CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb005184] Bijlage 1 behorende bij 24bb005183 - Ontwerpbestemmingsplan Hoge Wiek Rotterdam

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 28 augustus 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen26.630 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Hoge Wiek Rotterdam

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Gekozen planopzet

5

1.3

Ligging en begrenzing plangebied

5

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

6

Beschrijving van het plangebied

9

2.1

Huidig gebruik

9

2.2

Beoogde ontwikkeling

9

Beleid

11

3.1

Rijksbeleid

11

3.2

Provinciaal beleid

14

3.3

Gemeentelijk beleid

22

Hoofdstuk4

Planbeschrijving

35

4.1

Inleiding

35

4.2

Ontwikkelingen

35

4.3

Juridische planbeschrijving

35

Water

37

5.1

Beleidskader

37

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

38

5.3

Huidige watersysteem

38

5.4

De wateropgave

40

Hoofdstuk6

Milieu

42

6.1

Inleiding

42

6.2

Milieu effectrapportage

42

6.3

Milieuzonering

44

6.4

Verkeer en parkeren

48

6.5

Geluid

55

6.6

Luchtkwaliteit

57

6.7

Bodem

59

6.8

Archeologie en cultuurhistorie

61

6.9

Externe veiligheid

62

6.10

Natuur

64

6.11

Bezonning

66

Hoofdstuk2

Hoofdstuk3

Hoofdstuk5

2

6.12

Windhinder

68

6.13

Duurzaamheid

70

Hoofdstuk7

Handhaving

71

Hoofdstuk8

Financiële uitvoerbaarheid

72

Hoofdstuk9

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

73

9.1

Participatie

73

9.2

Vooroverleg

73

Bijlagen Bijlage 1

Bodemonderzoek

Bijlage 2

Verkeer en parkeren

Bijlage 3

Onderzoek externe veiligheid

Bijlage 4

Akoestischonderzoek wegverkeer

Bijlage 5

Onderzoek naar horecalawaai

Bijlage 6

Notitie luchtkwaliteit

Bijlage 7

Bezonningsstudie

Bijlage 8

Windhinderonderzoek

Bijlage 9

Quick scan flora en fauna

Bijlage 10

Aanmeldnotitie m.e.r.

Bijlage 11

Nader ecologisch onderzoek

Bijlage 12

Stikstofdepositieberekening

3

4

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De Hoge Wiek is gelegen aan de Oostmolenwerf en de Boerengatkade te Rotterdam. Het voornemen bestaat om de Hoge Wiek te herontwikkelen, waarbij wederom wordt voorzien in woningen. Het woningaantal zal alleen iets worden uitgebreid. De beoogde doelgroep van de Hoge Wiek zijn, net als in de huidige situatie studenten / jongeren. In de beoogde woontoren zal naast wonen worden voorzien in gemeenschappelijke ruimten, een ontvangstruimte, technische ruimten, buitenruimte en parkeergelegenheid. Tevens wordt voorzien in maximaal 500 m2 kantoren en/of bedrijvigheid en maximaal 500 m2 aan horeca. De beoogde herontwikkeling is conform de regels van het geldende bestemmingsplan niet geheel mogelijk. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient daarom een planologische procedure te worden doorlopen. Vanwege de gewenste flexibiliteit is gekozen voor het opstellen van een (postzegel)bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan bestaat onder andere uit een toelichting waarin wordt beschreven dat sprake blijft van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend document bevat deze toelichting.

1.2

Gekozen planopzet

Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de geplande ontwikkeling en de beoogde buitenruimte te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende documenten, te weten de tot het bestemmingsplan toebehorende regels en verbeelding. Deze plandelen omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 4). De bindende delen worden nader onderbouwd met een toelichting op zowel de regels als de verbeelding. In de toelichting wordt nader ingegaan op de ruimtelijke inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling (hoofdstuk 5 en 6) en de uitvoerbaarheid ervan (hoofdstuk 8 en 9). De gehanteerde plansystematiek sluit aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam en het vigerende bestemmingsplan "Haringvliet", met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).

1.3

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Oostmolenwerf (S100) te Rotterdam. De Oostmolenwerf ligt ten westen van de locatie en fungeert tevens als ontsluitingsweg. Ten noorden en oosten van het plangebied is de Boerengatkade gelegen. De Boerengatkade grenst aan het Boerengat, een uit 1591 stammende binnenhaven. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Maasboulevard (S107). Onderstaande figuur 1.1 toont de ligging van het plangebied.

