[24bb004785] Bijlage behorende bij 24bb004783 over ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180
Tekst van het document
ONTWERP
BESTEMMINGSPLAN SCHIEDAMSE VEST 180
22 december 2022
ONTWERP
BESTEMMINGSPLAN SCHIEDAMSE VEST 180
Concept ontwerp Ontwerp Vaststelling
29 juli 2022 22 december 2022
BOdG Ruimtelijk Advies B.V. Postbus 6083 3002 AB Rotterdam www.BOdG.nl
INHOUDSOPGAVE
I.
TOELICHTING
II.
REGELS
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV.
VERBEELDING
1.
I
TOELICHTING
INHOUDSOPGAVE 1.
2.
3.
4.
INLEIDING .................................................................................................................................11 1.1
Inleiding.............................................................................................................................. 11
1.2
Ligging en begrenzing ......................................................................................................... 11
1.3
Vigerend bestemmingsplan................................................................................................. 11
1.4
Gekozen planopzet ............................................................................................................. 12
BELEIDSKADER..........................................................................................................................13 2.1
Nationaal beleid.................................................................................................................. 13
2.2
Provinciaal beleid................................................................................................................ 13
2.3
Gemeentelijk beleid ............................................................................................................ 16
2.4
Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................ 18
BESCHRIJVING VAN HET PROJECT.............................................................................................21 3.1
Bestaande situatie .............................................................................................................. 21
3.2
Projectbeschrijving ............................................................................................................. 23
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN....................................................................................25 4.1
Water ................................................................................................................................. 25
4.2
Milieuzonering.................................................................................................................... 26
4.3
Geluid ................................................................................................................................. 27
4.4
Luchtkwaliteit ..................................................................................................................... 28
4.5
Externe veiligheid ............................................................................................................... 29
4.6
Bodem ................................................................................................................................ 29
4.7
Archeologie ........................................................................................................................ 31
4.8
Flora en fauna ..................................................................................................................... 31
4.9
Duurzaamheid .................................................................................................................... 33
4.10 Besluit m.e.r. ...................................................................................................................... 34 5.
JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................35
6.
UITVOERBAARHEID ..................................................................................................................39 6.1
Financiële uitvoerbaarheid.................................................................................................. 39
6.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro ......................................................................................... 39
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
-9-
- 10 -
1.
INLEIDING
1.1
Inleiding De stad Rotterdam is sterk in ontwikkeling en biedt nieuwe kansen op het gebied van stedelijke woonkwaliteiten. Binnen het gebied dat in Rotterdam bekend staat als het ‘Baankwartier’ wordt ruimte geboden aan deze kansen. Zo nadert de Cooltoren haar voltooiing, zijn de werkzaamheden voor Downtown gestart en wordt ook bij De Maasbode (officieel gelegen in het Witte de Withkwartier) inmiddels gewerkt aan de realisatie. Te midden van deze bouwactiviteiten bevinden zich op de adressen Schiedamse Vest 160 en 180 de gebouwen van het Oogziekenhuis Rotterdam. Het Oogziekenhuis zal op termijn verhuizen naar een nieuwe locatie en de huidige gebouwen afstoten. De gebouwen lenen zich daarna goed voor een herontwikkeling waarbij de focus ligt op woningen, aangevuld met functies die passen bij de centrale ligging in de binnenstad. Voor het pand Schiedamse Vest 160 voorziet het geldende bestemmingsplan ‘Cool’ daartoe reeds in een passende bestemming ‘Centrum - 2’. Voor Schiedamse Vest 180, de hoofdvestiging van het ziekenhuis, geldt dat niet. Daar voorziet het bestemmingsplan nu uitsluitend in een maatschappelijke bestemming. Om ook hier andere functies te kunnen realiseren is een herziening van het bestemmingsplan nodig. Dit document biedt voor het gebouw een nieuw juridischplanologisch kader.
1.2
Ligging en begrenzing Het plangebied betreft dus alleen het adres Schiedamse Vest 180. Naast de Schiedamse Vest, gelegen aan de westzijde van het gebouw, wordt het plangebied begrensd door de Blekerstraat aan de noordzijde en de Baan aan de oostzijde. Ten zuiden van het gebouw is sprake van een tuin. Deze blijft buiten het plangebied en behoudt daarmee de bestaande bestemming. Het plangebied staat kadastraal bekend onder Rotterdam, sectie AG nummers 5 en 1086.
Afbeelding 1: Globale weergave ligging van het plangebied.
1.3
Vigerend bestemmingsplan Zoals aangegeven geldt voor het betreffende perceel op dit moment het bestemmingsplan “Cool”, dat door de gemeenteraad is vastgesteld op 18 maart 2021. Hierin is het gehele gebouw - en daarmee dus ook het plangebied van dit nieuwe bestemmingsplan - voorzien van de bestemming ‘Maatschappelijk - 1'. Daarbinnen zijn uitsluitend maatschappelijke voorzie-
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 11 -
ningen toegestaan op het gebied van onderwijs, religie, gezondheidszorg, cultuur, maatschappelijke dienstverlening en publieke dienstverlening. De bestemming is daarmee dus al ruimer dan uitsluitend een ziekenhuis, maar bijvoorbeeld woningen behoren niet tot de mogelijkheid. Op de bij het bestemmingsplan behorende verbeelding (zie afbeelding 2), is aangegeven dat de bebouwing ter plaatse van het plangebied niet hoger mag zijn dan 25 meter.
H=25
Afbeelding 2: Uitsnede verbeelding "Cool" met daarop geprojecteerd het plangebied (oranje omkaderd).
Naast bovengenoemde hoofdbestemming, is sprake van de dubbelbestemmingen “Waarde Archeologie” en “Waarde - Cultuurhistorie 2”. Die dubbelbestemmingen zijn bedoeld om al dan niet de archeologische potentie van de ondergrond en de cultuurhistorische waarde van het gebouw te beschermen tegen ingrepen die mogelijk van negatieve invloed kunnen zijn. Zoals aangegeven is het toegestane gebruik van het pand reeds vrij ruim. Toch ontbreekt een aantal functies die weldegelijk wenselijk zijn, zoals de woonfunctie. Het bestemmingsplan ‘Cool’ biedt geen mogelijkheden om voor deze functies binnenplans af te wijken via een ontheffing- of wijzigingsbevoegdheid. 1.4
Gekozen planopzet Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in de flexibiliteit die reeds van toepassing is op de meeste panden in het centrum van Rotterdam. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Wat betreft de planopzet sluit het bestemmingsplan aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam en in het bijzonder dat van het bestemmingsplan “Cool”. Dit alles met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).
