10k. Pinkenberg_Toelichting_Bijlage 4 Natuurtoets
Tekst van het document
21
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
struweel en daardoor voor beide soorten weinig geschikt. Indien na de realisatie het reservoir afgedekt wordt met grond, zal ook dit deel weer gebruikt kunnen worden als foerageergebied en zal door het meer open karakter op het reservoir enige mate van verbetering kunnen optreden in foerageermogelijkheden. Deelgebied 4 vormt voor wespendief en draaihals de meest geschikte mogelijkheden om te foerageren. Het gedeelte dat als foerageergebied potentieel geschikt is, is circa 4000 m2. Hiervan zal een deel bebouwd worden voor de realisatie van het nieuwe productiebedrijf. Om welke oppervlakte dit feitelijk gaat is in deze fase nog niet volledig uitgewerkt. Indien deze inrichting duidelijk is, dient een nadere afweging gemaakt te worden in welke mate sprake zal zijn van areaalvermindering en in welke mate dit significant is. Enkele uitgangspunten voor de afwegingen hierbij kunnen zijn: • • • •
Optimaliseren van de resterende gebiedsdelen van deelgebied 4; Bouw van een reservoir in deelgebied 3 kan mogelijk deels het foerageergebied compenseren; In deelgebied 3 vermindering van verhard oppervlak ter versterking van foerageergebied; Zowel wespendief als draaihals hebben een groot tot zeer groot territorium. De eventuele areaalvermindering zal daardoor mogelijk niet significant zijn.
Door de geplande werkzaamheden is geen sprake van areaalvermindering van het Natura2000 gebied de Veluwe. Ook voor prioritaire soorten (behoudens wespendief en draaihals) geldt dat er geen sprake is van significante vermindering in leefgebied. 2. Versnippering Kenmerk: van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten.
Interactie andere factoren: treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg: als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk. Afweging: De gebiedsdelen binnen de begrenzing van Natura2000 blijven geheel behouden. De delen buiten de begrenzing zullen gedeeltelijk worden aangepast bijvoorbeeld door de bouw van een nieuw PB. Alle lijnvormige elementen en opgaande structuren blijven echter behouden.
Ook worden geen nieuwe doorsnijdende werken gerealiseerd die voor mogelijke versnippering zullen zorgen waardoor migratie voor diersoorten mogelijk blijft. Hierdoor is er geen sprake van versnippering. 7. Verontreiniging Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige Ecochore Natuurtechniek
22
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn. Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. Afweging: Tijdens de bouwwerkzaamheden en het vervangen van ondergrondse kabels, komen redelijkerwijs stoffen vrij die een verontreinigend effect kunnen hebben. De verontreiniging in de vorm van vrijkomend afval beperkt zich tot de planlocaties en dienen door de aannemer te worden afgevoerd. Hierdoor is het niet aannemelijk dat het Natura-2000 gebied De Veluwe hierdoor wordt aangetast. Ook na de realisatie zal geen verhoging van mogelijke verontreiniging ontstaan. Overige vormen van verontreinig zijn door de geplande ontwikkelingen niet te verwachten. 8. Verdroging Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel.
De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren: verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. Gevolg: de verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype. Afweging: Het plangebied bevindt zich op een van oorsprong holtpodzolgrond van grof zand. De grondwatertrap op deze locatie is VII. Door deze diepe grondwaterstand is bronbemaling voor de geplande werkzaamheden niet noodzakelijk.
Er zal vermoedelijk geen sprake zijn van een vergroting van het verharde oppervlak, dan wel directe infiltratie, waardoor geen verandering in infiltratie van regenwater plaatsvindt. Hierdoor zullen de bouw van een nieuw productiebedrijf, het vervangen van ondergrondse leidingen een de overige werkzaamheden geen toename van verdroging veroorzaken. 12. Verandering dynamiek substraat Kenmerk: Bij verandering in dynamiek substraat treedt er een verandering op in de bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen, bijvoorbeeld door aanslibbing of verstuiving. Interactie andere mechanische effecten.
