3. Verzamelverord. W&I Bijl 2 Toelichting
Tekst van het document
Toelichting Verzamelverordening Algemene toelichting Deze Verzamelverordening ziet in de eerste plaats toe op de regels die op grond van de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de BBZ moeten worden vastgesteld, maar gaat verder dan dat. Ook het participatiebeleid dat voortvloeit uit de ‘autonome bestuursbevoegdheid’ van de gemeente (artikel 149 Gemeentewet) komt aan bod via de inkomensregelingen (zie Hoofdstuk 5). Deze regels waren voorheen in afzonderlijke verordeningen ondergebracht. We hebben ervoor gekozen om de regels samen te voegen in één document. Dit versterkt de samenhang tussen de verschillende onderdelen, vergroot de leesbaarheid en daarmee ook de uitvoerbaarheid. De toelichting is beperkt van opzet en gaat uit van het principe, dat de verordening helder genoeg moet zijn en dat slechts wat echt noodzakelijk is voor het goede begrip, wordt verduidelijkt.
Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld. Ze worden per hoofdstuk toegelicht.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1: Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Inkomen In aanvulling op artikel 32 en 33 van de wet, vallen ook inkomsten uit de algemene bijstand (op grond van Participatiewet, IOAW, IOAZ, BBZ) en uit zelfstandigheid, zowel in het geval van een fulltime ondernemer als in het geval van een parttime ondernemer, onder de definitie van inkomen. Inwoner Met inwoner bedoelen wij ook de persoon die een briefadres elders heeft, maar wel feitelijk verblijft binnen de gemeente Rozendaal. Dit houdt in dat het centrum van het maatschappelijk leven van de persoon zich binnen de gemeente Rozendaal bevindt. Mantelzorg In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de 1
Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015). Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke zorg kan worden verstaan, wordt aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg.
Hoofdstuk 2 Re-integratie Artikel 2.1 Doelgroep Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 2.2. Maatwerk Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. Met een functionele beperking wordt bedoeld dat iemand belemmerd is in zijn functioneren, zoals slecht zien, psychische problemen of verminderde mobiliteit. In artikel 2.2, tweede lid, wordt benadrukt dat ondersteuning niet per se de inzet van een voorziening hoeft in te houden. Als het kan, kan worden volstaan met advies of doorverwijzing naar andere instanties. In artikel 2.2, derde lid, is opgenomen met welke omstandigheden het college in ieder geval rekening moet houden.
Artikel 2.3: Algemene bepalingen over voorzieningen De wet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. De verordening biedt geen limitatieve lijst van voorzieningen. Beëindigingsgronden Het vijfde lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden genomen. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de wet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren, tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
2
minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie (als bedoeld in artikel 10d van de wet) is verstrekt.
Artikel 2.4: Scholing Dit artikel regelt dat het college een scholingstraject kan aanbieden aan een persoon die behoort tot de doelgroep, zoals beschreven in artikel 2.1, lid 1 en lid 2. Bij de inzet van scholing wordt gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie, de duur en de kosten ervan. Gekozen wordt voor die scholing die het snelst leidt tot het beoogde doel.
Artikel 2.5: Voorziening beschut werk Met ingang van 1 januari 2017 is het college verplicht beschut werk aan te bieden aan personen van wie het college, op advies van UWV, heeft vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Die verplichting is begrensd: het aantal jaarlijks te realiseren beschutte werkplekken wordt bij ministeriële regeling bepaald. Bij een lager aantal positieve adviezen van UWV blijft de verplichting beperkt tot dat aantal afgegeven positieve adviezen. Bij een hoger aantal positieve adviezen van UWV blijven de aantallen zoals neergelegd in de ministeriële regeling van toepassing. Gemeente Rheden kiest ervoor om inwoners, eventueel via detachering, in een beschutte omgeving zoveel mogelijk bij reguliere werkgevers te laten werken. Zo nodig wordt een beschutte werkvoorziening voor mensen met een beschut werk indicatie via een dienstverleningsovereenkomst ingekocht.
Artikel 2.6 Proefplaats Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 2.7 Loonkostensubsidie Dit artikel is een uitwerking van de wettelijke verplichting voor gemeenten om bij verordening te bepalen hoe het administratief proces met betrekking tot het verstrekken van loonkostensubsidie is vormgegeven (artikel 8a, eerste lid en tweede lid, onder c, van de Participatiewet). Door in de verordening naar het werkproces te verwijzen beoogt de wetgever ervoor te zorgen dat werkgevers, in het kader van transparantie, beter weten waar zij aan toe zijn (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 54-55). Omdat alleen personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hiervoor in aanmerking komen, regelt het tweede lid dat op het moment dat er een aanvraag binnenkomt met betrekking tot een persoon ten aanzien van wie nog niet is vastgesteld dat deze onder de doelgroep valt, de aanvraag mede moet worden gezien als een aanvraag om onder de doelgroep te worden gebracht. 3
Het vierde lid verwijst naar het administratieve werkproces dat door het college wordt gevolgd. Dit betreft het preferente proces loonkostensubsidie. Hiermee wordt gedoeld op het proces zoals dat door “De normaalste zaak”, een netwerk van bijna 700 werkgevers die samen aan de inclusieve arbeidsmarkt bouwen, is ontwikkeld en landelijk is uitgerold. Door hierbij aan te sluiten en het makkelijker te maken voor werkgevers wordt beoogd dat meer personen met een loonkostensubsidie aan het werk kunnen komen.
