CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb004750] Bijlage behorende bij 24bb004749 over Cultuurhistorische verkenning Tarwewijk

Gemeenteraad 11 juli 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Tweeminutendebat over 'Stop de sloop van de historische Tarwebuurt', aangevraagd door het lid Coşkun.16.735 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De thema’s zijn uit te breiden bij het verder onderzoeken van de andere wijken van Rotterdam Zuid. Op de kaart hiernaast zijn de ruimtelijke erfenissen en thema’s aangegeven voor Bloemhof, Hillesluis en Tarwewijk.

AAN DEN OVERKANT

Als men, komende van den rechteroever, zijn eerste schreden

inwoners zal tellen dan de rechteroever. De vraag of wij tegen

zet op het linker- Maasoevergebied, krijgt men geen gunstigen

dien tijd daar niet ons stadhuis zullen moeten bouwen, laat ik

Er ligt in Rotterdam dat thans naar alle kanten buiten haar

indruk van Rotterdam-Zuid als woonstad. Noodzakelijkerwijs

vooralsnog maar onbeantwoord. Rotterdam-Zuid zal de eerste

grenzen groeit, nog land dat voor onze vaderen als onontdekt

belandt men dan het eerst in het gebied van havens, pakhuizen,

eeuw meer behoefte gevoelen aan andere openbare gebouwen.

gebied gegolden heeft. Er [is] een tijd geweest toen Rotterdam

fabrieken en rangeerterreinen. Verderop vindt men echter ook

Gelukkig heeft het nu zijn uitbreidingsplan waarbij de lijnen

in het Zuiden eindigde bij de Boompjes. Zelfs in de vorige eeuw,

wijken waar de stedeling in zijn huisje te midden van groen en

zijner verdere ontwikkeling zijn uitgeteekend. Het krijgt zijn

toen ons land en ook onze stad zich reeds lang in het bezit van

bloemen al de zaligheden van het buitenleven kan genieten. De

nieuwe groote ziekenhuis en wellicht zal in de toekomst een

spoorwegen mochten verheugen, is het gebied ten Zuiden van de

vreemdeling, die Tuindorp Vreewijk bezoekt, is altijd opgetogen

tunnel het onder de rivier door verbinden met de moederstad

Maas, dat nu doorsneden wordt door een spoorlijn, waarlangs

over dezen Woningbouw, die het arbeidersgezinnen hogelijk

aan den overkant van de Maas. Een theater zal het binnen niet te

het verkeer Amsterdam—Parijs wordt onderhouden, lang een

maakt in ééngezinswoningen te huizen. Ook Tuindorp Heyplaat,

langen tijd eveneens rijk zijn. De linker-oever gaat op den duur

uithoek zonder groote beteekenis voor Rotterdam’s economisch

het dorp der Rotterdamsche Droogdokmaatschappij, is een

een stad met een geheel eigen leven worden. […]De Linkeroever

leven gebleven. […] Wellicht zijn heden de laatst overgeblevenen

staal van goede woningzorg. Deze onderneming moest hier zelf

herbergt een groot deel van het Rotterdamsche bedrijfsleven.

van een generatie, die van de Boompjes aan de overzijde het

gaan bouwen, omdat haar bedrijven te ver van de stad lagen

Daar over de Maas, tusschen fabrieksschoorsteenen en torenhooge

koolzaad heeft zien bloeien, nog in leven. De akkerbouw is

om al haar arbeiders van den overkant te kunnen aanvoeren.

havenwerktuigen, zwoegt Rotterdam voor zijn bestaan, dat

echter sinds het midden der vorige eeuw geleidelijk aan van den

De vooroordeelen van den bewoner, die met tegenzin uit de

het slechts verwerven kan door zwaren arbeid. De in de vorige

oever verdrongen. Ja, zelfs het land, door een moeizamen arbeid

binnenstad naar hier trekt, worden in de nieuwe omgeving

eeuw nauwelijks bewoonde oever is een tempel van den arbeid

van eeuwen gewonnen op het water, werd weer voor een deel

spoedig overwonnen als de bewoner den zin voor natuur en voor

geworden.

prijsgegeven toen Rotterdam hier zijn havens ging graven. De

frischheid in de achterstraten en hofjes der stad nog niet geheel

gemeente Rotterdam heeft zich zoo lang mogelijk onthouden van

verloren heeft. Onze nederzetting aan den overkant heeft reeds

expansie op den Linkeroever. […] Er zijn havens, er is industrie

een inwonertal dat dat van Utrecht nadert en mettertijd wel zal

en er zijn menschen gekomen om er te werken en te wonen.

overtreffen. Reeds is voorspeld, dat eenmaal de linkeroever meer

Algemeen Handelsblad 28-07-1927

STEENHUISMEURS bv

37

Historische en ontworpen routes elk met een eigen identiteit Wat Oud Zuid bijzonder maakt zijn de grote schotsen van woningbouw die doorsneden worden door lange routes. Elke route heeft een eigen karakter, van oude dijklinten (zoals de relatief smalle Beijerlandselaan), kaarsrechte polderwegen (Lange Hilleweg), haveninfrastructuur (Brielselaan) tot monumentale parkways (Mijnsherenlaan, Dordtselaan en Pleinweg).

38

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Catalogus van de vooroorlogse (Rotterdamse) bouwpraktijk In Oud Zuid is een onverwachte rijkdom aan woningtypen en architectuur te onderscheiden. Dit is toe te schrijven aan de sterke gemeentelijke bemoeienis met de woningbouw eind jaren tien, begin jaren twintig toen proeven met woningplattegronden, alternatieve bouwwijzen zoals beton en nieuwe stedenbouwkundige principes hier een uitwerking kregen, zoals die van de tuindorpgedachte. De hoogtijdagen van het progressief gemeentelijk woningbouwbeleid kwamen door de bouwcrisis eind jaren twintig tot een einde. Particuliere bouwers namen het stokje over. Dit resulteerde deels in goedkope arbeiderswoningbouw (zoals het alkooftype of de beneden- en bovenwoning), maar toen de markt voor middenstandswoningen begin jaren dertig weer aantrok in een veelheid aan woningtypen met een hoogstaande architectuur (sinds 1927 waren particuliere

bouwers verplicht rekening te houden met gemeentelijke welstandseisen). Voor Rotterdamse bouwers en architecten was Oud Zuid een speeltuin. Ontwerpers als Van den Broek, Ten Bosch, Uyterlinde, Vermeer, Oud, Dahlen, Vermaas, Van der Steur en vele anderen drukten hun stempel op de woonomgeving. Dat veel namen onbekend bleven, ook na dit onderzoek, is te wijten aan de beperkte aandacht die er jarenlang is geweest voor deze periode in de architectuurgeschiedenis, maar ook voor deze helft van de stad.

STEENHUISMEURS bv

39

Pleinen en parken als toevalligheden in het stratenplan In de opeenvolgende stedenbouwkundige plannen was er weinig aandacht voor het maken van ontmoetingsplekken: pleinen en parken. Enkel het Bloemhofplein (Bloemhof), het Karel de Stouteplein (Charlois), het Afrikaanderplein (Afrikaanderwijk) en het Mijnsherenplein (Tarwewijk) zijn bewuste – en dure – uitsparingen in het stratenplan. Tegenwoordig zijn het juist de vele overhoeken en parkjes die zo karakteristiek zijn voor Oud Zuid. De meeste hiervan zijn niet bewust ontworpen, maar ‘ontstaan’ als restruimte of omdat de markt geen brood zag in het bebouwen van deze vaak driehoekige kavels. Het is vervolgens aan de stadsvernieuwingsperiode te danken dat door sloop van krappe taps toelopende bouwblokken er aanzienlijk meer lucht in de wijken kwam. Van monumentale pleinwanden is daarom vrijwel nooit sprake.

