[24bb005443] Pompen of verzakken 5 jaar actief grondwaterpeilbeheer in het Kleiwegkwartier
Tekst van het document
Eindversie:
Tekst binnenzijde cover: Tijdens de aanleg van de DI-leiding in de Elektroweg door de firma EVS Infrabouw in oktober 2020 treffen de medewerkers een oude bestrating aan. Zoals het vaker gaat tijdens de werkzaamheden in de Bloemenbuurt leggen ze even het werk neer, doen onderzoek en informeren ter plaatse leden van het GOP. Ze maakten ook de veldtekening die is te zien op pagina 22. Ik werd in de gelegenheid gesteld om een paar straatstenen mee te nemen en foto’s te maken. (Coverfoto: H. Koetsveld)
1
‘Aan allen die zich hebben ingezet voor het algemeen belang’
Colofon
© Henk Koetsveld © 2023 Bewonersinitiatief Grondwater op peil (GOP) Bewoners Organisatie Kleiwegkwartier (BOK)
Uitgegeven ter gelegenheid van vijf jaar actief grondwaterpeilbeheer met een pomp in de Bloemenbuurt.
Ontwerp omslag en binnenwerk: DeBoekontwerpers Druk:
2
Pompen of verzakken Vijf jaar actief grondwaterpeilbeheer in het Kleiwegkwartier
3
Inhoud Voorwoord .......................................................................................................................................... 5 Introductie........................................................................................................................................... 7 1.
Wonen op het veen................................................................................................................... 11
2.
Funderingsproblemen in de wijk.............................................................................................. 24
3.
Bewonersinitiatieven in Hillegersberg ..................................................................................... 39
4.
Grondwaterpeilbeheer met een pomp in de Bloemenbuurt .................................................. 54
5.
Uitbreiding van actief grondwaterpeilbeheer in de wijk......................................................... 68
6.
De complexe relatie tussen burger en overheid ...................................................................... 84
Epiloog............................................................................................................................................... 97 Verantwoording .............................................................................................................................. 100 Bijlage 1. Zelf een bewonersinitiatief starten tegen funderingsproblemen ................................. 103 Bijlage 2 Grondwater experiment Bloemenbuurt. ....................................................................... 107
4
Voorwoord
Het was medio 2014 toen ik als directeur van het pas opgerichte KCAF (Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek) in contact kwam met een groep verontruste bewoners uit het Kleiwegkwartier te Rotterdam. Men had klachten over scheuren, verzakkingen aan hun woningen, waarbij men vermoedde dat er iets met de fundering aan de hand kon zijn. Dit resulteerde al gauw in een actief bewonersinitiatief: het lukte om diverse partijen te mobiliseren om hen te helpen met een aanpak van de problematiek. De gemeente Rotterdam, Wijkraad, het Ministerie van BZK, het hoogheemraadschap, allen droegen hun steentje bij. In eerste instantie lag het accent op goed onderzoek naar de funderingen. Mede op basis van de ervaringen daarmee is er een aangepaste richtlijn voor onderzoek verschenen en is er een erkenningslijst gekomen van funderingsonderzoek bureaus en begeleidingsbureaus. Uit het onderzoek bleek dat een deel van de woningen al toe was aan funderingsherstel. Maar nog belangrijker; bij een groot deel van de woningen zou duur funderingsherstel voorkomen kunnen worden wanneer het grondwater, dat de houten palen zou moeten beschermen tegen paalrot, op voldoende niveau gebracht en gehouden zou kunnen worden. Dit vereiste een actieve samenwerking tussen gemeente, eigenaren en waterschap.
Uiteindelijk is dit gelukt en is er in 2018 door middel van het plaatsen van een pomp, een start gemaakt van dit actieve grondwaterpeil beheer. De positieve rol van de eigenaren is daarbij essentieel gebleken. Deze preventieve oplossing en de sterke rol vanuit de eigenaren en de noodzakelijke hulp daarbij van overheden en waterschap is een prachtig voorbeeld voor elders; we zien namelijk dat steeds meer risico’s op funderingsproblemen elders in het land ontstaan, ook in gebieden waar we dit tot voor kort niet verwachtten. De in dit boekwerk geschetste aanpak verdient dan ook veel navolging.
Ir. Dick A. de Jong, Senior-adviseur funderingsaanpak
5
Figuur 1 De kunstenaar Piet van Wijk ontwierp Het Palenhuis. De gemeente Amsterdam schreef in 2020 een prijsvraag uit voor een ontwerp van een tijdelijk kunstwerk. De stad wilde gaan bouwen op een oud baggerdepot dat is opgehoogd met een laag zand. Tijdens de bouw van de Sluisbuurt wil Amsterdam een kunstwerk neerzetten dat kan dienen als landmark voor de Sluisbuurt. Het ijzeren huis op ijzeren palen is in 2021 onthuld en zal er blijven staan tot 2026. Het kunstwerk laat niet alleen het huis zien,dat we normaal gesproken kunnen waarnemen. Het toont ook het ondergrondsedeel van de woning, dat we gewoonlijk nooit zien, maar wel van wezenlijk belang is in grote delen van ons land. (Foto: Piet van Wijk)
6
Introductie
‘Amsterdam, die groote stad, Die is gebouwd op palen; Als die stad eens ommeviel, Wie zou dat betalen?’ De vraag die in dit oude kinderliedje wordt gesteld is ook de centrale vraag in dit boek. Uit de tekst zou afgeleid kunnen worden dat het hier eigenlijk om twee hypothetische vragen gaat: Stel dat het zou gebeuren? En als het gebeurt: Wie zou dat betalen? Niet alleen Amsterdam is gebouwd op palen. In heel Noord- en West-Nederland is gebouwd op palen. Dus ook in Rotterdam en zeker ook in de voormalige gemeente Hillegersberg, nu onderdeel van de stad Rotterdam. Aan het begin van de vorige eeuw is Hillegersberg nog een gemeente met weinig inwoners. In mei 1914 vindt er binnen de gemeente een stemming plaats over de vraag of het niet goed zou zijn als Hillegersberg geannexeerd zou worden door Rotterdam. Van de 524 gemeentekiezers zijn 408 stemmen voor annexatie. Van de elf raadsleden zijn zeven leden eveneens voor annexatie. Er gaat een verzoek uit richting de gemeente Rotterdam en de provincie ZuidHolland. In 1919 spreekt de Gemeenteraad van Rotterdam over dit verzoek. Men is geen voorstander zoals blijkt uit de volgende uitspraken die zijn opgetekend in diverse krantenberichten van oktober 1919: ‘Wat is Hillegersberg? Een groot aantal hectaren papgrond’ (mr. De Jong, wethouder van Rotterdam). ’Het land daar is voor bouwgrond absoluut ongeschikt.
Hillegersberg bestaat uit water en papgrond’. Hillegersberg is en blijft onbewoonbaar, zoolang het niet door Rotterdam bewoonbaar wordt gemaakt’ (Dr. van Ravesteijn). Hillegersberg blijft voorlopig nog een zelfstandige gemeente en maakt zichzelf bewoonbaar. Er wordt in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw vooral gebouwd in de polders van het oude land. Deze hebben een huidig polderpeil van NAP -2,85 m. Zo ontstaan de wijken Oud-Hillegersberg (Berglustkwartier) en Hillegersberg-Zuid (Kleiwegkwartier). Er wordt op beperkte schaal gebouwd in de lagergelegen droogmakerijen. Deze hebben een polderpeil van om en nabij NAP -6 m. Zo ontstaat bebouwing langs de Molenlaan en in de droogmakerij Schiebroek langs de Adrianalaan In 1941 worden zowel Hillegersberg als Schiebroek geannexeerd door Rotterdam. Na de Tweede Wereldoorlog blijven beide gemeentes onderdeel van de stad. Er zijn grote uitbreidingsplannen om te gaan bouwen in de droogmakerijen, zoals in Schiebroek en 110-Morgen. In het Berglustkwartier en het Kleiwegkwartier wordt zowel in 1944 als in 1955 het polderpeil verlaagd met ongeveer een decimeter. Dit is één van de redenen, dat de houten palen en funderingen niet meer altijd en overal worden gedekt door het grondwater. Palen worden hierdoor aangetast en verliezen hun draagkracht. Het is een probleem dat zich niet alleen in Hillegersberg afspeelt.