Artikel 2.8 Persoonlijke ondersteuning Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen voor de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk.
Eerste en tweede lid Deze leden gaan over de aanvraag door werkgever of werknemer. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting. Het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. Derde lid Het college houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager en met zijn wensen en die van de werkgever. Als dat nodig is, wint het college een specifiek deskundig oordeel in. Vierde lid In artikel 8a, tweede lid, onder g, van de Participatiewet is bepaald dat in de verordening ook moet worden opgenomen op welke wijze wordt voorzien in integrale ondersteuning. In het zesde lid is daartoe bepaald dat het college tijdens het onderzoek, als dat nodig is, ook voorzieningen uit andere wetten (jeugdhulp, Wmo, schuldhulpverlening, enz.) betrekt bij de afweging en zo komt tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening. Vijfde en zesde lid Vereist is dat de persoon behoort tot de doelgroep, bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren. Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (zesde lid).
Zevende en achtste lid Het zevende en achtste lid geven aan op welke wijze het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning aan de doelgroep in natura en in de vorm van een subsidie (artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet). Persoonlijke ondersteuning bij werk omvat zowel jobcoaching als interne werkbegeleiding. Deze twee vormen van persoonlijke ondersteuning worden beide benoemd. In het kader van duurzame plaatsing wordt bij voorkeur persoonlijke begeleiding georganiseerd door de werkgever, zijnde interne werkbegeleiding of jobcoach in dienst werkgever. 4
Mocht dit niet mogelijk zijn, of heeft de werknemer een andere begeleidingsvraag, dan zijn de andere varianten ook mogelijk om in te zetten. Negende lid Uitgangspunt bij persoonlijke ondersteuning is dat de persoon binnen drie jaar na indiensttreding en/of na start van de ondersteuning bij een lopende dienstbetrekking geacht wordt zijn werk zelfstandig te kunnen uitvoeren. Daarom is de maximale duur van de persoonlijke ondersteuning in beginsel drie jaar in dezelfde dienstbetrekking bij dezelfde werkgever. In specifieke situaties kan de inzet van persoonlijke ondersteuning verlengd worden als dat nog noodzakelijk is. Uiteraard stopt de persoonlijke ondersteuning bij een werkgever op het moment dat de dienstbetrekking met de persoon eindigt. Bij het aangaan van een nieuwe dienstbetrekking (een nieuwe werkgever of bij verandering van functie bij dezelfde werkgever), kan opnieuw persoonlijke ondersteuning worden ingezet voor maximaal drie jaar. Tiende lid Het aanbieden van persoonlijke ondersteuning in het geval van een proefplaats (als dus nog geen sprake is van een dienstverband), vormt een uitbreiding op de wettelijke basisplicht om deze ondersteuning aan te bieden ten behoeve van opgedragen taken die worden verricht in het kader van een dienstverband bij een werkgever. Artikel 2.9a.
Jobcoach in dienst van jobcoachorganisatie Het tweede lid is een uitwerking van artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 2, van de Participatiewet, waarin de opdracht is neergelegd om in de verordening aan te geven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de jobcoach en hoe deze eisen worden gewaarborgd. Dit is relevant omdat kwaliteit, en kwaliteitseisen, een waarborg (kunnen) zijn voor een goede inzet van de jobcoach. Een jobcoach heeft minimaal hbo werk- en denkniveau, een jobcoachopleiding (met bijbehorende bijscholing) en ervaring op het gebied van jobcoaching. Jobcoaching kan bijvoorbeeld worden ingekocht bij organisaties die een Blik op werk of Oval Keurmerk hebben of een jobcoacherkenning van UWV hebben of waarvan de individuele jobcoaches een actuele registratie hebben in het Register Loopbaancoach (voormalig Noloc Jobcoach) of het NVSBeroepenregister voor jobcoaches. Dit is geen harde eis maar helpt om te bepalen of er sprake is van een erkende jobcoach. Het vierde en vijfde lid is een uitwerking van de uit artikel 8a, tweede lid, onder e, sub 1, van de Participatiewet voortvloeiende verordeningsplicht. Voor het bepalen van de omvang en intensiteit van de jobcoaching wordt uitgegaan van drie begeleidingsregimes: laag, midden en hoog. Het aantal in te zetten begeleidingsuren is altijd maatwerk.