- 12 -
2.
BELEIDSKADER Zoals aangegeven is de locatie in het vigerende bestemmingsplan “Cool” reeds voorzien van een bestemming waarmee diverse functies zijn toegestaan. Daarmee worden deze als passend ervaren binnen de bestaande stedelijke omgeving en dus ook passend binnen het geldende beleid. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste beleidsstukken aangehaald die op de locatie van toepassing zijn.
2.1
Nationaal beleid Nationale omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld en sinds 12 februari 2021 bindend voor het Rijk als geldende visie onder de Wro. Nederland staat voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het betreffen opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen en door goed in te spelen op deze veranderingen kan Nederland vooroplopen en kansen verzilveren. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In de NOVI zijn de opgaven als volgt ingedeeld: 1. ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. verduurzamen van de economie en behouden van groeipotentieel; 3. sterker en leefbaarder maken van steden en regio’s; 4. toekomstbestendig ontwikkelen van landelijk gebied. Het beleid met betrekking tot verstedelijking heeft het Rijk onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet' overgelaten aan de lagere overheden. Wel is sprake van een 'ladder' voor duurzame verstedelijking (gebaseerd op de 'SER‐ladder'). Deze is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening en bestond oorspronkelijk uit drie treden.
Per 1 juli 2017 is de ladder gewijzigd, waarbij de afzonderlijke treden zijn komen te vervallen. Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling. Conclusie nationaal beleid De beoogde verruiming van de bestemming heeft geen invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Op basis van het Rijksbeleid kunnen de decentrale overheden maatwerk leveren en inspelen op specifieke wensen. Daarnaast blijkt uit paragraaf § 2.4, dat het plan voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en daarmee aan de SER-ladder. Geconcludeerd wordt, dat het plan in overeenstemming is met de Nationale omgevingsvisie.
2.2
Provinciaal beleid Het provinciale omgevingsbeleid voor de fysieke leefomgeving bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Naast de kaders maken uitvoeringsprogramma's, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit, deel uit van het omgevingsbeleid. In deze programma's zijn operationele doelstellingen opgenomen om zichtbaar te maken op welke wijze het beleid wordt gerealiseerd. Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie Zuid-Holland, die per 1 april 2019 in werking is getreden, omvat geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 13 -
opgaven. In deze Omgevingsvisie zijn zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta. • Naar een nieuwe economie: the next level. • Naar een levendige meerkernige metropool. • Energievernieuwing. • Best bereikbare provincie. • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Voor het realiseren van maatschappelijke belangen wordt vanuit bovenstaande vernieuwingsambities gewerkt en vanuit opgaven in gebieden. Voor het realiseren van een goede omgevingskwaliteit wordt gewerkt vanuit twaalf samenhangende opgaven van het omgevingsbeleid, per opgave zijn de beleidskeuzes aangegeven. Omgevingsverordening Zuid-Holland Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Deze is op 1 juli 2020 vastgesteld door Provinciale Staten en per 1 augustus 2020 in werking getreden. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder worden regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies, zoals kantoren en detailhandel (artikelen 6.11 en 6.13). Nieuwe kantoren mogen bijvoorbeeld niet groter zijn dan 1.000 m2 b.v.o. per vestiging. Het plangebied is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland aangemerkt als ‘bestaand stadsen dorpsgebied’. Eén van de speerpunten van het ruimtelijk beleid is om dit gebied beter te benutten.
Het beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Hierbij speelt de ladder voor duurzame verstedelijking een belangrijke rol. De provincie ziet graag dat deze ladder op (sub)regionaal niveau wordt toegepast en dat samenwerkende gemeenten een gezamenlijk beeld ontwikkelen van de ontwikkelmogelijkheden binnen en buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: • De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meerdere of mindere mate passend is.
In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied ('korrelgrootte') bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het 'laadvermogen' van een coulissenlandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.
- 14 -
•
Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied meer bijzonder of kwetsbaar is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1. Inpassing. Dit betreft een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of de herstructurering van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten. 2. Aanpassing. Dit betreft een ontwikkeling die niet past bij de aard of de schaal van een gebied en daarmee niet geheel past binnen de richtpunten. Voorbeelden zijn een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied, een nieuw landgoed en de verbreding van een provinciale weg.
De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief optimaal resultaat. Ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen zijn nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. De ontwikkeling past niet bij de aard en schaal van het gebied. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerreinen of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Conclusie provinciaal beleid ten aanzien van dit bestemmingsplan Het gebouw bevindt zich binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, waarvoor geldt dat de ruimte optimaal benut moet worden. Bij dit plan is geen sprake van nieuwbouw, maar van een herontwikkeling van een bestaand pand. Daartoe is een ruimere bestemming dan de nu geldende bestemming ‘Maatschappelijk’ gewenst. Het gaat om een binnenstedelijke en goed ontsloten locatie. De ruimere functie is niet alleen gewenst om te voldoen aan de vraag naar woningen, maar ook om tot een ontwikkeling te komen die qua aard goed past binnen de directe omgeving waar het overgrote deel van de aanwezige bebouwing reeds een meer flexibele bestemming is toegekend.
De ruimtelijke impact is beperkt, terwijl meer flexibiliteit bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. De woningen passen binnen de woningbouwbehoefte van de gemeente Rotterdam (en daarmee ook de provincie). De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en past daarmee ook binnen het provinciaal beleid (zie ook § 2.4).
