Bijlage 1 behorende bij 19bb16869 over Ontwerpbestemmingsplan Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost
Tekst van het document
6.8
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. De circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRnvgs) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen
43
of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). In het kader van dit bestemmingsplan heeft het Ingenieursbureau van de gemeente Rotterdam onderzoek verricht naar de externe veiligheidssituatie. Zie Bijlage 6 Risicoanalyse Externe Veiligheid. 6.8.1
Transport van gevaarlijke stoffen over binnenstedelijke wegen
Bestemmingen waar gevaarlijke stoffen naar kunnen worden vervoerd zijn: Stena Line DSM Synres het LPG-station aan de Dirk van den Burgweg De route die relevant is voor dit bestemmingsplan waar mogelijk gevaarlijke stoffen over kunnen worden vervoerd: De N223 ook wel Hoeksebaan genoemd, na de realisatie van het laatste stuk H6-weg tot het station Hoek van Holland Haven. De hoeveelheden gevaarlijke stoffen die worden vervoerd over binnenstedelijke weg (Hoeksebaan H6-weg) zijn in de worst case gelijk aan het transport via wegvak z122 van de A20 (afrit N223). De transporthoeveelheid GF3 volgens de Regeling basisnet bedraagt 1000 tankauto's en de PR10-6 contour bedraagt 0 meter. 6.8.2
Transport van gevaarlijke stoffen over water
Het doorgaande transport over de Nieuwe Waterweg (Het Scheur) is van belang. Vanuit de monding van de Nieuw Waterweg tot aan de Waalhaven (Raai 1004) vindt transport met zowel zeeschepen als binnenvaartschepen plaats. Ten aanzien van binnenvaart zijn te weinig tellocaties in het havengebied aanwezig om een sluitend betrouwbaar beeld te kunnen vormen. Daarom is gekozen voor een kwalitatieve beoordeling van de effecten op de externe veiligheid vanwege binnenvaart. Deze kwalitatieve beoordeling is gebaseerd op de risicoanalyses die zijn uitgevoerd ten behoeve van het de Regeling basisnet. De scheepvaart in de Rotterdamse haven maakt gebruik van de Nieuwe Waterweg, het Hartelkanaal en het Calandkanaal. De verbinding met het achterland wordt gerealiseerd via de Nieuwe en de Oude Maas. Uit de eindrapportage van Basisnet Water [Ministerie I&M-2011] blijkt dat in de Huidige Situatie in de binnenvaartcorridors geen knelpunten zijn en dat er zeer ruim aan de referentiewaarden wordt voldaan. Conclusie: het aspect transport door binnenvaartschepen is niet van belang voor de onderbouwing van het nieuwe bestemmingsplan. 6.8.3
Leidingen
Er zijn twee buisleidingen die mogelijk van invloed zijn op het bestemmingplangebied: een aardolieleiding (K1) van de NAM en een aardgasleiding van de NAM. De aardolieleiding K1 van de NAM ligt oostelijk van het bestemmingsplangebied. De buisleiding heeft een PR10-6/jr van maximaal 13 meter van het hart van de leiding en een invloedsgebied van 31 meter aan weerszijden van het tracé. Het invloedsgebied valt enigszins binnen het bestemmingsplangebied. Binnen deze zone zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan, en zijn ook geen kwetsbare objecten aanwezig aangezien de afstand tot het dichtstbijzijnde kwetsbare object 50 m bedraagt. Uit de groepsrisicoberekeningen blijkt dat de oriënterende waarde in de huidige situatie niet wordt
44
overschreden. Het transport door de buisleiding vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. De aardgasleiding van de NAM ligt noordelijk van het bestemmingsplangebied. Op verschillende plekken rond de buisleiding ligt een PR10-6/jr van maximaal 110 meter van het hart van de buisleiding. De buisleiding heeft een invloedsgebied van 140 meter aan weerszijden van het tracé. Het invloedsgebied valt enigszins binnen het bestemmingsplangebied. Binnen deze zone zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan, en zijn ook geen kwetsbare objecten aanwezig. Uit de groepsrisicoberekeningen blijkt dat de oriënterende waarde in de huidige situatie niet wordt overschreden. Het transport door de buisleiding vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. De plaatsgebonden risicocontouren 10-6/jr voor transport door de buisleidingen liggen buiten de kwetsbare bestemmingen in het bestemmingsplangebied. De kwetsbare bestemmingen die in dit onderzoek zijn opgenomen, vallen buiten het invloedsgebied van beide buisleidingen. Het groepsrisico voor beide buisleidingen na planrealisatie ligt meer dan een factor 100 beneden de oriënterende waarde. De buisleidingen vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan. 6.8.4
Inrichting DSM Synres (voorheen DSM NeoResins) en Stena Line
Volgens de Wm-vergunningen van deze bedrijven hebben deze bedrijven geen Plaatsgebonden risico contour die tot buiten de inrichting reikt. DSM Synres aan de Slachthuisweg ligt op 1,3km afstand van de westgrens van het bestemmingsplangebied. Het invloedsgebied bedraagt ca. 1,6km en ligt over de westelijke helft van het bestemmingsplangebied. Stena Line ligt op zodanige afstand van het bestemmingsplangebied (3 km) dat het externe veiligheidsrisico van deze inrichting niet relevant is voor het bestemmingsplan. Geconcludeerd is dat het Groepsrisico geen belemmering vormt voor het plan. 6.8.5
Windturbine Windpark Nieuwe Waterweg