factoren: verandering
overstromingsdynamiek,
verandering
Gevolg: Verandering van dynamiek van het substraat kan leiden tot verandering van de abiotische randvoorwaarden waardoor levensgemeenschappen kunnen veranderen. Dynamiek van het substraat is bijvoorbeeld van belang voor droge pioniervegetaties in de duinen en stuifzanden, of voor mosselbanken in de Waddenzee. Afweging: Door het vervangen van ondergrondse leidingen en de bouw van een nieuw PB en eventueel reservoir, zal er sprake zijn van een verandering in de bodemstructuur. Voor het leggen van de leidingen is destijds de grond geroerd. Op het tracé heeft zich naderhand geen waardevolle vegetatie ontwikkeld. De huidige vegetatie zich zal na Ecochore Natuurtechniek
23
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
afronding weer op het tracé ontwikkelen waardoor de verandering in dynamiek substraat een tijdelijk karakter heeft en geen nadere afweging behoeft. De aanpassingen in substraat door de voorgenomen bouwwerkzaamheden zullen geen effect hebben op kwalificerende habitattypen of prioritaire soorten. De strikt te vergraven delen zullen worden bebouwd en daardoor niet geschikt zijn voor de ontwikkeling van habitattypen waardoor verandering in dynamiek niet relevant is. 13. Verstoring door geluid Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vliegen autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor directe effecten van geluid. Geluid is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid.
Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd. Afweging: Door de werkzaamheden zal sprake zijn van een toename van geluid gedurende de graafwerk- en bouwwerkzaamheden. Gedurende de dag zal de toename voornamelijk ontstaan door het gebruik van machines. ‘s Nachts zal er geen sprake zijn van bouwgeluiden. Deze toename van geluidsdruk zal alleen tijdens de uitvoering plaats vinden. Na afronding zal er geen sprake zijn van verandering ten aanzien van de huidige situatie. Van de kwalificerende diersoorten zijn enkele in meer of mindere mate gevoelig voor verstoring door geluid. Boomleeuwerik (broedvogel) Draaihals (broedvogel) Duinpieper (broedvogel) Grauwe Klauwier (broedvogel) Nachtzwaluw (broedvogel) Roodborsttapuit (broedvogel) Tapuit (broedvogel) Wespendief (broedvogel) Zwarte Specht (broedvogel) Meervleermuis Van de genoemde vogelsoorten kunnen boomleeuwerik, duinpieper, grauwe klauwier, nachtzwaluw, roodborsttapuit en tapuit in de omgeving en binnen het plangebied worden uitgesloten door het ontbreken van geschikt habitat. Zoals eerder in dit rapport aangegeven kunnen soorten als zwarte specht, wespendief en mogelijk draaihals in de omringende bossen niet geheel als broedvogel worden uitgesloten.
De deelgebieden en de directe omgeving kunnen voor zwarte specht, wespendief en draaihals (potentieel) geschikt leefgebied vormen – zie figuren 2, 3 en 4. Van deze soorten is de wespendief het minst storingsgevoelig. Deze soort staat bekend als minder verstoringgevoelig dan andere roofvogels. Bij roofvogels als buizerd en havik worden verstoringafstanden van respectievelijk 75 en 100 meter gehanteerd (Krijgsveld 2008). Door voor wespendief eveneens een afstand van 80-100 meter aan te houden, kan worden gesteld dat door het ontbreken van bij de NDFF bekende broedlocaties binnen het kilometerhok, het broedgebied buiten de verstoringscirkel van deze soort ligt. Voor zwarte specht wordt een verstoringscirkel gehanteerd van 100-300 meter. Met name gedurende de graafwerkzaamheden kan een lichte toename van verstoring door geluid niet worden uitgesloten. Met name indien dit gedurende het broedseizoen plaatsvindt, Ecochore Natuurtechniek
24
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
kan op een aanwezige broedlocatie sprake zijn van een verstoringeffect. Het negatieve effect op de instandhouding van de soort is echter minimaal. Voor draaihals is geen verstoringscirkel bekend. Met name in het broedseizoen kan verstoring optreden indien broedende vogels binnen de geluidzone van de werkzaamheden aanwezig zijn. Buiten het broedseizoen zal slechts sprake kunnen zijn van tijdelijke verstoring op foeragerende vogels gedurende de werkzaamheden. Dit is echter een zeer tijdelijk karkater en binnen een verwaarloosbaar areaal. Door de graaf- en bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan daardoor op voorhand een negatief effect door geluid redelijkerwijs worden uitgesloten. Hierdoor is geen nadere afweging ten aanzien van deze soorten noodzakelijk. Indien de werkzaamheden binnen de broedperiode plaatsvinden is het van belang dat vooraf wordt beoordeeld of territoria binnen de verstoringsafstanden aanwezig zijn. Indien hiervan sprake is kan aanpassing of uitstel van werkzaamheden noodzakelijk zijn. Het broedseizoen voor deze soort ligt globaal genomen tussen maart en juni. Van de meervleermuis zijn geen waarnemingen uit de omgeving bekend. Potentiële foerageergebieden zijn voor deze soort niet op korte afstand aanwezig.
