[24bb006015] Bijlage behorende bij 24bb006014 - Cluster Energie Strategie 2024
Tekst van het document
Toevoer richting Europoort 150 kV
Groeiende vraag elektriciteit Tussen 2027 en 2032 overschrijving van ten industrie op 150 kV net minste 17% op het circuit*
Directe aansluiting industrie op 380 kV
Toevoer richting Pernis 150 kV
Groeiende vraag elektriciteit industrie op 150 kV net
Vanaf 2030 overschrijding van ten minste 64% op het circuit*
Directe aansluiting industrie op 380 kV
Toevoer richting Theemsweg 150 kV
Groeiende vraag elektriciteit industrie op 150 kV net
2028 t/m 2031 overschrijding van circa 5% op het circuit*
Directe aansluiting industrie op 380 kV
Toevoer richting Botlek 150 kV
Groeiende vraag elektriciteit industrie op 150 kV net
Vanaf 2031 overschrijding van ten minste 7% op het circuit*
Directe aansluiting industrie op 380 kV
Moerdijk 150 kV
Groeiende vraag elektriciteit industrie op 150 kV net
Directe aansluiting industrie op 380 kV
380 kV verbinding Geertruidenberg – Halsteren (via Port of Moerdijk)
Mogelijke mismatch Vanaf 2035 zeer beperkt vraag-aanbod bij aantal uren (1-3%) overaanlanding Nederwiek III in schrijding op hoofdcircuit Geertruidenberg
Matchen vraag-aanbod tijdens beperkt aantal uren overschrijding bij piekvraag.
Moerdijk 380 kV station
Vraag industrie vanaf 2031 bij oplevering station tussen 2031-2033.
Tijdige oplevering van het reeds geplande 380 kV station Moerdijk in 2031.
* Bron: cluster systeemanalyse door QuoMare
Door Stedin en in de cluster systeemanalyse zijn 5 potentiële knelpunten geïdentificeerd op de 150 kV koppelpunten tussen het netwerk van Stedin en het netwerk van TenneT. Veel knelpunten kunnen, naast uitbreidingen van het netwerk, mogelijk ook opgelost worden indien bedrijven kunnen worden aangesloten op een hoger spanningsniveau. Dit wordt in hoofdstuk 6.2 verder uitgewerkt.
Mogelijke knelpunten netwerk Stedin (150 kV koppelpunten) Potentieel knelpunt
Geplande uitbreiding
Oplossingsrichting knelpunt
Maasvlakte Groeiende vraag Vanaf 2026 koppelpunt 150kV
Verzwaring gepland in 2031 (IP24)
Meer industrie aansluiten op hogere netvlakken (zie 6.2)
Europoort Groeiende vraag koppelpunt 150kV
Vanaf 2033
Verzwaring gepland in 2027 (IP24)
Meer industrie aansluiten op hogere netvlakken Extra station in de Europoort (in onderzoek)
Gerbrandyweg Groeiende vraag koppelpunt 150kV
Vanaf 2030
Verzwaring gepland in 2025 (IP24)
Meer industrie aansluiten op hogere netvlakken Extra station in de Botlek (in uitvoering)
Botlek koppelpunt 150kV
Groeiende vraag
Vanaf 2027 indien congestie op 150kV net is opgelost
Verzwaring gepland in 2035 (IP24)
Meer industrie aansluiten op hogere netvlakken Extra station in de Botlek (in onderzoek)
Oudeland koppelpunt 150kV
Groeiende vraag Vanaf 2026 indien congestie op 150kV net is opgelost
Verzwaring gepland in 2030 (IP24)
Meer industrie aansluiten op hogere netvlakken
Oorzaak
Timing knelpunt
In de cluster systeemanalyse is daarnaast ook gekeken naar potentiële knelpunten op de onderliggende stations. Daarbij is rekening gehouden met reeds geplande netuitbreidingen. Uit deze analyse kwamen 12 mogelijke knelpunten naar voren die op de volgende pagina worden samengevat.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 24
Mogelijke knelpunten netwerk Stedin (onderliggende stations)
Enexis
Station
Omvang knelpunt
Timing knelpunt
Mogelijk oplossingsrichting
Voor het netwerk van Enexis zijn in de analyse geen knelpunten gevonden in RotterdamMoerdijk, mits alle bestaande investeringsplannen worden uitgevoerd.
Europoort Kop van de Beer 25/21kV
17 MW
Vanaf 2028
Aansluiting op hoger spanningsniveau kan mogelijk een oplossing zijn*
5.2 Waterstof
Hoek van Holland 10kV
6-18 MW
Vanaf 2035
Aansluiting op hoger spanningsniveau kan mogelijk een oplossing zijn*
Europoort 25kV
84-505 MW
Vanaf 2026
Knelpunt kan deels worden verholpen indien bedrijven kunnen worden aangesloten op een hoger spanningsniveau
Europoort 23kV
11 MW
2026 t/m 2028
Aansluiting op hoger spanningsniveau kan mogelijk een oplossing zijn*
Europoort 10kV
1-22 MW
2025, 2026 en 2034 t/m 2050
Aansluiting op hoger spanningsniveau kan mogelijk een oplossing zijn*
Gerbrandyweg 25kV
11-59 MW
Vanaf 2026
Aansluiting op hoger spanningsniveau kan mogelijk een oplossing zijn*
Vondelingenweg 66kV
38-358 MW
2029 en 2030
Het nieuwe TenneT-station, wat dit Stedin station ontlast, eerder realiseren (2029). Knelpunt kan ook deels worden verholpen indien bedrijven kunnen worden aangesloten op een hoger spanningsniveau
Botlek 25kV Theemsweg 25 kV
11-15 MW 12-421 MW
2038 en 2042 t/m 2050
Aansluiting op hoger spanningsniveau kan mogelijk een oplossing zijn*
Vanaf 2027
Knelpunt kan deels worden verholpen indien bedrijven kunnen worden aangesloten op een hoger spanningsniveau
Maasvlakte1 25kV
31-62 MW
Vanaf 2029
Aansluiting op hoger spanningsniveau kan mogelijk een oplossing zijn*
Maasvlakte2 25kV
20-29 MW
Vanaf 2029
Aansluiting op hoger spanningsniveau kan mogelijk een oplossing zijn*
Maasvlakte 23kV
18-36 MW
Vanaf 2028
Aansluiting op hoger spanningsniveau kan mogelijk een oplossing zijn*
Uit de cluster systeemanalyse blijkt dat ten minste 3 knelpunten deels kunnen worden opgelost door *bedrijven met een grote elektriciteitsvraag direct aan te sluiten op een hoger spanningsniveau. Mogelijk kunnen op deze wijze nog meer knelpunten worden weggenomen, afhankelijk van de exacte vermogensgrens die wordt gehanteerd. Zie hoofdstuk 6.2 voor details.
Voor waterstof is door de industrie voor deze CES iets minder vraag en aanbod opgegeven dan wordt voorzien in de bestaande scenario’s van de netbeheerders. Dit is deels te verklaren omdat nog niet alle plannen op lange termijn bekend zijn. De productie valt daarnaast lager uit omdat minder waterstof wordt geproduceerd uit restgassen dan eerder voorzien. Deze waterstof zou door een private leiding worden getransporteerd, buiten het netwerk van Gasunie/Hynetwork Services om, dus dit heeft geen invloed op de benodigde transportcapaciteit van het waterstofnetwerk. Het relatief stabiele aanbod aan de onderkant van de bandbreedte in latere jaren is te verklaren doordat er geen concrete plannen zijn opgegeven voor met name elektrolyse voorbij 2035. Voor deze nieuwe bedrijvigheid is geen opgave gedaan langs de verhaallijnen, waardoor er maar een beperkte bandbreedte is weergegeven in de CES-plannen.
Waterstofvraag Rotterdam-Moerdijk in TWh 70
50
Potentiële restopgave richting 2050; er zijn mogelijk extra projecten nodig na 2035 om bestaande processen te verduurzamen.
40
Basecase
60
Verhaallijnen: Decentraal Europees Internationaal Nationaal Scenario’s netbeheerders
30 20 10 0
2020
2030
2040
2050
De figuren in deze infrastructuuranalyse geven de “netto” energiestromen weer die gebruik maken van infrastructuur. Waterstof die bijvoorbeeld direct bij een raffinaderij wordt geproduceerd en ingezet is niet weergegeven in de resultaten, omdat deze geen externe transportbehoefte kent. De waardes kunnen daarmee afwijken van de vraagarticulatie in hoofdstuk 4.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 25
5.3 Methaan (aardgas en groen gas)
Waterstofaanbod Rotterdam-Moerdijk in TWh 140 120 100 80
Basecase Verhaallijnen: Decentraal Europees Internationaal Nationaal Scenario’s netbeheerders
60 40 20 0
2020
2030
2040
2050
De in de CES opgegeven vraag naar methaan neemt na 2035 minder snel af dan in de scenario-bandbreedte van de netbeheerders. Deels komt dit door initiatieven rond blauwe waterstofproductie, maar het lijkt ook een effect te zijn van beperkte opgave van verduurzamingsplannen op de langere termijn, waarbij weinig zichtbaarheid is op plannen voor de periode na 2035.
