toekomst mogelijk nodig zijn voor drinkwaterwinning, te beschermen. Daarnaast is het ook nodig om in te zetten op het beperken van het (grond)water¬verbruik en de inzet van alternatieve bronnen voor drinkwater.

Afbeelding 4: Verhaallijn 1; perspectief landelijk gebied

26

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Samenvatting Meer landschap, meer stad. Tegelijkertijd met de ontwikkeling van nieuwe woningen, bereikbaarheid en economie, zorgen we ervoor dat we onze waardevolle natuur, landschap en cultuurhistorie behouden en versterken. Op hetzelfde moment zien we dat er een opgave ligt om landbouw te verduurzamen en te zoeken naar aanvullende verdienmodellen. We gaan voor aantrekkelijke landschappen die bewoners een aantrekkelijk uitloopgebied bieden, waarin ruimte is voor agrariërs, biodiversiteit en waterberging en waarbij we kwetsbare natuurgebieden ontzien. Ook gaan we voor een toekomstbestendig rivierengebied dat als systeem goed functioneert en meervoudig bruikbaar is. We zoeken hierbij naar een optimale balans tussen de verschillende functies van het rivierengebied en streven naar een aantrekkelijk riviersysteem dat duurzaam te beheren is. Door het natuurlijk systeem robuuster te maken, kunnen we de negatieve effecten van klimaatverandering minimaliseren. In het groen-blauw raamwerk staan de kansen en de dilemma’s voor versterking van groen en blauw beschreven en verrijkt met de uitgangspunten en doelstellingen van het programma Vitaal Landelijk Gebied Gelderland (VLGG). Dit heeft elf denklijnen opgeleverd, voor verdere ontwikkeling van natuur en landschap in de Groene Metropoolregio.

De denklijnen vormen samen een opmaat voor onder andere een maatregelpakket waarmee via het VLGG en het regioarrangement het landelijke gebied in de Groene Metropoolregio verder verbonden en versterkt kan worden. Maar hiervoor kijken we ook naar andere (financiële) mogelijkheden om onze doelen te realiseren. Wat is hiervoor nodig? • We brengen de effecten van de realisatie van de doelstellingen van het VLGG, waaronder die om te komen tot een reductie in stikstofdepositie, (ruimtelijk) in beeld (provincie, regio, waterschap en sector). • Aan de hand van de elf denklijnen werken we toe naar gebiedsprojecten met aandacht voor ruimtelijke effecten, draagvlak en (financiële) mogelijkheden en financiële bekostiging voor realisatie (voor 2024 en verder). Dit wordt nader berekend. We kijken hierbij ook naar de binnenstedelijke groene opgave in samenhang met de Klimaatopgave. • Gezien de integraliteit van de opgave kijken we voor de financiering uitdrukkelijk naar het combineren van andere Rijks- en provinciale programma’s. Programma’s hebben verschillende tijdshorizons. Integrale gebiedsfinanciering is zeer wenselijk. • Afspraken over regionale ruimtelijke doorwerking van maatregelen voor natuur inclusief stikstof, water, klimaat en landbouw maken we via gebiedsprocessen.

Dit doen we samen met de partners, waaronder vertegenwoordigers van de landbouw en de natuur en in samenhang met het ruimtelijk voorstel. Alle opgaven vragen ruimte en niet alles kan overal. We gaan op zoek naar wat wel kan, we zoeken slimme combinaties en we maken keuzes. • We starten gebiedsprocessen op of versterken deze voor de initiatieven van de vier mogelijke koplopersgebieden: PAGW en Gelderse Poort, beekherstel en de omliggende beekdalen in de Veluwezoom, landschap Berg en Dal/Heumen - Ooijpolder-stuwwal-Heumen, landschap Overbetuwe en Lingewaard - doorontwikkeling Lingezegen. In een volgende fase komen daar andere gebiedsprocessen bij. • We stellen een catalogus over klimaatadaptatie op met maatregelen voor gezonde, circulaire, biodiverse en klimaatadaptieve verstedelijking. Kosten voor uitvoering worden geschat op €150 miljoen. • De inzichten uit het feitenonderzoek en de gemaakte analyses van het handelingsperspectief in het programma Aanpak droogte Achterhoek & Liemers gebruiken we in gebiedsprocessen om te komen tot uitvoeringsplannen. • In het proces om te komen tot een verkleining en/of verdere invulling van de drinkwater¬reserverings-gebieden (locatiekeuze, ontwerp en inpassing van de drinkwaterwinning) maken we een integrale afweging met andere gebruiksfuncties. • We doen een check op alle potentiële keuzes uit de drie verhaallijnen.