Op de Landtong zijn in het bestemmingsplangebied eerder twee windturbines gerealiseerd. De afstand tot de rechteroever van de Nieuwe Waterweg is meer dan 450 meter. Op de rechteroever van de Nieuwe Waterweg is juridisch een windturbine mogelijk gemaakt met een vermogen van 3,0 MW, ashoogte 119 meter en een wiekdiameter van 112 m. Deze windturbine valt in de categorie IEC IIA/ IEC IIIA. Voor deze windturbine gelden veiligheidscontouren voor PR = 10-6/jaar en PR = 10-5/jaar. De afstand is 216 meter voor PR10-6/jaar en 60 m voor PR10-5/jaar. Binnen de afstanden van de geprojecteerde windturbinelocatie bevindt zich één bestaand verblijfsobject, een klein bedrijfspand, op 60 meter afstand. Binnen deze afstanden van de bestaande windturbines op de Landtong bevindt zich geen (beperkt) kwetsbaar object. Deze windturbines vormen geen beperking voor het bestemmingplan. 6.8.6
Munitiezeefinrichting Dwarskulk (ongenummerd)
De opslag van oude explosieven vormt een risico in verband met een eventuele detonatie. Bij een detonatie in de explosievenopslag zijn de maatgevende schadelijke effecten: het vrijkomen van primaire en secundaire scherven; het vrijkomen van brokstukken; luchtdrukschokgolf (blast); hitte. Voor de locatie van de inrichting zijn effectbeperkende maatregelen voorzien zoals een aarden wal of gevulde zeecontainers aanbrengen rondom de opslagcontainers die hoger is of zijn dan de opslagcontainers zelf; een zandbed van 50 cm op het containerdak om verspreiding van dakfragmenten tegen te gaan. De primaire scherven afkomstig van de oude explosieven zullen grotendeels tegen worden gehouden door de verstevigde wand van de opslagcontainers die in twee lagen rondom het terrein zijn opgesteld.
45
Een deel van de fragmenten kan echter ook in verticale richting worden gelanceerd en zo buiten de inrichting worden geworpen. Uitgaande van dit effect worden veiligheidsafstanden gehanteerd voor verschillende soorten objecten. Het toetsingskader wordt gevormd door de "Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik" d.d. 19 juli 2006 van het Ministerie van VROM. Maatgevend voor de aan te houden afstanden is de opslagvoorziening voor conventionele explosieven. Hierbij is rekening gehouden met kwetsbare objecten binnen de veiligheidszones. Bij het bepalen van de afstanden van de veiligheidszones wordt onderscheid gemaakt in zones. Met betrekking tot de veiligheidszones wordt voldaan aan de eisen van de "Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik". Met betrekking tot de veiligheidscontouren wordt voldaan aan de eisen van de "Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik" d.d. 19 juli 2006 van het Ministerie van VROM. De veiligheidscontouren worden opgenomen op de plankaart De zonering volgens de "Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik" is opgenomen in de artikelen die onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan. 6.8.7
Eindconclusie Externe Veiligheid
De groepsrisico's als gevolg van risicobronnen in en buiten het plangebied nemen door de ontwikkelingen in dit plangebied niet toe. De groepsrisico's blijven onder 30% van de oriënterende waarde, daarmee is een categorie 'lichte' verantwoording aan de orde. De zelfredzaamheid van de aanwezigen in het gebied is, gelet op de verblijfsfuncties en de verkeersinfrastructuur, groot. Het groepsrisico geeft geen beperkingen voor de ruimtelijke ontwikkelingen in dit bestemmingplan. Hiermee is het groepsrisico volgens het bestuur van Rotterdam verantwoord.
6.9
Natuur
Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten en het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via: actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Actieve natuurbescherming volgt uit de door de EU aan haar lidstaten opgelegde verplichting zorg te dragen voor een goede stand van de natuur. Op provinciaal niveau is dit onderdeel van de Wet natuurbescherming nog niet uitgewerkt. De Wet natuurbescherming kent geen procedurele vereisten bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de toelichting van het bestemmingsplan dient te worden gemotiveerd dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
Het begrip 'aanvaardbaar' betekent dat bij de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt of een ontheffing mogelijk is. Bij vaststelling van het (ontwerp) bestemmingsplan dient deze toetsing aan de Wet natuurbescherming in principe afgerond te zijn. Echter het bestemmingsplan kijkt 10 jaar vooruit, en het is nog niet bekend wanneer de mogelijk gemaakte ontwikkelingen ook daadwerkelijk plaats gaan vinden. Uitgebreid onderzoek naar flora en fauna wordt in dit stadium bij een gebiedsbestemmingsplan daarom geen redelijke inspanning geacht. Wel wordt onderzocht of de nieuw mogelijk gemaakte ontwikkelingen geen onoverbrugbare strijdigheden
46
met de Wet natuurbescherming opleveren (aanvaardbaarheidstoets). Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een bestaande bestemming of bij een veranderende bestemming (bijvoorbeeld sloop en nieuwbouw of renovatie) dient tijdig voorafgaand aan de werkzaamheden nog wel flora- en faunaonderzoek te worden uitgevoerd naar de specifieke effecten van de betreffende ontwikkeling op potentieel aanwezige beschermde flora en fauna. 6.9.1
Rotterdams beleid
Voor het bestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" is door de gemeente Rotterdam, SO I-bureau een Flora- en faunatoets uitgevoerd (zie Bijlage 7 Flora- en faunatoets). Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland.
