CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb004785] Bijlage behorende bij 24bb004783 over ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 28 augustus 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen15.709 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het is echter niet uitgesloten dat ter plaatse van de tuin ten zuiden van het plangebied sprake is van een (spoedeisend) geval van ernstige bodemverontreiniging. Hier zijn namelijk sterk verhoogde gehalten aangetoond voor lood, zink en PAK in de bovenste onbedekte meter. Momenteel wordt dan ook een nader onderzoek naar de omvang van deze verontreiniging uitgevoerd. Met dit bestemmingsplan wordt een functieverruiming voor het pand Schiedamse Vest 180 beoogd. Aangezien er nog geen concrete bouwplannen zijn en er dus ook geen bodemverstorende activiteiten plaatsvinden, vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor de beoogde functieverruiming.

2 Verhoeven Milieutechniek, diverse oriënterende (bodem)onderzoeken Schiedamse Vest 160-180 en 160d te

Rotterdam, augustus 2022, projectnummer B22.8588.

- 30 -

4.7

Archeologie Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP’s), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het “Verdrag van Malta” is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.

De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Archeologische verwachting Volgens de Archeologische Waardenkaart Rotterdam ligt het plangebied in een zone met een zeer hoge archeologische verwachting. Deze verwachtingswaarde hangt samen met de historische stadsdriehoek van Rotterdam, waarbinnen het plangebied is gelegen. Daarnaast wordt verondersteld, dat onder de huidige 1e Blekerhof het restant van een dijklichaam aanwezig kan zijn. Deze dijk kan dateren uit het begin van de bedijkingsgeschiedenis (circa 1200 na Christus). Bescherming van de archeologische waarden De beoogde functieverruiming leidt niet tot bodemverstorende activiteiten, waardoor het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet aan de orde is. Wel wordt ter bescherming van eventuele aanwezige archeologische waarden conform het bestemmingsplan “Cool” aan de gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toegekend. Dit betekent, dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is, voor bouw- en graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld en leiden tot een verstoringsoppervlak groter dan 100 m2.

4.8

Flora en fauna De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting

- 31 -

hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Uit een uitgevoerd ecologische quickscan 3 blijkt, dat het plangebied op ruime afstand (ruim 8,4 kilometer) van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ligt. Door deze afstand zijn de meeste effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Emissie van stikstof kan echter ook op grotere afstand een aandachtspunt zijn. Uit een uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt, dat de beoogde ontwikkeling zowel in de gebruiks4- als de aanlegfase5 niet leidt tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee heeft het project geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de omringende Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde gebied dat toebehoort aan het Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 4 kilometer afstand. Door de aard van de ingrepen (een gelijkaardig gebruik in de nieuwe situatie) en het feit dat in het zuidelijk deel van het plangebied geen ontwikkelingen zijn voorzien, zijn effecten op het Natuurnetwerk Nederland op voorhand uit te sluiten. Ook belangrijke weidevogelgebieden liggen op grote afstand (8,5 kilometer), waardoor deze gebieden niet nadelig worden beïnvloed.

Soortbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: • strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; • alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Uit de eerder aangehaalde quickscan blijkt dat in het plangebied de volgende beschermde diersoorten verwacht worden c.q. aanwezig zijn: • vleermuizen; • vogels. Hieronder wordt nader op deze diersoorten ingegaan. In het plangebied worden vanwege het ontbreken van een geschikt leefgebied andere diersoorten niet verwacht. Vleermuizen In de omgeving van het plangebied zijn diverse soorten vleermuizen waargenomen, waaronder de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. De meeste soorten zijn in meer of mindere mate gebouwbewonend. De aanwezige bebouwing is beoordeeld als toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. Zo bevat het pand open stootvoegen, waardoor de spouw toegankelijk is.

Gebaseerd op de bekende verspreidingsgegevens, de ligging van de plangebied in het stedelijk gebied en de type

3 Blom Ecologie, Quickscan Wet natuurbescherming Schiedamse Vest 160 en 180 te Rotterdam, december 2022,

project 2022-0624. 4 Blom Ecologie, Notitie AERIUS (gebruik), augustus 2022, project 2022-0624. 5 Blom Ecologie, Notitie AERIUS (aanleg), XX 2023, project 2023-x. (deze wordt nog bijgevoegd)

