CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb004750] Bijlage behorende bij 24bb004749 over Cultuurhistorische verkenning Tarwewijk

Gemeenteraad 11 juli 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Tweeminutendebat over 'Stop de sloop van de historische Tarwebuurt', aangevraagd door het lid Coşkun.16.735 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

vastgesteld door B&W 21 november 2017

Rotterdam Zuid Cultuurhistorische verkenning Tarwewijk in opdracht van stadsontwikkeling Rotterdam

308|2016

INHOUD Inleiding

3

1. Een proeftuin in zeven stadia:

4

Feijenoord

Afrikaanderwijk

Rotterdam Zuid, stadsdeel in permanente transitie

2. De ruimtelijke thema’s van Zuid

37

3. Waardering per wijk

43

Tarwewijk

44

Historische context en erfenissen in beeld Doorontwikkeling Ensembles Routes en randen van de ensembles Waardering en aanbevelingen

44 49 51 52 54

Bronnen

60

Colofon

61

tarwewijk

2

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Bloemhof

hillesluis

Charlois

Carnisse Vreewijk

De wijken van Rotterdam Zuid.

Inleiding Een nauwe samenwerking tussen de afdeling volkshuisvesting, particuliere bouwers, havendirecteuren en prille corporaties resulteerde begin 20ste eeuw op de landelijke zuidoever in een nieuw stadsdeel voor de groeiende arbeidersbevolking. In een integrale aanpak werd de ‘lappendeken’ van particuliere ontwikkelingen in het weiland omgevormd tot een laboratorium van stedenbouw en volkshuisvestingexperimenten, met nieuwe verkavelingen (moderne hofjes) en materialen (beton). De stad die er nu staat, en de stedelijke ruimte van straten, pleinen, hofjes, singels en parken is het woon- en werkmilieu van duizenden mensen.

URGENTIE Het is misschien lastig om het elan van een eeuw geleden te ervaren op zuid. Gelijktijdig met de goede en soms ook geslaagde bedoelingen van de stadsvernieuwing kwam de trek naar suburbia op gang, waardoor de bevolkingssamenstelling van Zuid snel veranderde en het stadsdeel zichzelf opnieuw moest uitvinden. Dat was en is een ingewikkeld proces. Er ligt een stevige opgave op Zuid, waarbij sociale vernieuwing en fysieke vernieuwing door het Nationaal Programma Rotterdam Zuid integraal ter hand worden genomen. Politiek, particuliere woningeigenaren en corporaties hebben afgesproken dat er in Charlois, Feijenoord en IJsselmonde in totaal 35.000 woningen vervangen en verbeterd gaan worden. De tijdshorizon is twintig jaar, en 12.000 woningen zijn in corporatiebezit, 23.000 in particulier bezit (zie Zuid Werkt! Nationaal programma Kwaliteitssprong Zuid, september 2011).

BOUWEN AAN EEN VERHAAL Het is relevant om de wijken (die erg divers zijn) beter te snappen vanuit hun ontstaansgeschiedenis, zodat voor de toekomstige transformatie van de bestaande stad gefundeerde keuzes kunnen worden gemaakt. Daarbij gaat

het niet om star behoud, maar om een dialoog over waarde, trots en toekomstbestendigheid. Cultuurhistorie gaat niet alleen over monumenten als losse objecten in een zee van verandering, het gaat over het bouwen aan een verhaal over een bijzonder stadsdeel, over het achterhalen van de mentaliteit waarmee dit gebied is ontstaan en over de betekenis voor vandaag en morgen. Erfgoed heeft met zijn plekken, gebouwen en verhalen een sterke verbindende functie. Het steeds sterker wordende merk Rotterdam zal er zijn voordeel mee kunnen doen.

CULTUURHISTORIE NIEUWE STIJL SteenhuisMeurs is in 2015 door de Gemeente Rotterdam gevraagd een cultuurhistorische onderzoek te verrichten naar drie wijken in Rotterdam Zuid: Bloemhof, Hillesluis en Tarwewijk. Het onderzoek is gedaan binnen het kader van het Nationaal programma Rotterdam Zuid (NPRZ), in opdracht van bureau Monumenten & Cultuurhistorie en Gebiedsontwikkeling van Stadsontwikkeling Rotterdam gedaan. De cultuurhistorische verkenning is in zijn ‘cross-over’ aanpak van historisch onderzoek en ruimtelijke analyse een pilot voor de cultuurhistorische verkenning-nieuwestijl, zoals benoemd in de Kadernotitie cultuurhistorie in bestemmingsplannen (september 2015). Hierin gaat het niet om een geschiedenisles met een descriptief karakter, maar om het bepalen van de huidige waarde van de cultuurhistorie in de wijken en het vanuit het domein van de cultuurhistorie meedenken met keuzes die in de wijkopbouw, woningvoorraad en openbare ruimte in de nabije toekomst moeten worden gemaakt.

Leeswijzer Hoofdstuk een is een koepelverhaal, dat als inleidend essay op de ruimtelijke en cultuurhistorische analyses van de zuidelijke stadswijken dient. Het koepelverhaal zet in zeven stadia de historische ontwikkeling van Rotterdams zuidelijke flank neer. Het gaat over de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis van Zuid als stadsdeel, over de dromen, successen en keerpunten van raadsleden en stadsplanners, volkshuisvesters en stadsvernieuwers, architecten en ideologen. Dit verhaal biedt, samen met de ruimtelijke analyses, de mogelijkheid om de ontwikkelingsgeschiedenis en waarde van deze wijken te gebruiken in de transformatieopgave van vandaag en morgen. Hoofdstuk twee destilleert de onderscheidende ruimtelijke thema’s van Zuid. Een blauwdruk heeft voor Rotterdam Zuid namelijk nooit bestaan. Het stedenbouwkundig raamwerk zoals we dat nu kennen is een stapeling van oude dijklinten en polderroutes en uitgevoerde fragmenten van de verschillende uitbreidingsplannen die begin twintigste eeuw voor de Linker Maasoever werden vastgesteld. Ondanks dat zijn er een aantal overkoepelende thema’s te herkennen, die samen bijdragen aan het onderscheidende karakter van Rotterdam Zuid. Hoofdstuk drie vormt de waardering van elke afzonderlijke wijk (als onderdelen los te gebruiken).

Aan de hand van vier kaarten nemen we de lezer mee in de geschiedenis en ruimtelijke karakteristiek van de wijk. Dit hoofdstuk eindigt met een waarderingskaart en een aantal aanbevelingen op het niveau van de stedenbouw, de openbare ruimte en de architectuur. SteenhuisMeurs, april 2016

STEENHUISMEURS bv

3

Enkele makers van Zuid

A.C. Burgdorffer (1862-1932) Directeur Gemeente Werken Rotterdam 1910-1922

A. Plate (1881-1953) Directeur woningdienst 1918-1923

G.J. de Jongh (1845-1917) Directeur Dienst Gemeentewerken 1879-1910

P. Verhagen (1882-1950) Hoofd Stedenbouw Gemeente Rotterdam 1913-1916

A. de Jong (1855-1947) Wethouder van Gemeentewerken

H. Spiekman (1874-1917) Raadslid en pleitbezorger van volkshuisvesting (1905-1917)

J. Hudig (1838-1924) Wethouder 1899-1909

L.C.J.C. van Ravesteijn (18??-19??) Volkshuisvester, initiafnemer van het ‘Eerste Rotterdamse Tuindorp’, 1913

K.P. van der Mandele (1880-1975) voorzitter van de Rotterdamse Kamer van Koophandel en oprichter NEH

J. Van den Broek (1898-1978) Architect

W. Dahlen (1883 - 1963) architect

J.J.P. Oud (1890-1963) Architect bij de Gemeentelijke Woningdienst 1918 - 1933

G.W. Witteveen (1891-1979) Stadsarchitect Rotterdam 1938-1945 4

Rotterdam Zuid - tarwewijk

C. van Traa (1899-1970) Stadsarchitect Rotterdam 1945 -1964

Jaques Nycolaas (1945-1988) Hoofd van het district Zuid van Stadsontwikkeling Rotterdam

J.G. van de Ploeg (1916-1986) Wethouder van stadsvernieuwing Rotterdam 1974-1982

Riek Bakker (1944) Directeur Stadsontwikkeling van de gemeente Rotterdam 1986 - 1991

1. Een proeftuin in zeven stadia

Rotterdam Zuid, stadsdeel in permanente transitie Rotterdam-Zuid is al meer dan honderddertig jaar een proeftuin. Een gebied waar steeds weer nieuwe sociale en ruimtelijke concepten worden getest, waar telkens nieuwe inwoners hun draai zoeken, waar wordt geleefd en gewerkt in een heel eigen stedelijke sfeer. Dat wonderlijke gebied dat eigenlijk alleen mensen die er wonen echt goed kennen, een gebied dat vroeger de ‘Boerenzij’ of het ‘Overmaasche’ werd genoemd. De open weilanden lagen tot ver na de Tweede Wereldoorlog pal op de stadsbebouwing, en daartussen ontstond schoksgewijs een stadsdeel, dat gekenmerkt wordt door heftige contrasten tussen dorpsheid en hyperstedelijkheid. Het metroviaduct dat complete boulevards overspant, de grote vroeg-industriële graansilo’s en kantoren, ouderwetse winkelstraten met van alles en nog wat , rustige woongebieden, laaggelegen ten opzichte van de oude dijken, met daarin bebouwing uit verschillende fasen van de stadsvernieuwing, de naoorlogse tuinwijken en daarachter de polders van IJsselmonde. Zuid is een stad van contrasten, van geslaagde maar ook gestrande stedelijke concepten en dat maakt het tot een fascinerend gebied, zonder de sociale problematiek die er ook is, te willen ontkennen.