Figuur Natuurnetwerk Nederland (bron Provincie Zuid-Holland) Het Nieuw Oranjekanaal vormt binnen het Natuurnetwerk een ecologische verbinding. Een deel van het Nieuwe Oranjekanaal valt binnen de begrenzing van het bestemmingsplangebied. Het Nieuw Oranjekanaal sluit aan op o.a. de Oude Spui die weer in verbinding staat met de oostwaarts gelegen Oranjeplassen (die als “bestaande natuur” is aangewezen). Aan de westzijde loopt de ecologische verbinding via de Bonnenweg richting het Staelduinse Bos (deze verbinding is op < 200 m van het bestemmingsplan gelegen). Tussen Staelduinse bos en de ecologische verbindingzone bevindt zich nog een gebied wat is aangewezen als “strategische reservering natuur”. Deze gebieden krijgen pas een formele status als duidelijk is dat er voldoende middelen zijn voor uitvoering. Tot dan zijn deze gebieden in gebruik als agrarische functie. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die tot negatieve effecten kunnen leiden op de huidige kwaliteit van de ecologische verbinding die door het bestemmingsplangebied loopt (Nieuw Oranjekanaal). Het bestemmingsplan is ook grotendeels conserverend.
47
6.9.2
Effecten van ontwikkelingen
Het bestemmingsplan is overwegend conserverend. In het bestemmingsplan wordt een beperkt aantal ontwikkelingen opgenomen. Het betreft uitbreiding van bestaand bedrijventerrein, omzetting agrarisch gebied naar bedrijventerrein en mogelijke functieverandering van een (voormalige) dienstwoning. Daarnaast worden er nog enkele ontwikkelingen opgenomen waarvoor al reeds milieukundig onderzoek heeft plaatsgevonden of nog wordt uitgevoerd. Deze hoeven dan ook niet getoetst te worden. Ontwikkelingen waarvoor geen bestemmingswijziging nodig is (bestaande bestemmingen) moeten op projectniveau getoetst worden aan de natuurwetgeving. Het bestemmingsplangebied is gelegen in en nabij diverse gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (waarbinnen ook Natura 2000 gebieden zijn opgenomen). Het Nieuw Oranjekanaal vormt een ecologische verbinding binnen het Natuurnetwerk. Het kanaal loopt gedeeltelijk door het bestemmingsplangebied. Op korte afstand van het bestemmingsplangebied is het Natura 2000 gebied Solleveld- en Kapittelduinen gelegen (deelgebied Staelduinse bos). Het bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard en de ontwikkelingen hebben een lokaal karakter. Negatieve effecten op (de kwaliteit van) bovengenoemde gebieden en verbindingen worden dan ook niet verwacht. Voor dit plangebied is daarmee alleen soortbescherming vanuit de Wet Natuurbescherming relevant.
Het bestemmingsplangebied is in het verleden niet tot nauwelijks onderzocht t.a.v. beschermde flora en fauna. Op basis van beschikbare gegevens kunnen in de omgeving van het bestemmingsplangebied enkele strikt beschermde soorten worden verwacht te weten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Huismus, Spreeuw, Kerkuil, Buizerd en Rugstreeppad. Het bestemmingsplangebied zelf zal voor het grootste deel geen belangrijke functie hebben voor deze soorten. De enige ontwikkelingslocatie waar mogelijk strikt beschermde soorten worden verwacht betreft de (voormalige) bedrijfswoning bij het gemaal. Het betreft dan soorten uit de soortgroep vleermuizen en jaarrond vogels als huismus en spreeuw. Effecten zijn echter alleen aan de orde indien er sprake is van renovatie of sloop. Aandachtspunt is verder het potentieel voorkomen van rugstreeppad op braak liggende terreinen binnen het bestemmingsplangebied. Indien deze terreinen bouwrijp gemaakt gaan worden of omgevormd wordt nader onderzoek aanbevolen. De conclusie is dat: Het bestemmingsplan ‘aanvaardbaar’ is vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming omdat, indien nodig, een ontheffing naar verwachting verkregen zal worden mits voorafgaand de juiste mitigerende maatregelen worden getroffen of indien een vastgestelde gedragscode wordt gevolgd.
Nader onderzoek en ontheffingsprocedures worden in de regel doorlopen in het kader van de uitvoering van de door het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen, maar ook ontwikkelingen die binnen de kaders van het bestemmingsplan al mogelijk zijn.
48
Hoofdstuk 7
Handhaving
In veel gevallen zijn illegale bebouwing en gebruik voor de gemeente niet direct kenbaar. Veelal komt de gemeente daar achter nadat door belanghebbenden is geklaagd over overlast. Inspectie ter plaatse en raadpleging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan leert pas dan of er sprake is van strijd met de gegeven bestemming en of daartegen kan worden opgetreden. Op grond van gemeentebeleid, neergelegd in het “Handhavingsbeleidsplan Toezicht Gebouwen” uit 2009 wordt bij de huidige aanpak eerst gekeken of het gebruik/bouwwerk kan worden gelegaliseerd. Als legalisatie niet mogelijk of wenselijk is, zal de overtreder doorgaans met een dwangsom worden gesommeerd om binnen een bepaalde periode een einde te maken aan de overtreding.
49
Hoofdstuk 8
Financiële uitvoerbaarheid
Het nieuwe bestemmingsplan legt vooral de huidige situatie vast. De huidige situatie wijkt op meerdere punten af van de eerdere bestemmingsplannen. Grote delen van het gebied zijn eerder agrarisch bestemd en hebben na het doorlopen van afwijkingsprocedures, een andere bestemming gekregen. Er is sprake van vijf ontwikkelingen: 1. 2. 3. 4. 5.
