12e. Pinkenberg_Toelichting
Tekst van het document
Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Situatie plangebied en onderzoek In september 2021 heeft een toetsing Wet Natuurbescherming plaatsgevonden door Ecochore Natuurtechiek in 2023 is een aanvullend ecologisch onderzoek verricht naar de functie van het plangebied voor vogels met een jaarrond beschermde nestlocatie - in het bijzonder de wespendief - en teunisbloempijlstaart. De volledige toetsen zijn als Bijlage 4 en Bijlage 5 bij deze toelichting gevoegd. De onderzoeken zijn gericht op verschillende deelgebieden. Voor het onderhavige plangebied zijn de resultaten van deelgebied 4 bepalend en richtinggevend. Soortenbescherming Hieronder wordt per soort de conclusie van de onderzoeken weergegeven. De conclusies zijn integraal uit het onderzoek overgenomen. Flora Voor wat betreft flora is vastgesteld dat het onderzoeksgebied (alle vier de deelgebieden) geen beschermde soorten te verwachten zijn gezien het ontbreken van geschikte groeiplaatsomstandigheden. De locatie biedt geen geschikte groeiplaatsen voor beschermde vaatplanten waardoor deze kunnen worden uitgesloten.
Door het ontbreken van beschermde soorten is geen schade te verwachten van deze soorten en is nader onderzoek of een ontheffing niet noodzakelijk. (Broed)vogels Ten aanzien van zwarte specht, draaihals en wespendief is nader territoriumonderzoek uitgevoerd. Hierbij is eveneens gezocht naar horsten van overige categorie 1-4 soorten. Binnen een zone van 300 meter zijn geen in gebruik zijnde vaste nestlocaties van soorten uit categorie1-4 vastgesteld. Hierbij is ook de aanwezigheid van zwarte specht mede beoordeeld. Van gebouwbewonende soorten zijn alleen de aanwezige gebouwen gecontroleerd op nestlocaties. Door de bouw van het nieuwe pompstation is er sprake van verandering in het leefgebied van de wespendief. Door het toepassen van voor deze soort gerichte kwaliteitsverbetering kan redelijkerwijs worden gesteld dat er geen sprake is van vermindering in kwaliteit. Hierdoor is geen nadere afweging noodzakelijk. Een nadere afweging voor (broed)vogels is niet noodzakelijk. Ten aanzien van wespendief gelden aanvullende maatregelen.
Pinkenberg
32
Daarnaast wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren – globaal buiten de periode maart-augustus om verstoring van broedende vogels te voorkomen. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord. Herpetofauna en vissen Er zijn geen strikt beschermde vissen en amfibieën binnen het plangebied te verwachten. Hierdoor is voor deze soortgroepen geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Ten aanzien van de hazelworm en ringslang is uitvoering van het werk in het zomerhalfjaar sterk aan te bevelen in combinatie met ecologische begeleiding. Voor hazelworm is biotoopoptimalisatie noodzakelijk. In dat geval is voor reptielen geen ontheffing noodzakelijk. Zoogdieren Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken en er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op strikt beschermde soorten, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Indien bomen worden gekapt is voorafgaande (in de winterperiode) wel een nader onderzoek naar mogelijke boomnesten noodzakelijk. Vleermuizen In deelgebied 4 zijn de gebouwen potentieel geschikt voor vleermuisverblijven. Bij sloop of renovatie is hier voorafgaande nader vleermuisonderzoek en voor verblijfplaatsen ontheffing met mitigatie en compensatie noodzakelijk.
