CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 behorende bij 19bb16869 over Ontwerpbestemmingsplan Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost

zzz Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2018-2022) 24 maart 2021, gemeente RotterdamBij agendapunt: 1.03.02 Bouwen en Wonen24.191 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Munitiezeefinrichting aan de Dwarskulk

Op dit moment wordt een deel van de loswal gebruikt als munitiezeefinrichting. Het gaat om een inrichting voor het zeven van met munitie verontreinigde grond. De inrichting heeft een maximum capaciteit van 100.000 ton per jaar. Voor de activiteit is in 2013 een tijdelijke vergunning afgegeven voor 5 jaar. De munitiezeefinrichting is intussen in gebruik genomen. Het is de verwachting dat de inrichting gedurende de planperiode van dit bestemmingsplan in gebruik zal zijn en daarna in gebruik zal blijven. Daarom is de inrichting in dit bestemmingsplan als munitiezeefinrichting bestemd. De opslag van oude explosieven vormt een risico in verband met een eventuele detonatie. Bij een detonatie in de explosievenopslag zijn de schadelijke effecten onderzocht en is rekening gehouden met effectbeperkende maatregelen zoals het aanbrengen van een aarden wal (of gevulde zeecontainers) rondom de opslagcontainers die hoger is dan de containers zelf. Ook een zandbed van 50 cm op het containerdak kan verspreiding van dakfragmenten tegengaan. In verband met de aanwezigheid van de munitiezeefinrichting is een veiligheidsafstand van 124 meter opgenomen op de verbeelding en zijn de eisen en beperkingen ten gevolge van de veiligheidsafstanden opgenomen in artikel 29.1 veiligheidszone - munitie van het bestemmingsplan. 4.1.3

Nieuw Oranjekanaal 73 - 75

Op deze locatie wordt de uitbreiding van de bedrijfskavel mogelijk gemaakt, op het aangrenzende driehoekig gebied dat resteert tussen de huidige kavel en de rotonde. Het driehoekige gebied had in het oude bestemmingsplan een agrarische bestemming. Een aantal jaren geleden is voor deze uitbreiding een projectbestemmingsplan opgestart. Met de invulling van de bedrijfskavel kan een zorgvuldige afronding van het bedrijventerrein plaatsvinden aan de zijde van de Hoeksebaan en Hoeksedwarsbaan. Binnen de bedrijfskavel, op adres Nieuw Oranjekanaal 51, is een stacaravan aanwezig. Deze stacaravan was toegestaan in het vorige bestemmingsplan binnen de bestemming 'Opslagbedrijf' en is nu wederom opgenomen in de bestemming 'Bedrijventerrein' De bedrijfskavel ligt in bestemmingsvlak 'Bedrijventerrein' met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding

25

- 1'. In de regels is opgenomen dat binnen deze aanduiding minimaal 33 % van de gronden onverhard dient te blijven. 4.1.4

Potgrondbedrijf Nieuw Oranjekanaal 95 - 99

Op locatie Nieuw Oranjekanaal 95 is een potgrondbedrijf gevestigd. Dit bedrijf is een producent van potgrond en substraten voor de professionele tuinbouw. Het bedrijf heeft uitbreidingsplannen en heeft hiervoor de aangrenzende gronden (Nieuw Oranjekanaal 99) gekocht. Het potgrondbedrijf heeft een conceptaanvraag voor omgevingsvergunning ingediend bij de gemeente voor het bouwen van een bedrijfsloods met een oppervlakte van 5.100 m2 en een bouwhoogte van circa 13 meter, ten behoeve van uitbreiding van het bedrijf aan het Nieuw Oranjekanaal. Vanuit milieutechnische overwegingen bestaat er geen bezwaar tegen de uitbreidingsplannen van het bedrijf op de voorheen agrarische bestemming van de locatie. De activiteit past prima binnen het huidige gebruik en de mogelijkheden die het bedrijventerrein biedt. De locatie ligt in het bestemmingsvlak 'Bedrijventerrein'. 4.1.5

(bedrijfs)woningen

Op adres Nieuw Oranjekanaal 51 is een stacaravan aanwezig. Deze stacaravan was toegestaan in het vorige bestemmingsplan binnen de bestemming 'Opslagbedrijf' en is nu wederom bestemd in de bestemming 'Bedrijventerrein' . Nieuw Oranjekanaal 99: Op dit adres is een bedrijfswoning aanwezig. Deze bedrijfswoning is opgenomen in de bestemming 'Bedrijventerrein'. 4.1.6

Voormalige bedrijfswoning bij gemaal

Nieuw Oranjekanaal 115: Op dit adres is een voormalige bedrijfswoning van het waterschap aanwezig, voorheen toegestaan binnen de bestemming B-Gemaal. Met dit bestemmingsplan heeft deze voormalige bedrijfswoning de bestemming 'Wonen' gekregen. De woning ligt op gepaste afstand tot verschillende soorten bedrijvigheid in de nabije omgeving (50 meter of meer), van bedrijven in de milieucategorie 3. Vanwege de afstand van minimaal 50 meter tot naastgelegen bedrijven zorgt de aanwezigheid van een woning niet voor een onevenredige beperking van de bedrijfsmogelijkheden.