We willen weten of deze schuren met ruimtevraag voor dijkversterking en waterberging, en of we ze in de toekomst zelf wel veilig en droog kunnen houden, gezien het structurerende principe van water en bodem sturend. We realiseren ons dat we met name voor de zachte plancapaciteit (en waar de exacte locatie nog niet bepaald is) ruimte hebben om op basis van dit inzicht keuzes te maken.

27

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

4.2

Tweede verhaallijn: Ordenende netwerken voor klimaat, energie en (circulaire) economie We werken samen om de energietransitie in de regio vorm te geven. We doen dit door • Zonne- en windenergieprojecten te realiseren. • Het versnellen van de warmtetransitie in de regio. Hiermee dragen we bij aan het verminderen van de CO2 uitstoot en (inter-) nationale klimaatafspraken. • Uitbreidingen van het elektriciteitsnet in beeld brengen en deze ‘programmeren’ met andere ontwikkelingen. Daarmee dragen we bij aan het verkleinen van de netcongestie-problematiek en het versterken van het energienetwerk.

4.2.1

Klimaat Het nationale Klimaatakkoord is een belangrijk pakket van maatregelen om de stijging van de gemiddelde wereldtemperatuur te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius. Hiermee geeft een groot aantal partijen invulling aan het Klimaatverdrag van Parijs. De Groene Metropoolregio levert op diverse manieren een bijdrage aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Vaak hebben deze maatregelen een stevige impact op ons ruimtegebruik. Hieronder beschrijven we hoe we binnen de regio werken aan de RES, warmte en waterstof.

Regionale Energie Strategie In de Groene Metropoolregio werken 16 gemeenten, provincie Gelderland, 3 waterschappen en netbeheerder Liander samen aan de RES. In de RES werken we toe naar de volgende doelen: • We realiseren de RES 1.0-afspraak van 1,62 TWh in 2030 en streven naar een betere verdeling tussen zon en wind. • We verankeren de RES in omgevingsbeleid. Daarbij streven we naar minimaal 50% lokaal eigendom. • We stellen een voorstel op voor het prioriteren en faseren van opwek- en warmteprojecten en -ontwikkelingen in de regio, in samenhang met de beschikbare en geplande netcapaciteit. • We geven inzicht in de voortgang en bereikte resultaten via monitoring en verantwoording. In de RES 1.0 is nog sprake van een flinke onbalans tussen de opwek van zonneen windenergie: 89% zon en 11% wind. Gezien de beperkte capaciteit op het elektriciteitsnet, streven we in een herijking van de RES-afspraken naar een 50%-50% verhouding tussen zonne- en windenergie. Afspraken voor de toekomst uit de RES 1.0 In de RES zijn 6 richtinggevende ruimtelijke afspraken gemaakt over de ruimtelijke kwaliteit. Hiervan worden er 3 uitgelicht: • Ruimtelijke kwaliteit: we combineren de ontwikkeling van windturbines en zonnevelden altijd met de ruimtelijke kwaliteit en samenhang van het totale gebied. We houden daarbij rekening met het gebruik van de ruimte door lokale partijen, stakeholders en inwoners.

• Voorkeursvolgorde zon: grootschalige zonnevelden worden mede beoordeeld op: (1) De mate van aantasting van karakteristieke kenmerken van het landschap; (2) De samenhang met andere functies in het gebied, (zoals landbouw, biodiversiteit, cultuurhistorie); (3) De landschappelijke samenhang en (4) Dubbel ruimtegebruik. Er wordt daarbij zoveel mogelijk ingezet op de plaatsing van zonnepanelen op daken van gebouwen. • Combineer zon/wind: we combineren windturbines zoveel mogelijk met zonnevelden en vice versa. Dit zorgt voor een betere inpassing in de elektriciteitsinfrastructuur. We streven naar een 50%-50% verhouding tussen zon en wind. Zowel regiobreed, als per elektriciteitsstation.

28

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

In de RES zijn ook afspraken gemaakt over het doorwerken van het omgevings– instrumentarium en de MER: • In het afgelopen jaar is een milieueffectonderzoek (planMER) uitgevoerd naar de geschikte en geschikt te maken gebieden voor de ontwikkeling van ten minste 1,62 TWh duurzame elektriciteit. Deze planMER is belangrijke input voor het herijken van de RES 1.0 naar een RES 2.0. We gaan in gesprek met de gemeenten over mogelijkheden voor windenergie en over het vervolgproces. • In december 2022 hebben Gedeputeerde Staten besloten windturbines op de Veluwe +1 km daaromheen uit te sluiten om de wespendief te beschermen. In de zone van 1-8 km is er beperkt ruimte voor nieuwe windparken onder voorwaarden. De provincie legt dit besluit vast in haar beleidslijn windenergie en de omgevingsverordening. Daarvoor stelt de provincie een planMER windenergie Veluwe-wespendief op. In de RES zijn ook afspraken gemaakt voor een optimaal warmtesysteem: • Vanuit regionaal perspectief maakt het verschil welke bron wordt gebruikt op welke plek; we willen voorkomen dat een bron al door de ene gemeente is ingezet, terwijl hij voor een andere gemeente van vitaal belang zou zijn geweest. In de RES is beschreven hoe we gezamenlijk kijken waar welke bovenlokale bron wordt ingezet.