Methaanvraag in TWh 60
Bij 62% van methaanvraag 2050 wordt CO₂ afgevangen. Voor het overige deel blijft er een restopgave; er zijn mogelijk extra projecten nodig na 2035 om processen te verduurzamen
50 40
Voor 2030 ligt de transportbehoefte voor Rotterdam in lijn met de voorziene capaciteit van het Waterstofnetwerk Rotterdam van circa 3-5 GW. Daarna is een capaciteitsuitbreiding nodig, die kan worden gerealiseerd door integratie van de waterstofleiding met de Delta Rhine Corridor (DRC). Uit de cluster systeemanalyse voor Rotterdam kwamen geen knelpunten naar voren binnen het cluster indien gebruik wordt gemaakt van alle vier koppelpunten die mogelijk worden gerealiseerd tussen het waterstofnetwerk en de DRC. Wel heeft de vertraging van de DRC impact op de mogelijkheid om waterstof te exporteren naar andere markten. De exacte uitwerking hiervan kon voor deze CES niet meer worden gekwantificeerd maar de verwachting is dat dit tot verdere vertraging van projecten zorgt. In Moerdijk leidt de uitgestelde planning van de DRC in ieder geval tot vertraging van twee projecten, die van de geplande buisleidingen afhankelijk zijn voor waterstof.
Basecase
30
Verhaallijnen: Decentraal Europees Internationaal Nationaal Scenario’s netbeheerders
20 10 0
2020
2030
2040
2050
Met de bestaande aardgasinfrastructuur kan de veranderende vraag richting 2030 worden bediend. Hierbij is ook rekening gehouden met plannen voor een mogelijk toenemend aanbod van methaan uit het cluster. Deels wordt aardgas vervangen door groen gas waarbij dezelfde infrastructuur als voor aardgas gebruikt kan worden. Gasinfrastructuur die vrijkomt door de landelijk dalende gasvraag kan deels worden ingezet voor het transport van waterstof en mogelijk CO₂.
Door de verbinding van Rotterdam-Moerdijk met Waterstofnetwerk Nederland krijgt het cluster Rotterdam-Moerdijk ook toegang tot opslagcapaciteit buiten de regio, bijvoorbeeld de zoutcavernes in Zuidwending. Dit aanvullend op de flexibiliteit die partijen binnen het cluster zelf kunnen bieden. De reeds bestaande MIEK-projecten die toezien waterstoftransport en -opslag in en buiten het cluster zijn daarmee toereikend in capaciteit (het Waterstofnetwerk Nederland, de Delta Rhine Corridor en HyStock in Noord Nederland). Wel moet nader worden bekeken hoe de impact van de vertraging van de Delta Rhine Corridor zoveel mogelijk kan worden beperkt.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 26
5.4 CO₂ Met betrekking tot CO₂-afvang is meer aanbod ten behoeve van (met name) CCS opgegeven door bedrijven dan is voorzien in de bestaande scenario’s van de netbeheerders. Deze toename is volledig toe te rekenen aan nieuwe initiatieven, voornamelijk rond blauwe waterstofproductie. Dit effect is ook terug te zien in de vraag naar methaan. Met name in de CES-resultaten voor de verhaallijn Europese integratie (EUR) is vanaf 2040 nog een grote sprong in aanbod van CO₂ zichtbaar, omdat veel partijen hun restemissies in die verhaallijn waar mogelijk via CCS mitigeren. In die verhaallijn daalt ook de vraag naar methaan het minst snel.
CO₂ aanbod Rotterdam-Moerdijk in TWh 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000
Basecase
8.000
Verhaallijnen: Decentraal Europees Internationaal Nationaal Scenario’s netbeheerders
6.000 4.000 2.000 0
2020
2030
2040
2050
De geplande capaciteit voor transport van CO₂ en de gezamenlijke opslagcapaciteit van Porthos en Aramis ligt boven het in de CES geïnventariseerde CO₂-aanbod van de industrie en is in principe voldoende. Daarbij is echter nog geen rekening gehouden met CO₂ import vanuit het project CO₂next en de doorvoer van CO₂ uit andere locaties dan Rotterdam-Moerdijk via de Delta Rhine Corridor (Chemelot en het Ruhrgebied) of de Delta Schelde CO₂nnection (Terneuzen en Antwerpen). Hiervoor zal additioneel transport en opslag van CO₂ nodig zijn om het aanbod CO₂ af te kunnen voeren. Dit beeld wordt bevestigd door de cluster systeemanalyse, waaruit volgt dat vanaf 2035 additionele opslagcapaciteit nodig is om CO₂ uit andere clusters te kunnen opslaan. Daarnaast heeft de vertraging van de Delta Rhine Corridor impact op ten minste twee projecten in het cluster Moerdijk, die afhankelijk zijn van de DRC voor aansluiting op infrastructuur.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 27
06 CLUSTER SYSTEEMANALYSE
Oplossingsrichtingen voor knelpunten in infrastructuur
De cluster systeemanalyse heeft als doel om inzicht te geven in de samenhang van de verschillende projecten en wat bepaalde keuzes betekenen voor de capaciteit van infrastructuur en CO₂-uitstoot in het cluster. Voor Moerdijk zijn door adviesbureau Water and Energy Solutions de opgegeven plannen van de industrie vergeleken met investeringsplannen van de netbeheerders en zijn alle potentiële knelpunten besproken met zowel de industrie als de netbeheerders om alternatieven oplossingen te vinden en te beoordelen. Voor Rotterdam is door het adviesbureau QuoMare gebruik gemaakt van het TEACOS model (Techno-Economic Analysis Of Complex Option Spaces) om het optimale gebruik van infrastructuur te modelleren om vraag en aanbod in het cluster bij elkaar te brengen. Hierbij zijn eerst de bestaande plannen van de industrie en netbeheerders in kaart gebracht om inzicht te krijgen in knelpunten in het systeem voor alle energiedragers (het current plans scenario). De resultaten hiervan zijn meegenomen in de infrastructuuranalyse.
Vervolgens zijn op basis hiervan de volgende scenario’s gemodelleerd: 1 ‘No action’: CO₂-emissies indien potentiële knelpunten in infrastructuur niet worden opgelost; 2 Eerdere overstap van Stedin klanten naar TenneT bij toenemende elektriciteitsvraag; 3 Eerdere overstap klanten van het TenneT 150 kV netwerk naar het 380 Kv net bij toenemende elektriciteitsvraag; 4 Inzet van de ‘vluchtstrook’ op het TenneT netwerk; 5 Optimalisatie van de gekozen verduurzamingsroutes van industrie; 6 Effect van lokale elektriciteitsproductie.
6.1 Scenario 1: CO₂ impact van knelpunten (‘no action’) In deze analyse is gekeken naar de impact op CO₂-emissies indien de gesignaleerde knelpunten op het elektriciteitsnetwerk niet worden opgelost en daardoor projecten moeten worden uitgesteld of geen doorgang kunnen vinden. Hierbij is het model al zo geoptimaliseerd dat de projecten die de meeste CO₂ reduceren voorrang krijgen. In de praktijk is het moeilijk om hierop te sturen en vallen CO₂ emissies als gevolg van knelpunten in het netwerk mogelijk hoger uit.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 28
Uit de analyse blijkt dat circa 60 projecten in Rotterdam vertraging oplopen als de knelpunten in infrastructuur niet worden opgelost. Hierdoor wordt tussen 2025 en 2035 bijna 20 Mton meer CO₂ uitgestoten dan wanneer alle geplande projecten doorgaan. Ook komen projecten voor walstroom en elektrische laadpleinen mogelijk in gevaar, waardoor de transportsector minder snel kan verduurzamen met als gevolg dat ook de uitstoot buiten het cluster ook hoger zal uitvallen. Uit de cluster systeemanalyse voor Moerdijk blijkt dat 17 projecten mogelijk vertraagd worden doordat het 380-kV station Moerdijk niet tijdig gereed is en door de vertraagde aanleg van de DRC. Hiermee komt voor de periode 2028-2033 circa 3,3 Mton aan CO₂ reductie in gevaar (dit staat gelijk aan de huidige uitstoot van het havengebied in Moerdijk in één jaar).