4.2

Mogelijk toekomstige ontwikkelingen

4.2.1

Bedrijventerrein en/of recreatie loswal 'De Bonnen'

In 2001 is door de gemeente Rotterdam en de Stichting Verwerken Tuinafval Westland een intentieovereenkomst afgesloten, als aanzet tot de sanering van de grond, realisatie van een tijdelijke grond- en slibbank, de tweede ontsluitingsweg en het grote composteringsbedrijf. De overeenkomst markeert tevens de start van de planologische procedure voor een aanvaardbare nieuwe bedrijfs- of recreatiebestemming van de voorheen agrarische gronden. Naar verwachting zal het opgehoogde terrein naast het composteringsbedrijf binnen de planhorizon van het bestemmingsplan in gebruik worden genomen voor andere, niet-agrarische doeleinden. Gedacht wordt aan uitbreiding als bedrijventerrein, eventueel met een locatie voor vrachtwagenparkeren en/of recreatie en een groene rand als aansluiting op de omgeving. Deze ontwikkelingen, de ontsluiting van het terrein en een aanvaardbare aansluiting op de omgeving zijn nog onvoldoende concreet om nu in het bestemmingsplan te worden meegenomen. Als de initiatieven meer concreet zijn, dan zullen deze een zelfstandige planologische procedure volgen. 4.2.2

Metrostation Oranjebuitenpolder in de Hoekse Lijn

Door het plangebied loopt de metroverbinding van de Hoekse Lijn. De nieuwe spoorverbinding is in dit bestemmingsplan bestemd. Aanvankelijk maakte een station ter hoogte van de Maeslantkering, Oranjebuitenpolder, onderdeel uit van de scope van het project. Door het uitblijven van eerder verwachte ontwikkelingen in de omgeving is

26

echter in 2008 besloten dit station niet te realiseren, omdat er te weinig reizigers worden verwacht. Technisch gezien wordt een toekomstige aanleg niet onmogelijk gemaakt. 4.2.3

Vervangen verouderde windturbines "Windpark Landtong Rozenburg"

Initiatiefnemer Wolff Nederland Windenergie (WNW) is van plan het bestaande windpark op de Landtong Rozenburg te repoweren (op te schalen). Het bestaande windpark heeft 10 turbines, waarvan er twee in het bestemmingsplangebied liggen. Het zijn verouderde Neg Mico-turbines met een ashoogte van 78 meter, een rotordiameter van 64 meter en een vermogen van 1,5 MW. Het is de bedoeling dat deze turbines op de Landtong worden vervangen door moderne, meer efficiënte exemplaren. Die turbines wekken meer energie op en hebben dus meer rendement, waarmee het vermogen groeit van 15 MW naar 27 MW. De nieuwe turbines hebben wellicht een vermogen van 3 à 5 MW per turbine. 4.2.4

Windturbines windpark Verlengde Nieuwe Waterweg

Op 20 december 2017 is de Verordening ruimte 2014 partieel gewijzigd en is een locatie voor windenergie toegevoegd die voor een deel in het bestemmingsplangebied ligt. Het betreft de locatie 'Verlengde Nieuwe Waterweg', donkergekleurd op de uitsnede van Kaart 10 van de Verordening. Daarmee ligt ook voor windpark 'Verlenge Nieuwe Waterweg' het ruimtelijk kader vast. Het initiatief voor een nieuw windpark, en de financiering daarvan ligt overigens bij de markt.

Uitsnede van Kaart 10 van de partiële wijziging Verordening ruimte 2014 (vastgesteld 20-12-2017) De bevoegdheden voor de vergunningverlening voor alle locaties windenergie in Rotterdam zijn inmiddels van de Provincie aan de gemeente overgedragen (besluitnummer PZH-2018-638926252). De weg naar een Provinciaal Inpassingsplan is daarmee geen voor de hand liggende weg meer. De exacte locaties van de turbines gelegen in windpark "Verlengde Nieuwe Waterweg" zijn in mei 2018 nog niet bekend en derhalve niet opgenomen in het bestemmingsplan.

4.3

Ontwikkelingen in directe omgeving: Oranjebonnen

Het plangebied grenst aan de Oranjebuitenpolder en de Bonnenpolder, samen Oranjebonnen genoemd. Voor dit gebied zijn door het college van Rotterdam twee beleidsplannen vastgesteld: Ambitiedocument Oranjebonnen Hoek van Holland, 19 maart 2013 en Ontwikkelplan Oranjebonnen, 10 mei 2016. Ambitiedocument Oranjebonnen Begin 2012 spreken de gemeente en de stadregio de ambitie uit om de recreatieve en ecologische verbindingen tussen de Delflandse kust en Midden-Delfland uit te breiden en te verbeteren. De

27

Oranjebonnen vormt een belangrijk onderdeel van deze verbinding. Het zijn open polders met voornamelijk akkerbouw en weidegrond. Dit open karakter is bijzonder te midden van de verstedelijking en de kassen. Deze openheid moeten we koesteren. Daarom is het Ambitiedocument Oranjebonnen Hoek van Holland, in nauwe samenwerking met gebruikers van de Oranjebonnen, opgesteld en op 19 maart 2013 door het college van B&W vastgesteld. Dit document geeft invulling aan de transformatie van de Oranjebonnen van agrarisch gebied naar agrarisch-recreatief gebied. De nadruk ligt op landschappelijke veranderingen. Bijvoorbeeld de aanpassing van bestaande wegen of de aanleg van nieuwe wegen, paden en beplanting. Ontwikkelplan Oranjebonnen Het Ontwikkelplan Oranjebonnen is een coproductie van betrokken partijen, ondernemers en bewoners. Het ontwikkelplan zet vooral in op de kansen voor ondernemers, investeerders en bewoners van het gebied om recreatieve en agrarische ontwikkelingen mogelijk te maken. Daarnaast geeft het aandachtspunten mee voor bebouwingsregels en milieuaspecten. Het ontwikkelplan vormt het uitgangspunt voor het bestemmingsplan Oranjebonnen. Relatie met Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost De aansluiting op de recreatieve routes is veiliggesteld met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'.

De noordrand van het bestemmingsplangebied vormt een belangrijke ecologische verbinding met Oranjebonnen en vraagt een groene inrichting.

