[24bb006408] Bijlage 1 behorende bij 24bb006406 - Ontwerpbestemmingsplan 'Nelson Mandelapark'
Tekst van het document
Nelson Mandelapark Ontwerpbestemmingsplan
Opgesteld door:
datum:
Stadsontwikkeling Ruimte & Wonen, Bureau Bestemmingsplannen
Vastgesteld d.d.:
Postbus 6575 3002 AN, Rotterdam NL.IMRO.0599.BP2237Mandelapark-on01
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstukl
INLEIDENDEREGELS
4
Artikel 1
Begrippen
4
Artikel 2
wijze van meten
8
Hoofdstuk2
BESTEMMINGSREGELS
9
Artikel 3
Groen
9
Artikel 4
Verkeer - Verblijfsgebied
10
Artikel 5
Water
11
Artikel 6
Waarde - Archeologie 1
12
Artikel 7
Waarde - Archeologie 2
14
Artikel 8
Waarde - Archeologie 3
16
Artikel 9
Waterstaat - Waterkering
18
Hoofdstuk3
ALGEMENEREGELS
19
Artikel 10
Anti-dubbeltelregel
19
Artikel 11
Algemene bouwregels
20
Artikel 12
Algemene gebruiksregels
21
Artikel 13
Algemene aanduidingsregels
22
Artikel 14
Algemene afwijkingsregels
23
Artikel 15
Overige regels
24
Hoofdstuk4
OVERGANGS-EN SLOTREGELS
25
Artikel 16
Overgangsrecht
25
Artikel 17
Slotregel
26
2
Regels
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
INLEIDENDE REGELS
Begrippen
plan:
Het bestemmingsplan Nelson Mandelapark met NL.IMRO.0599.BP2237Mandelapark-on01 van de gemeente Rotterdam.
1.2
identificatienummer
bestemmingsplan:
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.
1.3
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
1.4
Archeologisch deskundige
Het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam of een andere deskundige op het gebied van archeologie.
1.5
Archeologisch monument
Monument als bedoeld in artikel 1.1. van de Erfgoedwet.
1.6
Bebouwing
Een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.7
Bebouwingspercentage
Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen.
1.8
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak.
1.9
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
1.10
Bouwaanduidingen
Alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken.
1.11
Bouwen
Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
1.12
Bouwgrens
De grens van een Bouwvlak.
1.13
Bouwlaag
Het tussen twee opeenvolgende vloeren (of tussen een vloer en plat dak) gelegen, voor verblijf geschikt deel van een gebouw. Een kap, vliering, zolder, souterrain, alsmede een dakopbouw binnen het theoretisch profiel van een kap, worden niet als een afzonderlijke bouwlaag beschouwd. Alleen ingeval een dakopbouw of dakkapel breder is dan tweederde van de pandbreedte, wordt dit als een aparte bouwlaag geteld.
4
NB: onder het "theoretisch profiel van een kap" wordt verstaan de ruimte binnen een kap met schuine zijden waarvan de hellingshoek ten minste 20 en maximaal 60 graden bedraagt, tenzij in de bestemmingsregels in hoofdtstuk 2 anders is bepaald.
1.14
Bouwvlak
Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.15
Bouwwerk
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
1.16
Bruto vloeroppervlak (b.v.o.)
Het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden niet tot het b.v.o. gerekend.
1.17
Bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
1.18
Erfgoedwet
De Erfgoedwet (2016), zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan.
1.19
Evenement
Een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak, zoals een feest of muziekvoorstelling, in de buitenruimte van het openbaar toegankelijk gebied met uitzondering van: a.
b.
c.
d. e.