- 32 -

bebouwing is potentie voor verblijfplaatsen van de volgende vleermuissoorten aanwezig: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis. In het plangebied zijn geen bomen aangetroffen met voor vleermuizen geschikten holten. Het plangebied heeft als foerageergebied enige betekenis. Door het vrij geringe oppervlak aan geschikt foerageergebied in relatie tot overig foerageergebied in de omgeving, wordt op voorhand gesteld dat geen sprake is van essentieel foerageergebied. Vliegroutes, waarbij slechts één structuur belangrijk is, ontbreken in het plangebied en/of de nabije omgeving. Negatieve effecten op de navigeer- en foerageermogelijkheden van vleermuizen zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Vogels In / nabij het plangebied zijn tijdens het veldbezoek enkele algemeen voorkomende vogels waargenomen, zoals ekster, kleine mantelmeeuw, zilvermeeuw en zwarte kraai. De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bebouwing vormt voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Omdat in de directe omgeving meer dan voldoende alternatieven voorhanden zijn, is geen sprake van jaarronde bescherming. Effecten worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren.

In de nabije omgeving zijn geen nestlocaties van jaarrond beschermde vogels bekend. Het pand is voor deze vogelsoorten ook ongeschikt als broedlocatie. De aanwezigheid van nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten wordt dan ook uitgesloten. Conclusie Doordat de werkzaamheden beperkt van aard zijn, en preventief afdoende maatregelen kunnen worden getroffen (bijvoorbeeld door nestkasten op te hangen / in te bouwen), zijn over het algemeen géén negatieve effecten op strikter beschermde soorten te verwachten. Wel is het noodzakelijk om voorafgaand aan de transformatie (waarbij grootschalige gevelaanpassingen zijn voorzien) nader onderzoek naar vleermuizen uit te voeren, zodat het actueel gebruik van de bebouwing vastgesteld kan worden. Na uitvoer van dit aanvullende onderzoek kunnen indien noodzakelijk, gepaste maatregelen worden getroffen. In § 5.2 van de quickscan is onderbouwd dat het nog moeten uitvoeren van aanvullende ecologische onderzoeken de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Het bestemmingsplan kan worden vastgesteld, omdat er redelijkerwijs aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het soortenbeschermingsregime de planrealisatie toelaat (Raad van State, 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1740). Gesteld wordt, dat de Wet natuurbescherming de beoogde functieverruiming van het Oogziekenhuis daarmee niet in de weg hoeft te staan. 4.9

Duurzaamheid Duurzaamheid is onder andere zodanig bouwen, renoveren en beheren dat, gedurende de hele kringloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving, het milieu en de menselijke gezondheid zo min mogelijk negatieve effecten ondervinden. Het begrip duurzaamheid speelt op verschillende schaalniveaus een rol, zowel op het niveau van de stad, de wijk als het gebouw. Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen- principes en de energieprestatie eisen.

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting

- 33 -

Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De stad streeft hierbij om als Rotterdam het inspirerende voorbeeld te zijn voor andere deltasteden in de wereld die de duurzaamheidstransitie doormaken. Daarbij is het zogenaamde Programma Duurzaam 2015-2018 opgesteld, waarin drie overlappende ambities zijn opgenomen: 1. ambitie 1: groene, gezonde en toekomstbestendige stad; 2. ambitie 2: schonere energie tegen lagere kosten; 3. ambitie 3: sterke en innovatieve economie. Met dit Programma Duurzaam wordt voor de periode 2015 – 2018 verder gegaan op de ingeslagen weg en wordt verder ingezet op innovatie en het experiment. Met dit bestemmingsplan wordt een functieverruiming voor het pand Schiedamse Vest 180 beoogd. Aangezien er nog geen concrete bouwplannen zijn, is op dit moment ook nog niet duidelijk welke duurzaamheidsmaatregelen bij een eventuele transformatie van het pand (kunnen) worden genomen. 4.10

Besluit m.e.r. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het Besluit m.e.r. bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is, staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen wordt per activiteit de drempelwaarden beschreven. Voor deze ruimtelijke onderbouwing is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is één activiteit gevonden die mogelijk m.e.r(beoordelings)plichtig is, te weten: • D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, bij een oppervlakte van 100 hectare of meer aaneengesloten gebied en dat 2.000 woningen of meer omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Met dit bestemmingsplan wordt een functieverruiming van het pand Schiedamse Vest 180 beoogd, waarbij de bouwmogelijkheden ter plaatse ongewijzigd blijven.

In de planregels is het aantal woningen gemaximeerd op 100. Aanzienlijk minder dus dan 2.000, waardoor deze functieverruiming onder de in onderdeel D11.2 genoemde drempelwaarde blijft. De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een milieueffectrapport noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten. B&W heeft bij de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan besloten dat het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is . - 34 -

5.

JURIDISCHE ASPECTEN

5.1

Inleiding Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.