4.4

Juridische planbeschrijving

4.4.1

Bedrijven

In het bestemmingsplangebied zijn al langer meerdere bedrijven gevestigd. Aan de regels van het bestemmingsplan is een lijst van bedrijfsactiviteiten toegevoegd. Het betreft een positieve lijst. Dit betekent dat alleen de in de lijst genoemde activiteiten in het plangebied zijn toegestaan. Als hulpmiddel bij het opstellen van de lijst is gebruik gemaakt van de lijst zoals samengesteld door de VNG. De in de lijst opgenomen afstanden zijn indicatieve minimumafstanden voor een gemiddeld modern bedrijf tot een rustige woonwijk. Tot de bedrijven zoals bedoeld in dit bestemmingsplan worden niet gerekend zoneringsplichtige inrichtingen zoals bedoel in art. 40 van de Wet geluidhinder. Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn nieuwe bedrijven toegestaan in de milieucategorieën 1 tot en met 3.2 als deze voorkomen op de lijst van bedrijfsactiviteiten. Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning wel afwijken en andere activiteiten toestaan, maar daarvoor is advies nodig van de milieudeskundige. De milieudeskundige kan bepalen dat activiteiten naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de toegestane activiteiten. Binnen de bestemmingen 'Bedrijf - 3' en Bedrijf - 4'' zijn de huidige bedrijfsactiviteiten toegestaan. Hoog-risico biologische laboratoria Binnen bedrijfsbestemmingen zijn in principe ook laboratoria toegestaan.

Voorheen waren binnen deze bestemmingen dus ook hoog-risico biologische laboratoria toegestaan. Dit is vanuit het oogpunt van veiligheid niet wenselijk, daarom zijn hoog-risico biologische laboratoria nu in beginsel niet toegestaan binnen bedrijfsbestemmingen. Daartoe is in de regels van het bestemmingsplan een verbodsbepaling opgenomen. Het betreft hoog-risico biologische laboratoria die onder de werking van het bij dit plan gevoegde beleidskader "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond" vallen en genoemd zijn in artikel 4.4 onder k, categorie 4, onderdeel C van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. In geval van het werken met genetisch gemodificeerde organismen zijn dat alle categorieën van fysische inperking op inperkingsniveaus III en IV, zoals genoemd in Bijlage 4 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013. Kort gesteld zijn het laboratoria met biologische veiligheidsklasse 3 of hoger. Na nadere afweging is het wel mogelijk om een hoog-risico laboratorium toe te staan. Burgemeester en wethouders kunnen daarvoor bij omgevingsvergunning afwijken. Ook daartoe is in de regels een bepaling opgenomen. Bij de afweging wordt een advies van de GGD/VRR betrokken. Deze instanties geven een

28

advies op basis van het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond". Aan de hand van het beleidskader kan worden beoordeeld of de risico's van een hoog-risico biologisch laboratorium voldoende beheersbaar zijn bij calamiteiten en of een hoog-risico biologisch laboratorium al dan niet wenselijk is op de voorgenomen locatie. 4.4.2

Dubbelbestemmingen, leidingen en gebiedsaanduidingen

Binnen het bestemmingsplan zijn verschillende dubbelbestemmingen opgenomen. Deze bestemmingen liggen over de enkelbestemmingen en regelen feitelijk dubbelgebruik of bescherming van de gronden. 'Leiding - Hoogspanning', 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' In het plangebied zijn ondergrondse en bovengrondse hoogspanningsleidingen / verbindingen gelegen van de verbinding Westerlee - Maasvlakte. De ondergrondse hoogspanning is met een belemmeringszone van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van de leiding aangegeven op de verbeelding. De bovengrondse verbinding heeft een belemmeringszone van 38 meter aan weerszijden van de hartlijn. 'Leiding - Leidingstrook' en 'Leiding - Olie' In het plangebied is tussen beide oevers een leidingstrook gelegen met daarin buisleidingen, leidingen en kabels. 'Leiding - Water' In het plangebied liggen enkele grote drinkwater transportleidingen ten behoeve van de watervoorziening. Deze leidingen zijn planologisch relevant en de ligging is inclusief een bebouwingsvrije zone van 5 meter aan weerszijden met de dubbelbestemming 'Leiding - Water' opgenomen op de verbeelding. 'Waarde - Cultuurhistorie' Het gemaal 'Westland' heeft als beeldbepalende object een dubbelbestemming 'Waarde Cultuurhistorie' gekregen ter bescherming van de cultuurhistorische waarde.

'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3' In de regels zijn ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied deze dubbelbestemmingen opgenomen. Voor bepaalde werkzaamheden in de grond is een omgevingsvergunning nodig. Een beschrijving van de archeologische waarden is gegeven in par. 3.2. 'Waterstaat - Waterkering' Deze dubbelbestemming is opgenomen voor de kernzone van de waterkeringen in het plangebied, inclusief de Maeslantkering. Ter plaatse is bouwen niet toegestaan. De beschermingszone van de waterkering is aangegeven als 'vrijwaringszone - dijk'. Deze zone is mede bestemd voor onderhoud, bescherming of mogelijkheden voor versterking van de waterkerende functies van de dijk. Afwijken van het bouwverbod is mogelijk, waarbij eerst contact opgenomen moet worden met de beheerder van de waterkering. 'Waterstaat - Waterstaatkundige functie' Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van de oever van hoofdwatergang, zodat onder andere onderhoud kan worden gepleegd. In dit geval gaat het om het Nieuw Oranjekanaal. Ter plaatse bouwen is niet toegestaan. Afwijken van het bouwverbod is mogelijk, waarbij eerst contact opgenomen moet worden met het waterschap Delfland. 4.4.3

Groen

Structurele groengebieden zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn ook speeltoestellen, voet-, fiets- en ruiterpaden, dagrecreatie en auto-ontsluitingen toegestaan. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk, bijvoorbeeld indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming).

29

Een belangrijk deel van de bestemming Groen'' heeft ook de dubbelbestemming Waterstaat Waterkering''. Tevens is een paardenhouderij toegestaan binnen de functieaanduiding, gelegen op enige afstand van het hoogspanningstation van TenneT. 4.4.4

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is er op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018" (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 21 februari 2018 in werking getreden. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan in artikel 31.1 een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde "dynamische verwijzing".

Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze. Op het moment van tot stand komen van dit bestemmingsplan is de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018" het geldende beleid waaraan getoetst moet worden. Dit beleid kan in de toekomst echter wijzigen. Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Met de bepaling is bedoeld dat er bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018” is via de volgende link te raadplegen: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Rotterdam/486392/486392_1.html De beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen.

Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan worden afgeweken; zowel van de eis zelf (geheel of gedeeltelijk) als van de voorwaarde dat op eigen terrein moet worden geparkeerd. Ook kan de parkeereis zelf worden bijgesteld. In de beleidsregeling is uitgebreid omschreven onder welke voorwaarden van de parkeereis kan worden afgeweken of kan worden bijgesteld. Daarbij gelden er voor auto's en fietsen aanvullende beleidsregels. 4.4.5

Uitbreiding/bebouwing op het achtererfgebied

Per 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden, alsmede het Besluit omgevingsrecht (Bor). Gelijktijdig is het Besluit bouwvergunningvrije en licht bouwvergunningplichtige bouwwerken van de Woningwet vervallen. De vergunningvrije activiteiten zijn nu opgesomd in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht Bor).

30

Een omgevingsvergunningvrij bouwwerk op grond van artikel 2 van het Bor is zonder meer toegestaan, hiervoor hoeft niet naar het bestemmingsplan te worden gekeken. Voor bouwwerken die toegestaan zijn op grond van artikel 3 van het Bor is bij strijdigheid met het bestemmingsplan wel een omgevingsvergunning vereist. 4.4.6

Verkeers- en verblijfsgebied

De Hoeksebaan heeft als hoofdontsluiting van het plangebied de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' gekregen. De bestemming is bedoeld voor verkeerswegen met de bijbehorende bruggen en viaducten en parkeerplaatsen. En daarnaast natuurlijk ook voor wandel- en fietspaden en gebouwtjes en bouwwerken ten behoeve van deze functies. De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de ontsluitingswegen, parkeerplaatsen en eventueel de bijbehorende trottoirs. Binnen deze bestemming is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen, watergangen en waterberging mogelijk, bijvoorbeeld omdat dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd binnen deze bestemming. 4.4.7

Voorzieningen van openbaar nut

De bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' is toegekend aan gebouwen en terreinen ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening (zoals trafohuizen, verdeelstations) en waterhuishouding (zoals gemalen). Kleine bouwwerken van openbaar nut zijn niet bestemd en kunnen in principe overal worden gerealiseerd. Het gaat hierbij om gebouwtjes met een inhoud van minder dan 80 m3. 4.4.8

Werken aan huis

Het plangebied kent een enkele woning en een bedrijfswoning. Voor woningen geldt de Rotterdamse standaard voor werken aan huis, waarbij maximaal 30 % van de woning gebruikt mag worden voor werken aan huis.

31

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. 5.1.2

Provinciaal beleid

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3

Regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt vooral gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

Het gemeentelijk waterveiligheidsbeleid is geborgd in de beleidsnotitie Waterveiligheid binnen de gemeente Rotterdam. B&W hebben dit beleid op 29 mei 2018 vastgesteld. Waterveiligheid in de Rotterdamse delta heeft permanente aandacht nodig, en zal in de toekomst nog meer aandacht nodig hebben als gevolg van klimaatverandering. Binnen de gemeente dient waterveiligheid op de juiste wijze meegenomen te worden bij de ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen, MER, gebiedsvisies) en bouwontwikkelingen.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. Voor dit bestemmingsplan gaat het om de volgende beheerders:

32

Hoogheemraadschap van Delfland - waterbeheerder regionaal water; Waterschap Hollandse Delta - waterbeheerder regionaal water; Rijkswaterstaat - waterbeheerder Rijkswater; Gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) - rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. Naast waterbeheerder van het Rijkswater de Nieuwe Waterweg, is Rijkswaterstaat ook de beheerder van de Stormvloedkeringen (Maeslantkering en Hartelkering) en verbindende primaire waterkering, Europoortkering 1 en Europoortkering 2. Hier is de Waterwet van toepassing.

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

De Nieuwe Waterweg en het Nieuw Oranjekanaal vallen binnen het plangebied. Rijkswaterstaat is de waterbeheerder van de Nieuwe Waterweg en Hoogheemraadschap van Delfland van het Nieuw Oranjekanaal. Een groot deel van het plangebied bestaat uit de Opspuiting Buiten Nieuwland. Voor dit gebied is geen peil vastgesteld. Het gaat hier om relatief hooggelegen opgespoten gebied dat onder vrij verval afwatert op het Nieuw Oranjekanaal. Het Nieuw Oranjekanaal ligt in peilgebied GPG2007BZM 1 en heeft een peil van NAP - 0,43 m. Aan de westzijde van het plangebied ligt peilgebied GPG2015NND XII, dit peilgebied heeft een peil van NAP + 0,10 m. Onder de Nieuwe Waterweg ligt een persleiding voor oppervlaktewater. In tijden van droogte kan met deze leiding zoet water worden aangevoerd vanuit het Brielse Meer. De leiding is opgenomen in het bestemmingsplan.

f iguur Opperv laktewatersy steem, ov ergenomen uit onderzoek Wateradv ies

5.3.2

Grondwater

Voor grondwater liggen er geen peilbuizen in het plangebied, wel ligt er een aantal peilbuizen in de omgeving, maar deze zijn niet representatief. De loswal 'De Bonnen' heeft namelijk een veel hogere maaiveldligging dan de directe omgeving.