Het aantal begeleidingsuren is afhankelijk van het begeleidingsregime en wordt uitgedrukt in een aantal uur per jaar/maand. De inzet van een jobcoach kent doorgaans een geleidelijke afbouw qua uren (en intensiteit).
5
Artikel 2.9b Jobcoach in dienst van gemeente In voorkomende gevallen kan de gemeente een jobcoach inzetten die zij zelf in dienst heeft of die in opdracht van haar werkt. Om een goede inzet van de jobcoach te waarborgen worden kwaliteitseisen gesteld die gelijk zijn. Artikel 2.9c Subsidie voor jobcoach in dienst van werkgever Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning door middel van subsidieverstrekking voor jobcoaching door de werkgever. Dit artikel voorziet hierin en regelt in het tweede en derde lid welke eisen aan de jobcoach gesteld worden en wat het kader voor de hoogte van de subsidie is. In het vijfde lid wordt gesteld dat de subsidie zonder voorafgaande verlening wordt verstrekt aan de werkgever. Dit betekent dat bij toekenning de subsidie direct definitief wordt vastgesteld en achteraf geen (vaststellings-) beschikking wordt verstuurd. De werkgever ontvangt een toekenningsbeschikking van de subsidie.
Artikel 2.9d Subsidie voor interne werkbegeleiding Artikel 8a, tweede lid, onder e, onderdeel 1, van de Participatiewet in combinatie met artikel 10, derde lid, onder b, van de Participatiewet bepaalt onder andere dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van persoonlijke ondersteuning in de vorm van een interne werkbegeleider door middel van subsidieverstrekking. Dit artikel regelt in het eerste, tweede en derde lid hoe dit mogelijk is, welke eisen aan de interne werkbegeleider gesteld worden en wat het kader voor de hoogte van de subsidie is. In het vijfde lid wordt gesteld dat de subsidie zonder voorafgaande verlening wordt verstrekt aan de werkgever. Dit betekent dat bij toekenning de subsidie direct definitief wordt vastgesteld en achteraf geen (vaststellings-) beschikking wordt verstuurd. De werkgever ontvangt een toekenningsbeschikking van de subsidie. Artikel 2.10 Algemene bepalingen voor vervoersvoorzieningen, intermediaire activiteit en meeneembare voorzieningen Dit artikel bevat een aantal voorwaarden voor de toekenning van voorzieningen aan personen met een arbeidsbeperking. Het is van belang dat de inzet van de persoonlijke ondersteuning en/of overige voorziening noodzakelijk is om het werk uit te kunnen voeren (a).
Om een doelmatige inzet van de re-integratiemiddelen te waarborgen is er een minimale omvang verbonden aan de dienstbetrekking (b). Op het moment dat het gaat om een voorziening waarvan verwacht mag worden dat de werkgever hiervoor zelf zorgdraagt, omdat dit bijvoorbeeld voortvloeit uit de Arbo-regels, wordt de voorziening niet verstrekt op grond van 6
deze verordening (c, d en e). De aan de voorziening(en) verbonden kosten kunnen in uitzonderlijke gevallen leiden tot het afwijzen van de gevraagde voorziening(en), op het moment dat deze kosten in geen verhouding staan tot de (maatschappelijke) baten die verbonden zijn aan de verstrekking van de voorziening(en) (f).
Artikel 2.11 Vervoersvoorziening Met het eerste lid worden uitdrukkelijk geen reguliere vervoerskosten bedoeld. Het gaat om gevallen waarin een inwoner wegens een functionele beperking niet zonder deze voorziening naar zijn werk kan reizen. Naast de reis naar een werkplek, proefplaats of opleidingslocatie wordt in dit artikel ook de reis naar een door de gemeente ingezet re-integratie instrument bedoeld. Dit instrument kan van diverse aard zijn, denk aan een leer-werkplek, dagbesteding of therapie in het kader van re-integratie. Waar in het tweede lid woon-werkverkeer wordt genoemd, wordt ook bedoeld vervoer naar een proefplaats, opleidingslocatie of re-integratieinstrument, zoals in de alinea hierboven beschreven.
Artikel 2.12 Noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische beperking Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 2 van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor de inzet van intermediaire activiteiten. Intermediaire activiteiten zijn voorzieningen voor personen met een motorische beperking. Mensen met een structurele fysieke arbeidsbeperking hebben vaak extra ondersteuning nodig om te kunnen functioneren op de werkvloer. Bijvoorbeeld computervoorzieningen en andere hulpmiddelen.
Artikel 2.13 Meeneembare voorzieningen Artikel 8a, tweede lid, onder f, onderdeel 3, van de Participatiewet bepaalt dat in de verordening moet worden geregeld hoe het college zorgdraagt voor het verstrekken van meeneembare voorzieningen voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen. Hiervoor is geen limitatieve lijst. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 2.10.
