[24bb004683] Bijlage 1 behorende bij 24bb004682 over Ontwerpbestemmingsplan 'Ostadehof'
Tekst van het document
Aanvullend op deze gezoneerde geluidsbronnen is ook nestgeluid (geluid geproduceerd door de aggregaten en of hoofdmotoren van afgemeerde schepen) als industrielawaai beschouwd. Dit is in lijn met recente jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State. Het nestgeluid en het scheepvaartgeluid worden niet getoetst aan de Wet geluidhinder of het gemeentelijke geluidbeleid, maar alleen voor het bepalen van de geluidwering van de gevels voor de aanvraag Omgevingsvergunning. De spoorlijn ten zuiden van het plangebied is sinds 2021 aangepast door de ingebruikname van het Theemswegtracé. Door deze aanpassing is de geluidzone van de spoorlijn 100 meter geworden. Het plangebied ligt op circa 180 meter afstand van de spoorlijn. Spoorweglawaai wordt daarom buiten beschouwing gelaten. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat vanwege wegverkeer binnen het plangebied aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (A) wordt voldaan. Ook wordt vanwege het geluid van Maasvlakte-Europoort aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB (A) voldaan. Vanwege het geluid van industrieterrein Botlek-Pernis wordt de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) overschreden. Ook wordt de maximaal toelaatbare waarde van 60 dB(A) (na het toepassen van de zeehavennorm) overschreden. De woningen waarvoor de maximaal toelaatbare waarde wordt overschreden worden de geveldelen doof toegepast.
Doof houdt in dat deze delen geen (of alleen in uitzonderingssituaties) te openen delen bevat. Aan het gemeentelijk geluidbeleid met betrekking tot geluidsluwe gevels en geluidsluwe buitenruimtes kan grotendeels niet worden voldaan. Vanwege de overschrijding dienen akoestische maatregelen getroffen te worden. Door een combinatie van akoestisch perceelafschermingen van 1,8 meter (met hoekschermen van 2,4 meter voor de hoogst belaste woningen op de hoeken) en het toepassen van Silent Air systemen wordt geconcludeerd dat zo goed mogelijk aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Daarnaast is sprake van extra compensatie doordat ook wordt voorzien in de mogelijkheid om de woningen te koelen. Gecombineerd is naar oordeel van de gemeente daarmee sprake van een acceptabel woon-en leefklimaat. Een volledig overzicht van de maatregelen is opgenomen in de regels, bijlage 3 en het hogere waarden besluit.
30
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg In de regels van voorliggend bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee het nemen van de akoestische maatregelen, zoals beschreven in het akoestische onderzoek en het hogere waarden besluit, planologisch geborgd is. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de te nemen maatregelen wordt geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouwontwikkeling en de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
31
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
4.4
Luchtkwaliteit
Voor een aantal stoffen in de lucht gelden wettelijke grenswaarden, welke zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (de zogenaamde Wet luchtkwaliteit). De normen zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid van de mens. De luchtkwaliteit dient in zijn algemeenheid, met uitzondering van de werkplek, bepaald te worden. Het ontstaan van nieuwe knelpunten moet worden voorkomen. De gemeente toetst daartoe nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen expliciet aan de normen uit de Wet luchtkwaliteit. Is de verwachting dat de ontwikkeling zal leiden tot overschrijding van de normen, dan wordt naar een zodanig (technisch en/of planologisch) alternatief gezocht dat wordt voldaan aan de normen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen worden uitgevoerd. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de grens van 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof en stikstofdioxide niet wordt overschreden. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM.
Een woningbouwproject wordt in de Regeling NIBM als niet in betekenende mate aangemerkt, indien het maximaal 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg betreft. In het plangebied zijn maximaal 44 woningen voorzien. De voorgenomen ontwikkeling wordt dan ook als niet in betekenende mate beschouwd. Omdat de geplande woningen op gepaste afstand zijn gelegen van wegen met hoge verkeersintensiteiten, liggen de PM10 en NO2-contouren van deze wegen niet over het projectgebied. Hiermee voldoet het plan aan de Wet luchtkwaliteit en het Rotterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Conclusie In Nederland wordt inmiddels gebruik gemaakt van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Dit is de opvolger van de NSL Monitoringstool voor luchtkwaliteit. In het CIMLK zijn de achtergrond waarden te vinden van stoffen als NO2, PM10 en PM2,5. Gekeken is naar het dichtstbijzijnde rekenpunten (Rijksweg A15, Van Ostadelaan en Rivierenlaan). Op basis van dit bureauonderzoek kan het volgende geconcludeerd worden. Stof
Wettelijke grenswaarde
Gemeten concentratie
Voldoet aan wettelijke grenswaarden?
NO2
40 µg/m3
22,75 µg/m³
Ja
PM10
40 µg/m3 (max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3
16,85 µg/m³
Ja (6 overschrijdingsdagen, voldoet aan maximum)
PM2,5
25 µg/m3
8,8 µg/m3
Ja
Tabel: beoordeling luchtkwaliteit Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het beoogde bouwplan sprake is van een acceptabel woonen leefklimaat. De ontwikkeling zelf draagt in ‘niet betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Derhalve kan gesteld worden dat de luchtkwaliteit ook de in toekomstige situatie acceptabel is. Nader onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
32
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
4.5
Externe veiligheid
Binnen het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans op overlijden op een bepaalde plaats voor een persoon die een jaar lang op die plaats zou staan. Hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico, dat in één getal kan worden uitgedrukt, wordt het groepsrisico door een (grafiek)lijn weergegeven. Naarmate de groep mogelijke slachtoffers groter wordt, moet de kans op zo’n ongeval kleiner zijn. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt het 1% letaliteitsgebied. De normen voor het groepsrisico weerspiegelen geen grenswaarde maar een oriënterende waarde. Dit houdt in dat bij de beoordeling van het groepsrisico het lokaal en regionaal bevoegd gezag de mogelijkheid geboden wordt om gemotiveerd van de oriënterende waarde af te wijken. Een afwijking moet in een openbare en goed inzichtelijke belangenafweging door het bevoegd gezag worden gemotiveerd. In de directe omgeving van het bestemmingsplangebied verschillende risicobronnen gelegen maar vindt ook het transport van gevaarlijke stoffen plaats.