Dit verhaal gaat over de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis van Zuid als stadsdeel, over de dromen, successen en keerpunten van raadsleden en stadsplanners, volkshuisvesters en stadsvernieuwers, architecten en ideologen. Het dient als inleidend essay op de ruimtelijke en cultuurhistorische analyses van de zuidelijke stadswijken. Er ligt een stevige opgave op Zuid, waarbij sociale vernieuwing en fysieke vernieuwing door het Nationaal Programma Rotterdam Zuid integraal ter hand worden genomen. Dit verhaal biedt, samen met de ruimtelijke analyses, de mogelijkheid om de ontwikkelingsgeschiedenis en waarde van deze wijken en woningen te gebruiken in de transformatieopgave van vandaag en morgen. Cultuurhistorie gaat niet alleen over monumenten als losse objecten in een zee van verandering, het gaat over het bouwen aan een verhaal over een bijzonder stadsdeel, over het achterhalen van de mentaliteit waarmee dit gebied is ontstaan en over de betekenis voor vandaag en morgen. Erfgoed heeft met zijn plekken, gebouwen en verhalen een sterke verbindende functie. Het steeds sterker wordende merk Rotterdam zal er zijn voordeel mee kunnen doen.

STEENHUISMEURS bv

5

Kaart van het eiland IJsselmonde departement der Monden van de Maas, 1812. [NA]

6

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Agrarisch en achtergebleven

Historisch gegroeide imago’s zijn hardnekkig. Zo ook dat van Zuid. Bijnamen als de ‘Boerenzij’ brengen het agrarische verleden in herinnering, en zijn tot ver in de twintigste eeuw gebruikt om de bewoners te typeren als achtergebleven, en zeker niet stedelijk. ‘De NRC kwam de brug niet over’ zei wethouder Joop Linthorst in de vroege jaren tachtig. Voor het mondaine leven moest je op de noordoever zijn. Hier op de zuidoever had de stad Rotterdam altijd functies geplaatst die ze liever niet in de stad wilden, zoals de zestiende-eeuwse galg en het achttiende-eeuwse pesthuis. Zuid, dat waren de oude polders van Charlois, van Katendrecht, de Hillepolder, Varkenoord en Smeetsland met oude dijkdorpen als Katendrecht, IJsselmonde en Ridderkerk, bevroren in de tijd. Tot 1895, toen begonnen werd met het graven van de Maas- en Rijnhaven, was Katendrecht een welvarend dijkdorp, omringd door vruchtbare polders. Een deel van de Rotterdamse elite bracht er de zomermaanden door in chique landhuizen

op buitenplaatsen, met een veerpont verbonden met de Veerhaven. Verderop, in Oud-IJsselmonde en in Rhoon, lagen zelfs echt kastelen met parken en vijvers. Beplante dijken, soms met vijf rijen iepen, markeerden de vlaktes van de lager gelegen polders, en de schuine taluds gaven het landschap een monumentaal karakter. Vlasteelt en akkerbouw vormden de belangrijkste landbewerking. De Koedood, een vroegere rivierarm doorsneed WestIJsselmonde over een lengte van vier kilometer en was schilderachtig en mooi begroeid. Bij eb waterde de stroom vrij uit in de Nieuwe Maas. Maar de snel groeiende havenstad Rotterdam had de terreinen nodig; ze groef vanaf 1850 havens uit in de rivieroever, die op hun beurt bedrijven aantrokken. De ontwikkeling van de zuidelijke rivieroever vormt de eerste proeftuin op Zuid.

STEENHUISMEURS bv

7

Topografische kaart van Rotterdam, Delfland, Voorne Putten en Kralingen, 1848. [SAR] 8

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Inzoom kaart 1848. Te zien is de oorspronkelijke sitautie van Katendrecht met enkele landgoederen, 1848.

Huizen aan de Hilledijk in Hillesluis, 1907. Rechts is het polderlandschap te zien. [SAR]

Aanleg van de Maashaven, omstreeks 1902. [SAR]

De Nieuwe Maas vanaf restaurant 'Bellevue' aan de Parkkade, 1900. De bomenrij op de achtergrond staat langs de Katendrechtschedijk, die Katendrecht met Charlois verbond. [SAR]

STEENHUISMEURS bv

9

Hoogspoor voor de lijn Rotterdam Dordrecht ter hoogte van de Kolk. [collectie SteenhuisMeurs]

Gemeentelijk droogdok, 1883. De gevaartes drreven op het water. [Rijksmuseum]

Het Pakhuis De Eersteling van N.V. Het Nederlandsche Veem aan de oostzijde van de Rijnhaven, 1920. [SAR]

Veerpont die met het getij van de Maas meebewoog. Het dek was anderhalve meter verstelbaar. [collectie SteenhuisMeurs]

10

Rotterdam Zuid - tarwewijk

De eerste proeftuin, 1872-1910: bedrijven aan de zuidoever van de Maas

De grote ontwikkeling van de zuidoever begint aan het einde van de negentiende eeuw . Nadat de Rijksoverheid in 1872 een hoog boven de stad zwevende spoorbrug over de Maas richting Zuid-Nederland had gebouwd, zwevend om de schepen niet te hinderen, waagde ook Rotterdam de oversteek. Het hoogspoor kreeg zijn vervolg in een draaibare spoorbrug over de nieuw gegraven Koningshaven, waardoor het Noordereiland ontstond. Voor de aanleg van havenbekkens op Feijenoord ontbrak het de gemeente aan middelen – een voorinvestering door de lokale belasting te verhogen, durfden de bestuurders niet aan. De aanleg van het rijksproject Nieuwe Waterweg in datzelfde jaar 1872, waarbij de duinen over een afstand van 4,3 kilometer werden doorgraven en een eigen zeetoegang ontstond, was een cruciaal kantelpunt. Rotterdam veranderde van een koopmansstad, waar de handelaren hun goederen in pakhuizen bewaarden, naar een veel dynamischer overslaghaven, waar alles draaide om het snel en efficiënt overslaan van goederen. De gemeente nam het voortouw op zuid. Zij legde voor zakenman en avonturier Lodewijk Pincoffs rond 1875 de Binnenhaven, de Entrepothaven en de Spoorweghaven aan en veranderde na diens faillissement in 1879 in een grote publieke speler in de haven – omdat zij de failliete boedel voor vier miljoen gulden overnam.

Vanaf 1882 stapte de gemeente Rotterdam in de business van kadeverhuur, snel gevolgd door verhuur van kranen en ander materieel. Onder

directeur Gemeentewerken G.J. de Jongh (1845–1917) werden de havens thematisch geclusterd. Zuid was voor de bulkgoederen: kolen, graan en ertsen. Nog sterker gingen bedrijven concurreren op efficiëntie en innovatie. Al tijdens de aanleg in 1887 veranderde de Rijnhaven van functie. Het werd in plaats van een berghaven voor binnenschepen (bij ijsgang) een transitohaven (doorvoerhaven) voor de toen spectaculaire boord-boord-overslag (overslag direct van schip naar schip). Het eeuwenoude dorp Katendrecht met 3500 inwoners moest na 1895 wijken voor de Maashaven, waar De Jongh de bedrijven voor graanoverslag concentreerde. Niet voor niets werd de aangrenzende wijk de Tarwewijk genoemd, en zijn Meneba en Quaker hier nog altijd gevestigd. Dwars door de Fenixloodsen aan de Rijnhaven, die momenteel worden herontwikkeld tot grote woongebouwen, liepen twee spoorlijnen voor de goederentreinen. De kolossale Waalhaven, die in fases van 1912 tot 1922 werd gegraven bood plek aan vele nieuwe bedrijven. Allerlei nieuwe typen ondernemers kwamen op, zij verdienden hun geld in de keten van het internationale goederenverkeer. Commissiehandelaren, expediteurs, graan- en steenkolenhandelaren, cargadoors en stoomvaartreders, zij vonden een plek op de zuidoever en begonnen daar als bezetenen te innoveren. Bedrijven stelden alles in het werk om schepen zo snel mogelijk te laden en te lossen.