Het Kennis Centrum Aanpak Funderingsproblematiek (KCAF) heeft berekend dat bijna vier miljoen van de ruim acht miljoen woningen in Nederland is gebouwd voor 1970. Een kwart van deze vier miljoen woningen heeft of krijgt funderingsproblemen: Eén miljoen woningen, waarvan in 2020 het schadeherstel wordt geraamd op zestig miljard euro! Een probleem met de omvang die de ramp in Groningen te boven gaat. In Rotterdam staan ongeveer 120.000 woningen op een fundering van houten palen. Naar schatting
7
20.000 Rotterdamse woningen krijgen nu of in de nabije toekomst te maken met funderingsproblemen. In de stad zijn zes gebieden aangewezen met een groot risico voor funderingsproblemen. Het grootste deel van Hillegersberg is zo’n gebied. Zo belanden we bij de vraag uit het kinderliedje: Wie zou dat betalen? Inmiddels is dus bekend dat de hypothetische vraag ‘stel dat de stad zou omvallen?’ niet meer hypothetisch is maar realiteit geworden. Eén miljoen woningen gaan omvallen als de funderingen niet worden hersteld. Het gaat natuurlijk niet alleen over die 60 miljard aan materiële schade. Ook de gezondheidsschade die mensen oplopen door de langdurige stress over een extra schuld, het dreigende verlies van de woning die een veilige plek dient te zijn en de juridische rompslomp. Buurten en wijken die verloren dreigen te gaan en waar zodoende gemeenschappen onder te lijden hebben. En tot slot de culturele schade die dreigt te ontstaan door het verdwijnen van gebouwen, ensembles van woningen en wijken. Het gaat hier niet uitsluitend om individuele schade die de burger oploopt. Ook de schade die de gemeenschap zal ondervinden. Het rijmpje gaat verder als telspelletje: ‘Ik niet, jij niet en een ander ook niet.
Rien, tien, twintig, enz.’ Een vraag die nu aangepast moet worden in: Wie gaat dat betalen? Dijkgraaf van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) Hans Oosters (20052019) geeft in 2015 het antwoord: ‘Geen overheid wil zich branden aan de schade van miljarden, die in de komende decennia verwacht wordt’. Hij verwijst hiermee impliciet naar de Waterwet van 2008. In de wet zijn de verantwoordelijkheden geregeld. Zo is het hoogheemraadschap verantwoordelijk voor het oppervlaktewater (volume en kwaliteit). De gemeente is verantwoordelijk voor de openbare buitenruimte en heeft een zorgplicht ten aanzien van grondwater, hemelwater en afvalwater. De eigenaar van een woning en perceel is verantwoordelijk voor het grondwater en de bebouwing op eigen terrein. Dijkgraaf Oosters stelt dat de taak en de rol van de overheden bij funderingsproblematiek in juridische zin helder is maar onbevredigend: ‘Deze situatie is al heel lang zo. Dit is ongemakkelijk voor particulieren die onverhoopt met funderingsproblemen worden opgezadeld. Deze particulieren zijn eigenlijk op zichzelf aangewezen. Alle overheden hebben een wettelijk excuus om tegen deze particulieren te zeggen: ‘Het is toch echt uw probleem’. Tijdens het schrijven van dit boek werd ik gewezen op een uitspraak van de in 2010 overleden VVDpoliticus Henk J.L.
Vonhoff: ‘De overheid heeft geen geheugen, geen geweten en geen moraal’. Hij spreekt deze woorden uit tijdens zijn Van Randwijkrede van 2008 met de titel ‘Vrijheid, een aanhoudende zorg en voortdurende vreugde’. Wat mij betreft is de verbinding met de uitspraak van Vonhoff en die van de Dijkgraaf wel te maken. Inmiddels weten de inwoners van de wijken Oud-Hillegersberg en Hillegersberg-Zuid heel goed dat ze eigenaar zijn van het probleem. ‘Jij gaat niet betalen en de ander ook niet, ik wel’ is de realiteit van nu. Ze zijn op zoek gegaan naar mogelijkheden om de kosten aan de woning en de schade aan de wijk of buurt te beperken. Niet gaan zitten wachten tot het te laat is en dan de funderingen herstellen, maar zoeken naar mogelijkheden om de schade die kan ontstaan te voorkomen of te beperken door preventieve maatregelen te nemen. Al in 2012 nemen burgers in Oud-Hillegersberg een burgerinitiatief om de funderingsproblemen in relatie tot een laag grondwaterpeil aan te pakken. In 2013 worden tussen de bewonersorganisatie, het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) en de gemeente Rotterdam bestuurlijk afspraken gemaakt. In 2015 sluit de Bewonersorganisatie Kleiwegkwartier (BOK) c.q. 8
Grondwater Op Peil (GOP) aan en vanaf 2017 neemt ook de Initiatiefgroep Statenlaankwartier (IGS) (inclusief de Laantjes) deel aan het overleg. Een deel van het Schiereiland sluit niet aan, maar doet later zelfstandig mee. Gemeente, hoogheemraadschap en burgers zijn gezamenlijk op zoek gegaan naar oplossingen. Naast een jaarlijks bestuurlijk en politiek overleg bestaat er een programma overleg waar de uitvoering van het beleid wordt besproken en bijgesteld. De meest succesvolle preventieve maatregel om de aantasting van de funderingen te stoppen is het herstellen van de grondwaterstand zoals die was tijdens de bouw in Hillegersberg. Rekening houdend met de bodemdaling is nu een grondwaterstand nodig van NAP-2.75m. om de houten palen in de zomerperiode te kunnen bedekken met grondwater. Stadsbeheer Rotterdam, afdeling Water staat voor om dit te bereiken door de toepassing van een zogenoemd vrij verval. Aangezien het oppervlaktewater een peil heeft van NAP-2.85m. zal de gewenste stand niet worden bereikt. Water stroomt uit zichzelf nooit omhoog! Bewoners van Hillegersberg hebben de politiek hiervan kunnen overtuigen. Dit heeft onder andere geleid tot grondwaterpeilbeheer met een pomp in de Bloemenbuurt. De resultaten van deze eenvoudige interventie zijn dusdanig dat funderingen nog jarenlang meekunnen.
Hoge kosten van funderingsherstel zijn hiermee voor een groot deel van de woningeigenaren voorkomen. En is verval van de buurt tegengegaan en is het karakter van de buurt behouden gebleven. Inmiddels is er een besluit genomen, dat het deel ten noorden van de Kleiweg ook voorzien zal worden van actief grondwaterpeilbeheer met behulp van een pomp. De uitvoering van rioolvervanging en DI-aanleg door de gemeente in het Statenlaankwartier, inclusief de Laantjes, is verschillende keren uitgesteld en laat nog op zich wachten. De urgentie van actief grondwaterpeilbeheer neemt in deze buurt steeds verder toe. Grondwaterpeilbeheer met een pomp toepassen is een resultaat om trots op te zijn. Het is een lange weg geweest, die niet zonder problemen en weerstand is verlopen en waar nog steeds verschillend naar wordt gekeken. Dit boek beschrijft het proces waarin burgers, gemeente en hoogheemraadschap op zoek zijn gegaan naar oplossingen. En die onder andere hebben gevonden door het grondwaterpeil op te hogen met behulp van een pomp. Ook zijn de weerstanden, de problemen en de frustraties opgenomen in het verhaal. DE POMP werkt nu vijf jaar ten behoeve van de Bloemenbuurt met een recente aansluiting voor de Gravenbuurt. Hoe de aansluiting zal verlopen en wat het effect zijn zal op de grondwaterstand in de beide buurten moet nog worden ondervonden in de praktijk.
Dit boek beschrijft de situatie in Hillegersberg, maar heb ik ingezoomd op de problemen en de oplossingen zoals die zich voordoen in het Kleiwegkwartier. De aanleiding om dit boek te schrijven is om het eerste lustrum van actief grondwaterpeilbeheer met behulp van een pomp te markeren en dit te vieren tijdens een feestelijke bijeenkomst. Henk Koetsveld November 2023
9
Actief grondwaterpeilbeheer wordt gedefinieerd1 als: ‘Een gerichte inspanning om een gewenst grondwaterpeil te realiseren (Actief), waarmee zowel te hoge als te lage grondwaterstanden worden voorkomen (Grondwater), door een drainage-infiltratiesysteem te verbinden met het oppervlaktewater (Peilbeheer).’
1 Door het Nationaal Kennis-programma Bodemdaling (NKB)
10
1. Wonen op het veen
Figuur 2 Weilanden op het veen.