In deelgebied 4 is voor de bouw van een nieuw productiebedrijf geheel binnen het grazige deel geen nader onderzoek noodzakelijk. Omdat de sloop of renovatie van de bestaande bebouwing niet is voorzien, is nader onderzoek vooralsnog niet nodig. Ongewervelden Ten aanzien van teunisbloempijlstaart is nader onderzoek uitgevoerd. Deze soort is niet binnen het plangebied vastgesteld. Voor overige ongewervelden is geen nader onderzoek noodzakelijk. De geplande ontwikkelingen zullen daardoor geen negatieve effecten hebben op ongewervelden. Een nadere afweging is niet nodig. Gebiedsbescherming Vastgesteld is dat deelgebied 4 geheel buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied Veluwe en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt. Door de geplande werkzaamheden in het plangebied is geen sprake van areaalvermindering van het Natura 2000-gebied Veluwe. In het onderzoeksrapport wordt ingegaan op de verschillende aspecten voor gebiedsbescherming aan de hand van de effectenindicator. Er wordt ingegaan op de volgende onderdelen: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verandering dynamiek substraat, verstoring door geluid, licht, trilling, optische verstoring en tot slot verstoring door mechanische effecten. Samenvattend wordt in het rapport vastgesteld: Ten aanzien van de areaalverandering dienen er voor de wespendief aanvullende maatregelen getroffen te worden.
Daarnaast dienen de bouw- en graafwerkzaamheden buiten de broedperiode van zwarte specht, draaihals en wespendief te worden uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk is dient binnen de beschreven verstoringscirkels nader onderzoek te worden uitgevoerd naar mogelijk aanwezige broedlocaties en de mogelijke impact op deze soorten. Ten aanzien van de overige storingssindicatoren zijn er geen negatieve effecten op kwalificerende habitattypen en kwalificerende soorten van Natura 2000-gebied Veluwe te verwachten. Bescherming houtopstanden Door de voorgenomen ontwikkelingen worden geen houtopstanden gerooid of aangetast. Hierdoor is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet Natuurbescherming – bescherming houtopstanden.
Pinkenberg
33
Stikstofdepositie Artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming zorgt ervoor dat Natura 2000-gebieden aangewezen worden voor uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn. Voorgaande houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor deze gebieden en dat negatieve gevolgen zoveel mogelijk beperkt worden. Voor habitattypen en leefgebieden waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden in Natura 2000-gebieden zijn kritische depositiewaarden (KDW) voor stikstofdepositie vastgesteld. Het gaat hierbij om de grens waarbij het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Stikstofdepositie aanlegfase Om de stikstofdepositie te berekenen is voor de aanlegfase een AERIUS-berekening uitgevoerd met AERIUS-calculator versie 2023, deze berekening is opgenomen als Bijlage 6 bij deze toelichting. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat in de aanlegfase een grootste toename is geregistreerd van 0,19 N mol/h/j onder de Wet natuurbescherming registratieset. De stikstofdepositie is hoger dan 0,00 mol N/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Op voorhand kunnen daarmee nadelige milieueffecten op deze gebieden niet worden uitgesloten.
Derhalve is er een ecologische effectbeoordeling uitgevoerd (Pinkenberg beoordeling stikstofdepositie aanlegfase Natura 2000, Royal HaskoningDHV, 19 december 2023, Bijlage 7). Uit de stikstofdepositieberekeningen (AERIUS, 2023) voor de aanlegfase volgt dat: In de aanlegfase bij Natura 2000-gebied Veluwe sprake is van een tijdelijke stikstofdepositietoename. Er is een tijdelijke stikstofdepositie op een habitattype, namelijk H1920 beuken-eikenbossen met hulst. De tijdelijke stikstofdepositie bedraagt maximaal 0,03 mol N/ha/j (max. 0,04 mol N/ha/j ter hoogte van zoekgebied) op een zeer gering areaal en leidt niet tot significant negatieve gevolgen voor dit habitattype. Er is een tijdelijke stikstofdepositiebijdrage op leefgebied van vijf vogelrichtlijnsoorten die gevoelig zijn voor stikstofdepositie. De tijdelijke stikstofdepositiebijdrage is 0,02 tot maximaal 0,19 mol N/ha/j en leidt niet tot significant negatieve gevolgen voor de vijf vogelrichtlijnsoorten en bijbehorende instandhoudingsdoelen voor de Veluwe. Er is geen sprake van een tijdelijke stikstofdepositiebijdrage ter hoogte van leefgebied van stikstofgevoelige habitatrichtlijnsoorten. Negatieve gevolgen kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Uit de ecologische effectbeoordeling volgt dat de tijdelijke stikstofdepositie dermate gering