5.2

De opzet van de planregels De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Bestemmingsregels; • Algemene regels; • Overgangs- en slotregels. Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc. Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze omschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van de gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt behoeft te worden. In dit bestemmingsplan worden de volgende bestemmingen onderscheiden: Enkelbestemmingen Artikel 3 Centrum - 5

Dubbelbestemmingen Artikel 4 Waarde - Archeologie

In het vervolg van deze paragraaf wordt per bestemming een nadere toelichting gegeven. Artikel 3 Centrum – 5 Deze bestemming is van toepassing op het gehele plangebied en daarmee dus ook het gehele gebouw waarin het Oogziekenhuis nu gevestigd is. De bestemming is afgestemd op de deoverige ‘Centrum’-bestemmingen in het bestemmingsplan ‘Cool’, maar op onderdelen aangescherpt (zo is bijvoorbeeld de hotelfunctie vervallen en is ook detailhandel uitgesloten). Het bestaande maatschappelijk gebruik op alle verdiepingen blijft behouden, aangezien het oogziekenhuis voorlopig nog moet kunnen functioneren. De nieuwe bestemming biedt vooral

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting

- 35 -

meer flexibiliteit in gebruik. Zo is ook een woonfunctie toegevoegd (maximaal 100 woningen die mogelijk zijn op alle verdiepingen) en staat de bestemming het toe om eventueel beschikbare ruimtes op de begane grond te gebruiken voor horeca, werkruimtes, cultuur en ontspanning. Daarbij zijn bepalingen opgenomen voor het maximum b.v.o. per vestiging. Op de verbeelding zijn diverse aanduidingen opgenomen waarnaar wordt verwezen. Zo zijn de maximale hoogtes bepaald en is sprake van een bouwvlak. Artikel 4 Waarde - Archeologie Het gehele plangebied is voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie'. Uitgangspunt is dat potentiële aanwezige archeologische waarden beschermd dienen te worden. Bij verstoringen van de bodem dient een archeologisch rapport te worden opgesteld alvorens met de verstorende activiteit begonnen kan worden. Concreet komt dit neer op een inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen. Dit geldt zowel voor bouwwerkzaamheden als voor overige werkzaamheden. Aan een te verlenen vergunning kunnen voorwaarden verbonden worden. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemverstorende activiteiten die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan.. Algemene regels Dit hoofdstuk bevat vijf algemene regels.

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 6 Algemene afwijkingsregels Dit artikel bevat een aantal afwijkingsregels. Zo is een regeling opgenomen om van de toegestane bouwhoogte af te kunnen wijken ten behoeve van de realisatie van technische voorzieningen op het dak. De bouwhoogte kan in dit geval met 3 meter worden verhoogd. Tevens is een afwijkingsregel opgenomen, waarmee burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw ten behoeve van een architectonisch verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag. De bouwhoogte kan in dat geval met 3 meter verhoogd worden. Verder biedt dit artikel de mogelijkheid om geringe afwijkingen toe te staan van begrenzingen, indien dit noodzakelijk is en geen nadelige gevolgen heeft voor de directe omgeving. De afwijking mag hierbij niet meer dan 1 meter bedragen en waarbij belangen van derden niet worden geschaad.

Artikel 7 Voorwaardelijke verplichting over parkeren Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat er vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en er dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop is beleid vastgesteld. Op dit moment geldt de ‘Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022’. Deze beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen.

- 36 -

Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan er vrijstelling van de parkeereis worden verleend. In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden vrijstelling kan worden verleend. Om aan het beleid te kunnen toetsen is in het bestemmingsplan een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto’s en fietsen. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat er alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto’s conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid. In de bepaling wordt niet expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling. Dat is een bewuste keuze want het beleid kan in de toekomst wijzigen.

Om ook aan een eventuele wijziging van het beleid van de gemeente Rotterdam te toetsen, zonder dat het bestemmingsplan daarvoor aangepast moet worden, is de beleidsregeling niet expliciet genoemd of bijgevoegd. Overgangs- en slotregels In artikel 8 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste artikel is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting

- 37 -

- 38 -

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Financiële uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd, dat inzicht gegeven moet worden in de (economische) uitvoerbaarheid van een project. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangegeven wat onder een dergelijk bouwplan moet worden verstaan. In dit geval is sprake van een voorgenomen, waardoor op grond van Afdeling 6.4 Wro een exploitatieplan moet worden vastgesteld. Hiervan kan worden afgeweken wanneer anderszins in de grondexploitatiekosten wordt voorzien, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst. Deze wordt tussen de gemeente en initiatiefnemer afgesloten, waarmee de gemeente enkel een kaderstellende en toetsende rol vervult. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het project financieel uitvoerbaar is.