Voor een visuele weergave van alle risicobronnen is de openbare Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Op basis van Atlas Leefomgeving is te zien dat er geen plaatsgebonden risicocontouren tot over of direct nabij het plangebied reiken. De dichtstbijzijnde is een gasreduceerstation aan de Zuidzijde 54, maar deze risicocontour vormt geen belemmering. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling van woningen binnen het plangebied.
Afbeelding 7: Uitsnede van de openbare risicokaart (bron: risicokaart.nl)
(ontwerp)
33
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg In de nabijheid van het plangebied vindt wel transport en opslag van gevaarlijke stoffen plaats, zowel boven de grond (Rijksweg A15, spoorverbinding ‘Rotterdam, Emplacement Waalhaven Zuid – Rotterdam, Emplacement Maasvlakte) als onder grond middels buisleidingen. De risicocontouren 10-7 en 10-8 reiken tot over het plangebied, derhalve is een nadere onderbouwing van het groepsrisico noodzakelijk. Specifiek gaat het om de volgende risicocontouren: 1. A15: Vervoer gevaarlijke stoffen a. PR-10: 17 meter b. PR-7: 185 meter c.
PR-8: 941 meter
2. Vervoer via spoorverbinding ‘Rotterdam, Emplacement Waalhaven Zuid – Rotterdam, Emplacement Maasvlakte’ 3. Buisleidingen onder de grond (tussen A15 en Droespolderweg gelegen) 4. Bedrijven op Botlek-Pernis: a. Reym Rotterdam B.V.: PR-8 contour b. Huntsman Holland B.V.: PR -8 contour c.
C.RO Ports Nederland B.V.: PR -7 en PR-8 contour;
d. C.Steinweg Handelsveem; PR -8 contour
De PR-7 en PR-8 contouren van de verschillende bovengenoemde bedrijven reiken tot ver over Rozenburg. Bijvoorbeeld de contour van Huntsman Holland B.V. reikt tot over de Molenweg en Essendaal, vrijwel de noordzijde van Rozenburg. In de bestaande situatie is de populatie binnen deze contouren al hoog. Voor een kwalitatieve verantwoording van het groepsrisico wordt gekeken naar het verschil tussen de (planologische) huidige en toekomstige maximale populatie. Bij de vaststelling van het geldende bestemmingsplan in 2010 waren het zwembad, de sauna en de bijbehorende bouwwerken nog in gebruik. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in 44 nieuwe woningen. Bouwwerken die niet aangemerkt wordt als 'zeer kwetsbare bestemmingen', zoals bijvoorbeeld kinderdagverblijven of gezondheidszorg. De voorheen aanwezige bebouwing wordt als uitgangspunt genomen bij het bepalen van de maximale populatie binnen het plangebied. Voor de toekomstige populatie wordt gekeken naar het aantal woningen en de bewoners. Het gemiddelde aantal mensen per huishouden bedraagt in Nederland 2,12 mensen (CBS, 2023). Met het beoogde aantal van 44 woningen betekent dit dat er (afgerond) 93 mensen aanwezig zullen zijn in de nieuwe woonwijk.
De omvang van de voorheen aanwezige functies waren aanzienlijk, met zekerheid kan gesteld worden dat het aantal individuele bezoekers op zowel een werk- als weekenddag hoger lag dan de 93 mensen die in de nieuwe situatie binnen het plangebied verblijven. Op basis van de cijfermatige onderbouwing kan gesteld worden dat het groepsrisico zal afnemen.
Nachtperiode Er is nog wel specifiek gekeken naar de toename van de nachtpopulatie door de nieuwe woningen. In tegenstelling tot de voorheen aanwezige functies geldt voor woningen dat de aanwezigheidspiek niet overdag maar in de nacht ligt. Vanwege de toename van het thuiswerken sinds Covid-19 is het verschil tussen de dag- en nachtperiode overigens wel afgenomen. In de nachtperiode zal sprake zijn van een maximale toename van 93 personen binnen de veiligheidscontour aangezien de voorheen aanwezige functies ’s nachts gesloten waren (worstcase aanname). Op de gehele populatie gezien in- en rondom de risicobronnen (bestaande woningen, bedrijven etc.) is een toename van 93 rekenkundig gezien nihil. Het uitvoeren van een kwantitatieve berekening met de CAROLA-tool wordt dan ook niet zinvol geacht. Wel is een beperkte verantwoording opgesteld in het kader van rampscenario’s & zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners van de woonwijk.
34
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg Rampscenario’s Bleve Het maatgevende scenario op het spoor en de weg voor brandbare stoffen is een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) van een tankwagon. Een BLEVE bestaat uit een vuurbal en een drukgolf met daarna warmtestraling. Slachtoffers vallen door de warmtestraling en de drukgolf, alsmede door rondvliegende brokstukken en glasscherven die zware schade kunnen aanbrengen aan personen en gebouwen. Een warme BLEVE treedt op bij een externe brand, een koude BLEVE treedt op wanneer de tankwagon bezwijkt door een mechanische oorzaak. Het optredende effect en het moment van exploderen is afhankelijk van de inhoud van de tankwagon. Zoals te zien op afbeelding 7 liggen de woningen buiten de opgenomen explosieaandachtsgebieden. Deze explosieaandachtsgebieden zijn specifiek opgenomen ten behoeve van het vervoer van gevaarlijke stoffen (via de weg). De woningen liggen dus op voldoende afstand van het spoor en de weg (ca. 190 meter) in combinatie met de zelfredzaamheid (zie kopje nachtperiode) van de toekomstige bewoners en de mogelijke vluchtroutes vanuit de nieuwe woonwijk. Omdat er geen sprake is van ‘zeer kwetsbare groepen en/of bebouwing’ zijn wettelijke verplichte maatregelen in het kader van de BLEVE niet noodzakelijk. Toxisch scenario Voor toxische stoffen is een toxisch scenario maatgevend.
Door een incident op de transportroute met een tank met toxische stoffen scheurt de tankwand. Een groot deel van de toxische stoffen lekken in korte tijd uit. De toxische vloeistof vormt een plas. De toxische damp wordt meegevoerd door de wind. Bij toxische gassen komen als gevolg van een brand toxische dampen direct vrij. De toxische stoffen worden meegevoerd door de wind. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. De nieuwe functie en beoogde bebouwing zijn niet specifiek bedoeld voor minder zelfredzame personen, zoals kinderen of ouderen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. De woonwijk wordt via één ontsluitingsweg goed ontsloten via de Rivierenlaan. Het is daarnaast ook goed mogelijk te vluchten via het omliggende groen en de aanwezige wandelpaden. Deze woonwijk is zo ingericht dat de vluchtroutes van het spoor af georiënteerd zijn. Bleve Bij het scenario van een koude BLEVE zal er geen tijd beschikbaar zijn voor zelfredding. Bij een warme BLEVE is er mogelijk beperkte vluchttijd. Gezien deze korte tijd zijn er geen mogelijkheden tot evacuatie.