en tijdelijk is dat dit, in cumulatie met overige plannen en/of projecten, gezien de gebiedspecifieke omstandigheden niet leidt tot significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebied de Veluwe en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. De aanlegfase voor de vernieuwing van productielocatie Pinkenberg tast de natuurlijke kenmerken van het omliggende Natura 2000-gebied niet aan. Stikstofdepositie gebruiksfase In de gebruiksfase verandert er voor wat betreft stikstofdepositie niets aan de bestaande situatie. Stikstofemiterende activiteiten wijzigen niet. Het productiebedrijf veroorzaakt zelf geen stikstofemissie. De enige activiteiten die stikstof emiteren zijn het gebruiken van de noodstroomaggregaat (NSA) en de verkeersaantrekkende werking. In de toekomstige situatie blijft de bestaande NSA op de huidige locatie in gebruik. De verkeersstromen veranderen niet als gevolg van het planvoornemen. Beide activiteiten wijzigen dus niet ten op zichte van de bestaande situatie. Derhalve is er voor de gebruiksfase geen actuele AERIUS-berekening uitgevoerd. Conclusie: Ten aanzien van soortenbescherming dienen er voor de wespendief aanvullende maatregelen getroffen te worden. Voor overige soorten is een nadere beoordeling niet noodzakelijk.
Ten aanzien van de gebiedsbescherming zijn er, anders dan ten gevolg van stikstofdepositie, geen negatieve effecten op kwalificerende habitattypen en kwalificerende soorten van Natura 2000-gebied Veluwe te verwachten.
Pinkenberg
34
Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet Natuurbescherming – bescherming houtopstanden. De stikstofdepositie in de aanlegfase zal als gevolg van het planvoornemen toenemen. Uit de ecologische effectbeoordeling blijkt dat de tijdelijke stikstofdepositie dermate gering en tijdelijk is dat dit gezien de gebiedspecifieke omstandigheden niet leidt tot significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebied de Veluwe en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. Het onderdeel ecologie vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, wanneer rekening wordt gehouden met de voorwaarden (aandachtspunten) zoals deze zijn weergegeven bij de conclusie van het natuuronderzoek.
4.11
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader Erfgoedwet Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1998. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt. In de tussentijd valt dit onderdeel binnen de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Hierin staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige danwel te verwachten monumenten. Bestemmingsplan Rozendaal Op basis van het bestemmingsplan Rozendaal 2019 (vastgesteld 26 mei 2020) heeft het plangebied naast de enkelbestemming Waterwingebied, een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Op grond van de archeologische dubbelbestemming zijn de aangewezen gronden mede bestemd voor de bescherming van terreinen met een hogere archeologische verwachting. Ook geldt een verbod op het bouwen of laten bouwen op deze bestemde gronden. Archeologisch onderzoek moet aantonen of ter plaatsen geen behoudens waardige archeologische waarden aanwezig zijn, of dat archeologische waarden niet worden verstoord of dat archeologische waarden afdoende kunnen worden beschermd door specifieke voorschriften te verbinden aan een omgevingsvergunning voor het bouwen.
Nota Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Rozendaal De gemeente heeft in 2017 de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. Enerzijds vormt de nota een toetsingskader en anderzijds een stimulerend kader. De gemeente is van oordeel dat kwaliteit ontstaat door een goed overlegproces waarin ruimte is voor dialoog, met een open oog voor de relatieve kwetsbaarheid van de omgeving. De gemeente wil aan de andere kant bestaande bijzondere ruimtelijke kwaliteiten - met name de cultuurhistorische waarden en identiteit - kunnen waarborgen. In de nota is bepaald of voor een gebied meer of minder gedetailleerde criteria gelden. Het plangebied is volgens de nota gelegen in gebied 7 Buitengebied. De Waarde & Kernkwaliteiten van het gebied zijn aan de hand van de volgende onderwerpen besproken: De landschappelijke structuur. De openbare ruimte. De typologie en architectuur van de bebouwing. Gevelindeling, materiaal, detaillering en kleur. Voor het gebied zijn de volgende ambities geformuleerd: Essentiële kenmerken van de aanwezige bebouwings- en omgevingskarakteristiek op het gebied van landschap, stedenbouw en architectuur worden gerespecteerd. Doel is het in stand houden van het enclave karakter van Terlet en De Imbosch als open nederzettingen omringd door de beslotenheid van bossen.