Ondanks het feit dat deze soort over vrij grote afstanden kan migreren, ligt het niet in de verwachting dat de planlocaties een essentiële functie voor deze soort vormen. Mede doordat er geen werkzaamheden in de nachten plaatsvinden en de aanwezige structuren behouden blijven, zal er geen sprake zal zijn van verstoring op deze soort. 14. Verstoring door licht Kenmerk: verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Interactie andere factoren: geen? Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. Afweging: Er vindt in beginsel geen toename van verlichting plaats. Door de bouw van een nieuw PB zal op deze locatie mogelijk sprake zijn van verlichting in verband met bereikbaarheid of tijdens aanwezigheid personeel.
Deze aanwezigheid zal echter met name tijdens kantooruren zijn en alleen bij calamiteiten is ook ‘s nachts aanwezigheid van werknemers mogelijk. Hierdoor zal geen sprake zijn van een significantie toename van verlichting. De kwalificerende soorten die mogelijk enige mate lichtgevoelig zijn, zijn: Boomleeuwerik (broedvogel) Draaihals (broedvogel) Duinpieper (broedvogel) Grauwe Klauwier (broedvogel) Nachtzwaluw (broedvogel) Roodborsttapuit (broedvogel) Tapuit (broedvogel) Wespendief (broedvogel) Zwarte Specht (broedvogel) Meervleermuis Van de genoemde vogelsoorten kunnen boomleeuwerik, duinpieper, grauwe klauwier, nachtzwaluw en roodborsttapuit in de omgeving en binnen het plangebied worden uitgesloten door het ontbreken van geschikt habitat. De wespendief, draaihals en zwarte specht foerageren overdag waardoor de aanwezigheid van licht gedurende de avonduren en de nacht geen invloed heeft op het foerageergedrag van deze soorten. De instandhoudingdoelen voor beide soorten komen hiermee niet in gevaar. Ecochore Natuurtechniek
25
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Van de meervleermuis zijn geen waarnemingen bekend geworden. De aanwezigheid van deze soort is hier niet te verwachten waardoor specifiek op deze soort geen negatief effect te verwachten is. De omringende houtopstanden bieden geschikte vliegroutes en (tijdelijk) foerageergebied voor enkele soorten vleermuizen.
Figuur 2: Geschiktheid leefgebied Zwarte specht ten opzichte van het plangebied.
Figuur 3: Geschiktheid leefgebied Draaihals ten opzichte van het plangebied.
Ecochore Natuurtechniek
26
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Figuur 4: Geschiktheid leefgebied Wespendief ten opzichte van de plangebieden (rode kader).
15. Verstoring door trilling Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren: kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. Afweging: Voor de bouwwerkzaamheden zijn geen heiwerkzaamheden noodzakelijk. Wel zullen gedurende de werkzaamheden op beperkte schaal door bouw- en graafwerkzaamheden en transport trillingen in de bodem plaatsvinden. De bodem bestaat uit holtpodzolgronden van grof zand en is daardoor matig gevoelig voor trillingen. Na de bouwactiviteiten is geen toename van trillingen ten opzichte van de huidige situatie meer te verwachten. Van de prioritaire soorten is alleen de Meervleermuis als gevoelig aangegeven. Deze soort komt in het plangebied niet voor vanwege het ontbreken van een geschikte verblijfplaats. Eveneens zijn geen waarnemingen van foeragerende of op-routezijnde meervleermuizen uit de omgeving bekend.
De prioritaire soorten die behoren tot de natte habitattypen zoals beekprik, rivierdonderpad, gevlekte witsnuitlibel en kamsalamander komen eveneens niet in het gebied voor door het ontbreken van een geschikt habitattype. Deze soorten zullen daardoor geen effecten ondervinden van eventuele trillingen. 16. Optische verstoring Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Interactie andere factoren: treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg: optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen af van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de Ecochore Natuurtechniek
27
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. Afweging: Het nieuwe PB wordt gebouwd binnen een volledig door hagen omgeven terrein aan de rand van de bebouwde kom. Binnen dit terrein staan reeds enkele gebouwen. Hierdoor zal geen significante toename van statische, optische storing plaatsvinden. De aangegeven diersoorten die gevoelig kunnen zijn voor optische verstoring zijn: Gevlekte witsnuitlibel Meervleermuis Vliegend hert Duinpieper (broedvogel) Nachtzwaluw (broedvogel) Tapuit (broedvogel) Daarnaast kunnen ook zwarte specht en wespendief beïnvloed worden door optische verstoring. De toekomstige situatie zal geen verandering in optische verstoring tot gevolg hebben. De activiteiten in het gebied zullen niet wezenlijk veranderen door het verplaatsen van het PB. Toename van recreatie met betreding of verhoogde activiteiten en daardoor verstoringeffecten, zal daardoor niet van toepassing zijn. De graafwerkzaamheden zullen een tijdelijk karakter hebben. 17. Verstoring door mechanische effecten Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren: verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling.