5

Figuur 1.1. Indicatieve begrenzing van het plangebied weergegeven op een luchtfoto (bron: QGIS)

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

1.4

Vigerende bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied is het bestemmingsplan "Haringvliet" vigerend. Dit bestemmingsplan is op 6 juli 2017 vastgesteld. Het plangebied kent de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Verkeer Verblijfsgebied'. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waterstaat Waterkering' van kracht. Er gelden tevens twee maatvoeringsvlakken (in onderstaande figuur met een '1' en '2' weergegeven): aan de noordzijde geldt een maximum bouwhoogte van 68 meter. Aan de zuidzijde geldt een maximum bouwhoogte van 7 meter. Figuur 1.2 bevat een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan.

6

Figuur 1.2. Uitsnede vigerende bestemmingsplannen en daarop aangegeven het plangebied (bron: QGIS)

Naast het vigerende bestemmingsplan "Haringvliet" gelden ter plaatse van het plangebied de bestemmingsplannen "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam", "Parapluherziening biologische veiligheid" en "Parapluherziening evenementen". Tevens is het voorbereidingsbesluit "Flitsbezorgsupermarkten met 'dark stores'" van kracht. Parapluherziening parkeernormering Rotterdam Ter plaatse van het plangebied is de "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam", zoals vastgesteld op 14 december 2017, van kracht. In deze parapluherziening is een regeling in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen, die verwijst naar de parkeernormen voor auto's in het geldende beleid. Deze parapluherziening maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. In de huidige situatie is de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" het geldende beleid. De "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" is vastgesteld door de Raad van de gemeente Rotterdam op 16 december 2021. Deze beleidsregeling is het instrument om het aantal benodigde auto- en fietsparkeerplaatsen te bepalen bij nieuwe bouwontwikkelingen en transformaties. De regeling waarborgt dat initiatiefnemers voldoende parkeercapaciteit realiseren voor auto en fiets bij ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. In paragraaf 6.4 wordt hier nader op ingegaan.

Parapluherziening biologische veiligheid Het doel van deze parapluherziening is om het vestigen of uitbreiden van biologische laboratoria met een hoog risico uitsluitend toe te staan als het beleids- en toetsingskader is getoetst en daaruit blijkt dat het laboratorium wenselijk is op de beoogde locatie. In onderhavig geval bestaat niet de wens om een biologisch laboratorium te vestigen en wordt dit ook niet mogelijk gemaakt. Voornoemde parapluherziening is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling en vormt daarmee geen belemmering of randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling. Parapluherziening evenementen Het bestemmingsplan "Parapluherziening evenementen" is vastgesteld op 3 februari 2022. Met de

7

herziening worden de ruimtelijke aspecten van evenementen in openbaar toegankelijk gebied in het bestemmingsplan vastgelegd. In de kern komt de opzet neer op een regeling voor evenementen op evenemententerreinen, gebaseerd op de 'Locatieprofielen evenementenlocaties Rotterdam 2020' en een regeling voor evenementen buiten de evenemententerreinen verdeeld over de verschillende gebieden van Rotterdam. In onderhavig geval bestaat niet de wens om ter plaatse van het plangebied evenementen te organiseren of te doen laten organiseren. De "Parapluherziening evenementen" is derhalve niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Er is geen sprake van belemmeringen of randvoorwaarden. Voorbereidingsbesluit Flitsbezorgsupermarkten met 'dark stores' Het voorbereidingsbesluit "Flitsbezorgsupermarkten met 'dark stores'" is vastgesteld op 3 februari 2022 en heeft betrekking op het bevriezen van de planologische mogelijkheid om zonder nadere ruimtelijke afweging nieuwe vestigingen van flitsbezorgsupermarkten en 'dark stores' te openen. In onderhavig geval is het doel om woningbouw en commerciële voorzieningen te realiseren. Flitsbezorgsupermarkten en 'dark stores' zijn niet voorzien. Het voorbereidingsbesluit is derhalve niet relevant. Er is geen sprake van belemmeringen of randvoorwaarden voor de beoogde ontwikkeling.

Relatie tot het plangebied De beoogde ontwikkeling bestaat uit maximaal 400 studentenwoningen. Daarnaast wordt er maximaal 500 m2 aan kantoren en bedrijven tot en met milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en maximaal 500 m2 horeca in de categorie 1 mogelijk maakt. Onder deze categorie worden horeca-inrichtingen verstaan die tussen 07:00 en 23:00 geopend mogen zijn, die achtergrondmuziek ten gehore brengen en die al dan niet een terras exploiteren gedurende de openingstijden. De beoogde bebouwing bestaat daarnaast uit meerdere bouwhoogten in trapsgewijze opbouw, van respectievelijk maximaal 13, 22, 34, 49 en 72 meter. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet geheel past binnen de zowel de gebruiks- als bouwregels van het geldende bestemmingsplan is een nieuw bestemmingsplan opgesteld om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.