Voor De Imbosch is behoud en herstel van het aanwezige of oorspronkelijke bebouwingsbeeld en het versterken van de bestaande of historische karakteristiek van landschap, architectuur of cultuur
Pinkenberg
35
het uitgangspunt. Bouwmassa's voegen zich in de hoofdopzet van de omgeving en nemen ook de beeldbepalende kenmerken over. Gelet op het bijzondere karakter van het gebied wordt bij uitbreidingen of herontwikkeling gevraagd om maatwerk, een goede landschappelijke onderbouwing en de inzet van ontwerpcapaciteit. Gestreefd wordt naar een hoog kwaliteitsniveau voor de bebouwing en een sobere maar zorgvuldige inrichting van de openbare ruimte. Voor eventuele bouwplannen zijn ontwerprichtlijnen geformuleerd: Het bouwplan: past bij de waarde en kernkwaliteiten van het deelgebied en is afgestemd op de stedenbouwkundige en landschappelijke structuur. versterkt de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte en levert een positieve bijdrage aan de leefbaarheid en sociale veiligheid van de omgeving. vormt een versterking van markante stedenbouwkundige en landschappelijk ruimten en locaties. richt zich op de openbare ruimte en de toegang vanaf het openbaar gebied is duidelijk herkenbaar. markeert het onderscheid tussen openbaar en privégebied duidelijk. heeft op zichzelf een evenwichtige opzet die tot uitdrukking komt in samenhangende maatverhoudingen van buitenruimten, bouwvolumes, massa-opbouw, kapvorm en vlakverdelingen. Voor het bouwplan op zich zijn eveneens richtlijnen opgesteld. Het bouwplan: past bij de kernkwaliteiten van het ensemble en/of de gebouwtypologie.
is afgestemd op de omgeving voor wat betreft positie, hoofdvorm, maat en schaal. heeft een herkenbaar en consequent uitgewerkt ontwerpconcept met esthetische kwaliteiten en de typologie en architectuur van de bebouwing is afgestemd op de omgeving. Onderzoek Archeologie Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek archeologie heeft plaatsgevonden door Hamaland Advies. Het rapport dateert van 10 september 2021 en is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Het onderzoek heeft zich naast het plangebied eveneens gericht op een gebied ten zuiden van het plangebied. Eén en ander zoals in afbeelding 4.4 in rood is weergegeven.
Pinkenberg
36
Afbeelding 4.4 Onderzoeksgebied archeologie in rood omkaderd (bron Hamaland Advies) Conclusie archeologie: Op basis van de resultaten van het booronderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren. De kans dat met de geplande ontwikkelingen archeologische waarden verloren gaan wordt gering geacht. Cultuurhistorie Door het gebouw verdiept, deels ondergronds, aan te leggen ontstaat bovengronds een bouwmassa die gezien wordt als passend in de omgeving. Hierbij is eveneens gekeken naar de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Qua typologie is aansluiting gezocht bij de bestaande bebouwing op het terrein. Het pompstation dient een schuurachtige uitstraling te hebben. Er is voor een houten bekleding gekozen, passend bij het kantoor op hetzelfde terrein en die aansluit bij het landelijke karakter, waardoor ook het landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.