6.2

Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het concept ontwerpbestemmingsplan is dan ook toegezonden aan de volgende partijen: - Provincie Zuid-Holland; - Ministerie van Infrastructuur en Milieu; - Ministerie van Defensie; - Ministerie van Economische Zaken, landbouw en Innovatie; - Inspectie Leefomgeving en Transport; - Metropoolregio Rotterdam-Den Haag; - Rijkswaterstaat; - Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard; - DCMR Milieudienst Rijnmond; - Bureau voor Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR); - Evides; - Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR); - ProRail; - Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL); - KPN Telecom; - VWS Pipeline Control; - Warmtebedrijf Rotterdam; - Stedin; - Gasunie. Alleen het Hoogheemraadschap en de VRR hebben schriftelijk een formele reactie kenbaar gemaakt. Van de overige partijen is geen formele reactie ontvangen, waarmee wordt aangenomen dat zij met het voornemen kunnen instemmen. Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven dat geen van hun belangen wordt geschaad.

Wel merken zij op dat nog verwezen wordt naar het Waterbeheerplan 2016-2021, maar dat dit inmiddels het Waterbeheerplan 2022-2027 is. Dit is inmiddels aangepast in de betreffende waterparagraaf. De VRR merkt op om rondom de te realiseren gebouwen zorg te dragen voor

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting

- 39 -

toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Ook dient bij de verbouwing rekening te worden gehouden met de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen in geval van een toxische wolk. Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een object geschikt om enkele uren in te schuilen. Beide aspecten worden meegenomen in de uitwerking van het bouwplan, zodra dit zich aandient. Het heeft op de ruimtelijke procedure geen invloed. Los van bouwkundige ingrepen vraagt de VRR zorg te dragen voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen, zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand”.

- 40 -

II REGELS

- 42 -

INHOUDSOPGAVE PLANREGELS HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS ................................................................................................45 Artikel 1 – Begrippen .................................................................................................................... 45 Artikel 2 – Wijze van meten .......................................................................................................... 48 HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS ............................................................................................49 Artikel 3 – Centrum - 5 .................................................................................................................. 49 Artikel 4 – Waarde - Archeologie .................................................................................................. 51 HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS .................................................................................................53 Artikel 5 – Antidubbeltelregel ....................................................................................................... 53 Artikel 6 – Algemene afwijkingsregels ........................................................................................... 53 Artikel 7 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren .................................................................

53 HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS ................................................................................55 Artikel 8 – Overgangsrecht............................................................................................................ 55 Artikel 9 – Slotregel ...................................................................................................................... 55 1. BIJLAGE BIJ DE REGELS: LIJST VAN BEDRIJFSACTIVITEITEN ...........................................................57

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 – Regels

- 43 -

- 44 -

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 – Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: Plan het bestemmingsplan "Schiedamse Vest 180" met identificatienummer NL.IMRO.0599.BP3106SchieVest-on01 van de gemeente Rotterdam. Bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. Verbeelding de digitale plankaart. Verdere begrippen in alfabetische volgorde: Aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. Archeologisch deskundige het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR) of een andere door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige. Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bedrijven de bedrijven genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. Bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming. Bouwaanduidingen alle aanduidingen met betrekking tot de wijze van bouwen en de verschijningsvorm van bouwwerken. Bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 – Regels

- 45 -

Bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. Bruto vloeroppervlak het vloeroppervlak van een bouwwerk, inclusief de niet direct voor het hoofddoel bruikbare ruimten (bijvoorbeeld bij een productiebedrijf of winkel, de magazijn-, expeditie-, kantoorruimten). Gebouwde parkeervoorzieningen worden hiertoe niet gerekend. Cultuur en ontspanning voorzieningen op het gebied cultuur, sport, spel en ontspanning, zoals een creativiteitscentrum, dansschool, kookstudio, muziekschool, museum, wellness, fitnesscentrum en zwembad. Detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ter verkoop, verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Geluidsgevoelige objecten (in de zin van de Wet geluidhinder) Hieronder worden verstaan de in de Wet geluidhinder aangewezen objecten: woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven.

NB: Delen van deze gebouwen kunnen worden uitgezonderd wanneer deze een bestemming krijgen voor een functie die niet als geluidsgevoelig kan worden beschouwd. Hoog-risico biologisch laboratorium Een biologisch laboratorium met een biologische veiligheidsklasse 3 of hoger zoals bedoeld in het "Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond". Horeca Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie. Kantoren het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. Maaiveld de bovenkant van het aansluitende, afgewerkte terrein dat een bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein het gemiddelde van die bovenkanten wordt aangehouden.