kleinschalige evenementen onder de voorwaarden dat: 1. het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250 personen; 2. het een evenement is dat plaatsvindt tussen 8.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 uur en 23.00 uur; 3. het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A) en 90 dB(C) waarbij de geluidbelasting maximaal 65 dB(A) en 75 dB(C) ter plaatse van de gevel van de dichtstbijzijnde geluidgevoelige objecten mag zijn; 4. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van maximaal 25 m2 per object; 5. er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt; verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in de buitenruimte van een openbare inrichting waarbij: 1. een vergunning krachtens artikel 2:28 APV geldt; 2. de buitenruimte in het onderliggende bestemmingsplan bestemd of aangeduid is als behorend bij de openbare inrichting; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en markten die vallen onder de “Beleidsregel Evenementenmarkten: Braderieën, Rommelmarkten en Themamarkten Rotterdam 2018”; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 (straatartiest) van de APV;
Bij optochten, niet zijnde een betoging als bedoeld in sub d, sportwedstrijden en wandeltochten.op openbare wegen en paden worden uitsluitend parcoursafzettingen waaronder start, finish en eventuele locaties langs de weg met podiumopstelling of versterkt muziek of tribunes meegerekend als evenement. Indien de gehele route het parcours is afgezet, telt het ook mee als evenement. Optochten, niet zijnde een betoging als bedoeld in sub d, sportwedstrijden of wandeltochten zonder parcourafzettingen of tribunes of versterkt geluid worden niet meegerekend als evenement.
5
1.20
Dagrecreatie
Verblijf gedurende de dag in de vorm van recreatie zoals, baden, zonnebaden, sport en spel, wandelen, fietsen, paardrijden, varen.
1.21
Gebouw
Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
1.22
Geluidniveau in dB(A)
LAeq (3 minuten): het equivalent geluidniveau in dB(A), zijnde het energetisch gemiddeld geluidniveau gedurende een beoordelingstijd van 3 minuten, uitgedrukt in dB(A).
1.23
Geluidniveau in dB(C)
LCeq (3 minuten): het equivalent geluidniveau in dB(C), zijnde het energetisch gemiddeld geluidniveau gedurende een beoordelingstijd van 3 minuten, uitgedrukt in dB(C).
1.24
Geluidsgevoelige objecten
Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven.
1.25
Hoofdgebouw
Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
1.26
Daghoreca (horeca 1)
Horeca met inachtname van volgende voorwaarden: « de inrichting mag geopend zijn tussen 07.00 en 23.00 uur; » er mag niet meer dan achtergrondmuziek geproduceerd worden; Een feestzaal valt hier niet onder.
1.27
Maaiveld
De bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden.
1.28
NAP
Het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd.
1.29
Openbaar nutsvoorzieningen
Op het openbaar leidingen net aangesloten voorzieningen op het vlak van gas-, water-, elektriciteitsdistributie, blokverwarming, (riool)gemalen (een gasdrukregelstation wordt niet hieronder begrepen).
1.30
Sportvoorzieningen
Voorzieningen ten behoeve van de beoefening van sport, zoals een sportterrein, sportcentrum, zwembad, sportschool, veldsport en atletiekbaan.
1.31
Straatmeubilair
Voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken, plantenbakken e.d.
6
1.32
Water
Waterlopen (sloten, singels, vijvers e.d.) ten behoeve van de waterberging, alsmede de aan- en afvoer van oppervlaktewater.
7
Artikel 2
wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1
de dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
2.2
de goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.3
de inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.4
de bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.5
de oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk.
2.6
de breedte van een gebouw
Van en tot de buitenkant van een zijgevel dan wel het hart van een gemeenschappelijke scheidingsmuur, met dien verstande, dat wanneer de zijgevels verspringen of niet evenwijdig lopen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste breedte.
2.7
de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens
Vanaf het punt van de gevel van een gebouw welke het dichtst bij de perceelsgrens is gelegen, haaks op de perceelsgrens.
2.8
de hoogte van een windturbine
Vanaf het peil tot aan de as van de windturbine.
8
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
BESTEMMINGSREGELS
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
groenvoorzieningen, met bijbehorende voet- en fietspaden, water en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; b. dagrecreatie; c. sportvoorzieningen; d. speelvoorzieningen; e. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming; f. evenementen, zoals nader bepaald in artikel 12.1; g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitkijkpunt', tevens voor een uitkijkpunt; h. ter plaatse van de functieaanduiding 'horeca', tevens voor daghoreca (horeca 1), met een maximum (aaneengesloten) oppervlak van 800 m2; i. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca - terras 1', terrassen ten behoeve van een horecavestiging, met een maximum (aaneengesloten) oppervlak van 200 m2; j. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca - terras 2', terrassen ten behoeve van een horecavestiging, met een maximum (aaneengesloten) oppervlak van 300 m2; k. ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van horeca - terras 3', terrassen ten behoeve van een horecavestiging, met een maximum (aaneengesloten) oppervlak van 100 m2; l. kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, zoals een botenhelling; m. overige voorzieningen ten dienste van de bestemming.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
Op de voor 'Groen' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a.