Gevolg: deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte. Afweging: Door de geplande werkzaamheden vindt geen toename van ontsluitingen of recreatie plaats. Voor mechanische effecten zijn de volgende habitattypen als gevoelig aan te merken: Stuifzandheiden met struikhei Binnenlandse kraaihei begroeiingen Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Beken en rivieren met waterplanten Vochtige heiden Droge heiden Jeneverbesstruwelen Heischrale graslanden Blauwgraslanden Actieve hoogvenen Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst Eiken-haagbeukenbossen Oude eikenbossen Vochtige alluviale bossen
Ecochore Natuurtechniek
28
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Van deze habitattypen zijn alleen de Oude eikenbossen (H9120 – groene vlakken) in de directe omgeving aanwezig – zie figuur 5. Deze habitattypen zijn gevoelig voor betreding. Door betreding kunnen veranderingen in de soortensamenstelling en bodem ontstaan. De werkzaamheden zijn locatie gebonden waardoor geen toename van betreding in kwalificerende habitattypen plaatsvindt. De prioritaire soorten die als mogelijk gevoelig kunnen worden aangemerkt zijn: Duinpieper (broedvogel) Grauwe Klauwier (broedvogel) IJsvogel (broedvogel) Nachtzwaluw (broedvogel) Zwarte Specht (broedvogel) Van de prioritaire soorten is 1 soort als zeer gevoelig aangegeven: Wespendief (broedvogel) Het direct omringende bosgebied kan als broedbiotoop van deze soort worden aangemerkt. Er zijn echter geen waarnemingen van territoria in de NDFF bekend geworden. Ook zijn tijdens het quickscan onderzoek in een ruime zone geen horsten aangetroffen. Door het zeer tijdelijke karakter van de werkzaamheden, uitvoering buiten het broedseizoen en geen bekende waarnemingen van territoria binnen mogelijke verstoringsafstanden, is het niet noodzakelijk cumulatieve effecten nader te onderzoeken en kan worden gesteld dat van verstoring op habitattypen en prioritaire soorten geen sprake is.
Figuur 5: Habitattypen ten opzichte van het plangebied (rode kader).
Samenvattend: • Ten aanzien van de areaalverandering dient voor wespendief en draaihals een nadere afweging gemaakt te worden zodra de inrichtingsplannen bekend zijn. Hiervoor worden enkele aandachtspunten beschreven. • Daarnaast dienen de bouw- en graafwerkzaamheden buiten de broedperiode van zwarte specht, draaihals en wespendief te worden uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk is dient binnen de beschreven verstoringscirkels nader onderzoek te worden uitgevoerd naar mogelijk aanwezige broedlocaties en de mogelijke impact op deze soorten. Ten aanzien van de overige storingssindicatoren zijn er geen negatieve effecten op kwalificerende habitattypen en kwalificerende soorten van De Veluwe te verwachten. Ecochore Natuurtechniek
29
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
5.2 Bescherming houtopstanden Door de voorgenomen ontwikkelingen worden geen houtopstanden gerooid of aangetast. Hierdoor is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wet Natuurbescherming – bescherming houtopstanden. Het vellen van een enkele boom in deelgebied 1 en 2 kan worden gezien als onderhoud of dunning waardoor geen restricties gelden. De houtopstand als geheel dient in de basis echter wel behouden te blijven.