40

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Een staalkaart aan hoekoplossingen De architectuur in Oud Zuid kan op het eerste gezicht schraal aandoen, vooral in de vroege woonwijken zoals Bloemhof en Hillesluis. Maar hoe vroeg de woningbouw ook is, en door welke partij ze ook gebouwd is (speculanten, gemeente of particulieren) aan de gevels op de straathoeken is vrijwel altijd aandacht besteed. Op de ‘knooppunten’, de plekken waar verschillende (hoofd) wegen en dus hoeken samenkomen, is dit thema het beste zichtbaar. Het kruispunt Beijerlandselaan en Slaghekstraat bijvoorbeeld oogt als een staalkaart van hoekoplossingen.

STEENHUISMEURS bv

41

Openbare gebouwen als kers op de taart Pas in 1927 had de gemeente een instrument in handen waarmee ze een bepaalde architectonische beeldkwaliteit kon afdwingen. Tot die tijd gebruikte ze de tools die ze had: namelijk de school- en kerkgebouwen die ze op strategische plekken in de wijk plaatste. Het scholenensemble aan het zuidelijke uiteinde van de Polderlaan bijvoorbeeld is zo een van de meest monumentale plekken op Zuid. Dit is typisch iets voor Zuid. Het Rotterdamsch Nieuwsblad berichtte in 1928: ‘Merkwaardig is het welk een beteekenis de schoolgebouwen reeds hebben en steeds meer krijgen in de nieuwe stadswijken, welk zoo snel ontstaan aan den overkant der rivier, in Rotterdam-Zuid. Belangrijke complexen gemeente-scholen vindt men […] als accentueerende punten in de bebouwing.’

42

Rotterdam Zuid - tarwewijk

3. waardering per wijk Dit hoofdstuk omvat de waardering van elke afzonderlijke wijk (als onderdelen los te gebruiken). Aan de hand van vier kaarten nemen we de lezer mee in de geschiedenis en ruimtelijke karakteristiek van de wijk. Gestart wordt met de bouwgeschiedenis, die grotendeels gereconstrueerd is op basis van literatuuronderzoek en historische kranten- en tijdschriftartikelen. Vervolgens komt de doorontwikkeling van de wijk aan bod, met andere woorden: hoe is het de wijk vergaan sinds de bouw? Op de derde kaart staan de ensembles centraal: gebieden met een historisch gegroeide samenhang, die zich uit in een bepaalde ruimtelijke karakteristiek. Naast de ensembles zijn er de boulevards en singels: ontworpen of historische routes die op een hoger schaalniveau de ruimte vormen. Elk van deze wegen heeft een onderscheidende functie, bouwtijd en architectuurbeeld, die in dit deel ontleed wordt. De waardering eindigt met een waarderingskaart en een aantal aanbevelingen op het niveau van de stedenbouw, de openbare ruimte en de architectuur.

STEENHUISMEURS bv

43

1848 [SAR]

Tarwebuurt, 1922. [SAR]

44

Rotterdam Zuid - tarwewijk

1903 [Historische Atlas Rotterdam, 2007]

Brielselaan, 1937. [SAR]

1938 [Delpher]

Tarwewijk De Tarwewijk kwam grotendeels eind jaren twintig, begin jaren dertig tot stand. Twee belangrijke zaken geven de wijk haar onderscheidende karakter. Ten eerste de rol van de markt, die meer nog dan in de andere wijken op Zuid het tempo van de bouwstroom bepaalde. De groei van Tarwewijk was grotendeels afhankelijk van de grillen van de particuliere bouwsector. Toen bijvoorbeeld duidelijk werd dat de Maastunnel een razendsnelle verbinding met het centrum zou betekenen had dit een bouwhausse van duurdere middenstandswoningen tot gevolg. Toen de besluitvorming omtrent de tunnel tijdelijk stokte, nam de bouwstroom direct weer af. Die afhankelijkheid van particulier initiatief had ook positieve kanten. Onrendabele kavels (met een vreemde vorm bijvoorbeeld) bleven leeg en zouden later gaan fungeren als parkruimten. Ook leverde het een rijkdom aan woningtypes op, een mooie catalogus van de vooroorlogse woningbouw. Ten tweede waren vanaf 1927 de particuliere bouwers verplicht rekening te houden met gemeentelijke welstandseisen, wat zorgde voor een grote omslag in het ruimtelijk beeld. Architectuurhistoricus Wouter Vanstiphout schreef in 2005: ‘door het aaneenrijgen van verschillende bouwvolumes kreeg de bescheiden ontwerparbeid van de particuliere ondernemers een stedenbouwkundige dimensie’.

Met andere woorden: de architectuur speelde plots een grotere rol dan enkel op de schaal van het afzonderlijke bouwproject. Dit was een essentieel kantelmoment in het Rotterdamse, dat op Zuid vooral in Tarwewijk zichtbaar is. De Mijnsherenlaan, Dordtselaan, Pleinweg, maar ook de straten ten zuiden van de Blankenburgstraat worden gekenmerkt door een samenhangend ruimtelijk beeld en een hoogstaande stedelijke architectuur. Twee oude dijklinten structureerden van oudsher het gebied waar vanaf 1910 Tarwewijk werd gebouwd. De Katendrechtse Lagedijk verbond de dorpen Charlois en

Katendrecht. De kromme loop bestaat nog en is versterkt door de aanleg van de Wolphaertsbocht, parallel aan de dijk. De Dordtsestraatweg liep vanaf het Katendrechtse Veer – een van de belangrijkste vaarverbindingen tussen de twee Maasoevers – richting het zuiden. In de Tarwewijk is de route inclusief bebouwing vrijwel geheel weggevaagd, enkel de Hellevoetstraat en de Wevershoekstraat herinneren er nog aan. Een blauwdruk voor Tarwewijk heeft nooit bestaan. De wijk zoals we die nu kennen is het resultaat van een opeenstapeling van stedenbouwkundige plannen. Directeur Gemeentewerken G.J. de Jongh tekende in 1895 het ontwerp voor de Maashaven en de omringende straten. Het werd slechts ten dele uitgevoerd. De brede havenontsluitingsroutes kregen voorrang: de Brielselaan, het noordelijk deel van de Bas Jungeriusstraat en de Wolphaertsbocht. In 1903 werd het plan herzien opgenomen in het eerste Algemene Uitbreidingsplan voor de stad. De bouw van woningen startte vrijwel direct langs de Brielselaan en het noordelijke uiteinde van de Gaesbeekstraat. Dicht tegen het Maashavenbekken aan bouwden speculanten goedkope woningen, waarvan de meeste vanwege de povere kwaliteit inmiddels gesloopt of gerenoveerd zijn. In 1917 ontwierp de gemeente aan de voet van de Katendrechtse Lagedijk een stratenplan voor de bouw van 243 eengezinswoningen ‘van eenvoudige constructie’ (1).