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 15 -
2.3
Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Rotterdam De Omgevingsvisie Rotterdam is vastgesteld op 2 december 2021 door de gemeenteraad van Rotterdam. De visie is een plan voor de fysieke leefomgeving en geeft weer hoe de stad er in de toekomst uit gaat zien, want Rotterdam verandert snel. De stad groeit en het aantal inwoners ook. Met de fysieke leefomgeving wordt alles bedoeld dat nodig is om in de stad te kunnen leven, wonen, werken, studeren en recreëren. Daarbij is aandacht voor water, lucht, bodem, natuur, wegen en gebouwen. De visie heeft tot doel de stad ook op lange termijn sterk, veerkrachtig en toekomstbestendig te houden. Het realiseren van voldoende woningen, werkgelegenheid en voorzieningen is daarbij essentieel. De visie gaat daarbij niet specifiek in op individuele projecten. Daarnaast bestaat de wens om de onbalans tussen wonen en werken in het centrum te vereffenen. Om dit te realiseren is verdichting van de binnenstad noodzakelijk, waarbij tevens voldaan kan worden aan de vraag naar centrumstedelijk wonen. Extra woningen in het centrum dragen daarnaast bij aan het draagvlak van voorzieningen en bedrijvigheid, maar leveren ook een essentiële bijdrage aan de gewenste levendigheid en diversiteit van het centrummilieu.
Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020 De in december 2016 vastgestelde Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld: • Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: o de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; o te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en o woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. • Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: o een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad, o ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden, en o energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.
• De basis op orde houden door: o het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; o betaalbaarheidsproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; o goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; o toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt, en o woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. - 16 -
In 2019 heeft de gemeenteraad een aanvulling op de Woonvisie Rotterdam 2030 vastgesteld, de nota ‘Thuis in Rotterdam’. Met dit addendum wil de gemeente het woningaanbod in Rotterdam nog beter laten aansluiten op de behoefte van Rotterdammers. De belangrijkste punten hieruit zijn: • Het harder laten groeien van de woningvoorraad om voor iedereen een thuis te kunnen bieden. • Het meer in evenwicht brengen van het woningaanbod zodat de woningvoorraad meer in verhouding komt met de samenstelling van de Rotterdamse bevolking. • Het toevoegen van extra nieuwe huurwoningen voor Rotterdammers met een middeninkomen zoals verwoord in het ‘actieplan middenhuur’. Dit moet er mede aan bijdragen dat deze groep mensen in de stad blijft wonen. Duurzaamheidskompas Rotterdam heeft een ambitieus klimaatprogramma vastgesteld. Om een bijdrage te kunnen leveren aan het klimaatprogramma van Rotterdam moet bij het ontwerp van gebouwen rekening worden gehouden met duurzaam bouwen-principes en de energieprestatie-eisen. Rotterdam streeft daarnaast naar een goede balans tussen sociale (people), ecologische (planet) en economische (profit) belangen bij het nemen van beslissingen en het uitvoeren van activiteiten. De gemeente heeft daartoe in september 2019 het Duurzaamheidskompas vastgesteld.
Deze geeft richting, zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een ‘levend’ document dat regelmatig wordt geactualiseerd met nieuwe speerpunten. De doelstellingen van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn onder te verdelen in vier ambities; de energietransitie, de transitie naar een circulaire economie en een gezonde en klimaatbestendige leefomgeving. Binnenstad als city lounge, binnenstadsplan 2008-2020 Het is voor een grote stad als Rotterdam van belang om een aantrekkelijke binnenstad te hebben: een binnenstad met uitstraling en sfeer. Het gaat hierbij om de kwaliteit van de inrichting van de openbare ruimte, de afwikkeling van het autoverkeer, ruimte voor de voetganger en vooral om een goede invulling van de plinten van gebouwen. Culturele voorzieningen, evenementen en terrassen zijn hier onlosmakelijk mee verbonden. Deze geven de stad de sfeer die bewoners en bezoekers bindt. Ook voor het bedrijfsleven is de uitstraling van de binnenstad en de ontmoetingsfunctie belangrijk. Om hierin een kwaliteitsslag te behalen heeft de gemeenteraad eind 2008 het binnenstadsplan 'Binnenstad als city lounge' vastgesteld.
Met betrekking tot Cool wordt gesteld, dat het gebied een substantiële bijdrage kan leveren aan de versterking van de woonfunctie in de Rotterdamse binnenstad. Daarbij is het wenselijk om meer woningen toe te voegen, waaronder ook nieuwe woonvormen. Horecanota Rotterdam 2017-2021 In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woonen leefklimaat centraal. De nota beschrijft het instrumentarium dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Hoewel de nota liep tot 2021, is een nieuwe nota pas eind 2023 beschikbaar. Vooralsnog blijft dit dus de geldende horecanota.
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 17 -
Rotterdam is een levendige stad met een aantrekkelijke binnenstad, een groot cultureel aanbod en een gevarieerde samenstelling van bewoners, ondernemers en bezoekers. Horeca speelt een cruciale rol: een goede mix van kwaliteit en kwantiteit, een balans met andere stedelijke functies en openbare orde en veiligheid, bevordert de populariteit van Rotterdam. Bovendien levert de horecasector werkgelegenheid op en stimuleert het de lokale economie. De aantrekkingskracht van de stad is de afgelopen jaren toegenomen. Er wordt weer geld uitgegeven door bezoekers, Rotterdam voert de goede lijstjes aan en is in 2015 uitgeroepen tot beste binnenstad van Nederland. Tegelijkertijd verdicht de bewoning en is ruimte schaars. Het is dus van belang alles in goede banen te leiden en deze schaarse ruimte optimaal te benutten. De positieve ontwikkelingen van Rotterdam weten sommige delen van de stad onvoldoende te bereiken vanwege de aanwezigheid van malafide ondernemingen, georganiseerde criminaliteit en overlast. Dit vraagt om extra aandacht en stevig optreden. De Horecanota 2017-2021 geeft invulling aan de visie van Rotterdam ten aanzien van de horeca voor de komende vijf jaar. De horecanota staat niet op zichzelf.
Het is een kader dat samen met andere gemeentelijke kaders en visies moet zorgen voor het behoud en de verdere ontwikkeling van Rotterdam als aantrekkelijke stad om in te wonen, te werken en te verblijven. Op basis van de visie en aan de hand van onderstaande uitgangspunten realiseert Rotterdam de ambities van balans in de wijk, een veerkrachtige binnenstad, verantwoord ondernemerschap en de stad als laboratorium. In de horecanota is aangegeven wat in Rotterdam verstaan wordt onder horeca en voor welke vormen een exploitatievergunning noodzakelijk. In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Conclusie De beoogde functieverruiming zal een belangrijke bijdrage leveren aan de verdichtingsopgave met woningen en voorzieningen in de Rotterdamse binnenstad.
