10k. Pinkenberg_Toelichting_Bijlage 4 Natuurtoets
Tekst van het document
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg In het kader van de soortenbescherming en gebiedenbescherming
Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier
september 2021 rapportnummer: 211436
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
In het kader van de soortenbescherming en gebiedenbescherming
In opdracht van: Vitens N.V. Postbus 1205 8001 BE ZWOLLE Contactpersoon: Mevr. M. Popping Uitgevoerd door: Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Auteur: Bas Voerman Collegiale toetsing: Kees Weiland Veldwerk: Bas Voerman Datum:
september 2021
Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Foto’s voorzijde: gebouwen op PB Pinkenberg. Ecochore Natuurtechniek is aangesloten bij Samenwerkingsverband Ecologie
2
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
INHOUD INHOUD ................................................................................................................................... 3 1. AANLEIDING EN DOEL............................................................................................................. 4 2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING ....................................................................... 5 2.1 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................................................. 5 2.2 Gebiedsbeschrijving ...................................................................................................................................... 5 2.3 Geplande werkzaamheden ........................................................................................................................... 6 2.4 Volledigheid inventarisatie............................................................................................................................. 6 3. ONDERZOEKSRESULTATEN ...................................................................................................... 7 3.1 Flora ..............................................................................................................................................................
9 3.2 (Broed)vogels .............................................................................................................................................. 10 3.3 Herpetofauna en vissen .............................................................................................................................. 11 3.4 Zoogdieren .................................................................................................................................................. 12 3.5 Ongewervelden ........................................................................................................................................... 13 4. TOETSING WET NATUURBESCHERMING ....................................................................................15 4.1 Algemeen .................................................................................................................................................... 15 4.2 Flora ............................................................................................................................................................ 15 4.3 (Broed)vogels ..............................................................................................................................................
15 4.4 Herpetofauna en vissen .............................................................................................................................. 17 4.5 Zoogdieren .................................................................................................................................................. 18 4.6 Ongewervelden ........................................................................................................................................... 19 4.7 Consequenties tijdens de werkzaamheden en de zorgplicht....................................................................... 19 5. VOORTOETSING GEBIEDENBESCHERMING ..................................................................................20 5.1 Natura2000 ................................................................................................................................................. 20 5.2 Bescherming houtopstanden....................................................................................................................... 30 6. CONCLUSIE .........................................................................................................................31 6.1 Periode van uitvoering - natuurkalender .....................................................................................................
32 LITERATUUR............................................................................................................................33
BIJLAGEN ...............................................................................................................................33 BIJLAGE 1: BEGRENZING NATURA2000-GEBIED DE VELUWE ...........................................................34 BIJLAGE 2: IMPRESSIE PLANGEBIED .............................................................................................35 BIJLAGE 3: SOORTBESCHERMING - WET NATUURBESCHERMING .......................................................39 BIJLAGE 4: EFFECTENINDICATOR................................................................................................42
3
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
1. AANLEIDING EN DOEL Vitens is voornemens diverse renovatiewerkzaamheden uit te voeren op productiebedrijf (PB) Pinkenberg. Zo zullen kabels, leidingen en pompen worden vervangen. Eveneens zal een geheel nieuw productiebedrijf worden gebouwd op een naast het huidige productiebedrijf gelegen perceel en wordt gezocht naar mogelijkheden voor de bouw van een nieuw reservoir. Middels de Wet Natuurbescherming wordt een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Als er plannen zijn om bepaalde (ruimtelijke) handelingen uit te voeren of wijzigingen aan te brengen in het bestemmingsplan, zal er onderzocht moeten worden of deze plannen, of onderdelen hiervan, nadelige effecten kunnen hebben op aanwezige, of mogelijk aanwezige, beschermde flora en fauna. Door het uitvoeren van een natuurtoets kan worden bepaald of dier- en plantsoorten negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de werkzaamheden dan wel dat er gezocht moet worden naar mitigerende en/of compenserende maatregelen. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat een ontheffing moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Dit is in de meeste gevallen de betreffende provincie waarin het project ligt.
Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, die gesteld wordt in de Wet Natuurbescherming, is aan Ecochore Natuurtechniek opdracht gegeven voor de uitvoering van een quickscan natuurtoets om zo de mogelijk negatieve effecten op flora en fauna in kaart te brengen. Middels een quickscan wordt een indruk verkregen van de mogelijke waarden van een gebied voor flora en fauna en kan worden beoordeeld of voldoende verspreidingsgegevens van mogelijk aanwezige beschermde dieren en planten voorhanden is of dat nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet Natuurbescherming voorziet naast de soortenbescherming eveneens in de bescherming van gebieden en houtopstanden. Om de effecten van de geplande werkzaamheden op de beschermde gebieden te verkennen, zijn deze onderdelen eveneens in deze rapportage opgenomen. Dit rapport beschrijft de bevindingen en consequenties van het uitgevoerde quickscan natuuronderzoek (soortenbescherming) en de voortoetsing van de geplande werkzaamheden aan beschermde gebieden (gebiedenbescherming) en houtopstanden.
Ecochore Natuurtechniek
4
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING Het plangebied is op 8 september 2021 door een medewerker van Ecochore Natuurtechniek onderzocht om zo een verwachting uit te kunnen spreken van het voorkomen van, dan wel het gebruik maken door, beschermde dier- en plantsoorten in het gebied, zoals vermeld in de Wet Natuurbescherming, Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en Rode Lijsten.
2.1 Onderzoeksmethodiek Iedere dier- en plantgroep behoeft zijn eigen methode van inventarisatie om zo een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de betekenis van het gebied voor de betreffende soorten of groepen. Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Er is zowel globaal gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna, als naar de mogelijke waarden die het gebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een éénmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn de aanwezige ecotopen intensief geïnspecteerd op aanwijzingen van beschermde of Rode lijstgenoteerde flora en fauna. Als aanvulling op het veldbezoek zijn verspreidingstabellen en verspreidingsatlassen, met waarnemingen van de locatie en directe omgeving, geraadpleegd op het voorkomen van beschermde of Rode Lijstgenoteerde soorten. Hiervoor zijn waarnemingen uit de periode 2011-2021 gebruik tenzij anders vermeld. Aan de hand van de resultaten van het quickscanonderzoek kan worden aangegeven of nadere inventarisaties gewenst zijn of dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de effecten op aanwezige (beschermde) flora en fauna geen bedreiging opleveren en of ontheffingen in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk zijn. Bezoekdata
Starttijd
Weersgesteldheid
Onderzoeker
08-09-2021
dagbezoek
0/8 bewolkt, droog, windkracht 1 ZO, 28ºC
Bas Voerman
Tabel 1: Bezoekdata en specificaties.