b. c. d. e.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke in de bestemming passen, zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers, niet groter dan 10 m3 (al dan niet ondergronds), bovenleidingsmasten c.q. -portalen ten behoeve van trambanen, bruggen, duikers; uitstekende delen aan gebouwen, niet dieper dan 2 meter uit de gevel en ten minste 2,2 meter boven maaiveld; kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, zoals gemaalgebouwtjes, telefooncellen, gasdrukregel- en meetstations, wachthuisjes e.d., niet groter dan 80 m3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - uitkijkpunt', mag een uitkijkpunt worden gerealiseerd van maximaal 15 meter; ter plaatse van de aanduiding 'horeca', mag een horecapaviljoen worden gerealiseerd met een maximale bouwhoogte van 6 meter.
9
Artikel 4 4.1
Verkeer - Verblijfsgebied
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.
voorzieningen ten behoeve van wandelen, verblijven en spelen, zoals trottoirs, voetpaden en trappen; voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, fietspaden, parkeerplaatsen; groenvoorzieningen, waterpartijen, waterlopen en overige in het kader van de waterhuishouding nodige voorzieningen, zoals taluds, keerwanden en beschoeiingen; bouwwerken voor kleinschalige openbaar nutsvoorzieningen, verkeer en vervoersvoorzieningen; geluidswerende voorzieningen; uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
Op de voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens: a. in de bestemming passende bouwwerken (geen gebouwen zijnde), zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers (al dan niet ondergronds) niet groter dan 10 m3, abri's, alsmede niet voor bewoning bestemde kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, welke gebouwen niet groter mogen zijn 80 m3; b. uitstekende delen aan gebouwen als bedoeld in lid 4.1 onder f., niet dieper dan 2 meter uit de gevel en ten minste 2,2 meter boven maaiveld.
10
Artikel 5 5.1
Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
waterlopen en waterberging, de aan- en afVoer van oppervlaktewater, alsmede voor verkeer te water met bijbehorende voorzieningen; en dagrecreatie met bijbehorende voorzieningen zoals aanlegsteigers en zwemvoorzieningen; afmeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen; pontons; steigers.
5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
Op de voor 'Water' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor de aangegeven functies, alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde van waterbouwkundige aard, zoals keerwanden, beschoeiingen, duikers, bruggen.
11
Artikel 6 6.1
Waarde - Archeologie 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.
6.2
Bouwregels
6.2.1
Rapport archeologisch deskundige
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden, die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 7.3.1. 6.2.2
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1
Verbod
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 6.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren ofte doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 2,0 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 vierkante meter beslaan. 6.3.2 a. b. c. d. e. f.
Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden
grondbewerkingen van welke aard dan ook; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
6.3.3
Uitgezonderde werkzaamheden
Het vergunningvereiste geldt niet voor werken, geen bouwwerken zijnde, of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
12
6.3.4
Vergunning
Vergunning wordt verleend, nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 6.3.5
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning
Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
13
Artikel 7 7.1
Waarde - Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.
7.2
Bouwregels
7.2.1
Rapport archeologisch deskundige
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden, die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 7.3.1. 7.2.2
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.3.1
Verbod
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 7.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren ofte doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan de onderwaterbodem en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 vierkante meter beslaan. 7.3.2 a. b. c. d. e. f.
Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden
grondbewerkingen van welke aard dan ook; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
7.3.3
Uitgezonderde werkzaamheden
Het vergunningvereiste geldt niet voor werken, geen bouwwerken zijnde, of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
14
7.3.4
Vergunning
Vergunning wordt verleend, nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 7.3.5
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning
Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
15
Artikel 8 8.1
Waarde - Archeologie 3
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.
8.2
Bouwregels
8.2.1
Rapport archeologisch deskundige
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden, die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 7.3.1. 8.2.2
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen
Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende regels verbinden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.3.1
Verbod
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 8.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren ofte doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 6,65 meter onder NAP en die tevens een terreinoppervlakte groter dan 200 vierkante meter beslaan. 8.3.2 a. b. c. d. e. f.
Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden
grondbewerkingen van welke aard dan ook; het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven; het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
8.3.3
Uitgezonderde werkzaamheden
Het vergunningvereiste geldt niet voor werken, geen bouwwerken zijnde, of voor werkzaamheden gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden, niet voor bedoelde activiteiten welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
16
8.3.4
Vergunning
Vergunning wordt verleend, nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 8.3.5
Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning
Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
17
Artikel 9 9.1
Waterstaat - Waterkering
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor waterkering.
9.2
Bouwregels
9.2.1
Verbod
Ter plaatse van de bestemming 'Waterstaat - Waterkering', mag in afwijking van de bouwregeling voor de andere voorkomende bestemming(en) dan 'Waterstaat - Waterkering', niet binnen bedoelde zone worden gebouwd. 9.2.2
Uitzondering op verbod
Het bouwverbod bedoeld in 9.2.1 geldt niet voor bebouwing welke is toegestaan ingevolge de bestemming 'Waterstaat - Waterkering' en (vervangende nieuwbouw van) bebouwing welke aanwezig is op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp van dit bestemmingsplan. 9.2.3
Toegestane bouwwerken
Ten behoeve van de functie waterstaat - waterkering mogen worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van waterbouwkundige aard, zoals kademuren, duikers, keerwanden, beschoeiingen e.d.
9.3
Afwijken van de bouwregels
9.3.1
Afwijking
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning volor het bouwen afwijken van het bepaalde in lid 9.2.1 ten behoeve van bouwwerken welke toegelaten zijn krachtens de andere toegelaten bestemming(en) dan 'Waterstaat - Waterkering', mits het belang van de waterkering hierdoor niet wordt geschaad. 9.3.2
Advies
Alvorens vergunning te verlenen winnen burgemeester en wethouders het schriftelijk advies in van de dijkbeheerder, aan de hand waarvan zij desgewenst voorwaarden kunnen verbinden aan de vergunning, ter bescherming van genoemd belang.
18
Hoofdstuk 3 Artikel 10
ALGEMENE REGELS
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
19
Artikel 11 11.1
Algemene bouwregels
Bouwvlak
Indien voor gronden welke voor bebouwing in aanmerking komen op de verbeelding een bouwvlak is opgenomen, komen uitsluitend de gronden binnen het bouwvlak voor bebouwing in aanmerking, met dien verstande dat bouwwerken geen gebouwen zijnde, ook buiten het bouwvlak zijn toegestaan.
11.2
Maximum bebouwingspercentage
Ingeval voor gronden welke voor bebouwing in aanmerking komen noch in de regels, noch op de verbeelding een maximum bebouwingspercentage is vermeld, mogen deze gronden volledig worden bebouwd.
20
Artikel 12 12.1
Algemene gebruiksregels
Evenementen
Voor evenementen gelden de volgende bepalingen: 12.1.1
Geluidsnormering
Voor evenementen geldt dat het equivalente geluidsniveau (gemeten over een tijdsinterval van 3 minuten) veroorzaakt door het ten gehore brengen van muziek en/of het gebruik van geluidsapparatuur ter plaatse van de gevel van Geluidgevoelige objecten niet meer mag bedragen dan het bepaalde onder evenementen in lid 13.1. 12.1.2 Begin- en eindtijden van evenementen a. b.
Een evenement is toegestaan tussen 08.00 - 23.00 uur en op zon- of feestdagen tussen 13.00 23.00 uur bij evenementen vanwege de viering van oud- en nieuw geldt een eindtijd tot 01.00 uur.
12.1.3 Op- en afbouwperiode a.
b.
De op- en afbouwperiode mag in totaal niet meer dagen bedragen dan hieronder is opgenomen: 1. Voor evenementen vallend onder de Categorie Klein: maximaal 4 dagen 2. Voor evenementen vallend onder de Categorie Middel binnen parken: maximaal 10 dagen 3. Voor evenementen vallend onder de Categorie Middel buiten de parken: maximaal 7 dagen 4. Voor evenementen vallend onder de Categorie Groot binnen parken: maximaal 15 dagen 5. Voor evenementen vallend onder de Categorie Groot buiten de parken: maximaal 7 dagen De op- en afbouw is uitsluitend toegestaan tussen 7.00 uur en 23.00 uur, en op zondag tussen 12.00 en 23.00 uur tenzij het noodzakelijke geluidsarme activiteiten betreft.