Daarmee voldoet de ontwikkeling aan de doelstellingen uit de Omgevingsvisie, de Woonvisie en het binnenstadsplan. De beoogde verruiming draagt tevens bij aan de doelstelling om het aantal centrumbewoners te verhogen en te voorzien in een toegankelijke begane grond met (openbare) functies, waardoor in dit deel van de stad meer levendigheid ontstaat. 2.4
Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 juli 2017 is het besluit tot wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening, in verband met de aanpassing van de ladder voor duurzame verstedelijking, in werking getreden. Met deze aanpassing zijn drie leden van artikel 3.1.6 van het Bro gewijzigd. In deze leden worden eisen gesteld aan de toelichting op een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Het nieuwe derde lid maakt het mogelijk dat bij bestemmingsplan kan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt opgenomen in de toelichting van het wijzigings- of het uitwerkingsplan. Daarnaast is het begrip ‘actuele regionale behoefte’ vervangen door ‘behoefte’. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de beoogde ontwikkeling.
- 18 -
Weliswaar betreft de beoogde verruiming van de bestemming geen ontwikkeling in de zin van nieuwbouw, toch maakt de extra flexibiliteit het wenselijk om te toetsen aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Immers worden door de verruiming van de functies woningen mogelijk gemaakt en bestaat ook de mogelijkheid om een aantal andere functies dan de eerder benoemde maatschappelijke voorzieningen in het gebouw te vestigen. De locatie bevindt zich binnen het stedelijk gebied van Rotterdam (zie § 3.2) en is reeds volledig bebouwd. Daardoor is geen sprake van nieuw ruimtebeslag. Tevens zijn op grond van de geldende bestemming ‘Maatschappelijk - 1’ veel van de beoogde functies reeds toegestaan. Met het toekennen van een nieuwe bestemming die inhoudelijk slechts beperkt af zal wijken van de bestemmingen zoals deze nu in het vigerende bestemmingsplan gelden voor de omliggende panden, wordt meer flexibiliteit geboden en is tevens de woonfuncties toegestaan. Het aantal woningen is daarbij gemaximeerd op 100. Met de nieuwe bestemming wordt het mogelijk om eventueel beschikbare ruimtes op de begane grond ook in te zetten voor horeca, lichte bedrijfsactiviteiten, cultuur en ontspanning. Ook blijft het mogelijk om - net als in de huidige situatie – de begane grond in gebruik te nemen voor maatschappelijke voorzieningen.
Dit betreffen functies van beperkte aard en passend binnen de zeer centrale ligging van het pand in het centrum van Rotterdam. Dat er behoefte is aan de beoogde woningen blijkt uit de meest actuele provinciale Woningbehoefteraming (WBR2019). Deze prognose is bedoeld als “neutrale” kwantitatieve basis voor het provinciale woningbouwbeleid. Voor elke regio is berekend hoeveel extra woningen er nodig zijn, voor het huisvesten van nieuwe huishoudens. WBR2019 is een scenarioberekening van een demografisch model, waarbij (o.a.) wordt gerekend met ‘binnenlands migratiesaldo nul’ per gemeente. Op basis van deze raming blijkt de woningbouwproductie ten opzichte van de afgelopen jaren flink naar boven is bijgesteld. Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt evenwel dat het uitgangspunt “binnenlands migratiesaldo nul” in Rotterdam niet opgaat; de groei van Rotterdam wordt immers voor een belangrijk deel óók veroorzaakt door de vestiging van mensen van buiten de stad. De vraag naar woningen is in werkelijkheid dan ook groter, vandaar dat in het Rotterdamse coalitieakkoord het opschroeven van de woningbouwproductie een belangrijk beleidsvoornemen is. De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking en past daarmee binnen het nationaal en provinciaal beleid.
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 19 -
- 20 -
3.
BESCHRIJVING VAN HET PROJECT In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie, het huidig gebruik van de omgeving en wordt een beeld gegeven van de beoogde nieuwe situatie.
3.1
Bestaande situatie Cool behoorde tot circa 1850 tot het poldergebied dat zich uitstrekte tussen de Kruiskade en de Westzeedijk. Het gebied werd slechts door één weg doorsneden: de Binnenweg. Aan het begin van de 19e eeuw ontstonden in het gebied, direct buiten de Coolveste, de eerste niet geplande stadsuitbreidingen. Door de aanleg van de Westersingel in 1860 maakte het gebied een sterke verstedelijking door. De Van Oldenbarneveltstraat, Witte de Withstraat en Kortenaerstraat werden haaks op de singel aangelegd. Langs de Westersingel (Mauritsweg en Eendrachtsweg) verscheen voornamelijk luxe woonbebouwing van grote aaneengeschakelde herenhuizen. De voornaamheid van de bebouwing nam af naar gelang de straten in het achterliggende gebied smaller werden. De smalle straten parallel aan de singel werden bebouwd met eind 19e eeuwse revolutiebouw: smalle en diepe woonhuizen die onderdak boden aan grote arbeidersgezinnen. Op de begane grond vestigden zich kleine werkplaatsen en winkels. Ondanks dat door het bombardement van 14 mei 1940 grote delen van Cool zijn verwoest, is een behoorlijk deel van de bebouwing van voor 1900 bewaard gebleven. Tezamen met de singels vormt Cool dan ook één van de weinige restanten van het 19e eeuwse Rotterdam.
Voor de verwoeste delen van Rotterdam werd een wederopbouwplan opgesteld, waarbij tevens de mogelijkheid werd aangegrepen om een modern en functioneel stadcentrum te realiseren en een goed functionerend verkeerssysteem. Langs de nieuwe stadsboulevard werd grootschalige bebouwing geprojecteerd als begeleiding van het brede profiel. Langs de Schiedamsedijk, in de vooroorlogse situatie aan twee zijden bebouwd, werden grote bouwblokken gerealiseerd. Deze vormen een stedenbouwkundige begeleiding van het "venster op de rivier", een visuele relatie tussen het hart van de stad en de rivier. De achterliggende straten werden voorzien van gemengde functies. Langs de Schiedamse Vest vestigden zich vooral stedelijke functies als het Oogziekenhuis, kantoren en kleine bedrijvigheid. Met de stadsvernieuwing werd de voorlopig laatste laag aan Cool toegevoegd. In deze periode werd vooral de laat 19e eeuwse woningbouw onder handen genomen. Een deel van de oorspronkelijke bebouwing is hierbij gesloopt en vervangen door nieuwe, veelal kleine, woningen in de sociale sector. De kenmerkende stedenbouwkundige structuur van Cool, bestaande uit rechte, nauwe straten met smalle, hoge panden, werd op een aantal plaatsen onderbroken met verspringingen in rooilijnen en variatie in de bebouwing.