Het buurtje kwam bekend te staan als de Tarwebuurt en werd zo de naamgever van de Tarwewijk. De vijf straten waaraan deze ‘vrije huisjes’ lagen hadden niet toevallig de namen van graansoorten. De Maashaven ontwikkelde zich gestaag tot dé graan- en zadenhaven van de stad en de kades vulden zich langzaam met graanbedrijven, zoals de Rotterdamse Graansilo Maatschappij. Het wijkje

kon niet direct afgerond worden: langs de oude dijklinten stonden boerderijtjes die de gemeente pas later onteigende. De Woningdienst ontwierp in 1930 95 lage woningen langs de Blankenburgstraat, Zwartewaalstraat en Stoppelstraat die de wijk ‘tot een gaaf en daardoor meer aantrekkelijk geheel maken’ (2). Hoewel de allereerste serie huisjes uit 1917 onherkenbaar gerenoveerd is en zelfs deels gesloopt, bepaalt deze tweede lichting huisjes door hun bakstenen uiterlijk, dakkappen, rood geverfde deuren en voortuintjes nog altijd het kleinschalige karakter van dit deel van de Tarwewijk. Binnen de contouren van het in 1926 officieel vastgestelde plan van het hoofd van de Afdeling Stadsuitbreiding en Gebouwen W.G. Witteveen – verrees ten oosten van wat dan nog de Dordtsestraatweg is, de Geervlietbuurt (3). Samen met de Tarwebuurt ontstond zo een aaneengesloten laagbouwzone, in de luwte van het stedelijke rumoer op de Brielselaan. De kwaliteit van deze woningen was zichtbaar minder. Door de bouwcrisis eind jaren twintig namen particuliere bouwers hun toevlucht tot de goedkopere beneden- en bovenwoningen. In de Geervlietbuurt staan er maar liefst driehonderd. Het was ook de bedoeling om de gronden in de driehoek tussen Dordtselaan en Mijnsherenlaan, de Millinxbuurt, stukje bij beetje te verkopen en te bebouwen met dit soort woningen, zo berichtte het dagblad Voorwaarts in 1930.

Het hele ‘binnenwerk’ van deze buurt (dus zonder de randen) werd rond 1930 echter gerealiseerd met gesloten bouwblokken met etagewoningen, drie of vier bouwlagen hoog (4). De architectonische kwaliteit van deze zevenhonderd woningen was voor arbeiderswoningbouw relatief hoog. Overigens was dat niet zo vreemd. Vanaf 1927 waren particuliere bouwers verplicht rekening te houden met gemeentelijke welstandseisen, wat zorgde STEENHUISMEURS bv

45

eRFeNiSSeN iN BeeLd

en shav

Maa

Historische route ontworpen route

elaan

Secundaire routes

Briels

kerk- en schoolgebouwen zorgden voor levendigheid en variatie in het straatbeeld, dat verder voornamelijk bestond uit een opeenvolging van gesloten bouwblokken. Nadat scholen jarenlang in bouwblokken gezet waren (een vroeg voorbeeld is de school achter de Polslandstraat uit 1905) (6), koos de gemeente er vanaf de jaren twintig voor ze te bouwen op prominente plekken, als belangrijke stedenbouwkundige bouwstenen. in deze periode kwam een groot aantal nieuwe scholen tot stand in Rotterdam, vooral in Zuid. door hun karakteristieke architectuur nemen ze een opvallende positie in. een clustering van schoolgebouwen is centraal in de wijk te vinden, aan het groene mijnsherenplein (7). architect a.B. jungerius ontwierp het schoolgebouw aan de voetjesstraat / hoek Blankenburgstraat (1930), het architectenduo 46

RotteRdam Zuid - taRwewijk

stra

at

Jun

geri

at tra Gr oe

lstra

15 Bas

usst

raat

14

at

npl

ein

7

Re

se

da

12 We ve

rsh

moerman en timmers de school aan de millinxstraat (1930) en gemeentearchitect j. Poot het scholencomplex aan de Zwartewaalstraat / Hoogvlietstraat (1930). vooral deze laatste is door de grote hoogte, langwerpige opzet en monumentale architectuur een opvallende verschijning. Gemeentelijk architect van der Steur ontwierp in 1929 de school aan de den Hertigstraat (8). van onbekende ontwerpers, maar niet van mindere kwaliteit, zijn de scholen aan de Bas jungeriusstraat/hoek katendrechtse Lagedijk (1931) (9), Bonaventurastraat (1933) (10), de Spijkenissestraat (1931) (11) en de moerkerkestraat (1936) (12). Rond 1925 verrees de Gereformeerde kerk aan het mijnsherenplein (architect onbekend), lange tijd de enige kerk in tarwewijk (13).

Erica plein

ps

Boe

Mij

voor een grote omslag in het ruimtelijk beeld. Het kwaliteitsverschil met de net voor deze periode gebouwde wolphaertsbuurt – de driehoek tussen wolphaertsbocht, Brielselaan en Pleinweg – is opvallend (5).

kint

ek

Dordtselaan

9

ere

kstr aat

ken Mijn

4

nsh

10

2

aat gstr bur

Mij

rker

1 Blan

Plei nwe g

13 7

an

M

2

nla

De

6

e dr

n te Ka

sho

Millinxstraat

raat

o

tsb

t traa

usst

ol W8

r

geri

at

tra

ss

an

t igs

Jun

5

ts ch

Cill er

ere

ert

oo

h Versc Bas

ph

r ae

eL

ls waa

nH

architectonische eenheden (zie nummers in tekst)

t rstraa

t ch

3

rte Zwa

De

Plein / park

7

jk

di

e ag

nsh

openbaar gebouw (kerk of school)

11

Moe

wanden hoofdstructuur

t straa

beek

Gaes

Olea

Hellevoetstr

knooppunt

nde rstra

at

Spoor

oek

stra

at

Zuid p

lein

Begin jaren dertig was een groot deel van de wijk gebouwd. enkel ten zuiden van de Blankenbergstraat lagen gronden braak. Hier startte in deze periode de bouw van een veelheid aan woningtypes met de middenstand als doelgroep: boven- en benedenwoningen, etagewoningen en portieketageblokken (14). de ontwerpers zijn niet allemaal te achterhalen, maar de naam van architect w. th. ten Bosch duikt opvallend vaak op. Het archief van deze Rotterdamse veelbouwer is verloren gegaan, maar

str aa t

Hellevoetstraat, 1957. [SAR]

Polslandstraat, 1951. [SAR]

Mijnsherenlaan, ca 1940. [SAR]

een werkenlijst bestaat nog. Zijn duidelijke signatuur – de toepassing van roodbruine baksteen en sterke horizontaliteit door een forse dakoverstek en smalle latei boven vensters en de entreepartij – is door onderzoekers van Stichting BONAS herkend in complexen aan de Bas Jungeriusstraat, Bonaventurastraat, Van Onselenstraat, Den Hertigstraat, Polslandstraat, Blankenburgstraat, Mijnkintstraat, Spruijtstraat, Wolphaertsbocht en Katendrechtse Lagedijk. Een zelfde vormentaal hanteerde de (verder onbekende) architect N.W. Vermeer, die aan de Voetjesstraat en Bonaventurastraat woningen ontwierp.

één op één te herleiden tot het kleinschalige karakter van de particuliere bouwindustrie – streefde ze nu naar een consistentie in het straatbeeld. Particuliere bouwers werkten vanaf nu samen en namen voor een bouwblok één (goedgekeurde of aangewezen) architect in de hand. Architect J.H. van den Broek bijvoorbeeld, die een duidelijke stempel drukte op het architectonisch beeld van de Mijnsherenlaan. Niet alleen ontwierp hij een aantal projecten zelf, ook werden op basis van zijn schetsplannen voor deze honderden meters lange route opdrachten uitgegeven aan andere architecten.