8

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van het plangebied

Huidig gebruik

Het perceel aan de Oostmolenwerf en de Boerengatkade is in zijn huidige vorm in gebruik als woontoren. De toren biedt plaats aan 211 woningen. De doelgroep betreft voornamelijk studenten. Tevens is op het nabijgelegen terrein ruimte om te parkeren voor fietsen en scooters. Figuur 2.1 geeft het huidige gebruik van het terrein weer. Figuur 2.1. Huidige situatie plangebied (Bron: Google Maps)

2.2

Beoogde ontwikkeling

Het voornemen bestaat om de locatie van de Hoge Wiek te herontwikkelen. De bestaande bebouwing wordt geheel gesloopt om vervolgens te voorzien in nieuwbouw. Dit nieuwe gebouw zal iets groter worden dan de huidige bebouwing, zodat meer woningen kunnen worden gerealiseerd. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn een aantal ruimtelijke en programmatische voorwaarden meegegeven (zie ook paragraaf 3.3.12 Nota van Uitgangspunten). Op basis van deze randvoorwaarden is het bestemmingsplan tot stand gekomen. De beoogde bebouwing heeft een maximale bouwhoogte van 72 meter waarbij de vloer van de bovenste verdieping zich onder de 70 meter bevindt. In totaal worden maximaal 22 verdiepingen (exclusief kelder) gerealiseerd. De kelder bestaat uit twee lagen. De bouwhoogten lopen trapsgewijs op, zie ook figuur 2.2. De volgende maximum bouwhoogten worden onderscheiden: 13, 22, 34, 49 en 72 meter. In de bebouwing worden maximaal 400 studentenwoningen gerealiseerd. Deze woningen zijn bedoeld voor studenten en/of jongeren. Op de eerste, derde en zesde tot en met negende verdieping worden gemeenschappelijke ruimten gerealiseerd, waardoor er voor de studenten en jongeren een mogelijkheid

9

ontstaat tot samenkomst. Elke woning beschikt over een eigen kookgelegenheid en sanitaire voorzieningen. De derde, zesde, tiende en vijftiende verdieping beschikken over een buitenruimte in de vorm van daktuinen of dakterrassen. Op het dak, de begane grond en in beide lagen van de kelder wordt tevens voorzien in voor technische ruimten. Op de begane grond en op de eerste verdieping is tevens een commerciële ruimte beoogd. Hierin zal maximaal 500 m2 aan kantoor en bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en maximaal 500 m2 horeca 1 gerealiseerd worden. Onder horeca 1 worden horeca-inrichtingen verstaan die tussen 07:00 en 23:00 geopend mogen zijn, die achtergrondmuziek ten gehore brengen en die al dan niet een terras exploiteren gedurende de openingstijden. De begane grond en de eerste kelderverdieping voorzien in de benodigde parkeerruimten. De parkeerruimten worden gebruikt voor fietsparkeren. Figuur 2.2. Impressie beoogde ontwikkeling, gezien vanaf het Boerengat (Bron: Mecanoo Architecten)

10

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Vastgesteld op 11 september 2020 In de Nationale Omgevingsvisie zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale Omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 3.1. Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)

De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b)

11

doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen Relatie tot het plangebied In de NOVI zijn de volgende nationale belangen genoemd die het project raken: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoet water.

Voor wat betreft de volgende nationale belangen "Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving”, “Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit” en “Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” wordt verwezen naar de milieuonderzoeken, zoals die in Hoofdstuk 6 Milieu aan de orde komen. Het realiseren van een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften behelst een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zie hierna onder paragraaf Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking). Voor de nationale belangen “Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid" en “Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoet water” wordt verwezen naar Hoofdstuk 5 Water.

De ontwikkeling zal een bijdrage leveren aan de nationale belangen, waaronder het bevorderen van de duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving en zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de NOVI, die gekenmerkt wordt door een hoog abstractie en schaalniveau. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Vastgesteld op 22 augustus 2011, geconsolideerde versie 1 december 2020 Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de juridische vertaling van nationaal ruimtelijk beleid. Het besluit bevat regels die doorwerken op gemeentelijk niveau, en dus relevant zijn voor bestemmingsplannen. Voorbeelden van zaken die geregeld zijn in het Barro zijn rijksvaarwegen, hoofdwegen, het 380 kV-netwerk en buisleidingen van nationaal belang. Relatie tot het plangebied Net als de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte kenmerkt het Barro zich tot een hoog abstractieniveau en is het beleid alleen aan de orde op specifieke locaties (bijvoorbeeld in de mainports of nabij de kust) of bij specifieke projecten (zoals het project 'Randstad 380 kV'). Het plangebied ligt niet in een dergelijk

12

gebied en bevat ook geen grootschalige ontwikkelingen die opgenomen zijn in het Barro. Om die reden bevat het Barro geen concreet beleid voor het plangebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het Barro. 3.1.3