Op de Maas was in de

periode 1900–1940 dag en nacht een adembenemend schouwspel te zien, een soort ballet van boten en installaties, geflankeerd door enorme loodsen en pakhuizen aan de oevers. Wonderlijke, voorwereldlijke monsters van staal dreven in de Rijnhaven, het waren drijvende graanelevatoren of drijvende droogdokken, die de overslagtijd tot een minimum beperkten, terwijl de opkomst van telefoon en telegrafie een steeds snellere communicatie mogelijk maakte. Dat spectaculaire havenlandschap maakte Rotterdam gaandeweg tot een toeristische bestemming, een gegeven waar rederij Fop. Smit slim op inspeelde door in 1913 het boekje Wandelvaart door de Rotterdamsche havens uit te geven. De hele stad ‘lijkt een brouwketel waarin de handelsenergie tot kookpunt gestegen is’. Bij scheepswerf Wilton op Feijenoord werkten tweeduizend mensen. Bij de Graanelevatormaatschappij aan de Maashaven werd in 1910 met zestien immense graanelevatoren 4400 miljoen kilo graan overgeslagen, met een totale waarde van 300 miljoen gulden. Het graan werd opgeslagen in de geheel uit gewapend beton opgetrokken graansilo, waar rond 2000 grote feesten werden georganiseerd onder de naam Now&Wow. Twintigduizend ton graan kon hier in 42 achtkantige cellen bewaard worden. De ontwikkeling van de zuidelijke Maasoever tot innovation hub van het industriële tijdperk is het eerste en bepalende hoofdstuk van de proeftuin Rotterdam Zuid.

STEENHUISMEURS bv

11

Topografische kaart 1900. [Grote Historische Atlas Zuid-Holland] 12

Rotterdam Zuid - tarwewijk

De tweede proeftuin, 1910-1930: Zuid als experiment van stedenbouw en volkshuisvesting

De vestiging van nieuwe bedrijven zorgde voor nieuwe werkgelegenheid. De immigranten in booming Rotterdam kwamen uit Brabant, Zeeland en Drenthe, en de cultuurschok was voor hen minstens zo groot als voor de immigranten van onze tijd. De kaart van de zuidoever laat in 1905 nog een grotendeels agrarisch gebied zien, met hier en daar wat plukjes speculatiebouw, de straten eindigend in de polder. Elke maand kwamen er duizend nieuwe Rotterdammers bij. Het beplante dijkenlandschap raakte bebouwd met rijen huisjes, die van verre gezien het landschap in compartimenten indeelden of zelfs het gezicht op het land geheel afsloten. Directeur Gemeentewerken De Jongh had weliswaar een uitbreidingsplan getekend in 1903, waarvan de Brielse en Dordtselaan waren uitgevoerd, maar dat in de verdere uitvoering stokte. Op het landschap van IJsselmonde bestond geen visie. Het ontbrak aan een vastgesteld uitbreidingsplan voor de polders van zuid, en dat terwijl de Woningwet van 1901 steden verplichtte om hun verdere groeiplannen weer te geven op kaart. In mei 1913 had de gemeenteraad net een half jaar van hevige debatten over de vraagstukken van stadsuitbreiding en volkshuisvesting achter de rug. Er waren veel te weinig woningen voor de nieuwkomers, waardoor gezinnen opeengepakt in kleine donkere kamers woonden.

De gemeente had nauwelijks eigen grond in bezit om te gaan bouwen, terwijl particuliere bouwondernemers niet genegen waren huizen te bouwen voor de lagere inkomensgroepen. Verschillende raadsleden maakten zich zorgen over de toekomstige gedaante van de stad. ‘Ik durf te zeggen’, aldus het (eerste) sociaal-democratische raadslid Hendrik Spiekman in de vergadering, ‘dat er in heel de wereld geen leelijker, afschuwelijker dingen zijn – het wordt echter tegenwoordig wat beter – dan wat men 30, 40 of 50 jaar terug heeft gebouwd als de zoogenaamde voorsteden. (…)

Zooals men daar de straten heeft aangelegd en de huizen tegen elkander heeft aangeplakt, is dat zóó monotoon en zóó ellendig éénvormig, als men slechts denken kan. Alles wat leven kan brengen, wordt daar gemist.’ Voor ieders begrip: Spiekman sprak over het Oude Westen, over het Oude Noorden, over de Afrikaanderwijk, wijken die vanaf de jaren zeventig drastisch werden vernieuwd. Nu waren er aan het eind van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw al wel enkele proeven gedaan met woningbouw voor lagere inkomens; en het interessante is, dat het netwerk van bovengenoemde nieuwe ondernemers daarin een trekkersrol vervulde. Volgens het principe van sociaal liberalisme (een gezonde arbeider is een hardwerkende arbeider) waren er initiatieven aan de Rotterdamsestraat (1866, drie blokken, mr W.C. Mees), de Paul Krugerstraat (1891, 75 woningen, mr. L.C.J.C. van Ravesteijn). Telkens hield de gemeentelijke overheid zich afzijdig, en bleef het bij kleine complexen, die overduidelijk leden aan kinderziektes van financiële, plattegrondtechnische of hygiënische aard. ‘Deze lijdensweg heeft lange tijd anderen afgeschrikt van bemoeienis met de volkswoningbouw’, aldus notaris en initatiefnemer Van Ravesteijn in 1913. Met de komst van de Woningwet en Gezondheidswet ontstond de mogelijkheid om woningbouwverenigingen op te richten.

Aan de Persoonshaven verrezen in 1909 woningblokken van de NV Maatschappij voor Volkswoningen, opgericht door de Rotterdamse ondernemers De Bruijn, Hintzen, Mees, Nolst Trenité en Van Ravesteijn). Dit complex was wel succesvol, en de activiteiten in de volkswoningbouw smaakten naar meer. Zuid werd na dit Raadsdebat het stadsdeel waar het goed moest komen met de Rotterdamse volkshuisvesting. De sense of urgency was niet te missen. De grond op de

noordoever was schaars geworden, de woontoestanden raakten onhoudbaar, de Raad was overtuigd geraakt van de noodzaak van gemeentelijk ingrijpen. Vanaf 1910 ging de Maatschappij voor Volkswoningen, die ook het complex aan de Persoonshaven had gerealiseerd, in Bloemhof aan de gang, spoedig gevolgd door nieuw opgerichte woningbouwverenigingen. Bloemhof maakte deel uit van een veel grotere stedenbouwkundige compositie voor heel zuid, waarvoor de afdeling Stadsuitbreiding na 1913 opdracht had gekregen. Bijzondere prestaties gaan altijd over mensen die elkaar vinden. Op Zuid ontstond in de jaren 1910-1935 een fascinerende mix van ambtenaren (rode [socialistisch bevlogen] ingenieurs) en havenondernemers, die voor de arbeidsproductiviteit van hun werknemers belang hadden bij een goede volkshuisvesting. In een sociaal-liberale samenwerking gingen gemeente en particuliere sector samenwerken. Het is niet overdreven te stellen dat de Gemeentelijke Woningdienst (opgericht in 1919) er zonder de inzet van Rotterdamse ondernemers niet was gekomen. Het Gemeentelijk Tuindorp in de Bloemhof werd door deze Woningdienst gerealiseerd, maar de havenondernemers gingen ook door: ze gingen zelf arbeiderswoningen produceren. Het was een groep van ‘verantwoordelijke burgers’ die elkaar in verschillende sociaal-culturele netwerken ontmoette. Spilfiguren waren de eerder genoemde mr. L.C.J.C.

van Ravesteijn en mr. K.P. van der Mandele. In 1912 begonnen zij in eigen beheer, op eigen grond en met een eigen aannemerij met de voorbereidingen van tuindorp Vreewijk, het grootste arbeiderstuindorp van Europa. Nergens in Nederland was de inzet en invloed van de financiële en culturele elite voor de sociaal-culturele positie van de arbeider zo groot als in Rotterdam.