In 1938 werd het Uitbreidingsplan Linker Maasoever van directeur Gemeentewerken W.G. Witteveen herzien. Voor het huidige aanzien van Tarwewijk betekende deze herziening veel. Langs de hoofdroutes Mijnsherenlaan, Dordtselaan en het in dit plan geïntroduceerde Maastunneltrace (Pleinweg) kwamen gesloten bouwblokken van vijf bouwlagen hoog, als representatieve wanden van deze hoogstedelijke ‘parkways’. De gemeente schroefde de regie op het straatbeeld van deze lange lijnen op. In plaats van het gefragmenteerde karakter van bijvoorbeeld de Beijerlandselaan of Strevelsweg elders op Zuid –

Ook aan de Pleinweg werd in deze jaren fors gebouwd. De Maasbode berichtte in 1940: ‘In Rotterdam-Zuid beginnen zich in de omgeving van de tunneluitmonding teekenen te vertoonen, welke duiden op belangrijke veranderingen in het stadsbeeld. De breedte der wegen en de aard der bebouwing zijn er op berekend, dat hier straks een niet onbelangrijk stadscentrum zal ontstaan aan den nieuwen grooten verkeersschakel tusschen Noord en Zuid. Wat nu nog een afgelegen uithoek van de stad is, wordt binnen twee jaar min of meer centrum wanneer de afstand naar het oude Westen van Rotterdam in weinige minuten via den

tunnel zal zijn af te leggen. Dat de bouwerij zich reeds op dezen nieuwen toestand heeft ingesteld, ligt voor de hand.’ Eind jaren dertig stagneerde de markt. Deze was inmiddels verzadigd met middenstandswoningen, die langs de hoofdroutes op Zuid, maar ook in Blijdorp verrezen. Behoefte was er wel aan goedkope arbeiderswoningen. In het kader van het door een club particuliere bouwers geïnitieerde project ‘Algemeen Belang’ had architect J.H. van den Broek in 1938 reeds 753 portieketagewoningen ontworpen in de wijk Carnisse. Het was een innovatief project, waarbij de bouwblokken zodanig ontworpen waren dat ze in verschillende stedenbouwkundige situaties ingepast konden worden. De vrijstaande strokenbouw, strakke architectuur en de winkels als markering van de straathoeken gaven een doorkijkje naar wat in de Wederopbouw een gebruikelijk straatbeeld zou worden. Na het bombardement op de stad in 1940, en de acute woningnood die daaruit voortkwam, ontfermde de gemeente zich over het concept, dat snel en goedkoop op grote schaal uitgerold kon worden. In het kader van het zogenaamde ‘1000-woningenplan’ werd onder meer het laatste grote stuk braakliggende grond in Tarwewijk bebouwd, tussen Spruijtstraat en Voetjesstraat (15). STEENHUISMEURS bv

47

dooRoNtwikkeLiNG iN BeeLd nieuwbouw (vanaf 1985) nieuwbouw (reconstructie vanaf 1985) stadsvernieuwing nieuwbouw (1970-1985)

en shav

stadsvernieuwing renovatie (1970-1985)

Maa

naooorlogse bebouwing (1945 - 1970) vooroorlogse bebouwing Uitbreidings Plan (vanaf 1910) pre Uitbreidings Plan bebouwing (vóór 1910)

8

n

Jun

geri

usst

raat

tra at Gr oe ps npl

ein

kstr aat We ve

rsh

Zuid p

oek

lein

48

RotteRdam Zuid - taRwewijk

Olea n Erica plei n

stra

at

Dordtselaan

ere

M oe rker

Bas

Boe 2 lstra at

ek

5

nsh

an

4

sho

Mij

Plei nwe g

raat rgst nbu e 7 k Blan M ijnk ints traa t

Cill er

Millinxstraat

raat

Mij

nsh ere nla

usst

n te Ka

t traa

geri

M De

ol W

p

ha

e dr

ls waa

Jun

t aa str

s an

tr

oo

h Versc

6

igs

Bas

t rstraa

ert

nH

ts er

tse ch

3

rte Zwa

De

bo

t ch

t straa

beek

Gaes

ijk

ed

g La

Hellevoetstr

1

ders

traa t

elaa Briels

Re

se

da

str aa t

Flatgebouw hoek Mijnsherenlaan/Dordtselaan

Stadsvernieuwing Borselaarstraat

Recente woningbouw Gaesbeekstraat, op de achtergrond de ‘Queen of the South’ van architect C.A.M Reijers

Mijnsherenlaan, Dordtselaan) kelderde het imago van de Tarwewijk vanaf de jaren zeventig. Vanaf de stadsvernieuwingsperiode – jaren tachtig en negentig – concentreerden de vernieuwingen zich op de noordrand van de wijk en de Millinxbuurt. Vernieuwing vond in het kader van de stadsvernieuwing plaats op die plekken die al vanaf de bouw van een mindere kwaliteit waren: de speculatieve woningbouw uit de jaren tien en twintig langs de Brielselaan en de bouwblokken in de punt tussen Mijnsherenlaan en Brielselaan. Vooral langs de noordrand was er veel overlast van de bedrijvigheid langs de kades van de Maashaven. De punten van bouwblokken waarin ondiepe binnenterreinen waren ontstaan werden gesloopt en vernieuwd. Hier zijn verschillende oplossingen zichtbaar. Aan de Verschoorstraat werden woningen teruggebouwd met één bouwlaag minder om het binnenterrein een betere bezonning te geven (6). De zogenaamde ‘Wolfskop’ werd eerder afgeknot, op de punt kwam een wijkgebouw (Bakema en Zavrel architecten,

1989) (7). Ten oosten van de Gaesbeekstraat werd een woonhotel gebouwd (‘Queen of the South’, architect C.A.M. Reijers), ten westen ervan werd het bouwblok als het ware naar binnen gevouwen (8).

DOORONTWIKKELING Na de Tweede Wereldoorlog maakten de laatste restanten agrarische bebouwing aan de voormalige Dordtsestraatweg (hoek Zwartewaalstraat en Hellevoetstraat) plaats voor een hoogbouwflat, een complex etagewoningen en een zestal forse eengezinswoningen (1). Ook het bouwblok tussen Voetjesstraat en Bonaventurastraat kon nu pas, na het amoveren van de oude dijkbebouwing, afgerond worden (2). Op de splitsing van de Mijnsherenlaan en de Dordtselaan ontwierp architect S.J. van Embden een hoogbouwflat met twee lagere ‘zijvleugels’, waarvan de architectuur naadloos aansloot bij die van de vooroorlogse blokken (3). In 1967 werd de Bethlehemkerk aan de Bas Jungeriusstraat opgeleverd, naar ontwerp van J. van der Linden (4). Ingrijpend was de aanleg van het metroviaduct over de brede Mijnsherenlaan in 1965 (5). Hoewel een groot deel van de wijk was bebouwd met betere middenstandswoningen (ten zuiden van de Blankenburgstraat en langs de boulevards Pleinweg,

De eigendomssituatie (veel particulier eigendom) maakte het lastig overige grootscheepse renovaties en vernieuwingen door te voeren. Een van de belangrijkste ingrepen was de sloop van het gehele bouwblok centraal in de Millinxbuurt, zodat een parkruimte gemaakt kon worden. De Tarwebuurt, als enige in gemeentelijk eigendom, werd deels gesloopt en vervangen door nieuwbouw, en deels gerenoveerd. Het kleinschalige karakter bleef behouden.