2.2 Gebiedsbeschrijving Het onderzoeksgebied is gelegen aan de rand van de bebouwde komen Rozendaal en Velp in de gemeente Rheden. Het onderzochte gebied is grotendeels gelegen aan de rand van het bos op de flank van de stuwwal. De leiddingtracés liggen grotendeels langs de Kluizenaarsweg en deels op het terrein van PB Pinkenberg. De nieuwbouwlocatie bevindt zich op de hoek van de Kluizenaarsweg met de inrit aan de zijde van de Pinkenbergseweg. Nagenoeg het gehele onderzoeksgebied ligt op de grens van het Natura2000 gebied de Veluwe. Het noordelijke deel van het onderzoeksgebied nabij enkele winputten, ligt feitelijk binnen de begrenzing. De noordelijk gelegen pompputten liggen geheel binnen een beukenopstand met relatief weinig ondergroei. Het tracé van de te vervangen leidingen tot aan het huidige pompgebouw, bevindt zich grotendeels in de bermen van de Kluizenaarsweg. Ter hoogte van het eigendom van Vitens liggen de leidingen meer op eigen terrein. Het huidige productiebedrijf bestaat uit enkele monumentale gebouwen die verdiept in het landschap zijn gebouwd. Het terrein rondom deze gebouwen is, gezien de aanwezige vegetatie vrij schraal. Verspreid op het terrein staan enkele bomen. Met name in de zuidelijke punt van het terrein staan meer bomen en opslag van struweel in de grazige vegetatie.
Het zijn onder andere enkele solitaire bomen en struiken als Amerikaanse eik, paardenkastanje, hazelaar, grove den en enkele zomereiken. De locatie voor de nieuwbouw van het productiebedrijf betreft een vrij schraal grasland met in de noordelijke punt een tweetal gebouwen met pannen daken. Het gehele terrein is omgeven door een oude beukenhaag. Zie voor gebiedsligging figuur 1 en een gebiedsimpressie bijlage 2. Ecochore Natuurtechniek
5
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
2.3 Geplande werkzaamheden Vitens is voornemens op PB Pinkenberg een nieuw productiebedrijf te realiseren. Daarnaast zullen diverse werkzaamheden worden uitgevoerd waaronder het vervangen van kabels, leidingen en winpompen. Ook wordt gezocht naar mogelijkheden voor de bouw van een nieuwe reinwaterkelder. Hieronder zijn de voornaamste werkzaamheden opgenomen. bouw nieuw productiebedrijf vervangen winpompen; plaatsing zuivering (open marmerfilters met geïntegreerde beluchting); bouw reinwaterkelder; distributie pompinrichting; spoelwaterverwerking met nieuwe kabels (spoelwaterbehandeling met geïntegreerde slibopvang); realisatie noodstroomvoorziening; vervanging en aanleg van alle kabels (glasvezel voor besturing/beveiliging, voedingskabels en aardleiding, VIPAS update) richting winveld; graven van sleuven langs wegen/bos i.v.m. het verleggen van de kabels en leidingen; Voor het overgrote deel van de werkzaamheden zullen geen bomen worden gerooid. Voor het vervangen van de leidingen in het noordelijke deel binnen het beukenbos en in de wegbermen, is het wel mogelijk dat een enkele boom wordt gerooid. Voor de mogelijke bouw van een reinwaterkelder in de zuidelijke punt van het plangebied, zullen eveneens mogelijk enkele bomen en struiken worden gerooid. De werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als Ruimtelijke Ontwikkeling en Ingrepen.
Op deze definitie is de afweging in het kader van de Wet Natuurbescherming (hoofdstuk 4) gebaseerd.
2.4 Volledigheid inventarisatie De inventarisatie is uitgevoerd middels een quickscan. Bij dit type natuuronderzoek wordt aan de hand van feitelijke veldwaarnemingen, literatuur en expert judgement, een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische waarden van het gebied voor beschermde soorten planten en dieren. Hierdoor blijft het onderzoek een steekproef en zullen bepaalde soorten en functies niet zijn waargenomen, terwijl ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig kunnen zijn. Voor een compleet beeld kunnen daardoor nadere inventarisaties noodzakelijk zijn. In onderliggende rapportage wordt per soortgroep beschreven of de verkregen verspreidinggegevens afdoende zijn om een juiste afweging te maken of op welke wijze aanvulling hiervan noodzakelijk is. De verkregen verspreidingsgegevens hebben een bepaalde ‘houdbaarheidsdatum’ waardoor het gebruik van verspreidingsgegevens aan een maximale gebruiksperiode is gebonden. Voor de verspreidingsgegevens van licht beschermde soorten, of het juist ontbreken hiervan, wordt veelal een bruikbaarheidsperiode van circa 5-6 jaar gehanteerd, zoals de meeste gegevens in dit quickscanrapport. Voor zwaar beschermde soorten als bijvoorbeeld vleermuizen en vogels, geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar.
Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende up-to-date zijn om te kunnen gebruiken bij afwegingen voor ruimtelijke ingrepen. Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch is veranderd waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan. Indien hiervan wel sprake is, kan een gedeeltelijke update of volledig nieuw onderzoek noodzakelijk zijn. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld.
Ecochore Natuurtechniek
6
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Figuur 1. Ligging onderzoeksgebied. Bron: Provincie Gelderland en Google Earth.
1
2
3 4
Inzet: globale begrenzing deelgebieden. Ecochore Natuurtechniek
7
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Figuur 2. Overzicht begrenzingen werkzaamheden.
Ecochore Natuurtechniek
8
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
3. ONDERZOEKSRESULTATEN In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het veldbezoek weergegeven. Ter aanvulling op de onderzoeksresultaten zijn verspreidingsatlassen (onder andere de NDFF) geraadpleegd voor de kilometerhokken: 195-446 en 195-447. In het volgende hoofdstuk worden de wettelijke consequenties en eventuele aanbevelingen beschreven. Voor een toelichting op de Wet Natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 3.
3.1 Flora Veldbezoek Binnen het gehele onderzoekgebied zijn diverse ecotopen te onderscheiden. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en aanwezige ecotopen, is voor het onderzoek het plangebied opgedeeld in 4 verschillende deelgebieden zoals weergegeven in figuur 1 op bladzijde 7. Per deelgebied kunnen wel meerdere ecotopen worden onderscheiden. Deelgebied 1. Beukenbos met weinig ontwikkelde ondergroei. Met name langs de randen is de bodem verstoord en zijn de meeste vaatplanten aangetroffen. Dit zijn soorten als: gewoon vingerhoedskruid, moerasdroogbloem, gewone braam, gewone vogelmuur, ruwe smele, gewone hennepnetel, haarmos spec., brede stekelvaren, Jacobs kruiskruid, Canadese fijnstraal, muursla, zwaluwtong, geel nagelkruid, witte dovenetel, basterdwederik spec., grote brandnetel en zeegroene rus. In de struiklaag zijn soorten aangetroffen als Amerikaanse vogelkers, wilde lijsterbes en hulst en opslag van lariks. Verder zijn op dode beuken porseleinzwam en platte tonderzwam aangetroffen. Deelgebied 2. Wegberm langs Kluizenaarsweg. Deze berm is gedeeltelijk begroeid met bomen, voornamelijk Amerikaanse eik met een diameter borsthoogte (dbh) van 40 cm.