12.1.4 Gebruiksruimte categorie Groot en Middel Indien blijkt dat ruimte resteert binnen de categorie Groot of Middel voor wat betreft het aantal evenementen en/of evenementdagen is het toegestaan gebruik te maken van de hogere evenementencategorie onder voorwaarde dat vastgehouden wordt aan de maximale geluidsbelasting en op- en afbouwperiode van de oorspronkelijke categorie.
21
Artikel 13
Algemene aanduidingsregels
13.1
Evenementen
13.1.1
Bestemmingen
Binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Water' zijn de gronden tevens bestemd voor evenementen. 13.1.2 Aantal De volgende evenementen zijn jaarlijks toegestaan: Categorie
Maximaal aantal Maximaal aantal Maximaal aantal bezoekers evenementen evenementen gelijktijdig perjaar dagen per jaar aanwezig ^500 tm 10000 2 2 Groot 1 Groot II ^500 tm 10000 2 2 Groot III ^500 tm 10000 2 6 Middel 501 tm 2500 2 4 Klein 5500 8 12 * dit geluidniveau mag maximaal 5 uur per evenement plaatsvinden
Maximale geluidbelasting ter plaatse van de gevel het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object 81 dB(A), 96 dB(C)* 75 dB(A), 90 dB(C) 70 dB(A), 80 dB(C) 70 dB(A), 80 dB(C) 65 dB(A), 75 dB{C)
22
Artikel 14 14.1
Algemene afwijkingsregels
Afwijking toegestane afmetingen, maten en percentages
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan voor afwijkingen van toegestane afmetingen, maten (waaronder minimale en maximale afstanden) en percentages tot niet meer dan 100Zo van die afmetingen, maten en percentages, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie.
14.2
Afwijking toegestane bouwhoogte techniek
Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, ten behoeve van technische voorzieningen op het dak, welke noodzakelijk zijn voor het doelmatig functioneren van het bouwwerk, zoals liftopbouwen, lichtkoepels, schoorstenen, antennemasten, luchtverversingsapparatuur, glazenwas installatie e.d., mits de overschrijding van de maximum bouwhoogte niet meer dan 5 meter bedraagt, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.
23
Artikel 15 15.1
Overige regels
Voorwaardelijke verplichting over parkeren
Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de 'Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Indien dit beleid wordt gewijzigd of herzien, wordt een aanvraag voor een omgevingsvergunning getoetst aan het op dat moment geldende beleid.
24
Hoofdstuk 4 Artikel 16 16.1
OVERGANGS- EN SLOTREGELS
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
16.1.1 Aanwezige bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 16.1.2 Afwijking Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10 0Zo. 16.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
16.2
Overgangsrecht gebruik
16.2.1 Bestaand gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 16.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 16.2.3 Verboden gebruik Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 16.2.4 Uitzonderingen op het overgangsrecht gebruik Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
25
Artikel 17
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark'.
26
INHOUDSOPGAVE TOELICHTING
1.
INLEIDING..................................................................................................................................................................1 1.1 1.2 1.3 1.4
2.
Aanleiding.........................................................................................................................................................1 Gekozen planopzet............................................................................................................................................ 1 Ligging en begrenzing........................................................................................................................................1 Vigerende bestemmingsplannen........................................................................................................................1
BELEIDSKADER.......................................................................................................................................................... 3 2.1 2.2 2.3
Rijksbeleid..........................................................................................................................................................3 Provinciaal en regionaal beleid....................................................................................................................... 5 Gemeentelijk beleid............................................................................................................................................7
3. BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED....................................................................................................................17 3.1 3.2 3.3 4.
PLANBESCHRIJVING...............................................................................................................................................21 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
5.
Aanleiding...................................................................................................................................................... 21 Ambities ontwikkeling NelsonMandelapark.................................................................................................. 21 Zones en functies............................................................................................................................................24 Beheer en onderhoud..................................................................................................................................... 25 Mobiliteit........................................................................................................................................................25 Juridische planbeschrijving.............................................................................................................................27
WATER..................................................................................................................................................................... 30 5.1 5.2 5.3
6.