- 46 -

Maatschappelijk voorzieningen op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. Milieudeskundige de DCMR Milieudienst Rijnmond of de daarvoor in de plaats tredende instantie. NAP het Normaal Amsterdams Peil is de referentiehoogte waaraan hoogtemetingen in Nederland worden gerelateerd. Peil a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. Straatmeubilair voorzieningen ten behoeve van de weggebruiker, zoals verkeersborden, straatverlichting, zitbanken en plantenbakken. Uitstekende delen aan gebouwen erkers, luifels, balkons, galerijen en dergelijke. Voorgevel de gevel van een gebouw of woning die als belangrijkste is aan te merken. Wet geluidhinder de Wet geluidhinder zoals deze luidt op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerp voor dit bestemmingsplan.

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 – Regels

- 47 -

Artikel 2 – Wijze van meten 2.1

Meten Bij de toepassing van deze planregels wordt als volgt gemeten: a. de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. b. de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; c. de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van een bouwwerk. Dakoverstekken, luifels, balkons en dergelijke worden hierbij niet meegeteld, mits zij niet verder uitsteken dan 0,5 meter; d. de afstand tussen gebouwen: de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van gebouwen.

2.2

Ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons, dakgoten en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 0,5 meter bedraagt.

- 48 -

HOOFDSTUK 2 BESTEMMINGSREGELS Artikel 3 – Centrum - 5 3.1

Bestemmingsomschrijving De voor "Centrum - 5" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven t/m categorie 2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij deze regels, uitsluitend op de begane grond; b. horeca, uitsluitend op de begane grond; c. kantoren, uitsluitend op de begane grond; d. cultuur en ontspanning, uitsluitend op de begane grond; e. maatschappelijke voorzieningen, waaronder ook geluidgevoelige objecten, zowel op de begane grond als op de verdiepingen; f. wonen, zowel op de begane grond als op de verdiepingen; g. berg- en stallingsruimten die, behoudens de in- en uitgang, niet zichtbaar zijn in de voorgevel, alsmede tuin, ontsluitingswegen en -paden; h. parkeervoorzieningen (ondergronds, op de begane grond als op de verdiepingen), met dien verstande dat deze voorzieningen, behoudens de in- en uitgang, niet zichtbaar zijn in de voorgevel.

3.2

Bouwregels

3.2.1 Algemeen a. Op de voor “Centrum - 5” bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de in 3.1 genoemde functies; b. gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de hoogte zoals met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ op de verbeelding is aangegeven. 3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Maximum aantal woningen het maximum aantal woningen mag niet meer bedragen dan 100. 3.3.2 Maximum oppervlakte functies a. het gezamenlijk bruto vloeroppervlak van de in 3.1 onder a tot en met d benoemde functies mag niet meer bedragen dan 2.150 m2, met dien verstande dat: 1. het gezamenlijke bruto vloeroppervlak van de in 3.1 onder a tot en met c benoemde functies niet meer bedragen dan 1.075 m2; 2. het bruto vloeroppervlak per bedrijf als bedoeld in 3.1 onder a niet meer mag bedragen dan 150 m2; 3. het bruto vloeroppervlak aan horeca als bedoeld in 3.1 onder b niet meer mag bedragen dan 200 m2; 4. het bruto vloeroppervlak aan kantoren als bedoeld in 3.1 onder c niet meer mag bedragen dan 500 m2.

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 – Regels

- 49 -

b. voorgevels van woningen die zijn gesitueerd op de begane grond dienen gericht te zijn op de zijde van de Baan. 3.3.3 Aan-huis-gebonden beroep/bedrijf Woningen mogen mede worden gebruikt voor de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep/bedrijf, mits: a. de woonfunctie in overwegende mate gehandhaafd blijft, waarbij het bruto vloeroppervlak van de woning voor ten hoogste 30% mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep of bedrijf; b. de gevel en dakrand van de woning niet worden gebruikt ten behoeve van reclame-uitingen; c. er geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden die betrekking hebben op het onderhouden en repareren van motorvoertuigen; d. er geen detailhandel plaatsvindt, tenzij als ondergeschikt onderdeel van het aan huis gebonden beroep of bedrijf. 3.3.4 Voorwaarden hogere waarden Ten aanzien van het bepaalde in 3.1 geldt dat woningen waarvoor hogere waarden zijn vastgesteld in het Besluit hogere waarden Wet geluidhinder, dat als bijlage bij deze regels is gevoegd, uitsluitend zijn toegestaan als wordt voldaan aan de in dit besluit opgenomen voorwaarden. 3.3.4 Voorwaarden hoog risico biologische laboratoria Nieuwe hoog-risico biologische laboratoria zijn binnen de in 3.1 genoemde functies niet toegestaan.