Artikel 2.14 Werkplekaanpassing Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 2.15 Inhoud van een tegenprestatie
7
Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet, en in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW/IOAZ. Met de tegenprestatie wordt beoogd dat de belanghebbende wat terugdoet voor het krijgen van een uitkering. De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De werkzaamheden die de belanghebbende in het kader van de tegenprestatie krijgt opgedragen, vinden in principe binnen de gemeentegrenzen plaats. Rhedense visie De tegenprestatie wordt binnen de gemeente Rheden, mede voor inwoners van Rozendaal, conform de volgende kaders vormgegeven: - de eigen verantwoordelijkheid en zelfregie van de burger staan centraal.
Iedereen draagt zijn steentje bij aan de samenleving; - er wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van de bestaande sociale infrastructuur; - er wordt zoveel mogelijk uitgegaan van de wensen, mogelijkheden en intrinsieke motivatie van de betrokkene. Op basis van deze kaders streven wij met de inzet van de tegenprestatie de volgende doelstellingen na: - met de tegenprestatie is het mogelijk dat de betrokkene uit zijn isolement en in beweging komt; - met het doen van de tegenprestatie kan de betrokkene in het kader van wederkerigheid iets terugdoen voor zijn eigen wijk, buurt of gemeente; - een bijkomend neveneffect van de tegenprestatie is dat het een preventieve werking heeft op de instroom.
Artikel 2.16 Het opdragen van een tegenprestatie Het opleggen van een tegenprestatie bij uitkeringsgerechtigden is een verplichting uit de wet. Binnen de gemeente Rheden is ervoor gekozen om in artikel 4, lid 1, een ‘kan’ bepaling te gebruiken bij het opleggen van een tegenprestatie. In de visie van de gemeente Rheden, gaan wij uit van de intrinsieke motivatie van de burger. Mensen willen zelf een tegenprestatie leveren als tegemoetkoming aan de bijstandsuitkering. Dit wordt door het college gewaardeerd en gestimuleerd. Indien er geen sprake is van intrinsieke motivatie en/of een vrijwillige tegenprestatie, kan de gemeente alsnog een tegenprestatie opleggen.
8
Artikel 2.17 Duur en omvang van een tegenprestatie Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
Artikel 2.18 Vrijstellingen Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 2.19 Geen werkzaamheden voorhanden Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Hoofdstuk 3 Handhaving rechtmatige verstrekking Artikel 3.1. Opdracht aan het bestuur Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.
Artikel 3.2: Kaders tegengaan oneigenlijk gebruik Het beleid voor handhaving is gebaseerd op het landelijke model: de cirkel van naleving. Dit model is opgebouwd uit vier pijlers, waarvan twee preventief en twee repressief van aard zijn: 1. goede en tijdige voorlichting over rechten en plichten; 2. het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor spontane naleving PW); 3. het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik en 4. het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik. Het college werkt de pijlers genoemd in dit artikel verder uit in beleidsregels en richtlijnen voor de uitvoering. Het rechtmatig verstrekken van uitkeringen, het voorkomen en het bestrijden van oneigenlijk gebruik van de PW, IOAW, IOAZ en Bbz is gewaarborgd door te werken naar de uitgangspunten van het landelijke model. Het college voert de vier visievelden van dat model in samenhang uit. De nadruk ligt op preventie en gedragsverandering (spontaan naleven verplichtingen). Voorkomen is beter dan genezen. 9
Artikel 3.3: Bevorderen rechtmatigheid De gemeente krijgt via het inlichtingenbureau inzicht in landelijke systemen en kan hier alleen die informatie uit halen die nodig is voor de beoordeling van het recht op uitkering. Deze informatie is alleen gebaseerd op feiten en de toegang hiertoe is streng beveiligd vanuit privacy oogpunt. Sommige informatie moet bij de aanvrager van een uitkering of uitkeringsgerechtigde opgevraagd worden. Dit doen we alleen als het nodig is, en de eigen inzage onvoldoende is. Wanneer er twijfel ontstaat omtrent het recht op uitkering moet de gemeente dit onderzoeken. De hiervoor gebruikte onderzoeksmiddelen zullen altijd beoordeeld worden op inzet van de voor de inwoner minst belastende vorm (proportionaliteit/subsidiariteit). 3.4: Terugvorderen vastgestelde benadelingsbedragen Het college vordert ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bruto uitkering vanwege oneigenlijk gebruik van de PW, IOAW, IOAZ of Bbz 2004, in beginsel terug volgens de door het college vastgestelde beleidsregels. Deze beleidsregels voorzien mede in het afzien van het terugvorderen van (marginale) kosten van bijstand, de termijn waarover belanghebbende naar draagkracht moet terugbetalen en het matigen dan wel afboeken (kwijtschelden) van terug te vorderen kosten van bijstand.