De kwaliteit van de bebouwing is in fysiek opzicht weliswaar vooruit gegaan, maar vanuit esthetisch opzicht vormen deze ingrepen weinig verbetering. De wijk Cool valt qua functioneren min of meer in drie delen uiteen: • het Mauritskwartier, het gebied ten noorden van de Westblaak: tussen Westblaak, Mauritsweg, Schouwburgplein en Karel Doormanstraat; • het Witte de Withkwartier, het gebied ten zuiden van de Westblaak: tussen Westblaak, Eendrachtsweg, Schiedamse Vest en Vasteland; • het Baankwartier: het gebied tussen Westblaak, Schiedamse Vest, Vasteland en Schiedamsedijk.
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 21 -
Afbeelding 3: De wijk Cool, de locatie van het Oogziekenhuis is aangeduid.
Het plangebied behoort tot het Baankwartier, waar - tezamen met het direct aansluitende Witte de Withkwartier - naast woningen ook diverse (bovenwijkse) voorzieningen aanwezig zijn, zoals een theater, horeca, scholen, kerken en voor nu dus nog het Oogziekenhuis Rotterdam. Toch wordt het gebied, ondanks zijn binnenstedelijke ligging, slecht doelgericht bezocht en wordt hier vooralsnog in relatief beperkte mate gewoond. De ontwikkelingen die nu gaande zijn zullen belangrijk bijdragen aan de woningdichtheid van het gebied en ook de herontwikkeling van het gebouw van het Oogziekenhuis zal daaraan bijdragen. Het gebouw is ontworpen door architect Ad van der Steur en betref na de oplevering in 1948 het grootste oogziekenhuis van Nederland. In 1955 werd het gebouw uitgebreid en in 2005 grootschalig gerenoveerd. In 2021 is het aangewezen als gemeentelijk monument. Het gebouwde cultuurhistorische erfgoed is belangrijk voor de stad. Een cultuurhistorische verkenning, ofwel een onderzoek naar-, en waardering van de bestaande kenmerken van het
Afbeelding 4: Zicht op het gebouw van het Oogziekenhuis waar dit bestemmingsplan zich op richt.
- 22 -
gebouwde vanuit historische perspectief, is een instrument om cultuurhistorisch erfgoed in te zetten als afwegingsfactor bij gebiedsontwikkelingen. In 2008 is door het toenmalige college besloten om bij gebiedsontwikkelingen een cultuurhistorische verkenning (cv) te laten opstellen zodat er een cultuurhistorisch afwegingskader beschikbaar is. Daarnaast is ook besloten om cultuurhistorie structureel mee te nemen in de ruimtelijke planvorming (zoals bijvoorbeeld het bestemmingsplan). Dit besluit wordt versterkt door de kadernotitie "Cultuurhistorie in bestemmingsplannen: de Rotterdamse Aanpak" en de ambities die in de Erfgoedagenda Rotterdam 2017-2020 benoemd zijn. In dat kader zijn in 2020 de Cultuurhistorische Verkenningen "Cool-Zuid" en "Baankwartier" vastgesteld door B&W. De panden die in de cultuurhistorische verkenningen een beeldbepalende status hebben gekregen, hebben in het bestemmingsplan ‘Cool’ de dubbelbestemming Waarde ‘Cultuurhistorie 2’ gekregen. Die dubbelbestemming is ook toegekend aan het Oogziekenhuis. In de zomer 2021 is de procedure om te komen tot een besluit over de aanwijzing als gemeentelijk monument van het Oogziekenhuis opgestart. In het kader van de aanwijzing is een omschrijving van de monumentale waarden van het Oogziekenhuis opgesteld die als uitgangspunt dient voor toekomstige veranderingen van het pand.
Op 21 december 2021 heeft het college van B&W besloten tot de definitieve aanwijzing als gemeentelijk monument van het Oogziekenhuis. Hiermee is bij toekomstige ontwikkelingen de Erfgoedverordening Rotterdam 2020 van toepassing en is een voor ingrepen en wijzingen in het pand een omgevingsvergunning voor handelingen met gevolgen voor beschermde monumenten noodzakelijk. Sinds het pand beschermd is als gemeentelijk monument en deze bescherming middels de Erfgoedverordening Rotterdam 2020 verder reikt dan de bescherming middels de dubbelbestemming ‘Waarde -Cultuurhistorie 2’, wordt deze regel in dit projectbestemmingsplan achterwegen gelaten. 3.2
Projectbeschrijving Zoals aangegeven in § 1.4 betreft het een herontwikkeling van een reeds bestaand pand binnen het stedelijk gebied van Rotterdam. Daardoor is geen sprake van nieuw ruimtebeslag en heeft het bestemmingsplan uitsluitend tot doel het pand, in lijn met de meeste bestaande panden in dit deel van het centrum, flexibiliteit in gebruik toe te kennen. Omdat op dit moment nog geen sprake is van een concreet (bouw)plan tot herontwikkeling, wordt daar in dit bestemmingsplan ook niet nader op ingegaan. Voorlopig blijft het Oogziekenhuis op deze locatie in bedrijf, wat ook mogelijk is binnen de nieuwe bestemming. De nieuwe bestemming heeft enkel tot doel dat na het vertrek van het Oogziekenhuis de mogelijkheid bestaat om het pand een binnen de omgeving passende nieuwe functie te geven. Het hoofddoel is daarbij de transformatie naar een woongebouw met een aantrekkelijke begane grond. Het aantal woningen is in de planregels gemaximeerd op 100. Inhoudelijk is bestemming grotendeels overeenkomstig de bestemming ‘Centrum - 2’, zoals deze nu is opgenomen in het bestemmingsplan ‘Cool’ en geldt voor veel van de direct omliggende gebouwen. Omdat een aantal functies binnen die bestemming als ongewenst wordt beschouwd, is de bestemming op onderdelen aangepast en meer gespecificeerd. Een hotelbestemming is op deze locatie bijvoorbeeld niet gewenst en daarmee ook uitgesloten.