• Binnen de relevante warmteclusters waar dit verdelingsvraagstuk aan de orde is, is een structureel overleg ingericht om daarover in gesprek te zijn en te blijven. • Gemeenten zetten daarbij verschillende instrumenten in, die binnen de kaders van de Warmtewet, de Omgevingswet en andere beleidsruimten passen om de bovenlokale warmte afspraken te borgen. • Als regio doen we een gezamenlijke oproep aan het Rijk om de benodigde regie te voeren op de warmtetransitie. Dat kan door te zorgen voor beter aansluitende wet- en regelgeving voor het uitrollen van warmtenetten, hogere en structurele financiële ondersteuning voor alternatieve warmtevarianten (waaronder warmtenetten) via subsidies of Rijksbijdragen en een structurele Rijksbijdrage voor het ambtenarenapparaat om de warmtetransitie ook daadwerkelijk in goede banen te leiden.

29

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Programma Opwek Energie op Rijksgronden (OER) Om de energietransitie te versnellen en de RES-ambities van regio’s te ondersteunen, stelt het Rijk een deel van haar gronden en kunstwerken beschikbaar voor de opwek van duurzame elektriciteit met wind-, water- en zonne-energie. Via het programma Opwek van Energie op Rijksgronden (OER) geeft het Ministerie van Economische Zaken (EZK) hier uitvoering aan. De ontwikkeling van zonne-energie langs de A15/Betuwelijn is een OER-project binnen onze regio. De betrokken gemeenten hebben de provincie verzocht een inpassingsplan te maken voor de inpassing van duurzame energie langs de A15. De provincie is daartoe bereid en heeft de intentie uitgesproken dit op te pakken als het zover is. Er loopt binnen de regio een uitvraag aan de gemeenten voor nieuwe projecten binnen het OER-programma. Regionaal Expertiseteam Energie (REE) In 2023 is het REE van start gegaan. Het expertiseteam ondersteunt bedrijven bij het verlagen van hun CO2-footprint en kan bijdragen aan de RES-doelstelling om zon op dak te realiseren. Vanuit de regio monitoren we op welke locaties er veel potentieel is voor zon op dak en ruimte op het net, zodat het REE gericht bedrijven kan benaderen. Daarnaast delen we informatie en kennis over onder andere wet- en regelgeving en nationale subsidies. Waterstof De toekomstige waterstof backbone van Gasunie loopt door de regio heen.

Onder andere de keramische industrie in de regio (Brick Valley) kan met een aftakking van de waterstof backbone van het aardgas af komen. Een regionale aftakking is mogelijk ook kansrijk voor woonkernen en andere functies in de nabijheid van een aftakking. Hoewel er nog weinig informatie beschikbaar is, kan worden aangenomen dat ook de aanleg van waterstof-infrastructuur een onrendabele top zal hebben. Dat betreft zowel de waterstofbelevering van bedrijven op industrieterreinen als het gebruik van waterstof voor verwarming van woningen. Dat laatste kan incidenteel wenselijk zijn. Ook hier zal een verkenning nodig zijn, die dezelfde stappen volgt als die bij warmtenetten. In de loop van 2023 wordt ook van de waterstofinfra een globale verkenning gemaakt van de onrendabele top en voor welke specifieke situaties waterstof¬infrastructuur een optie is.

30

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

4.2.2

Energienetwerk Netwerkcongestie is inmiddels een beperkende factor geworden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Aansluiting op de bestaande energie-infrastructuur is niet meer vanzelfsprekend bij de ontwikkeling van projecten en moet vroegtijdig meegenomen worden als randvoorwaarde in ruimtelijke ontwikkeling. Wij moeten verder vooruitkijken naar de energievraag en het energieaanbod na 2030 en de benodigde energie-infrastructuur. Hiermee worden knelpunten voorkomen en kunnen we slimme keuzes maken om woningbouw, werklocaties en mobiliteit slim te combineren in het energiesysteem van de toekomst. Voorlopig houden we rekening met het ‘first come, first serve’-principe. Met de aankomende aanpassing van de ACM-regulering, verwachten we dat er afgeweken kan en gaat worden van dit principe. Maatschappelijke afwegingen gaan bepalender worden in de volgorde van aansluiten. De netbeheerder verwacht daarbij een sturende rol en een helder afwegingskader van overheden. Op kortere termijn, tot 2030, zijn de meeste uitbreidingen in het elektriciteits– netwerk al gepland.