3.5: Aangifte bij het Openbaar Ministerie Het college kan aangifte doen van misbruik met bijstand bij het Openbaar Ministerie (OM) wanneer het benadelingsbedrag hoger is dan € 50.000,00. Wanneer het college aangifte doet bij het OM, legt zij geen boete op. Dit zou in strijd zijn met het beginsel ‘ne bis in idem’ (niet tweemaal straffen voor hetzelfde feit). Bij de afweging van het college of er daadwerkelijk aangifte zal worden gedaan worden de gemaakte afspraken met het OM over het doen van aangifte wegens misbruik gevolgd.
Hoofdstuk 4 Afstemming Algemeen Rechten en plichten in de Participatiewet De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid vastgelegd worden in een verordening. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de rechten en plichten van 10
uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een rol. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet geüniformeerde arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één tot drie maanden.
In de verordening de duur van de verlaging vastgelegd (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). Is er afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet of vanwege dringende redenen afgezien van het opleggen van een verlaging, dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening is een punitieve sanctie voor zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft misdragen. Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze verlaging en de strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet op grond waarvan de bijstand kan worden verlaagd.
In andere gevallen waarin een verlaging wordt opgelegd krachtens de afstemmingsverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De verlaging en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie. Afstemmen in de IOAW en de IOAZ Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: 11
IOAZ) te verlagen of te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een verordening (artikel van de 35 IOAW en artikel 35 van de IOAZ). De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en maatregelenregime, waarbij moet worden opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te leggen al per 1 januari 2010 was vervallen. Niet verlenen van medewerking Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging van de uitkering. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op uitkering omdat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de uitkering is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de praktijk betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening. Schenden van de inlichtingenplicht De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Participatiewet, IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van de verlaging van de uitkering Artikel 4.1 Het besluit tot opleggen van een verlaging Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering is voorzien. Artikel 4.2 Horen van belanghebbende In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat tot een verlaging wordt besloten in beginsel voorgeschreven. Artikel 4:11 van Algemene wet bestuursrecht bevat een aantal uitzonderingen in de hoorplicht. Met de uitzondering dat van horen kan worden afgezien indien de vereiste spoed zich daartegen verzet, zal zeer terughoudend dienen te worden omgegaan.
Zowel in de rapportage als in het besluit dient aandacht te worden besteed aan het feit of belanghebbende van de mogelijkheid zijn zienswijze kenbaar te maken, gebruik heeft gemaakt (telefonisch, schriftelijk of uitgenodigd voor gesprek) en, zo ja, op welke wijze diens zienswijze in de besluitvorming is betrokken. 12
Artikel 4.3 Afzien van verlaging Het afzien van het opleggen van een verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt’, is overgenomen uit artikel 18, negende lid, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 20, derde lid, van de IOAW en artikel 20, derde lid, van de IOAZ. Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid. Het is aan het college te beoordelen of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen (zie artikel 16 van deze verordening). Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet van een verlaging afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive. In het tweede lid wordt geregeld dat van tenuitvoerlegging van de verlaging kan worden afgezien indien er sprake is van dringende redenen. Soms kunnen er zwaarwegende argumenten zijn om van de tenuitvoerlegging van een overigens gerechtvaardigde verlaging af te zien. Het betreft dan argumenten die met de reden van de verlaging niets van doen hebben. Deze zijn immers al bij de vaststelling van de hoogte en de duur van de verlaging meegenomen.
Men kan hierbij denken aan situaties waarin sprake is van een zodanige samenloop van omstandigheden dat deze, als de verlaging wel zou worden uitgevoerd, tot gevolg hebben dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging in een acute noodsituatie terecht komt. Het ontstaan van een betalings- of huurachterstand of een tijdelijke opschorting van een schuldsanering zijn op zichzelf geen redenen om van een verlaging af te zien. Evenmin kan het enkele feit dat de belanghebbende als gevolg van de verlaging tijdelijk een inkomen onder de beslagvrije voet ontvangt voldoende reden zijn om van de tenuitvoerlegging van een verlaging af te zien. Afzien van de uitvoering van een verlaging kan ook plaatsvinden als er sprake is van een verlaging wegens herhaald verwijtbaar gedrag. Bij elke nieuwe verlaging of heroverweging moet dus opnieuw worden beoordeeld of zich dringende redenen voordoen. Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat in de Participatiewet in artikel 18, lid 10 is vastgelegd dat de verlaging of een opgelegde verlaging afgestemd wordt op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven, indien naar het oordeel van het college gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken. Afzien van verlagen is ook mogelijk bij geüniformeerde arbeidsverplichtingen.