Daarnaast zijn soorten aangetroffen als: gewone hennepnetel, ridderzuring, moerasdroogbloem, hondsdraf, zwarte nachtschade, Canadese fijnstraal, knopig helmkruid, akkerkool, valse salie, gewoon struisgras, sint Janskruid, gewone klit, fluitenkruid, robbertskruid en opslag van douglasspar en Amerikaanse eik. Deelgebied 3 Schrale graslanden met struwelen en solitaire bomen - Terrein binnen omheining Een groot deel van dit deelgebied betreft een vrij schrale tot zeer schrale vegetatie die ten tijde van het onderzoek gemaaid was. Hier zijn soorten aangetroffen als: schapenzuring, dagkoekoeksbloem, madeliefje, smalle weegbree, gewoon duizendblad en gewone hoornbloem. In de meer beschaduwde en verruigde delen zijn soorten als geel nagelkruid, bosandoorn, klein springzaad, koninginnenkruid, harig wilgenroosje, gewone berenklauw, schijnaardbei, groot nagelkruid en vlasbekje aangetroffen. In het zuidelijke deel van het gebied zijn enkele delen met ontwikkeling van struikheide die gespaard worden bij het maaien. Op de taluds langs de toegangsweg naar het pompgebouw is een schrale vegetatie aanwezig met soorten van schrale omstandigheden als Sint Janskruid, zandblauwtje (zie foto 1), muizenoortje en grasklokje. Deelgebied 4 schraal grasland met struwelen en enkele bomen – Locatie nieuw productiebedrijf Ook hier was de grazige vegetatie ten tijde van het onderzoek vrij recent gemaaid.
Op het perceel zijn soorten aangetroffen als vlasbekje, gewoon duizendblad, veldzuring, dagkoekoeksbloem, gewoon biggenkruid, grasmuur, knoopkruid en rolklaver. Nabij de twee gebouwen is struweel met enkele bomen aanwezig, voornamelijk bestaande uit soorten als hazelaar, zomereik en gewone esdoorn. Rondom het terrein is een oude vrij hoge beukenhaag aanwezig. Literatuur In de NDFF zijn geen beschermde soorten bekend geworden binnen de kilometerhokken en omringde hokken waarin het onderzoeksgebied gelegen is. Wel zijn enkele Rode lijstgenoteerde soorten in de database bekend als borstelgras, bosaardbei, dubbelloof, gele kornoelje, gewone agrimonie, tweestijlige meidoorn en wilde gagel. Ecochore Natuurtechniek
9
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Geschiktheid plangebied Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde soorten te verwachten gezien het ontbreken van geschikte groeiplaatsomstandigheden. De waarnemingen van borstelgras zijn in 2012 verricht binnen het terrein van Vitens. Tijdens het veldbezoek is deze soort niet aangetroffen. Mogelijk is de soort gemist doordat het plangebied vrij recent gemaaid was. De overige Rode Lijstgenoteerde soorten zijn alle buiten het plangebied bekend geworden. In het gehele plangebied zijn wel enkele locaties met mogelijke groeiplaatsen voor deze soorten. Met name de taluds in deelgebied 3 bieden voor borstelgras geschikte groeiplaatsomstandigheden. De struweelzones bieden potentiële groeiplaatsen aan tweestijlige meidoorn en gele kornoelje. In vochtigere bosdelen kunnen dubbelloof en bosaardbei aanwezig zijn. Deze soorten zijn echter niet aangetroffen.
Foto 1: Zandblauwtje op het talud van de toegangsweg.
3.2 (Broed)vogels Het veldbezoek heeft plaatsgevonden middels een eenmalig bezoek buiten het broedseizoen van de meeste vogelsoorten. De aanwezige ecotopen op de planlocatie bieden potentiële broedgelegenheden voor soorten uit ecologische vogelgroepen als: Grazige vegetaties Boomgroepen en open bos Opgaand gesloten bos Tijdens het veldbezoek zijn diverse vogelsoorten rondom de planlocatie waargenomen. Dit zijn koolmees, grote bonte specht, boomklever en winterkoning. Boven het plangebied zijn twee buizerden cirkelend waargenomen. Deze dieren hadden geen directe binding met het plangebied. Alle overige waarnemingen betreffen foeragerende dieren. Het beschermingsregime van de groep vogelsoorten is opgedeeld in 5 categorieën waarbij de nestlocaties leidend zijn. In bijlage 3 is een toelichting op de 5 verschillende categorieën en bijhorende soorten beschreven. Er zijn geen soorten aangetroffen die opgenomen zijn in categorie 1-4, met uitzondering van de buizerden. Binnen de bosdelen in het noordelijke deel van het plangebied rondom de aanwezige putten en binnen het leidingtracé, zijn geen bomen met horsten aangetroffen. Wel zijn in de beuken enkele ingerotte takken als potentiële broedlocaties voor enkele soorten aangetroffen. Er zijn geen sporen van soorten uit deze categorieën aangetroffen.
Ook binnen de omheinde delen (deelgebied 3 en 4) zijn geen vaste rustlocaties van deze soorten gevonden. Enkele gebouwen bieden mogelijk geschikte broedlocaties voor huismussen. Dit zijn het huidige pompgebouw op de bestaande productielocatie (deelgebied 3) en het witte gebouw op de nieuwbouwlocatie (deelgebied 4).
Ecochore Natuurtechniek
10
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Tijdens het veldwerk zijn geen horsten in de bomen aangetroffen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de bomen vol in blad zaten waardoor niet alle kronen voldoende overzichtelijk waren. Boomholten zijn met name aangetroffen in de beuken in deelgebied 1. De Amerikaanse eiken langs de weg in deelgebied 2 hebben nauwelijks holten. Hierin zijn wel enkele ingerotte takwonden zichtbaar. Voor vogels uit categorie 1-4 zijn deze holten echter naar verwachting niet geschikt. In deelgebied 3 en 4 zijn eveneens geen geschikte holten aangetroffen. Er zijn enkele soorten uit categorie 5 aangetroffen in de directe omgeving van het plangebied: koolmees en grote bonte specht. Daarnaast biedt het bos voor diverse soorten uit deze categorie potentieel geschikte broedlocaties. Dit zijn soorten als: grauwe vliegenvanger, kleine bonte specht, gekraagde roodstaart, zwarte mees en dergelijke. Literatuur De atlas van Nederlandse broedvogels laat in het kilometerhok waarbinnen het plangebied ligt een groot aantal algemene broedvogels zien. Hierbij zijn ook enkele categorie 1-4 soorten als sperwer, ransuil, wespendief, havik en buizerd. Geschiktheid plangebied In het omringende bos kunnen voor de genoemde soorten uit categorie 1-4 geschikte horstbomen aanwezig zijn. Hierdoor kan het plangebied onderdeel uitmaken van het leefgebied van deze soorten.
De omgeving van het plangebied en de beuken in het noordelijke deel, zijn eveneens geschikt als leefgebied en potentiële broedlocaties van zwarte specht1. Ook draaihals1 en wespendief zijn in de omgeving als broedvogel en foeragerend binnen het plangebied niet uit te sluiten.