Op de begane grond wordt ruimte geboden aan lichte horeca, werkruimtes cultuur en ontspanning. Ook is ruimte voor maatschappelijke voorzieningen, al zijn deze - net als in de huidige situatie - ook op de hoger gelegen verdiepingen toegestaan. Daartoe is gekozen omdat het oogziekenhuis voorlopig nog op deze locatie zal functioneren. De grootste wijziging ten
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 23 -
opzichte van de huidige bestemming van het pand, betreft de mogelijkheid tot realisatie van woningen. Het bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader waaraan de bouwaanvraag tot herontwikkeling wordt getoetst. Daarnaast zal de gemeente ook op grond van een Nota van Uitgangspunten voorwaarden (kunnen) stellen. Dit in samenhang met welstandscriteria, beschermde monumentale waarden, beleidsbepalingen ten aanzien van bijvoorbeeld de toegestane en/of gewenste horecavoorzieningen en het parkeren (zie onderstaand). Verkeer en parkeren Voor de leefbaarheid en bereikbaarheid is het beperken van autogebruik en de parkeermogelijkheden gewenst. Daarom wordt maximaal ingezet op om andere vormen van mobiliteit. Voetganger en fietser krijgen in het centrum van de stad volop ruimte, met goede routes naar de OV-haltes. Verder word gestimuleerd om gebruik te maken van deelmobiliteit, waardoor het eigen autobezit wordt ontmoedigd. Afspraken over het parkeren en de daarbij behorende eisen ten aanzien van het aantal auto- en fietsparkeerplaatsen, vinden plaats in het kader van de toetsing van het bouwplan. Omdat daar op dit moment nog geen sprake van is, kan ook die toetsing nog niet plaatsvinden.
Zoals gebruikelijk binnen bestemmingsplannen, omdat deze vaak vooruitlopend op een concreet initiatief worden vastgesteld, is daarom in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze waarborgt dat de toetsing van het bouwplan aan het op dat moment van toepassing zijnde beleid. Op dit moment betreft dat de ‘Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022’ die op 1 januari 2022 in werking is getreden.
- 24 -
4.
TOETSING AAN OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten behandeld die binnen de ruimtelijke ordening van belang zijn. Veel aandacht gaat daarbij uit naar de milieuaspecten, aangezien milieubeleid randvoorwaarden stelt aan ruimtelijke ontwikkelingen en primair is bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren.
4.1
Water De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Bij de watertoets worden de waterbeheerders actief betrokken bij besluitvormingsprocessen en water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening gegeven. Het project is gelegen in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat deze voldoen aan het waterbeleid. Dit is vastgelegd in diverse beleidsdocumenten van Europees (Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) tot gemeentelijk niveau (Waterplan 2 & Rotterdams Weerwoord). Ook het hoogheemraadschap heeft zijn eigen beleid. Dit is vastgelegd in het Waterbeheerplan 20222027. Met dit beheerplan staat het hoogheemraadschap voor een doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Het hoogheemraadschap wil zijn kerntaken gezamenlijk uitvoeren met bedrijven, burgers, belangenorganisaties, medeoverheden en andere samenwerkingspartners in het beheergebied. Huidig watersysteem Het plangebied is gelegen in peilgebied GPG-178. Hier wordt een vast streefpeil gehanteerd van 2,40 meter beneden NAP (m-NAP). In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig; de dichtstbijzijnde oppervlaktewateren betreffen de Westersingel en de Leuvehaven.
De Westersingel maakt hierbij onderdeel uit van het bemalingsdistrict 66. Bij een watertekort kan water vanuit de Rotteboezem via een persleiding in dit bemalingsdistrict worden gelaten. Het water stroomt dan zuidwaarts richting het gemaal Eendrachtsweg. Dit gemaal slaat het overtollige water uit op de Nieuwe Maas. Daarnaast assisteert het rioolgemaal Westersingel in die gevallen dat extra bemalingscapaciteit benodigd is. Het rioolstelsel in het Baankwartier betreft een gemengd systeem. Dit betekent, dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). Voor het rioleringsdistrict 9, waar het plangebied deel van uitmaakt, is dit AWZI Dokhaven. Ten westen van het plangebied ligt in het Museumpark een ondergrondse waterberging. Bij hevige regenval kan hier maximaal 10.000 m3 (riool)water worden geborgen. De dichtstbijzijnde waterkering in de omgeving van het plangebied betreft de secundaire waterkering ter plaatse van de Schiedamsedijk. De dichtstbijzijnde primaire waterkering betreft het ten zuiden van het plangebied gelegen ‘Vasteland’. Deze kering maakt deel uit van een hoofdwaterkering op deltahoogte. De bijbehorende kern- en beschermingszones van beide keringen strekken zich niet tot het plangebied uit, waardoor vanuit de Keur van het hoogheemraadschap geen beperkingen gelden.