Nederlandse veengebieden Veengrond is een natte, sponsachtig grondsoort. Het is opgebouwd uit plantaardig materiaal dat is vergaan en dat in combinatie met aarde en/of zand tot deze grondsoort is verworden. Het veen kan in extreme situaties wel voor 80 procent uit water bestaan. Het wordt daarom ook wel dik water genoemd. Het plantenmateriaal in de moerasgebieden is vele eeuwen bewaard gebleven onder natte en zuurstofarme omstandigheden. Veenpakketten liggen op klei en zandlagen en kunnen wel enkele meters dik zijn geworden. Deze laagveengebieden zijn vooral te vinden in Noord- en Zuid-Holland en Utrecht in West-Nederland, in het noorden in de provincies Friesland en Groningen, langs de grote rivieren en zelfs in Brabant.
De situatie in Zuid-Holland en Rotterdam Een groot deel van de provincie Zuid-Holland bestaat uit veengrond. Steden zoals Dordrecht, Gouda en Delft zijn grotendeels gebouwd op het veen. In de gebieden rondom de oude stad Rotterdam ontstaan nederzettingen langs rivieren vanwege visvangst of vanwege handel en de transportmogelijkheden over die rivieren. In het Gedenkboek Rotterdam 1328-1928 schrijft A.W. Heykoop, toenmalig Wethouder voor de sociale belangen in een artikel: ‘Zes Eeuwen Volkshuisvesting’ de volgende inleiding: ‘…Als het bij ons 600-jarig jubileum nog eenigen zin had, zou ik graag beginnen met aan de brave visschers uit de 13e en 14e eeuw, die hun woonplaats vestigden langs de Maas, waar wij thans wonen, het verwijt te richten, dat zij voor de plaats van ons tegenwoordig Rotterdam zoo’n ongunstige bodem hadden uitgekozen. Het ware mij en zeker velen tegenwoordige Rotterdammers liever geweest, als zij voor hun oorspronkelijk visschersdorpje een vasteren grond hadden gezocht dan het moerassige veen, waarop Rotterdam is verrezen. Veel misère, om niet te spreken van vele kosten, 11
zouden ons gespaard zijn gebleven, als onze goede stad op een vasten kleigrond was gebouwd of nog liever op een droge grind- of zandplaat…’ Mensen zoeken in eerste instantie naar de meer draagkrachtige stukjes grond om op te leven en een huis te bouwen. Met eenvoudige houten huisjes is dat te realiseren. Houten huizen zijn kwetsbaarder dan stenen huizen. Van lieverlee gaan mensen om die reden steeds meer stenen huizen bouwen. De rivierduin of donk, waarop naast de Hillegondakerk ook een ruïne staat van een burcht uit 1200, is een uniek voorbeeld van een draagkrachtige ondergrond van zand in een veengebied. Het maaiveld op de ‘top van de berg’ ligt op NAP + 2 m. De ondergrond van de Kerkstraat is een uitloper van deze donk en vormt daardoor een goede en veilige basis om op te bouwen zonder te heien. Op wat grotere afstand van de donk moeten de stenen huizen wel worden onderheid om verzakken tegen te gaan. Het maaiveld (uitgiftepeil) ligt daar op NAP -1,50 m.
Figuur 3 Uitsnede van de kaart van Delftland gemaakt door Floris Balthasarsz. Van Berckenrode, 1611 – 1635. Te zien is de bebouwing rondom de heuvel (rechts-midden) De Straatweg (aangeduid als den bergh wech) loopt schuin naar beneden en wordt gekruist door de Kleiweg (aangeduid als de Cleij Wech). Onder in de kaart is de loop van de Rotte te zien. Dit is een kaart van voor de afgravingen van het veen en het ontstaan de Bergse plassen. Te zien zijn de Vlietsloot (nu nog zichtbaar in het Berg en Broek park) en twee molensloten tussen de Rotte en de Vlietsloot. Delen van de molensloten zijn nog zichtbaar. Bijvoorbeeld de rechte loop van de Prins Bernardkade is bepaald door een molensloot die nu de verbinding vormt tussen de Voor en Achterplas. Deze sloten zorgden voor de afwatering van het hoger gelegen veen naar de Rotte.
12
Het Kleiwegkwartier Hillegersberg-Zuid is een Rotterdamse wijk ten noorden van de Stad en ligt ruim 1,5 km ten zuiden van de donk. Het gebied is tot 1941 onderdeel van de voormalige gemeente Hillegersberg. De oostgrens van de wijk wordt gevormd door het veenriviertje de Rotte. Dwars door de wijk loopt, van oost naar west, de Kleiweg en is de naamgever van de wijk geworden. De Kleiweg is een duizend jaar oude dijk. De dijk vormt de noordgrens van de Bergpolder en markeert de zuidgrens van de Berg en Broekpolder (beide met waterpeil NAP -2,85) met daarin de Bergse Plassen. Net als bij de donk vormt ook de Kleiweg een stabiele ondergrond waar al vroeg wordt gebouwd. Uit de geschiedenis blijkt dat de Kleiweg als onderdeel van een oude zeedijk al in de tijd van de Romeinen bestond. Ook heeft de Kleiweg in de 12e eeuw deel uitgemaakt van de zeewering, die door Egmonder monniken werd aangelegd. Ze werden bijgestaan door hun medebroeders van de Sint Paulusabdij uit Utrecht, tussen Gouda en Vlaardingen. Elders is sprake van een riviertje met de naam de Klei, oeverwal van een stroom, waarop hij is gelegen. De naam “Cleyweg” wordt voor het eerst genoemd in 1419.2 Deze oude dijk bestaat uit een niet waterdoorlatende kleidam. De beide polders die aan de Kleiweg liggen zijn drassig en worden vooral gebruikt als weidegrond.
In de tijd dat Wethouder Heykoop zijn tekst voor het gedenkboek schrijft worden in de Bergpolder woningen en industriële bedrijven gebouwd. Nu de Bloemenbuurt en de Gravenbuurt. Deze twee buurten worden gescheiden door de Elektroweg, een kolenaspad tussen de Kleiweg en de in 1899 aangelegde spoorbaan. Het pad ligt aan het Lischwater, dat ontstaan is door extreem diepe veenafgraving. In de jaren twintig van de vorige eeuw is dit water gedempt met huisvuil, zand en klei.
Figuur 4 Een nieuwgebouwd bedrijf Electrostoom aan het kolenaspad dat is bestraat in 1914. Op de linker foto is de lege polder rondom het gebouw duidelijk is te zien. Het gebouw staat er nog steeds, maar is nu omringt door de bebouwing in de Gravenbuurt en de Bloemenbuurt. Op beide foto’s is het Lischwater te zien dat is ontstaan door veenafgraving.
2 (bron:https://www.shhs.nl/verwijzingen/de-ontwikkeling-van-het-kleiwegkwartier/)
13
Figuur 5 februari 1926
Het storten van huisvuil in Hillegersberg.
Figuur 6 Veenputten ten noorden van de Kleiweg (Statenlaankwartier) en ten zuiden van de Kleiweg (Bloemenbuurt en Gravenbuurt). De linker kadasterkaart is van 1903. De rechter kadasterkaart is van 1947 en is een combinatie van de agrarische en de verstedelijkte situatie. Op deze kaart is de Prinses Margrietlaanbuurt waarneembaar tussen de Rotte en de Straatweg. Linksboven in de hoek ligt, aan de huidige Erasmussingel, de Edelstenenbuurt.
Bebouwing Bloemenbuurt en Gravenbuurt. Begin jaren twintig wordt begonnen met het "Blokje van Poot" als eerste bebouwing binnen een plan voor de Bloemenbuurt en Gravenbuurt. Daarna volgt de Lisbloemstraat. Vervolgens wordt een stedenbouwkundig plan gemaakt voor de bebouwing van De Bloemenbuurt rondom het voormalige Lischwater, westwaarts van de Elektroweg. De Gravenbuurt ligt ten oosten van de Elektroweg.
14
Figuur 7 Op deze bouwtekening is, in wit getekend, het blokje van Poot te zien. Duidelijk zijn hier de contouren van het Lischwater waarneembaar.