3.3 Herpetofauna en vissen Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen verricht van soorten uit deze groepen. Amfibieën en vissen Voor soorten uit de groep amfibieën en vissen ontbreekt het aan geschikte voortplantingsbiotopen binnen het plangebied en direct hieraan grenzend. Hierdoor is aanwezigheid van zwaar beschermde soorten niet te verwachten. Zwervende, licht beschermde amfibieën, als bijvoorbeeld gewone pad en bruine kikker, zijn binnen de deelgebieden niet geheel uit te sluiten. Voortplantingsbiotopen van deze soorten zijn echter niet binnen de deelgebieden en de directe omgeving aanwezig. Reptielen Het gehele plangebied is potentieel leefgebied voor hazelworm. Op grotere afstand van het plangebied, in de verspreid liggende heidegebieden en meer vochtige deelgebieden, kunnen ook soorten als zandhagedis en ringslang worden aangetroffen. Literatuur De verspreidingskaarten van RAVON (Reptielen, Amfibieën en Vissenonderzoek Nederland) en de NDFF laten waarnemingen zien van enkele beschermde soorten in het atlasblok en aangrenzende blokken waarbinnen het plangebied gelegen zijn. Het betreft vrijgestelde amfibieën als gewone pad, kleine watersalamander, bruine kikker en bastaardkikker. In 2016 is een dood exemplaar van de niet vrijgestelde alpenwatersalamander bekend geworden vanuit de bebouwde kom van Velp op ruim 750 meter ten zuidwesten van het plangebied.
Overige waarnemingen van deze soort zijn op grotere afstand van het plangebied verricht en betreffen alle losse waarnemingen binnen de bebouwde kom. Daarnaast zijn waarnemingen bekend geworden van hazelworm en ringslang. Ringslangen zijn bekend geworden nabij de vijvers van Park Rosendael in het westen en landgoed Beekhuizen ten noorden van het plangebied. Beide locatie liggen op respectievelijk 800 en 400 meter afstand van het plangebied. Van zandhagedis zijn enkele waarnemingen bekend geworden op de heideterreinen ten noorden en oosten van het plangebied.
1 Deze soorten worden hier specifiek genoemd doordat de soorten zijn aangewezen als kwalificerende
soort voor de Veluwe maar niet zijn opgenomen in categorie 1-4. Ecochore Natuurtechniek
11
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Geschiktheid plangebied Binnen het plangebied ontbreekt open water waardoor geen voortplantingsbiotopen van amfibieën aanwezig zijn. Voor alle amfibieën vormt het plangebied wel geschikte mogelijkheden als landhabitat. Hierdoor kunnen zwervende dieren worden aangetroffen. Het plangebied is eveneens geschikt als leefgebied van hazelworm. Door het ontbreken van open water zal het plangebied geen leefgebied van ringslang vromen. Gezien de ligging relatief dicht bij bekende populaties, zijn zwervende ringslangen niet uit te sluiten.
3.4 Zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn waarnemingen verricht van enkele zoogdiersoorten: bosmuis (individu), haas (individu) en egel (uitwerpselen). Naast de aangetroffen soorten biedt de planlocatie, en de directe zone hier omheen, voor diverse algemene zoogdiersoorten een potentieel geschikt leefgebied. Hierbij moet met name gedacht worden aan soorten als: ware muizen, (algemene) spitsmuizen, eekhoorn, ree, mol en kleine marterachtigen. Van de beschermde soorten eekhoorn, kleine marterachtigen, steenmarter, boommarter en das zijn geen vaste verblijfplaatsen binnen de deelgebieden aanwezig. Wel kunnen in de omgeving nesten of burchten van deze soorten aanwezig zijn waardoor foeragerende en zwervende dieren binnen de onderzoeksgebieden niet zijn uit te sluiten. Literatuur De NDFF maakt melding van beschermde soorten waaronder: steenmarter, boommarter, bunzing, eekhoorn, das, ree, konijn, vos, wild zwijn en edelhert. Soorten als wezel en hermelijn zijn niet in de NDFF bekend binnen het kilometerhok. Geschiktheid plangebied Deelgebieden 1 en 2 zijn niet omgeven door hekwerken en daardoor voor alle diersoorten bereikbaar. Door de ligging in het bos en langs de bosrand, zijn de genoemde soorten hier foeragerend aan te treffen. Halverwege deelgebied 2 is een wildrooster aanwezig.
Hierdoor zullen soorten als edelhert en wild zwijn niet naar het zuiden kunnen trekken. De deelgebieden 3 een 4 zijn geheel omgeven door hekwerk. Hierdoor zullen grotere soorten niet binnen het plangebied worden aangetroffen. Voor alle kleinere soorten en marterachtigen als steenmarter en boommarter, vormt de omheining geen directe belemmering waardoor deze soorten ook binnen de hekken kunnen worden aangetroffen. Vleermuizen Het plangebied vormt zeer geschikt foerageergebied voor verschillende soorten vleermuizen. Door de ligging nabij de bebouwde kom met in de woningen en gebouwen mogelijkheden voor gebouwbewonende soorten en het omringende bosgebied met bomen en holten voor boombewonende soorten, zijn diverse soorten te verwachten. In deelgebied 1 zijn in de beuken verschillende potentieel voor vleermuizen geschikte holten aangetroffen. Voornamelijk betreft het ingerotte takholten. In deelgebied 2 zijn in de Amerikaanse eiken nauwelijks holten aangetroffen. Er zijn enkele zeer ondiepe takwonden die voor verblijfplaatsen van vleermuizen nauwelijks geschikt zijn. Wel kunnen deze in gebruik zijn als balts-/paarlocatie. In deelgebied 3 zijn voor boombewonende vleermuizen geen geschikte holten in bomen aanwezig. In het zuidelijke deel staat het eigenlijke pompgebouw met enkele bijgebouwen.
Deze gebouwen zijn grotendeels goed onderhouden en hebben nauwelijks kieren of andere potentiële invliegopeningen. Eén van de gebouwen heeft echter aan de achterzijde enkele grote open ventilatievoegen tussen verticaal geplaatste bakstenen – zie foto 2. Rondom enkele van deze open voegen zijn op de muur uitwerpselen van vleermuizen aangetroffen. Gezien het formaat, het aantal en de spreiding van de uitwerpselen rondom de gaten, is het vermoedelijk een groep gewone dwergvleermuizen. Dit is echter niet met zekerheid vastgesteld. In de overige gebouwen zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen.
Ecochore Natuurtechniek
12
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
In deelgebied 4 zijn voor boombewonende vleermuizen geen geschikte holten in bomen aanwezig. In dit deelgebied staan twee vrij oude gebouwen. Het ‘witte’ gebouw heeft voor vleermuizen nauwelijks geschikte invliegopeningen. Het niet geverfde gebouw heeft wel enkele geschikte kieren langs de dakrandbetimmeringen en windveren. Er zijn hier geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Literatuur Verspreidingsatlassen van vleermuizen laten aanwezigheid van verschillende soorten in het kilometerhok zien: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, baardvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en dergelijke. Geschiktheid plangebied In alle deelgebieden zijn redelijkerwijs foeragerende en op-route zijnde vleermuizen aan te treffen. Hierbij kan het gaan om alle genoemde en nog enkele andere soorten. Ook de gebouwen en de aanwezige boomholten kunnen door genoemde soorten als verblijfplaats in gebruik zijn.