Daarom zullen de personen op eigen kracht het gebied moeten ontvluchten in geval van een incident. De maatregelen ter bevordering van de zelfredzaamheid zullen daarom in de organisatorische en bouwkundige sfeer moeten worden gezocht. Wanneer een incident optreedt is het beste advies om te schuilen totdat de BLEVE heeft plaatsgevonden. Daarna verdient het aanbeveling om te vluchten in verband met secundaire branden. Bij het optreden van een BLEVE is naast een enorme hittebelasting ook een tijdelijke overdruk aanwezig. Een dergelijke overdruk kan leiden tot schade aan bebouwing. Toxisch scenario Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk overlijden is afhankelijk van de dosis waaraan de persoon is blootgesteld, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident met toxische stoffen is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden (safe-haven-principe). Geadviseerd wordt om de ventilatievoorziening in het nog nader uit te werken bouwplan afsluitbaar uit te voeren. Is schuilen niet mogelijk, dan kan ervoor worden gekozen om te vluchten. Zoals eerder aangegeven is het bouwplan goed te ontvluchten bij een dreigende situatie.
(ontwerp)
35
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg Conclusie Geconcludeerd wordt dat de maximale populatie in de toekomstige situatie voor een groot deel van de werk- en weekenddagen aanzienlijk lager ligt. Doordat het maximale aantal personen tijdens de werk- en weekenddagen afneemt, zal er sprake zijn van een wettelijk acceptabel groepsrisico. Alleen in de nachtperiode (zowel werk- als weekenddagen) kan sprake zijn van een zeer beperkte toename van (maximaal) 93 personen. Gezien de hoeveelheid personen die in de bestaande situatie (in de nacht) reeds aanwezig zijn binnen de risicocontouren, wordt een kwantitatieve CAROLA-berekening niet nuttig geacht. Het toevoegen van 93 personen is rekenkundig gezien ondergeschikt en zal geen invloed hebben op de oriëntatiewaarde. Derhalve is kwalitatieve onderbouwd dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Op grond van bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd, dat geen van de in de omgeving aanwezige risicobronnen leidt tot belemmeringen op de voorgenomen ontwikkeling. Vanuit planologisch opzicht zijn geen beperkingen aanwezig. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
36
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
4.6
Bodem
De Wet bodembescherming (Wbb) vormt het wettelijk kader bij de bepaling van de mate en de ernst van een bodemverontreiniging. Conform de Wbb wordt op grond van de mate en omvang van een verontreiniging in grond en/of grondwater bepaald of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierop is de principiële noodzaak tot sanering gebaseerd. In de Wbb wordt op basis van risico's voor mens en ecosysteem onderscheid gemaakt tussen spoedeisende en niet spoedeisende sanering. Bij eerst genoemde dient binnen vier jaar aangevangen te worden met de sanering; bij laatstgenoemde kan gewacht worden totdat op de locatie een herinrichting en/of bestemmingswijziging aan de orde is. Uit de Indicatieve Bodemkwaliteit kaart Rotterdam blijkt, dat de contactzone (de bovenste 1 meter van de bodem) bestaat uit grond van de categorie landbouw en hooguit zeer licht verontreinigd is. De diepere gronden (tussen 1 en 2 meter beneden maaiveld) zijn ingedeeld in de klasse 'Natuur' en worden als schoon verondersteld. Om de daadwerkelijke bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied te bepalen, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is toegevoegd als bijlage 4 aan de toelichting van voorliggend bestemmingsplan. In onderstaande paragrafen wordt een beknopte samenvatting gegeven van de uitkomsten van het onderzoek.
Resultaten asbest Conform de NEN5707 is een hypothese gesteld over het plangebied. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de locatie als asbest onverdacht beschouwd. Aanvullend onderzoek naar asbest is dan ook niet noodzakelijk geacht. Deze conclusie is tijdens het veldwerk voor het bodemonderzoek bevestigd. Resultaten grond Conform de NEN5740 en de onderzoeksopzet zijn er in totaal 22 boringen geplaatst. Het vrijkomende materiaal is zintuiglijk beoordeeld op samenstelling, geur, kleur en overige bijzonderheden die kunnen duiden op een mogelijke bodemverontreiniging. Naast de zintuigelijke waarnemingen zijn de bodemmonsters ook getest in het laboratorium. Uit de resultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogde gehaltes aan PCB bevat, maar dat deze gehaltes de achtergrondwaarde en tevens de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse 'wonen' niet overschrijden. Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, zink en PAK aangetoond welke vermoedelijk te relateren zijn aan het historische gebruik van het plangebied. De gemeten gehalten overschrijden hooguit plaatselijk de achtergrondwaarden in geringe mate en vormen derhalve geen belemmering voor de geplande bestemmingsplanwijziging alsmede de toekomstige woonfunctie. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Resultaten grondwater In het grondwater zijn geen parameters in een verhoogde concentratie gemeten. De kwaliteit van het grondwater is voldoende voor de bestemmingsplanwijziging alsmede de toekomstige woonfunctie. Het grondwater vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
37
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
4.7
Archeologie
Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke Erfgoedverordening (2019). Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek.
De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. Archeologische verwachting De kern van het voormalige eiland Rozenburg bestond uit een aantal polders. In het begin van de 18e eeuw waren verschillende opwassen, zandplaten, in de monding van de Maas bedijkt en samengevoegd tot één groot waterschap. Deze 'Generale Dijkage' uit 1727 omvatte onder meer de polders Oud- en Nieuw-Rozenburg, Blankenburg, de Lange- en de Ruigeplaat en het Kooiland. De omvorming van onbewoonde zandplaten tot bekade en bewoonde gebieden begon in 1586, toen twee Vlaardingse vogelaars, aanzienlijke burgers uit de Vlaardingse familie Bisdommer, van de Rekenkamer van Holland toestemming kregen om een 'rugge ofte slicke voor Swartewale', te pachten. De opwas zou voortaan Rozenburg genoemd worden. De pachters kregen de verplichting om minstens 50 gemet land te bedijken. De eerste polder die zo in de loop van de tijd ontstond is Oud-Rozenburg. Op oude kaarten is te zien dat het plangebied zich even ten zuiden van de Dwarsweg centraal in deze polder Oud-Rozenburg bevindt.