3.4 Afwijken van gebruiksregels 3.4.1 Afwijken ten behoeve van gebruik verdiepingen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 ten behoeve van het vestigen van een functie op de verdiepingen, met dien verstande dat deze functie bij een bestaand en toegestane functie op de begane grond behoort en uitbreiding op de begane grond financieel, stedenbouwkundig dan wel bouwtechnisch niet mogelijk is. 3.4.2 Afwijken toegestane bedrijven Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 en 3.3.1 terzake van de toegestane bedrijfsactiviteiten ten behoeve van andere bedrijfsactiviteiten dan die primair zijn toegelaten, welke - gehoord de milieudeskundige - daarmede naar aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn. 3.4.3 Afwijken ten behoeve van nieuw hoog-risico biologisch laboratorium Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.3.5; alvorens deze omgevingsvergunning te verlenen winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de VRR en de GGD, waarbij de VRR en GGD hun advies baseren op het ' Beleidskader hoog-risico biologische laboratoria Rotterdam-Rijnmond'.

- 50 -

Artikel 4 – Waarde - Archeologie 4.1

Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.

4.2

Bouwregels

4.2.1 Algemeen In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport aan burgemeester en wethouders te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op aanvragen om omgevingsvergunning voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) die een groter oppervlak hebben en tevens dieper reiken dan de oppervlakte- en dieptematen die genoemd zijn in 4.3.1. 4.2.2 Te verbinden regels aan omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg aan een omgevingsvergunning de volgende regels verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige. 4.3

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

4.3.1 Verbod In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de hierna onder 4.3.2 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 vierkante meter beslaan. 4.3.2 Betreffende werken c.q. werkzaamheden Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden: a. grondbewerkingen (van welke aard dan ook); b. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen; c. het indrijven van voorwerpen in de bodem; d. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodem verlagen, afgraven; Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 – Regels

- 51 -

e. het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.; f. het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen. 4.3.3 Uitzonderingen Het vergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten. 4.3.4 Voorwaarden verlening omgevingsvergunning Vergunning wordt verleend nadat de aanvrager een rapport aan burgemeester en wethouders heeft overgelegd van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld. 4.3.5 Te verbinden regels aan omgevingsvergunning Aan een vergunning kunnen de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.

- 52 -

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS Artikel 5 – Antidubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing. Artikel 6 – Algemene afwijkingsregels 6.1

Afwijken van toegestane bouwhoogte ten behoeve van technische voorzieningen Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning voor het bouwen afwijken van de regels van dit bestemmingsplan ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, ten behoeve van technische voorzieningen op het dak, welke noodzakelijk zijn voor het doelmatig functioneren van het bouwwerk, zoals liftopbouwen, lichtkoepels, schoorstenen, antennemasten, luchtverversingsapparatuur, glazenwasinstallatie e.d., mits de overschrijding van de maximum bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt.

6.2

Afwijken van de maximaal toegestane bouwhoogte Burgemeester en wethouders kunnen middels een omgevingsvergunning afwijken van de regels ten aanzien van de maximum toegestane bouwhoogte van een gebouw, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 3 meter, uitsluitend toe te passen ingeval extra bouwhoogte nodig is voor een verantwoorde afronding van de bovenste bouwlaag.

Artikel 7 – Voorwaardelijke verplichting over parkeren Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of een omgevingsvergunning voor het gebruik van gronden of bouwwerken kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig de 'Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Indien dit beleid wordt gewijzigd of herzien, wordt een aanvraag voor een omgevingsvergunning getoetst aan het op dat moment geldende beleid.

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 – Regels

- 53 -

- 54 -

HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Artikel 8 – Overgangsrecht 8.1

Overgangsrecht bouwwerken

8.1.1 Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 8.1.2 Burgemeester en wethouders kunnen éénmalig afwijken van het bepaalde in 8.1.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 8.1.3 Het bepaalde in 8.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 8.2

Overgangsrecht gebruik

8.2.1 Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 8.2.2 Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 8.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 8.2.3 Indien het gebruik, bedoeld in 8.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 8.2.4 Het bepaalde in 8.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 9 – Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Schiedamse Vest 180”, gemeente Rotterdam.