Erfgoed

Vastgesteld op 15 juni 2011 In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet. Relatie tot het plangebied Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische bebouwing, noch erfgoed. Wel is sprake van een archeologische verwachting, welke wordt beschermd door het plangebied te voorzien van een archeologische dubbelbestemming. In paragraaf 6.8 wordt hier nader op ingegaan. Conclusie De ontwikkeling is niet in strijd met de Beleidsvisie Erfgoed en Ruimte. 3.1.4

Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)

In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Relatie tot het plangebied Met voorliggend bestemmingsplan worden maximaal 400 studentenwoningen, maximaal 500 m2 bvo aan kantoren en bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en maximaal 500 m2 horeca 1 mogelijk gemaakt.

Onder horeca 1 worden horeca-inrichtingen verstaan die tussen 07:00 en 23:00 geopend mogen zijn, die achtergrondmuziek ten gehore brengen en die al dan niet een terras exploiteren gedurende de openingstijden. Woningbouw De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Een actualisering van de regionale woonvisies is op 26 september 2017 aanvaard door Provinciale Staten. Uit de (actualisering van) de woonvisies blijkt dat er de komende jaren in de provincie vooral vraag is naar stedelijke woonmilieus: een relatief hoge dichtheid, goede bereikbaarheid, een hoog voorzieningenniveau en functiemenging. Hier wordt met de ontwikkeling invulling aan gegeven. In paragraaf 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt nader ingegaan op de ladderonderbouwing. Daarin wordt ook ingegaan op de behoefte aan het commerciële programma. Conclusie

13

De woningen en het beperkte commerciële programma dat met voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt voorziet in een actuele behoefte binnen bestaand stedelijk gebied. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2

Provinciaal beleid

Algemeen De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Omgevingsvisie Zuid-Holland, de Omgevingsverordening Zuid-Holland en het Programma Ruimte. In de volgende paragrafen wordt hier nader op ingegaan. 3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 (geconsolideerde versie 1 april 2023) Per 1 april 2023 is de (geconsolideerde) Zuid-Hollandse Omgevingsvisie in werking getreden. In de Omgevingsvisie is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities. De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zeven ambities draagt Zuid-Holland bij aan een betere leefomgeving in de provincie. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd.

De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale

14

doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

Figuur 3.2 Soorten ontwikkelingen (bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland)

De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Relatie tot het plangebied Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied is gelegen, zie ook figuur 3.3. Figuur 3.3 Uitsnede kaart Bestaand Stads- en Dorpsgebied (Bron: staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/bestaand-stads-en-dorpsgebied/)

15

Het plangebied is daarnaast binnen twee van de vier kwaliteitskaarten van Zuid-Holland gelegen: de kaart 'Laag van de ondergrond' en de kaart 'Laag van de stedelijke occupatie'. De overige kaarten 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen' en 'Laag van de beleving' worden derhalve buiten beschouwing gelaten. Laag van de ondergrond Het plangebied is op de "Laag van de ondergrond" aangewezen als 'Rivierdeltacomplex - rivierklei / veen'. Zie figuur 3.4. Figuur 3.4 Uitsnede kaart Laag van de ondergrond (Bron: http://gebiedsprofielen.zuid-holland.nl/)

Binnen dit gebied geldt het volgende richtpunt waaraan voldaan dient te worden: Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. In de bestaande situatie is de gehele plangebied verhard. Als gevolg zijn de komgronden en oeverwallen al niet meer zichtbaar. Hierdoor kan bij de realisatie van de beoogde ontwikkeling geen afbreuk gedaan worden aan de komgronden en oeverwallen. In de toekomstige situatie blijft het plangebied eveneens geheel verhard. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied is volgens de "Laag van de stedelijke occupatie" gelegen in het gebied 'steden en dorpen'. Zie hiervoor figuur 3.5. Figuur 3.5 Uitsnede kaart Laag van de stedelijke occupatie (Bron: http://gebiedsprofielen.zuid-holland.nl/)

16

Binnen het gebied 'steden en dorpen' gelden de volgende richtpunten waaraan voldaan dient te worden: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Uit het ruimtelijk kader van de Hoge Wiek (Mecanoo, d.d. 2 november 2021) is af te lezen dat de bebouwing zodanig wordt ingepast dat het goed zal aansluiten op de omgeving.