Tijdelijke grond- en slibbank; Munitiezeefinrichting aan de Dwarskulk; Nieuw Oranjekanaal 73 - 75; Potgrondbedrijf Nieuw Oranjekanaal 95 - 99; Voormalige bedrijfswoning bij gemaal.
De eerste vier planologische ontwikkelingen betreffen feitelijk vergunde situaties. De vijfde ontwikkeling betreft de omzetting van een bedrijfswoning naar een gewone woning. De woning is gelegen op gepaste afstand van naastliggende bedrijven. De omzetting is financieel neutraal te realiseren. Gelet op het bovenstaande is het bestemmingsplan financieel uitvoerbaar. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld, omdat door middel van (toekomstige) gronduitgiften het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden is verzekerd. Het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.12 lid 2 onder b, van de Wro is niet noodzakelijk en er zijn geen aanvullende eisen, regels of uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.12 lid 2 onder c van de Wro noodzakelijk.
50
Hoofdstuk 9
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van het overleg bij de voorbereiding van bestemmingsplannen, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan: 1. GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM; 2. MRDH, Metropoolregio Rotterdam Den Haag; 3. HHD, Hoogheemraadschap van Delfland; 4. BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam; 5. VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; 6. DCMR, Milieudienst Rijnmond; 7. LVNL, Luchtverkeersleiding Nederland; 8. TenneT, (TSO B.V.) beheerder hoogspanningsnet; 9. ProRail, beheerder spoorwegnetwerk; 10. KPN Telecom; 11. VWS Pipeline Control; 12. Monet, vereniging van mobiele netwerkoperators; 13. NGU, N.V. Nederlandse Gasunie; 14. Evides, beheerder drinkwaterleidingnet; 15. Ministerie van Defensie; 16. Ministerie van Economische Zaken en Klimaat; 17. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit; 18. RWS, Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland; 19. HbR, Havenbedrijf Rotterdam N.V.
9.1
GS, Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, directie DRM
Het concept ontwerpbestemmingsplan is door het invullen van het E-formulier aangeboden aan GS. Het E-formulier stelt vragen en de daarop gegeven antwoorden geven inzicht in de vraag of het bestemmingsplan mogelijk strijdig is met het provinciaal beleid en dus door de provincie nader bekeken moet worden. Na een uitbreiding van de toelichting op de paragrafen over windenergie en bedrijventerrein ziet de provincie geen reden voor een formele reactie. Commentaar: Wij danken GS voor deze reactie en hebben de toelichting op onderdelen aangevuld.
9.2
HHD, Hoogheemraadschap van Delfland
Het hoogheemraadschap heeft gereageerd op het concept ontwerpbestemmingsplan. De opmerkingen zijn meegenomen in het Wateradvies. Commentaar: Wij danken HHD voor de reactie.
51
9.3
VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
Op 3 oktober 2013 heeft de VRR u geadviseerd met betrekking tot de omgevingsvergunning voor het “Windmolenpark Nieuwe Waterweg” (ons kenmerk: 13uit11 MO/R&C/JT/MB/DdG). In dit advies heeft de VRR reeds aangegeven dat zij haar bedenkingen heeft over het plaatsen van een windturbine in de directe nabijheid van de Maeslantkering. Uit onderzoek van adviesbureau Save (Risicoanalyse externe veiligheid Windpark Nieuwe Waterweg; projectnr. 257610 rev. 03, 20 juni 2013) blijkt dat in 20% van de incidenten waarbij een windturbine (of delen ervan-) de Maeslantkering raakt, er sprake is van een periode van een jaar waarin de kering niet kan functioneren. In 80% van de incidenten waarbij een windturbine (of delen ervan-) de Maeslantkering raakt, is de Maeslantkering voor een maand buiten dienst. Gezien de vitale functie die de Maeslantkering speelt in de bescherming van het achterliggende gebied, heeft de VRR u toentertijd gevraagd de plaatsing van deze windturbine opnieuw tegen het licht te houden. In de omgevingsvergunning waar het vernoemde advies betrekking op had, zijn meerdere alternatieven doorgerekend. Het alternatief dat men voornemens was uit te voeren, had betrekking op een windturbine met een hoogte van 80 meter en een rotordiameter van 90 meter. Op dit alternatief heeft de VRR geadviseerd.
In het nu voorliggende bestemmingsplan is sprake van een windturbine met een hoogte van 112 meter en een rotordiameter van 119 meter. De VRR is niet in de gelegenheid gesteld om te adviseren op dit afwijkende alternatief. Gezien het feit dat de veiligheidsafstanden toenemen naarmate windturbines groter worden (en rotordiameters toenemen), is het risico ten opzichte van de situatie uit 2013 toegenomen. Aan de noordwestelijke zijde van de geprojecteerde windturbine is een hoogspanningsstation van Tennet gelegen. Voor hoogspanningsstations gelden dezelfde veiligheidsafstanden als voor een primaire waterkering zoals de Maeslantkering. De afstand tussen de geprojecteerde windturbine en het hoogspanningsstation is echter kleiner dan de veiligheidsafstand. Bij een incident met een windturbine waarbij het hoogspanningsstation betrokken is, zal de stroomvoorziening, voor het verzorgingsgebied van het hoogspanningsstation, wegvallen. De bovenstaande opmerkingen zijn tezamen met adviezen ten aanzien van de munitiezeefinrichting puntsgewijs opgenomen in het onderstaande advies. Voor het beoordelen van het ruimtelijk plan dient u een gemotiveerde afweging te maken tussen de overwegingen met betrekking tot de risico’s en de toegevoegde waarde van het ruimtelijk plan. Graag verneemt de VRR uw besluit met betrekking tot de onderstaande adviespunten.