De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting een afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid, van de Participatiewet moet het college een op te leggen verlaging of een opgelegde verlaging/afstemmen op de omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te verwerven. Dit als -volgens het college- dringende redenen daartoe noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere omstandigheden kan het college besluiten de verlaging op een lager niveau, voor een kortere duur of op nul vast te stellen. Schriftelijke mededeling in verband met recidive
13
In de beschikking worden hoogte en duur van de verlaging vastgesteld en wordt medegedeeld om welke dringende redenen van tenuitvoerlegging wordt afgezien. De verlaging telt bij de vaststelling van eventuele recidive en volharding dus gewoon mee. Het opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 4.16. Artikel 4. 4 Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging De in dit artikel genoemde wijzen van opleggen van de verlaging zijn genoemd in volgorde van voorkeuren van effectuering. Dit heeft tot gevolg dat, indien de mogelijkheid van verlagen in de toekomst (inhouden op de uitkering) niet mogelijk blijkt te zijn, gekozen kan worden voor herziening van de uitkering in het verleden over de periode waarin de verwijtbare gedraging is gepleegd. Met het nemen van een herzieningsbesluit bestaat grond voor terugvordering van de aldus teveel verstrekte uitkering. De eenvoudigste manier van effectuering is het verlagen van de uitkering voor de eerstkomende periode volgend op de kalendermaand waarin het besluit tot opleggen van de verlaging aan belanghebbende is kenbaar gemaakt. Dit is opgenomen in het eerste lid. Uitgegaan wordt dan van de voor die maand geldende uitkering. De gemeente hoeft dan niet over te gaan tot herziening van de uitkering en het aldus teveel verstrekte bedrag terug te vorderen.
Het voordeel van deze wijze van effectuering ten opzichte van herziening is dat er geen sprake is van een terugvordering. Het tweede lid van dit artikel maakt het mogelijk bij een op een aanvraag toe te kennen uitkering het besluit tot het opleggen van de verlaging gelijk te laten vallen met het besluit tot het toekennen van die uitkering. Verlagen met terugwerkende kracht Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die gevallen kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast. Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet, respectievelijk artikel 25, tweede lid, van de IOAW en van de IOAZ, worden teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet altijd mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of is de verlaging.
Het gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen met terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend naar de toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om voldoende te solliciteren. Verlaging uitvoeren op nieuwe uitkering Een verlaging kan niet los worden gezien van het recht op uitkering. Het opleggen van een verlaging is niet mogelijk als een belanghebbende geen recht op uitkering (meer) heeft. Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, is het ook mogelijk om de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog op te leggen 14
als belanghebbende binnen een bepaalde termijn na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering op grond van de wet ontvangt. Een dergelijke verlaging kan vanwege de samenhang met het recht op uitkering niet bij voorbaat worden opgelegd. Het college moet bij het opnieuw toekennen van het recht op uitkering beoordelen in hoeverre er nog aanleiding bestaat om een verlaging toe te passen. Pas dan is sprake van een afstemmingsbesluit en staat de mogelijkheid van bezwaar tegen de verlaging open. Artikel 4.5 Berekeningsgrondslag In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt opgelegd over de uitkering. Gelet op de begripsomschrijving is dat de bijstand (algemene of bijzondere). Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder uitkering ook verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ. Artikel 4.6 Waarschuwing In dit artikel is het geven van een waarschuwing geregeld. Een waarschuwing kan in een periode van 12 maanden één keer worden gegeven. Bij een tweede verwijtbare gedraging binnen een periode van 12 maanden dient er een afstemmingsonderzoek plaats te vinden en kan er geen waarschuwing meer worden gegeven. Een waarschuwing telt niet mee voor recidive. Artikel 4.7 Gedragingen Participatiewet De artikelen 4.7 en 4.9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen.
In artikel 4.7 worden schendingen van verplichtingen uit de Participatiewet geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 4.7 zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 4.9 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Categorie 1 Het betreft hier de gedraging zich niet tijdig te laten registreren als werkzoekende bij het UWV of het niet tijdig laten verlengen van de registratie. Categorie 2 Bij toekenning van de bijstand of in een later stadium, kunnen aan de belanghebbende die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn levensonderhoud te voorzien, verplichtingen worden opgelegd. Het gaat hierbij om verplichtingen mee te werken aan een onderzoek naar zijn/haar mogelijkheden en de benodigde re-integratie-instrumenten of om deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk moet leiden tot uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie. De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad wanneer de belanghebbende deze verplichting niet of onvoldoende nakomt. Dat kan gevolgen hebben voor de duur van de aanspraak op bijstand.
Het niet of onvoldoende verlenen van medewerking aan een traject zal immers leiden tot vertraging van dat traject. De gedragingen in deze categorie hebben niet tot gevolg dat het traject (definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de 15
belanghebbende in het kader van zijn re-integratietraject niet op afspraken verschijnt, niet deelneemt aan de groepsbijeenkomsten, opdrachten niet naar behoren uitvoert of zich niet coöperatief opstelt. Ook is bedoeld de gedraging die betrekking heeft op de actieve sollicitatieplicht. Belanghebbende is verplicht een minimaal aantal sollicitaties te verrichten en hiervan op verzoek bewijsstukken te tonen. Het exacte minimum aantal verplichte sollicitaties zal onder andere afhangen van het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele mededeling van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen, tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Specifiek voor personen jonger dan 27 jaar geldt dat zij worden beoordeeld op hun inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43 lid 4 en 5 Participatiewet). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van artikel 13 lid 2 onderdeel d Participatiewet geen recht op bijstand. Zijn er wel inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende, dan kan het college de uitkering verlagen. Deze verlaging kan in principe reeds worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 8 lid 2 van deze verordening.