STEENHUISMEURS bv

49

eNSemBLeS iN BeeLd i. Zuidelijke oever maashaven ii. wolphaertsbuurt

en shav

iii. tarwebuurt

Maa

iv. millinxbuurt

elaan

Briels Hellevoetstr

ders

traa t

a t straa

Bas

e

Jun

geri

usst

raat

at

at kstr a rsh

Zuid p

oek

lein

RotteRdam Zuid - taRwewijk

ein

rker

lstra

We ve

50

Erica plei n

stra

at

Dordtselaan

npl

d

Boe

ek

Gr oe ps ere

Moe

Plei nwe g

nsh

n

raat rgst nbu e k Blan M ijnk ints traa t

sho

Millinxstraat

raat

Mij

nla a

usst

B

Cill er

Mij nsh ere

geri

M De

e dr

n te Ka

t traa

Jun

an

a

ph

ol W

tr

Bas

at tra ss

La

ls waa

oo

h Versc

igs

t rstraa

ert

nH

ts er

tse ch

rte Zwa

De

bo

t ch

d ge

tra at

ijk

Olea n

beek

Gaes

C

Re

se

da

str aa t

ENSEMBLES In Tarwewijk zijn een viertal ensembles te onderscheiden: gebieden met een historisch gegroeide samenhang, die zich uit in een bepaalde ruimtelijke karakteristiek. Naast de ensembles zijn er de boulevards en singels: ontworpen of historische routes die op een hoger schaalniveau de ruimte vormen. Elk van deze wegen heeft een onderscheidende functie, bouwtijd en architectuurbeeld. Hierna worden de belangrijkste historische en ruimtelijke kenmerken per route en ensemble benoemd. Deze vormen de basis voor de waardering en het ontwikkelperspectief in het volgende hoofdstuk. I. ZUIDELIJKE OEVER MAASHAVEN De Maashaven is gegraven naar ontwerp van Directeur Gemeentewerken G.J. de Jongh. In 1905 was het havenbekken voltooid en ontstond hier dé graan- en zadenhaven van Rotterdam. De kade langs de brede havenontsluitingsroute Brielselaan vulde zich met fabrieken, waar de Rotterdamse Graansilo Maatschappij in 1906 (Maassilo, meerdere bouwfasen en architecten) en Meelfabriek “De Maas” in 1914 (sinds 1919 Meneba) nog aan herinneren. De dynamiek is in het havengebied hoog, maar ondanks het feit dat veel bedrijven nieuw zijn, domineren langs de zuidoever de omvangrijke historische graanloodsen en kantoorpanden.

De plek waar eens de Dordtsestraatweg liep – oorspronkelijk ‘door’ de Maashaven tot aan de Maasoever –is gemarkeerd door het ‘Balkon aan de Maas’, een recent uitgevoerd parkje, waarvan het idee al in de stadsvernieuwingsperiode werd geopperd. De symbolische band met de Tarwewijk is sterk: de graanhaven, het spoortracé Brielselaan en de achterliggende arbeiderswijk (die niet voor niets vernoemd is naar een belangrijke graansoort) vormen een hechte historisch ruimtelijk en sociale eenheid. II. WOLPHAERTSBUURT Deze buurt ligt als ‘leftover’ ingeklemd tussen drie drukke verkeersroutes, de Brielselaan, de Pleinweg en de

Wolphaertsbocht. De contouren ervan stammen uit het allereerste uitbreidingsplan voor deze plek uit 1895 van Directeur Gemeentewerken G.J. de Jongh. Het exacte stratenplan lag vast in 1926, als onderdeel van het plan van het hoofd van de Afdeling Stadsuitbreiding en Gebouwen W.G. Witteveen. De smalle percelen vulden zich vanaf dit moment met gesloten bouwblokken van drie en vier lagen hoog, de meeste opgebouwd uit de rendabele alkoofwoningen (met een tussenkamer zonder direct daglicht) met een sobere gevelarchitectuur. De inrichting van het park centraal in de wijk was aanvankelijk gedacht als locatie voor maar liefst drie bouwblokken (gescheiden door twee straten) met kleine industrieën op de begane grond en woningen daarboven. In 1932 werd besloten ze samen te voegen tot één groot bouwblok, wat veel meer vierkante meters zou opleveren. Dit is nooit uitgevoerd, de reden dat er altijd meer ‘lucht’ in het krappe stratenplan bleef en vooral de kern van het buurtje won aan leefkwaliteit. In de stadsvernieuwingsperiode vond er relatief veel vernieuwing plaats (renovatie en sloop/nieuwbouw), juist op die plekken die altijd al stedenbouwkunde pijnpunten waren: de krappe, in een scherpe punt toelopende gesloten bouwblokken langs de noordrand. III.

TARWEBUURT Dit centrale deel van de Tarwewijk wordt begrensd door vier drukke verkeersroutes, elk met een eigen karakter: de Wolphaertsbocht, de Brielselaan, de Mijnsherenlaan en de Pleinweg. De bebouwing langs deze routes is stedelijk en – op de Wolphaertsbocht na – vijf bouwlagen hoog. Naast de functie als wanden van een luw woonmilieu, fungeert de bebouwing als begeleiding van deze boulevards. Het binnenwerk van de buurt kenmerkt zich door een veelheid aan woningtypes en bouwbloktypologieën. De Blankenburgstraat vormt de scheidslijn tussen twee bouwperiodes, goed zichtbaar in het verschil in sfeer aan weerszijden ervan. Ten noorden staan gemeentelijke vrije huisjes (eengezinswoningen) en boven- en

benedenwoningen uit de periode tien en twintig, bestemd voor arbeiders, ten zuiden ervan (portiek)etageflats voor de middenklasse. Een centraal gelegen scholen- en kerkencluster bindt beide sfeergebieden aan elkaar. De wijk is overwegend naar binnen gekeerd en slechts op één punt opengebroken. Het Mijnsherenplein is ontworpen als belangrijke verbindende ruimte tussen de twee buurten aan weerszijden van de Mijnsherenlaan. Het is nooit een duidelijk afgebakende pleinruimte geweest. Dit is toe te schrijven aan het feit dat de duidelijke opbouw van schil en binnenwerk hier is doorbroken en de pleinwanden dus bestaan uit zowel arbeiders- als middenklassewoningen, kerken en scholen. Verdere openbare ruimten zijn niet bewust ontworpen, maar ‘ontstaan’ als restruimte of omdat de markt geen brood zag in het bebouwen van deze vaak driehoekige kavels. IV. MILLINXBUURT De Millinxbuurt ligt ingeklemd tussen de Mijnsherenlaan en de Dordtselaan, uitlopers van de brede ‘parkways’ die directeur Gemeentewerken W.G. Witteveen in 1926 voor het eerst op kaart zette en die vanuit de meer zuidelijke wijken richting de maasbruggen zouden voeren. Het hele ‘binnenwerk’ van deze buurt (dus zonder de randen) werd rond 1930 gerealiseerd met gesloten bouwblokken met etagewoningen, drie of vier bouwlagen hoog.

De architectonische kwaliteit van deze zevenhonderd woningen was voor arbeiderswoningbouw relatief hoog, wat te danken was de gemeentelijke welstandseisen waaraan particuliere bouwers zich vanaf 1927 moesten houden. In 1938 werd het Uitbreidingsplan Linker Maasoever van herzien. Voor de Millinxbuurt betekende dit dat de randen langs de Mijnsherenlaan en Dordtselaan ingevuld werden met gesloten bouwblokken van vijf bouwlagen hoog en een tot die tijd in Zuid ongekend hoge architectuurstandaard. Zie voor een beschrijving van het Mijnsherenplein het vorige ensemble III. De kwaliteit van de leefomgeving verbeterde aanzienlijk met de sloop van het centrale bouwblok en de aanleg van een park. STEENHUISMEURS bv

51

A. Brielselaan

B. Wolphaerstbocht

C. Dordtselaan

B. WOLPHAERTSBOCHT Directeur Gemeentewerken G.J. de Jongh tekende in 1895 de Wolphaertsbocht als parallelle route van de Katendrechtse Lagedijk, die dan nog vol staat met agrarische bebouwing. Deze straat is van een heel andere orde dan de brede hoofdwegen in de wijk (Mijnsherenlaan, Dordtselaan, Pleinweg) door het smallere profiel en de bescheiden bebouwing van drie en vier bouwlagen hoog. Het heeft geen uitgesproken ruimtelijk karakter, centraal loopt een trambaan.