STEENHUISMEURS bv

13

Ontwerp voor Rotterdam Zuid 1914 (vastgesteld 1917). [SAR]

14

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Zuid: een stad met eigen voorzieningen en een eigen centrum, 1914 Het ontwerpersbrein achter zowel Bloemhof als Vreewijk, als achter het vervolmaken van de stedenbouwkundige plannen voor de oude wijken op Zuid was een jonge Delftse ingenieur, Pieter Verhagen (1882-1950), die in mei 1913 door De Jongh’s opvolger, directeur Gemeentewerken A.C. Burgdorffer was aangenomen als chef stadsuitbreiding. Samen met bevriende ingenieurs van Bouw- en Woningtoezicht en Grondbedrijf (waaronder zijn latere compagnons Granpré Molière en Kok) lukte het hem om van Rotterdam-Zuid daadwerkelijk een proeftuin voor stedenbouw en volkshuisvesting te maken. Alle stedelijke ontwerpen vanaf 1913 werden opgeborgen in de Geheime Tekenkamer, om grondspeculatie door het uitlekken te voorkomen. Er lag een compleet nieuwe woonstad klaar om te bouwen – geleid door gemeentelijke ontwerpers en ontwikkeld naar de nieuwste inzichten. Nieuwe verkavelingsconcepten zoals het tuindorptype, maar ook ‘moderne hofjesbouw’ kwamen uit zijn koker, zoals te zien is aan zijn grote ontwerp voor alle vroeg twintigste eeuwse wijken op zuid. Recent werd dit ontwerp in de archieven aangetroffen, en de vergelijking met de huidige stedelijke structuur op Zuid is fascinerend.

Het ‘plan Zuid’, zoals het in de toelichting van 1914 werd genoemd, besloeg een brede band van terreinen tussen het westelijk gelegen dorp Charlois en het oostelijk gelegen IJsselmonde. De zuidoever moest een stad met eigen voorzieningen en een eigen centrum worden. Op de noordoever was het Hofplein het centrale punt, op de zuidoever was dit de samenkomst van Dordtschestraatweg, Dordtschelaan en Lange Hilleweg. Naast de bestaande Willemsbrug en Koninginnebrug, die ingrijpend verbeterd

moesten worden, voorzag de gemeente geen nieuwe bruggen, althans niet op korte termijn. Tot aan het Noordereiland was de Maas een zeehavengebied, en waren bruggen uitgesloten. Bij een verdere ontwikkeling van de zuidoever zouden een tunnel in het verlengde van de ’s Gravendijkwal (de in 1942 geopende Maastunnel) en een hoge brug nabij IJsselmonde (de in 1959 geopende Van Brienenoordbrug) in de verkeersafwikkeling kunnen voorzien, maar in 1917 zag de gemeente de oplossing in de verbetering van de veerdiensten. De nieuwe stad op Zuid moest aan de buitenranden open tuindorpbebouwing krijgen, ‘waar een werkelijk ‘gaaf buiten’ de stad nog omringt’, die naar het centrum verdichtte. Langs de getraceerde hoofdwegen was het van belang zo veel mogelijk continuïteit in bebouwing te maken en de bouwblokken een gunstige oriëntering te geven. De linker Maasoever was grotendeels bedoeld voor arbeiderswoningbouw. Toch zou ook de middenklasse langs de rustige singels woongelegenheid kunnen vinden, terwijl de gegoeden in een villapark nabij het geprojecteerde park terecht konden. Het plan bevatte een genereus opgezette stadsgracht, die het gebied van oost naar west doorsneed, met een profiel van 25 meter en aan weerszijden een 15 meter brede zone met voetpad en rijbaan.

Het stadspark met een oppervlakte van zes hectare kende de volgende toelichting: ‘grootere boschpartijen en sportterreinen zijn hier natuurlijk niet op hun plaats; een net van wandelwegen tusschen zorgvuldig aangelegde gazons met hier en daar boom- en heestergroepen en bloembedden zullen de hoofdmomenten van den aanleg moeten vormen.’ Voor het echte buitenzijn had Verhagen het landschap van het eiland IJsselmonde in gedachten: ‘Het eiland IJsselmonde met zijn mooie lanen en landwegen,

zijn vruchtbare akkers en weiden, zijn schilderachtige dorpjes en zijn fraaie waterpartijen en riviergezichten biedt voor den stedeling, die aan den linker Maasoever woont, zonder twijfel eene uitgezochte gelegenheid om zich in de vrije natuur te verlustigen, zelfs zonder dat daarvoor groote afstanden behoeven te worden afgelegd. De liefhebber van wandelen behoeft, om zoo te zeggen, den voet maar even buiten de deur te zetten om naar hartelust van al dat schoons te kunnen genieten en zal dit zeker verre verkiezen boven de genoegens, die een kunstmatige parkaanleg biedt.’ Hier spreekt van een hartstochtelijk wandelaar en natuurliefhebber, die zelf op dat moment een boerderij nabij het latere Vreewijk als weekendverblijf benutte, en vanaf zijn vroege jaren zijn wandeltochten door heel Nederland in Natuurdagboeken bijhield. Deze dagboeken met aquarellen worden bewaard in de archieven van Het Nieuwe Instituut. Stedenbouw is een weerbarstig vak. Het uitbreidingsplan werd niet door de Gemeenteraad vastgesteld. Dat kwam doordat er politiek onvoldoende steun was om een dergelijk grootschalig ontwerp voor een hele nieuwe stad ineens aan te nemen; de consequenties voor de gemeentelijke kosten waren niet te overzien. Kijken we nog een keer naar het grote ontwerp voor heel zuid, dan is eigenlijk opvallend hoeveel ondanks de niet-vastgestelde status wél is uitgevoerd.

Het interessante is namelijk dat er zich inmiddels rond de stedelijke opgave van de stadsplanning en volkshuisvesting een groep ambtenaren en ondernemers had verzameld die, elk vanuit hun eigen positie, deden alsof het ontwerp wél status had. Ambtelijke instrumenten werden ingezet en opgerekt om het versnipperde grondeigendom op Zuid te kunnen coördineren. De leden van de Gezondheidscommissie, waar alle stedenbouwkundige ontwerpen uitvoerig werden besproken, behoorden praktisch allemaal ook tot de oprichters van Vreewijk. STEENHUISMEURS bv

15

Uitbreidingsplan voor Rotterdam G.J. De Jongh, 1903. [Historische Atlas Rotterdam, 2007] 16

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Enkele ontwikkelingen op uitgegeven gronden in Rotterdam Zuid, 1915. [SAR] STEENHUISMEURS bv

17

Verzamelkaart van goedgekeurde uitbreidings- en stratenplannen in Rotterdam, 1916. [SAR] 18

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Stadsuitbreiding had een compleet nieuwe stad op zuid getekend, dooraderd met groene singels, met kerken en scholen rond pleinen als sociale ontmoetingspunten. De Bouwpolitie breidde haar verordeningen uit om via de bouwkavels stedenbouwkundige sturing te kunnen doen, en vanaf 1919 gaf een nieuw opgerichte Gemeentelijke Woningdienst het goede voorbeeld met het ‘gemeentelijk tuindorp’ Bloemhof en later de Kiefhoek. Want rustig wonen in laagbouw werd voor de nieuwe bewoners van zuid, doorgaans afkomstig uit plattelandsgebieden, gezien als ideale woonvorm. We kunnen het ons niet voorstellen, maar veel nieuwkomers namen een koe of een geit mee en zetten deze in de achtertuin. Het toont aan hoezeer wij in een eeuw tijd wennen moesten aan het wonen in de stad. Het park van 6 hectare werd na de oorlog opgeschaald tot een fenomenaal Zuiderpark van 215 hectare. Met de stadsgracht liep het minder goed af – die kwam er niet. De grond was te kostbaar om te gebruiken voor openbare ruimte.

STEENHUISMEURS bv

19

Enkele voorbeelden van scholen in de wijk Bloemhof. Linksboven is de school langs de Lange Hilleweg, linksonder en rechts zijn scholen bij het Putseplein. [SAR] 20

Rotterdam Zuid - tarwewijk

De verzorgingsstaat avant la lettre Met een centraal gecoördineerde stedenbouw en grondpolitiek lag de weg open voor de best mogelijke volkshuisvesting. De gemeente wilde zelf het goede voorbeeld geven. In het Rotterdamse gemeentearchief worden twee fotoalbums bewaard met daarin de trotse documentatie van woningbouwcomplexen voor arbeiders uit de periode 1915-1930. Opdrachtgever voor de albums was ir. A. Plate, directeur van de in 1919 opgerichte Gemeentelijke Woningdienst. Vanaf 1916 had de gemeente Rotterdam met bouw- en huursubsidies de bouw en bewoning van goedkope woningen ondersteund, kort daarna nam het Rijk deze aanpak over. In 1922 waren er 1900 eengezinswoningen klaar. De oprichting van de Woningdienst betekende in het Rotterdamse liberale politieke klimaat de kroon op een jarenlange strijd voor een betere volkshuisvesting. In de vier oorlogsjaren was de private bouwactiviteit volkomen stilgevallen, hét moment voor de gemeente om in het gat te springen. De Woningwet en Gezondheidswet maakten het voor de gemeente Rotterdam mogelijk om grond tegen lage prijzen te verkopen, in ruil voor een lage woninghuur. Dat onderheien op de zuidoever vanwege de zware kleigrond niet nodig was, kwam de betaalbaarheid van de woningen ten goede.