De Hoge Wiek zal tevens aansluiten op de toekomstige bebouwing en de zichtlijnen die relevant zijn voor de naastgelegen ontwikkeling van het Havenziekenhuis. Zie hiervoor ook onderstaande figuren 3.6 en 3.7. Op deze manier zal worden voldaan aan de richtpunten van het provinciaal beleid. Figuur 3.6 Stedenbouwkundige

inpassing in vogelvlucht (bron: Mecanoo)

17

Figuur 3.7 Stedenbouwkundige

inpassing in 3D-zicht (bron: Mecanoo)

Daarnaast is het plangebied aangewezen als ' Stedelijk centrumgebied'. De historische centra en kernen met hun compacte bebouwingsstructuur zijn waardevolle woon- en vestigingsmilieus in Zuid-Holland en dragen bij aan de toeristische kwaliteit. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de vitale stadsen dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het mogelijk maken van een woontoren met ruimte voor horeca, kantoren en bedrijven tot en met milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten. Hiermee biedt het plan ruimte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het plangebied is reeds bestemd voor een

18

woonfunctie. Gezien de ligging nabij het stedelijk centrumgebied passen de beoogde activiteiten bij de schaal en aard van het gebied. Daarmee is sprake van inpassing. Het plan heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling wordt gestreefd naar behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Hiermee past het plan binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 (geconsolideerde versie 1 april 2023) Per 1 april 2023 is, naast de Omgevingsvisie, ook de geconsolideerde versie van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de Omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de Omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de Omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de ladder voor duurzame verstedelijking geldt overigens dat deze op basis van landelijke regelgeving niet van toepassing is, maar dat de provincie de bevoegdheid heeft nadere regels te stellen met betrekking tot de onderbouwing van de (regionale) behoefte, hetgeen de provincie Zuid-Holland in haar verordening heeft gedaan. Relatie tot het plangebied Er zijn diverse regels uit de Omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. Een samenvatting van deze regels met de relevante voorwaarden voor de voorgenomen ontwikkeling is onderstaand weergegeven. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit: 5.

Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De locatie is tevens gelegen binnen het gebied dat is aangewezen als grootstedelijke top- en centrumlocatie. Daarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt dat stedelijke ontwikkelingen bij voorkeur op dergelijke locaties plaatsvinden. In onderhavig geval is sprake van inpassing van een ontwikkeling die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart, zie ook paragraaf 3.2.1. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen: 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b.

Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de

19

ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Op grond van de provinciale Omgevingsverordening dient ingegaan te worden op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij dient zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte worden door de provincie de Woningbehoefteraming (WBR) en de Trendraming (TR) gebruikt. De provincie stelt de hoogste uitkomst vast als regionale behoefte aan nieuwe woningen in een bepaalde periode. Hierdoor is er, in plaats van de eerder gehanteerde bandbreedte, één richtgetal per regio. In de praktijk betekent dit dat voor regio's waar de TR lager dan de WBR uitvalt, de WBR het uitgangspunt voor de behoefte is, en voor regio's waar de TR hoger dan de WBR uitvalt, de TR dat is.

In tabel 3.1 is de WBR afgezet tegen de BP van de regio Rotterdam voor de komende decennia. De tabel is beperkt tot de regio Rotterdam Centrum. Tabel 3.2 betreft een weergave van de TR van de regio Rotterdam voor dezelfde periode. Tabel 3.1 WBR en BP uitgedrukt in woningvoorraadontwikkeling, Staat van Zuid-Holland (bron: http://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/prognoses-naar-gebied-en-periode)

Tabel 3.2 Trendraming regio Rotterdam - Centrum (bron: http://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/prognoses-naar-gebied-en-periode)

Op basis van de WBR en BP blijkt voor de periode 2022-2029 een woningbehoefte van 3.613 woningen ten opzichte van een bevolkingsprognose van 3.015 Uit de TR blijkt voor de periode 2020-2030 een te woningvoorraadtoename van 22.530 woningen voor het gehele centrum van Rotterdam. De TR valt daarmee hoger uit dan de WBR en is daarmee het uitgangspunt voor de behoefte. Het toevoegen van maximaal 400 studentenwoningen draagt bij aan de woningbehoefte in de regio. Uit de nieuwe Kwalitatieve Woningbehoefteverkenning van de provincie Zuid-Holland blijkt tevens dat er een flink tekort aan studentenwoningen in de vier grote studiesteden Leiden, Den Haag, Delft en Rotterdam is. Het tekort zal van 7.800 woningen in 2022 oplopen naar 9.000 woningen in 2030. Voor Rotterdam is berekend dat er in 2022 een tekort van 2.700 studentenwoningen was. Met het toevoegen van maximaal 400 studentenwoningen (een additie van maximaal 189 woningen) zal worden bijgedragen aan het terugdringen van het tekort in Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. De voorgenomen ontwikkeling maakt daarnaast maximaal 500 m2 aan horeca en maximaal 500 m2 aan kantoren en bedrijvigheid tot en met milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten mogelijk. Gezien de toevoeging van woningbouw in voorliggend plan en de ligging aan de rand van het centrum, dient te worden voorzien in ondersteunende, lokale voorzieningen.