Advies Zowel de Wet ruimtelijke ordening als de Wet veiligheidsregio’s bieden mogelijkheden om maatregelen ten behoeve van de verbetering van de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid te borgen. Bij de Wet ruimtelijke ordening gaat het daarbij voornamelijk om voorwaarden die kunnen worden gesteld aan (het gebruik van) bestemmingen. Ook bouwkundige maatregelen kunnen in het bestemmingsplan geborgd worden. De Wet veiligheidsregio’s biedt mogelijkheden op het gebied van organisatorische maatregelen en voorlichting. Voor dit plan geldt het volgende advies: 9.3.1
Locatie windturbine tussen Maeslantkering en TenneT heroverwegen
In overweging te nemen of de geprojecteerde locatie voor de windturbine herzien kan worden. De geprojecteerde locatie vormt een risico voor de Maeslantkering. Gezien het belang van de Maeslantkering voor de gehele regio Rotterdam-Rijnmond zou een afstand van tenminste de PR10-6 contour (216 meter) betracht moeten worden, De geprojecteerde locatie vormt een risico voor de stroomvoorziening en de medewerkers van Tennet. De windturbine staat dichterbij het hoogspanningsstation dan Tennet zelf aanvaardbaar acht. Tennet gaat uit van de maximale werpafstand bij nominaal toerental, zijnde 216 meter (Handboek Risicozonering Windturbines; Herziene versie 3.1 september 2014). Commentaar: In het kader van de omgevingsvergunning voor het Windpark Nieuwe Waterweg is de locatie zorgvuldig onderzocht en is het aspect externe veiligheid beoordeeld. In dat kader heeft de VRR gereageerd op de
52
het rapport 'Risicoanalyse externe veiligheid Windpark Nieuwe Waterweg, projectnummer 257610 130612 - HE09, revisie 05, d.d. 14 augustus 2013'. De VRR stelt zich op het standpunt dat de vitale onderdelen van de Maeslantkering te beschouwen zijn als kwetsbare objecten waar geen 10-6/jaar risicocontour van de windturbine over mag vallen. De reactie van VRR heeft geleid tot aanvullingen op het rapport en een conclusie dat het Bevi geen wettelijke grond geeft voor de aanwijzing kwetsbaar object. De Maeslantkering kan uitsluitend een aanwijzing kwetsbaar krijgen indien er zich grote aantallen personen gedurende langere tijd aanwezig zijn. En dat is niet het geval. Het aanvullend rapport concludeert dat de Maeslantkering volgens het Bevi hoogstens als een beperkt kwetsbaar object te beschouwen is. Beperkt kwetsbare objecten mogen ten hoogste worden blootgesteld aan risiconiveaus van 10-5/jaar plaatsgebonden risico. De contour van het plaatsgebonden risico is afhankelijk van de opstellingsvariant 42 of 56 meter en raakt de Maeslantkering niet. 9.3.2
Binnen 124 meter vanaf munitiezeefinrichting geen nieuwe ontwikkelingen
Geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken binnen de risicocontour van 124 meter vanaf de munitiezeefinrichting voor de periode dat deze inrichting in gebruik is. Commentaar: Er is geen sprake van ontwikkelingen binnen de risicocontour van 124 meter vanaf de munitiezeefinrichting. 9.3.3
Zorg voor goede voorlichting
Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand”. Doorgaans is schuilen in een gebouw de beste optie; sluit ramen en deuren, schakel het ventilatiesysteem af, blijf weg bij ramen en schuil bij voorkeur in dat deel van het gebouw dat zo ver mogelijk van het incident af is gelegen. Op de website “www.rijnmondveilig.nl” vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident. Commentaar: Zoals door de Veiligheidsregio wordt gesteld valt dit advies niet binnen de context van de Wet ruimtelijke ordening en kan dit niet in het bestemmingsplan worden geregeld. De overheid doet dit door reguliere voorlichting.
9.4
BOOR, Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam
BOOR levert een aangepaste paragraaf, waarbij rekening wordt gehouden met de aandacht voor jongere archeologie, specifieke structuren en sporen uit WO II en waarbij sprake is van onderscheid in gebieden met drie archeologische bestemmingsregelingen. Commentaar: Wij danken BOOR voor deze aanpassing en aanvulling en hebben deze alsnog opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan.
9.5
TenneT (TSO B.V.) beheerder hoogspanningsnet
TenneT transporteert elektriciteit met een spanningsniveau van 110.000 Volt en hoger en beheert het hierbij behorende netwerk. Dit netwerk is als vitale infrastructuur aangemerkt en wordt om deze reden bewaakt, beheerd en onderhouden.