33

5.3.3

Waterkeringen en waterveiligheid

In het plangebied ligt de Maeslantkering, de Delflandsedijk en de Europoortkering die op landtong Rozenburg aansluit op de Maeslantkering. De Maeslantkering en de primaire waterkering op landtong Rozenburg worden beheerd door Rijkswaterstaat. De Delflandsedijk wordt beheerd door het Hoogheemraadschap Delfland. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnendijks, binnen de primaire waterkeringen. De primaire waterkeringen worden zo ontworpen dat iedereen die achter de waterkering woont, kan rekenen op een beschermingsniveau van ten minste 10-5 per jaar (d.w.z. de kans op overlijden als gevolg van een overstroming voor een individu niet groter is dan 1 op 100.000 jaar). Dit uitgangspunt is vertaald in een norm per dijktraject. Voor de primaire waterkeringen in het plangebied betekent dit dat de kans op overstromen per jaar vastgesteld is op 1 : 10.000 voor de Delflandsedijk en 1:100.000 voor de Maeslantkering en de kering op de landtong Rozenburg. 5.3.4

Riolering: afval- en hemelwater

Een klein deel van het bestemmingsplangebied valt in rioleringsdistrict 15. De rest van het gebied is niet aangesloten op de riolering. Afvalwaterzuivering wordt waarschijnlijk individueel geregeld bijvoorbeeld met IBA’s (een systeem voor de individuele behandeling van afvalwater). Regenwater dat valt op wegen in het plangebied stroomt veelal via de berm af naar oppervlaktewater in de directe nabijheid, in de vorm van sloten of greppels. Hoe afvoer van regenwater geregeld is bij bedrijven in het plangebied is grotendeels onbekend. In de tijdelijk vergunning van de Munitiezeverij is vastgelegd dat regenwater dat op het verharde oppervlak valt, wordt afgevoerd via riolering die is aangesloten op de riolering van het bedrijfsterrein ten westen van het plangebied.

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

Het merendeel van de ontwikkelingen heeft geen invloed op het watersysteem. Extra aandacht is nodig voor de munitiezeverij. Ook de uitbreidingen van het bedrijf aan Nieuw Oranjekanaal 73 - 75 en het potgrondbedrijf aan Nieuw Oranjekanaal 95 - 99 worden hieronder besproken, net als het bestaande grote composteringsbedrijf aan Nieuw Oranjekanaal 43. Munitiezeverij Een tijdelijke vergunning is destijds verleend voor deze zeverij voor vijf jaar. Bij aanleg van de Munitiezeverij is het verharde oppervlak toegenomen met ongeveer 16.400 m2. Zoals al eerder genoemd, wordt regenwater dat op het verharde oppervlak valt momenteel afgevoerd via riolering die is aangesloten op de riolering van het bedrijfsterrein ten westen van het plangebied. Op deze manier afvoeren van het regenwater is onwenselijk, bij verlenging van de vergunning zal moeten worden opgenomen dat regenwater op eigen terrein verwerkt moet worden. Bij de aanleg is geen extra water aangelegd om te compenseren voor de toename van het verharde oppervlak, ook is er niet op andere wijze gecompenseerd. De munitiezeverij wordt nu in het bestemmingsplan opgenomen, zodat er niet langer sprake is van een tijdelijke situatie. De watercompensatie zal daarom alsnog geregeld moeten worden. Het bestemmingsplan maakt het daarom mogelijk om water aan te leggen in het bestemmingsplanvlak waarin de munitiezeverij is gelegen.

De watercompensatie zal in overleg met het Hoogheemraadschap van Delfland vormgegeven moeten worden. Dit kan geregeld worden bij de verlenging van de vergunning van de munitiezeverij. Bedrijf Nieuw Oranjekanaal 73 - 75 Het huidige terrein van het bedrijf is bestemd als bedrijventerrein met de mogelijkheid om dit geheel te verharden. De mogelijkheden om hier verharding aan te brengen zijn nog niet geheel benut. Aan de westzijde van het huidige terrein is nu nog een gedeelte onverhard. In het bestemmingsplan wordt de mogelijkheid opgenomen om uitbreiding toe te staan in het driehoekige gebied ten noorden van het huidige terrein van het bedrijf. Dit driehoekige gebied is nu onverhard en er ligt een aantal watergangen. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat de bestaande verhouding tussen water, groen

34

en verharding in de nieuwe situatie ongewijzigd zal moeten blijven. Als de hoeveelheid verharding netto niet toeneemt is hier geen verplichting om nieuw water te graven. Als de uitbreiding wordt gerealiseerd op een locatie waar nu water aanwezig is dan geldt conform de regels van het Hoogheemraadschap van Delfland de verplichting om dezelfde hoeveelheid vervangend oppervlaktewater te graven. Zowel voor het dempen als het graven van nieuw oppervlaktewater is een vergunning nodig van het Hoogheemraadschap van Delfland. Potgrondbedrijf Nieuw Oranjekanaal 95 - 99 Het potgrondbedrijf krijgt een mogelijkheid tot uitbreiding op gebied dat voorheen bestemd was als agrarisch met de mogelijkheid tot glastuinbouw. Het vigerende plan maakt dus ook al verharding mogelijk. In het vigerende bestemmingsplan was geen water bestemd. In de actuele situatie is nu sprake een vrijwel geheel verhard terrein. Aan de westzijde van het potgrondbedrijf ligt een strook groen met daarin een polderwatergang, deze polderwatergang is niet opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Mogelijk is dit water in het verleden aangelegd ter compensatie voor toegenomen verharding. In het nieuwe bestemmingsplan is de nu aanwezige strook met groen en water ook zo bestemd, zodat geborgd is dat hier in de toekomst geen extra verharding wordt toegevoegd.