Bebouwing Statenlaankwartier, de Laantjes en Schiereiland Tussen de Kleiweg en de Bergse Achterplas ligt een stuk grond dat bestaat uit klei en veen. De Achterplas is ontstaan door extreme veenafgraving. In het midden van dit stukje grond hebben twee kleine veenputten gelegen, die later zijn gedempt. Daaromheen lagen kleine agrarische bedrijfjes en een tuinderij. Aan het begin van de twintigste eeuw vestigt zich hier wat industrie (vijlenkapperij, smederij en houtzagerij). In de jaren dertig van de vorige eeuw is door het bouwen van woningen rondom de Christus Koning kerk het Statenlaankwartier ontstaan. De agrarische bedrijvigheid maakt plaats voor de woningen. Van lieverlee is de industrie ook verdwenen. In westelijke richting is dan al de bebouwing gerealiseerd op het Schiereiland tussen de Ringdijk en de
15
Achterplas en in de zogenoemde Laantjes, die haaks op de Kleiweg liggen en tot aan de Achterplas lopen.
Figuur 8 Een voormalige touwslagerij op de plaats waar nu de Johan de Wittlaan ligt. Links het besneeuwde lege land waar nu het Statenlaankwartier ligt. Op de ingezoomde foto is de molendriegang in de Schiebroekse polder zichtbaar.
Figuur 9 Links: Houtzagerij Berger, aan de Achterplas. Nu ter hoogte van de Laantjes. Rechts: Tuinderij tussen de Kleiweg en de Bergse Achterplas ter hoogte van het huidige Bergpolderplein.
Voordat de polders zijn bebouwd in het Kleiwegkwartier is er tien jaar eerder al gebouwd op de strook grond tussen de Rotte en de Straatweg. De huidige Prinses Margietlaanbuurt. Er worden niet alleen woningen met bedrijfjes gebouwd. Ook verschijnen aan de Kootsekade de tramremise en tal van bedrijven aan de Bergse Rechter Rottekade. Mogelijk lopen bepaalde woningen die zijn gebouwd voor 1923 wel een extra risico omdat op de palen zogenoemd langshout ligt. In dat jaar werd in de Hillegersbergse bouwverordening opgenomen dat de funderingsbalk uitgevoerd moest worden in gewapend beton en niet meer als metselwerk op een houten balk (langshout) Dat heeft twee
16
voordelen, beton rot niet (nauwelijks) en kan ook het gewicht beter verdelen over de funderingspalen.
Figuur 10 Links Voorbeeld van een voormalige betonnen funderingsbalk. Duidelijk zijn de gaten te zien waar de palen hebben gezeten. Rechts: een voorbeeld van een gebroken houten funderingsbalk (langshout).
Het huidige Kleiwegkwartier heeft nog een buurt. Tussen de Kleiweg en de vroegere Achterweg (onderdeel van het dijklichaam t.b.v. de droogmaking van de Schiebroekse polder) ligt de Edelstenenbuurt. Voor de annexatie van 1941 behoorde dit stuk kleigrond toe aan de voormalige gemeente Schiebroek.
Figuur 11 Een overzicht van de verschillende buurten in de wijk Kleiwegkwartier (Hillegersberg-Zuid)
17
De fundering van de gebouwen In de jaren twintig en dertig worden nieuwbouwwijken niet integraal opgehoogd, laat staan voorbelast 3 met een ophooglaag (Antropogene pakket). De bouwpraktijk in die jaren is dat direct in het voormalige weiland wordt gebouwd. Het weiland is direct de achtertuin. Wel zijn in beide polders eerst de sloten en de veenputten gedempt. Ter plaatse van de voormalige veenputten kan deze ophooglaag wel 5 m of meer dik zijn. Op die plaatsen waar dus wel opgehoogd moest worden is de slappe ondergrond ingedrukt door het gewicht van de ophoging met het puin en het huisvuil. Direct onder deze laag ligt dus de slappe veen- en kleilaag (Holocene pakket). De bodemopbouw in de lagen boven de draagkrachtige zandlaag (Pleistocene laag) is daardoor verre van homogeen en heeft daardoor ook een wisselende invloed op het draagvermogen van de houten paalfunderingen. De woningen in de drie genoemde buurten hebben een fundering die rust op houten palen. De heipalen zijn door ophooglagen en de slappe veen- en kleilagen gedreven tot die een dragende ondergrond (zandlaag op ongeveer NAP -15 m zandlaag) heeft gevonden. De houten heipalen worden tot ongeveer 1 m diep in de zandlaag geslagen. Het heien in de zandlaag gaat aanzienlijk zwaarder dan heien door de klei- en veenlagen.
Voor de fundering werd er in het weiland ontgraven tot onder het grondwaterniveau dat ca 50 cm daar onder lag. En vanaf die hoogte werd er gemetseld. Aan de voorzijde werd na de bouw de straat aangelegd die voor de nutsleidingen en riolering ongeveer 80 cm werd opgehoogd. Aan de achterzijde van de woningen was er niet opgehoogd. Dit verklaart het hoogteverschil en de trapjes aan de achterzijde van de woningen naar de tuin. En een geluk bij een ongeluk was dat er hierdoor weinig negatieve kleef optrad. Pas na WO II ontdekte men het principe van de positieve en negatieve kleef. Tot die tijd dacht men dat alleen de paalpunt de draagkracht gaf.
Pompen of verzuipen Zoals eerder beschreven is veengrond een sponsachtige grondsoort. De vele meters dikke veenlaag is al in het verre verleden door ontwatering ingeklonken4. Daarna is het bovenste laagveen afgegraven. In eerste instantie voor eigen gebruik als brandstof en aanleg van de dijken rondom de polders. Later volgen de commercieel toegepaste afgravingen die hebben gezorgd voor het verlies van het eerder verworven land. Grote delen tussen Rotterdam en Gouda veranderden op deze manier in enorme watergebieden, die opnieuw zijn drooggemaakt. Het landschap is door de inklinking en de afgravingen vele meters gedaald. Dat is bijvoorbeeld de reden dat het veenriviertje de Rotte nu hoger ligt dan de polders waarin ook het Kleiwegkwartier is gebouwd. Het overtollige water moet in de Rotte worden gepompt zodat het op de Maas geloosd kan worden. Door periodiek de kades op te hogen wordt voorkomen dat de Rotte zakt. In de periode rond de Eerste Wereldoorlog (1914) is, op basis van een peilbesluit door het toenmalige polderbestuur, het freatische grondwaterpeil5 verlaagd van NAP -2.60 m. naar NAP -2.85 m. Dit om de grond in Hillegersberg geschikt te maken als bouwgrond in de weilanden waar nu de wijken Berglustkwartier en Kleiwegkwartier liggen.
In die jaren voor de Tweede Wereldoorlog wordt het peil in Hillegersberg en Rotterdam overigens nog niet aangeduid in NAP, maar in Rotte peil6 (RP). Niet alleen de veenputten worden volgestort. Ook worden 3 Voorbelasten wordt onder andere gedaan door op de bouwgrond veel zand of grond te plaatsen. Dit zorgt voor veel druk op de
bouwgrond. De bouwgrond wordt in elkaar gedrukt en zal daardoor verdichten. De grootste grondzakkingen hebben dan voor de bouw plaatsgevonden. 4 Het volume van de grond neemt af, omdat het water uit de grond verdwijnt. 5 Het bovenste grondwater 6
In de notitie Jong de S (2017) Funderingsrisicogebied Hillegersberg: duurzame maatregelen tegen paalrot, peilverlagingen polder Berg en Broek. (Jong de S. e.a. 2017) wordt het Rotte peil (RP) verder omschreven.
18
de sloten gedempt, die eeuwenlang geleden zijn gegraven om het water af te voeren. Als gevolg van de peilverlaging en door de druk op het veen door ophoging met zand, klinkt het veen nog verder in. Om wateroverlast te voorkomen moet ook het grondwaterpeil weer naar beneden worden vastgesteld. In het Kleiwegkwartier is er niet veel meer te zien van het afgegraven veenlandschap zoals dat er ruim een eeuw geleden heeft uitgezien. Alleen het ‘schapeneiland’, een landtong in de Bergse Achterplas, nabij het Statenlaankwartier is nog een onbebouwd stukje land. Nadat de veenputten en de sloten zijn gedempt en de woningen zijn gebouwd worden de straten opgehoogd met een laag zand. Met daaronder dus die bovenste grondwaterlaag. Tijdens de bouw van de woningen in zowel het Berglustkwartier als in het Kleiwegkwartier zijn de bouwvoorschriften zodanig dat de houten palen, waarop de funderingen van de gebouwen rusten, onder water staan. (NAP-2.60m.)
Figuur 12 Hillegersberg en omstreek gezien vanuit de lucht. De in groen geschreven delen oud polderland kennen overwegend wateronderlast. De in geel gschreven droogmakerijen kennen overwegend wateroverlast.