Voor alle grote verstedelijkingslocaties (wonen, werken en mobiliteit) maken wij daarom een risicoanalyse: • of die woningbouw- of werklocatie op het gewenste moment aangesloten kan worden op het netwerk onder twee verschillende scenario’s: ‘all electric’ en ‘warmtenet’; • hoe groot risico’s zijn van mogelijke andere ontwikkelingen die de aansluiting alsnog in gevaar zouden kunnen brengen; en • hoe de mobiliteitstransitie past in deze verstedelijkingslocaties. Daarna volgt een verkenning van mogelijke oplossingsrichtingen. Voor werklocaties kunnen tot 2030 aansluitingen op het elektriciteitsnet alleen gerealiseerd worden als er lokale oplossingen met een 0-netcapaciteit gerealiseerd worden (energievragers en aanbieders bij elkaar te clusteren) of door een lokale energieopslag te realiseren. GEIS-samenwerking in de provincie. Binnen de samenwerking GEIS biedt de provincie een platform om de opgaven rondom het energiesysteem te bespreken (zie beleidskader provincie voor een onderbouwing van GEIS). Binnen GEIS zijn drie sporen te onderscheiden die parallel lopen aan de gezamenlijke ambitie “Een toekomstbestendig energiesysteem in 2050”: 1 Versnellen van realisatie 2 Prioriteren & programmeren 3 Beter benutten & slimme oplossingen In de periode tot 2030 is er veel schaarste in het energiesysteem en is er weinig ruimte voor nieuwe initiatieven.

De infrastructuuruitbreidingen zijn al concreet gepland en opgenomen in het investeringsplan van de netbeheerders en worden zo snel mogelijk uitgevoerd. In spoor 1 worden deze projecten gemonitord en worden acties ondernomen om zo nodig ruimtelijke procedures te versnellen (vertraging voorkomen) of barrières weg te nemen. Daarnaast worden in spoor 3 alle mogelijke slimme oplossingen geïnventariseerd voor het beter benutten van de huidige capaciteit. In de periode na 2030 is er meer ruimte om vooruit te plannen en projecten in de tijd te programmeren (faseren). En ook de ruimtelijke puzzel te leggen voor de benodigde energie-infrastructuur. We moeten nu al keuzes maken over deze toekomstige periode, zodat er op tijd voldoende capaciteit gerealiseerd kan worden om alle ontwikkelingen mogelijk te maken. In spoor 2 wordt gewerkt aan het proces Integraal Programmeren, met onder andere de volgende vragen: • Hoe zien de wijken van de toekomst eruit? • Waar willen we inzetten op warmtenetten, geothermie, hydrothermie en waterstof ? • Waar moeten de nieuwe onderstations komen?

31

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

• Waar komen de mobiliteitsknooppunten en hoe combineren we deze met werklocaties, duurzame opwek en laadvoorzieningen (ook voor industrieel verkeer)? • Hoe ziet de typologie van onze bedrijven eruit; hoeveel energie vragen en leveren zij en hoe kunnen we dit in kaart brengen? • Waar en hoe kunnen we ruimte reserveren op (indien mogelijk) bestaande en nieuwe werklocaties voor collectieve laadvoorzieningen? • Welke rol kunnen Smart Energy Hubs (SEH’s) vervullen bij deze ontwikkelingen? Dit proces levert een energievisie op het energiesysteem 2040-2050, inzicht in de energievraag en het energieaanbod van alle sectoren en opgaven gecombineerd met de benodigde energie-infrastructuur (capaciteit en ruimteclaim). En een prioriteitenlijst met belangrijke energie-infrastructuurprojecten (provinciaal MIEK). Het provinciaal MIEK komt tot stand door een brede maatschappelijke afweging en wordt door de netbeheerders opgenomen in hun investeringsplannen. 4.2.3