CO₂ emissies in Mton 30
Hierdoor wordt het netwerk meer belast en ontstaan toenemend knelpunten op het regionale netwerk. Daarom is zowel door Stedin als door QuoMare gekeken naar het effect van een snellere overstap van Stedin naar Tennet in Rotterdam, waarbij specifiek is gekeken naar twee alternatieve benaderingen: A Klanten blijven tot 70 MW bij Stedin en al het gevraagde vermogen daarboven wordt bij TenneT ondergebracht; B Klanten die meer dan 70 MW aan vermogen vragen gaan voor 100% van hun vermogen over naar TenneT (en hebben dus geen aansluiting meer bij Stedin). Om de analyse af te kaderen is er gerekend met een indicatief vermogen van 70MW. In de praktijk is de vermogensgrens afhankelijk van het netvlak waarop de aansluiting gerealiseerd is. Daarnaast moet op dit moment rekening gehouden worden met de grens die door de tariefcode is gesteld. Indien met een andere vermogensgrens wordt gerekend kunnen mogelijk nog meer knelpunten worden verholpen.
Resultaten
25 20 15 10
Huidige projecten in industrie
5
Bijgestelde plannen door knelpunten infrastructuur
0 2021 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035
6.2 Scenario 2: optimalisatie van overstap van Stedin naar TenneT Wanneer een klant van Stedin (of andere regionale netbeheerder) meer vermogen vraagt dan passend is op het huidige netvlak waarop ze zijn aangesloten, moeten zij de overstap maken naar het hoogspanningsnetwerk van TenneT. Door toenemende elektrificatie geldt dit voor steeds meer bedrijven. Bij deze overstap wordt het netwerk van Stedin ontlast, terwijl de belasting van het TenneT netwerk hetzelfde blijft. Het versneld overstappen van Stedin naar TenneT is dus gunstig voor het netwerk. In de praktijk kiezen bedrijven er echter voor om zo lang mogelijk op de netvlakken van de regionale netbeheerder te blijven, ook als dat betekent dat bedrijfsonderdelen moeten worden opgesplitst waardoor meerdere kleinere aansluitingen kunnen worden aangevraagd.
Uit de analyse blijkt dat met methode A drie knelpunten deels kunnen worden opgelost op het netwerk van Stedin in Rotterdam. Hiermee kunnen meer projecten doorgang vinden waarmee tussen 2025 en 2035 circa 1,8 Mton aan extra CO₂ uitstoot kan worden voorkomen (in vergelijking met scenario 1). Met methode B kan één knelpunt volledig worden verholpen en op twee knelpunten neemt het tekort grotendeels af. Hierdoor kan tussen 2025 en 2035 circa 3,4 Mton aan extra CO₂ uitstoot worden voorkomen. Andere voordelen zijn: — Voorkomen van dubbele verzwaring (bij TenneT én Stedin) en dus dubbele inzet van menskracht, materialen en maatschappelijke kosten/tariefverhoging. — Ruimtebesparing in overvolle boven- en ondergrond. — Capaciteit/nettoegang openhouden voor vestiging nieuwe industrie. Dezelfde potentiële voordelen werden in Moerdijk gesignaleerd in gesprekken met de netbeheerders. Een keuze voor één van deze twee methodes is dus noodzakelijk voor de voortvarende doorgang van de energietransitie, en het vestigingsklimaat. Deze methodes kunnen echter impact hebben op de wachttijden en aansluitkosten voor bedrijven. Het is daarom belangrijk dat er afspraken komen en beleid wordt gemaakt, om deze overstap te faciliteren en stimuleren om daarmee meer netcapaciteit vrij te spelen op het netwerk van de regionale netbeheerder.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 29
6.3. Scenario 3: grotere klanten van TenneT aansluiten op hogere netvlakken Ook voor klanten die direct bij TenneT zijn aangesloten kunnen mogelijk knelpunten worden weggenomen door ze direct aan te sluiten op een hoger netvlak. Hierbij gaat het dan om een aansluiting op het 380 kV net in plaats van het 150 kV net. Net als bij de analyse voor Stedin klanten is er gekeken naar twee mogelijkheden: A TenneT klanten blijven tot 250 MW op het 150 kV net van TenneT en alle vraag daarboven wordt aangesloten op het 380 kV net. B TenneT klanten met een vraag van meer dan 250 MW gaan voor 100% van hun vermogen over van 150 kV naar het 380 kV net. Met methode A kan 1 van de 5 knelpunten op het 150 kV net volledig worden verholpen en kunnen 2 knelpunten gedeeltelijk worden verholpen vanaf 2030. Met methode B kunnen 2 knelpunten op het 150 kV net meteen volledig worden verholpen en een derde knelpunt kan vanaf 2030 geheel worden weggenomen. Alleen op de toevoer richting Europoort blijkt op het 150 kV net sprake van een knelpunt tussen 2028 en 2031 in dit scenario. Daarbij moet worden opgemerkt dat het niet altijd eenvoudig is om een klant direct aan te sluiten op een 380 kV station. In sommige gevallen zouden hiervoor nieuwe verbindingen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld een verbinding van Pernis naar het station Simonshaven. Ook dit vraagt tijd, ruimte en investeringen.
Nader onderzoek moet uitwijzen hoe dit zich verhoudt tot andere oplossingen, zoals bijvoorbeeld netverzwaring in de vorm van extra 380 kV station of andere opties.
6.4 Scenario 4: inzet van de ‘vluchtstrook’ Om leveringszekerheid te waarborgen is het netwerk van TenneT dubbel uitgevoerd. Hierbij worden de beide circuits tot maximaal 50% belast zodat bij uitval van 1 van de 2 verbindingen er nog voldoende transportcapaciteit is voor alle benodigde elektriciteit.
Wel heeft dit mogelijk negatieve invloed op de leveringszekerheid: indien er onvoorzien een circuit uitvalt kan het netwerk op dat moment niet meer aan de volledige transportvraag voldoen. Daarom moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt van de risico’s en baten. De inzet van deze oplossing is het meest gunstig in gevallen waarbij er slechts een klein deel van de tijd een tekort aan transportcapaciteit is (vergelijkbaar met het inzetten van de vluchtstrook als ‘spitsstrook’ op de snelweg). Een voorbeeld is de 380 kV verbinding Geertruidenberg-Halsteren, waar TenneT in slechts 1-3% van de tijd een tekort aan transportcapaciteit wordt verwacht (zie 6.1).
6.5 Scenario 5: optimalisatie bedrijfsstrategieën Bij de data-uitvraag hebben 8 bedrijven naast hun voorkeursroute voor verduurzaming ook alternatieve strategieën opgegeven die van invloed zijn op het energieverbruik. Zo hebben bedrijven soms de mogelijkheid om te kiezen tussen elektrificatie of directe inzet van warmte, of tussen elektrificatie en waterstof. Deze alternatieve routes kunnen met name gunstig zijn voor bedrijven die anders projecten moeten vertragen, bijvoorbeeld omdat ze nu op een wachtlijst staan voor een aansluiting. Daarom is een analyse uitgevoerd van alle verschillende verduurzamingsroutes om te kijken of hiermee knelpunten op het elektriciteitsnetwerk weggenomen kunnen worden. Indien meerdere strategieën een vergelijkbaar positief effect hebben op een knelpunt kiest het model voor de optie met de meest gunstige CO₂ impact. Hierbij is niet gekeken naar de bedrijfseconomische impact van de verschillende routes. Uit deze analyse blijkt dat het in slechts twee gevallen mogelijk is om het elektriciteitsnetwerk te ontlasten door voor een alternatieve verduurzamingsroute te kiezen. Hiermee kan mogelijk 1 knelpunt op het Stedin netwerk geheel worden verholpen en 1 knelpunt worden verminderd.
Door deze norm los te laten op piekuren kunnen praktisch alle knelpunten op het netwerk van TenneT in het cluster worden verholpen. Alleen op de 150 kV verbinding richting Pernis is na 2044 nog mogelijk sprake van een capaciteitstekort.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 30
6.6 Scenario 6: effect van lokale elektriciteitsproductie In dit scenario is gekeken naar de potentie van lokale opwek van elektriciteit bij bestaande stations om knelpunten weg te nemen. Dit kan bijvoorbeeld met kleinere units op basis van biomassa of aardgas of mogelijk ook met kleinschalige kernreactoren (small modular reactor, of SMR). Daarbij is gekeken naar twee mogelijkheden: 1 Lokale elektriciteitsproductie bij stations tot 150 kV, ongeacht vermogen In deze analyse is gekeken of elektriciteitsproductie nabij bestaande of geplande stations tot 150 kV knelpunten kan wegnemen, ongeacht het benodigde vermogen van de opwek. Door direct bij de onderstations van Stedin stroom op te wekken kan met name het netwerk van TenneT worden ontlast, omdat de stroom die lokaal wordt geproduceerd niet meer via het TenneT netwerk naar Stedin wordt vervoerd. Uit de analyse blijkt dat hiermee mogelijk alle 6 knelpunten op het TenneT netwerk kunnen worden weggenomen. Op het Stedin netwerk kan 1 knelpunt mogelijk geheel worden weggenomen en kunnen 3 knelpunten gedeeltelijk worden verholpen. Het gaat hierbij wel een zeer omvangrijke ingreep, waarbij in 2030 op 9 plekken lokale opwek wordt gerealiseerd met een vermogen variërend van 5 tot 50 MW. In 2050 is in dit scenario op 11 plekken opwek nodig met een vermogen van 9 tot 90 MW.