Archeologie.................................................................................................................................................... 17 Stadsgezichten en Monumenten.................................................................................................................... 18 Huidige situatie plangebied............................................................................................................................. 19
Beleidskader................................................................................................................................................... 30 Watertoets..................................................................................................................................................... 32 Conclusie.........................................................................................................................................................35
MILIEU..................................................................................................................................................................... 36 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9
Inleiding..........................................................................................................................................................36 Milieuzonering............................................................................................................................................... 36 Geluid.............................................................................................................................................................. 38 Luchtkwaliteit................................................................................................................................................ 39 Bodem.............................................................................................................................................................41 Externe veiligheid............................................................................................................................................42 Flora en fauna................................................................................................................................................
45 Milieueffectrapportage.................................................................................................................................48 Duurzaamheid................................................................................................................................................. 49
7.
HANDHAVING.........................................................................................................................................................51
8.
FINANCIËLE UITVOERBAARHEID...........................................................................................................................52
9.
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID...........................................................................................................53 9.1 9.2
VRR, Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.................................................................................................53 Archeologie Rotterdam................................................................................................................................. 53
9.3 9.4 9.5 9.6
RWS, Rijkswaterstaat.................................................................................................................................... 53 DCMR.............................................................................................................................................................. 54 Participatie..................................................................................................................................................... 54 Ontwerpfase................................................................................................................................................... 54
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9
Masterplan Park Maashaven, Gemeente Rotterdam, januari 2022 Verkennend waterbodemonderzoek (1), Tauw, 11 oktober 2017 Aanvullend waterbodemonderzoek, Tauw, 2 januari 2018 Verkennend waterbodemonderzoek, Gemeente Rotterdam, 18 januari 2022 Circulair werken met grond - Toepassen van hergebruiksgrond in een voormalige industriehaven (Maashaven) onder de Waterwet, gemeente Rotterdam, 22 mei 2023 Toelichting op de bouwwijze en het gebruik van de vormgegeven bouwstoffen, 15 maart 2023 Quickscan Wet natuurbescherming, ATKB, 21 februari 2023 Stikstofdepositie-onderzoek, KuiperCompagnons, 9 november 2023 Akoestisch onderzoek Terrassen Nelson Mandelapark, KuiperCompagnons, 25 september 2023
1
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
De gemeente Rotterdam heeft het plan om het oostelijke deel van de Maashaven te dempen en in te richten als park. Voor de ontwikkeling van Park Maashaven (hierna: Nelson Mandelapark) is een Masterplan vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Dit Masterplan beschrijft in woord en beeld de uitgangspunten voor de ontwikkeling van een park voor Zuid. De recente herschikking van de ligplaatsen voor de binnenvaart biedt de kans om in de Maashaven een groot nieuw park voor de bewoners van Rotterdam-Zuid te maken. Met deze ontwikkeling worden de kwaliteiten van de Maashaven, haar positie in de stad en de behoeften van huidige en nieuwe bewoners uit de omliggende wijken gecombineerd. Dit bestemmingsplan vormt de planologisch-juridische vertaling van hetgeen in het Masterplan is beoogd.
1.2
Gekozen planopzet
Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling met voldoende flexibiliteit om de geplande ontwikkeling te kunnen realiseren. De regeling bestaat uit de bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam, met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).
1.3
Ligging en begrenzing
Het plangebied beslaat het gebied tussen de randen van de bebouwing van de Maashaven-Noordzijde, Maashaven-Oostzijde, de Brielselaan en het gebied ten oosten van de huidige ligplaatsen voor de binnenvaartschepen. Afbeelding 1.1 toont de ligging en de begrenzing van het plangebied.
Afbeelding 1.1: Ligging en begrenzing van het plangebied (bron: Masterplan)
1.4
Vigerende bestemmingsplannen
Het plangebied is verdeeld over drie vigerende bestemmingsplannen: ^ Bestemmingsplan "Tarwewijk" (vastgesteld 10 december 2010);
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
2
» ^
Bestemmingsplan Katendrecht-Pols (vastgesteld 18 april 2012); Bestemmingsplan Tarwewijk (vastgesteld 18 maart 2021).