Het plangebied ligt binnen dijkring 14, die is gesitueerd langs de Nieuwe Maas. Deze ring kent een beschermingsniveau van 1 op 10.000 jaar; dit betekent dat de waterkering bescherming biedt tegen een extreem hoogwaterpeil dat gemiddeld genomen eens in de 10.000 jaar voorkomt. Bij een eventuele doorbraak van de
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 25 -
waterkering van de Nieuwe Maas zal een groot deel van Baankwartier onder water komen te staan. Ter plaatse van het plangebied zijn dan waterdieptes tot 2,0 meter mogelijk. Wateropgave Dit bestemmingsplan is erop gericht om een functieverruiming voor het pand Schiedamse Vest 180 mogelijk te maken. Deze functieverruiming leidt niet tot extra bouwmogelijkheden en daarmee niet tot een toename van het verhard oppervlak. Het treffen van compenserende maatregelen is daarmee niet aan de orde. Ook de wijze waarop het huidige pand op het rioolstelsel is aangesloten, blijft door de voorgenomen functieverruiming ongewijzigd. Omdat de beoogde functieverruiming zich bevindt buiten de zoneringen van de waterkeringen, wordt de waterkerende functie van deze dijklichamen niet nadelig beïnvloed. Ook het aanvragen van een watervergunning is niet noodzakelijk. Overleg met de waterbeheerder(s) Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg toegezonden aan het waterschap. 4.2
Milieuzonering De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft in de uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” een handreiking geboden voor het toepassen van milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. In de volksmond spreekt men ook wel van “het groene boekje”. De milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe milieubelastende activiteiten (bijv. bedrijven) een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies (bijv. woningen) krijgen en dat milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van milieubelastende activiteiten gesitueerd worden. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. Daarnaast is milieuzonering gericht op nieuwe ontwikkelingen. Het is niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan. Met de handreiking kan worden bepaald wat de gewenste richtafstand is tussen de woningbouwlocatie en de bedrijven in de omgeving. Dit kan oplopen tot de maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 6 en die bedraagt 1.500 meter tot omgevingstype rustige woonwijk. Vanwege de diversiteit aan functies wordt de omgeving van het plangebied aangemerkt als een 'gemengd gebied'. Rotterdam heeft de VNG-uitgave vertaald naar haar eigen situatie.
Volgens deze systematiek wordt in een 'gemengde wijk' geen strikte scheiding tussen woon-, werk-, winkel- en verkeersgebieden aangehouden. In dergelijke gebieden zijn zelfs inrichtingen tot en met milieucategorie 3 toegestaan. De reeds aanwezige mix aan functies wordt ook via van het bestemmingsplan “Cool” mogelijk gemaakt. Op grond van de VNG-uitgave geldt rondom deze functies een hindercontour. Met uitzondering van de Uniper-inrichting aan de 2e Blekerhof gaat het in alle gevallen om ten hoogste categorie 2-inrichtingen. Dergelijke inrichtingen worden als passend in een gemengde wijk ervaren. Voor de toekomstige woningen geldt dan ook, dat ter plaatse sprake is van een
- 26 -
acceptabel woon- en leefklimaat. De vergunde rechten van deze inrichtingen worden door het voornemen niet belemmerd. Voor wat betreft de Uniper-inrichting geldt, dat deze in het geldende bestemmingsplan “Cool” is voorzien van de maatbestemming “specifieke vorm van bedrijf – elektriciteitscentrale”. Voor april 2019 werd deze centrale vanwege het aspect ‘geluid’ nog aangemerkt als ‘grote lawaaimaker’, zodat ook sprake was van een gezoneerd industrieterrein. Het pand Schiedamse Vest 180 lag buiten de geluidscontour van het voormalige gezoneerde instustrieterrein “Blekerhof”, op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat het aspect ‘geluid’ niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Daarbij komt, dat de in de centrale aanwezige ketels niet meer gelijktijdig aangezet kunnen worden. Ook zijn de tijden waarop de centrale in werking is gewijzigd. Door deze in april 2019 doorgevoerde (technische) wijzigingen is geen sprake meer van een ‘grote lawaaimaker’. Dit betekent, dat voldaan moet worden aan de in de milieuvergunning vastgelegde geluidsnormen. Omdat tussen deze stadsverwarmingscentrale en het pand Schiedamse Vest 180 reeds meerdere woningen aanwezig zijn, bepalen deze bestaande woningen de milieuruimte van deze centrale.
Door de beoogde woningen zal de vergunde bedrijfsruimte niet worden belemmerd en zal ter plaatse ook sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Het thema 'milieuzonering' leidt niet tot belemmeringen voor de beoogde functieverruiming. 4.3
Geluid Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. In de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer zijn geluidsnormen opgenomen voor wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Deze normen geven de hoogst acceptabele geluidsbelasting bij geluidsgevoelige functies zoals woningen. Bij het bepalen van de maximaal toegestane geluidsbelasting maakt de Wet onderscheid tussen bestaande situaties en nieuwe situaties. Nieuwe situaties zijn nieuw te bouwen geluidsgevoelige functies of nieuwe geluidhinder veroorzakende functies. Wegverkeerslawaai De beoogde functieverruiming maakt nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk, namelijk woningen. Deze woningen liggen binnen de toetsingszone van de volgende zoneplichtige wegen: Blaak, Westblaak, Schiedamsedijk en Vasteland. Toetsing aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder is daarom noodzakelijk. Vandaar dat een akoestisch onderzoek 1 is uitgevoerd. Uit de rekenresultaten blijkt, dat het wegverkeer (inclusief tram) op de genoemde wegen niet leidt tot een geluidsbelasting die de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijd. De maximaal berekende geluidsbelasting bedraagt namelijk 46 dB. Overige wettelijke geluidsbronnen Het plangebied ligt niet binnen een toetsingszone van een zoneplichtige spoorweg of een gezoneerd industrieterrein.
Ook de geluidscontouren van Rotterdam - The Hague Airport zijn niet over het plangebied gelegen. Het nestgeluid van afgemeerde schepen en het
1 dBvision, Transformatie Oogziekenhuis; Akoestisch onderzoek geluid op gevels, oktober 2022, rapportnummer
ADV088-01-003.
Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 27 -
scheepvaartlawaai zijn gezien de afstand tot de Nieuwe Maas akoestisch niet relevant. Vandaar dat een nadere beschouwing van deze geluidsbronnen niet aan de orde is. Niet-aan wetgeving gebonden geluidsbronnen Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening is ook onderzoek gedaan naar de invloed van andere relevante, maar niet-wettelijke geluidsbronnen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Voor het plangebied betreft dit het geluid afkomstig van omliggende 30 km/hwegen (Schiedamse Vest, Schiedamsesingel, Baan en Blekerstraat), alsook het varende schepen op de Nieuwe Maas. Deze bronnen tellen naast de wettelijke bronnen (wegverkeersen industrielawaai en het geluid van de horeca en terrassen) mee bij het bepalen van de uiteindelijke benodigde gevelisolatie. Uitgangspunt is dat binnen in de woningen niet meer dan 33 dB optreedt als gevolg van al deze bronnen samen. Dit sluit aan bij de toekomstige regelgeving onder de Omgevingswet en hierdoor is er sprake van een goed woon- en leefklimaat in de woningen. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt, dat de geluidsbelasting als gevolg van het scheepvaart op de Nieuwe Maas maximaal 48 dB bedraagt. Daarmee wordt de streefwaarde van 55 dB niet overschreden. De geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer op de omliggende 30 km/h-wegen bedraagt maximaal 58 dB.