Beïnvloeding van de grondwaterstand De beïnvloeding van het bovenste grondwater vindt nu veel minder plaats via de sloten. Door de aanleg van de straten en de bouw van de huizen valt er ook minder hemelwater direct op de grond, maar komt voor een groot deel terecht in de riolen. Hillegersberg wordt, net als Schiebroek, tijdens de Tweede Wereldoorlog geannexeerd door de gemeente Rotterdam. Na de oorlog worden de droogmakerijen rondom Oud-Hillegersberg en Hillegersberg-Zuid aangewezen als bouwlocaties om de getroffen Rotterdammers te gaan huisvesten. Ter voorbereidingen wordt in 1944 en nog eens in 1955 een grondwaterpeilverlaging doorgevoerd. In de Schiebroeksepolder, de polder 110-Morgen en ook het Molenlaankwartier liggen het bovenste grondwaterlaag en de diepe grondwaterlaag dichter bij elkaar. Deze diepe grondwaterlaag staat in verbinding met de lage zandlagen in de Maas. Hierdoor bolt dit grondwater op in de laaggelegen 19
droogmakerijen. Tot op de dag van vandaag gaan de grondwaterverlagingen door. Ook voor de bouw van Nieuw Terbregge, Nesselande en park Zestienhoven is het grondwaterpeil verlaagd. Dit doet de gemeente om geld te besparen want grondwater verlagen kost niets terwijl extra ophogen met zand om de straten in het droge te kunnen aanleggen wel geld kost. Door deze grondwaterverlagingen komt ook het grondwater in de hoger gelegen delen zoals het Kleiwegkwartier weer lager te liggen tot op NAP -3,30 m. Aan het begin van de vorige eeuw komt ook de industrie op. Een industrie die om diverse redenen grondwater gaat oppompen uit de dieper gelegen grondwaterlagen. Zo pompt De Koninklijke Gist- en Spiritusfabriek in Delft-Noord vanaf 1916 elk jaar tienmiljard liter water op uit het eerste grondwaterpakket. Uit onderzoek blijkt dit ook van invloed te zijn op de stand van het water nabij Rotterdam. In het Kleiwegkwartier vestigt zich aan het begin van de vorige eeuw de papierfabriek Van Stolk & Reese. Vanaf 1882 vestigt de bierbrouwerij van Heineken zich aan de Rotte even ten zuiden van Hillegersberg. Wat dit betekent heeft voor het grondwater is niet bekend. In 1983 is er begonnen met het oppompen van olie door de NAM in Schiebroek. Er vinden allerlei grote bouwactiviteiten plaats in Rotterdam, te beginnen bij de bouw van de Maastunnel en recenter de bouw van de metrotunnel in Blijdorp.
Activiteiten die het diepe grondwater beïnvloeden. Wat de invloed is van al deze onttrekkingen van het diepere grondwater op de bovenste laag is door diverse partijen onderzocht. De conclusies zijn niet eenduidig. In 2012 doet de gemeente Rotterdam een historie- en effectenstudie naar de waterhuishouding in het Kleiwegkwartier: ‘…Het algemene beeld is dat de grondwaterstand over de lange termijn redelijk stabiel is tot 2003. Tussen 2003 en 2015 is sprake van een duidelijke daling. De schommelingen van de stijghoogte in het 1e watervoerend pakket lopen niet synchroon met de fluctuaties in de freatische peilbuizen…’ En concludeert hiermee, dat de stand van het bovenste grondwater niet wordt beïnvloed door de stand van de diepere grondwaterlagen.’ In opdracht van de commissie grondwater Oud-Hillegersberg doen Fugro7 en WARECO8 in 2016 een verkennend onderzoek naar de oorzaak van droogstand van het funderingshout in de Graven- en Bloemenbuurt. In het rapport is de volgende samenvatting te lezen; ‘…In de Graven- en Bloemenbuurt is een grootschalige droogstand van houten palenfunderingen vastgesteld. Uit een vergelijk van grondwaterstanden in de periode eind jaren ’80 tot en met 2013, uitgevoerd door de commissie grondwater Oud-Hillegersberg, blijkt dat de freatische grondwaterstand met ca.
0,3 m is gedaald.’ Als mogelijke oorzaken hiervan worden genoemd: - Bemalingen in het eerste watervoerend pakket, waarvan er in de genoemde periode een groot aantal zijn uitgevoerd; - Rioleringswerkzaamheden in de wijk in de periode 1998-2006. De beschikbare informatie (onder andere peilbuismetingen ondiep en diep) is te summier om veronderstellingen feitelijk te onderbouwen. Daarbij is het berekenen en voorspellen van freatische grondwaterstandsveranderingen door spanningsbemalingen en veranderingen zoals lokale 7 Een Nederlands bedrijf dat gegevens over het aardoppervlak verzamelt en interpreteert. 8
Een ingenieurs- en adviesbureau op het gebied van bodem, water en funderingen in het stedelijk gebied. Wareco is opgegaan in Aveco de Bondt. Zij helpen overheden en marktpartijen met vraagstukken op het gebied van water, infrastructuur, klimaat, bouw en duurzaamheid. Aveco doet onderzoek, ontwerpt kunst- en bouwwerken, adviseert over aanpak en beleid en ondersteunt projecten in de uitvoering.
20
rioolvervanging zeer lastig en complex. Op basis van de gelijktijdigheid en de gegevens lijkt een verband aanwezig tussen de spanningsbemalingen en de verlaging van de freatische grondwaterstand… Op basis van de aanwezige weerstand in het bodempakket wordt verwacht dat slechts een beperkt deel van de 0,3 m hierdoor kan worden verklaard… Er zijn in dezelfde tijdperiode van de waargenomen verlaging diverse werkzaamheden aan het rioleringssysteem uitgevoerd. Dit zijn werkzaamheden die direct in het bovenste watervoerend pakket in de wijk zijn uitgevoerd. Dit type werkzaamheden heeft doorgaans direct invloed op de grondwaterstanden in de wijk. Uit de meetgegevens wordt afgeleid dat er onverwacht weinig variatie in de grondwaterstanden wordt gemeten. Dit kan verklaard worden door een hoge mate van ontwatering van het bovenste watervoerend pakket. Verwacht wordt dat de verlaging van ongeveer 0,3 m in het bovenste watervoerend pakket voor het grootste deel wordt veroorzaakt door ontwatering in hetzelfde pakket. Nader onderzoek zou hierover meer duidelijkheid kunnen geven…’ Voor leden binnen het GOP is dit aanleiding om het peil te blijven meten van zowel de bovenste grondwaterlaag als de diepere waterlaag. Het doel van dit praktijkonderzoek is om meer duidelijkheid te krijgen, zoals het bovenstaande rapport adviseert.
Veenbodemdaling Door de inklinking als gevolg van verdroging van het veen en de extra druk op de veenlaag door het regelmatig ophogen van de straten en andere openbare plekken vindt bodemdaling plaats van gemiddeld 0,5 tot één cm per jaar. Wegen en trottoirs worden met intervallen van ongeveer twintig jaar opgehoogd met zand. Particuliere tuinen achter de woningen worden minder vaak of niet opgehoogd. Aan de voorzijde van de panden ligt daardoor een zwaarder ophoogpakket dan aan de achterzijde. Daardoor is de daling aan de achterzijde van de woningen ongeveer de helft dan in de openbare ruimte.
Bekijk via de QR de documentaire Het zinkende land
21
Door het telkens ophogen van straten met zand wordt het ophoogpakket steeds zwaarder. Hierdoor neemt de zogenoemde korrelspanning in de klei- en veenlagen toe. De kleikorrels en veenvezels gaan dichter op elkaar zitten, het inklinken. Door het inklinken worden de grondlagen stijver met als gevolg dat latere bij onderhoudsophogingen de zandlagen steeds minder dik zullen zijn. Figuur 13 1973
De oude bestrating in de Elektroweg is sterk verzakt en ligt op ongeveer 180 cm onder het zand en het huidige wegdek. De eerste bestrating in de Elektroweg is van 1914 (zie fotopagina 8). Het kolenaspad Elektroweg had zeer waarschijnlijk een andere aanleghoogte (iets boven de hoogte van het weiland) dan de woonwijk. De straten zijn 50 cm opgehoogd in verband met draagkracht en infrastructuur (zie pagina 16). Dat geeft een verklaring van ca. 30 cm. De rest is zakking van één cm per jaar.