Deze weg kent een kronkelend verloop, hetgeen, in combinatie met een gebied van iets meer dan 30 ha aan de zuidzijde van de weg met een afwijkende verkaveling, een aanwijzing is dat deze weg mogelijk deel uitmaakt van een bekading die ouder is dan de bedijking om de polder Oud-Rozenburg. Aan de 19e-eeuwse kavelvormen is een mogelijk tweede kade te herkennen. Het 'kerngebied' tussen beide kades heeft de juiste omvang om in aanmerking te komen als oudste kern van Rozenburg, later opgenomen in de grotere, en eerste 'echte', polder Oud-Rozenburg. Opvallend is dat de in het gebied aanwezige boerderijen binnen de veronderstelde oudere bekading liggen. De locaties van deze boerderijen vertegenwoordigen mogelijk de ligging van de oudste bewoning/bebouwing. Een van de op de kaart afgebeelde boerderijen bevindt zich ter hoogte van het plangebied. Het is dus heel goed mogelijk dat zich in de bodem ter plekke van het plangebied resten van deze oudste bewoning van Rozenburg bevinden. Van deze periode is slechts summiere informatie uit historische bronnen bekend; de archeologie zou een welkome aanvulling op de bestaande kennis kunnen bieden. In verband hiermee wordt voor dit (project) bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde Archeologie opgenomen. Let wel: overschrijding van de bestemmingsplanmarges resulteert niet automatisch in een onderzoekseis.
De planbeoordeling op maat, uitgevoerd door Archeologie Rotterdam, geeft uiteindelijk de doorslag of een onderzoek op een bepaalde locatie en in het kader van een bepaald bouw- of aanlegplan al dan niet nodig is. Gegevens als bestaande verstoringen, in dit specifieke geval de bouw- en graafwerkzaamheden voor de aanleg van het voormalige zwembad, worden daarbij meegewogen in de plantoets.
38
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg Archeologisch bureauonderzoek Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Conform de regels van de archeologische dubbelbestemming is een archeologische beoordeling nodig bij graafwerkzaamheden groter dan 200 m2 en dieper dan 1,0 meter. De grondroerende werkzaamheden bestaan uit de inrichting van een kleine woonwijk, waarvoor een stedenbouwkundigplan is opgesteld. Naast de heipalen wordt de diepste verstoring veroorzaakt door het graafwerk ten behoeve van de aanleg van de riolering. Het diepste punt van de riolering komt te liggen op ca. 155 - NAP (aansluiting persleiding), bij een mv-hoogte van gemiddeld ca 1 m + NAP. De werkzaamheden overschrijden de toegestane verstoringsmarges van de AWK, echter er zijn bestaande verstoringen in het gebied; het betreft een voormalige zwembadlocatie. Ook blijkt uit historisch kaartmateriaal dat op deze plek geen resten van oudere, archeologisch relevante, bebouwing in de bodem aanwezig zal zijn, de dichtstbijzijnde boerderijlocatie bevindt zich op een afstand van ongeveer 100 meter naar het westen. In verband hiermee wordt een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie niet noodzakelijk geacht.
Conclusie Voor het plangebied geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1,0 meter beneden het maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk voor de realisatie van de woonwijk. De locatie is door de gemeente archeologisch vrijgegeven. Er dient wel altijd rekening gehouden te worden met zogenaamde toevalsvondsten. Hiervan dient men op basis van de Erfgoedwet 2016, art. 5.10 melding te maken bij Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. In de praktijk dient deze melding bij de bevoegde overheid, de gemeente Rotterdam, voor deze Archeologie Rotterdam, ingediend te worden.
4.8
Cultuurhistorie
In het kader van het project 'modernisering monumentenzorg' (MoMo) hebben per 1 januari 2012 enkele wijzigingen in de wet- en regelgeving plaatsgevonden. Voor het bestemmingsplanproces is de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de belangrijkste, namelijk dat gemeenten in hun bestemmingsplannen rekening dienen te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Provinciaal beschermde cultuurhistorische waarden Het plangebied ligt net buiten de molenbiotoop van de cultuurhistorisch waardevolle molen 'De Hoop' welke gesitueerd is op de kruising van de Molenweg en Jan van Goyenstraat. Omdat de molenbiotoop niet tot over het plangebied reikt gelden er geen beperkingen voor de beoogde woningbouw. Gemeentelijk beschermde cultuurhistorische waarden Op basis van de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart kan geconcludeerd worden dat er binnen en/of direct nabij het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
39
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
4.9
Flora en fauna
De Nederlandse natuurbescherming kent twee aspecten, te weten gebieds- en soortbescherming. Gebiedsbescherming Eén van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming wordt sinds 1 januari 2017 gevormd door de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Wanneer in of in de directe nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige gevolgen voor het natuurgebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); die gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies). Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Rotterdam, te weten de kern Rozenburg. Het dichtstbijzijnde gebied dat binnen Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op ruim 2 km afstand ten opzichte van het plangebied te zijn. Het betreft een zéér drukke vaarweg. Door de relatief grote afstand en de ligging in de bebouwde kom, zijn effecten op dit deel van het Natuurnetwerk op voorhand uit te sluiten. Op een afstand van circa 7 km ligt het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied 'Oude Maas'.
Het Natura-2000 gebied 'Oude Maas' is niet gevoelig voor stikstof, vanwege de grote afstand zijn ook overige negatieve effecten als trillingen, geluid en licht uit te sluiten. De stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden 'Solleveld & Kapittelduinen' en 'Voornes Duin' ligt op een afstand van circa 9 en 11 kilometer. Vanwege de grote afstand zijn ook voor deze Natura-2000 gebieden negatieve effecten als gevolg van trillingen, geluid en licht uit te sluiten. Negatieve effecten als gevolg van extra stikstofdepositie is niet op voorhand uit te sluiten, het uitvoeren van een Aerius-berekening is daarom noodzakelijk. De volledige Aeriusrapportage (inclusief berekeningen) is toegevoegd bijlagen 5 t/m 7. Uit deze Aerius-berekening volgt een uitkomst van 0,00 mol/ha/jaar voor zowel bouw- als gebruiksfase, er is geen sprake van een significante stikstofdepositie op de nabij gelegen stikstofgevoelige Natura - 2000 gebieden. Soortenbescherming Ook het aspect ’soortbescherming’ vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen.
Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Op basis van een uitgevoerde Quickscan (bijlage 8) blijkt dat het plangebied en de nabije omgeving mogelijk geschikt leefgebied vormt voor vleermuizen en huismussen. Overige plan- en diersoorten worden met de beoogde ontwikkeling niet negatief beïnvloed. Op basis van aanvullend onderzoek (bijlage 9 & 10) blijkt dat er binnen het plangebied zowel vleermuizen als huismussen voorkomen. Om de beoogde werkzaamheden te kunnen uitvoeren is reeds een ontheffingsaanvraag ingediend bij de provincie Zuid-Holland. Deze ontheffingsaanvraag is ingediend in maart 2022 en zal naar verwachting in 2023 verleend worden. Op basis van het uitgevoerde onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat deze ontheffing niet verleend wordt. Het aspect flora & fauna vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
40
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
4.10
Duurzaamheid en energie
Voorafgaand aan de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan heeft de gemeente de 'Nota van Uitgangspunten, De Zeehond' vastgesteld. Onderdeel van deze Nota van Uitgangspunten (hierna: NvU) zijn de afgesproken duurzaamheidambities. Duurzaamheid is van fundamenteel belang voor de leefbaarheid in Rotterdam: nu en in de toekomst. Bij de ontwikkeling van De Zeehond in Rozenburg is duurzaam bouwen integraal onderdeel van de ontwerpopgave. In de NvU wordt tevens verwezen naar het Rotterdamse Duurzaamheidskompas. In de NvU zijn de volgende duurzaamheidsdoelstelling benoemd: 1. Energietransitie Vanaf 2050 wil de gemeente Rotterdam beschikken over een volledig klimaatneutraal energiesysteem. Bij de vergunningsaanvraag voor de ontwikkeling van de woningen wordt getoetst op basis van de BENG-norm, waar mogelijk wordt bekeken waar de ontwikkeling verder kan gaan dan de BENG-eisen. Zo krijgen de toekomstige bewoners van de initiatiefnemer het aanbod om het aantal zonnepanelen uit te breiden. 2. Circulair bouwen De impact van materialen in de bouwketen in zowel de bebouwde omgevings als de openbare ruimte is groot. Bij de ontwikkelingen binnen het plangebied de volgende uitgangspunten gehanteerd: Om het gebruik van materialen met een lage milieu-impact tijdens de volledige levenscyclus te stimuleren streven we naar een zo laag mogelijke schaduwprijs.
Ambitie hierbij is dat er een verbetering plaatsvindt van 10% ten opzichte van de wettelijke basis. Voor de bouwproducten en afwerkingsmaterialen die aan de binnenzijde van het gebouw zijn toegepast worden gezonde materialen gebruikt. De ontwikkeling maakt gebruik van een materialenpaspoort. Het gebruik van het paspoort draagt bij aan een duurzaam en prettig woninggebruik voor de toekomstige bewoners. 3. Klimaat-bestendige stad Rotterdam is kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering en de gevolgen raken iedereen in de stad. Aan de hand van zes klimaatthema's: extreme neerslag, droogte, hitte, grondwaterfluctuatie, bodemdaling en overstroming werken we aan het minimaliseren van de nadelige (toekomstige) gevolgen van klimaatverandering. Bij de ontwikkelingen binnen het plangebied de volgende uitgangspunten gehanteerd: Tenminste 50mm van al het hemelwater binnen het plangebied dient opgevangen en vastgehouden dient te worden. De ambitie is om bij nieuwbouw minimaal 10% van het te ontwikkelen oppervlak voor groen te reserveren. Daarbij zoveel mogelijk de combinatie zoeken door het oppervlak ook warmtewerend of verkoelend in te richten/bouwen om opwarming van het stedelijk gebied te verminderen. Gestreefd wordt om tenminste 40% van alle oppervlakken warmtewerend of verkoelend in te richten/bouwen.
Denk hierbij aan groene (multifunctionele) daken, groene gevels en zo min mogelijk verhard oppervlak. Bewust ontwerp van gebouwen draagt bij aan het beperken van de koelvraag van de gebouwen. Daarnaast mag koeling in gebouwen niet leiden tot opwarming van de (verblijf)ruimte in directe omgeving. Aanvullend geldt dat ook dieren en planten goed moeten kunnen gedijen in hun omgeving. Zo wordt gebruik gemaakt van beplanting die zowel beschutting biedt aan dieren als voedsel is voor insecten. Waar mogelijk worden in de toekomstige bebouwing nestkasten gerealiseerd waardoor veilige broedplaatsen voor vogels ontstaan. De nieuwe bewoners zullen bovendien geadviseerd worden hun tuin niet volledig te verharden.
(ontwerp)
41
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg 4. Gezonde leefomgeving Intensiever ruimtegebruik brengt hinder, gezondheids- en veiligheidsrisico's met zich mee. Woningbouwplannen worden steeds vaker op milieubelastende locaties gebouwd, dat geldt ook voor voorliggend plangebied in de nabijheid van scheepvaart en snelwegen. Voor een aantrekkelijke, leefbare en gezonde stad is schone lucht en een aangenaam akoestisch klimaat essentieel. Het stimuleren van langzaam verkeer (fiets, voetganger), het beperken van gemotoriseerd verkeer en zoveel mogelijk afstand houden tot de bron is van belang. In paragraaf 4.3 is aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de geluidsbelasting op het plangebied waardoor toch sprake is van een gezond en prettig woon- en leefklimaat.
Afbeelding 8: Duurzaamheidsdoelstellingen Ostadehof (bron: initiatiefnemer)
42
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Algemeen Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn. De parkeerbehoefte wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen (Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022). Verder biedt het gemeentelijk parkeerbeleid in bepaalde situaties mogelijkheid tot vrijstelling van de parkeernormen. Bijvoorbeeld door een gunstige ligging ten opzichte van openbaar vervoer of de inzet van deelmobiliteit. Het gemeentelijk parkeerbeleid schrijft ook fietsparkeernormen voor en de wijze waarop hierin voorzien dient te worden. In het geval van grondgebonden woningen dient het fietsparkeren opgelost te worden in bergingen zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit. Ontsluiting Het plangebied wordt via de Rivierenlaan, Laan van Nieuw Blankenburg en de Tienmorgenseweg uiteindelijk ontsloten op de Droespolderweg. De Tienmorgenseweg (50 km/uur) is een gebiedsontsluitingsweg welke aansluit op de Droespolderweg (80 km/uur). Via de Droespolderweg wordt de kern Rozenburg volledig ontsloten (en aangesloten) op de N15.