3.5 Ongewervelden Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten uit deze groep aangetroffen. De planlocatie is niet geschikt voor de meeste beschermde of Rode Lijstgenoteerde insectensoorten. Een groot deel van de beschermde soorten heeft een strikte binding met water of is afhankelijk van specifieke heischrale biotopen. Doordat dergelijke biotopen ontbreken zijn deze soorten niet te verwachten. Op de Veluwe zijn populaties aanwezig van de keversoort het vliegend hert. Deze soort is sterk afhankelijk van oude zomereiken en eikenstoven. Binnen een straal van enkele kilometers zijn echter geen waarnemingen van de afgelopen 20 jaar van deze soort bekend geworden waardoor redelijkerwijs de soort als aanwezig kan worden uitgesloten. Literatuur In 2020 is net ten zuiden van het plangebied een teunisbloempijlstaart aangetroffen. Overige beschermde soorten, waaronder vliegend hert, zijn uit de omgeving niet bekend. Wel zijn enkele rode lijstgenoteerde vlindersoorten bekend geworden. Dit zijn soorten als kleine ijsvogelvlinder, bruin blauwtje, bosparelmoervlinder, grote vos, heivlinder, kleine parelmoervlinder en sleedoornpage. Geschiktheid plangebied De teunisbloempijlstaart leeft in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Dergelijke biotopen zijn binnen het plangebied aanwezig.
De waardplanten zijn met name (harig) wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Van deze soorten zijn harig wilgenroosje en basterdwederik op verschillende plekken aangetroffen. Doordat de graslanden gemaaid waren, kunnen overige soorten zijn gemist. Het plangebied is daardoor potentieel geschikt voor deze soort.
Ecochore Natuurtechniek
13
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Foto 2: Invliegopeningen vleermuisverblijf. De soort is niet nader onderzocht.
Ecochore Natuurtechniek
14
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
4. TOETSING WET NATUURBESCHERMING 4.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Flora- en faunawet uit 2002. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Artikel 3.1 beschrijft de vogelsoorten zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Deze lijst omvat alle inheemse vogelsoorten. Verstoring of opzettelijke verontrusting van broedende vogels is niet toegestaan. Daarnaast zijn er enkele soorten die jaarrond gebruik maken van dezelfde broedlocaties of die afhankelijk zijn van specifieke locaties; deze locaties zijn jaarrond beschermd. Voor vogels is slechts ontheffing mogelijk voor belangen die betrekking hebben op bescherming van flora en fauna, veiligheid voor het vliegverkeer of volksgezondheid. Soorten die vermeld staan in artikel 3.5 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een ontheffing noodzakelijk zijn.
De mogelijkheid voor ontheffing wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen. Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten. Soorten als bedoeld onder dit artikel worden in deze rapportage aangeduid als strikt beschermde soorten. Soorten die vermeld staan in artikel 3.10 zijn soorten van nationaal belang. Voor deze soorten geldt een iets milder beschermingsregime. Daarnaast zijn per provincie enkele soorten op de vrijstellingslijst geplaatst voor belangen als ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of doelstelling, kunnen soorten binnen dit artikel zijn vrijgesteld van ontheffing of is nader onderzoek en ontheffing noodzakelijk. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 3.
4.2 Flora Binnen het onderzoeksgebied zijn tijdens de quickscan geen beschermde plantensoorten waargenomen. Van beschermde soorten zijn geen groeiplaatsen binnen het gebied te verwachten en ook niet bekend geworden in de NDFF. De locatie biedt geen geschikte groeiplaatsen voor beschermde vaatplanten waardoor deze kunnen worden uitgesloten. Aangezien beschermde soorten ontbreken is geen schade aan deze soorten te verwachten en is nader onderzoek of een ontheffing niet noodzakelijk.
4.3 (Broed)vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet Natuurbescherming. Ontheffing voor deze diergroep is in de meeste gevallen niet mogelijk. Dit betekent dat het (opzettelijk) verstoren, verontrusten, doden en anderszins van vogels en nesten in beginsel niet is toegestaan. Voor vogels geldt dat deze tijdens de broedperiode het meest gevoelig zijn voor verstoring. De rest van het jaar zijn zij flexibeler en is de kans op nadelige effecten door de werkzaamheden voor de individuen aanzienlijk minder. Hierdoor is het sterk aan te bevelen buiten het broedseizoen te starten met de werkzaamheden waardoor bij aanvang van het broedseizoen het verstoringeffect op vogels minimaal is. Globaal kan worden gezegd dat de broedperiode, voor de mogelijk aanwezige soorten, ligt tussen 1 maart en 15 (31) juli. Hierbij dient wel te worden op gemerkt dat indien broedende vogels in een andere periode van het jaar worden aangetroffen, hierbij Ecochore Natuurtechniek
15
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
zorgvuldig dient te worden omgegaan zodat verstoring van de broedende vogels wordt voorkomen. Niet alle vogels maken jaarlijks een nieuw nest om te broeden. Een deel van de soorten gebruikt jaarlijks hetzelfde nest of dezelfde locatie om hun jongen groot te brengen. Ook zijn er soorten die jaarrond gebruik maken van vaste verblijfplaatsen. Voor deze soorten geldt dat de nest- of verblijflocaties jaarrond beschermd zijn en dat inzichtelijk gemaakt moet worden welke gevolgen de werkzaamheden voor deze soorten hebben. De provincie hanteert een lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn: ‘Aangepaste lijst beschermde vogelnesten’ – zie ook bijlage 3. De nestlocaties en vaste verblijfplaatsen van de hierin beschreven soorten zijn ook in perioden beschermd als er tijdelijk geen gebruik van de nestlocatie wordt gemaakt. De betreffende soorten zijn verdeeld in 5 categorieën. Categorie 1-4 soorten Binnen de deelgebieden zijn geen vogelsoorten of nestlocaties aangetroffen. In enkele dicht bebladerde bomen zijn echter op voorhand horsten niet uit te sluiten. In enkele gebouwen zijn mogelijke broedlocaties voor huismussen aanwezig. Doordat de bomen in blad zaten ten tijde van het veldbezoek, waren de kronen niet voldoende overzichtelijk.
Indien bomen worden gekapt, is het noodzakelijk voorafgaande een nadere controle uit te voeren naar aanwezige horsten in de bomen en directe omgeving. Een van de hiervoor benodigde bezoeken dient in de winterperiode te worden uitgevoerd op het moment dat de bomen niet in blad staan. In het omringende bos kunnen horsten van enkele soorten aanwezig zijn. Daarnaast zullen in het bosgebied eveneens diverse potentiële broedlocaties voor verschillende holtebroedende soorten uit categorie 1-4 (zie bijlage 3) aanwezig zijn. Hierdoor zijn nestlocaties van de kwalificerende soorten zwarte specht en draaihals2 en wespendief niet uit te sluiten. In een ruime zone van enkele tientallen meters rondom het plangebied zijn geen nestlocaties aangetroffen. Voor kwalificerende vogelsoorten van de Veluwe als de zwarte specht, wespendief en draaihals, bieden delen van het plangebied matig geschikt foerageergebied. Het overgrote deel van de 4 deelgebieden zal ook na realisatie van de werkzaamheden geschikt blijven als foerageergebied. Met name deelgebied 4 zal veranderen doordat hier op een deel van het terrein een nieuw productiebedrijf zal worden gebouwd. Hierdoor zal hier sprake zijn van enige vermindering in potentieel foerageergebied voor bijvoorbeeld wespendief en draaihals. Zwarte specht zal dit deelgebied niet gebruiken als onderdeel in het leefgebied.