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 – Regels

- 55 -

- 56 -

1. BIJLAGE BIJ DE REGELS: LIJST VAN BEDRIJFSACTIVITEITEN Lijst van gebruikte afkortingen in de Lijst van Bedrijfsactiviteiten < > = Cat. e.d. kl. n.e.g. o.c. p.c. p.o. b.o. v.c. u d w j

niet van toepassing of niet relevant kleiner dan groter dan gelijk aan categorie en dergelijke klasse niet eerder genoemd opslagcapaciteit productiecapaciteit productieoppervlak bedrijfsoppervlak verwerkingscapaciteit uur dag week jaar

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 – Regels

- 57 -

15 1551 1552 1581 1581 1584

10, 11 1051 1052 1071 1071 10821

-

OMSCHRIJVING

0 2 0 1 0

1584 1584 1593 t/m 1595 18 182

10821 10821 1102 t/m 1104 14 141

3 6

20 205

16 162902

-

22 221 2222.6 2223 2223 2224 2225 223 24 2442 2442

58 581 18129 1814 1814 1813 1814 182 20 2120 2120

-

26 262, 263 262, 263 30 30

23 232, 234 232, 234 26, 28, 33 26, 28, 33

0 1 A

31 316

26, 27, 33 293

-

33

26, 32, 33

-

33 36 361 362 363 3663.1

26, 32, 33 31 9524 321 322 32991

A 2

40 40

35 35

C0

- 58 -

CATEGORIE

-

SBI-2008 nummer

SBI-1993

-

A B

0 2

VERVAARDIGING VAN VOEDINGSMIDDELEN EN DRANKEN Zuivelprodukten fabrieken: - consumptie-ijsfabrieken: p.o. <= 200 m² Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen: - v.c. < 7500 kg meel/week, bij gebruik van charge-ovens Verwerking cacaobonen en vervaardiging chocolade- en suikerwerk: - cacao- en chocoladefabrieken vervaardigen van chocoladewerken met p.o. <= 200 m² - suikerwerkfabrieken zonder suiker branden: p.o. <= 200 m² Vervaardiging van wijn, cider e.d. VERVAARDIGING VAN KLEDING; BEREIDEN EN VERVEN VAN BONT Vervaardiging van kleding en -toebehoren (excl. van leer) HOUTINDUSTRIE EN VERVAARDIGING ARTIKELEN VAN HOUT, RIET, KURK E.D. Kurkwaren-, riet- en vlechtwerkfabrieken UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUKTIE VAN OPGENOMEN MEDIA Uitgeverijen (kantoren) Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen Grafische afwerking Binderijen Grafische reproduktie en zetten Overige grafische aktiviteiten Reproduktiebedrijven opgenomen media VERVAARDIGING VAN CHEMISCHE PRODUKTEN Farmaceutische produktenfabrieken: - verbandmiddelenfabrieken VERVAARDIGING VAN GLAS, AARDEWERK, CEMENT-, KALK- EN GIPSPRODUKTEN Aardewerkfabrieken: - vermogen elektrische ovens totaal < 40 kW VERVAARDIGING VAN KANTOORMACHINES EN COMPUTERS Kantoormachines- en computerfabrieken incl. reparatie VERVAARDIGING VAN OVER. ELEKTR. MACHINES, APPARATEN EN BENODIGDH. Elektrotechnische industrie n.e.g.

VERVAARDIGING VAN MEDISCHE EN OPTISCHE APPARATEN EN INSTRUMENTEN Fabrieken voor medische en optische apparaten en instrumenten e.d. incl. reparatie VERVAARDIGING VAN MEUBELS EN OVERIGE GOEDEREN N.E.G. Meubelstoffeerderijen b.o. < 200 m2 Fabricage van munten, sieraden e.d. Muziekinstrumentenfabrieken Sociale werkvoorziening PRODUKTIE EN DISTRIB. VAN STROOM, AARDGAS, STOOM EN WARM WATER Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen:

2 2 2 2 2 2 2 1 2 1 2 2 2 1 2

2 2 2

2 1 2 2 2

40 40 40 40 40 40 41 41 41 45 45

35 35 35 35 35 35 36 36 36 41, 42, 43 41, 42, 43

C1 D0 D3 D4 E0 E2 B0 B1 3

50 501, 502, 504 5020.4 5020.5 503, 504 505 505 51 511 5122 5134 5135 5136 5137 5138, 5139 514 5153 5153 5153.4 5153.4 5154 5154 5155.2 5156 519 52 527 55 55 5551 5552 60 6022 603 63 6312 6321 64 641 642 642 642 642

45, 47 451, 452, 454 45204 45205 453 473 473 46 461 4622 4634 4635 4636 4637 4638, 4639 464, 46733 4673 4673 46735 46735 4674 4674 46752 4676 466, 469 47 952 55 55 5629 562 49 493 495 52 52109 5221 53 531, 532 61 61 61 61