Conclusie De geluidsbelasting vanwege de onderzochte zoneplichtige wegen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet. Vandaar dat het treffen van geluidsreducerende maatregelen en/of het verkrijgen van een ontheffing van de Wet geluidhinder niet noodzakelijk is. Wel is het wenselijk om bij een toekomstige transformatie van het Oogziekenhuis naar woningen rekening te houden met de geluidsbelasting als gevolg van de omliggende 30 km/h-wegen, bijvoorbeeld door de toepassing van zodanige gevelwering dat sprake is van een binnenniveau van ten hoogste 33 dB. Op basis van het uitgevoerde akoestisch onderzoek wordt geconcludeerd, dat het aspect ‘geluid’ geen belemmering vormt voor de beoogde functieverruiming van het pand. 4.4
Luchtkwaliteit Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden die zijn vastgelegd in het hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. - 28 -
Eén van de uitzonderingscategorieën in de Regeling NIBM betreft een woningbouwproject van maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Het aantal woningen binnen het plangebied is gemaximeerd op 100. De beoogde functieverruiming valt daardoor onder één van de uitzonderingscategorieën uit de Regeling NIBM en wordt dan ook aangemerkt als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt. Het uitvoeren van een luchtkwaliteitsonderzoek is niet noodzakelijk en het plan voldoet aan de Wet luchtkwaliteit. Uit de monitoringstool van het NSL blijkt, dat de huidige NO2-concentratie (jaar 2020) ter hoogte het dichtstbijzijnde rekenpunt (Schiedamse Vest) lager is dan 35 μg/m3. Dit geldt ook voor de PM10-concentratie. Gesteld wordt, dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. 4.5
Externe veiligheid Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Uit het bestemmingsplan “Cool” blijkt, dat geen sprake is van: • de aanwezigheid van LPG-vulpunten en daardoor ook geen transporten van LPG in de nabijheid plaatsvinden; • andere transporten van gevaarlijke stoffen via weg, water of rail.
Over de Nieuwe Maas worden gevaarlijke stoffen getransporteerd, echter bevindt deze transportroute zich op meer dan 200 meter van het plangebied; • de aanwezigheid van een vliegveld; • de aanwezigheid van ondergrondse leidingen met een druk van 20 bar of meer. Onder de Witte de Withstraat zijn enkele aardgastransportleidingen gelegen met een maximale werkdruk van 8 bar. De aanwezige zonering van 4 meter aan weerszijden van deze leidingen is daarbij voldoende; • bedrijven in de directe nabije omgeving die een risicobron vormen. Vandaar dat in het bestemmingsplan “Cool” is gesteld, dat nader onderzoek naar het aspect ‘externe veiligheid’ niet aan de orde is. Dit betekent, dat dit aspect ook voor de beoogde functieverruiming niet relevant is en dat nader onderzoek niet noodzakelijk is.
4.6
Bodem Het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en ernst van bodemverontreiniging wordt gevormd door de Wet bodembescherming (Wbb). Op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater wordt bepaald of, conform de Wbb, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico’s voor mens en ecosystemen vervolgens Ontwerpbestemmingsplan Schiedamse Vest 180 - toelichting
- 29 -
onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Als een sanering spoedeisend is, dient hiermee binnen vier jaar aangevangen te worden. Wanneer geen sprake is van een spoedeisende sanering, kan deze worden uitgesteld totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Uit de Bodemkwaliteitskaart Rotterdam blijkt, dat het Baankwartier, tussen de Schiedamsedijk en de Schiedamse Vest, onderdeel uitmaakte van het oude Rotterdam dat tijdens het bombardement geheel is verwoest. Door alle ruimings- en herbouwactiviteiten is de bodem ingrijpend veranderd. In de Bodemkwaliteitskaart wordt dan ook gesteld, dat zowel de contactzone (de bovenste 1 meter) als de ondergrond naar verwachting licht verontreinigd zijn. Om de daadwerkelijke bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied te bepalen, is het uitvoeren van een bodemonderzoek gewenst. Gezien het feit dat het pand Schiedamse Vest 180 momenteel in gebruik is als oogziekenhuis en dit pand het gehele plangebied beslaat, is het niet mogelijk om ter plaatse bodemonderzoek uit te voeren. Om toch enig inzicht te hebben in de milieuhygiënische bodemkwaliteit is ervoor gekozen om rondom het pand een oriënterend bodemonderzoek 2 uit te voeren. Het veldonderzoek heeft plaatsgevonden in juni en juli 2022, waarbij rondom het plangebied in totaal 20 boringen zijn verricht.
De diepte varieert hierbij van 1 tot 2 meter beneden maaiveld (m-mv). Eén boring is afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek. Daarnaast zijn nog 14 proefgaten ten behoeve van het asbestonderzoek gezet. Uit het uitgevoerde blijkt, dat rondom het plangebied sprake is van lichte tot sterke verontreinigingen met zware metalen en PAK. Deze verhoogde gehalten zijn veel voorkomend in de stedelijke ophooglaag ter plaatse van dit gebied. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten voor barium aangetoond. Dit betreft een natuurlijk verhoogde achtergrondgehalte. In de tuin ten zuiden van het plangebied is analytisch een gering gehalte aan asbest aangetoond. De gehalte blijft echter onder de norm voor nader onderzoek. Gesteld wordt, dat een nader onderzoek naar de aangetroffen verhoogde gehalten voor metalen en/of PAK in de openbare ruimte / parkeerplaats niet is zinvol. Het betreft hier namelijk de openbare ruimte / parkeerplaats rondom het plangebied. Daarnaast zijn in het grondwater geen sterk verhoogde gehalten aangetoond. Zodoende kunnen in de huidige situatie humane, ecologische en verspreidingsrisico’s worden uitgesloten, aangezien bijna de gehele locatie is verhard en er sprake is van immobiele parameters.