Verder gelden binnen het plangebied de volgende paraplubestemmingsplannen: ^ Parapluherziening parkeernormering (vastgesteld 14 december 2017); ^ Parapluherziening biologische veiligheid (vastgesteld 14 juni 2018); ^ Parapluherziening evenementen (vastgesteld 03 februari 2022);
Afbeelding 1.2: uitsnede vigerende bestemmingplannen 'Katendrecht-Pols' en 'Tarwewijk' (bron: ruimtelijkeplannen.nl) - contour plangebied in rood
Afbeelding 1.3: uitsnede bestemmingsplan Tarwewijk (2010) - contour plangebied in rood
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
3
2.
Beleidskader
2.1
Rijksbeleid
Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van het Rijk gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft het Rijk de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden. Het Rijk kan een bestemmingsplan opstellen, een zogenaamd rijksinpassingsplan. Daarnaast zijn er instrumenten die uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en het opleggen van aanwijzingen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in werking getreden en geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen. 2.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Vastgesteld op 13 maart 2012 Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden en met een Europese en mondiale blik. Voor de middellange termijn (2028) kiest het Rijk drie doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden: 1)
Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijke economische structuur; 2) Het verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3) Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Daarnaast benoemt het Rijk 13 nationale belangen, waar het rijk verantwoordelijk voor is. Het betreft: 1)
Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; 2) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie; 3) Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; 4) Efficiënt gebruik van de ondergrond; 5) Een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; 6) Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; 7) Het in stand houden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; 8) Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; 9) Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening, en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; 10) Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; 11) Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; 12) Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
4
13) Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De nationale ruimtelijke hoofdstructuur geeft de nationale belangen, waarvoor het Rijk verantwoordelijk is, geografisch weer. Op deze kaart in de structuurvisie is op hoofdlijnen aangegeven welke gebieden en structuren van nationaal belang zijn bij de geformuleerde rijksdoelen rond concurrentiekracht, bereikbaarheid en leefbaarheid en veiligheid, zodat een samenhangende ruimtelijke hoofdstructuur zichtbaar wordt. De structuurvisie infrastructuur en ruimte vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Voorliggend plangebied wordt niet specifiek benoemd in de Structuurvisie. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan een de kwaliteit van leven in de stad. Daarnaast is de inrichting van het gebied integraal vormgegeven en gebaseerd op de bestaande karakteristieken van het gebied. In het park worden verschillende functies gecombineerd, waaronder traditionele parkfuncties en voorzieningen voor horeca en evenementen. 2.1.2
Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte
Vastgesteld op 15 juni 2011 In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. De komende jaren werkt de Rijksdienst aan drie programmalijnen: ^ Water en erfgoed ^ Landschap: transformatie van het landelijk gebied ^ Transformatie in de stad en in krimpgebieden In het voorliggende plan past onder andere binnen het programma transformatie in de stad. In het plan is aandacht besteed aan de bevolkingsgroei in de omgeving en de daarmee samenhangende verandering van de voorzieningenbehoefte. Het park vervult de behoefte van bewoners in de omliggende stenige stadswijken; zij willen graag meer groen in hun omgeving. Het park heeft daarmee een grote toegevoegde waarde in de verdichtende stad. Het plan draagt dus bij aan de beleidsvisie Erfgoed en Ruimte. 2.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 5 juni 2014 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang. Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Het Barro bevat dan ook geen concreet beleid voor het plangebied. 2.1.4
Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)
Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden. Wel is er sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SERladder'). Deze is vastgesteld in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden. Sinds 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen. Daarnaast is het begrip 'actuele regionale behoefte' vervangen door 'behoefte'. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijke verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
5
Sinds 1 juli 2017 luidt de formulering van de Ladder in genoemd artikel van het Bro: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In die gevallen moet dan beoordeeld worden of er een nieuw of groter beslag op de ruimte is. Ontwikkelingen die bebouwing reduceren of verplaatsen, zijn in de zin van de Ladder geen stedelijke ontwikkeling. Het gaat dus om een stedelijke ontwikkeling die een nieuw of groter planologisch beslag legt op de ruimte. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft. De ontwikkeling van een park op deze locatie voorziet niet of nauwelijks in de toevoeging van bebouwing. Het plan voorziet wel in een grootschalige functiewijziging ten opzichte van de vigerende bestemmingsplannen. In dat opzicht kan het plan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. In de dichtbebouwde stadswijken rondom de ontwikkeling ontbreekt het aan hoogwaardige grote openbare ruimte (zie ook paragraaf 4.1).