Figuur 14 Links: 2020 Oude bestrating uit ongeveer 1920 in de Elektroweg (Foto: H. Koetsveld) Rechts: situatieschets afgraving Elektroweg gemaakt door medewerker EVS-infrabouw.
22
Figuur 15 . De eeuwenoude kleidam ligt nog steeds onder het wegdek van de huidige Kleiweg. Bij werkzaamheden aan het riool en de aanleg van een DI-leiding werd deze dam blootgelegd. Op de foto is de dam duidelijk waarneembaar. Deze is niet verzakt zoals het wegdek in de Elektroweg. De werkzaamheden op de foto vinden plaats ten Noorden van de Kleiweg. Dus in de voormalige polder Berg en Broek waar nu het Statenlaankwartier-de Laantjes liggen.
Eerste calamiteit in de Bloemenbuurt Op 17 maart 1925 wordt de directe omgeving opgeschrikt door een enorme knal. Op de hoek van de Elektroweg en de Margrietstraat storten de twee hoekwoningen in als gevolg van een gasontploffing. Het is half twaalf ’s avonds. De woningen zijn nog geen jaar oud. Eén van de twee gezinnen woont twee weken in het huis. In dat eerste jaar zijn er al diverse keren verzakkingen ontstaan. De grond is erg slap en bestaat uit het opvulsel van het Lischwater. Ook de gasleiding is eerder hersteld.
Figuur 16 Op deze foto uit 1925 is de ravage duidelijk te zien. Aan het blok aan de zuidkant van de Margrietstraat wordt nog gebouwd. De Margrietstraat ligt aanvankelijk aan het Lischwater. Na de demping is de zuidkant ook bebouwd en ontstaat ook de Lisbloemstraat.
23
2. Funderingsproblemen in de wijk Funderingsproblemen Er zijn drie hoofdoorzaken aan te wijzen voor funderingsproblemen. Allereerst door aantasting van het funderingshout. Dit kan veroorzaakt worden door schimmelaantasting bij droogstand en door aantasting ónder water door bacteriën. De tweede oorzaak wordt gezocht bij het ontwerp en of de bouw van de woning. De derde oorzaak moet gezocht worden bij de samenstelling van de bodem.
Aantasting van het funderingshout Aantasting door schimmels bij droogstand Door de verlaging van het grondwater en/of door regelmatige onderstand van het grondwaterpeil komen de koppen van de houten heipalen (periodiek) droog te staan. Als het grondwater zakt en zuurstof in de grond om de paal kan toetreden ontstaat paalrot. Schimmels hebben zuurstof nodig en kunnen dan het hout aantasten. De schimmels werken van de buitenkant naar binnen en kunnen in ernstige gevallen de paalkop geheel laten vergaan. Bij een ernstige aantasting kan de paalkop de belasting uit de constructie (het gewicht van het pand erboven) niet meer op de paalschacht overdragen. De naastliggende palen moeten het verlies aan draagkracht compenseren. De betonnen balk en/of het metselwerk erboven moet ook sterk genoeg zijn om een dergelijke belastingspreiding mogelijk te maken. Als dat niet kan zal het pand zakken. Voor 1923 werd er over de houten palen een horizontale balk gemaakt, het zogenaamde langshout. Op deze balk werd een gemetselde fundering gemaakt. Dit langshout is extra kwetsbaar voor droogstanden. Gemeenten wisten dit al in 1923. Tegelijk kwam beton beschikbaar als ‘nieuw’ bouwmateriaal. Daarom moeten vanaf dat jaar funderingsbalken verplicht van beton worden gemaakt. Gelukkig zijn de meeste huizen in het Kleiwegkwartier na 1923 gebouwd en daardoor minder kwetsbaar dan de oudere stadswijken.
De woningen aan de oneven zijde van de Margrietstraat en, de hoek om, woningen van de oneven zijde van Lisbloemstraat zijn net voor 1923 gebouwd. Die aan de even zijde zijn na 1923 gebouwd. Deze blokken hebben dezelfde architectuur maar een verschillende fundering. Zie voor een verdere beschrijving van dit drama het begin van hoofdstuk 3. Wanneer de grondwaterstand weer voldoende stijgt stopt ook het proces van aantasting. Een beperkte mate van aantasting hoeft geen probleem te zijn als de droogstand opgeheven wordt door voldoende en permanente dekking van het grondwater. Men kan dan volstaan met een resterende draagkrachtberekening en funderingsherstel is dan niet nodig.
Figuur 17 Een door droogstand aangetaste houten paalkop.
24
Aantasting onder het grondwaterniveau De bacteriële aantasting (palenpest) vindt plaats onder het grondwaterniveau. Dat is mogelijk omdat het zogenoemde anaerobe9 bacteriën betreft. Deze van nature in de ondergrond aanwezige bacteriën kunnen houten palen aantasten. De ‘snelheid’ waarmee de aantasting zich voordoet is echter veel lager dan die van een schimmelaantasting. Met name de spintlaag10 van grenen palen is gevoelig voor deze vorm van aantasting. Grenenhout is duurder dan vurenhout en daarom veel toepast in duurdere steden als Haarlem en omgeving. In Rotterdam was daar geen geld voor en koos men voor vuren. Behalve als er een restpartijtje grenen op de kop getikt kon worden als koopje. Dus staan er ook hier toch enkele woningen op grenen palen.
Het ontwerp of de bouw van de woning De fundering is letterlijk én figuurlijk de basis van een bouwwerk. Als een bouwwerk ‘opgericht’ moet worden maakt een architect een ontwerp. De architect werkt samen met een constructeur die berekent of de constructie voldoet en maakt ook een gewichtsberekening. Op basis van de gewichtsberekening wordt de fundering gedimensioneerd11, het palenplan en de inheidiepte van de palen. De eerste richtlijnen met schriftelijke bouwregels en rekenvoorschriften zijn van 1916. Tot die tijd werd ambachtelijk gebouwd. De ervaring werd van generatie op generatie overgedragen. De eerste sondering werd gemaakt in 1932, en pas in 1965 werd de huidige sondeertechniek uitgevonden. Voor het dimensioneren van een voldoende draagkrachtige houten paalfundering zijn er door de eeuwen heen zogenoemde heiformules ontwikkeld. Voortschrijdend inzicht heeft geleerd dat deze heiformules niet betrouwbaar genoeg zijn. Na 1950 zijn ze verdrongen en is men gebruik gaan maken van meer betrouwbare methoden, zoals de methode Koppejan. Daarnaast heeft er sinds begin 1900 een geleidelijke overgang plaatsgevonden van houten palen met langshout, zware houten planken waarop de stenen gemetseld worden, naar houten palen met daarop betonnen funderingsbalken.
Figuur 18 Een deel van een bouwtekening van een blok woningen in het Statenlaankwartier, begin jaren ‘30 van de vorige eeuw. (Stadsarchief). De ontwerphoogte staat aangegeven in RP (Rotte Peil): -220 RP komt overeen met -285 NAP nu.
Vanaf 1970 komen betonnen funderingspalen beschikbaar. Een essentieel gegeven is dat bij deze methode het draagvermogen in een dynamisch proces (het heien) werd bepaald waarbij de eigenschappen van de grond mogelijk niet representatief waren. Hierdoor werd er te ondiep of juist te diep geheid. 9 Bacteriën die géén zuurstof nodig hebben. 10 De buitenste (zachtere) jaarringen waar de groeisappen doorheen gaan. 11 Het bepalen van de afmetingen.
25
De samenstelling van de bodem. De weerstand, de zogenoemde stuit, zorgt ervoor dat de neerwaartse kracht, het eigen gewicht van het gebouw, via de palen wordt overgebracht naar de dragende ondergrond. De punt van de houten paal ondervindt in die zandlaag puntweerstand. Dit vormt echter maar een gedeelte van de totale draagkracht. De slappe en natte ondergrond (het veen) zuigt zich namelijk vast aan de palen. En de hele lengte en het grote oppervlak van deze palen draagt eveneens een deel van het gewicht van het gebouw. Deze wrijvingsweerstand wordt positieve kleef genoemd. Als de slappe ondergrond te veel wordt belast door het ophoog pakket van huisvuil, puin en zand wordt het slappe veen samengedrukt. Het ophoog pakket verzakt extra en veroorzaakt bodemdaling. Dan ontstaat ook een neerwaartse belasting op de fundering, het gewicht van het ophoog pakket gaat "aan de palen hangen". Dat wordt negatieve kleef genoemd. In plaats van dat de kleef helpt om het gebouw te dragen (positief) krijgen de palen het extra gewicht van de grond te dragen (negatief). Het gewicht van het puin, huisvuil en zand kan zelfs zwaarder zijn dan het gebouw zelf. De negatieve kleef is dan des te gewichtiger. In dat geval kunnen palen zo sterk wegzakken dat ze los komen te staan van de fundering. Panden komen daardoor scheef te staan en zakken ongelijk.