Deze soort foerageert in bossen en leeft voornamelijk van bos- en houtmieren en larven van houtbewonende kevers. Wespendief en draaihals foerageren in meer open, grazige terreinen waarbij de wespendief in hoofdzaak wespen- en bijenbroed eet en draaihals voornamelijk mieren en mierenpoppen. Voor beide soorten is deelgebied 4, en in mindere mate deelgebied 3, daardoor in potentie geschikt als foerageergebied. Om te bepalen of de deelgebieden onderdeel uitmaken van het leefgebied van deze soorten wordt nader vogelonderzoek voorgesteld. Aan de hand van deze gegevens kan worden bepaald wat de mogelijke impact op de betreffende soorten is. Categorie 5 soorten Door de geplande ontwikkelingen kunnen er effecten optreden op ‘overige soorten’ zoals opgenomen in categorie 5. Van deze soorten is de nestlocatie alleen beschermd indien ecologische afwegingen dat rechtvaardigen. Dit geldt met name wanneer er geen alternatieven in de directe omgeving voorhanden zijn. Hoewel het de intentie is om geen bomen te kappen ten behoeve van het vernieuwen van kabels en leidingen, is dit tijdens de uitvoering niet volledig uit te sluiten. Met name in de beukenopstand in deelgebied 1 zijn potentieel geschikte broedlocaties aanwezig. Het kappen van een enkele boom met holte zal echter voor de populaties van soorten uit categorie 5 geen negatief effect hebben.
Door de ligging in het bosgebied de Veluwe kan worden gesteld dat er voldoende alternatieve nestlocaties in de omgeving behouden blijven. Wel geldt dat de eventuele kap buiten het broedseizoen dient te worden uitgevoerd. Indien kap binnen het broedseizoen noodzakelijk is, is een nadere afweging door een ecoloog noodzakelijk. 2 Deze soorten worden hier specifiek genoemd doordat ze zijn aangewezen als kwalificerende soort
voor de Veluwe maar niet zijn opgenomen in categorie 1-4. Ecochore Natuurtechniek
16
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Ten aanzien van zwarte specht, draaihals en wespendief is nader territoriumonderzoek noodzakelijk. Hierbij dient eveneens gezocht te worden naar horsten van overige categorie 1-4 soorten. Voor dit onderzoek wordt geadviseerd minimaal 1 bezoek in winterperiode uit te voeren waarbij de boomkronen goed overzichtelijk zijn. Indien werkzaamheden aan de gebouwen in deelgebied 3 een 4 worden gepland, is nader onderzoek naar huismus noodzakelijk. Daarnaast wordt geadviseerd de werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren – globaal buiten de periode maart-augustus om verstoring van broedende vogels te voorkomen. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord.
4.4 Herpetofauna en vissen Binnen het plangebied zijn geen geschikte wateren voor vissen aanwezig. Hierdoor ontbreekt deze soortgroep binnen het plangebied. Amfibieën Alle amfibieën zijn beschermd krachtens de Wet Natuurbescherming. Enkele amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad kunnen zwervend binnen het plangebied niet worden uitgesloten. Deze soorten zijn echter door provincie Gelderland op de vrijstellingslijst geplaatst. Strikt beschermde amfibieën zijn binnen het plangebied niet te verwachten waardoor voor deze groep geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk is. Reptielen Alle reptielen zijn beschermd krachtens de Wet Natuurbescherming. Zoals aangegeven is het bosgebied geschikt leefgebied voor hazelworm en zijn twee deelpopulaties van ringslangen bekend uit de directe omgeving. Gezien de biotoop van de onderzoeksgebieden en de bekende verspreiding, is aanwezigheid van de hazelworm binnen het plangebied zeer aannemelijk. Ringslang is eveneens niet uit te sluiten. Geschikte voortplantingsbiotopen zijn niet aanwezig en broeihopen ontbreken. Hierdoor zal het alleen een onverhoopt zwervend exemplaar kunnen betreffen. Dor het toepassen van ecologische begeleiding (zie onderstaande tekst) is geen schade aan ringslangen te verwachten. Graafwerkzaamheden in de deelgebieden kunnen resulteren in schade aan individuen of overwinteringsplekken.
Om schade aan individuen te voorkomen is het raadzaam de werkzaamheden buiten de overwinteringsperiode uit te voeren en onder ecologische begeleiding. In de winterperiode zijn de dieren nauwelijks mobiel waardoor ze nauwelijks in staat zijn om te vluchten. Door de werkzaamheden in het zomerhalfjaar uit te voeren zijn de dieren mobieler en beter in staat om te vluchten. Door het uitvoeren van ecologische begeleiding waarbij op het tracé en het schraalland kansrijke plekken worden doorzocht op aanwezige dieren, wordt een maximale inspanning geleverd om schade te voorkomen. Doordat het leefgebied in de deelgebieden 1, 2 en 3 niet wordt aangetast en direct na afronding van de werkzaamheden weer voor de soort toegankelijk is, is geen ontheffing noodzakelijk. In deelgebied 4 zal een deel bebouwd worden. Hierdoor zal een deel van het (potentieel) aanwezige leefgebied worden aangetast. De meest geschikte delen van deelgebied 4 zijn met name de struweelranden en dichtere vegetaties. Het centrale, te bebouwen grazige deel zal minder geschikt zijn en is daardoor niet als essentieel leefgebied aan te merken maar gezien de verspreiding van de soort zal deze hier wel voorkomen. Door de bouw van het nieuwe PB, zal er sprake zijn van vermindering in leefgebied. Hierdoor zal gezocht moeten worden naar compensatie van leefgebied.
Indien bij het huidige PB ruimte heringericht kan worden doordat bijvoorbeeld de oppervlakte verharding kan worden verminderd is dit mogelijk geschikt als compensatie. Ook kan gezocht worden naar mogelijkheden om op het nieuwe PB-terrein de overige delen te optimaliseren voor hazelworm. Hierbij kunnen geschikte schuilplekken, zonplekken en eventueel overwinteringsplekken worden ingericht. Door de uitvoeringsperiode af te stemmen op de ecologie van de soort (zomerhalfjaar), toepassen van ecologische begeleiding bij uitvoering om onverhoopt aanwezige dieren te verplaatsen en door het terrein te optimaliseren voor de soort, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Ecochore Natuurtechniek
17
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
Er zijn geen strikt beschermde vissen en amfibieën binnen het plangebied te verwachten. Hierdoor is voor deze soortgroepen geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Ten aanzien van de hazelworm en ringslang is uitvoering van het werk in het zomerhalfjaar sterk aan te bevelen in combinatie met ecologische begeleiding. Voor hazelworm is biotoopoptimalisatie noodzakelijk. In dat geval is voor reptielen geen ontheffing noodzakelijk.