De gemeente ging dus financieel sturing geven aan een voorheen door het particuliere initiatief gestuurde woningmarkt – net zoals zij in 1882 de failliete boedel van Pincoff’s havenbedrijf op Feyenoord had overgenomen en daarmee partij in de haven werd. Zuid groeide uit tot een proeftuin voor de verzorgingsstaat, waar de gemeentelijke overheid het stedelijk leven bewust regisseerde en ontwierp. Een rustige, landelijke sfeer in Bloemhof, een meer stedelijke sfeer in Hillesluis en

Tarwewijk, rond het hart van Charlois een dorpse sfeer en langs de nieuwe singels vrijstaande woningen. Tuindorp Vreewijk, gerealiseerd door de particuliere sector maar eveneens onder regie van Verhagen (inmiddels vanuit zijn bureau) sloot naadloos aan op de structuren van zuid. Woninginspectrices leidden de bewoning van de gemeentelijke bouwblokken in goede banen. Zij beslisten wie er in aanmerking kwam voor een woning en legden onaangekondigde huisbezoeken af bij ‘gezinnen met slechte woonzeden.’ In de woning werd gekeken naar de reinheid van het beddengoed, de inrichting van de keuken en de gezondheid en kleding van de kinderen. Ook in Vreewijk werd een excellente sociale wijkorganisatie gerund vanuit het Zuidervolkshuis. De woninginspectrices hielden nauw contact met de huisartsen en het buurthuiswerk, zodat de bewoners waren omringd door een betrokken team van hulpverleners. Tussen de woonblokken bewogen de mensen zich voort over de vroegere dijken, over statige gegraven singels, door woonstraten naar pleinen met daarop clusters van scholen, kerken en buurtvoorzieningen die de groeistad op de linkeroever dat typische karakter geven.

midden van de huizenblokken. Gemeentelijk architect A. van der Steur (1893-1953) ontwierp er tientallen door de hele stad, als kathedralen van het onderwijs, waar de nieuwe Rotterdammers konden worden opgeleid tot productieve en blije burgers. Deze bijzondere episode uit de Rotterdamse stadsplanning en volkshuisvesting, die in zekere zin vanaf midden jaren tachtig met de Kop van Zuid herhaald werd en ook nu weer gestalte krijgt, vormt het geheim achter de proeftuin van zuid – het experimenteren werd een houding die heel zuid ging bepalen. Ook de naoorlogse tuinsteden Pendrecht, Zuidwijk en Lombardijen zijn proeftuinen van een stedelijke samenleving zoals die na de oorlog voorzien werd.

Met name de scholen en kerken verdienen even de aandacht. Van 1870 tot 1915 werden scholen doorgaans op binnenterreinen gebouwd. Scholen werden niet gezien als representatieve dragers van het stedelijk beeld, en konden dus op deze goedkope gronden worden verstopt. Overal in de stad is dit fenomeen te zien; in onze tijd worden de scholen veelal als collectieve woongebouwen geschikt gemaakt voor een nieuwe groep stedelijke creatieven. Op Zuid ging Verhagen in zijn stedenbouwkundig plan anders om met de scholen. Hij koppelde ze aan de kerken en buurtvoorzieningen (Groene Kruisgebouw, consultatiebureau, kinderopvang, bibliotheek) en kon ze dus als bouwstenen en monumentale plekken projecteren te STEENHUISMEURS bv

21

‘Bedriegen de teekenen evenwel niet, dan wil het Gemeentebestuur inderdaad aan gene zijde van de rivier inhalen wat aan deze verzuimd is, grote Woningen bij de Dortmondstraat in Bloemhof , 1922. [SAR]

arbeiderskwartieren scheppen, niet van troostelooze eentonigheid of trieste woningstapeling, maar van frisschen eenvoud, wil het ginds aan de zelfkant der groote stad het juist daar zo geëigende eengezinshuis (..) weer maken tot het woningtype voor een talrijke bevolking.’ (L.J.C.J. van Ravesteijn, 1917)

De Kossel in aanbouw, ensemble in de wijk Bloemhof. [SAR] 22

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Het bijzondere aan het tijdvak 1910-1940 is, dat de gemeente inzag dat zonder een stevige stedenbouwkundige basis de volkshuisvestingssuccessen uit zouden blijven. De integrale aanpak van samenwerkende diensten (Stadsuitbreiding, Bouwpolitie en Woningdienst) zorgde voor een innovatie in de stedenbouw en een monumentalisering van het stadsbeeld, onder meer te zien aan de vernieuwende blokken in Bloemhof, maar ook in Crooswijk, Spangen en Tussendijken. Met de komst van Verhagen in 1913 werd in Rotterdam een stedenbouwkundige traditie geïntroduceerd die gebaseerd was op het componeren en ensceneren van lange lijnen en accentuering van ankerpunten in de stedelijke bebouwing. De dragers voor deze compositie waren het verkeers- en groensysteem, een stelsel van onderling verbonden landschappen, parken, plantsoenen en groene routes op de schaal van de regio. Veel van dit gedachtengoed is gerealiseerd – de monumentale scholen en kerken, de singels, de laagbouwbuurten – maar ook veel elementen sneuvelden. Het park, de stadsgracht, de verstaffeling in bebouwing naar de stadsrand toe. Zuid werd grotendeels door particuliere bouwers gerealiseerd, waardoor het voor de overheid lastig was het onderliggende raamwerk en het nagestreefde monumentale stadsbeeld gestalte te geven.

‘In Rotterdam is iedereen liberaal, van reder tot rode vakverenigingsbestuurder.’ (D. Hudig)

‘De NRC kwam de brug niet over’ (wethouder Linthorst)

‘In Rotterdam betekende men niets, als men geen stoomschip was.’ (de arts Minderop)

STEENHUISMEURS bv

23

Uitbreidingsplan Linker Maasoever door Granpré Molière, Verhagen en Kok, 1921.

Algemeen Uitbreidingsplan voor Rotterdam door Witteveen, 1928. [SAR]

Uitbreidingsplan Linker Maasoever met heel IJsselmonde erop door Granpré Molière, Verhagen en Kok, 1921. [SAR] 24

Rotterdam Zuid - tarwewijk

De derde proeftuin: Zuid als pioniersgebied van streekplanning, 1921

Het stedenbouwkundig ontwerp voor de vooroorlogse wijken op Zuid was gemaakt door de gemeentelijk hoofdontwerper ir. P. Verhagen. Na zijn vertrek bij de gemeente in 1916 ging hij met zijn compagnon Molière en financieel ondersteund door het netwerk van Van der Mandele verder met de Rotterdams stadsontwikkeling. In feite dreef hij een parallelle gemeentelijke dienst, vanuit het bureau aan de Kruiskade. In 1919 had ook de chef van de gemeentelijke afdeling Stadsuitbreiding en Gebouwen, A.J.Th. Kok, de overstap naar het bureau van Verhagen en Molière gemaakt. Tegelijk met de opdracht voor tuindorp Vreewijk werkten de compagnons aan verschillende ruimtelijke voorstellen voor Rotterdam, met als gemene deler het vormgeven van ruimtelijke samenhang in de stad door het organiseren van de diverse stromen van verkeer, stadsleven, woningen en groengebieden. De ontwerpen voor Plan-Zuid en de Linker Maasoever, allebei uit 1921, verdienen hier vermelding omdat ze voor het eerst in Nederland de schaal van een regionaal ontwerp adresseren. Verhagen schetste hier met zijn compagnons Granpré Molière en Kok de lijnen voor de naoorlogse zuidoever. Nog onwetend van het bombardement begrensden zij de ‘stad met eigen voorzieningen en een eigen centrum’ met wat nu het tracé van Slinge-Spinozaweg is.

Niet alleen arbeidersbevolking, maar ook de betere arbeiders moesten hun plek op zuid vinden, zodat de bevolkingssamenstelling evenwichtig werd en het stadsdeel economisch in balans zou kunnen komen. Een reeks van tuinvoorsteden met, naar het model van Vreewijk, noord-zuid gerichte woonstraten was gedacht aan de buitenrand van de nieuwe stad. Belangrijk en stedenbouwkundig heel vroeg in de tijd waren de groene wiggen, parkachtige zones die vanuit het nieuwe centrum (het Zuidplein) aangename wandel-

fiets- en autoroutes vormden, en voldoende lucht en ruimte zouden bieden – de ontwerpers spraken van ‘de machtigste architectonische effecten.’ De breedste groene wig vanaf het Zuidplein kwam uit het latere Zuiderpark. Kern van het ontwerp was de leesbaarheid van de stad. Van buiten komend ging men eerst door een open gordel met recreatieterreinen, ziekenhuizen en begraafplaatsen. Vervolgens kwam een zone met losse woonhuisbouw, die zich geleidelijk verdichtte en tenslotte in hoge bebouwing in de stadskern culmineert. De kaart van het plan-Zuid werd vergezeld van een uitbreidingsplan voor het hele eiland IJsselmonde, volgens de commissarissen van de NV Vreewijk ‘een magistraal ontwerp dat over de eeuwen heenreikt’. De stad Rotterdam kent op de plankaart een duidelijke contour, met een open middengebied voor akkerbouw. Op IJsselmonde liggen de eveneens ruimtelijk duidelijk afgebakende dorpen als Rhoon, Barendrecht, Rijsoord en Zwijndrecht (waar Verhagen later adviseur werd). De oevers van de Oude Maas waren bedoeld voor recreatie en buitenverblijven. Hier was een ‘koninklijk riviergezicht’, een gebied, ‘ongetwijfeld ruwer van karakter dan de bosschen van Wassenaar, minder herbergzaam dan het zomerstrand van Scheveningen, maar het is grootsch van aspect’(..) het was een terrein, aldus de ontwerpers, waar de Rotterdammer zich thuisvoelt.