(Circulaire) economie De Groene Metropoolregio is een stedelijk knooppunt met een ondernemend en innovatief ecosysteem voor het mkb. De ambitie van de regio is zich nog verder te ontwikkelen als Groene Metropoolregio van nationale én internationale betekenis, als circulaire topregio van ons land en Europa. Alleen is er momenteel in de regio sprake van een enorme krapte op de arbeidsmarkt, met name in onze innovatieve topsectoren energy, health en hightech. Hiervoor hebben we een breed gedragen Human Capital Akkoord opgesteld en werken we nu aan de lange termijn borging en de uitvoering hiervan. De topsectoren zijn momenteel, samen met logistiek, goed voor ongeveer 30% van de bedrijven en 50% van de banen. Onze regio kent ook een meer dan gemiddelde werkgelegenheid in de zorg en overheidssector. Met name in de zorg is de arbeidsmarkt krap; innovaties binnen deze sector moeten helpen om op termijn de krapte op te lossen. Deze sectoren zijn belangrijk en leggen niet altijd een ruimtelijke claim op werklocaties. De Groene Metropoolregio heeft een groeiende bevolking. We zetten in op het meer in balans brengen van wonen en werken (wat op een positieve manier ook bijdraagt aan onze mobiliteits¬opgave) en meer ruimte voor economische activiteiten en arbeidsplaatsen. Concreet: de ruimtevraag van werken moeten we ook meenemen bij de ruimtevraag van onze groeiende bevolking.

Dit zorgt voor een betere balans tussen wonen en werken en hierdoor kunnen de huidige en toekomstige bewoners ook werken binnen de eigen regio. Om zo ook de pendel naar andere regio’s te verminderen. Goede, toekomstbestendige werklocaties zijn belangrijk voor de economie in de Groene Metropoolregio. Het is daarom belangrijk dat werklocaties zo zijn ingericht dat bedrijven er goed kunnen ondernemen, nu en in de toekomst. Daarnaast zien we dat werklocaties een belangrijke rol spelen in het behalen van onze doelstellingen ten aanzien van de energietransitie, circulariteit, klimaatadaptatie en biodiversiteit. De Groene Metropoolregio heeft onlangs – op basis van onderzoek - bouwstenen verzameld voor een nieuwe economische koers, die moeten leiden tot een toekomstbestendige economie in 2040 (Economie van de Toekomst). We doen daarin een voorstel voor 5 à 6 thema’s, die samen invulling geven aan de gewenste ontwikkelingsrichting van de economie, binnen de ambities en contouren van de huidige Regionale Agenda. Zie daarvoor onderstaand figuur. Aanvullend op het thema Netcongestie (zie paragraaf 4.3.2) lichten we de 6 thema’s in deze paragraaf toe.

32

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Afbeelding 5: Zes thema’s binnen Economie van de Toekomst

Algemene uitgangspunten Economie van de Toekomst In onze economische koers is een aantal uitgangspunten van belang: 1 Economische ontwikkeling concentreert zich met name op onze topsectoren health (zorg), hightech, energy en het brede mkb. Logistiek is randvoorwaardelijk voor alle sectoren en we blijven daarop inzetten. 2 Economische ontwikkeling is zoveel mogelijk circulair. 3 De ontwikkeling van de regionale economie is gebaseerd op de principes van ‘brede welvaart’. 4 De Groene Metropoolregio gaat voor gebalanceerde economische groei. Regionaal inkomen (materiële welvaart) is hierbij niet meer dominant, maar onderdeel van een breder geheel. Ook de impact op mens (welzijn van inwoners) en omgeving (milieu) worden meegewogen en afgewogen in de ontwikkeling van de economie. 5 Economische ontwikkeling vraagt om ruimte. Het gebruik hiervan is slim en duurzaam. Dat betekent: eerst kijken naar bestaande ruimte; en dan pas naar nieuwe ruimte. Waar mogelijk is het ruimtegebruik zoveel mogelijk meervoudig. 6 Ruimtelijke kwaliteit staat voorop in de (door- of her)ontwikkeling van werklocaties.

Op basis van deze uitgangspunten hebben wij de economische koers uitgewerkt in onderstaande thema’s. Herstructurering en verdichting Zorgvuldig ruimtegebruik ligt aan de basis van de groene groei-ambities van de Groene Metropoolregio. Behoud van de werklocatiefunctie en optimalisatie van het ruimtegebruik van onze bestaande werklocaties is hierbij belangrijk. Zo zorgen we ervoor dat het juiste bedrijf zich op de juiste plek kan vestigen en ontwikkelen we nieuwe locaties alleen als dat echt nodig is. Het heeft de voorkeur dat toekomstige ruimtevraag eerst op bestaande terreinen wordt gefaciliteerd en pas als dat niet mogelijk is, er nieuwe (uitleg)locaties in beeld komen. Voor herstructurering is schuifruimte nodig om bestaande bedrijven naar andere terreinen te verplaatsen om de achtergebleven locaties te kunnen herstructureren en intensiveren. Herstructurering en intensivering moeten daarom gelijktijdig worden opgepakt. Integraal onderdeel van deze opgave is een kwaliteitsverbetering van de werklocaties. Samengevat willen we inzetten op: • Behoud en groei van het aantal banen passend bij de bevolking in de regio. Dit vraagt niet per direct om compensatie van meters op werklocaties, omdat de doelstelling is bestaande terreinen te intensiveren. • Regionale afspraken over herstructurering van bestaande voorraad, zodat niet alle ruimtevraag bij nieuwbouw terechtkomt.