4.5 Zoogdieren 4.5.1 Grondgebonden zoogdieren Tijdens het onderzoek zijn sporen gevonden van bosmuis, haas en egel. Overige sporen van zoogdieren zijn tijdens het veldbezoek niet gevonden. In het gebied kunnen diverse soorten worden aangetroffen als: ware muizen, spitsmuizen, haas, ree, mol, vos enz. Deze soorten, en de aangetroffen soorten, staan vermeld op de provinciale vrijstellingslijst waardoor een vrijstelling geldt voor Ruimtelijke Ontwikkelingen en Ingrepen en geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk is. Zwervende, strikt beschermde zoogdiersoorten als eekhoorn, kleine marterachtigen, steenmarter, boommarter, das, wild zwijn en edelhert, zijn binnen het plangebied en de directe omgeving niet uit te sluiten. Wel kan worden gesteld dat er geen vaste rust- of verblijfplaatsen, als burchten, aanwezig zijn binnen de te vergraven delen. Boomnesten (van bijvoorbeeld eekhoorn) zijn niet aangetroffen maar kunnen door de slechte doorzicht van de kronen niet volledig worden uitgesloten. Deelgebieden 3 en 4 zijn omheind en daardoor alleen toegankelijk voor de marterachtigen en eekhoorn. Deelgebieden 1 en 2 zijn in beginsel toegankelijk voor alle soorten. Tijdens en na de realisatie zullen alle deelgebieden onderdeel kunnen blijven uitmaken van het leefgebied van aanwezige soorten.
Ondanks de bouw van een nieuw PB in deelgebied 4, zal dit geen significante vermindering in het leefgebied van de aanwezige soorten veroorzaken. Binnen het grazige deel kunnen verblijven van kleine marterachtigen worden uitgesloten. Langs de randen en in de struwelen zijn deze wel goed mogelijk. Deze delen blijven echter behouden. Gezien het bovenstaande zal er geen sprake zijn van een sterke vermindering in kwaliteit of oppervlakte leefgebied waardoor het onderzoeksgebied onderdeel zal blijven uitmaken van eventueel aanwezige territoria. Hierdoor is geen nadere afweging noodzakelijk is. Doordat vaste verblijfplaatsen ontbreken en er geen significant negatieve effecten te verwachten zijn op strikt beschermde soorten, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Indien bomen worden gekapt is voorafgaande (in de winterperiode) wel een nader onderzoek naar mogelijke boomnesten noodzakelijk. 4.5.2 Vleermuizen Binnen de deelgebieden 1 en 2 zijn geen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig. Wel zijn hier diverse bomen die een verblijfplaats voor boombewonende soorten kunnen vormen. Met name de beuken in deelgebied 1 hebben potentieel geschikte holten. In deelgebied 2 zijn nauwelijks geschikte holten in de Amerikaanse eiken aanwezig.
Hoewel de bomen in beginsel behouden blijven, kan voor het vervangen van de bekabeling het kappen van een enkele boom op voorhand niet worden uitgesloten. Om tijdens de werkzaamheden de juiste keuzes te kunnen maken is het raadzaam de bomen in beide deelgebieden te laten onderzoeken op mogelijke verblijfplaatsen. Indien bomenkap op voorhand met zekerheid kan worden uitgesloten is geen nadere afweging ten aanzien van vleermuizen noodzakelijk. In deelgebied 3 is een verblijfplaats van vleermuizen vastgesteld in een van de gebouwen – zie foto 2. Indien dit gebouw behouden blijft en geen renovatie met mogelijke invloed op de verblijfplaats zal worden uitgevoerd, is geen onderzoek noodzakelijk. Indien sloop of renovatie tot de mogelijkheden behoord is nader vleermuizenonderzoek noodzakelijk. In deelgebied 4 vormen de gebouwen potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Met name het niet geverfde gebouw heeft hiervoor enkele zichtbare mogelijkheden. Indien de nieuwbouw zich geheel zal concentreren op het grazige en onbebouwde deel, is geen nader onderzoeken noodzakelijk. Indien de gebouwen gesloopt
Ecochore Natuurtechniek
18
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
worden of gerenoveerd, is wel nader onderzoek in het zomerhalfjaar noodzakelijk conform het vleermuisprotocol. Voor alle deelgebieden geldt dat er redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de werkzaamheden geen negatieve effecten hebben op de foerageerkwaliteit binnen het gebied voor de (te verwachten) aanwezige soorten. De werkzaamheden zullen overdag worden uitgevoerd en betreffen tijdelijke graaf- en bouwwerkzaamheden. Het gehele gebied blijft gedurende de werkzaamheden en in de nieuwe situatie geheel toegankelijk en geschikt voor alle aanwezige soorten. Voor met name deelgebieden 1 en 2 geldt dat indien bomen met holten moeten worden gerooid, er nader vleermuisonderzoek noodzakelijk is. In deelgebied 3 is in een van de gebouwen een verblijfplaats van vleermuizen vastgesteld. In deelgebied 4 zijn de gebouwen potentieel geschikt voor vleermuisverblijven. Bij sloop of renovatie is hier voorafgaande nader vleermuisonderzoek en voor verblijfplaatsen ontheffing met mitigatie en compensatie noodzakelijk. In deelgebied 4 is voor de bouw van een nieuw PB geheel binnen het grazige deel geen nader onderzoeken noodzakelijk.
4.6 Ongewervelden Het gebied is weinig geschikt als voortplantings- en leefgebied voor de meeste beschermde en Rode lijstgenoteerde vlinders, libellen en overige insecten aangezien de soorten van deze groepen veelal erg kritisch zijn op het biotoop en dergelijk biotopen ontbreken grotendeels binnen het plangebied. Vormt het plangebied potentieel leefgebied voor teunisbloempijlstaart. De teunisbloempijlstaart is een nachtvlinder die voorkomt in open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Daarnaast is deze soort op relatief korte afstand van het plangebied bekend geworden (losse waarneming). Binnen de deelgebieden zijn enkele waardplanten van deze soort gevonden. Met name deelgebied 3 en 4 zijn potentieel geschikt. De geschikte delen van deelgebied 3 zullen geheel behouden blijven. Deelgebied 4 zal door bebouwing potentieel leefgebied verdwijnen. Om de aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart vast te stellen dient in de periode juni tot september gezocht te worden naar rupsen op de waardplanten van deze soort. De rupsen leven vooral op de teunisbloem, maar ook op wilgenroosje, bastaardwederik en grote kattenstaart. Ten aanzien van teunisbloempijlstaart is nader onderzoek noodzakelijk in de periode juniseptember. Voor overige ongewervelden is geen nader onderzoek noodzakelijk.
4.7 Consequenties tijdens de werkzaamheden en de zorgplicht Het verdient aanbeveling om bouwmateriaal en eventuele zandhopen slechts korte tijd op te slaan. Hierdoor wordt voorkomen dat dieren en planten zich tijdens de werkzaamheden kunnen vestigen. Voor alle dier- en plantsoorten, wel of niet beschermd, geldt de algehele zorgplicht, zie kader ‘Zorgplicht´ in bijlage 3.