Ook maakt het bestemmingsplan het mogelijk om de aanwezige polderwatergang te verbreden. Composteringsbedrijf Nieuw Oranjekanaal 43 Het composteringsbedrijf is mogelijk gemaakt door eerdere ruimtelijke procedures die afwijkingen van het destijds vigerende bestemmingsplan mogelijk maakten. Onduidelijk is of destijds afspraken gemaakt zijn over watercompensatie. 5.4.2

Grondwater

Het plan zorgt niet voor toename van verhard oppervlak of voor nieuwe ondergrondse objecten. Invloed op de grondwaterstand wordt niet verwacht. 5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Waterkeringen De kernzone van de waterkeringen is op de verbeelding opgenomen met de dubbelbestemming ´Waterstaat - Waterkering´. De beschermingszone van de waterkering is aangegeven met de algemene aanduidingsregel 'vrijwaringszone - dijk'. De Maeslantkering is (primair) bestemd met de bestemming 'Waterstaatkundige doeleinden'. De paardenhouderij aan de Slachthuisweg en de mogelijke windturbine(s) liggen in de beschermingszone van de primaire waterkering. Tevens liggen deze ontwikkelingen in het stroomgebied van de Nieuwe Waterweg. In het kader van het traject rondom de vergunningverlening voor het Windpark Nieuwe Waterweg is daarom onderzocht of er sprake is van invloed op de waterkering. De vormgeving en plaatsing is zo gekozen dat dit niet het geval is. Mochten hier in de toekomst toch ontwikkelingen plaatsvinden dan is vroegtijdig overleg met het Hoogheemraadschap Delfland en Rijkswaterstaat noodzakelijk. Voor dergelijke ontwikkelingen is een vergunning nodig van zowel het Hoogheemraadschap Delfland als Rijkswaterstaat. Waterveiligheid binnendijks De ontwikkelingen in het gebied hebben geen significante invloed op het veiligheidsrisico binnendijks. Ook neemt de economische waarde binnendijks niet significant toe. Waterveiligheid buitendijks De paardenhouderij aan de Slachthuisweg en de mogelijke windturbine(s) liggen in buitendijks gebied.

Het risico op overstroming van dit gebied zal door de verwachte klimaatveranderingen in de toekomst toenemen. Het gebied is op de lange termijn kwetsbaar voor hoog water. Eind 2014 is een nieuw concept-uitgiftepeilenbeleid vastgesteld door het directieoverleg stadsontwikkeling van de gemeente Rotterdam. De gemeente wil uitgaan van een hoger veiligheidsniveau dan het Lokaal Individueel risico van de provincie. Zo wordt de kans op maatschappelijke ontwrichting door het uitvallen van functies verkleind. Voor deze locatie buiten de Maeslantkering is het advies een uitgiftepeil van NAP +5,10 m voor de basisfuncties en een uitgiftepeil van NAP + 5,50 m voor kwetsbare functies. Voor locaties

35

binnen de Maeslantkering is het advies een uitgiftepeil van NAP +3,60 m voor de basisfuncties en een uitgiftepeil van NAP + 3,90 m voor kwetsbare functies. 5.4.4

Riolering

Afvalwater De hoeveelheid afvalwater kan toenemen door de uitbreiding van het potgrondbedrijf. Dit bedrijf zorgt echter zelf voor de verwerking van zijn afvalwater. Hemelwater Ten aanzien van hemelwater ligt de voorkeur in principe bij het gescheiden afvoeren van afval- en hemelwater. Aangezien het grootste deel van het plangebied niet aangesloten is op de riolering, zal in de meeste gevallen gekozen worden voor een oplossing voor regenwater waarbij dit afstroomt naar oppervlaktewater in de directe nabijheid. 5.4.5

Nautische veiligheid

Binnen de vrijwaringszone van 25 meter vanaf de oever vinden geen ontwikkelingen plaats. 5.4.6

Klimaatkansen

Het grootste deel van het gebied is hooggelegen en heeft daardoor een extra bescherming tegen overstroming door hoog water.

36

Hoofdstuk 6 6.1

M ilieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r) wordt gebruikt om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De basis hiervan ligt in de EU m.e.r.-richtlijn 2014/52/EU. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Daarbij geldt een bandbreedte. Bovendien dienen bij de afweging ook nog andere factoren te worden betrokken en dient nagegaan te worden of er significant negatieve effecten te verwachten zijn op natuurgebieden. 6.2.1

Plangebied

Planm.e.r.-beoordeling Door de wijze van bestemmen van bedrijvigheid in het bestemmingsplan, waarbij (op het bedrijventerrein) milieucategorie 3 mogelijk wordt gemaakt, valt niet uit te sluiten dat bedrijven in de toekomst (vormvrij) m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten in het plangebied zullen gaan uitvoeren. Daarmee is het bestemmingsplan in beginsel kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten. Daarom is ervoor gekozen om dergelijke m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten boven de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. uit te sluiten door middel van een specifieke bedrijvenlijst. En wordt er voor activiteiten onder de drempelwaarden door middel van een planm.e.r.-beoordeling onderbouwd dat er door deze activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu op zullen treden. Net als voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling hoeft hiervoor geen aparte procedure te worden doorlopen en volstaat een gemotiveerde afweging in de toelichting bij het plan. Op het bedrijventerrein Nieuw Oranjekanaal zijn de volgende bedrijfsactiviteiten toegestaan die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. Het gaat om de oprichting, wijziging of uitbreiding van bepaalde installaties, waarbij de toegestane activiteit is teruggebracht tot onder de in het Besluit aangegeven drempelwaarde.

37

D18.1: D18.3: D18.8: D32.2: D35: D36: D38.3 D47:

Installaties voor behandeling van bepaalde afvalstoffen; Installaties voor storten van slib en baggerspecie; Installaties voor opslag van schroot; Installaties voor het bewerken van metaal; Installaties voor het vervaardigen van conserven en plantaardige producten; Installaties voor een zuivelfabriek; Installaties voor een suikerwarenfabriek; Installaties voor de vervaardiging van keramische producten.

De bovenstaande bedrijfsactiviteiten kunnen vanwege de beperkte omgang die zij bij vestiging op het bedrijventerrein Nieuw Oranjekanaal kunnen krijgen, geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Het bestemmingsplan is daarom niet planm.e.r.-plichtig. Conclusie Dit bestemmingsplan staat enkele nieuwe ontwikkelingen toe. Gezien de maximale omvang van deze ontwikkelingen worden geen (grote) negatieve effecten op het milieu verwacht. Dit blijkt uit de in dit hoofdstuk beschreven milieuthema's. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. Het plangebied ligt niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000 gebied. Het bestemmingsplan is eveneens niet kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten, zodat het bestemmingsplan niet planm.e.r.-plichtig is.