4.12
Ontplofbare Oorlogsresten
Wettelijk kader Op basis van de Gemeentewet, Arbeidsomstandighedenwet, Wet veiligheidsregio's en de Wet wapens en munitie zijn regels opgenomen die het kader vormen voor het veilig omgaan met ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Voor het bestemmingsplan is het van belang om onderzoek te doen of al dan niet sprake is van actuele te verwachten risico's voor eventueel aanwezige ontplofbare oorlogsresten. Onderzoek Door Ortageo is een Adviesnotitie Ontplofbare Oorlogsresten opgesteld. De notitie dateert van 1 mei 2023 en is als Bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Het onderzoeksgebied betreft een groter gebied dan het plangebied zelf. Onderzoek heeft uitgewezen dat op basis van de beschikbare gegevens van het gemeentedekkend vooronderzoek dat er geen verdachte gebieden zijn gelegen binnen en/of direct nabij het plangebied. Uit een inventarisatie van ruimingen van de EOD blijkt dat er geen ruimingen zijn uitgevoerd binnen de onderzoekslocatie. Nabij de onderzoekslocatie zijn wel enkele ruimingen bekend, ook in onverdachte
Pinkenberg
37
gebieden. Advies Geadviseerd wordt om de werkzaamheden op reguliere wijze uit te voeren, zonder specifieke vervolgstappen in het opsporen van ontplofbare oorlogsresten. Wel dient aan het uitvoerend personeel deze adviesnotitie en onderstaande procedure te worden toegelicht. Geadviseerd wordt om de toelichting te geven tijdens het startwerkoverleg of door middel van een toolboxmeeting ontplofbare oorlogsresten. Procedure spontane vondst Het aantreffen van een spontane vondst (toevalstreffer) kan binnen nagenoeg heel Nederland plaatsvinden, ook binnen onverdachte gebieden, bijvoorbeeld door (naoorlogse) dumping. Het volgende protocol is van toepassing bij het aantreffen van een spontane vondst: verdacht object gevonden; 1. aannemer legt het werk stil; 2. aannemer informeert de politie; 3. de politie geeft de melding door aan de EOD; 4. de ruimploeg van de EOD maakt de ontplofbare oorlogsresten onschadelijk; 5. indien er tijdens de ruiming of het onschadelijk maken van een ontplofbare oorlogsresten een risico kan ontstaan voor de openbare orde en veiligheid informeert de politie de burgemeester en de ambtenaar openbare orde en veiligheid. Conclusie: Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen, die binnen dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.
Pinkenberg
38
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planopzet
Standaard en plansystematiek
Standaard Dit bestemmingsplan is opgesteld en ingericht conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). De regels bevatten het juridische instrumentarium voor de gebruiksmogelijkheden en bouwmogelijkheden. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van deze regels alsook een visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen juridische bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het bestemmingsplan. Systematiek Aansluiting is gezocht bij het bestemmingsplan Rozendaal 2019 (vastgesteld 26 mei 2020), aangezien het hier gaat om een gedeeltelijke aanpassing van dat plan.
5.2
Toelichting op de regels
In deze paragraaf wordt waar dat noodzakelijk en nuttig wordt geacht een nadere toelichting gegeven op specifieke onderdelen van de planregels. Sommige regelingen zijn daarom hierna niet opgenomen: deze worden geacht voor zich te spreken. Hoofdstuk1 Inleidende regels Artikel 1 en 2 Begrippen en wijze van meten Voor de begripsomschrijvingen en wijze van meten is aangesloten bij de SVBP2012. Verder zijn hier voor het plan relevante begrippen aan toegevoegd. Er is verder aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan 'Rozendaal 2019'. Hoofdstuk2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen Deze bestemming is gebruikt voor groengebieden/zones en plantsoenen. Het gaat om groen met een afschermende of bufferfunctie. Binnen groen zijn geen gebouwen toegestaan, maar wel bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals erfafscheidingen en dergelijke tot een bouwhoogte van maximaal 3 meter. De gronden mogen niet voor parkeren worden gebruikt. Wel zijn fiets- en voetpaden binnen de bestemming ‘Groen’ toegestaan. Artikel 4 Overig - Waterwingebied De bestemming sluit zoals eerder gesteld aan bij de bestemming van het bestemmingsplan 'Rozendaal 2019'. De bestemming is gegeven aan het waterwingebied met de daarbij behorende puttenvelden. Uit de totale bestemming is slechts een deel binnen dit bestemmingsplan opgenomen. De bestemming stond de bouw van een nieuw waterwinbedrijf niet toe.