• Ruimtewinst behalen op nieuw aan te leggen terreinen en herstructurering van werklocaties door gezamenlijke faciliteiten en planologische sturing.

33

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

• De juiste bedrijven naar de juiste plaats brengen; strijdig gebruik op werklocaties tegen gaan om zo ruimte voor bedrijven te creëren en informele werklocaties inzetten om schuifruimte te creëren. • Herstructurering van bestaande voorraad opnemen in een nieuw RPW. Circulariteit Ruimte voor circulaire activiteiten is belangrijk en nodig om onze ambities als circulaire topregio waar te kunnen maken en optimaal te kunnen bijdragen aan deze maatschappelijke opgave. Een deel van de circulaire activiteiten zijn al onderdeel van de reguliere bedrijvigheid in de regio. Ruimte voor hogere milieucategorieën (hmc: milieucategorie 4.1 en hoger) is nodig om bedrijven die hinder veroorzaken voor hun omgeving, te kunnen huisvesten of te verplaatsen. Omdat de ruimte voor hmc-activiteiten beperkt is, is selectiviteit in type bedrijf en locatie noodzakelijk. Rijk, provincies en enkele gemeenten werken aan het opstellen van een beleidslijn voor grote ruimtevragers, onder de noemer, Grip op grote bedrijfsvestigingen (GRIP). Provincies hebben van het Rijk de opdracht gekregen om zoekgebieden te identificeren voor grootschalige ruimtevragers vanaf vijf hectare, waaronder logistiek en hoge milieucategorie bedrijvigheid.

In het kader van Economie van de Toekomst zijn lijnen uitgezet ten aanzien van transformatie van werklocaties (naast grote ruimtevragers gaan we in op hoge milieucategorie en watergebonden bedrijvigheid). Deze zullen nader worden uitgewerkt in het RPW. Samengevat willen we inzetten op: • Koesteren en behouden van hmc-locaties. Hiervoor maken wij regionale afspraken in het volgende RPW. Inzet is een inspanningsplicht voor gemeenten om hmc-locaties te behouden bij transformatie. • Meer inzicht in de ruimtevraag circulair: welke bedrijven zijn hier gevestigd, welke locatie-eigenschappen hebben zij en welke toekomstige ruimtebehoefte valt er hierbij te verwachten? • Prioritering van de circulaire opgave; welke type circulaire activiteiten willen we faciliteren in de regio? Logistiek Logistiek is een basisvoorwaarde voor een economisch vitale en leefbare regio. De logistieke sector is tenslotte noodzakelijk om alle sectoren effectief en efficiënt te laten functioneren en ervoor te zorgen dat bedrijven en consumenten hun producten en diensten ontvangen. Een feit is dat de logistieke opgave groeit en daarnaast speelt logistiek een belangrijke randvoorwaardelijke rol bij andere opgaven in de regio zoals de energietransitie, verstedelijking, groene groei en bewuster gebruik van ruimte.

Ruimte voor logistiek is dus noodzakelijk, maar dit moet echt slimmer en duurzamer en daar waar mogelijk bijdragen aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Samengevat willen we inzetten op: • Lokale logistiek; wij zetten in op de ontwikkeling van stadsdistributiehubs (cityhubs) aan de rand van de stad. • Lokale en regionale logistiek; wij creëren ruimte voor regionaal gevestigde logistieke bedrijven, waardoor schuifruimte ontstaat op bestaande werklocaties voor onder andere cityhubs. Voor de uitbreidingsruimte kijken we naar locaties geclusterd rondom bestaande werklocaties en nabij de snelwegen. • Bovenregionale logistiek; wij blijven ruimte bieden voor de activiteiten van bestaande logistieke ondernemers. Voor ondernemers buiten de regio bieden we alleen ruimte als zij aantoonbare ondersteunende (logistieke) opgaven vervullen ten behoeve van de topsectoren health, hightech en energy. Nieuwe uitbreiding voor bovenregionale logistiek positioneren we binnen de bestaande logistieke knooppunten (Knoop EMZ en Knoop 38). Hoeveel ruimte daarvoor nodig is, onderzoeken we in het traject rondom het nieuwe RPW. Het Rijk vraag provincies ook om ruimte voor grootschalige ruimtevragers (GRIP). • Uitgifte logistieke kavels vraagt ook om voorzieningen.