Voor een woongebied kan de ontsluiting als hoogwaardig gekwalificeerd worden. Langzaam verkeer Alle wegen direct in en rondom het plangebied zijn 30 km/uur wegen met stoepen voor wandelaars. Fietsverkeer deelt de rijbaan met het gemotoriseerde verkeer. Er zijn geen aparte fietsstroken aanwezig. Openbaar vervoer Qua openbaar vervoer is het plangebied alleen (goed) bereikbaar met bus. Er zijn geen trams, metro's en of treinen met een direct aansluiting op Rozenburg. Via de Ruysdaelstraat en de Laan van Nieuw Blakenburg is het dichtstbijzijnde busstation op circa 650 meter gelegen. Verkeersgeneratie en -afwikkeling Voor de beoogde ontwikkeling wordt de verkeersgeneratie berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig Parkeren). Het plangebied wordt aangemerkt als 'zeer sterk stedelijk en rest bebouwde kom'. Binnen de bandbreedte van het kengetal is het gemiddelde genomen voor het berekenen van de verkeersgeneratie in de bestaande en voorheen aanwezige verkeersgeneratie. In de voorheen aanwezige situatie was er een zwembad met sauna binnen het plangebied aanwezig. De verkeersgeneratie van een openlucht zwembad bedraagt 11,5 verkeerbewegingen per 100 m 2 van het waterbassin. Het zwembad had een omvang van circa 2300 m2, zie paragraaf 4.1. De totale verkeersgeneratie bedroeg in de voorheen aanwezige situatie derhalve 265 verkeerbewegingen.
Voor een 'worst-case' benadering is de potentiële verkeersgeneratie van de sauna niet meegenomen, ook vanwege het ontbreken van verifieerbare gegevens. In de toekomstige situatie worden er binnen het plangebied 44 woningen gerealiseerd. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van 44 geschakelde woningen. De verkeersgeneratie per geschakelde woning bedraagt 6,8 verkeersbewegingen. De totale verkeersgeneratie bedraagt in de toekomstige situatie derhalve 299 verkeersbewegingen. Op basis van deze verschilberekening kan geconcludeerd worden dat sprake is van een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen in de ‘worst-case’ benadering. Wanneer ook de verkeersbewegingen van de sauna meegeteld zouden worden, zal waarschijnlijk sprake zijn van een geringe afname van het aantal verkeersbewegingen. Op voorhand is het dan ook met zekerheid vast te stellen dat de bestaande infrastructuur de toekomstige verkeersgeneratie als gevolg van het plangebied kan opvangen.
(ontwerp)
43
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Parkeren Parkeerbehoefte De parkeernormen van de gemeente Rotterdam zijn gebaseerd op de parkeernormen van de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Voor het plangebied worden de parkeernormen voor zone C (overig gebied) gehanteerd. In het beleid is opgenomen dat de parkeereisen worden berekend in twee cijfers achter de komma en in voorkomende gevallen afgerond op de gebruikelijke wijze, derhalve bij 0,50 of meer naar boven en bij minder dan 0,50 naar beneden. In het gemeentelijk beleid zijn bijzondere vrijstellingen van de parkeernormen mogelijk. Dit is in onderhavige situatie niet van toepassing omdat het plangebied niet in de nabijheid ligt van een specifiek aangewezen hoogwaardig OV-punt. Het plan voorziet in de realisatie van 44 woningen, dit zullen alleen vrije sector koopwoningen zijn. Op basis van de omvang van de woningen (GO) wordt de parkeerbehoefte vastgesteld. Alle 44 woningen hebben een GO groter dan 120 m 2. Op basis van het gemeentelijke parkeerbeleid geldt (in gebied C) in dat geval een parkeernorm van 1,8 per woning. De totale parkeerbehoefte komt daarmee uit op 79,2 parkeerplaatsen. Het noodzakelijk aantal te realiseren parkeerplaatsen is afgerond naar boven (80), zodat er geen halve parkeerbehoefte ontstaat.
Het stedenbouwkundig plan voorziet in de realisatie van 80 parkeerplaatsen, daarmee wordt voldaan aan de parkeereisen van de gemeente Rotterdam. Ten slotte zal voorzien moeten worden in de fietsparkeervraag van de nieuwe bewoners. Binnen de plangrenzen van de ontwikkeling dienen deze fietsparkeerplaatsen gerealiseerd te worden. De fietsparkeereis voor woningen wordt opgelost in de bergingen voorgeschreven in het Bouwbesluit 2012 of, met ingang van het Besluit bouwwerken leefomgeving, in dat besluit. Met behoud van een berging per woning kunnen de benodigde fietsparkeerplaatsen in een gezamenlijke stalling uitgevoerd worden. Op basis van het gemeentelijke beleid gaat het om 5 fietsparkeerplaatsen per woning. Voor bezoekers dient een fietsparkeerplaats aanwezig te zijn loopafstand van de nieuwe woningen. Het plangebied biedt voldoende ruimte om te voorzien in deze fietsparkeerplaatsen.
44
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
4.12
Besluit m.e.r.
De milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. Het besluit bevat bijlagen waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit de C- en D-lijst geldt een m.e.r.-plicht. Bij sommige ontwikkelingen met activiteiten uit de D-lijst is een vormvrije m.e.r.-plicht mogelijk. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D-lijst van het besluit m.e.r. (kolom 1), maar beneden de drempelwaarden in deze lijst ligt (kolom 2) dan is er een vormvrije m.e.r. mogelijk. Er dient bij elke m.e.r.-vorm een aanmeldnotitie te worden opgesteld. In overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit wordt beoordeeld of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan).
Het type en omvang van een ontwikkeling, die relevant zijn in het kader van het Besluit m.e.r., staan beschreven in bijlage C en D, onder de kolom 'drempelwaarde' van het Besluit m.e.r. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven moet een vormvrije m.e.r.-beoordeling in de vorm van een aanmeldnotitie worden opgesteld. De ontwikkeling van maximaal 44 woningen valt onder de activiteit "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen" zoals opgenomen in bijlage D onder D11.2 in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage. Geen van de genoemde drempelwaarden uit kolom 2 wordt overschreden. De gemeente Rotterdam zal, op basis van de m.e.r. aanmeldnotitie in bijlage 11, voorafgaand aan de start van de procedure het besluit nemen dat het uitvoeren van een aanvullende m.e.r. beoordeling niet noodzakelijk is.