53
9.5.1
Bestemmingsvlak Nutsvoorziening niet geheel correct
Tennet merkt op dat in het concept ontwerpbestemmingsplan rekening is gehouden met de elektriciteitswerken. Op de Verbeelding is het hoogspanningsstation met een afzonderlijke bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' opgenomen en beschermd. Het aangegeven bestemmingsvlak is echter niet geheel correct conform de bij het bedrijf in eigendom zijnde percelen. Tennet verzoekt de grootte van de bestemming aan te passen aan de bij het bedrijf in eigendom zijnde percelen. Commentaar: Aan dit verzoek is tegemoetgekomen door aanpassing van de verbeelding. 9.5.2
Bovengrondse hoogspanningsverbinding is breder
Daarnaast merkt TenneT op dat in de regels in lid 17.3.1 is vermeld dat afwijken niet is toegestaan voor bebouwing binnen 4 meter gemeten aan weerszijden uit de hartlijn "leiding hoogspanningsverbinding". De belemmerde strook van de bovengrondse verbinding heeft een breedte van 76 meter, te weten 38 meter aan weerszijden van de hartlijn. In verband hiermee verzoekt TenneT de desbetreffende zin van lid 17.3.1 als volgt te wijzigen: "Afwijking is niet toegestaan voor bebouwing binnen 38 meter gemeten aan weerszijden uit de hartlijn "leiding hoogspanningsverbinding"." Commentaar: Aan dit verzoek is tegemoetgekomen door aanpassing van artikel 17.3.1 van de regels. 9.5.3
Bovengrondse verbinding en hoogopgaande beplantingen en/of bomen
In lid 17.4.1 is een werk/werkzaamheid vermeld die betrekking heeft op een ondergrondse verbinding. Aangezien dit artikel de belangen van de bovengrondse verbinding regelt, verzoeken wij u de tekst van punt a. te wijzigen in "het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen en/of bomen". Commentaar: Aan dit verzoek is tegemoetgekomen door aanpassing van artikel 17.4.1 in de regels. 9.5.4
Overige informatie
TenneT wijst erop dat het bij het uitvoeren van onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan bovengrondse hoogspanningsverbindingen noodzakelijk kan zijn om rondom de masten te beschikken over voldoende vrije werkruimte. Deze ruimte is bijvoorbeeld nodig bij het opstellen van het benodigde materiaal en materieel hiervoor, zoals hoogwerkers, kranen, treklieren en haspels. Daarnaast kan het in bepaalde gevallen nodig zijn om de gronden binnen de belemmerde strook van de verbinding tijdens werkzaamheden tijdelijk te ontruimen. Hierbij kunnen ook wegen, fiets- en wandelpaden worden afgesloten. Bij verdere en/of een gewijzigde uitwerking van het gebied verzoeken wij u op voorhand rekening te houden met een vrije werkruimte rondom de masten van minimaal 50 bij 50 meter. In het algemeen is TenneT geen voorstander om gronden onder een hoogspanningsverbinding aan te wenden voor doeleinden die gepaard gaan met verhoogde mensenconcentraties, maar kunnen het op grond van de normen die gelden voor de elektrische veiligheid niet verbieden. Wel wijst TenneT op het risico van het neervallen van ijs(pegels), sneeuw en/of verontreinigingen vanaf de masten en/of de faseen bliksemdraden bij bepaalde weersomstandigheden. Verder vraagt TenneT nieuwe inrichtings- of andere ruimtelijke plannen, besluiten en/of werkzaamheden tijdig te bespreken.
Bijvoorbeeld tijdens het (voor)overleg voor deze nieuwe plannen en besluiten. Commentaar: Wij danken TenneT voor de overige informatie.
54
9.6
NGU, N.V. Nederlandse Gasunie
Het plan is door de NGU getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor onze aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komt NGU tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen leiding van NGU valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Commentaar: Wij danken NGU voor de reactie en nemen deze voor kennisgeving aan.
9.7
DCMR, Milieudienst Rijnmond
DCMR geeft aan geen formele reactie te geven in het kader van het vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Commentaar: Wij danken voor deze reactie.
9.8
RWS, Rijkswaterstaat, directie Zuid-Holland
RWS is waterbeheerder van de Nieuwe Waterweg (inclusief buitendijks gebied). Daarnaast is RWS beheerder van de Stormvloedkering, de Maeslantkering, en de primaire waterkering, de Europoortkering. Tot slot ziet RWS erop toe dat er voldoende ruimte is voor de veilige en ongehinderde afvoer van water. De divisie Rijkshavenmeester van het Havenbedrijf Rotterdam ziet toe op de veiligheid van het scheepvaartverkeer op de Nieuwe Waterweg en in het Calandkanaal. 9.8.1
Kern- en beschermingszones Maeslantkering en Europoortkering
RWS merkt op dat de zone rond de Maeslantkering, zoals opgenomen in het bestemmingsplan Stormvloedkering Nieuwe Waterweg, 1994, in dit bestemmingsplan aanzienlijk kleiner is geworden. Op de nieuwe plankaart is alleen het object Maeslantkering bestemd voor Waterstaatkundige doeleinden. Echter de beschermingszones voor deze stormvloed- / primaire waterkeringen zijn veel groter dan het gebied dat nu op de plankaart is aangegeven. Binnen zowel de kernzone, als de beschermingszone als de buitenbeschermingszone geldt de vergunningplicht op grond van de Waterwet. Activiteiten / bouwwerken binnen deze zones dienen ter goedkeuring te worden voorgelegd aan Rijkswaterstaat West-Nederland zuid, zijnde de waterbeheerder en de stormvloed- en kering beheerder. RWS verzoekt zowel de Kernzone als de beschermingszones voor zowel de Maeslantkering (beide zijden) als de Europoortkering aan te geven op de plankaart en deze te bestemmen als primaire waterkering en de bestemmingsplanregels hierop aan te passen. Commentaar: De verbeelding is aangepast. 9.8.2
Opmerkingen en aanvullingen op de toelichting
Bij paragraaf 3.3.1 merkt RWS op dat tussen de twee Stormvloedkeringen (Maeslantkering en Hartelkering) nog de verbindende Europoortkering 1 en Europoortkering 2 ligt. Bij paragraaf 5.2. merkt RWS op dat naast waterbeheerder van het Rijkswater de Nieuwe Waterweg, RWS ook de beheerder is van de Stormvloedkeringen (Maeslantkering en Hartelkering) en verbindende primaire waterkering , Europoortkering 1 en 2. Hier is de Waterwet van toepassing.