Ecochore Natuurtechniek
30
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
6. CONCLUSIE Quickscan natuuronderzoek Vitens is voornemens op PB Pinkenberg een nieuw productiebedrijf te realiseren. Daarnaast zullen diverse werkzaamheden worden uitgevoerd waaronder het vervangen van kabels, leidingen en winpompen. Ook wordt gezocht naar mogelijkheden voor de bouw van een nieuwe reinwaterkelder. Op de planlocatie is een natuuronderzoek uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Aan de hand van de hierdoor verkregen gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek, is een goed beeld ontstaan van de waarde van de planlocatie voor beschermde dier- en plantsoorten. Wet Natuurbescherming - Soortenbescherming Flora Beschermde soorten ontbreken binnen het onderzoeksgebied waardoor geen schade aan deze soorten te verwachten is en geen nader onderzoek of een ontheffing noodzakelijk is. Vogels Ten aanzien van zwarte specht, draaihals en wespendief is nader territoriumonderzoek noodzakelijk. Hierbij dient eveneens gezocht te worden naar horsten van overige categorie 1-4 soorten. Voor dit onderzoek wordt geadviseerd minimaal 1 bezoek in winterperiode uit te voeren waarbij de boomkronen goed overzichtelijk zijn. Indien werkzaamheden aan de gebouwen in deelgebied 3 een 4 worden gepland, is nader onderzoek naar huismus noodzakelijk.
Daarnaast wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren – globaal buiten de periode maart-augustus om verstoring van broedende vogels te voorkomen. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord. Herpetofauna en vissen Er zijn geen strikt beschermde vissen en amfibieën binnen het plangebied te verwachten. Hierdoor is voor deze soortgroepen geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Ten aanzien van de hazelworm en ringslang is uitvoering van het werk in het zomerhalfjaar sterk aan te bevelen in combinatie met ecologische begeleiding. Voor hazelworm is biotoopoptimalisatie noodzakelijk. In dat geval is voor reptielen geen ontheffing noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken en er geen negatieve effecten te verwachten zijn op zwaar beschermde soorten, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Vleermuizen Voor met name deelgebieden 1 en 2 geldt dat indien bomen met holten moeten worden gerooid, er nader vleermuisonderzoek noodzakelijk is. In deelgebied 3 is in een van de gebouwen een verblijfplaats van vleermuizen vastgesteld. In deelgebied 4 zijn de gebouwen potentieel geschikt voor vleermuisverblijven.
Bij sloop of renovatie is hier voorafgaande nader vleermuisonderzoek en voor verblijfplaatsen ontheffing met mitigatie en compensatie noodzakelijk. In deelgebied 4 is voor de bouw van een nieuw PB geheel binnen het grazige deel geen nader onderzoeken noodzakelijk. Ongewervelden Ten aanzien van teunisbloempijlstaart is nader onderzoek noodzakelijk in de periode juniseptember. Voor overige ongewervelden is geen nader onderzoek noodzakelijk. Voortoetsing Wet Natuurbescherming - gebiedenbescherming Ten aanzien van de areaalverandering dient voor wespendief en draaihals een nadere afweging gemaakt te worden zodra de inrichtingsplannen bekend zijn. Hiervoor worden enkele aandachtspunten beschreven. Daarnaast dienen de bouw- en graafwerkzaamheden buiten de broedperiode van zwarte specht, draaihals en wespendief te worden uitgevoerd. Indien dit niet mogelijk is dient Ecochore Natuurtechniek
31
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
binnen de beschreven verstoringscirkels nader onderzoek te worden uitgevoerd naar mogelijk aanwezige broedlocaties en de mogelijke impact op deze soorten – zie ook onderdeel soortenbescherming. Ten aanzien van de overige storingsindicatoren zijn er geen negatieve effecten op kwalificerende habitattypen en kwalificerende soorten van De Veluwe te verwachten. Wet Natuurbescherming – bescherming houtopstanden Door de voorgenomen ontwikkelingen worden geen houtopstanden gerooid of aangetast waardoor geen nadere maatregelen noodzakelijk zijn.
6.1 Periode van uitvoering - natuurkalender Voor enkele soortgroepen gelden enkele aandachtspunten ten aanzien van uitvoering en onderzoek. Nader onderzoek: Broedvogels – nader onderzoek maart-augustus – en minimaal 1 ronde in winterhalfjaar. Grondgebonden zoogdieren – indien bomen worden gerooid is in het winterhalfjaar een controle naar mogelijke eekhoornnesten noodzakelijk. Vleermuizen – indien werkzaamheden aan gebouwen gepland zijn en/of bomen met holten worden gerooid. Voor beide situaties geldt nader onderzoek in mei-september. Eventueel boomcameraonderzoek bij boomholten kan de onderzoeksinspanning en –periode verkorten. Teunisbloempijlstaart – nader onderzoek in de periode juni – september. Natuurkalender aanwezige bekende soorten ten behoeve van uitvoering werkzaamheden. jan Vogels
broedvogels*
Reptielen
hazelworm
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
nov
dec
geen werkzaamheden uitvoeren suboptimale periode voor uitvoering optimale periode voor uitvoering
* in de 'rode en oranje periode' kan met diverse zeer gerichte (broedvogel)controles en ecologische begeleiding worden getracht werkzaamheden uit te voeren. Dit kan echter resulteren in gefragmenteerde uitvoering door aanwezige broedvogels en wordt derhalve niet geadviseerd.