34

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

• Nieuwe ruimte zetten we zo efficiënt mogelijk in (ruimtewinst in de uitgifte van nieuwe logistieke kavels). • Bovenstaande punten worden verder uitgewerkt en hier worden regionale afspraken over gemaakt in een nieuw RPW. Investeren in ruimte voor campussen en innovatiemilieus De campussen in de Groene Metropoolregio zijn een magneet voor talent, ondernemerschap en investeerders. Dit zorgt voor innovatieve bedrijvigheid op deze bijzondere werklocaties. Het zijn ook dé plekken waar (jong) talent wordt opgeleid en waar onderzoek en valorisatie leidt tot innovaties met maatschappelijke impact. Voor een duurzame economische ontwikkeling en het innovatieve vermogen van de regio is het van belang dat de positie van de campussen verder wordt versterkt in zowel economisch als ruimtelijk opzicht. Dat betekent dat er regionaal aandacht nodig is voor het faciliteren van voldoende ruimte voor innovatieve bedrijvigheid in onze health-, hightech- en energyecosystemen én dat er op de bestaande campussen samen met het Rijk en de provincie (meer) geïnvesteerd moet worden. Samengevat willen we inzetten op: • Ruimte voor ontwikkeling is cruciaal voor de verder groei van het innovatieve ecosysteem op en rond de bestaande campussen en op innovatieve werklocaties in de regio. Daarom moeten we bestaande ruimte op campussen en werklocaties slim benutten en waar mogelijk uitbreiden.

• Een optimale en duurzame bereikbaarheid van de campussen op fiets en met openbaar vervoer is noodzakelijk. • Voorzieningen zijn nodig om de levendigheid en aantrekkelijkheid van de campussen en de ruimte daaromheen te versterken.

Tot slot: Naar een nieuw RPW De uitgangspunten uit het onderzoek Economie van de Toekomst vertalen we door in een nieuw RPW. In een integrale afweging maken we eerst een opdracht voor de nieuwe RPW. Op 1 januari 2025 moet er een nieuw RPW liggen.

Afbeelding 6: Verhaallijn 2; Ordenende netwerken voor klimaat, energie en (circulaire) economie

35

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Samenvatting Rond de thema’s klimaat, energie en (circulaire) economie is op dit moment veel in beweging. En alle ontwikkelingen hebben een impact op de ruimte en het ruimtegebruik. Wat betreft klimaat levert de Groene Metropoolregio op diverse manieren een bijdrage aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. Vaak hebben deze maatregelen een stevige impact op het ruimtegebruik. We werken hier onder meer aan via de RES. De geringe capaciteit op het elektriciteitsnet (Netwerkcongestie) is inmiddels een beperkende factor geworden voor ruimtelijke ontwikkelingen en vormt een ernstige bedreiging voor het behalen van onze doelen. We hebben als stedelijk knooppunt een mooie uitgangspositie met een ondernemend en innovatief ecosysteem voor het mkb. De ambitie van de regio is zich nog verder te ontwikkelen als Groene Metropoolregio van nationale én internationale betekenis, als circulaire topregio van ons land en Europa. Om dat te bereiken werken we aan toekomstbestendige en duurzame werklocaties (herstructurering, circulariteit en logistiek), investeren we in campussen en gaan we een nieuw, toekomstbestendig RPW maken. Wat is hiervoor nodig? Klimaat/energie • Herijking van de RES met als doel een betere verhouding in de opwek van energie door zon en wind waardoor het energienet minder belast wordt. • Structurele financiering van RES-taken.

• Verankering van de RES in het omgevingsbeleid en gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het realiseren van de RES-doelen. • We werken aan een regionale programmering van de energie-infrastructuur. De programmering doen we in samenhang met de programmering op Gelderse schaal en vormt daarmee de input voor het programma GEIS. Vanuit dit programma wordt ook de verbinding gelegd met de programmering van het landelijk netwerk. • Versnellen van ruimtelijke procedures om aanleg van energie-infrastructuur mogelijk te maken. • Samen met de netbeheerder worden de kansen voor het gebruik van waterstof in de industrie die niet makkelijk kan elektrificeren (cluster 6) verkend. We brengen in beeld wat er nog wel aan ontwikkelingen mogelijk is met de bestaande restcapaciteit van de onderstations en hoe zich dat verhoudt tot onze plannen tot 2030. Op basis hiervan gaan we lokale maatwerkoplossingen ontwerpen, financieringsafspraken maken, programmeren en uitvoeren. • Afwegingsruimte voor de provincie en netbeheerder is nodig om te kunnen prioriteren bij aansluitingen op het energienet. (Circulaire) economie • We vertalen de uitgangspunten voor de Economie van de Toekomst in een nieuw RPW. In het nieuwe RPW zullen net als in het huidige RPW afspraken worden opgenomen over de ontwikkeling van kantoren en detailhandel.