Daarnaast zou op 1 station in 2050 bijna 700 MW aan lokale opwek nodig zijn om het tekort aan transportcapaciteit geheel weg te nemen. 2
Lokale elektriciteitsproductie met een vermogen van 100 MW Plaatsing van kleinschalige elektriciteitsopwekking is kostbaar en niet altijd praktisch, zeker wanneer het om gasturbines of Small Modular Reactors gaat. Daarom is ook gekeken in hoeverre knelpunten weggenomen kunnen worden met lokale opwek met een vermogen van ten minste 100 MW bij stations van TenneT. Bij grote centrales kan mogelijk ook warmte uitgekoppeld worden. Met deze oplossing kunnen maximaal 4 van de 6 knelpunten op het TenneT-netwerk worden weggenomen en 2 knelpunten worden gedeeltelijk verholpen. Op het Stedin netwerk kan 1 knelpunt helemaal en 2 knelpunten gedeeltelijk worden weggenomen. Om dit te bereiken wordt in totaal 800 MW aan opwekvermogen geplaatst, verdeeld over 6 locaties. Met de uitkoppeling van warmte kunnen potentieel 16 elektrificatie-projecten bij 7 bedrijven worden vervangen met warmte om het stroomgebruik te reduceren.
Uit de analyses blijkt dat met lokale opwek potentieel veel knelpunten weggenomen kunnen worden. Tegelijkertijd is in dit scenario is niet gekeken naar de economische en technische haalbaarheid van lokale opwek of de ruimtelijke inpassing of CO₂-impact hiervan. Ook moet er rekening gehouden worden met een significante doorlooptijd van grootschalige oplossingen. Mogelijk is lokale opwek in sommige gevallen een goede aanvulling op andere maatregelen. Dit geldt met name wanneer het niet mogelijk is om een knelpunt weg te nemen met andere, meer eenvoudige maatregelen zoals het aansluiten op een hoger netvlak.
6.7.
Aanbevelingen
Uit de infrastructuuranalyse en de cluster systeemanalyse blijkt dat met name op het elektriciteitsnetwerk sprake is van een toenemend aantal knelpunten, waardoor verduurzamingsprojecten in het cluster Rotterdam-Moerdijk moeten worden uitgesteld. Dit vraagt om urgente en doortastende actie, waarbij naast verzwaring van het elektriciteitsnet ook naar andere oplossingen gekeken moet worden om te voorkomen dat de verduurzaming van het cluster stokt. Daarbij moet prioriteit gegeven worden aan de volgende punten: 1 Blijf onverminderd inzetten op netverzwaring en versnel waar mogelijk Op basis van de huidige plannen ontstaan op meerdere plekken knelpunten op het elektriciteitsnet. Dit leidt tot een hogere CO₂ uitstoot omdat projecten niet (op tijd) door kunnen gaan. Vertraging van geplande infrastructuurprojecten, zoals reeds het geval is bij de Delta Rhine Corridor, zou dit effect verder verergeren. De MIEK projecten die in het volgende hoofdstuk worden gepresenteerd blijven dan ook in alle scenario’s relevant. 2 Bevorder een snellere overstap naar hogere netvlakken. Bedrijven met een stijgende energievraag moeten gestimuleerd worden om op makkelijke en betaalbare wijze over te stappen naar een hoger netvlak, bijvoorbeeld van Stedin naar TenneT, of van het 150 kV netwerk van TenneT naar het 380 kV net. Hiermee kunnen veel knelpunten worden voorkomen.
3 Bespreek met bedrijven of ruimte vrijgespeeld kan worden met alternatieve verduurzamingsstrategieën. Uit de data blijkt dat ten minste twee bedrijven alternatieve mogelijkheden hebben voor verduurzaming die minder elektriciteit vragen. Daarmee kunnen knelpunten op het netwerk worden verminderd. Mogelijk hebben ook andere bedrijven nog alternatieve mogelijkheden voor verduurzaming die een bijdrage kunnen leveren.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 31
Hier kan onder meer naar gekeken worden door de New Energy Taskforce die in 2023 is opgericht door het Havenbedrijf Rotterdam in samenwerking met TenneT, Stedin en Deltalinqs. 4 Overweeg de inzet van lokale elektriciteitsopwekking. Op knelpunten die niet binnen afzienbare tijd kunnen worden weggenomen door andere maatregelen kan het realiseren van lokale elektriciteitsopwekking nabij een bestaand onderstation een alternatief bieden. Dit geldt met name wanneer een knelpunt kan worden weggenomen met relatief kleinschalige opwek die op korte termijn te realiseren is. 5 Kijk ook naar energieopslag. De cluster systeemanalyse is uitgevoerd op basis van data op jaarbasis. Hierbij is niet gekeken naar variaties in energieproductie op uurbasis. Door een toename van energie uit wind en zon zal het elektriciteitsaanbod toenemend fluctueren. Dit vraagt om nieuwe (grootschalige) oplossingen voor opslag en waar mogelijk flexibiliteit in afname. Hiervoor is additioneel onderzoek nodig, ook op landelijk niveau, om de leveringszekerheid van elektriciteit richting 2030 te waarborgen.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 32
07 SLEUTELPROJECTEN VOOR HET MIEK
Op basis van de infrastructuuranalyse en de cluster systeemanalyse worden de volgende sleutelprojecten voorgedragen of bevestigd voor het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK):
Sleutelprojecten Project Elektriciteit Netverzwaring
MIEK-status Opgenomen in het MIEK Aanvullende projecten voorgesteld
Aanlandingen wind op zee
Opgenomen in het MIEK
Waterstof Elektrolysers op de Maasvlakte
Voorgedragen voor het MIEK
Waterstofnetwerk Rotterdam
Opgenomen in het MIEK
Importterminals voor waterstof, waterstofdragers en derivaten
Opgenomen in het MIEK
CO₂ opslag Porthos
Opgenomen in het MIEK
Aramis
Opgenomen in het MIEK
Warmte Warmtesysteem Zuid-Holland (WarmtelinQ)
Opgenomen in het MIEK
Brabantleiding (Moerdijk-Geertruidenberg)
Voorgedragen voor het MIEK
Transport naar het achterland Delta Rhine Corridor
Opgenomen in het MIEK
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 33
7.1 Netverzwaring De reeds aangemerkte nMIEK projecten ten behoeve van de energiedrager Elektriciteit blijven actueel en er wordt geen nieuw nMIEK project voorgesteld voor het netwerk van TenneT. Wel zijn er een aantal potentiële knelpunten geconstateerd die nader onderzocht worden. Huidige MIEK-projecten van TenneT in Rotterdam-Moerdijk: Project
Projectnummer
Planning (gereed)
Nieuw 380kV-station op de Maasvlakte (380kV-station Amaliahaven)
A-1003091
2027
Uitbreiden 380kV-station Simonshaven en ingelust op beide 380kV-circuits Maasvlakte-Simonshaven-Crayestein
A-100325
2027
Uitbreiden 380kV-station Simonshaven met twee 380/150kV-transformatoren en aanleg van twee 150kV-circuits naar het 150kV-station
A-1002972
Nieuw 380kV-station in de Europoort (380kV-station Europoort) en ingelust op beide 380kV-circuits Maasvlakte-Westerlee-Wateringen
A-1003080
Vervangen en uitbreiden 150kV-station Europoort
A-1002974
2026
Nieuw 150kV-station nabij Oudeland (150kV-station Rotterdam Petroleumweg)
A-1003061
2029-2031
Uitbreiden 150kV-stations Geervliet Noorddijk en Botlek en het verzwaren 150kV-circuits Geervliet Noorddijk-Botlek
A-1002909
2027-2029
2027
2030-2032
Nieuw 150kV-station in het noordwestelijk deel van A-1003213 de Europoort (150kV-station Merwedeweg) en verzwaren 150kV-circuits Europoort-Theemsweg
2027
Nieuw 380kV en 150kV-station bij Moerdijk
2031-2033
A-1003626 A-1003627
Stedin Naar aanleiding van de CES komen enkele potentiële knelpunten op het net naar voren die zullen worden vertaald naar aanvullende maatregelen die voor extra capaciteit zorgen in het komende investeringsplan. Daarnaast onderstrepen de infrastructuuranalyse en de cluster systeemanalyse duidelijk de noodzaak van verzwaringsprojecten die reeds in het IP zijn ingepland.