55
Bij paragraaf 5.4.3 merkt RWS op dat een mogelijke windturbine geen invloed mag hebben op de stabiliteit en werking van de Maeslantkering. Dit geldt ook voor windturbines op/nabij de Europoortkering. RWS verzoekt bovengenoemde aanvullingen in de toelichting op te nemen. Commentaar: Wij danken RWS voor deze opmerkingen en hebben deze alsnog op in de toelichting opgenomen. 9.8.3
Nieuw Keringhuis
RWS bekijkt momenteel of er een nieuw Keringhuis gebouw kan worden. Hiervoor worden verschillende varianten uitgewerkt. Een mogelijke variant is dat deze tegen de groene heuvel achter de Maeslantkering wordt gebouwd. Naast voorlichtings- en educatiecentrum is het ook de bedoeling dat het gebouw een kantoorfunctie krijgt. Rijkswaterstaat zal contact met de gemeente opnemen hierover zodra de plannen ver genoeg uitgewerkt zijn. RWS verzoekt in de groenbestemming (en primaire waterkering) nabij de Maeslantkering de mogelijkheid op te nemen om te zijner tijd: een voorlichtings- en educatiecentrum met kantoorfaciliteiten en met bijbehorende voorzieningen, met een bouwhoogte van maximaal 30 meter te bouwen. Commentaar: In het concept ontwerpbestemmingsplan is binnen de bestemming 'Waterstaatkundige doeleinden' een voorlichtings- en educatiecentrum met bijbehorende voorzieningen toegestaan, terwijl voor bouwwerken een maximum bouwhoogte van 30 meter van toepassing is. De exacte locatie van het centrum is niet vastgelegd, zodat niet alleen de huidige situatie mogelijk is, maar ook meerdere varianten. Er bestaat geen bezwaar tegen het vergroten van het bestemmingsvlak. In het ontwerpbestemmingsplan is dit opgenomen.
Kantoorfaciliteiten zijn binnen de bestemming 'Waterstaatkundige doeleinden" toegestaan onder de bestemmingsomschrijving 'voorzieningen ten behoeve van het functioneren en het onderhoud van de stormvloedkering'. 9.8.4
Windturbines
Voor zover het plan betrekking heeft op de (mogelijke) plaatsing van windturbines, het volgende: De tekst in de toelichting suggereert dat er drie windturbines mogelijk zijn, terwijl er op de plankaart maar twee zichtbaar zijn. RWS vraagt waar precies de drie windturbines bestemd zijn. Daarnaast merkt RWS op dat de uitbreiding van windenergie, zoals dat in de wijziging van Visie Ruimte en Mobiliteit (locatie R) is vastgesteld, niet is vertaald in het bestemmingsplan, voor zover RWS kan beoordelen. Er zijn overigens aanwijzingen dat de in het bestemmingplan opgenomen locatie net ten westen van de Maeslantkering (deel van de locatie AA van de VRM) om technische redenen niet mogelijk is. RWS stelt voor een wijzigingsbevoegdheid/ zoekgebied voor een windturbine op te nemen in het plan, ten Westen van het hoogspanningsstation (conform locatie R uit de VRM). De definitieve locatie zal met gemeente, Provincie en met RWS tot stand moeten komen, daarbij rekening houdend met kansen voor windturbines buiten het plangebied. Als randvoorwaarden voor een geschikte locatie geldt o.a. dat de windturbine de stabiliteit van de Maeslantkering en van de oever van de Nieuwe Waterweg niet nadelig mag beïnvloeden en geen nadelige invloed mag hebben op het scheepvaartverkeer. Dit zal een initiatiefnemer moeten aantonen.
Commentaar: In het bestemmingsplangebied zijn begin 2018 twee windturbines aanwezig, te weten de twee oudere turbines op de Landtong. De locatie waar turbines zijn toegestaan zijn met een functieaanduiding aangegeven in de bestemming Groen. De locatie voor een derde turbine is ingetekend op de noordelijke oever tussen het hoogspanningsstation en de Maeslantkering. Deze turbine maakt onderdeel uit van Windpark Nieuwe Waterweg (locatie AA) van de Visie Ruimte en Mobiliteit. De procedure voor realisatie van het windpark is doorlopen en het windpark is vergund, maar begin 2018 nog niet gerealiseerd. De locatie AA van de Visie Ruimte en Mobiliteit valt voor een klein deel in het bestemmingsplangebied.
56
Windpark Verlengde Nieuwe Waterweg / Stenaterrein is in de Visie Ruimte en Mobiliteit bekend onder locatie R en is eveneens voor een klein deel gelegen in het bestemmingsplangebied. Mogelijk dat binnen het plangebied nog een turbine geplaatst kan worden ten westen van het hoogspanningsstation, maar de locatie is onvoldoende concreet bepaald om nu vast te leggen in het bestemmingsplan. 9.8.5
Nautisch beheer
Divisie Havenmeester van het Havenbedrijf Rotterdam merkt met betrekking tot de windturbines bij de Maeslantkering en op de Landtong het volgende op: De kolommen van de windmolens mogen niet van invloed zijn op de werking van de walradar ven het Havenbedrijf; De kolommen van de windmolens mogen de vrije zichtlijnen op en langs de oever van de vaarwegen niet blokkeren; De afstand van de straal van de wieken tot de vaarwegen én ligplaatsen langs de oever moet minimaal de halve straal + 30 meter bedragen. Commentaar: Het bestemmingsplan bestemt de reeds vergunde windturbines. Bovengenoemde aspecten komen aan de orde tijdens het verlenen van de omgevingsvergunning.