Categorie 3 De verwijtbare gedragingen opgenomen in het derde lid zijn niet aan de orde voor zover het gaat om het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. In artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet staan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: verlaging van de bijstand met honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 11. Bij lid 3 gaat het om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in lid 2, de tweede categorie, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of afbreken van het traject. In de praktijk zal deze gedraging veelal plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft laten blijken niet mee te willen werken aan instrumenten gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot beëindiging van een traject leiden.
In alle gevallen betreft het gedragingen die de kans op uitstroom voor langere tijd ernstig belemmeren. Zonder traject is inschakeling in de arbeid voor de desbetreffende belanghebbende vrijwel niet mogelijk. Artikel 4.8 Gedragingen IOAW en IOAZ De artikelen 4.8 en 4.9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 4.8 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 4.8, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 4.9 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Zie voor de toelichting van de gedragingen categorie 2, de toelichting van categorie 2 in artikel 4.7. 16
Voor de gedragingen als bedoeld in 4.8, derde categorie onder b, c en d geldt dat het hier betreft gedragingen die op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ aanleiding geven voor weigering van die uitkeringen. Artikel 4.9 Hoogte en duur van de verlaging Rheden heeft op enig moment gekozen voor vaste bedragen. De berekening is afgeleid van percentages, te weten 5%, 20% en 40% van het gemiddelde van de uitkering alleenstaande en echtpaar en afgerond naar boven. Voor de verlagingswaardige gedragingen wordt de volgende berekening van de afstemmingsbedragen toegepast: Norm alleenstaande € 982,79 Norm echtpaar € 1.403,98 € 2.386,77 : 2 = € 1 193,39 x 5% = afgerond € 60,00 (€ 59,66) x 20% = afgerond € 240,00 (€ 238,68)
Artikel 4.10 Duur verlaging bij schending uniforme arbeidsverplichting De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een uniforme arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstand gedurende een bij deze verordening vastgestelde periode (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin, van de Participatiewet). Deze periode is vastgesteld op een maand. Artikel 4.11 Verrekenen verlaging Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een uniforme arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de verlaging en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, wordt de verlaging stopgezet en ontvangt belanghebbende weer de volledige uitkering (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling. Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een uniforme arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigheden.
Hierbij kan gedacht worden aan: - vergroting schuldenproblematiek; - (dreigende) huisuitzetting; - afsluiting van gas en elektriciteit.
17
In artikel 4.10 wordt gesproken over de ‘maand van oplegging’. Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Met de ‘maand van oplegging’ wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin het besluit aan belanghebbende is bekendgemaakt. Is sprake van een tweede of volgende schending van uniforme arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de verlaging niet mogelijk. Artikel 4.11 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 4.10 van deze verordening en als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 4.10, maar in artikel 4.16, derde lid, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. Artikel 4.12 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen.
Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die ertoe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): - een onverantwoorde besteding en het snel interen van vermogen; - geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening (uitkering of toeslagen zoals huur- of zorgtoeslag); - het door eigen schuld verliezen van een voorliggende voorziening; - geen recht op huurtoeslag door het in huis nemen van illegalen; - verwijtbaar onvoldoende verzekerd zijn of een hoog eigen risico. Deze kosten zijn dan voorzienbaar, waardoor er geen bijzondere omstandigheden aanwezig worden geacht. Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt als een uniforme arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Op grond van artikel 4.12 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag.
Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer, of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. Een bijzondere vorm van verlagingswaardig gedrag is een belanghebbende die het recht op een voorliggende voorziening niet kan effectueren omdat sprake is van een recidiveboete. Uitvoeringsinstanties zoals het UWV en de SVB kennen namelijk de mogelijkheid om gedurende maximaal 5 jaar het recht op uitkering volledig te verrekenen met een recidiveboete. Op deze wijze komt die voorliggende voorziening niet tot uitbetaling aan belanghebbende waardoor deze een beroep zou 18
kunnen doen op bijstand op grond van de Participatiewet. De bestuurlijke boete die aan belanghebbende wordt opgelegd omdat hij bij herhaling de inlichtingenverplichtingen heeft geschonden kan tot gevolg hebben dat hij daarmee geen beroep kan doen gelden op een passende en toereikende voorliggende voorziening. De boete die hem dan wordt opgelegd zal immers met het recht op die voorziening worden verrekend en daarmee kan hij geen feitelijk beroep meer doen op die passende en toereikende voorliggende voorziening. Belanghebbende zou vanwege die toepassing van die verrekening een beroep kunnen doen op bijstand. Met inachtneming van de mogelijkheid een recidiveboete die aan belanghebbende wordt opgelegd indien deze bij herhaling de inlichtingenplicht schendt gedurende maximaal 3 maanden te verrekenen met de bijstandsuitkering wordt voorzien in een verlaging van gelijke duur: 3 maanden. Daarmee wordt ook recht gedaan aan de ernst van de gedraging die bij herhaling schending van de inlichtingenverplichting inhoudt. Indien belanghebbende minder tegoed heeft op zijn bankrekeningen dan driemaal de voor hem geldende bijstandsnorm dan wordt weliswaar, gelet op de ernst van de gedragingen, de maatregel over de eerste maand gesteld op 100% maar vervolgens minder in de tweede en nog minder in de derde maand.