Door het opnemen van een bouwvlak met een maatvoering binnen de regels is dat nu wel mogelijk. Ter bescherming van de waterhuishouding is een aanvullende bescherming opgenomen door middel van een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van diverse werken en werkzaamheden. De bij het waterwingebied behorende grondwaterbeschermingsgebied is overigens als gebiedsaanduiding ‘milieuzonegrondwaterbeschermingsgebied’ op de verbeelding aangegeven. Artikel 5 Waarde - Archeologie 3 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ is toegekend aan de gronden waar ingevolge de gemeentelijke archeologische beleidskaart sprake is van een hogere archeologische verwachtingswaarde.
Pinkenberg
39
Hoofdstuk3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is hiervoor een standaard opgenomen. Het Bro verplicht om deze regel in het bestemmingsplan op te nemen. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen gelden. Zo is hier onder meer een regeling opgenomen voor afwijkende maatvoeringen en situering van bestaande bouwwerken, waarvoor in het verleden omgevingsvergunningen voor het bouwen (voorheen bouwvergunningen) zijn verleend. Deze vergunde overschrijdingen zijn hier positief bestemd. Anders dan onder het overgangsrecht geldt voor deze positief bestemde overschrijdingen dus niet de beperking dat slechts een gedeeltelijke vervanging mag plaatsvinden. Sloop en vervangende nieuwbouw is gewoon toegestaan, mits wel wordt voldaan aan de andere regels uit het bestemmingsplan. Verder zijn ook regels opgenomen voor ondergrondse bebouwing. Daarbij geldt dat ondergrondse bebouwing alleen is toegestaan voor zover deze wordt gecombineerd met bovengrondse bebouwing. Met andere woorden, het realiseren van zelfstandige ondergrondse bebouwing is niet toegestaan. Tot slot zijn regels voor de (beperkte) overschrijding van ondergeschikte bouwdelen opgenomen.
Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel van de planregels zijn algemene gebruiksregels opgenomen, welke gelden in aanvulling op de algemene regel die in artikel 2.1, lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is opgenomen. Deze bepaling is van toepassing op het gebruik binnen alle in het plan voorkomende bestemmingen. Aangegeven is welke vormen van gebruik in ieder geval als gebruik in strijd met het bestemmingsplan worden aangemerkt. Naast de algemene gebruiksregels, die voor elke bestemming gelden, bevat het bestemmingsplan ook specifieke gebruiksregels. Deze zijn opgenomen in de bestemming waar ze van toepassing zijn. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Hier zijn de aanduidingen met bijbehorende regels opgenomen die meer dan één bestemming bestrijken. Het betreft in dit bestemmingsplan de aanduiding ‘milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied’. Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Dit artikel voorziet in afwijkingsregels die kleine afwijkingen middels een omgevingsvergunning van het bestemmingsplan mogelijk maken, indien daar behoefte aan is. Onder meer is het mogelijk om bestemmings- en/of, bouw- en/of aanduidingsgrenzen in geringe mate te overschrijden indien een meetverschil in het terrein daartoe aanleiding geeft.