9.9
Havenbedrijf Rotterdam N.V.
Het Havenbedrijf Rotterdam (HbR) is door Rijkswaterstaat als nautisch adviseur om advies gevraagd over het concept ontwerpbestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" in het kader van het vooroverleg. HbR geeft de volgende drie punten aan: 9.9.1
Gelijke bestemmingsregelingen gebruiken als in aangrenzend plan
Ten behoeve van de continuïteit van de functies op de Landtong is het belang, dat de bestemmingen van het onderhavige plan overeenkomen met dezelfde aangrenzende bestemmingen van de Landtong. Het HbR verzoekt daarom de regels van de bestemmingen 'Groen', 'Leiding - Gas', 'Leiding - Hoogspanning', 'Leiding - Hoogspanningsverbinding', 'Leiding - Leidingstrook', Leiding – Olie, 'Waarde - Archeologie 1' uit het vigerende aangrenzende bestemmingsplan 'Europoort en Landtong' aan het houden voor het onderhavige plan. Commentaar: Voor de bestemmingsomschrijvingen is aangesloten bij de Rotterdamse standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen. De omschrijvingen voor het aangrenzende plan Europoort & Landtong is hier ook van afgeleid, en tevens doorontwikkeld voor de meer specifieke havenplannen. Het is niet nodig om de exacte omschrijving aan te houden, maar wel om meer expliciet aan te geven dat de gronden met bestemming 'Groen' ook bestemd zijn voor ruiterpaden, dagrecreatie en waterberging. Het is het niet meer gebruikelijk om een opsomming te geven van medebestemmingen die op enige locatie in de bestemming van toepassing kunnen zijn. Voor de continuïteit van functies op de Landtong verdient het inderdaad de voorkeur om aan te sluiten door het gebruik van de bestemming Leiding - Leidingstrook, waarin de watertransportleiding en de olieleiding toegelaten zijn.
Voor wat betreft de regeling voor Waarde - Archeologie geldt dat BOOR bezig is met een nieuwe archeologische waardenkaart (AWK), onder meer in verband met de Omgevingswet en het Omgevingsplan. Eén kaart voor Rotterdam, waarop per zone is aangegeven op welke diepte - in meters onder het huidige maaiveld - archeologie kan voorkomen. Hierop vooruitlopend houden wij bij bestemmingsplannen nu al rekening met deze diepte / verwachtingenkaart.
57
9.9.2
Effecten repowering windturbines eerst onderzoeken alvorens te bestemmen
In het plan is een aanduiding 'windturbine' van een mogelijk toekomstige windturbine op de Landtong opgenomen, terwijl de effecten daarvan niet zijn onderzocht en aangeduid voor een gebied waarvan delen zijn uitgesloten voor de plaatsing van een windturbines zoals leidingen en leidingstroken. HbR geeft aan dat op deze wijze de nieuwe windturbine niet kan worden bestemd. Verzocht wordt alleen de bestaande 2 windturbines op de Landtong te bestemmen. Een eventuele nieuwe windturbine zal in samenhang met het gehele plan voor de repowering van de bestaande turbines op de Landtong via een aparte procedure mogelijk gemaakt moeten worden. Commentaar: Bij nader inzien is het onzorgvuldig om de locatie voor de eventueel nieuwe windturbines zo globaal in het bestemmingsplan op te nemen. Het is beter om niet op de procedure vooruit te lopen en in lijn met de opmerking van HbR slechts de vergunde turbines aan te geven. 9.9.3
Veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen ontbreekt op verbeelding
In het plan ontbreekt de gebiedsaanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' langs de Nieuwe Waterweg. Commentaar: In de toelichting is in paragraaf 6.8.2 aandacht besteed aan de veiligheidszone vervoer gevaarlijke stoffen. Op grond van de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland (artikel 11) dient voor gronden langs de Nieuwe Waterweg een bebouwingsvrije zone te worden aangehouden. Het opnemen van een aanduiding voor een veiligheidszone kan hierin voorzien. Binnen de veiligheidszone geldt een bouwverbod (voor nieuwe bebouwing), waarvan - onder voorwaarden - kan worden afgeweken. Er kan bijvoorbeeld worden afgeweken bij kleinschalige voorzieningen ter ondersteuning van het dagrecreatieve karakter van de oever en bij voorzieningen noodzakelijk voor het functioneren van de vaarweg of de haven, zoals radarposten en kranen. Nu in de veiligheidszone dergelijke bouwmogelijkheden niet zijn opgenomen, is het opnemen van een veiligheidszone en bepalingen om af te mogen wijken niet noodzakelijk.
9.10
Participatie en informatie
In de startfase wijst de gebiedsdirecteur enkele commissieleden aan die een actieve rol vervullen bij het nieuw op te starten bestemmingsplan. De commissie maakt wensen/advies voor het nieuwe bestemmingsplan kenbaar bij de startbijeenkomst. Tijdens de startbijeenkomst is in overleg met betrokkenen besloten welke ontwikkelingen wel of niet worden meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Deze zijn in de startnotitie aangegeven. Op het moment dat het ontwerp ter inzage ligt wordt de gebiedscommissie om advies gevraagd. Ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, is een ieder gedurende zes weken, in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen met betrekking tot het ontwerpbestemmingsplan. Gedurende de periode van terinzagelegging is een informatieavond georganiseerd waar een ieder vragen kan stellen met betrekking tot het terinzageliggende ontwerpbestemmingsplan.
58