Er zijn in de omgeving geen groene parken van formaat. Evenmin is er ruimte voor sport, spel en bewegen. Het bestaande aanbod is eenzijdig. Het dichtstbijzijnde park voor de omwonenden van de ontwikkeling is op 1,5 à 2 kilometer. Uit cijfers van de GGD, CBS en RIVM vindt slechts 52,5 procent van de bewoners van Charlois en Feijenoord dat er voldoende groen in de buurt is. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de verbetering van het woon- en leefklimaat van het Maashavengebied en de omliggende wijken. Daarnaast vervult het park een concrete behoefte naar meer groen in Rotterdam-Zuid. Omdat het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied is daarnaast sprake van een intensivering van de bestaande ruimte. Het plan voldoet hiermee aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
2.2
Provinciaal en regionaal beleid
2.2.1
Algemeen
Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's en plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, onderdeel uit van het provinciale omgevingsbeleid. In de uitvoeringsprogramma's en plannen zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. De Omgevingsvisie omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. De ambities geven vorm aan de volgende provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit': 1) Landschap en cultuurhistorie Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving. 2) Gezondheid en veiligheid Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder 3) Natuur en recreatie Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren. 4) Ruimte en verstedelijking Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied.
5) Wonen Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen. Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
6
6)
Bodem en ondergrond Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond. 7) Cultuurparticipatie en bibliotheken Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken. 8) Klimaatadaptatie Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen. 9) Zoetwater en drinkwater Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater. 10) Bereikbaarheid Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders. 11) Regionale economie Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie. 12) Energievoorziening Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen. 2.2.2
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Vastgesteld door Provinciale Staten op 20 februari 2019 en per 1 april 2019 in werking. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het provinciale omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en -plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De Omgevingsvisie omvat de volgende wettelijk verplichte plannen: ^ de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); ^ het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); ^ het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); ^ het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; ^ de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). 2.2.3
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Vastgesteld door Provinciale Staten op 20 februari 2019 en per 1 april 2019 in werking. Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Hierin is de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 heeft betrekking op bestemmingsplannen. Ladder voor duurzame verstedelijking Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Bij elk project dient allereerst te worden bepaald of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit is gedefinieerd als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Hiernaast dient te worden beoordeeld of het project ook gezien zijn schaal en aard moet worden getoetst aan de Ladder. Als sprake is van een stedelijke ontwikkeling, dan dient de toetsing aan de Ladder plaats te vinden (Artikel 3.1.6 van het Bro). Hierbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: I.
de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening;
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
7
II.
indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.
In het kader van dit bestemmingsplan is het volgende onderwerpen relevant: ^ Het plan biedt ruimte voor nieuwe stedelijke ontwikkeling(en) (ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen) Antwoorden op overige vragen vanuit provinciaal belang (e-formulier): ^ Het plan biedt ruimte voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen, kantoren, bedrijven, detailhandel. ^ Er is sprake van buitendijks bouwen en archeologische waarden. ^ De stedelijke ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stads- en dorpsgezicht. ^ Het plan bevat een motivering van de behoefte. ^ Er wordt geen gebruik gemaakt van een afwijkingsmogelijkheid zoals genoemd in 6.33, 6.34 of 6.35 van de Omgevingsverordening. ^ Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats binnen beschermingscategorie 1 (zie art 6,9 van de Omgevingsverordening. ^ Er is sprake van inpassen. • De ruimtelijke kwaliteit blijft per saldo ten minste gelijk. • Er worden geen richtpunten aangetast. ^ Er is geen beeldkwaliteitsparagraaf opgenomen in het plan. • Er worden geen wezenlijke kenmerken en waarden significant aangetast van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen. ^ Het plan voldoet aan artikel 6.23 van de Omgevingsverordening t.b.v. buitendijks bouwen.