Artikel 11 Algemene wijzigingsregels De regels bevatten een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Het betreft de wijzigingsbevoegdheid voor het in geringe mate wijzigen van de ligging van grenzen van bestemmings- en bouwvlakken. Artikel 12 Overige regels Door de inwerkingtreding van de 'Reparatiewet BZK 2014' (Staatsblad 2014, 458) per 29 november 2014 is de bouwverordening voor het bestemmingsplan niet meer van toepassing. Regelingen met betrekking tot parkeren dienen daarom in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Daartoe is de regeling van de parkeerbepaling in de bouwverordening nu materieel overgenomen in dit bestemmingsplan. Een en ander leidt niet tot een inhoudelijke wijziging van de beoogde toetsing. Aan het Besluit ruimtelijke ordening is mede in verband met het intrekken van toetsing aan de bouwverordening de mogelijkheid opgenomen om voor de invulling van de eis van voldoende parkeren in concrete situaties gebruik te maken van beleidsregels (zie artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro), zoals dit ook onder de werking van de bouwverordening mogelijk was. De gemeente Rozendaal beschikt niet over een eigen parkeernota reden waarom in dit artikel wordt verwezen naar CROWpublicatie 381.
Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels
Pinkenberg
40
Artikel 13 Overgangsrecht Deze overgangsregels zijn overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening. De grootste verandering ten opzichte van de tot voor kort gebruikelijke overgangsregels is dat de peildatum voor bouwen en gebruik, gelijk is getrokken. Ook voor het bouwen is nu de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan beslissend. Dat was voorheen de datum van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De wetgever heeft met die gelijkschakeling beoogd eenduidigheid te scheppen. Indien bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen teniet gaan ten gevolge van een calamiteit, dan bestaat de mogelijkheid om terug te bouwen. Onder een calamiteit wordt hier verstaan: een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten schuld van de indiener van de aanvraag voor het bouwen veroorzaakt onheil. Artikel 14 Slotregel Hier is bepaald hoe de regels van dit bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Pinkenberg
41
Pinkenberg
42
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak en maatschappelijk overleg Op grond van artikel 3.1.6 onder e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Vitens betrekt de omgeving, de direct omwonenden en andere geïnteresseerden/betrokkenen, bij de ontwikkeling van het productiebedrijf door middel van een participatietraject. Dit traject bestaat uit drie delen; het ontwerp, de bouw en de herbestemming. Ten aanzien van het ontwerp is de omgeving eind maart 2023 geïnformeerd over de plannen van Vitens voor het nieuw te bouwen productiebedrijf. Tijdens deze sessie is het concept ontwerp getoond en zijn alle aanwezigen uitgenodigd om te participeren, mee te denken, over het ontwerp. Uit deze sessie is waardevolle input gekomen en hiermee is het ontwerp verrijkt. In een vervolgsessie in mei 2023 is er een terugkoppeling gegeven op het verrijkte ontwerp aan de hand van de eerdere participatie. Dit ontwerp is enthousiast ontvangen. Als laatste officiële stap heeft Vitens dit ontwerp getoetst bij het Cultuur Historisch Genootschap. Een terugkoppeling hierop naar de omgeving volgt nog in 2023.
Omdat de initiatiefnemer divers overleg heeft gevoerd en nog steeds voert met diverse belanghebbenden in de directe omgeving, kan afgezien worden van de ter inzage legging van een voorontwerpbestemmingsplan ten behoeve van inspraak. Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening heeft het college van burgemeester en wethouders overleg gepleegd met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. De provincie Gelderland en het waterschap Rijn en IJssel hebben in dat kader formeel gereageerd. De provincie Gelderland geeft aan dat het bestemmingsplan voldoende gemotiveerd is. Het waterschap Rijn en IJssel heeft verzocht de toelichting op het bestemmingsplan aan te vullen. Hieraan is in het ontwerpbestemmingsplan gehoor gegeven. Op verzoek van het waterschap is in paragraaf 4.9 nader ingegaan op de bergingscapaciteit van het plangebied, de hoeveelheid verhard oppervlak en de mogelijkheden van infiltratie van hemelwater in de bodem.
Pinkenberg
43
Zienswijzen Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft het ontwerpbestemmingsplan met ingang van 29 december 2023 tot en met 8 februari 2024 gedurende zes weken voor eenieder ter visie gelegen. Op het ontwerpbestemmingsplan is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze wordt beantwoord in de Nota van Zienswijzen zoals opgenomen in Bijlage 10. De zienswijze heeft geen aanleiding gegeven het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen.
Pinkenberg
44