De reeds geplande netverzwaringsprojecten van Stedin worden daarom voorgedragen voor het MIEK: Locatie
Project
Projectummer
Planning (gereed)
Alexiahaven
Nieuw station
CV998
2026
Maasvlakte S3
Uitbreiding capaciteit
CV718
2025
Europoort
Uitbreiding capaciteit 10kV
CV865
2027
Europoort
Uitbreiding capaciteit 23kV
CV1600
2029
Europoort Merwede
Nieuw station 150/25kV
CV701
2028
Theemsweg
Uitbreiding capaciteit 25kV
CV705
2025
Gerbrandyweg
Uitbreiding capaciteit 10kV
CV1563
2026
Prof. Gerbrandyweg
Nieuw station 150/25kV
CV699
2025
Botlek
Uitbreiding capaciteit 10kV
CV1562
2029
Botlek
Uitbreiding capaciteit 23kV
CV1564
2030
Geervliet
Uitbreiding capaciteit
CV743
2028
Oudeland
Uitbreiding capaciteit 25kV
CV1009
2029
Enexis Op basis van de analyses uitgevoerd voor deze CES volgen ook niet direct nieuwe projecten voor Enexis met betrekking tot Moerdijk. De bestaande projecten uit Enexis IP 2024 blijven wel onverminderd noodzakelijk. Dit gaat concreet om: Project
Projectnummer
Planning (gereed)
Verzwaring van station Moerdijk van Enexis
MDK-i1
2027
Nieuw Enexis station Moerdijk, in aansluiting op geplande 380 kV station Moerdijk van TenneT
NB-MDK-i1
2031
Uitbreiding van het Enexis station in Moerdijk
MDK-i2
2033
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 34
DIJK
Geplande netverzwaringsprojecten in Rotterdam-Moerdijk
Hollandse Kust Zuid Maasvlakte S3 Nieuw station 2025
Alexiahaven Nieuw station + 66 kV ring 2026
Europoort Uitbreiding station 23 kV 2029
Landfall Nederwiek 2 GW 2030
Europoort Uitbreiding station 150 kV 2026 Nieuw station 380 kV 2030-2032
Nederwiek IJmuiden Ver IJmuiden Ver Noord
Merwedeweg Nieuw station 150 kV 2027
Europoort Uitbreiding station 10kV 2027
Landfall IJmuiden Ver (Noord) 2 + 2 GW 2029
Amaliahaven Nieuw station 380 kV Conversie station 2 + 2 GW IJmuiden Ver (Noord) 2027
Nieuw station 150/25 kV 2028
Theemsweg Uitbreiding station 25 kV 2025
Prof Gerbrandyweg Nieuw station 150/25 kV 2025
Petroleumweg Nieuw station 150 kV 2029-2031
Gerbrandyweg Uitbreiding station 10 kV 2026 Botlek Uitbreiding station 23 kV 2030 Botlek Uitbreiding station 10 kV 2029
Simonshaven Uitbreiding station 380 kV 2027
Oudeland Nieuw station 150/25 kV 2029
Botlek Uitbreiding station 150 kV 2027-2029
Geervliet Uitbreiding station 150 kV 2027-2029
Moerdijk Verzwaring bestaand station Enexis 2027
Uitbreiding station 150/25 Kv 2028
Nieuw station en uitbreiding station Enexis 2031-2033
MOERDIJK
380kv uitbreiding bestaand / Nieuw hoogspanningsstation
AANLANDING NEDERWIEK 3 2 GW Moerdijk
380kv hoogspanningsnet Tennet projecten
MOGELIJKE UITBREIDING Nieuw station 380 kV Nieuw 150 kV NAAR NORTH SEAstation PORT 2031-2033 EN ANTWERPEN
Stedin projecten Tennet & Stedin projecten Enexis projecten
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 35
7.2 Aanlandingen wind op zee
7.3 Elektrolysers Maasvlakte-Europoort
Het Rijk streeft naar de realisatie van 21 Gigawatt (GW) wind op zee in 2030 en 38 tot 72 GW in 2050.9 Een deel hiervan zal aanlanden in Rotterdam-Moerdijk. Op dit moment is hiervoor 7,4 GW aan aanlandingen gepland bij Rotterdam. Daarnaast wordt gekeken naar 2 GW aanlanding voor Nederwiek III bij Moerdijk of Geertruidenberg.
Op dit moment zijn zeven elektrolysers gepland in het gebied Maasvlakte-Europoort (zie hoofdstuk 2). Deze dragen niet alleen bij aan verduurzaming van de industrie en de productie van hernieuwbare brandstoffen maar hebben ook een belangrijke functie voor systeemintegratie door stroom van wind zee op aan de kust om te zetten in waterstof die verder kan worden vervoerd via het landelijke waterstofnetwerk. Ook kan de productie van waterstof worden gebruikt om energie op te slaan.
Waarom
Urgentie
Vraag
Omschrijving
Welke projecten worden hiermee gefaciliteerd?
Realisatie van wind op zee, meerdere elektrolysers voor de productie van waterstof en elektrificatie van de industrie.
Welke CO₂ reductie faciliteert dit?
Reducties door inzet hernieuwbare elektriciteit uit wind en door de inzet van waterstof voor verduurzaming industrie en transport.
Verwachte systeemeffecten
Een groot deel van de elektriciteit kan direct worden ingezet in elektrolysers op de Maasvlakte. Dit ontlast het elektriciteitsnetwerk en met name de verbinding Maasvlakte-Europoort.
Welk probleem of knelpunt Door de sterke groei in de vraag naar elektriciteit en afname van in het energiesysteem wordt elektriciteitsproductie uit gas en kolen kunnen bestaande centrales opgelost? vanaf 2028 niet meer in de elektriciteitsvraag in het cluster voorzien. Wind op zee is daarom cruciaal. Huidige planning
Realisatie tussen 2022 en 2032
Hoe sluit dit aan bij verwachte vraag?
Vanaf 2028 zijn extra aanlandingen nodig om in de energievraag van het cluster te voorzien.
De infrastructuuranalyse en de cluster systeemanalyse voor deze CES laten zien dat als het toenemende aanbod van wind op zee niet grotendeels wordt ingezet op de Maasvlakte, dit tot een knelpunt leidt op het hoogspanningsnet tussen de Maasvlakte en Europoort. De geplande elektrolysers spelen een belangrijke rol om deze stroom direct bij aanlanding om te zetten in waterstof en zo knelpunten op het elektriciteitsnet te beperken. De realisatie van deze projecten is daarmee een belangrijke voorwaarde voor zowel verduurzaming van de industrie als het ontlasten van het stroomnet zodat meer wind op zee kan worden aangesloten.
Waarom
Urgentie
Waar
9 — https://windopzee.nl/onderwerpen/wind-zee/wanneer-hoeveel/wind-zee-2030-0
Vraag
Omschrijving
Welke projecten worden hiermee gefaciliteerd?
• Verduurzaming van raffinaderijen, chemie en transport op basis van groene waterstof • Aansluiten wind op zee
Welke CO₂ reductie faciliteert dit?
Met de inzet van 1 ton groene waterstof kunnen CO₂ emissies gemiddeld met circa 10 ton worden gereduceerd.
Welk probleem of knelpunt in het energiesysteem wordt opgelost?
Transport Hoogspanningsnetwerk Maasvlakte-Europort
Huidige planning
2025-2034
Hoe sluit dit aan bij verwachte vraag?
De huidige planning sluit aan bij de vraag naar waterstof en het aanbod van elektriciteit uit wind op zee. De cluster systeemanalyse laat zien dat er vanaf 2030 een knelpunt ontstaat op de elektriciteitsverbinding Maasvlakte-Europoort indien de geplande elektrolyser-projecten op de Maasvlakte niet zouden doorgaan.
Locatie
Maasvlakte-Europoort
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 36
7.4 Waterstofnetwerk Rotterdam Gasuniedochter Hynetwork Services (Hynetwork) realiseert in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) het Waterstofnetwerk Nederland. Het netwerk moet de vijf grote industriële regio’s in Nederland met elkaar, met het buitenland en met locaties voor waterstofopslag en import verbinden.
Waarom
Rotterdam is de belangrijkste energiehaven van Europa. Het Rotterdamse deel van het waterstofnetwerk ondersteunt niet alleen de inzet van waterstof voor verduurzaming industrie maar ook de ontwikkeling van Rotterdam als Europese waterstofhub en een versterking van het vestigingsklimaat, met bijbehorend positief effect op de Nederlandse economie. De leiding wordt een zogenaamde open access-leiding, toegankelijk voor alle bedrijven die waterstof vervoeren. De hoofdtransportleiding is groot genoeg om naast de waterstof die opgewekt wordt in de haven, ook de verwachte import van waterstof te vervoeren, mits de leiding voldoende aansluitingen heeft op de Delta Rhine Corridor (7.10).