B 0 3 -

0 2 4 6 0 2

B 1 A B0 B2 B3

- < 10 MVA Gasdistributiebedrijven: - gas: reduceer-, compressor-, meet- en regelinst. Cat. A - gasdrukregel- en meetruimten (kasten en gebouwen), cat. B en C Warmtevoorzieningsinstallaties, gasgestookt: - blokverwarming WINNING EN DITRIBUTIE VAN WATER Waterdistributiebedrijven met pompvermogen: - < 1 MW BOUWNIJVERHEID - aannemersbedrijven met werkplaats: b.o.< 1000 m² HANDEL/REPARATIE VAN AUTO'S, MOTORFIETSEN; BENZINESERVICESTATIONS Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven Autobeklederijen Autowasserijen Handel in auto- en motorfietsonderdelen en -accessoires Benzineservisestations: - zonder LPG GROOTHANDEL EN HANDELSBEMIDDELING Handelsbemiddeling (kantoren) Grth in bloemen en planten Grth in dranken Grth in tabaksprodukten Grth in suiker, chocolade en suikerwerk Grth in koffie, thee, cacao en specerijen Grth in overige voedings- en genotmiddelen Grth in overige consumentenartikelen Grth in hout en bouwmaterialen: - algemeen: b.o. <= 2000 m² zand en grind: - algemeen: b.o. <= 200 m² Grth in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur: - algemeen: b.o. < = 2.000 m² Grth in kunstmeststoffen Grth in overige intermediaire goederen Overige grth (bedrijfsmeubels, emballage, vakbenodigdheden e.d. DETAILHANDEL EN REPARATIE T.B.V. PARTICULIEREN Reparatie t.b.v. particulieren (excl.

auto's en motorfietsen) LOGIES-, MAALTIJDEN- EN DRANKENVERSTREKKING Kantines Cateringbedrijven VERVOER OVER LAND Taxibedrijven Pomp- en compressorstations van pijpleidingen DIENSTVERLENING T.B.V. HET VERVOER Opslaggebouwen (verhuur opslagruimte) Autoparkeerterreinen, parkeergarages POST EN TELECOMMUNICATIE Post- en koeriersdiensten Telecommunicatiebedrijven zendinstallaties: - FM en TV - GSM en UMTS-steunzenders (indien bouwvergunningplichtig)

Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 – Regels

2 1 2 2 2 2 2 1 2 2 2 1 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 2 1 1 2 2 2 2 2 2 1 1 1

- 59 -

71 711 714 72 72 72 74 74 7481.3 7484.4 90 9001 9002.2 9002.2

- 60 -

77 7711 772 62 62 58, 63 63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82 63, 69tm71, 73, 74, 77, 78, 80tm82 74203 82992 37, 38, 39 3700 382 382

A B

VERHUUR VAN TRANSPORTMIDDELEN, MACHINES, ANDERE ROERENDE GOEDEREN Personenautoverhuurbedrijven Verhuurbedrijven voor roerende goederen n.e.g. COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d. Datacentra

-

OVERIGE ZAKELIJKE DIENSTVERLENING

A

Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Foto- en filmontwikkelcentrales Veilingen voor huisraad, kunst e.d. MILIEUDIENSTVERLENING rioolgemalen Afvalverwerkingsbedrijven: - verwerking fotochemisch en galvano-afval

-

B A0 A7

2 2 1 2

1 2 1 2 2

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV

VERBEELDING

VERKLARING

Blekerstraat

12

101

Plangebied 2

12

Schiedamse Vest 180

103

Enkelbestemmingen 105

C-5 107

Centrum - 5

Dubbelbestemmingen

4

WR-A

5

Waarde - Archeologie

Bouwvlakken bouwvlak

111

6-12

7

9

Maatvoeringen 25

WR-A 25

maximum bouwhoogte (m)

14-20

project:

Schiedamse Vest 180 gemeente: 13

180

Rotterdam fase:

25

Ontwerpbestemmingsplan opdrachtgever:

C-5

24

Solsbury Hill BV

26

Hoornbrekersstraat

datum : 22 december 2022 schaal : 1 : 500

identificatienummer: : NL.IMRO.0599.BP3106SchieVest--on01 o_NL.IMRO.0599.BP3106SchieVest-on01 ondergrond: :

32

Baan

119

Postbus 6083 3002 AB Rotterdam email: info@bodg.nl tel: 06-48384580

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=5d823aa4-8764-4c5e-b4b7-13c8814698d2