• Bij de realisatie van terreinen voor logistieke activiteiten onderzoeken we de mogelijkheden om daarbij lokale, regionale en bovenregionale logistiek slim te combineren. • We ontwikkelen een visie op onze circulaire economie, passend bij onze regionale kracht en behoefte. We doen in het kader van het nieuwe RPW onderzoek naar de vestigingseisen voor circulaire bedrijvigheid in onder andere de hoge milieucategorieën en naar mogelijkheden om deze te huisvesten.

36

Regioarrangement Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

4.3

Derde verhaallijn: Leefbare dorpen en steden Zorgvuldig ruimtegebruik ligt aan de basis van de groene groei-ambities van de Groene Metropoolregio. In dit perspectief gaan we in op: 1 Woonopgave 2 Mobiliteitsopgave 3 Recreatie en toerisme 4 Voorzieningen zoals scholen, zorg en cultuur 5 Erfgoed

4.3.1

Wonen De woonopgave tot 2030 ligt vast in de Woondeals. De opgave voor de periode daarna hebben we in de Verstedelijkingsstrategie ook al benoemd, zonder al definitief locatiekeuzes vast te leggen. Dit geeft ons de gelegenheid om de zoekgebieden nog goed af te wegen, bijvoorbeeld op de effecten voor water en bodem.

Woondeal 2.0 In 2020 zijn gemeenten binnen de Groene Metropoolregio, provincie Gelderland en het Rijk een langjarig partnerschap aangegaan voor een beter werkende woningmarkt. Aanleiding was het feit dat de Groene Metropoolregio in de top 3 van regio’s in Nederland stond met het hoogste woningtekort, de woonopgaven bovengemiddeld waren en de uitvoering onder druk stond. Concrete resultaten van Woondeal 1.0 zijn: een regionale woningmarktmonitor, uitbreiding van plancapaciteit, toevoeging van nieuwe locaties en gebieden, ombuiging naar meer betaalbare programma’s, een circulaire impactladder, extra handen en expertise via flexpools en aanjagers. Alle partijen hebben extra middelen beschikbaar gesteld voor toevoeging van nieuwe woningen en gebiedsontwikkelingen. De Rijksbijdragen aan woningbouw in deze regio tellen in afgelopen drie jaar op naar ongeveer €400 miljoen. Dit betreft cofinanciering voor gebiedsontwikkelingen en de bouw van 19.320 woningen. Lokale en regionale overheden, marktpartijen en corporaties investeren een veelvoud. We zijn er nog niet. Het in 2022 uitgevoerde regionale woningbehoefteonderzoek herbevestigt dat de woonopgave het lokale niveau overstijgt; versterkte samenwerking tussen regio(gemeenten), provincie en Rijk is nodig voor een passende bijdrage van iedere gemeente aan deze opgave.

Voor het langjarig toevoegen van voldoende woningen, ruimtelijk goed ingepast binnen het concept ‘meer landschap, meer stad’ blijft ieders inzet en betrokkenheid noodzakelijk. Rijk, provincie en gemeenten hebben in de Woondeal 2.0 onder andere afgesproken dat we gaan voor: • Realisatie van de woningbouwopgave als bouwsteen en binnen de kaders van de Verstedelijkingsstrategie. • Een woningtekort van 2% wordt door overheden als gezond beschouwd. Daarom zetten we in op de bouw van zo’n 55.000 woningen richting 2040. Conform de Woondeal moeten er minimaal 33.000 woningen tot en met 2030 gerealiseerd worden. We sturen daarbij echter op 38.000 woningen tot en met 2030. Zo vullen we de behoefte van 42.000 woningen grotendeels in, die blijkt uit recent woonbehoefteonderzoek. We zetten waar mogelijk in op realisatie en versnelling. Daarvoor is invulling van bredere randvoorwaarden voor gebiedsontwikkeling noodzakelijk. Als dit niet gebeurt zal het woningtekort op een (te) hoog niveau blijven. • Realisatie van ongeveer 20.000 van deze woningen in drie grootschalige NOVEX-woningbouwlocaties: Nijmegen Stationsgebied, Nijmegen Kanaalzone en Spoorzone Arnhem-Oost en 17.000 woningen in de zeventien andere focusgebieden. • Ophoging van de woningproductie van 3.300 naar zo’n 3.700 woningen per jaar, onder andere door inzet op flexwoningen en ruimte voor alternatieve woonvormen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rozendaal&id=445574ca-c8e2-42bf-a2db-7923017d00e1