Urgentie
Hynetwork gaat het waterstofnetwerk in Rotterdam in fases ontwikkelen. Er is gestart met de leiding op de Tweede Maasvlakte naar Pernis. Deze ondergrondse pijpleiding is 32 kilometer lang. In de tweede fase wordt de leiding aangesloten op het nationale waterstofnetwerk. Momenteel worden verschillende route opties verkend om Rotterdam met de andere industrieën, opslag en aangrenzende landen te verbinden.
Vraag
Omschrijving
Welke projecten worden hiermee gefaciliteerd?
2 GW conversiepark met projecten van o.a. Shell, H2-Fifty, Uniper elektrolyser (op eigen terrein) en Eneco (eigen terrein), blauwe waterstof projecten, waterstofimportterminals op de Maasvlakte en Europoort, industrie in de haven. Infrastructuur geeft tevens basis voor import- en doorvoermogelijkheden
Welke CO₂ reductie faciliteert dit?
Uit de vraagarticulatie van de CES blijkt een minimale besparing door de inzet van waterstof van circa 0,7 Mton CO₂ in het cluster in 2030. De capaciteit van de leiding is 1,2 Mton waterstof. Met 1 ton waterstof kan gemiddeld circa 10 ton CO₂ bespaard worden.
Welk probleem of knelpunt in het energiesysteem wordt opgelost?
• Transport via pijpleiding neemt minder fysieke ruimte in beslag dan kabels en is duurzamer dan vrachtwagens of scheepvaart •D e infrastructuur stimuleert ook de komst van waterstoffabrieken die veel warmte genereren die kan worden benut voor huishoudens, kassen en kantoren in de regio en ontsloten kan worden via WarmtelinQ. • Minder congestie op het elektriciteitsnet: landelijke waterstofinfrastructuur kan elektriciteitsnetten ontlasten en zorgt voor toegang tot grootschalige opslag van waterstof.
Huidige planning
Investeringsbesluit genomen, operationeel eind 2025. Voor realisatie van het huidige uitrolplan van het waterstofnetwerk is uiteindelijk klantcommitment nodig. Hetzelfde geldt voor uitbreidingen van dat netwerk. Uitbreidingen voorbij de huidige opdracht (scope uitrolplan) vereisen nadere afspraken tussen overheid en Gasunie.
In de toekomst komt er ook een verbinding naar Chemelot in Limburg, Noordrijn-Westfalen in Duitsland en andere Europese regio’s.
Commitment nodig voor verbindingen nationale netwerk Hynetwork werkt momenteel op basis van connection study agreements voor een aantal industriële partijen aan de specifieke aansluitleidingen en eerste netwerkuitbreidingen. Marktcommitment in de vorm van transport overeenkomsten is nodig om het investeringsbesluit voor de verbinding naar en in andere regio’s te nemen. Tot op heden zijn nog geen overeenkomsten met Hynetwork gesloten die optellen tot de in de CES opgegeven volumes maar de verwachting is dat deze transportcapaciteit in de toekomst wel nodig is.
Waar
Hoe sluit dit aan bij verwachte vraag?
De hoofdtransportleiding is groot genoeg om naast de waterstof die opgewekt wordt in de haven, ook de verwachte import van waterstof te vervoeren, mits de leiding voldoende aansluitingen heeft op de Delta Rhine Corridor.
Locatie
Leiding van Maasvlakte 2 naar Pernis (grotendeels in de bestaande leidingstrook langs de A15), welke in een volgende fase ook aangesloten dient te worden op het (inter)nationale waterstofnet
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 37
7.5 Waterstof importterminals Om te kunnen voldoen aan de waterstofvraag in het cluster en voor scheepvaart en industrie in het achterland is naast productie in het cluster ook import van waterstof nodig.
Waarom
Om waterstof te importeren moet deze extreem worden gekoeld (tot -253 graden Celsius) of worden omgezet in een ander molecuul of waterstofdrager die makkelijker te vervoeren is, zoals ammoniak, methanol of een Liquid Organic Hydrogen Carrier (LOHC). De ammoniak en methanol kunnen direct worden ingezet als duurzame brandstof of grondstof of weer worden omgezet in waterstof, bijvoorbeeld door de ammoniak te kraken. Voor de import zijn daarom naast terminals ook faciliteiten nodig om LOHC, methanol of ammoniak om te zetten in waterstof. Op dit moment lopen er acht projecten voor terminals voor de import van waterstof en waterstofdragers. Bij vier projecten gaat het om een combinatie van ammoniak-import en een kraker om de ammoniak om te zetten naar waterstof, die vervolgens kan worden ingevoerd in het waterstofnetwerk. De totale capacitiet van alle acht projecten is circa 1,2 Mton waterstof per jaar. De eerste nieuwe terminals zullen in 2026 operationeel worden. Uitdagingen liggen rond de publieke acceptatie van ammoniak als een waterstofdrager en inpassing in de ruimte. Daarnaast richten huidige subsidies en regelingen zoals de SDE++ zich voornamelijk op de productie van waterstof via elektrolyse en is er in het beleid nog onvoldoende aandacht voor technische oplossingen voor waterstofimport, zoals het kraken van ammoniak of het dehydrogeneren van LOHC’s.
Dit vraagt om een actief beleid van de Rijksoverheid om de ontwikkeling van import, transport en het kraken van ammoniak als waterstofdrager te stimuleren.
Urgentie
Waar
Vraag
Omschrijving
Welke projecten worden hiermee gefaciliteerd?
Inzet van waterstof voor verduurzaming van de industrie en zware mobiliteit en doorvoer van waterstof naar Noordwest Europa.
Welke CO₂ reductie faciliteert dit?
Als indicatie: 1 ton waterstof kan circa 10 ton CO₂ reduceren. In 2030 wordt een import capaciteit verwacht van 0,4 tot 1,2 Mton waterstof, uitgaande van de terminals die nu in planning zijn. Het Havenbedrijf Rotterdam houdt rekening met een maximale verwachte import van 2 Mton waterstof in 2030.
Verwachte systeemeffecten
• Verhogen van flexibiliteit en diversificatie en daarmee de leveringszekerheid •O pslag van waterstof of derivaten als strategische voorraad (vergelijkbaar met wettelijke verplichte strategische voorraadvorming aardolieproducten) en om pieken en dalen in de productie van hernieuwbare elektriciteit op te kunnen vangen.
Welk probleem of knelpunt in het energiesysteem wordt opgelost?
Tekort aan groene en blauwe waterstof om de klimaatdoelen te halen.
Huidige planning
Eerste terminals operationeel in 2026
Wat is de geografische scope van het project?
Haven van Rotterdam
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 38
Infrastructuur voor wind op zee en waterstof
WATERSTOF IMPORT Hollandse Kust Zuid
ROTTERDAM
WIND OP ZEE
WATERSTOF-IMPORT TERMINALS
WATERSTOF ELEKTROLYSERS
RIDDERKERK
WATERSTOFNETWERK ROTTERDAM
Nederwiek
DORDRECHT
IJmuiden Ver IJmuiden Ver Noord
DELTA RHINE CORRIDOR
MOERDIJK
AANLANDING NEDERWIEK 3
MOGELIJKE UITBREIDING NAAR NORTH SEA PORT EN ANTWERPEN
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 39
7.6 Porthos Gasunie, EBN en het Havenbedrijf Rotterdam zijn in 2024 de bouw gestart voor het CCS project Porthos. De CO₂ wordt per pijpleiding door het Rotterdamse havengebied getransporteerd, in een compressorstation op de Maasvlakte op druk gebracht en via een onderzeese pijpleiding naar een platform in de Noordzee gebracht, circa 20 km uit de kust. Vanaf het platform wordt de CO₂ in een leeg gasveld gepompt, ruim 3 kilometer onder de zeebodem.
Waarom
De Porthos landleiding heeft een capaciteit van 10 Mton CO₂ per jaar en de offshore leiding van 2,5 Mton per jaar. De landleiding kan daarmee ook ingezet worden voor andere projecten zoals Aramis (zie 7.7). Daarnaast kan de infrastructuur voor Porthos ook ingezet worden voor het project CO₂next. Dit omvat de ontwikkeling van een terminal op de Maasvlakte om CO₂ per schip naar Rotterdam te brengen en vanaf daar verder te vervoeren naar opslagvelden.