De huizen in de Statenlaan of Elektroweg zijn daarvan voorbeelden. Figuur 19 Over het deel dat grondlagen méér zakken dan de paal treedt negatieve kleef op. Over het deel dat de paal sneller zakt dán de grondlagen treedt positieve kleef op. Het stukje dat paal én grond even snel zakken wordt het omslagpunt genoemd.
Eveneens werd voorbijgegaan aan de variaties in zowel de veen- en kleilagen als het ophoogpakket. Om die reden werd dan ook geen rekening gehouden met een negatieve kleef die aan de straatzijde veelal groter is dan aan de achterzijde. De straten en trottoirs worden immers periodiek opgehoogd en achtertuinen veelal niet. Het verschil tussen de negatieve kleef aan de voor- en achterzijde van de woning maakt het probleem complexer. Soms zakt de woning in zijn geheel naar voren, zoals dat in de Duizendschoonstraat is gebeurd. Het kan ook gebeuren dat de gevel aan de ene kant hoger blijft staan dan de andere gevel waardoor de woning in een ruitvorm wordt gedrukt. Een voorbeeld daarvan is de Margrietstaat. De bovenste lagen in de ondergrond zakken sneller dan de onderste lagen. Het komt voor dat daardoor de woning naar achteren wordt gedrukt omdat de palen krom worden door de verschillen in druk in de negatieve kleef. Van lieverlee schuift de woning weg, omdat de fundering door het kromtrekken wordt meegenomen. Dit is gebeurd in de Lisbloemstraat. Een deel van de woningen heeft het niet gered omdat het casco al te ver was gedeformeerd. Bovendien waren de palen voorzien van langshout. Instortingsgevaar dreigde en een deel van het blok moest worden afgebroken. Een deel is behouden kunnen blijven.
Tijdens het herstel van deze funderingen zijn foto’s gemaakt waarop de kromme palen en het gebroken langshout zijn te zien. (Pagina 34)
26
Figuur 20 Boven: En blokje geharnaste woningen in de Lisbloemstraat. Onder: woningen in de Duizendschoonstraat. Beide blokken waren zover gedeformeerd dat ze moesten worden afgebroken.
27
Funderingsonderzoek
Over het met aandacht behandelen van een houten paalfundering Funderingskrant 2, juli-augustus 2016 ‘In een goed rapport van een funderingsonderzoek staan twee gegevens, die met elkaar worden vergeleken. Dat is het peil van het hoogste funderingshout en dat is het aanlegniveau daarvan, als dat uit de bouwtekeningen bekend is. Ook als het aanlegniveau bekend is, is er nog wel een probleem en dat is dat niet bekend is of het pand ook is aangelegd conform de tekeningen. Maar als alle informatie bij elkaar wordt gelegd, dan is er soms wel twintig centimeter verschil tussen het peil van het funderingshout nu en het aanlegniveau. Funderingsonderzoeker Jan Stoker12 van de gemeente Rotterdam heeft recent uitgelegd, dat een pand inderdaad wel twintig centimeter kan zijn gezakt sinds de bouw. Stoker: ’Een geruststelling voor eigenaren dat een absolute zakking van vijftien of twintig niet iets is om je druk over te maken. Een deel is stomweg niet te voorkomen hoe goed de fundering ook is. Het is wel een signaal dat je in het Kleiwegkwartier een houten paalfundering met aandacht moet behandelen. Immers de draagkracht zal meestal net voldoende zijn en die staat geen ongebreidelde verbouwingen, en daarmee een significante belastingtoename of herverdeling toe.’ Stoker somt de factoren op, die de zakking bepalen.
Zo zakt de zandlaag waarop de palen staan, het zogenaamde pleistocene zand, zo’n 0,4 tot 0,6 mm per jaar. Dat betekent dat ook de in deze laag gefundeerde palen zakken. De panden in het Kleiwegkwartier zijn 80 tot 85 jaar oud en zijn in die periode dus drie tot vijf centimeter gezakt. Daarnaast is de zogenoemde initiële zakking. Als de heipaal is ingeheid en afgezaagd staat deze nog onbelast. Naarmate de verdere bouw vordert, worden de heipalen steeds zwaarder belast tot dat het pand af is en is ingericht. Om deze belasting te kunnen dragen moeten de palen een klein beetje zakken om het draagvermogen te activeren. Ze moeten zich als het ware eerst schrap zetten en daar hebben ze waarschijnlijk één of twee centimeter zakking voor nodig maar misschien ook meer. Daarnaast kan ook nog wat elastische verkorting optreden. Onder druk van de belasting, het gewicht van het pand dat er op staat, wordt de paalschacht dan zelf iets korter. Ook mag de onderkant betonbalk niet zonder meer worden gelijkgesteld met bovenkant paalkop. Er is een zogenoemde instorting, de paalkop zit namelijk drie tot vijf centimeter diep in de betonnen balk ingestort. Stoker: ‘Wanneer bij de funderingsinspectie een bovenkant paalkop wordt gemeten van NAP - 3,05 m suggereert dat een absolute zakking van twintig centimeter.
Als na aftrek van een aantal in bovengenoemde oorzaken wordt afgetrokken, blijft er wellicht een ‘echte zakking’ over van tien centimeter. Als er geen ernstige aantasting van de paalkoppen is geconstateerd, is dat mijns inziens geen waarde om je ongerust over te maken.’ Immers de draagkracht zal meestal net voldoende zijn en die staat geen ongebreidelde verbouwingen, en daarmee een significante belastingtoename of herverdeling toe.’
12 Jan Stoker is in verband met zijn pensionering inmiddels ‘een voormalige onderzoeker’.
28
Figuur 21 9 november 1984
29
Figuur 22 19 februari 1985
Problemen in het Kleiwegkwartier
Eerste onderzoek en vele vervolgonderzoeken… In 1989 voert de gemeente Rotterdam, in het kader van stadsvernieuwing, een globaal onderzoek uit naar funderingsproblemen. Vanaf de buitenkant worden woningen beoordeeld. In het Statenlaankwartier wordt geconstateerd dat ‘op bijna alle plekken geen problemen zijn. Een enkel pand kent lichte of enige zettingsdruk’. In de Bloemenbuurt wordt geconcludeerd dat ‘de marge tussen de stand van het freatische grondwater en de bovenkant van het funderingshout klein is en dat significante verlaging niet toelaatbaar is’. Door de zetting blijken de rioleringen verzakt en lek, waardoor ze een drainerende functie hebben.
30
In 1999 wordt opnieuw onderzoek gedaan. Nu in het kader van ‘Rotterdam op koers’. Uit de metingen blijkt dat het afgelopen decennium het grondwater is gedaald:’ De exacte oorzaken moeten worden onderzocht’. Eveneens wordt geconstateerd ‘dat dit ingrijpend kan zijn voor droogstand van de houten palen’.
Figuur 23 De gemiddelde grondwaterstand in de Graven- en Bloemenbuurt was van 1982 t/m 1988 vrijwel gelijk aan NAP2,8 m. In de periode 1998-2006 wordt vooral in de Gravenbuurt riolering vervangen met de verwachting dat het grondwater hierdoor zou stijgen. Om grondwateroverlast te vermijden werden drains aangelegd die men op de riolering aansloot. In plaats van stijging trad grondwaterdaling op. Waarschijnlijke oorzaken zijn het slecht functioneren van deze aangelegde drain/riolering combinatie, het bemalen van diep grondwater bij bouwputten in de wijdere omgeving zoals in het centrum van Rotterdam (spanningsbemalingen) In 2013 blijkt dat de gemiddelde grondwaterstand in de Graven- en Bloemenbuurt met 30 cm gedaald is terwijl in de buurten rondom (Edelstenenbuurt, Statenlaanbuurt-Zuid) deze nauwelijks gewijzigd is. In de Edelstenen Oost is zelfs sprake van een lichte stijging, in de Statenlaanbuurt Zuid een beperkte daling van ongeveer 10 cm. Het gevolg is dat in 2013 bij het merendeel van de panden in de Graven- en Bloemenbuurt droogstand en daardoor aantasting van het bovenste funderingshout (langshout en paalkoppen) optreedt. Bron: Graven-en Bloemenbuurt, oorzaken droogstand funderingshout, Commissie Grondwater Oud-Hillegersberg, 24 juni 2015.