Voorliggend plan voorziet in voorzieningen op lokaal niveau. Het plangebied is gelegen aan het Boerengat en de Oostmolenwerf nabij het centrum van Rotterdam, waar de provincie graag meer beleidsruimte wil toekennen wanneer het gaat om de realisatie van detailhandel, kantoren en andere commerciële functies. De locatie leent zich uitstekend voor vestiging van voorzieningen, gelet op de ligging van het plangebied nabij het centrum. Om ervoor zorg te dragen dat aan de regels van de verordening wordt voldaan zijn in de planregels

20

specifieke gebruiksregels opgenomen. Daarin is vastgelegd dat maximaal 500 m2 bvo aan horeca en maximaal 500 m2 bvo aan kantoren en bedrijven tot en met milieucategorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten is toegestaan. Daarnaast draagt woningbouw in combinatie met commerciële voorzieningen bij aan de ambitie voor het gebied, namelijk het creëren van een hoogstedelijk woonmilieu met veel functiemenging. Gesteld kan worden dat de Ladder met succes is doorlopen. Artikel 6.10a Dichtheid en verscheidenheid woningbouw 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt buiten bestaand stads- en dorpsgebied, houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. 2. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw. Met het beoogde plan wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke woningdichtheid waar sprake is van een goede woon- en leefomgeving. Hiermee wordt voldaan aan artikel 6.10a. Artikel 6.10b Parkeernorm sociale huur 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2.

In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. De gemeente Rotterdam beschikt over parkeerbeleid waarin voor sociale huurwoningen specifieke parkeernormen zijn opgenomen. De norm uit de verordening wordt dan ook niet gehanteerd. Artikel 6.10c Parkeernorm stationsomgevingen 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe woningen in een stationsomgeving, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd op kaart 22 in bijlage II, hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per woning. 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld. Het plangebied is conform de Omgevingsverordening binnen een stationsomgeving gelegen. In paragraaf 6.4 wordt nader ingegaan op de parkeernorm in een stationsomgeving. Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Conform artikel 6.10d is in de verkeersanalyse ingegaan op de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid, zie ook paragraaf 6.4 Verkeer en parkeren. Artikel 6.11 Kantoren 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren op gronden: a.

binnen grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; b. binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie; c. binnen de bijzondere locaties, waarbij de plaats geometrisch is bepaald op kaart 10 in bijlage II, mits passend in het profiel van deze locaties. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto oppervlak van 1.000 m2 per vestiging, voor zover geen cluster van meer dan vijf kantoren ontstaat; c. gemeentehuizen en -kantoren; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto oppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en

21

e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling. Het plangebied is in de Omgevingsverordening aangeduid als "grootstedelijke top- en centrumlocatie". Het bestemmingsplan staat maximaal 500 m2 bvo voor kantoren. Gezien de locatie en omvang van het kantorenprogramma past dit binnen de uitgangspunten van de Omgevingsverordening. Artikel 6.22 Regionale waterkeringen 1. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. 2. Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. 3. Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. 4. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. 5. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering.

Het plangebied is conform het bestemmingsplan "Haringvliet" aangewezen met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. De op de gronden van toepassing zijnde dubbelbestemming zijn derhalve in dit bestemmingsplan overgenomen, zodat de waterkering beschermd blijft. Artikel 6.27a risico’s van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d.

wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte;

alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling. Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s. In het plangebied is rekening gehouden met de risico's van klimaatverandering. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.13 Duurzaamheid. Conclusie De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het provinciale beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Rotterdam 'De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen' Vastgesteld door gemeenteraad op 2 december 2021 De Omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam. Het is een nieuwe stadsvisie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze Omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030. Tot de datum van invoering van de Omgevingswet krijgt de Omgevingsvisie de status van structuurvisie onder het huidige regime van de Wet ruimtelijke ordening. Hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en de identiteit ondersteunt en versterkt. De Omgevingsvisie gaat uit van 5 lange termijn doelen (perspectieven): compact, inclusief, duurzaam,

22

gezond, productief. Mede aan de hand daarvan worden in de Omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd waarmee invulling wordt gegeven aan de koers voor Rotterdam voor goede groei: Rotterdam zet in op prettig leven in de delta: Rotterdam wordt een gezonde, groene en aantrekkelijke stad in de grotere metropoolregio om te wonen, werken, recreëren, sporten en bewegen. Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden. Er wordt verstedelijkt binnen de bestaande stad om de stad te versterken. Verstedelijking gebeurt vooral bij en rondom bestaand of nieuw hoogwaardig openbaar vervoer. Rotterdam zet in op vitale wijken met een divers aanbod aan woon- en werkruimte en passende maatschappelijke voorzieningen. Het moet niet uitmaken waar je opgroeit om dezelfde kans te hebben op goed onderwijs, een goede woning en passend werk. In de wijken komen een heleboel opgaven samen: deze worden in samenhang aangepakt om de wijken toekomstbestendig te maken. Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie: Er wordt gewerkt aan een stad die klimaatneutraal is en waar grondstoffen hergebruikt worden. Zo wordt een duurzaam Rotterdam gecreëerd met een bloeiende en innovatieve economie. Voor nu en toekomstige generaties. Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen: Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie.

Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening. Er is een aantal gebieden waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en waar er tegelijkertijd kansen liggen om veel van onze stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes. Het betreft de binnenstad, Alexander tot en met Zuidplein en Rotterdam-Zuid. Voor de ontwikkeling van deze gebieden formuleert de Omgevingsvisie enkele gebiedskeuzes. Binnenstad De binnenstad, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt, is een gebied waar meerdere opgaven bij elkaar komen en kansen liggen om stedelijke doelstellingen te realiseren. De binnenstad is een zeer geschikte plek om verder te verdichten en daarmee de aantrekkelijkheid te vergroten voor zowel wonen, werken als recreëren. Een hoge mate aan functiemenging wordt geambieerd. De gemeente streeft naar een balans tussen rust en reuring. Daarbij blijft het een gebied waar iedereen elkaar kan ontmoeten. In de binnenstad is sturing nodig op de gewenste programmering. De druk op de beschikbare ruimte neemt snel toe en zorgt voor verdringing van functies.

De betaalbaarheid van sommige functies staat onder druk; wonen in het betaalbare segment (sociaal en midden), betaalbare kantoor- en bedrijfsruimtes en ruimtes voor (maatschappelijke) voorzieningen. Wanneer daar niet op wordt gestuurd leidt dit tot verschraling van de diversiteit van het aanbod en uitsluiting van groepen bewoners en ondernemers. Daarnaast kent de binnenstad een toenemende druk op de openbare ruimte. Denk aan de toename van het aantal verplaatsingen door steeds meer mensen (bewoners, werkers en bezoekers). De ruimte die nodig is voor georganiseerde activiteiten maar ook om even tot rust te komen. Zowel boven- als ondergronds is ruimte nodig om de transities in goede banen te leiden; meer ruimte voor voetganger en fiets, vergroening en stadsecologie, waterberging en een duurzame energievoorziening. Dit vraagt om méér en hoogwaardig ingerichte openbare ruimte voor intensief gebruik en daardoor ook intensief beheer en onderhoud. Daarom zijn keuzes en investeringen in het publieke domein nodig om transities voldoende ruimte te geven én om leefomgevingskwaliteit toe te voegen. Relatie tot het plangebied Met de ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan het verdichten van de binnenstad.

Door zowel te voorzien in woningen als in beperkte mate van horeca, kantoren en bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten ontstaat binnen het plangebied een aantrekkelijk woon- en werkmilieu. Tevens wordt de locatie met het toevoegen van een horecagelegenheid aantrekkelijk voor bezoekers van de binnenstad. De beoogde ontwikkeling levert daarmee een bijdrage aan hetgeen met de Omgevingsvisie is beoogd. Conclusie

23

De beoogde ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. 3.3.2

Woonvisie Rotterdam, Koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidsproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Relatie tot het plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in maximaal 400 huurwoningen voor studenten en jongeren. Uit de Woonvisie volgt de gemeente Rotterdam studenten wil aantrekken en vasthouden. Daarvoor zijn nieuwe studentenwoningen benodigd in de nabijheid van voorzieningen en een aantrekkelijke openbare ruimte. Aangezien maximaal 400 studentenwoningen (waarmee sprake is van een toevoeging van maximaal 189 woningen) worden toegestaan wordt een bijdrage geleverd aan de huisvesting voor de studenten.

De maximaal beoogde 500 m2 voor horeca uit de categorie 1 en de maximaal beoogde 500 m2 voor kantoren en bedrijven tot en met de categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten leveren tevens een bijdrage aan nieuwe voorzieningen die het wonen aan het Boerengat en de Oostmolenwerf aantrekkelijker voor deze doelgroep - en tevens voor omwonenden - moeten maken. Daarbij draagt een levendige plint bij aan de levendigheid op maaiveld. De ontwikkeling geeft invulling aan de ambities uit de Woonvisie Rotterdam. 3.3.3