Urgentie
Porthos is erkend door Europa als Project of Common Interest, en heeft €102 miljoen subsidie ontvangen vanuit CEF-E. Er is SDE++ subsidie voor gebruikers beschikbaar.
Vraag
Omschrijving
Welke projecten worden hiermee gefaciliteerd?
•C O₂ afvang en opslag van waterstofproducenten Air Liquide en Air Products en twee raffinaderijen van ExxonMobil en Shell, die zo hun uitstoot op korte termijn kunnen reduceren. •D e Porthos infrastructuur dient daarnaast ook als basis voor verdere CCS projecten, zoals Aramis.
Welke CO₂ reductie faciliteert dit?
•2 ,5 Mton CO₂ per jaar, tot een totaal van 37 Mton
Verwachte systeemeffecten
•D ecarbonisatie industrie. •M ogelijkheid tot vorming groter Noordwest Europees CO₂-buisleidingennetwerk. •D e onshore infrastructuur biedt op termijn ook mogelijkheid om CO₂ uit het cluster in te zetten als grondstof (CCU).
Huidige planning
•2 026 operationeel
Hoe sluit dit aan bij verwachte vraag?
De infrastructuuranalyse en de cluster systeemanalyse laten zien dat Porthos onvoldoende is om het aanbod van afgevangen CO₂ in het cluster in 2030 op te slaan (circa 12 Mton in 2030). Aramis is daarom nodig. Op termijn is naast Porthos en Aramis nog meer opslagcapaciteit nodig, mede om CO₂ uit andere industriële clusters op te slaan.
Waar
Wat is de geografische scope van het project?
Van Botlek-Vondelingenplaat tot aan de Maasvlakte, via de bestaande leidingstrook langs de A15. Compressorstation op de Maasvlakte nabij de Gate LNG terminal. Vervolgens gaat er een leiding onder de Noordzeebodem naar een bestaand platform bij een leeg gasveld op zo’n 20-25 km uit de kust.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 40
7.7 Aramis Naast Porthos werken Gasunie en EBN samen met Shell en TotalEnergies aan een tweede CCS project in de Rotterdamse haven: Aramis. Aramis maakt deels gebruik van dezelfde landleiding als Porthos om CO₂ te transporten naar de kust. Vanaf daar wordt de CO₂ verder vervoerd via een nieuwe offshore leiding naar lege gasvelden die zich ongeveer 200 km ten noorden van Rotterdam bevinden.
Waarom
Urgentie
Vraag
Omschrijving
Welke projecten worden hiermee gefaciliteerd?
CO₂ afvang en opslag van de industrie.
Welke CO₂ reductie faciliteert dit?
In opstartfase 5 Mton CO₂ per jaar, de offshore leiding heeft een maximale capaciteit van 22 Mton CO₂ per jaar.
Verwachte systeemeffecten
•D ecarbonisatie industrie. •M ogelijkheid tot vorming groter Noordwest Europees CO₂-buisleidingennetwerk.
Huidige planning
• Investeringsbesluit in 2025, operationeel in 2028
Hoe sluit dit aan bij verwachte vraag?
De infrastructuuranalyse en de cluster systeemanalyse laten zien dat Porthos onvoldoende is om het aanbod van afgevangen CO₂ in het cluster in 2030 op te slaan (circa 12 Mtonin 2030). Aramis is daarom nodig. Na 2035 is naast Porthos en Aramis mogelijk nog meer opslagcapaciteit nodig, mede om CO₂ uit andere industriële clusters op te slaan.
Waar
Wat is de geografische scope van het project?
Offshore opslag in velden circa 200 km ten noorden van Rotterdam.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 41
Infrastructuur voor CO₂
ARAMIS
ARAMIS
PORTHOS 200KM
HOEK VAN HOLLAND
PORTHOS LEIDING BESTAANDE OCAP LEIDING
CO₂ NEXT
MAASVLAKTE
ROTTERDAM
PORTHOS
SCHIEDAM CO₂ SCHEEPVAART
CO₂ SCHEEPVAART
KOOLE TERMINAL CO₂-SYSTEEM MAASVLAKTE
PERNIS
BOTLEK
DELTA RHINE CORRIDOR
MOERDIJK
DELTA SCHELDE MOGELIJKE UITBREIDING CO₂NNECTION NAAR NORTH SEA PORT EN ANTWERPEN
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 42
7.8 Warmtesysteem Zuid-Holland Het Warmtesysteem Zuid-Holland is een integrale aanpak voor de ontwikkeling van een warmtenetwerk in de regio. Het zorgt er onder andere voor dat industriële restwarmte uit de haven in de wijde omtrek gebruikt kan worden. Het project draagt daarmee bij aan reductie van CO₂- en NOx-emissies door vermindering van lokaal gebruikt aardgas. Een belangrijk onderdeel hiervan is WarmtelinQ, een geplande hoofdtransportleiding voor 248 MW aan warmte tussen Rotterdam en Den Haag en tussen Rijswijk en Leiden, met extra aansluitingen in het industriegebied voor uitkoppeling van duurzame warmte. Hiermee kan restwarmte van de industrie die nu verloren gaat nuttig worden ingezet voor de verwarming van de gebouwde omgeving en glastuinbouw. WarmtelinQ wordt aangelegd en beheerd door WarmtelinQ Transport Services (WTS), 100% dochter van de Gasunie. De warmte wordt nu geleverd conform warmteleveringscontracten met de industrie. Voor een gerichte uitbreiding van het aanbod, mede in anticipatie op grotere vraag, en het gericht kunnen benaderen en aansluiten van meer potentiële aanbieders van restwarmte in de Rotterdamse haven, is meer detail nodig dan op dit moment beschikbaar is, met name met betrekking tot temperatuurniveau en leveringsprofiel. In dit kader wordt o.a.
bekeken of het wenselijk is om een restwarmtebedrijf op te zetten om met de industrie de mogelijkheden tot het inkopen van restwarmte te verkennen.
Urgentie
Waarom Welke projecten worden hiermee gefaciliteerd?
Omschrijving
Welke CO₂ reductie faciliteert dit?
• Voorkomen van lokale emissies door vervanging gasgestookte CV ketels en Stoom- en gascentrales • Voor WarmtelinQ is een besparing van 180.000 ton per jaar CO₂ uitstoot in gebouwde omgeving en glastuinbouw berekend, alsook een besparing van 96.000kg NOx per jaar
Verwachte systeemeffecten
•R eductie van warmtelozing door het uitkoppelen van restwarmte uit de (geëlektrificeerde) industrie, welke anders wordt geloosd in de lucht en/of oppervlaktewater; •D oor toepassen van collectieve warmtenetten in wijken is er minder E-verzwaring en minder ruimtelijk beslag nodig in vergelijking als dit middels elektrificatie (van warmte) zou moeten plaatsvinden; •M et een toename van elektrolyse en verduurzaming in het cluster zal de hoeveelheid restwarmte ook verder toenemen. Aanleg van infrastructuur voor warmte geeft de verduurzaamde industrie de kans om deze nuttig in te zetten.
Huidige planning
Investeringsbesluit voor WarmtelinQ is genomen. Planning voor ingebruikname: •2 025 Van Vlaardingen naar Den Haag • 2026 Vondelingenplaat- Vlaardingen •2 027 Rijswijk-Leiden In een later stadium ook verbindingen gepland voor BleiswijkZuidplaspolder Drechtsteden, Oostland en Maasvlakte-Westland.
De realisatie van het Warmtesysteem Zuid-Holland vraagt om versterking van de onderlinge coordinatie. Hierbij is het van belang dat maatschappelijk gewenste lopende initiatieven doorgang vinden (nieuwe netten t.b.v. geothermie, glastuinbouw en nieuwbouw), en dat gemeenten de nodige stappen kunnen zetten (o.a. Wet Gemeentelijk Instrumentarium) en dat de juiste randvoorwaarden vanuit het Rijk worden gecreëerd (o.a. Warmtewet 2.0).
Vraag
Vraag
Hoe sluit dit aan bij verwachte vraag?
De totaal beschikbare restwarmte die voor deze CES is opgegeven door de industrie loopt op van ongeveer 5000 GWh/jr in 2025 naar bijna 9000 GWh/jr in 2050. Nadere analyse moet uitwijzen hoeveel hiervan nuttig kan worden ingezet. Dit hangt met name af van de temperatuur en leveringsprofielen.
Omschrijving •V ersnelling van de invulling aan de energietransitie (van gas af) voor de gebouwde omgeving van de verschillende gemeenten en glastuinbouw in Zuid-Holland; • In eerste instantie door de aanleg van WarmtelinQ en het aansluiten van potentiële afnemers langs het WarmtelinQ tracé. •O p termijn ook mogelijk aardwarmte (geothermie), andere restwarmte bronnen (bijv. vanuit elektrolyse) en/of andere duurzame warmtebronnen om daarmee de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en glastuinbouw te realiseren.