Ecochore Natuurtechniek
32
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
LITERATUUR www.natuurloket.nl www.gelderland.nl www.zoogdieratlas.nl www.ravon.nl www.floron.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl www.vleermuis.net www.NDFF.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicator.aspx www.natura2000.nl – profielen vogels a. Zwarte specht b. Draaihals c. Wespendief Deuzeman, S. Broedvogels v an Roekel en de Zanding in 2015. SOVON 2016. Krijgsveld, K.l., R.R. Smits en J. van der Winden. ; Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update van literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. 2008. SOVON. Limpens, H. et al.; Atlas van de Nederlandse Vleermuizen – Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNNV-uitgeverij. 1997. Sierdsema, H.; Broedvogels en beheer. 1995, SOVON. Sierdsema, H., J. van Diermen, B. Aarts, L. van den Bremer en A. van Kleunen. Factsheets van broedvogels in de Natura 2000-gebieden van Gelderland. SOVONonderzoeksrapport 2008/14. SOVON, Beek-Ubbergen. 2008 Weeda, Drs. E.J. et al.; Nederlandse Ecologische Flora – Wilde planten en hun relaties. KNNV-uitgeverij. 2003
BIJLAGEN Bijlage 1: Begrenzing Natura2000-gebied de Veluwe Bijlage 2: Impressie plangebied Bijlage 3: Toelichting Wet Natuurbescherming Bijlage 4: Effectenindicator
Ecochore Natuurtechniek
33
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
BIJLAGE 1: BEGRENZING NATURA2000-GEBIED DE VELUWE
Figuur 6: ligging Natura2000 gebied De Veluwe (groene arcering) ten opzichte van het plangebied (rode kader). Bron: provincie Gelderland.
Ecochore Natuurtechniek
34
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
BIJLAGE 2: IMPRESSIE PLANGEBIED Deelgebied 1
Puttenveld in beukenopstand met weinig ondergroei. Dit deelgebied is gelegen langs de met klinkers verharde Kluizenaarsweg.
Ecochore Natuurtechniek
35
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Deelgebied 2
Leidingtracé langs de met klinkers verharde Kluizenaarsweg.
Ecochore Natuurtechniek
36
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Deelgebied 3
Productiebedrijf Pinkenberg met verspreid liggende pompputten, grazige vegetaties en verspreide bomen en boomgroepen. In het zuidelijke deel zijn enkele plekken met struikheide gespaard tijdens het maaien. Foto onder rechts: in dit gebouw is aan de achterzijde een vleermuisverblijf in de spouw aanwezig.
Ecochore Natuurtechniek
37
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Deelgebied 4
Zoekgebied realisatie nieuw PB met huidige bebouwing en groot onbebouwd gedeelte.
Ecochore Natuurtechniek
38
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
BIJLAGE 3: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet is de soortgerichte implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna op soortniveau. Activiteiten waarbij schade wordt gedaan aan beschermde dieren of planten zijn in principe verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak om, waar mogelijk, activiteiten uit te voeren zonder schade aan beschermde dieren en planten aan te brengen. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen waarin van iedereen wordt geacht voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Naast de aandacht voor beschermde soorten geldt voor alle in het wild levende dieren en planten een zorgplicht. Deze is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
Voor de in deze rapportage gemaakte toetsing zijn met name de onderstaande artikelen met verbodsbepalingen van toepassing: Artikel 3.1 Artikel 3.5 en 3.8 lid 5 Artikel 3.10 § 3.1 - Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. § 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3.