C. DORDTSELAAN De Dordtselaan kwam al op het eerste uitbreidingsplan voor Zuid (1903) voor als een zestig meter brede route van de Maashaven richting de Dordtsestraatweg. Het idee was dat er ook goederentreinen over konden rijden. Directeur Gemeentewerken A.C. Burgdorffer paste de loop van de Dordtselaan iets aan en bracht de breedte terug tot 27 meter. Zijn opvolger W.G. Witteveen gaf de laan – overigens net als de Mijnsherenlaan – zijn groene karakter, als uitloper van de brede ‘parkways’ die vanuit de meer zuidelijke wijken richting de maasbruggen zouden voeren. Als indicatie voor het architectonisch beeld werd op vrijwel alle uitbreidingsplannen (middel)hoogbouw aangegeven; een beeld dat in de jaren dertig daadwerkelijk gerealiseerd, overigens onder strenge gemeentelijke regie. Meer dan enige andere route op Zuid is de Dordtselaan – samen met de Mijnsherenlaan – vormgegeven als een architectonische eenheid van rustige, ‘platte’ gevelwanden waarachter zich overwegend (portiek)etagewoningen bevinden. Hoewel aanvankelijk enkel op sommige straathoeken winkels

Routes en Randen van de ensembles A. BRIELSELAAN De Brielselaan was de belangrijkste havenontsluitingsroute in het plan ‘Haven- en Stratenaanleg aan den Linker Maasoever’ van G.J. de Jongh (1895). Parallel aan de Maashavenoever leidden goederensporen over deze vijftig meter brede weg van de Waalhaven naar Feyenoord. Daarnaast liep de stoomtramlijn Hellevoetsluit en Oostvoorne hier. De ellenlange gevelwanden – langer dan aan de Brielselaan vindt je ze bijna niet op Zuid – langs de zuidkant van de route waren, naast hun uitzonderlijke lengte, niet specifiek ontworpen voor een dergelijke brede weg. Het levert een wonderlijk contrast op tussen de hoge industriële fabriekloodsen aan de kaden en de sobere woonblokken van drie of vier verdiepingen. Eind jaren tachtig veranderde het beeld drastisch. Een 2,5 meter hoge waterkerende dijk transformeerde deze havenroute naar een weg met een bijna landschappelijke uitstraling.

52

Rotterdam Zuid - tarwewijk

D. Mijnsherenlaan

E. Pleinweg

gedacht waren, groeide de Dordtselaan door de tijd steeds meer uit tot winkelstraat, vooral nadat het metroviaduct vanaf 1960 de aantrekkelijkheid van de Mijnsherenlaan sterk inperkte.

D. MIJNSHERENLAAN Net als de Dordtselaan gaf directeur gemeentewerken W.G. Witteveen de Mijnsherenlaan in 1926 zijn groene karakter, als uitloper van de brede ‘parkways’ die vanuit de meer zuidelijke wijken richting de Maasbruggen zouden voeren. Als indicatie voor het architectonisch beeld werd op vrijwel alle uitbreidingsplannen (middel)hoogbouw aangegeven; een beeld dat in de jaren dertig daadwerkelijk gerealiseerd, overigens onder strenge gemeentelijke regie. Meer dan enige andere route op Zuid zijn de Mijnsherenlaan en Dordtselaan vormgegeven als een architectonische eenheid van rustige, ‘platte’ gevelwanden waarachter zich overwegend (portiek)etagewoningen bevinden. De aanleg van het verhoogde metroviaduct rond 1960 zette de verloedering in van een van de meest monumentale routes op de Linker Maasoever.

E. PLEINWEG Deze route tussen het Zuidplein en het Maastunnelplein – en daarom niet voor niets de Pleinweg geheten – stond voor het eerst op kaart op het 1926 officieel vastgestelde plan van het hoofd van de Afdeling Stadsuitbreiding en Gebouwen W.G. Witteveen. Van een Maastunneltracé was officieel nog geen sprake. Wel kreeg de Pleinweg een rol als onderdeel van de hoofdverkeersroute van west naar oost (over het Zuidplein, Strevelsweg en over het spoor richting IJsselmonde en later de A16) die overgenomen werd van de parallel gelegen Bas Jungeriusstraat. Nadat in 1933 de beslissing was gevallen de Maastunnel aan te leggen, kreeg de Pleinweg in de planherziening van W.G. Witteveen uit 1937 een veel grotere betekenis als belangrijkste aanvoerroute naar de Maastunnel. De vijf verdiepingen hoge woonblokken langs de route werden gebouwd voor de middenklasse en stonden onder strenge gemeentelijke welstandsregie, wat een samenhangend ruimtelijk beeld opleverde. Oorspronkelijk waren enkel op de hoeken winkels ontworpen, maar door jaren heen kregen steeds meer begane grond woningen een winkelfunctie.

STEENHUISMEURS bv

53

waaRdeRiNG taRwewijk iN BeeLd oBjeCteN

StRuCtuReN

eNSemBLeS

FRiCtieS

Rijksmonument

Historische route

Zuidelijke oever maashaven

Structuur verstorend

Gemeentelijk monument

ontworpen route

wolphaertsbuurt

toekomstig monument

knooppunt

tarwebuurt

karakteristieke complexen

waardevolle pleinen/ parken

millinxbuurt

en shav

Maa

Structurerende rooilijnen en wanden (randen en binnenwerk)

elaan

Hellevoetstr

ders

traa t

Briels t straa

Olea n

beek

Gaes

Jun

geri

usst

raat

Zuid p

oek

lein

stra

at

Dordtselaan

ein

kstr aat

at

rsh

RotteRdam Zuid - taRwewijk

Erica plei n

ps

lstra

We ve

54

ek

Gr oe npl

M oe rker

Bas

Boe

ere

n

Plei nwe g

aat gstr bur n e k Blan M ijnk ints traa t

nsh

Millinxstraat

raat

Mij

nla a

usst

D

sho

Mij nsh ere

geri

eM

e dr

n te Ka

t traa

Jun

an

a

ph

ol W

La

ls waa

Bas

at tra ss

tr

oo

h Versc

igs

t rstraa

ert

nH

ts er

tse ch

rte Zwa

De

bo

t ch

Cill er

tra at

ijk

d ge

Re

se

da

str aa t

Waardering WAT MAAKT TARWEWIJK BIJZONDER? Hieronder worden de historische en ruimtelijke kwaliteiten van Tarwewijk op drie verschillende schaalniveaus (wijk, ensembles en object) opgesomd. De kwaliteiten zijn te vinden in een bijzonder gebouw of complex, maar ook in structuren, rooilijnen en onbebouwde ruimten zoals een plein, een mooie waterloop of een langgerekte groenzone. Daarnaast kan kwaliteit zitten in de historische betekenis van een gebouw of groep gebouwen, bijvoorbeeld door het gebruik van een bijzonder bouwsysteem of een zeldzaam woningtype. Samen maken ze Tarwewijk een herkenbare buurt. Door bij toekomstige ontwikkelingen rekening te houden met de bestaande kwaliteiten, is het mogelijk te vernieuwen zonder het onderscheidende en het eigene van de wijk te verliezen. Vanuit de waardering is hieronder telkens een aanbeveling gedaan over de, vanuit cultuurhistorie, meest optimale ontwikkelrichting.

WAARDEN OP STRUCTUURNIVEAU Typerend voor Tarwewijk is de ruimtelijke samenhang van de randen in het zuidelijke deel van de wijk, de Dordtselaan, Mijnsherenlaan en Pleinweg. Deze randen bestaan uit middelhoge bebouwing met een hoge architectuurstandaard. Het noordelijke deel van Tarwewijk is iets gefragmenteerd, met lagere woonbebouwing die onderbroken wordt een groot scholen- en kerkcomplex. Volg bij ontwikkelingen deze typerende ruimtelijke logica en versterk de samenhang van de wijk en de ensembles onderling. De Dordtselaan, Mijnsherenlaan en Pleinweg zijn monumentale ontworpen routes (met hoge- en middelhogebebouwing en groen), die als ‘parkways’ te zien zijn. Deze wegen komen samen op het Zuidplein. Behoud bij toekomstige ontwikkelingen de samenhang en hoge architectuurstandaard van deze routes. De Wolphaertsbocht en de Brielselaan zijn de oudste randen van Tarwewijk, maar worden begeleid door nieuwere wanden met enkele architectonische blijkvangers in de vorm van fabriekscomplexen en een school. Zorg voor een betere inrichting ten aanzien van deze routes met behoud van de architectonische blikvangers en de structurerende rooilijnen.