De huidige geplande leidingen van WarmtelinQ kunnen een totaal van 1400-2200 GWh/jr transporteren, op basis van de benodigde temperatuur en leveringsprofielen van de beschikbare restwarmte.
Waar
Wat is de geografische scope van het project?
Het Warmtesysteem Zuid-Holland is een netwerk van verschillende projecten voor warmte in de gehele provincie Zuid-Holland. Het WarmtelinQ tracé gaat lopen vanuit de Rotterdamse haven via Vlaardingen, Delft, Rijswijk naar Den Haag en van Rijswijk naar Leiden. Mogelijk later ook naar de glastuinbouw en gebouwde omgeving in Westland en Oostland.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 43
7.9 Brabantleiding (Warmteleiding Moerdijk-Geertruidenberg) De Brabantleiding is een geplande warmteleiding om geothermiebronnen en industriële restwarmte in het havengebied Moerdijk naar de gebouwde omgeving te brengen ten behoeve van ruim 50.000 huishoudens via een verbinding met het huidige Warmtenet Midden- en West-Brabant vanuit de Amercentrale in Geertruidenberg. Initiatiefnemer hiervan is Ennatuurlijk. Van hieruit wordt reeds warmte getransporteerd naar met name de gebouwde omgeving in Breda, Tilburg en in mindere mate naar omliggende gemeenten zoals Oosterhout.
Waarom
De Brabantleiding is onderdeel van het Amer-programma van Ennatuurlijk. Gemeenten en provincie zijn bevoegd gezag, maar nemen niet deel. Het Amer-programma is een samenhangend geheel van projecten dat is gestart om de beëindiging van warmtelevering door RWE (Amer-centrale) per januari 2027 op te vangen. De industrie in Moerdijk heeft achter al vanaf 2025 warmte beschikbaar om te leveren.
Urgentie
Waar
Vraag
Omschrijving
Welke projecten worden hiermee gefaciliteerd?
Met de Brabantleiding wordt uitkoppeling van aardwarmte (geothermie) gefaciliteerd in combinatie met uitkoppeling van industriële restwarmte om daarmee de warmtetransitie in de gebouwde omgeving verder vorm te geven. Tevens zijn E-boilers en thermische buffers onderdeel van het programma om te komen tot alternatieven voor de Amercentrale.
Welke CO₂ reductie faciliteert dit?
Met de Brabantleiding kan tussen de 180 en 250 MW warmte uit het havengebied Moerdijk ontsloten worden naar de gebouwde omgeving. De jaarlijkse klimaatwinst die dit kan opleveren binnen de gebouwde omgeving is circa 164 kton CO₂. Dit wordt op dit moment al behaald door de warmtelevering vanuit Geertruidenberg, maar wordt teniet gedaan als er geen vervangende duurzame warmtebron komt voor levering aan de gebouwde omgeving.
Verwachte systeemeffecten
• Inzet van restwarmte en geothermie verlaagt (de toekomstige) vraag van de gebouwde omgeving naar elektriciteit en/of waterstof voor verwarmingstoepassingen. •R eductie van CO₂-uitstoot in bebouwde omgeving. •R eductie van lozing van warmte in het water en de lucht.
Welk probleem of •W egvallen van voldoende warmteaanbod voor de knelpunt in het energiesys- gebouwde omgeving. teem wordt opgelost? • Verhoging van het inzetten van duurzame warmte in het Amernet. •M ogelijk extra levering van warmte in de toekomst op het traject Moerdijk-Geertruidenberg Huidige planning
FID in 2026 en ingebruikname in 2028 volgens planning Ennatuurlijk.
Hoe sluit dit aan bij verwachte vraag?
De industrie in Moerdijk kan vanaf 2025 warmte leveren. Om te voorkomen dat het warmtenet zonder warmteleverancier komt te zitten (vanaf januari 2027), is er dus versnelling in het aanleggen van de Brabantleiding gewenst.
Wat is de geografische scope van het project?
De geplande transportleiding Brabantleiding zal tussen het havengebied Moerdijk en het hoofdtransportpunt van het huidige warmtenet in Geertruidenberg lopen. Zie hiervoor tevens onderstaande afbeeldingen.
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 44
LEIDEN
Warmtenetten
DEN HAAG
RIJSWIJK
DEN HAAG ZUID-WEST
OOSTLAND DELFT BOOSTER DELFT
GLASTUINBOUW & GEBOUWDE OMGEVING WARMTELINQ
ROTTERDAM
POTENTIËLE VERBINDING MAASVLAKTE-EUROPOORT RICHTING WESTLAND EN VOORNE-PUTTEN
SCHIEDAM
BESTAAND WARMTENET PERNIS
ELECTROLYSERS
POTENTIËLE VERBINDING VOORNE-PUTTEN MET WARMTELINQ
GEERTRUIDENBERG
BRABANTLEIDING
MOERDIJK
BESTAAND WARMTENET TILBURG
MOGELIJKE UITBREIDING NAAR NORTH SEA PORT EN ANTWERPEN
BREDA
CLUSTER ENERGIE STRATEGIE 2024 ROTTERDAM-MOERDIJK 45
7.10 Delta Rhine Corridor De Delta Rhine Corridor is een versterking van de strategische cruciale pijpleiding verbinding tussen het havengebied, Zuidoost Nederland en het Ruhrgebied door infrastructuur voor transport van waterstof, CO₂ en mogelijk ammoniak en elektriciteit.
Waarom
Het project draagt bij aan de positie van Rotterdam als energiehub voor NoordwestEuropa met een positief effect op het industriecluster Moerdijk, Chemelot, de Nederlandse economie en toekomstig verdienvermogen van ons land. Ook versterkt deze doorvoerpositie onze leveringszekerheid. Ammoniak is een belangrijke drager van waterstof. Zonder pijpleidingen voor transport hiervan kunnen niet alle geïmporteerde volumes worden doorgevoerd naar het achterland.
Planning bijgesteld
Vraag
Omschrijving
Welke projecten worden hiermee gefaciliteerd?
•D e DRC is nodig om het waterstofnetwerk Rotterdam te ontlasten en voldoende capaciteit te bieden voor de doorvoer van waterstof. • Verduurzamingsprojecten en decarbonisatie in het cluster Rotterdam-Moerdijk, Amsterdam, Chemelot, Duitsland, Zeeland en Antwerpen. Daarnaast zijn er kansen voor emissiereductie langs het traject voor o.a. het zesde cluster (koppelkansen).
Welke CO₂ reductie faciliteert dit?
De capaciteit van de CO₂-buis (richting Rotterdam voor onderzeese opslag via CCS-technologie) zal circa 20 Mton CO₂ op jaarbasis bedragen. De vervanging van fossiele brandstoffen door onder andere aangevoerde waterstof kan een CO₂-reductie van 25 Mton per jaar faciliteren.
Verwachte systeemeffecten
Totale effecten zijn afhankelijk van definitieve scope: •D ecarbonisatie van de industrie, via aanvoer waterstof en andere producten, en afvoer CO₂ richting Rotterdam •M ogelijkheid tot doorvoer van waterstof naar andere markten, waarmee ook investeringen in waterstofprojecten in het cluster mogelijk worden gemaakt (marktontwikkeling). • Verduurzaming cluster Chemelot. • Waterstofinfrastructuur kan elektriciteitsnetten ontlasten. •M odal shift van transport gevaarlijke stoffen van spoor naar buis waardoor woningbouwplannen bij stations kunnen worden ontwikkeld.
In juni 2024 is aangekondigd dat het project niet voor 2032 gerealiseerd kan worden door de zeer uitdagende ruimtelijke knelpunten die voor dit project moeten worden opgelost als gevolg van de beslissing om tot een gezamenlijke projectprocedure over te gaan. De verschillende buizen en kabels blijken op veel plekken niet binnen de strook te passen die daarvoor gereserveerd is. Gasunie analyseert nu de impact van dit besluit op het project en impact op het uitrolplan van Waterstofnetwerk Nederland en eventuele alternatieve mogelijkheden om zo snel mogelijk een eerste Oost-West verbinding in dat netwerk te realiseren.
Urgentie
Waar
Welk probleem of De waterstofleiding is een cruciale verbinding in het knelpunt in het energiesys- landelijke waterstofnetwerk die zorgt voor de connectie teem wordt opgelost? tussen West-Nederland en Noordoost-Nederland en daarmee voor de verbinding met de waterstofopslag. De CO₂-leiding kan significant bijdragen aan de realisatie van de CO₂ reductie doelstellingen voor zowel Nederland als Europa. De ingegraven infrastructuur voor ammoniak biedt een verbeterde veiligheidssituatie langs het spoor in onder andere Brabant. Huidige planning