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ecochore Natuurtechniek
39
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Artikel 3.8 – lid 5 5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: i. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ii. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; iii. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; iv. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of v. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c.
er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. § 3.3. Beschermingsregime andere soorten – nationaal Artikel 3.10 2. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 3. Artikel 3.8 (ontheffingen voor soorten genoemd in Artikelen 3.5 Red.), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 4. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Ontheffing en Vrijstellingsregeling Wanneer beschermde soorten, zoals bedoeld onder Artikel 3.1, 3.5 en 3.10, voorkomen in een gebied dienen er maatregelen getroffen te worden om behoud van de lokale populatie, bescherming van individuen en de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen. Hiervoor dienen mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden. Om zeker te zijn of de maatregelen voldoende zijn, dienen ze vooraf beoordeeld te worden door het bevoegd gezag. Met dit besluit kan aangetoond worden dat de initiatiefnemer zich houdt aan de bepalingen in de Wet Natuurbescherming. Het besluit heeft de initiatiefnemer bijvoorbeeld nodig als iemand bezwaar maakt tegen het project of vraagt om handhaving van de Wet Natuurbescherming. Indien vaste verblijfplaatsen worden beschadigd of weggehaald of behoud van de lokale populatie dan wel bescherming van de aanwezige individuen niet voldoende kan worden gegarandeerd, dienen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd én dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In de meeste gevallen zal dit de betreffende provincie zijn. Voor deze soorten geldt echter dat alleen ontheffing wordt verleend op grond van een wettelijk belang genoemd in de betreffende Artikelen.
Elke provincie heeft een soortenlijst gepubliceerd waarin soorten, zoals bedoeld in Artikel 3.10, in die betreffende provincie zijn vrijgesteld voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud.
Ecochore Natuurtechniek
40
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Vogels Verblijfplaatsen van broedvogels zijn door de Wet Natuurbescherming beschermd. Tijdens werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. De Wet Natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 3.1. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze groep is opgedeeld in enkele categorieën waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 lid 2 jaarrond van kracht zijn: 1. 2. 3. 4.
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust en verblijfplaats. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.
Het betreft de vogelsoorten:
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
(Falco subbuteo) (Buteo buteo) (Apus apus) (Motacilla cinerea) (Accipiter gentilis) (Passer domesticus) (Tyto alba) (Bubo bubo) (Ciconia ciconia) (Asio otus) (Corvus frugilegus) (Falco peregrinus) (Accipiter nisus) (Athene noctua) (Pernis apivorus) (Milvus migrans).
Er zijn ook vogelnesten die worden aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet strikt beschermd. 5.
Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Wanneer een jaarrond beschermd nest wordt aangetroffen, dan dient altijd een omgevingscheck uitgevoerd te worden. Een deskundige dient te onderzoeken of er voor de soort in de omgeving voldoende plekken en materiaal aanwezig zijn om zelf een vervangende locatie te vinden en een vervangend nest te maken. Indien dit niet mogelijk is, dient een vervangende nestlocatie aangeboden te worden. Wanneer dit ook niet mogelijk blijkt, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Ontheffing kan alleen verkregen worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Wettelijke belangen zijn: bescherming van flora en fauna; veiligheid van het luchtverkeer; volksgezondheid of openbare veiligheid. Gedragscode Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkeling kan een vrijstelling van de verbodsbepalingen mogelijk zijn als u handelt conform een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer of onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.
Zo is het onder de Wet Natuurbescherming mogelijk om via een gedragscode Europees beschermde vogel- en andere dier- en plantensoorten vrij te stellen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, míts er sprake is van een bij respectievelijk Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn genoemd belang. In een gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt opdat schade aan beschermde dieren en planten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt. Voorwaarde is wel dat gewerkt dient te worden volgens een door de minister vastgestelde gedragscode. Hierbij is het van belang dat de gedragscode op de juiste wijze is geïmplementeerd in de organisatie of in het totaalplan van de werkzaamheden. Voor meer informatie over de toepassing van de Wet Natuurbescherming: zie de brochure van het ministerie van Economische Zaken: “Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen” – 3 december 2016.
Ecochore Natuurtechniek
41
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
BIJLAGE 4: EFFECTENINDICATOR In deze bijlage is het resultaat van de effectenindicator opgenomen zoals ingevuld op de site van het ministerie van Economische Zaken. De ingevulde waarden zijn “Veluwe” en “Bedrijventerrein”. Ook het vervangen van kabels en leidingen en de overige werkzaamheden hierbij kunnen door deze parameters worden ondervangen. De afweging van de onderstaande storingsfactoren ten opzichte van de geplande nieuwbouw, wordt beschreven in hoofdstuk 5.