Op de waarderingskaart zijn een aantal rooilijnen aangemerkt als structurerend. Het gaat hier om wanden die routes of pleinen begrenzing en door hun situering en bouwhoogte het karakter van zo’n route of plein bepalen. Deze wanden zijn dan ook Soms is niet alleen de situering en hoogte waardevol, maar ook de architectonische uitwerking. Zulke complexen zijn dan geheel zwart (zie ook ‘waarden op object- en detailniveau’). Als een gevelwand is aangemerkt als structurerend, betekent dit dat behoud van de oorspronkelijke gevelwand de voorkeur heeft. Bij eventuele vernieuwing zijn de rooilijn, geleding en bouwhoogte aanhouden. Naast de rooilijnen die positief gewaardeerd zijn, zijn er complexen als structuurverstorend aangemerkt. Het gaat om gebouwen die nauwelijks een relatie met de omgeving aangaan, doordat ze zichtlijnen doorbreken, of een afwijkende bouwhoogte of rooilijn kennen. Uiteraard is de aanbeveling hier de relatie met de (historische) omgeving te herstellen.

De meeste pleinruimten dateren uit de periode van de stadsvernieuwing en zijn ontstaan na sloop van krappe bouwblokken. Het Mijnsherenplein is een van de weinige groene ontworpen ruimtes in Oud Zuid van vóór de stadsvernieuwing en rijgt de Tarwebuurt en de Millinxbuurt aan elkaar. De parken, pleintjes en beplante overhoeken die in de stadsvernieuwingsperiode zijn ontstaan zijn waardevolle toevoegingen aan het stedenbouwkundige opzet. Behoud is wenselijk. STEENHUISMEURS bv

55

56

Rotterdam Zuid - tarwewijk

WAARDEN OP ENSEMBLENIVEAU I Zuidelijke oever Maashaven Dit deel van Tarwebuurt is waardevol door de symbolische band met de rest van de wijk. De andere ensembles zijn (historische en ruimtelijk) niet los te zien van de Maashaven. Blikvangers zijn de historische fabriekscomplexen van Meneba en de Maassilo. Probeer in de toekomst de symbolische band tussen de Maashaven en de rest van de wijk ruimtelijk verder te trekken, door bijvoorbeeld de routes tussen de Zuidelijke oever Maashaven en de andere ensembles te versterken (bijvoorbeeld naar het ‘Balkon aan de Maas’). II Wolphaertsbuurt Hoewel dit ensemble te zien is als een ‘leftover’ en er ook veel vernieuwing heeft plaatsgevonden zit de kwaliteit en historische waarde in de leefkwaliteit van het centrale park, die de buurt ‘lucht’ geeft. Ook staan er enkele waardevolle complexen, hoekpanden met een hoogwaardige architectonische uitwerking. Vernieuwing is binnen dit ensemble mogelijk, maar het is aan te bevelen het park en de historische complexen te koesteren. III Tarwebuurt De kwaliteit en historische waarde is te vinden in de tweedeling van de buurt, die herkenbaar is aan het luwe woonmilieu (met vrije huisjes en beneden en bovenwoningen) ten noorden van de Blankenburgstraat en het stedelijke woonmilieu ten zuiden (met portieketageflats).

Waardevol is het hart van de buurt met school- en kerkcomplexen tussen de groene parken aan de Zwartewaalstraat en het Mijnsherenplein. Behoud de twee gezichten van dit ensemble en dit centrale knooppunt dat beide werelden aan elkaar rijgt.

IV Millinxbuurt De kwaliteit van de Millinxbuurt is te vinden in de ruimtelijke samenhang van het ensemble met randen van een hoge architectuurstandaard en in het binnenwerk een centraal park. Architectonische blikvangers bevinden zich op de hoeken in de vorm van wooncomplexen die de overgangen van de randen naar het binnenwerk markeren. In het binnenwerk is vernieuwing mogelijk, mits deze aansluit op de hoge architectuurstandaard van de randen.

WAARDEN OP OBJECT- EN DETAILNIVEAU De rijksmonumenten en (toekomstige) gemeentelijke monumenten verankeren als historische ‘topstukken’ gezamenlijk een deel van de identiteit van de wijk. Op deze kaart zijn aanvullend een aantal gebouwen of complexen aangemerkt als waardevol (‘de karakteristieke complexen’), omdat ze ‘het verhaal van Tarwewijk’ aanvullen door hun architectonische, stedenbouwkundige en/of cultuurhistorische waarden. Dit zijn: - het fabriekscomplex langs de Maashaven van Meneba uit 1914 (voorheen Meelfabriek ‘De Maas’); - twee hoekpanden in de Wolphaertsbuurt die in architectuur gaaf zijn (Wolphaertsbocht 296 en Bas Jongeriusstraat 254); - blokjes ‘vrije woningen’ in de Tarwebuurt die niet zijn aangetast door stadsvernieuwingsingrepen; - twee naoorlogse woonblokken en een gymzaal aan de Zwartewaalstraat; - school- en kerkgebouwen die architectonisch en/of stedenbouwkundig de wijk verrijken. Dit zijn de scholen aan de Voetjesstraat, Blankenburgstraat, Bonaventurastraat, Mijnsherenplein en de Spijkenissestraat. De kerken zijn die aan het Mijnsherenplein, Blankenburgstraat en Bonaventurastraat; - de hoekcomplexen aan het Mijnsherenplein, die de overgang van rand en binnenwerk markeren; - het naoorlogs ensemble van woonblokken en een schoolpand tussen de Dordtselaan en Mijnsherenlaan en de Cillershoekstraat. De inzet zou moeten zijn om al deze gebouwen te behouden.

De rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten hebben voldoende bescherming via de Erfgoedwet. Voor toekomstige gemeentelijke monumenten en karakteristieke objecten is de aanbeveling om deze op te nemen in het bestemmingsplan met een dubbelbestemming cultuurhistorie.

STEENHUISMEURS bv

57

RijksMonumenten

Toekomstige Monumenten

Enkele Karakteristieke complexen

Schoolcomplex tussen Hoogvlietstraat - Zwartewaalstraat

Schoolcomplex Den Hertigstraat

Schoolcomplex Spijkenissestraat

Zuidpleinflat hoek Dordtselaan/Mijnsherenlaan

Arbeiderswoningen Wevershoekstraat

Op deze pagina’s worden enkele complexen verbeeld die in de waarderingskaart voorkomen.