6.3

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. De gemeente Rotterdam gebruikt al sinds de jaren '50 instrumenten om bedrijven in te passen in de omgeving. Dit gebeurde eerst door middel van de Hinderwetverordening. Vanaf de jaren '70 werkt de gemeente met de Rotterdamse 'Staat van Inrichtingen'. Deze is afgeleid van de inrichtingen die zijn opgenomen in het Hinderbesluit en uitgebreid met een indeling in milieucategorieën. Begin jaren '90 heeft Rotterdam beleid vastgesteld waarbij voor de milieuzonering gebruik wordt gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De (huidige) VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden.

Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.3.1

Plangebied

De milieurelevante bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk bedrijven in de milieucategorieën 3 en 4. Het bestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" is bedoeld als conserverende actualisatie van bestaande bestemmingsplannen, en de invulling van een gebiedje waar geen

38

bestemmingsplan geldt. Het begrip 'conserverend' houdt voor een deel van het plangebied in dat bestemd wordt conform het huidige gebruik en niet conform de agrarische bestemming van het oude bestemmingsplan.

6.4

Geluid

Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. Voor het bestemmingsplan is het aspect geluid onderzocht (zie Bijlage 3). De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidhinder niet als geluidgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn, zoals kinderdagverblijven.

Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidbelasting (ook wel voorkeursgrenswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen. 6.4.1

Wegverkeer

Binnen het plan wordt de voormalige bedrijfswoning van het gemaal (Nieuw Oranjekanaal 115) als woning bestemd. Voor het wegverkeerslawaai afkomstig van stedelijke wegen zijn de wegen Nieuw Oranjekanaal en de N223/Hoeksebaan van belang. 6.4.2

Railverkeer

Spoortrajecten hebben, net als wegen, een geluidzone. De breedte van de geluidzone van spoorwegen die zijn aangegeven op de geluidplafondkaart is afhankelijk van de hoogte van het vastgestelde geluidproductieplafond. Voor de omvang van de zone geldt een breedte van 100 en 200 meter. De betreffende woning ligt op ongeveer 30 meter van het spoor en dus ruim binnen de zone. 6.4.3

Industrielawaai

Het plangebied bevindt zich binnen de geluidzones van het industrieterrein "Europoort-Maasvlakte". Op industrieterrein Europoort-Maasvlakte bevinden zich zeehavengebonden activiteiten. Deze activiteiten bevinden zich veelal in de buitenlucht. Voor woningbouw binnen de zones van industrieterreinen met degelijke activiteiten is Artikel 50 van de Wet Geluidhinder van toepassing. Hierin wordt een hogere grenswaarde toegepast bij woningbouw in het kader van herstructurering, planmatige verdichting of bebouwing aansluitend op bestaand woongebied. Regionaal afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling (RAK) Op 8 juli 2015 hebben verschillende partijen waaronder de gemeenten in de Rijnmondregio en het

39

havenbedrijf het "Regionale afsprakenkader geluid en ruimtelijke ontwikkeling" (RAK) getekend. In dit convenant zijn afspraken gemaakt over de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de geluidzones van Maasvlakte/Europoort en Botlek/Pernis. Doel van het convenant is om geluidoverlast vanwege activiteiten in het havengebied te beperken en het realiseren van een zo hoog mogelijke woon- en leefkwaliteit bij woningbouwontwikkelingen in het havengebied zonder daarbij de milieugebruiksruimte van de haven te beperken. Woningbouwplannen en ruimtelijke ontwikkelingen dienen daarom zo vroeg mogelijk in het planproces te worden afgestemd met de betrokken partijen (havenbedrijf en DCMR). In het RAK zijn onder andere procesafspraken gemaakt met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden. Binnen de geluidzone worden de 1 dB geluidcontouren (60 tot 55 dB(A) en 55 tot 48 dB(A)) gehanteerd voor het vaststellen van hogere waarden. 6.4.4

Conclusie en aanbevelingen

Bepaald is wat de geluidbelasting vanwege deze wettelijke geluidbronnen op de gevels van de ontwikkellocatie is en of deze voldoet aan de eisen uit de Wgh. Daarnaast is beoordeeld of het geluid afkomstig van bedrijven in en omgeving evenals geluid afkomstig van het windpark Nieuwe Waterweg voldoet aan wettelijke normen en past binnen een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast is onderzocht of het plan voldoet aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam. Wegverk eerslawaai De geluidbelasting vanwege alle relevante zoneplichtige wegen is op alle ontwikkellocatie lager dan de voorkeurswaarde (48 dB) van de Wgh en voldoet daarmee aan de bepalingen van deze wet. Maatregelen ter beperking van de geluidbelasting zijn niet noodzakelijk. Railverkeerslawaai De voorkeurswaarde van 55 dB wordt bij de onderzochte woning met maximaal 5 dB overschreden. De maximaal toegestane geluidbelasting van 68 dB wordt daarbij niet overschreden. Het treffen van bron- en of overdrachtsmaatregelen aan of langs het spoor is in deze situatie financieel niet doelmatig. Indien geen bron- en of overdrachtsmaatregelen worden getroffen om de geluidbelasting tot voorkeurswaarde te beperken, wordt geadviseerd om hogere waarden aan te vragen bij het college van burgemeester en wethouders.