Met de beide ontwerpen zou een totale verstedelijking van het door hen als ‘verward stadsdeel’ getypeerde gebied voorkomen kunnen worden. Door stad en land met elkaar in verband te brengen en de overgang van stad naar land te begeleiden, ontwikkelde het bureau een nieuwe ontwerpschaal – het stadsgewest – alsook een nieuwe ontwerpstrategie: geleding van de stad in onderdelen, gescheiden door groene wiggen.

STEENHUISMEURS bv

25

Streekplan IJsselmonde, 1938. [SAR]

26

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Streekplan IJsselmonde, 1938 Het liep allemaal een beetje anders met de ambities voor de groene, zelfstandige stad op Zuid. De gordel van tuinwijken, beschreven in het plan-Zuid van 1921, was na Vreewijk tot staan gekomen. Randgemeenten als Barendrecht en Zwijndrecht waren zelf gaan bouwen, en de oevers van de Oude Maas waren verdicht geraakt met industrie-vestigingen. IJsselmonde was bezig een typisch stadsrandmilieu te worden, vlees noch vis, met stukken akkerbouw temidden van woondorpen en infrastructuur. In 1938 presenteerde de gemeente Rotterdam in samenwerking met de omringende gemeenten een ambitieus streekplan voor heel IJsselmonde, waarin gezocht werd naar een balans tussen de havenaanleg en nieuwe woongebieden voor de Rotterdammers. In de Studiecommissie zat opnieuw Verhagen, als betrokken Rotterdammer en met grote ervaring in dit gebied. De urgentie was alleen maar groter geworden, op zuid. Uit onderzoek was gebleken dat op de linker Maasoever een stad was gegroeid waarin voor 170.000 inwoners nog geen vijf hectare open ruimte aanwezig was. Het gevolg van het gebrek aan recreatieve mogelijkheden was het ontstaan van een ‘stadsproletariaat’ – grote groepen jongeren brachten bijvoorbeeld vernielingen aan in de stad.

Het was daarom van het grootste belang om het grondgebruik van het stadslandschap met geleide ruimtelijke planning te vast te leggen, zodat de bevolking niet zou ontsporen. De groei van de haven en industrie en de bevolkingsgroei die daarop volgde, zorgde voor nieuwe wetenschappelijke methodes om de recreatiebehoefte te berekenen, methodes die de naoorlogse planning van Nederland diepgaand zouden beïnvloeden. Want dat verdere industrialisering nodig zou zijn om de toegevoegde waarde van de havenoverslag te vergroten, stond als een paal boven water. Bij Ridderkerk,

Hendrik-Ido-Ambacht en Zwijndrecht waren daarom nieuwe industrieterreinen gereserveerd. De aanleg van de nieuwe rijksweg van Dordrecht naar Rotterdam (de huidige A16), die in 1939 geopend werd, zou het vrachtverkeer kunnen accommoderen. De opening van de Maastunnel in 1942 droeg bij aan de emancipatie van Rotterdam-Zuid, zelfs voor hen die zich geen auto konden permitteren en te voet of met de fiets van de tunnel gebruik maakten. De Pleinweg werd ontworpen als verbindingsweg. De automobilist kon verder via de bestaande brede boulevards door de nieuwe woonwijken rechtstreeks doorrijden naar Rijksweg 16. Het midden van het eiland moet juist agrarisch blijven. Daarom waren alle gronden van IJsselmonde van een bestemming voorzien, bijna dertig jaar voordat het bestemmingsplan wettelijk zijn intrede zou doen. Het was nog niet te laat, de gemeenten zouden gezamenlijk de regie kunnen nemen op de ruimtelijke ontwikkeling van IJsselmonde – maar het gebeurde niet. Zoals bij zoveel streekplannen uit het Interbellum struikelden de bestuurders over het inleveren van autonomie en bouwgrond ten gunste van het grotere geheel, het publieke belang van een gebalanceerd achterland voor Rotterdam. Na de Tweede Wereldoorlog, in de periode van de suburbanisatie en de VINEX bouwde elke gemeente zijn eigen woonwijken op IJsselmonde, zonder al te veel onderlinge samenhang.

Interessant is de recente discussie over het Buytenland van Rhoon, drie 17e eeuwse polders die nog agrarisch bebouwd worden en die zouden moeten veranderen in (natte) natuur. Onder leiding van de Polderdochters en met steun van velen werd dit provinciale ontwerp van tafel geveegd, en wordt onder leiding van oud-minister Veerman gewerkt aan een ‘boeren’ alternatief. Het tekent de teruggekeerde aandacht voor het buitengebied.

STEENHUISMEURS bv

27

Uitbreidingsplan in hoofdzaak voor de Linker Maasoever, 1949. Te zien zijn drie nieuwe wijken (in zwart gearceerd): Pendrecht, Zuidwijk en Lombardijen. [Historische Atlas Rotterdam, 2007] 28

Rotterdam Zuid - tarwewijk

De vierde proeftuin: Zuid en de wijkgedachte van de naoorlogse tuinwijken

Na de bevrijding in 1945 werd Zuid het woongebied van de toekomst. De wederopbouwspirit na het bombardement, de woningnood en de tijdens de oorlog ontwikkelde wijkgedachte vormden een krachtige motor achter de bouw van Zuidwijk, Pendrecht en Lombardijen. Het voor de oorlog al geprojecteerde Zuidplein, het centrum van de nieuwe stad, kwam er nu écht, gemarkeerd door markante en vernieuwende woongebouwen. Weer speelden de verlichte Rotterdamse ondernemers een stuwende rol. De ambitie was om de kwaliteiten van het vooroorlogse Vreewijk te laten weerklinken in de nieuwe naoorlogse samenleving, met meer vrije tijd, een auto en een ander wooncomfort in (middel)hoogbouw. De wijkgedachte was in Rotterdam uitgedacht in kringen van links-religieuze intellectuelen, die zich wilden inzetten voor de verheffing van de arbeidersbevolking. In hun zoektocht naar een concept dat na de oorlog tot een nieuwe planmatige ordening van de massawoningbouw zou kunnen leiden zagen zij een naoorlogse samenleving voor zich die geordend zou zijn in herkenbare buurten. Een nieuwe stedelijke cultuur, niet dorps maar ook niet anoniem, zou kunnen ontstaan met een levendigheid en veelheid van indrukken. Cruciaal voor het geleden van de wijk was de reeks van gezin via woning naar buurt, naar

wijk en stadsdeel en tenslotte de hele stad. Deze reeks van ontwikkelingsfases sloot naadloos aan op de toenemende actieradius van de opgroeiende mens en leidde tot een kwantitatieve behoefteanalyse van de woonwijk in de vorm van gestandaardiseerde woningplattegronden en genormeerde afstanden tot wijkgroen en -voorzieningen. De wijkgedachte werd in 1953 door landschapsarchitect en hoogleraar Bijhouwer getypeerd als een zoektocht naar een andere, bredere basis, ‘één waarin de mens en de wijzen waarop de mens in sociale groeperingen optreedt, meer tot hun recht komen.’ Niet de eenzame, individuele mens was het stedenbouwkundig, maar het gezin, in al zijn stadia: jong, kinderrijk, incompleet en verpleging behoevend. ‘Misschien, aldus Bijhouwer, zouden wij dus moeten spreken over gezins-stedebouw of stedebouw voor het gezin.’ Deze ideeën leefden in progressieve kringen in de jaren vijftig; in een veranderende samenleving, met meer welvaart en allengs meer aandacht voor de psychische ontwikkeling van de mens, werden grote woonwijken gerealiseerd waarin mensen zich moesten kunnen ontplooien maar zich ook thuis moesten voelen. Groepering van woningen volgens de wijkgedachte moest voorkomen dat de stedeling een ‘stadsnomade’ werd en kriskras door de stad sociale contacten en vermaak zou zoeken. In plaats daarvan zou zijn buurt en wijk het sociale en culturele