Binnen de stadsvernieuwing In 1988 verschijnt er een uitgebreid boekwerk in vier delen met de titel Vernieuwing van de stadsvernieuwing. (College van Burgemeester en Wethouders oktober 1988). Het Kleiwegkwartier is opgenomen in de stadsvernieuwing 3e ring. Er wordt onder andere geconcludeerd: ‘… De woningvoorraad vertoont op een beperkt aantal plekken echte mankementen (bouwtechnisch, woontechnisch en fundering technisch) en wordt in veel gevallen niet (meer) voldoende onderhouden…’ Er wordt gekozen voor ‘een strategische aanpak’: ‘Daarin wordt in aard en omvang beperkt ingegrepen in die situaties waarin verval onontkoombaar is. Voor het leeuwendeel van het gebied wordt verder een stimuleringsbeleid gevoerd om zoveel mogelijk particuliere beheermaatregelen te laten opbloeien. Het gevolg van deze strategie behoort te zijn dat een gerichte interventie verval kan stoppen en aanwezige vitaliteit uitgebuit wordt…’ Al in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zijn er op verschillende plekken in de wijk problemen met woningen die verzakken en in slechte staat verkeren. In 1987 hebben een 31
opbouwwerker, aangesteld door de gemeente in het kader van de stadsvernieuwing, en actieve wijkbewoners binnen het Initiatiefcomité Kleiwegkwartier een tocht door de wijk gemaakt met ‘de Bokkewagen’. Een jaar later ontstaat uit dit comité de Bewonersorganisatie Kleiwegkwartier (BOK). Er is een inventarisatie gemaakt van de woningen en plekken waar problemen zijn. Het ingenieursbureau Geotechniek en Milieu van Gemeentewerken Rotterdam doet op verzoek van de projectorganisatie Stadsvernieuwing Bureau 3e ring funderingsonderzoek in de Bloemenbuurt en de Gravenbuurt. In 1989 verschijnt het boekje Kleiwegkwartier de moeite waard! Met daarin deze inventarisatie en plannen voor verbetering.
Een buurtgerichte aanpak In 1989 wordt er een buurtgerichte aanpak gehanteerd bij particuliere woningverbetering: ‘Het is de bedoeling van de BOK om de aandacht van de gemeente te richten op één buurt en zo zoveel mogelijk woningen in een korte periode opgeknapt te krijgen. Het voorstel is om deze buurtgerichte aanpak te starten in Bloemenbuurt II (oost) en Baroniestraat e.o. …’. In de Bloemenbuurt-oost zijn er problemen in de Lisbloemstraat, waar een deel van de woningeigenaren al is begonnen met verbeteringen. Verder zijn er plannen voor sloop en nieuwbouw in de Violenstraat en de Orchideestraat. In Bloemenbuurt-west zijn er problemen in de Duizendschoonstraat en plannen voor sloop en nieuwbouw. Een citaat uit dit boekje: ‘…Een ander zwak punt is dat in enkele delen van de wijk woningen ernstige funderingsgebreken blijken te hebben. Wat daarvan de oorzaak is, is soms niet te achterhalen. Eén ding is wel duidelijk: sloop van deze woningen is onvermijdelijk als men de wijk leefbaar wil houden…’. In de, aan de Bloemenbuurt grenzende, Gravenbuurt zijn problemen met woningen in de Baroniestraat en de aansluitende woningen in de Prins Frederik Hendrikstraat. Er zijn dan al plannen gemaakt voor sloop en Figuur 24 kaartje uit nieuwbouw.
(Zie het krantenartikel op pagina X) De woningen in de ‘Kleiwegkwartier de moeite waard!’ 1989 Baroniestraat worden inderdaad gesloopt, net als een deel van de woningen in de Lisbloemstraat en
in de Duizendschoonstraat. Op deze plekken in de wijk zijn nieuwe woningen gebouwd. De woningen in de Prins Fredrik Hendrikstraat, de Violenstraat en Orchideestraat zijn niet gesloopt.
32
Figuur 25 De rood gemarkeerde panden zijn verzakt en afgebroken: bovenaan de foto is de Baroniestraat, het horizontale blok onderaan de foto is de Lisbloemstraat, het verticale blok betreft de Margrietstraat. De Duizendschoonstraat is niet op deze foto te zien. Groen gemarkeerd is het huizenblok aan de even zijde dat is voorzien van funderingsherstel.
Figuur 26 Links: De woningen in de Baroniestraat worden gesloopt. Rechts: Op de open ruimte die is ontstaan zijn begin 2000 nieuwe woningen gebouwd.
33
Buiten de stadsvernieuwing Hoewel het hele Kleiwegkwartier binnen de 3e ring van de stadsvernieuwing valt blijft het Statenlaankwartier-Laantjes en Schiereiland buiten de plannen van de gemeente Rotterdam. Toch zijn ook daar problemen. In de Statenlaan zijn problemen op de nummers 41 en 43. In 1950 is één van de funderingen versterkt. In 1972 zijn nogmaals funderingsklachten. In 1988 worden de twee hoekpanden onbewoonbaar verklaard en uiteindelijk gesloopt. Op deze opengevallen plek zijn appartementen in de oude stijl gebouwd. De twee andere woningen in het blokje worden gespaard en zijn in 2023 rechtgezet nadat de fundering is hersteld. De woningen zijn opgesplitst tot zes appartementen.
Figuur 27 Links: Het deels nog onbebouwde Statenlaankwartier. De licht strepen en stukken laten zien waar de sloten en veenput heeft gelegen. Die zijn deels opgevuld met zand en kleuren om deze reden lichter dan de klei- of veengrond. Rechts: Stedenbouwkundige ontwerp Statenlaankwartier. Het gemarkeerde deel geeft de panden aan waar problemen zijn (geweest)
34
Figuur 28 Statenlaan hoek Anthony Duijklaan. Boven: verzakt en afgebroken. Onder: herstelt en rechtgezet.
De waterwet In de waterwet, die in werking is getreden in 2009, zijn acht voorgaande waterbeheerwetten samengevoegd. De wet gaat uit van integraal beheer van het hele watersysteem: het samenhangend geheel van één of meer oppervlaktewaterlichamen zoals de Rotte, de Bergse plassen, het Noorderkanaal en de singels enerzijds. En grondwaterlichamen zoals bijvoorbeeld de riolen, DIleiding en overloopputten met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken zoals de sluizen, duikers en bruggen anderzijds. De wet is gericht op het voorkomen dan wel beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Daarnaast op de bescherming en verbetering van kwaliteit van watersystemen en de vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Bijvoorbeeld de hoogte van het oppervlaktewater dat van invloed is op de grondwaterstand.
35
Mede gevoed door de komst van de waterwet vindt er in 2008 in Rotterdam gedetailleerd grondwater- en funderingsonderzoek plaats. De gemeente krijgt door deze wet een zorgplicht grondwater, waarvoor beleid moet worden gemaakt. In dit kader ontstaan de risicokaarten. De voorlopige conclusie is dat er in de stad duizend tot zesduizend woningen zijn met funderingsproblemen. Rotterdam helpt burgers met funderingsproblemen met laagrentedragende leningen. Woningen worden niet meer opgekocht zoals voorheen. Er is weerstand ontstaan dat de overheid financiert en dat de banken, die veelal indirect eigenaar zijn van de woning, profiteren. In 2014 nemen de overheden maatregelen ‘om de funderingsproblematiek hanteerbaar te maken’. De woningeigenaar wordt, juridisch gezien, volledig verantwoordelijk voor het onderhouden en de financiering van funderingsproblemen. Een jaar later komt er wel een regeling, waar een gedegen funderingsonderzoek als eerste stap wordt gezien, waardoor de gemeente Rotterdam een deel van de onderzoekskosten wil financieren. Het riool is onderdeel van het grondwaterlichaam. Het hemelwater en het afvalwater wordt geleid door het riool waar de gemeente Rotterdam de beheerder van is. Als gevolg van de waterwet waarin Rotterdam een grondwaterzorgplicht heeft, houdt de gemeente bij het vervangen van riolen rekening met droogstand van houten funderingen.