Industrielawaai De voorkeurswaarde van 50 dB(A) wordt bij de onderzochte woning vanwege het industrielawaai afkomstig van het industrieterrein Europoort-Maasvlakte met maximaal 4 dB(A) overschreden. De maximale toelaatbare geluidbelasting van 55 dB(A) vanwege een industrieterrein wordt daarbij niet overschreden. Gebleken is dat bron- en/of overdrachtsmaatregelen niet mogelijk zijn om daarmee de geluidbelasting tot voorkeurswaarde te reduceren. Geadviseerd wordt om hogere waarden aan te vragen bij het college van burgemeester en wethouders. 6.4.5

Procedure hogere waarde

Indien geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen worden getroffen, is het niet mogelijk om de geluidbelasting vanwege het spoorweglawaai en industrielawaai tot de voorkeurswaarde te beperken. In dat geval dienen de maximaal berekende geluidbelastingen als hogere waarden te worden aangevraagd. De daarbij vast te stellen hogere waarden zijn hieronder weergegeven. Deze waarden dienen bij het college van Burgemeester en Wethouders ten behoeve van het bestemmingsplan als hogere waarden te worden aangevraagd. Aan te vragen hogere waarden voor het bestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost": locatie

Zoneplichtige bron

Lden [dB]

Letm [dB(A)]

40

spoorweg Hoekse Lijn

60

-

industrie Europoort-Maasvlakte

-

54

woning Nieuw Oranjekanaal 115

Ontheffingsbeleid Rotterdam De woning beschikt aan de noordoostzijde over een geluidluwe gevel en voldoet daarmee aan het ontheffingsbeleid van de gemeente Rotterdam. Omliggende bedrijven Het vaststellen van de bestemming Wonen op de onderzochte locatie heeft geen gevolgen voor de geluidruimte van de omliggende bedrijven. Windturbines De geluidbelastingen Lden en Lnight vanwege de windturbines, horende bij het windpark Nieuwe Waterweg, voldoen bij de onderzochte woning aan de wettelijke grenswaarden voor geluid.

6.5

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid

41

Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de luchtkwaliteit in het plangebied. (Zie Bijlage 5 Lucht- en geuronderzoek). Als onderzoeksgebied zijn de wegen in en rondom het plangebied genomen waar de planontwikkeling mogelijk een merkbare invloed heeft op de verkeersintensiteiten. De luchtkwaliteit is zowel onderzocht bij alleen de autonome ontwikkeling (zonder realisatie van het bestemmingsplan, maar met overige toekomstige ontwikkelingen), als bij de autonome ontwikkeling inclusief de realisatie van het bestemmingsplan. Het onderzoek is uitgevoerd volgens het Meet- en rekenvoorschrift bevoegdheden luchtkwaliteit dat sinds 27 november 2006 van kracht is. 6.5.1

Conclusie

De enige ontwikkeling die een nieuwe verkeersbijdrage levert is de uitbreiding van het potgrondbedrijf aan het Nieuw Oranjekanaal 99. De uitbreiding is beperkt, het aantal verkeersbewegingen over de Hoeksebaan en/of het Nieuw Oranjekanaal verandert hierdoor maar weinig. Daardoor verandert de luchtkwaliteit langs deze weg in geringe mate. Dit betekent dat het bestemmingsplan een niet in betekenende (NIBM) mate bijdrage levert aan de luchtkwaliteit. Voldaan wordt daarmee aan het besluit NIBM en dus aan de Wet Luchtkwaliteit. In de analyse is aangetoond dat het bestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" een niet in betekenende mate (NIBM) bijdrage geeft aan de luchtkwaliteit. NIBM (bestemmings-) plannen voldoen daarmee aan de Wet luchtkwaliteit.

6.6

Geur

Het aspect "Geur" is onderzocht in het Lucht- en geuronderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost". (Zie Bijlage 5 Lucht- en geuronderzoek) Geur wordt gemeten door geurpanels en weergegeven in geur-eenheden per kubieke meter (ge/m3). Eén ge/m3 is gelijk aan de concentratie die de helft van een geurpanel nog net kan waarnemen. De grens van 1 ge/m3 als 98-percentiel wordt gebruikt voor nieuwe milieuvergunningen. Daarbij vindt een beoordeling plaats van het uitstoten van geur en daarmee op de potentiële bijdrage aan de reeds aanwezige geurhinder. De afweging vindt vooraf per individueel bedrijf plaats. Opgemerkt wordt dat in de vergunningverlening maatregelen worden voorgeschreven op basis van best beschikbare technieken om nieuwe geurhinder te voorkomen. Composteringsbedrijf Van Vliet B.V. Binnen het plangebied veroorzaakt het Composteringsbedrijf Van Vliet B.V. geuruitstoot. Er is sprake van een vergunde situatie. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat deze contour anno nu anders zou zijn. De in 2008 voorgenomen veranderingen en uitbreidingen van het bedrijf hebben niet plaatsgevonden. De geurbelasting (ge/m3) voor enkele beoordelingsposities is in het milieuonderzoek en de MER weergegeven. 6.6.1

Plangebied

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe geurgevoelige bestemmingen mogelijk. Ook maakt het bestemmingsplan geen nieuwe geurproducerende bedrijven mogelijk en ook geen uitbreiding van bestaande geurproducerende bedrijven (het potgrondbedrijf veroorzaakt geen geur). De planologische situatie verandert niet met het nieuwe bestemmingsplan, waarmee geur geen toetsingsgrond is.

42

6.7

Bodem

De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.7.1

Plangebied

In 2000 is de Indicatieve Bodemkwaliteitkaart Rotterdam opgesteld. Dit document geeft een indicatie van de mate waarin de bodem in een bepaald gebied is verontreinigd. De indicatieve bodemkwaliteit van zowel de laag tot 1 meter onder maaiveld als de laag die zich meer dan 1 meter onder maaiveld bevindt, is aangeduid als 'sterk verontreinigd'. Op enkele plaatsen zijn verontreinigingen van het grondwater tot boven de interventiewaarde gemeten, wat wijst op het voorkomen van sterke verontreinigingen. Bekend is dat binnen het plangebied diverse bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Zo is een groot deel van het plangebied in de jaren '60 in gebruik geweest als baggerspeciedepot en is baggerspecie uit de haven opgespoten. Bij herontwikkeling, herinrichting en/of grondverzet is maatwerk nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=9892ca59-cb57-4cc5-b9fe-9fe3efb8bc32