Schoolcomplex Moerkerkestraat

58

Rotterdam Zuid - tarwewijk

structuur verstorend

Woningcomplex Polslandstraat

Kerkgebouw Bonaventurastraat

Gezondheidscentrum Mijnsherenplein

Schoolcomplex Bonaventurastraat

Kerkgebouw Mijnsherenplein

Wijkcentrum Brielselaan/Wolphearstbocht

Hoekcomplexen Mijnsherenplein

Hoekcomplexen Mijnsherenplein

Aanbouw schoolcomplex Millinxpark STEENHUISMEURS bv

59

Bronnen Literatuur W. Dählen, ‘Gemeentelijke Volkswoningbouw in den Bloemhof (Linker Maasoever) te Rotterdam’, Klei 12 (1920) 13, pp. 161-165 en 174-178. A. Bos, Stad der toekomst, toekomst der stad. Een stedebouwkundige en sociaal-culturele studie over de groeiende stadsgemeenschap, Rotterdam 1946. S. Cusveller (red.), Tuindorp in beton. Bouwexperimenten op Zuid, Rotterdam 1989. T. de Does, Rotterdam Hillesluis in vroeger tijden, OudBeijerland, 1998. T. de Does, Rotterdam Bloemhof in vroeger tijden, OudBeijerland, 1999. T. de Does, Rotterdam Tarwewijk in vroeger tijden, OudBeijerland, 2003. H. van Hogerhuis, A. de Jong, Woningverbetering. Stadsvernieuwing Rotterdam 1974-1984, deel 3, Rotterdam 1984. International Cities and Town Planning Exhibition. English Catalogue, Jubilee Exhibition Gothenburg, Gothenburg, Zweden (1923). L. de Klerk en H. Moscoviter, ‘En dat al voor de arbeidende klasse.’ 75 jaar volkshuisvesting Rotterdam, Rotterdam 1992. L. de Klerk, Particuliere plannen. Denkbeelden en initiatieven van de stedelijke elite inzake de 60

Rotterdam Zuid - tarwewijk

volkswoningbouw en de stedebouw in Rotterdam 18601950, 1998.

jaar wederopbouw Rotterdam. Een geschiedenis van toekomstvisies, Rotterdam 1995, pp. 66-96.

L. de Klerk, Mooi werk. Geschiedenis van de Maatschappij voor Volkswoningen, Rotterdam 1909-1999, Rotterdam 1999.

L.J.C.J. van Ravesteyn, Rotterdam in de negentiende eeuw, Rotterdam 1924.

P. Kuster en E. Yilmazgil, Architectuurkaart Rotterdam: De Rotterdamse architectuur en stedenbouw in kaarten en routes, Rotterdam 2015. P.Th. van de Laar, Veranderingen in het geschiedbeeld van de koopstad Rotterdam, Inaugurele rede Erasmus Universiteit, Rotterdam 1998. P. Th. Van de Laar, ‘Een bevolking in beweging 1812-1939’, in: Stad van formaat. Geschiedenis van Rotterdam in de negentiende en twintigste eeuw, Rotterdam 2000, pp. 183189. L. van Meijel, H. Hinterthür, E. Bet, Cultuurhistorische verkenning vooroorlogse wijken Rotterdam – Zuid, februari 2008. J. Nieuwenhuis, Mensen maken een stad 1855-1955. Uit de geschiedenis van de Dienst van Gemeentewerken te Rotterdam, Rotterdam 1955. A.F.W. van Overbeeke, De Rotterdamse Gezondheidscommissie 1854-1934, afstudeerscriptie Rotterdam 1986.

L.J.C.J. van Ravesteyn, ‘Stadsontwikkeling van Rotterdam in het begin van deze eeuw’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1935), pp. 1-45. L.J.C.J. van Ravesteyn, Rotterdam in de twintigste eeuw, Rotterdam 1948.

Rotterdam straks. Tentoonstelling gewijd aan de wederopbouw van de stad, in het bijzonder van het centrum, Museum Boymans, mei-augustus 1947. A. Siebers, Het behoud van Rotterdam, Rotterdam 1923. A. Siebers, ‘Raymond Unwin, de Stedebouwer’, in: Klei 5 (1923), pp. 51-55. A. Siebers, ‘Professor Ir. M.J. Granpré Molière’, in: Bouwen, tijdschrift voor Holland en Indië gewijd aan de belangen van het bouwvak (1924) 6, pp. 81-87. A. Siebers, De oogen open, wordt Rotterdam een goed gebouwde stad?, Rotterdam 1926. A. Siebers, ‘Stedebouw en landschapsarchitectuur’, in: Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw 8 (1928), pp. 145-149.

J.E. van der Pot. ‘De Rotterdamsche Kring 1913-1942’, in: Rotterdamsch Jaarboekje (1962), pp. 137-159.

A. Siebers, Groeiend Rotterdam, Rotterdam 1929.

M. Provoost, ‘Massa en weerstand 1920-1945’, in: Vijftig

M. Stam, “Holland und die Baukunst unserer Zeit. IV.

Colofon Stadtbau”, in: Schweizerischen Bauzeitung 21 17 nov 1923, pp. 268-272.

R. Wolters, Blik op Zuid deel 2, Capelle aan den IJssel, 2002.

M. Steenhuis, Stedenbouw in het landschap. Pieter Verhagen (1882-1950), proefschrift, Rotterdam 2007.

R. Wolters, Blik op Zuid deel 3, Capelle aan den IJssel, 2002.

W. van Tijen, J.A. Brinkman, J. van den Broek, H.A. Maaskant, Woonmogelijkheden in het nieuwe Rotterdam, Rotterdam 1941.

Archieven

D. Valten, Tuindorp Vreewijk. Een geschiedschrijving over de vennootschap, haar woningen en haar huurders 1913-1988, Reeks Bedrijfsgeschiedenis 4, Rotterdam 1988. W. Vanstiphout, Maak een stad. Rotterdam en de architectuur van J.H. van den Broek, Rotterdam 2005. H.A. Voet en H.J.S. Klaasen, Groeten uit Rotterdam Zuid deel 2, Capelle aan den IJssel 1987. H.A. Voet en H.J.S. Klaasen, Groeten uit Rotterdam Zuid deel 3, Capelle aan den IJssel 1990. L.C. van der Vlugt, ‘Een plan voor het Land van Hoboken’, in: Bouwen, tijdschrift voor Holland en Indië, gewijd aan de belangen van het bouwvak (1925) 12, pp. 1-4. C. Wagenaar, Welvaartsstad in wording: de wederopbouw van Rotterdam (diss.), Rotterdam 1992. J.G. Wattjes, W. Th. Ten Bosch, Rotterdam en Hoe Het Bouwde, Leiden 1940.

Kranten Nieuwe Rotterdamsche courant : staats-, handels-, nieuwsen advertentieblad, 1900-1929. Het Rotterdamsch nieuwsblad, 1900-1944. Voorwaarts : sociaal-democratisch dagblad, 1920-1931. Stadsarchief Rotterdam 92 Archieven van de Gezondheidscommissies te Rotterdam 812 Archief van de Projectgroep Stadsvernieuwing Bloemhof te Rotterdam, 1981-1992 823 Archief van de Projectgroep Stadsvernieuwing Hillesluis te Rotterdam, 1980-1993 838 Projectgroep Stadsvernieuwing Tarwewijk 887 Archief van de Bewonersorganisatie Bloemhof te Rotterdam, 1967-1997 907 Archief van de Bewonersorganisatie Tarwewijk te Rotterdam, 1978-1996

Dit cultuurhistorisch onderzoek werd uitgevoerd door SteenhuisMeurs te Paterswolde/Rotterdam in opdracht van bureau Monumenten & Cultuurhistorie en Gebiedsontwikkeling van Stadsontwikkeling Rotterdam (Astrid Karbaat, Stijnie Lohof en Mark Sutherland). Projectteam: Dr. Marinke Steenhuis, drs. Lara Voerman en ir. Johanna van Doorn. SteenhuisMeurs BV, hoofdweg 255, 9765 CH Paterswolde www.steenhuismeurs.nl Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van SteenhuisMeurs.

Gesprekken Interview met Stef van der Gaag, stedenbouwer in de stadsvernieuwing op Zuid Mailwisseling met Paul Achterberg, landschapsarchitect DAF Architecten

W.G. Witteveen, ‘Rotterdam-Zuid’, in: Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw (1926) 9, pp. 169-176.

STEENHUISMEURS bv

61

© STEENHUISMEURS BV, April 2016

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=8a82bc3a-4ad3-44cd-8856-d4ddcc46209e