Let op! De effectenindicator geeft u géén informatie over de daadwerkelijke schadelijke effecten van een activiteit noch over de significantie hiervan. Hiervoor is maatwerk vereist. De effectenindicator geeft alleen generieke informatie over mogelijke effecten van de activiteit. Uit de effectenindicator kan dus niet op voorhand worden afgeleid of een activiteit schadelijk is. Ecochore Natuurtechniek
42
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg Toelichting op activiteit ‘Bedrijventerrein’
Aanleg en gebruik van een bedrijventerrein heeft vele tijdelijke en permanente gevolgen voor natuur. In het algemeen zijn deze goed vergelijkbaar met woningbouw (zie aldaar). Afhankelijk van het type bedrijven kan het in gebruik zijn van een bedrijventerrein ook leiden tot emissie of lozing van vervuilende stoffen. Toelichting op activiteit 'Kabels en leidingen'
Onder- of bovengrondse aanleg van kabels, buizen en leidingen zijn vooral verstorend in de aanlegfase. Er kan sprake zijn van verstoring van de bodem, verlies van leefgebied, verstoring van dieren door diverse oorzaken. De permanente aanwezigheid van bovengrondse leidingen kan effect hebben op vliegroutes van vogels en vleermuizen. Dit is hier echter niet van toepassing.
Literatuur 1.
Maitland PS (2003). Ecology of the River, Brook and Sea Lamprey. Conserving Natura 2000 River Ecology Series No. 5. English Nature, Petersborough. 2. Opzeeland, I., H. Slabbekoorn & C. ten Cate, 2007. Vissen en geluidsoverlast. Effecten van geluidsbelasting onder water op zoetwatervissen. Universiteit Leiden. 3. Weeda, E.J. Nederlandse oecologische flora deel 4, pag 221, 222 4. Binot-Hafke et al (2000), Natur und Landschaft 75(9/10): 393-401 5. Hunger, H. (2004) Naturschutzorientierte, GIS-gestutzte Untersuchungen zur Bestandssituation der Libellenarten Coenagrion mercuriale, Leucorrhinia pectoralis und Ophiogomphus cecilia (Anhang II FFH-Richtlinie) in Baden-Wurttemberg. Dissertation, Freiburg 6. Kuijper, D.P.J., J.Schut, D. van Dullemen, H. Toorman, N. Goossens, J. Ouwehand & H.J.G.A. Limpens, 2008. Experimental evidence of light disturbance along the commuting routes of pond bats (Myotis dasycneme). Lutra 51(1). 7. Tomlinson ML & Perrow MR (2003). Ecology of the Bullhead. Conserving Natura 2000 Rivers Ecology Series No. 4. English Nature, Petersborough. 8. Smit, J & R. Krekels 2008. Vliegend hert op de Veluwe. Beschermingsplan 20092013. Rapportnr EIS2008-02.EIS-nederland en Bureau natuurbalans-Limes divergens, Leiden-Nijmegen. 9. Reijnen, R., R. Foppen and G. Veenbaas (1997).
Disturbance by traffic of breeding birds: Evaluation of the effect and considerations in planning and managing road corridors. Biodiversity and Conservation 6(4): 567-581. 10. Bijlsma, R.G., 2006. Effecten van menselijke verstoring op grondbroedende vogels van Planken Wambuis. De Levende Natuur 107: 191-198. 11. Pouwels, R. & C.C. Vos, 2001. Recreatie en biodiversiteit in balans. Een ruimtelijke benadering van functiecombinaties. Rapport Alterra, Wageningen. 12. Winden, J., van der, R.F.J. van Beusekom & M. Tentij (red.), 2008. Beschermingsplan Duin- en kustvogels. Vogelbescherming Nederland/ Bureau Waardenburg, Zeist/Culemborg. 13. Krijgsveld, K.L., Smits, R.R. & J. van der Winden, 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels: Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Bureau Waardenburg rapport 08-173: 245p. 14. Saris, F. & J. van der Salm, 1984. Broedvogels in de Biesbosch en de relatie met de recreatie. SCMO-TNO Delft en IvM-VU, Amsterdam. 15. Underhill-Day, J.C. & D. Liley, 2007. Visitor patterns on southern heaths: a review of visitor access patterns to heathlands in the UK and the relevance to Annex I bird species. Ibis 149(Suppl. 1): 112-119. 16. Molenaar, J.G. de, & R.J.H.G. Henkens, 2007. Champ Car evenement TT-circuit Assen Monitoring van de effecten van geluid op het aangrenzende Witterveld. Wageningen=UR, Alterra-rapport 1573, Wageningen. 17.
Buro VIJN b.v. pdf recreatie en broedvogels: literatuuroverzicht
Ecochore Natuurtechniek
43