richtpunt moeten zijn. Recreatievoorzieningen, scholen, speelplaatsen en buurthuizen in de buurt waren dus van het grootste belang. Niet langer was het ontwerp van een wijk opgebouwd uit tweezijdig bebouwde straten met blokken woningen; de tekeningen zagen eruit als composities van geometrisch gerangschikte balkjes in verschillende kleuren te midden van op het eerste gezicht nogal ongedefinieerde groene of open ruimten. Hét vraagstuk en tegelijkertijd dé belofte van die tijd waren nu juist die groene en open ruimtes. Daar zouden de buurtbewoners elkaar kunnen ontmoeten, van de allerkleinsten in de collectieve binnentuinen tot de ouderen op het plein. De gevolgen voor de vooroorlogse wijken op Zuid waren aanzienlijk. Niet alleen trokken veel Rotterdammers, ‘de gefortuneerde arbeiders’ naar deze nieuwe woonwereld, in de perceptie veranderden de oude wijken in de oude wereld, die smoezelig afstak bij de frisheid van de tuinsteden. In de oude wijken op Zuid ging het fijnmazige stedelijke leven verder, met telkens nieuwe inwoners, waarbij Chinezen en Turken vanaf de jaren zestig de hoofdmoot vormden.

STEENHUISMEURS bv

29

Overzicht van de stadsvernieuwigsprojecten in Zuid tussen 1975-1985 (kaart dateert uit 1991). Rood= nieuwbouw; blauw= renovatie/restauratie; groen= vernieuwde openbare ruimtes, paars= vernieuwde openbare gebouwen. [SAR]

30

Rotterdam Zuid - tarwewijk

De vijfde proeftuin: de Rotterdamse stadsvernieuwing

In 1974 startte in Rotterdam een intensief proces van stadsvernieuwing. Net als aan het begin van de eeuw was de sense of urgency hoog; de oude wijken stroomden leeg, bewoners trokken naar de randgemeenten of naar nieuwbouwwijken als Prins Alexander. Daar waren comfortabele woningen met een gasaansluiting en een douche, ook al werden na de Groninger gasvondsten in 1957 ook in de oude wijken gasleidingen gelegd. Onder wethouder Van der Ploeg werd de gemeentelijke dienst Volkshuisvesting ingrijpend hervormd en dertig jaar achterstallig onderhoud door particuliere woningeigenaren aangepakt. Daarover is op andere plekken geschreven: zijn lef om in 1975 maar liefst 30.000 woningen op te kopen, zijn lobby bij staatssecretaris Jan Schaefer voor de ‘vergelijkingshuren’ (met een puntensysteem), de Rotterdamse aanpak met projectgroepen in de wijken en de burgerparticipatie en interesse voor het stadsweefsel als gevolg. Wat hier interessant is dat er een opmerkelijke parallel is met de jaren tien en twintig van de twintigste eeuw, toen de gemeente Rotterdam de regie nam in het bewust sturen van de volkshuisvesting. Aanvankelijk zonder rijksbijdrage begon Rotterdam met verschillende typen renovaties, daarbij ondersteund door een heel leger Delftse ingenieurs, maar ook sociologen en juristen.

Met bestemmingsplannen (Hillesluis) of de minder verstrekkende leefmilieuverordening (Bloemhof) werden garages en bedrijfjes in woonstraten wegbestemd met de Hinderwet als hefboom. Kort daarna begon het Rijk financieel bij te dragen en stelde het de Rotterdamse aanpak als voorbeeld voor andere gemeenten. De ‘Hoog Niveau Renovatie’ was de meest verregaande en betekende interne kaalslag: binnen de casco’s werd een volledig nieuwe woningdifferentiatie gerealiseerd. Innovaties als de ‘droge inbouw methode’ voorzagen in een inbouw met

gestandaardiseerde materialen, zonder metsel- of stucwerk, de douche van watervast multiplex met vinyl bekleed. In 1984 waren er 5000 woningwetwoningen aangepakt en was het areaal aan openbare ruimte flink toegenomen; zo lukte het om het rangeerterrein bij stadion Feyenoord, waar treinen met explosieven en gevaarlijke stoffen stonden, in te richten als het West-Varkenoordse park (ontwerp Gerrit Smienk en Hubert de Boer). De aanleg van de Spoortunnel versnelde dit proces, en gaf ook Feyenoord een boost. Met als motto het verbeteren van de leefomgeving werden gaten geslagen in de stedenbouwkundige structuur op plekken die al vanaf de bouw van een mindere kwaliteit waren. Na sloop ontstonden bijvoorbeeld het Polderplein, het Brabantseplein (en het park in het aangrenzende bouwblok), en de beplante overhoeken aan de Wapen- en Schildstraat. Door alle aandacht voor de woningbouw en wooncomfort zijn andere gebouwen er in de stadsvernieuwing niet altijd even goed afgekomen. Scholen werden als obstakels gezien - de massieve geboortegolf uit de jaren twintig was al lang voorbij en veel scholen stonden leeg. Ze werden nog niet gezien als kansrijke woongebouwen, al dan niet in collectief particulier opdrachtgeverschap. Prachtige schoolgebouwen werden gesloopt en niet zelden vervangen door nieuwe, niet in het weefsel passende nieuwbouwcomplexen.

In Tarwewijk, Hillesluis en Bloemhof werden veel kerken gesloopt. De locaties van de kerken werden vaak plekken voor appartementencomplexen. De oude wijken kregen ook veel nieuwe voorzieningen, als sportfaciliteiten, jeugdhonken etcetera; het stadion Feyenoord en bioscoop/danspaleis het Colosseum waren decennialang de enige gelegenheden voor vrijetijdsbesteding geweest.

De huizen in de Tarwewijk waren van betere kwaliteit dan de huizen in Bloemhof. Maar soms lag het niet aan de bouwfysische kwaliteit, maar aan de overlastgevende drugspanden, en kocht de gemeente de huizen op. Dit beleid vormt de verklaring van het gemeentelijk eigendom, tot op vandaag de dag, van honderden losse etages, winkelplinten en huizen verspreid door de stad. Stedenbouwkundige Stef van er Gaag herinnert zich hoe hij in Hillesluis blokken sloopte, rondom binnenterreinen met lege scholen, om meer groen en speelvoorzieningen toe te voegen. Dat was nog niet makkelijk, want het Grondbedrijf verlangde hier goede argumenten voor. Alles werd met de bewoners overlegd; Turkse kinderen van de tweede generatie fungeerden als tolk voor hun ouders. Niet alleen de bevolking van zuid veranderde, ook de eerste havenindustrieën terreinen werden getransformeerd tot woningbouwlocaties. Een voorbeeld is het Simonsterrein door architectenbureau Van Schagen (470 woningen, 1975). De Rotterdamse stadsvernieuwing luidde een periode van aandacht voor de oude wijken en een nieuw gemeentelijk elan voor de bestaande stad in – ook al kijken we nu niet altijd even gelukkig terug op de resultaten. In de atlassen van de verschillende wijken kunt u de tijdlagen van de stadsvernieuwing herkennen en wordt duidelijk wat de waarde van de complexen vandaag de dag nog is.

Soms is die niet persé architectonisch van aard, maar wel stedenbouwkundig.

STEENHUISMEURS bv

31

Maquette van de Kop van Zuid (T. Koolhas), 1987. [Gemeente Rotterdam]

Visie voor Rotterdam na 1990, ontwerp Riek Bakker. [Gemeente Rotterdam]

32

Rotterdam Zuid - tarwewijk

Masterplan voor de Kop van Zuid 1995. [Gemeente Rotterdam]

De zesde proeftuin: nieuw stedelijk elan voor Rotterdam

De organisatie van de stadsvernieuwing had Rotterdam nieuw elan gebracht – de gemeentelijk stedenbouwkundigen en landschapsarchitecten hadden het stadsweefsel grondig geanalyseerd – nu was het tijd voor de volgende stap: van de objecten, de woningen, naar de stad als een grote ruimtelijke compositie, en een nieuwe toekomst voor de verlaten havenpieren. De stadsvernieuwingsambtenaren stonden te trappelen om op een hoger schaalniveau aan de stad te werken. De basis voor het succes van het huidige Rotterdam is medio jaren tachtig gelegd, een periode waarin Rotterdam werd geleid door een zeldzaam gelukkige combinatie van lokale bestuurders, hoge ambtenaren en stadsplanners. Onder leiding van burgemeester Bram Peper begon het gemeentebestuur in 1982 aan een nieuw verhaal voor de stad, waarin het ruige verleden van het havenlandschap verbonden werd met de toekomst van een vitaal, uniek vestigingsklimaat. Het trauma van het bombardement en de ingrijpende haventransformaties veranderden van een belemmering in een unieke kwaliteit. Het motto was ‘Het nieuwe Rotterdam’ (Pim Fortuyn was de secretaris), en daar hoorde een nieuwe directeur Stadsontwikkeling bij. Het werd Riek Bakker, die vanaf 1985 de stad voorzag van een lange reeks projecten (zie kaart). De gemeente nam vele ontwerpers aan en voerde een strategische grondpolitiek.