Horecagebiedsplan Centrum 2022-2024

In het gebiedsplan voor het centrum staat beschreven wat voor horeca zich daar kan vestigen. Het horecagebiedsplan is zowel een visie- als uitvoeringsdocument. Dat wil zeggen dat enerzijds op basis van de aard en het karakter van het gebied het perspectief voor de ontwikkeling van horeca in de komende jaren wordt geschetst. De ruimtelijke ontwikkeling, de economische stand van zaken c.q. het vestigingsklimaat en de veiligheidssituatie worden hierin meegenomen. Anderzijds wordt ook aangegeven hoe die ontwikkeling concreet vormgegeven en uitgevoerd kan worden. In de beschrijvingen per gebied wordt nader ingegaan op de ontwikkelruimte die wordt geboden voor

24

ondernemers. Op basis van de ontwikkelingen die worden gezien of worden beoogd is opgenomen wat de gemeente toestaat aan horeca-activiteiten. Relatie tot het plangebied De ontwikkeling is gelegen in de wijk 'Stadsdriehoek'. Dit is een wijk met verschillende karakters. Het streven naar een aantrekkelijker verblijfsklimaat moet resulteren in het aantrekken van meer bewoners, bezoekers en werkenden. Dit gebeurt onder meer door in te zetten op de levendigheid en gastvrijheid van het gebied. De programmering is daarbij essentieel. Omdat de Stadsdriehoek een groot gebied bestrijkt met een sterk wisselende uitstraling is ervoor gekozen om de diverse gebieden/straten apart te beschreven. Straten die niet zijn beschreven worden gezien als woonstraten. De ontwikkeling ligt vlakbij het Haringvliet. Voor het gebied Haringvliet is aangegeven dat dit gebied slechts een minimale ontwikkelmogelijkheid kent gelet op de reeds aanwezige hoeveelheid horeca en de druk op het woon- en leefklimaat voor het Oostplein. De gewenste ontwikkelingsrichting is als volgt: Bestaande en nieuwe inrichtingen: consolideren, uitgezonderd het Havenziekenhuis waar ontwikkelingen tot en met categorie 1 zijn toegestaan. Vrijgesteld van vergunningplicht: 0.1 toegestaan. Consolideren betekent dat geen nieuwe horeca inrichtingen zijn toegestaan.

Ook is een verzwaring van activiteiten en/of categorieën niet mogelijk en kan het vloeroppervlakte en terras van bestaande inrichtingen in principe niet toenemen. Dit tenzij het een gering aantal m2 inpandig betreft of eisen worden gesteld in landelijke wetgeving waardoor ondernemers gedwongen worden aanpassingen in het pand aan te brengen. Gezien de ligging naast het Havenziekenhuis en de wens te voorzien in een aantrekkelijke en levendige plint wordt voor de ontwikkeling van de Hoge Wiek voorzien in een beperkt oppervlakte aan horeca, namelijk maximaal 500 m2 en een bijbehorend terras. Dit sluit aan bij het horeca uitvoeringsplan dat op 2 februari 2023 is vastgesteld. Figuur 3.8 Gewenste ontwikkelingsrichting

Stadsdriehoek (bron: Horecagebiedsplan

Centrum 2022-2024)

In de regels van voorliggend bestemmingsplan wordt gewerkt met de categorisering conform de Staat van horeca-activiteiten (bijlage bij de regels). Middels voorliggend bestemmingsplan wordt maximaal categorie 1 conform de Staat van horeca-activiteiten toegestaan. Dit zijn hoofdzakelijk activiteiten die betrekking hebben de verstrekking van dranken al dan niet in combinatie met het verstrekken van etenswaren en maaltijden. Nachthoreca (categorie 2) en zware horeca (categorie 3 conform de Staat van horeca-activiteiten), welke voor een goed functioneren ook 's nachts geopend is, wordt niet toegestaan. Een discotheek, bar-dancing en partycentrum zijn daarmee onder meer uitgesloten.

25

De beoogde ontwikkeling is daarmee in lijn met het Horecagebiedsplan 2022-2024. Hetgeen dat maximaal wordt toegestaan is daarmee vergelijkbaar met de in het horecagebiedsplan gedefinieerde vorm van 'reguliere horeca' als het gaat om cafés, restaurants en bars, etc.. Aangezien dit type horeca wordt toegestaan wordt met het bestemmingsplan aangesloten bij hetgeen met het horecagebiedsplan is beoogd. 3.3.4

Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+

Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik. Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto's en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin.

De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

Relatie tot het plangebied Met voorliggend plan wordt herstructurering van het plangebied mogelijk gemaakt waarbij wordt voorzien in woningen en voorzieningen. In paragraaf 6.4 wordt nader ingegaan op het aspect verkeer. Daaruit volgt dat wordt voldaan aan de uitgangspunten van het verkeersplan. 3.3.5 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c60b5789-bdb5-4ce8-aa1c-da5cd5b16f0e