(ontwerp)
45
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Inleiding
Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.
5.2
De opzet van de planregels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels In de inleidende regels staan de algemene bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen hanteren. De begripsbepalingen (art. 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden. De wijze van meten (art. 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes etc. Bestemmingsregels De bestemmingen beginnen telkens met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de desbetreffende bestemming is toegekend, mogen worden gebruikt. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door een bepaling waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan (bouwregels). Alle regels die op een bepaalde bestemming van toepassing zijn, worden zoveel mogelijk in de bestemmingsregels zelf geregeld. Op deze wijze wordt bij de digitale versie van het plan bij het aanklikken op adres of bestemmingsvlak zo veel mogelijk informatie gegeven zonder dat er verder doorgeklikt hoeft te worden.
Dit bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Enkelbestemmingen: Groen Verkeer-Verblijfsgebied Wonen Artikel 3 - Groen Binnen de bestemming Groen zijn functies als fiets- en voetpaden, waterlopen, speelvoorzieningen en straatmeubilair toegestaan. De bouwmogelijkheden zijn beperkt; enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden toegestaan. Binnen deze bestemming zijn tevens hellingbanen toegestaan en voorzieningen als straatmeubilair, speeltoestellen en huisvuilcontainers etc.
46
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg Artikel 4 - Verkeer-Verblijfsgebied Alle overige wegen in het plangebied zijn wegen met een 30 km/u-regime en daarmee bestemd voor ‘Verkeer - Verblijfsgebied‘. Het betreft hier zowel wijkontsluitingswegen als verblijfsgebied waarbij aansluiting wordt gezocht met het geldende bestemmingsplan 'Bebouwde Kom Rozenburg'. Binnen de bestemming zijn naast de voor de verkeers/verblijfsfunctie benodigde bouwwerken zoals straatmeubilair, bewegwijzering etc. tevens parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water (waaronder duikers) speelvoorzieningen, terrassen, ondergrondse afvalcontainers. Kleine bouwwerken, alsmede gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen met een beperkt oppervlak zijn binnen deze bestemming toegestaan.
Artikel 5 - Wonen Binnen de bestemming "Wonen" is het mogelijk de nieuwe woonwijk te realiseren. Binnen de bestemming mogen maximaal 44 woningen gebouwd worden. Hoofdgebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak gebouwd worden. Gelet op het gemeentelijk beleid (Kwaliteitsbeleid woningen) moeten de woningen een minimale oppervlakte hebben van 95 m2 GBO per woning. Dit is in de regels als voorwaarde opgenomen. De hoogte van de woningen cq gebouwen is vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan waarbij voor alle woningen dezelfde maxima gelden. Tevens is het mogelijk om bijbehorende voorzieningen te realiseren zoals water, parkeervoorzieningen en groen. Op basis van het akoestische onderzoek is gebleken dat akoestisch maatregelen noodzakelijk zijn. In artikel 5 is derhalve een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee het nemen en in stand houden van deze maatregelen planologisch geborgd wordt.
Dubbelbestemming: Waarde - Archeologie Artikel 6 - Waarde Archeologie De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen om de aanwezige archeologische waarden planologische te beschermen. Op basis van de regeling is een omgevingsvergunning noodzakelijk voor werken, geen bouwwerk zijnde, voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1,0 meter beneden het maaiveld en die tevens een oppervlakte beslaan van meer dan 200 vierkante meter. Deze omgevingsvergunning kan verkregen worden indien op basis van archeologisch bureauonderzoek (uitgevoerd door Archeologie Rotterdam) is aangetoond dat er geen archeologische waarden aangetast worden.
Algemene regels
Artikel 7 - Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Artikel 8 - Algemene bouwregels De algemene bouwregels gelden voor alle bestemmingen en bevatten bepalingen over o.a. de wijze van afdekking van gebouwen.
(ontwerp)
47
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg Artikel 9 - Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is vastgelegd dat een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en het gebruik van gronden en/of bouwwerken alleen is toegestaan indien in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Het betreft een dynamische verwijzing naar het actuele parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam.
Artikel 10 - Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels is vastgelegd onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders (binnenplans) kunnen afwijken van maximale afmetingen zoals afstanden tot perceelgrenzen en hoogtes. De afwijking mag maximaal 10% bedragen ten opzichte van hetgeen is vastgelegd in de regels. Afwijken is alleen toegestaan indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de milieusituatie.
Overgangs- en slotregels In artikel 11 is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatst is artikel 12 opgenomen, de slotbepaling, welke de titel van het plan en de regels bevat.
48
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wro stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het tweede lid van artikel 6.12 Wro is aangegeven dat onder andere van het opstellen van een exploitatieplan kan worden afgezien, wanneer het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins is verzekerd. In de aan de orde zijnde situatie is daarvan sprake. In het kader van de herontwikkeling van het plangebied is eerst met de initiatiefnemer een ontwikkelovereenkomst getekend. Voorts is voor de uitvoering van de vast te stellen ruimtelijke ontwikkeling is een grondexploitatie in voorbereiding, die tegelijk geopend wordt met de vaststelling van het bestemmingsplan. Deze is naar huidige inzichten minimaal sluitend. Hieruit blijkt dat de uitvoering van het beoogde plan haalbaar is en dat geen exploitatieplan hoeft te worden vastgesteld. De gemeente Rotterdam vervult voorts enkel een kaderstellende en toetsende rol.
Gelet op het vorenstaande is het plan financieel uitvoerbaar Planschade Een belanghebbende kan, na een besluit tot vaststellen van een bestemmingsplan, een verzoek indienen om een tegemoetkoming in de schade, indien die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in artikel 6.1 tweede lid van de Wro genoemde oorzaak (artikel 6.1 van de Wro). Op basis van een uitgevoerde planschaderisicoanalyse kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet zal leiden tot een vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak. Het is niet aannemelijk dat een verzoek tot planschade toegewezen zal worden. Het aspect planschade heeft geen invloed op de economische uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
(ontwerp)
49
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Omgevingsdialoog
De omwonenden en overige belanghebbenden zullen middels een informatiebrief uitgenodigd worden voor een informatieavond. Op deze avond worden de plannen gepresenteerd, rekening houdend met de vastgestelde Nota van Uitgangspunten (NvU) voor de ontwikkeling.