Niet langer landden ruimteschepen als Heliport of de kubuswoningen in de stad, maar werd er naar het stedelijk landschap gekeken, naar routes en betekenisvolle plekken. We hebben er de Kop van Zuid, Hotel New York en de Erasmusbrug, het Museumpark en de Kunsthal aan te danken. Toen al stond Herman den Blijker in een glazen paviljoen te koken op de Kop van Zuid. Bakker zag de kwaliteit van de oude stadshavens en hun potentie voor stedelijke vernieuwing. Van een stad die nog altijd worstelde met de wederopbouw en die de haven als domein van ingenieurs beschouwde, veranderde Rotterdam in de afgelopen dertig jaar in een stad van belofte, creativiteit en vrijheid, maar ook van een toenemende herbergzaamheid en gezelligheid. Voor een herwaardering van het karakteristieke weefsel van straten en pleinen en de hoge dichtheid van de oude wijken op zuid was het nog te vroeg. In contrast met het ooit bedachte raamwerk van laagbouw naar de randen en hoogbouw rond het Zuidplein, werd nu overgegaan tot een aanpak waarbij de hoeken langs de randen van wijken en buurten werden geaccentueerd met hoogbouw. Bovendien werden vervallen woningen gesloopt en vervangen door nieuwe, bijvoorbeeld naar ontwerp van De Nijlarchitecten in Hillesluis.

STEENHUISMEURS bv

33

Rotterdam Zuid, 2016: v.r.n.l. Katendrecht, Maashaven en Tarwewijk. [Foto: Siebe Zwart] 34

Rotterdam Zuid - tarwewijk

De zevende proeftuin: Zuid in de 21e eeuw

Hoewel er met wantrouwen naar de Kop van Zuid werd gekeken in de jaren tachtig – de havenpier zou nooit centrum worden, er zou teveel geld naar toe gaan, het project zou bedreigend zijn voor de oude wijken – is de Kop van Zuid de springplank naar Zuid geworden. Tot voorbij Katendrecht strekt zich nu een nieuwe wereld van lofts (Fenixloodsen), restaurants (Deliplein), culturele voorzieningen (verhalenhuis Belvedere) en sportvoorzieningen (Topsportcentrum) uit. Zuid, die eeuwige proeftuin, is aan z’n zevende leven toe. Imago blijft een terugkerende en hardnekkige zaak. Maar het stadsdeel zit onmiskenbaar in de lift, en het is belangrijk om goed naar de bestaande kwaliteiten te kijken alvorens fysiek in te grijpen. Het zou binnen een paar jaar zomaar eens werkelijkheid kunnen worden dat de door het College van B. en W. zo gewenste bakfietsen in de Tarwewijk geparkeerd staan. En van de singels van Charlois is het door de Maastunnel veertien minuten fietsen naar Beurs. Natuurlijk, er zijn nog veel sociaal economische vraagstukken, en er ís ook ruimte voor vernieuwing, maar nu in de 21e eeuw; vanuit een contextuele benadering, in samenspraak met corporaties, met de nieuwe benaderingen zoals het project ‘de Kaart van Rotterdam’ van de Afdeling Stedenbouw als hulpmiddelen. De kernvraag is de positie en profilering van de woonmilieus op Zuid in een stad die onmiskenbaar in de lift zit.

De oude dorpskern van Charlois, de elegante singels, de ruim opgezette pleinen en goede openbare gebouwen, de variëteit in woningtypen – het zijn de dragers voor de fysieke verbeteringen die er nu door corporaties en NPRZ worden gedaan.

Zoals we twintig jaar geleden nooit gedacht hadden dat Spangen een middenklasse wijk zou worden waar, aldus een twitteraar, het tijd is om te vertrekken omdat ‘de buurman een roze polo met opstaand kraagje draagt’, zullen we over tien of twintig jaar totaal anders naar Zuid kijken. We hebben dit rapport gemaakt om de achtergronden, betekenis en waarde van het bestaand stedelijk weefsel, de gebouwen, pleinen en ontmoetingsplekken terug in het collectief geheugen te brengen. Het lijkt alsof er opnieuw gloriejaren in de proeftuin van Rotterdam aanbreken –nú is het moment om het toekomstige Rotterdam te sturen en fysiek uit te bouwen in lijn met het groeiende historische besef in de stad. Houden wat goed is, vernieuwen waar nodig. Al meer dan honderd jaar is er bevlogenheid en ruimte voor experimenten op Zuid – op naar de volgende impuls.

STEENHUISMEURS bv

35

eRFeNiSSeN eN tHema’S iN BeeLd kateNdReCHt Hillelaan

aFRikaaNdeRwijk

Dordtselaan

at stra

n

selaa Beije rland k illedij

at rstra nde Olea str aa t Gr oe p

rkerk Moe

an nla ere nsh

g we

Mij

g we um sse

straat

selse Overijs

nd

Ra

t aa str

ng

eli

nd

m

rts

Do

rstraat

Vlasakke

g

Breewe

at

tra

ds

t aa str

ap kr

t aa str

ee

at

aa

M

it we

stra

olz

ek

oek

on

on

at

tra

ds

m

rts

Do

Ko

Bo

rsh

dt

in

L te

d

We ve

t aa str

oo Gr

lle Hi

Sa

str aa t

kstraat

t aa str en

da

raat Beverst

io eP

2d

e

ng

La

an

Riederla

g we

at

o Col

at

oo

Beijerlandsestraat

ee Westerb

tra

at

tra

ias

hl

Da

traat

ns

ho

m

an

rla

de

l Po

Strijenses

oe Pi

usstr aat

se

at tra

Ba

f1

Bl

ns

ie

m

lse

Ba

m

at

geri

t aa str

at

Re

e An

tra

lstra

e st

et

ie

m

lse

tra

ns

ias

Jun

in

int ac Hy

nple

ns te

Bas

bo

2e

vli

t ns

t aa str

ere

e te

nsh

r lie Vio

Mij

t ch

r Ho

Plein weg

t raa

at

Erica plein

se

Blan

Boe

k

lle

at ra

oe

t Pu

Millinxstraat

at stra burg ken Mijn kints tra

hoe

Hi

sst

n te Ka

t traa

ph

ol W

e dr

ls waa

usstr aat

at

tra

ss

an

ts

jk

di

ge

La

rte Zwa

geri

M De

tr

CHaRLoiS

Jun

igs

er t

nH

aat oorstr

Versch

Bas

r ae

tse ch

Cille rs

at

rie

Hellevoetstr

De

ht

aat eekstr

Gaesb

tra

1s

B

aat Slaghekstr

aat Slaghekstr

nd tA Sin

laan rielse

ns

ne H

zo e

Groe

Bla

k

en shav

Maa

c bo

ij led Hil

Putselaan

an

la Putse

Strevelsweg

CaRNiSSe

Zuid p

lein

vReewijk

RouteS eLk met eeN eiGeN ideNtiteit

PLeiNeN eN PaRkeN aLS toevaLLiGHedeN iN

eeN StaaLkaaRt aaN HoekoPLoSSiNGeN

oPeNBaRe GeBouweN aLS keRS oP de taaRt

knooppunt

kerk of school

Het StRateNPLaN

oud dijktrace Plein / park Historische route ontworpen route Secundaire routes Spoor wanden hoofdstructuur 36

RotteRdam Zuid - taRwewijk

2. De ruimtelijke thema’s van Rotterdam Zuid Voorgaande hoofdstuk gaat in op de ideevorming van Rotterdam Zuid. Een blauwdruk heeft voor Rotterdam Zuid nooit bestaan. Het stedenbouwkundig raamwerk zoals we dat nu kennen is een stapeling van oude dijklinten en polderroutes en uitgevoerde fragmenten van de verschillende uitbreidingsplannen die begin twintigste eeuw voor de Linker Maasoever werden vastgesteld.

Dit hoofdstuk gaat over de ruimtelijke neerslag van Rotterdam Zuid. Ondanks het feit dat er geen blauwdruk is, zijn er wel een aantal overkoepelende thema’s te herkennen, die samen bijdragen aan het onderscheidende karakter van Rotterdam Zuid. In onderstaand artikel probeert een journalist in 1927 het eigene van Zuid onder woorden te brengen. Onze thema’s zijn op de volgende pagina’s te vinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=8a82bc3a-4ad3-44cd-8856-d4ddcc46209e