Ecochore Natuurtechniek
19
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
5. VOORTOETSING GEBIEDENBESCHERMING Het Nederlands Natuur Netwerk (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een netwerk van grote en kleine natuurgebieden (waaronder de Natura2000 gebieden) waarin de natuur (plant en dier) voorrang heeft en wordt beschermd. Hiermee wordt voorkomen dat natuurgebieden geïsoleerd komen te liggen, dieren en planten uitsterven en dat de natuurgebieden zo hun waarde verliezen. De NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. Natura2000 is een netwerk van beschermde natuurgebieden, dat binnen de Europese Unie wordt opgezet. Het Natura2000 netwerk dient ter bescherming van zowel de gebieden (natuurlijke habitats) als de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten. Deze Natura2000-gebieden vormen de kerngebieden van de NNN zoals deze in Nederland wordt vormgegeven, zie bijlage 1.
5.1 Natura2000 De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. In de voorlaatste ijstijd, zo'n 150.000 jaar geleden, duwden de ijslobben van het landijs enorme hoeveelheden door de rivieren aangevoerd zand en grond voor zich uit en opzij en vormden zo de stuwwallen. Hoewel de hoogteverschillen sindsdien door wind en water zijn afgevlakt, reiken de hoogste delen van de Veluwe tot ruim 100 m boven NAP. Tot 1900 was de Noord-Veluwe één uitgestrekt stuifzandgebied. Tegenwoordig is er in totaal nog 1400 hectare stuifzand op de Veluwe. Bij Kootwijk is één van de grootste actieve stuifzandgebieden van Europa. Plaatselijk komen in de heiden natte (o.a. Leemputten bij Staverden) of droge (o.a. Harskamp) heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen. De Veluwe is opgenomen in zowel de Europese Habitatrichtlijn als de Europese Vogelrichtlijn. Voor de Veluwe zijn verschillende kwalificerende habitattypen en dier/plantsoorten opgenomen in de beide richtlijnen.
De kwalificerende habitattypen zijn bijvoorbeeld: stuifzandheiden met struikheide, zandverstuivingen, zure venen, vochtige en droge heide, actieve hoogvenen, enkele specifieke bostypen en degelijke. Geen van deze habitattypen is binnen de begrenzing van het plangebied aanwezig. Zowel de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn beschrijven naast de habitats eveneens een selectie van kwalificerende dier- en plantsoorten voor de Veluwe waarvoor het gebied is aangewezen als Natura2000 gebied. De aangewezen soorten zijn voor een groot deel sterk afhankelijk van de kwalificerende habitattypen en andere schaarse of aandachtbehoevende habitattypen. Het zijn soorten als: gevlekte witsnuitlibel, vliegend hert, meervleermuis, drijvende waterweegbree en diverse vogelsoorten als wespendief, kwartelkoning, nachtzwaluw, ijsvogel, zwarte specht en dergelijke. Hoewel geen vogelonderzoek heeft plaatsgevonden, kan er vanuit worden gegaan dat geen van de vogelsoorten een broedlocatie heeft binnen de begrenzingen van het plangebied. Ook kan worden uitgesloten dat het plangebied van essentieel belang is voor een van de genoemde dier- en plantsoorten. Overige Natura2000 gebieden zijn niet op korte afstand aanwezig. Deelgebied 1 ligt geheel binnen de begrenzing van het Natura2000 gebied de Veluwe. Het wegvak van de Kluizenaarsweg langs deelgebied 1 en 2 vormt de begrenzing van het Natura2000 gebied.
Aan de zuidzijde vormt de Pinkenbergseweg de begrenzing. Door deze harde grenzen liggen de deelgebieden 3 en 4 geheel buiten de begrenzing van het Natura2000 gebied en de NNN. Ook deelgebied 2 ligt, mits de leidingen aan de westzijde van de weg of aan de linkerzijde dicht tegen de wegverharding liggen, strikt genomen buiten de begrenzing. Op de kaart in bijlage 1 is de begrenzing van de Veluwe en de ligging van het plangebied weergegeven.
Ecochore Natuurtechniek
20
Toetsing Wet Natuurbescherming nieuwbouw PB Pinkenberg
5.1.1 Aeriusberekening Doordat de werkzaamheden binnen de begrenzing van de Veluwe worden uitgevoerd, kan een Aeriusberekening noodzakelijk zijn. Doordat de exacte uitvoering nog niet bekend is, is deze berekening niet nader uitgevoerd. 5.1.2 Effectenindicator Deze paragraaf beschrijft de afwegingen van de verschillende storingsfactoren zoals deze gedefinieerd worden door de effectenindicator van het Ministerie van Economische Zaken. De nummering komt overeen met de door de effectenindicator aangegeven mogelijke storingfactoren, zie bijlage 4. In figuur 3 in bijlage 2 is een kaart opgenomen met de ligging van Habitattypen in de directe omgeving. De effectenindicator ‘Natura 2000 – ecologische randvoorwaarden en storende factoren’ is een hulpmiddel voor initiatiefnemers, vergunningverleners en planmakers die te maken krijgen met activiteiten in of nabij Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden worden ook wel Vogel- en Habitatrichtlijngebieden genoemd. De effectenindicator is een instrument waarmee mogelijke schadelijke effecten ten gevolge van de activiteit en plannen kunnen worden verkend. De effectenindicator geeft u informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren. Deze informatie is generiek: om vast te stellen of een activiteit in praktijk schadelijk is moet vervolgonderzoek plaats vinden.
(bron: Ministerie van EZ) 1. Oppervlakte verlies Kenmerk: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren: verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies aan oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Werking: door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte.
Afweging: Feitelijk ligt alleen deelgebied 1 geheel binnen de begrenzing van het Natura2000-gebied De Veluwe. Deelgebied 2 ligt op de grens en deelgebieden 3 en 4 liggen feitelijk aan de overzijde van wegen die de grens vormen en daardoor net buiten de begrenzing. Binnen de vier deelgebieden zijn geen kwalificerende habitattypen aanwezig of prioritaire plant- en diersoorten aangetroffen. Met name deelgebied 1 en in minder mate deelgebied 2, kan een onderdeel vormen in het foerageergebied van zwarte specht. Ook de aanwezige beuken en Amerikaanse eiken in beide deelgebieden kunnen een broedlocatie zijn van deze soort. Er is echter geen holte van zwarte specht in de bomen aangetroffen. In alle deelgebieden kunnen wespendief en draaihals worden aangetroffen. Met name deelgebied 4, en in minder mate deelgebied 3, is geschikt foerageergebied. Deelgebieden 1 en 2 zullen door de werkzaamheden niet wijzingen in gebruik. Hier worden alleen ondergrondse kabels en pompen vervangen waardoor geen sprake is van verandering in areaal. Deelgebied 3 blijft eveneens grotendeels in de huidige indeling behouden. De gebouwen zullen een nieuwe functie krijgen en ondergrondse kabels zullen worden vervangen. Door deze ingrepen zal het leefgebied van soorten niet veranderen. De meest zuidelijk punt van dit deelgebied vormt een zoekgebied voor de bouw van een reservoir.
Hierdoor zal, met name tijdens de bouw, een verandering optreden in gebruiksfunctie voor genoemde soorten. Dit deel is momenteel dichtgegroeid met Ecochore Natuurtechniek