Daarmee wordt recht gedaan aan het feit dat belanghebbende feitelijk over onvoldoende middelen beschikt om die drie maanden verlaging van 100% te overbruggen waarmee maatschappelijk ongewenste situaties zouden kunnen gaan bestaan. Een verlaging laat onverlet de mogelijkheid van toekenning van bijstand in de vorm van een lening onder toepassing van artikel 48 lid 2 onder b van de wet (noodzaak tot bijstandsverlening is het gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan). Het gevolg van bijstandsverlening in de vorm van een lening is echter de op voorhand vastgestelde terugbetaling ervan. Als het college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand en verlaging) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde. Artikel 4.13 Zeer ernstige misdragingen Het verlagen van de bijstand wegens ernstig wangedrag laat de bevoegdheid om de dader gedurende een periode de toegang tot de gemeentelijke gebouwen te ontzeggen, onverlet. Aansluiting kan daarbij worden gezocht met het gestelde hierover in het agressieprotocol. Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in artikel 9, zesde lid, van de Participatiewet. Deze verplichting staat dus op zichzelf.
Vóór 1 januari 2015 was dit een onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ. Categorieën zeer ernstige misdragingen De omschrijvingen van de zeer ernstige misdragingen zijn afkomstig uit het agressieprotocol van de gemeente Rheden en bestaan uit de volgende drie categorieën:
19
- Categorie 1: (Non) verbale agressie (Non) verbaal geweld gericht tegen de medewerker, waaronder wordt verstaan beledigen, vernederen, smaad, treiteren, discrimineren, seksuele intimidatie. - Categorie 2: Persoonsgerichte bedreiging Dreigen door houding, gebaar, of andersoortig gedrag, bemoeilijken of onmogelijk maken of juist dwingen, lokaalvredebreuk, schennis der eerbaarheid, poging tot schoppen, slaan of verwonden, stalken. - Categorie 3: Fysieke agressie Mishandeling, verwonden, pijn veroorzaken, aanranden, beetpakken, duwen, trekken, slaan, gericht gooien, spugen, wapengebruik, vernielen.
Artikel 4.14 Niet nakomen van overige verplichtingen. De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid. De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 van de Participatiewet kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.
Artikel 4.15 Samenloop van gedragingen Samenloop bij één gedragingen waardoor meerdere verplichtingen worden geschonden. Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. In dat geval wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Samenloop bij meerdere gedragingen waardoor één of meerdere verplichtingen worden geschonden Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze verordening, artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet of in beide regelingen. Dit wordt ‘meerdaadse samenloop’ genoemd. In dat geval wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden In principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is. Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol. 20
Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. Samenloop met een bestuurlijke boete Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een boetewaardige gedraging is. Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde lid). Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit.
Daarnaast kan het college in dit geval nog een of meer verlagingen opleggen, waarbij bij de hoogte van de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de eventuele andere verlagingen (vierde lid). Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht oplevert, is het voorgaande ook van toepassing. Artikel 4.16 Recidive Verdubbeling duur verlaging Als binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit van een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van een verwijtbare gedraging waarmee dezelfde verplichting wordt geschonden, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Een verlaging kan nooit hoger zijn dan honderd procent. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook als wegens dringende redenen -op grond van artikel 4, tweede lid, van deze verordening en eventueel 18, tiende lid, van de Participatiewet- is afgezien van het opleggen van een verlaging. Dit geldt ook als van afstemming op grond van artikel 18, eerste lid, van de Participatiewet is afgezien van het opleggen van een verlaging.
Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt dat de duur van de laatst opgelegde verlaging wordt verdubbeld. Hierbij wordt rekening gehouden met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen 21
Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 17 eerste of tweede lid van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord ‘telkens’ in de recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Eenzelfde gedraging vereist voor recidive. Voor recidive als bedoeld in het eerste en tweede lid is vereist dat sprake moet zijn van ‘eenzelfde verwijtbare gedraging’ als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 14) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij UWV (artikel 8, eerste lid), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet ‘eenzelfde gedraging’ betreft.