6.2.2
Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro
Op grond van artikel 3.1.1. Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De gemeente Rotterdam heeft het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan alle relevante vooroverleg partners. De volgende volgens instanties hebben gereageerd op het toegezonden voorontwerpbestemmingsplan: 1. Rijkswaterstaat; 2. Waterschap Hollandse Delta; 3. De Gasunie; 4. Evides; 5. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond; Van de genoemde instanties hebben alleen Rijkswaterstaat en de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond een inhoudelijke reactie gegeven. De overige instanties hebben aangegeven geen bezwaar dan wel opmerkingen te hebben betreffende het toegestuurde voorontwerp. Rijkswaterstaat Rijkwaterstaat constateert dat er nog geen akoestisch onderzoek is toegevoegd aan het voorontwerpbestemmingsplan. Het plangebied ligt binnen de geluidscontour van de A15, voorkomen moet worden dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een belemmering vormen voor het gebruik van de A15. Reactie gemeente Rotterdam: Het akoestisch onderzoek (bijlage 3) is inmiddels afgerond en toegevoegd aan het ontwerpbestemmingsplan.
Uit dit onderzoek blijkt dat er geen belemmering bestaat voor enerzijds de nieuwe woningen en anderzijds het gebruik van de A15. De belangen van Rijkswaterstaat zijn met de beoogde vaststelling van voorliggend bestemmingsplan niet in het geding.
50
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond De VRR geeft aan zich nog niet te kunnen vinden in conclusie van paragraaf 4.5 (externe veiligheid). Derhalve adviseert de VRR de volgende maatregelen: 1. Omgevingsmaatregelen a. De VRR adviseert rondom de te realiseren woningen zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde ‘Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR’ biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. 2. Bouwkundige maatregelen a. Realiseer bij de ontwikkeling van zeer kwetsbare bestemmingen binnen de 1% letaliteitscontour (230 meter vanuit het hart van de weg) van de A15 en spoor (330 meter vanuit het hart van het spoor) zodanig dat deze beschermd zijn tegen brandoverslag als gevolg van een BLEVE. Hierbij kan voor de gevels en daken gericht naar de weg gedacht worden aan blinde gevels of het beperken van het glasoppervlak. De gevels, daken en/of glasoppervlakken die gericht zijn naar de weg, behoren bestand te zijn tegen een warmtestralingsflux >25 kW/m2. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient bij de brandpreventieve toets rekening te worden gehouden met de effecten van een BLEVE op de gevel/het dak. b.
Zorg dat de (nood)uitgang(en) van de woningen zodanig worden gesitueerd dat aanwezigen veilig in tegengestelde richting van een mogelijk incident op de A15 en spoor kunnen vluchten, waardoor de zelfredzaamheid van aanwezigen wordt verbeterd en het aantal slachtoffers kan worden beperkt. Een nooduitgang aan de noordkant van het woningen, richting Rivierenlaan is hier geschikt voor. 3. Installatietechnische maatregelen a. Construeer het gebouw zodanig dat bij een toxische wolk de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van aanwezigen verbeterd worden (conform 2.10 van de Regeling Bouwbesluit 2012). Als deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar zijn en het luchtverversingssysteem uitgeschakeld kan worden is een gebouw geschikt om enkele uren in te schuilen. 4. Organisatorische maatregelen a. Stel het doen van een KLIC-melding in geval van werkzaamheden aan of rondom het object verplicht. De kans op een incident met een buisleiding hangt namelijk in sterke mate samen met graafwerkzaamheden in de nabijheid van de leiding. Als de ongestoorde ligging van de hogedruk aardgastransportleiding gegarandeerd kan worden, leidt dit tot een grote afname van de kans op een incident. b. Draag zorg voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand”.
Bij het sluiten van een huur-/koopcontract kunnen bewoners op de (externe) veiligheidsrisico’s gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. Op de website www.rijnmondveilig.nl vindt u meer informatie over wat te doen in geval van een incident. Reactie gemeente Rotterdam: De gemeente Rotterdam dankt de veiligheidsregio voor haar advies. De paragraaf externe veiligheid is aangevuld met een kwalitatieve onderbouwing ten aanzien van het groepsrisico. De overige adviezen van de veiligheidsregio hebben feitelijk betrekking op de fase omgevingsvergunning en niet zozeer op het bestemmingsplan. De adviezen van de veiligheidsregio zullen bij de verdere ontwikkeling van de woonwijk betrokken worden.
(ontwerp)
51
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg 6.2.3
Zienswijzen
Op grond van het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening en de Algemene wet bestuursrecht is het college bevoegd om de formele bestemmingsplanprocedure te starten door het ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen en éénieder de gelegenheid te geven daarover zienswijzen in te dienen. Na het besluit van het college zal het ontwerpbestemmingsplan gedurende een periode van 6 weken ter inzage worden gelegd. Binnen deze termijn kunnen zoals gezegd door éénieder zienswijzen worden ingediend. Ingediende zienswijzen zullen vervolgens van een beantwoording worden voorzien. De (eventueel) ingediende zienswijzen zullen worden samengevat en voorzien van een antwoord in de Nota Zienswijzen. In de Nota Zienswijzen wordt tevens toegelicht waarom een ingediende zienswijze wel/niet tot aanpassing van het plan heeft geleid. De Nota Zienswijzen zal als bijlage aan de toelichting van het vastgestelde bestemmingsplan worden toegevoegd.
52
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
(ontwerp)
53
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlagen bij toelichting
54
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 1
(ontwerp)
Nota van Uitgangspunten
55
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 2
56
Geuronderzoek
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 3
(ontwerp)
Akoestisch onderzoek
57
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 4
58
Verkennend bodemonderzoek
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 5
(ontwerp)
Aerius berekening
59
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 6
60
Aerius bijlage (realisatiefase)
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 7
(ontwerp)
Aerius bijlage (gebruiksfase)
61
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 8
62
Quickscan flora en fauna
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 9
(ontwerp)
Aanvullend ecologisch onderzoek - De Huismus
63
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 10
64
Aanvullend ecologisch onderzoek - De Vleermuis
(ontwerp)
Ontwerpbestemmingsplan Ostadehof te Rozenburg
Bijlage 11
(ontwerp)
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.