CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb004630] Bijlage 8 behorende bij 24bb005959 over aanmeldingsnotitie m.e.r. -beoordeling Pols-Noord

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 18 september 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen29.525 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Relevant voor toetsing van de externe veiligheidsrisico's ter plaatse van objecten waar mensen aanwezig zijn, zijn onder andere de begrippen plaatsgebonden risico en het aandachtsgebied. Deze zijn als volgt gedefinieerd: ^

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit.

pEUTZ ^

Aandachtsgebied en groepsrisico (GR)

Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Voor beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een brandaandachtsgebied, een explosieaandachtsgebied en een gifwolkaandachtsgebied rekening gehouden met het groepsrisico, ofwel de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit.

Beoordeling Het voornemen omvat onder andere de realisatie van woningen, welke conform wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid als kwetsbare objecten (zoals woningen) kunnen worden gedefinieerd. Alsmede is sprake van de realisatie van beperkt kwetsbare objecten (zoals commerciële functies). Na de beoogde ontwikkeling is ten opzichte van de huidige situatie sprake van een verandering van de hoeveelheid aanwezige personen ter plaatse van het plangebied, alsmede verandert de positie alwaar de personen zich bevinden. Er is geen sprake van het ontplooien van risicovolle milieubelastende activiteiten als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Vanwege de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten dienen risicovolle activiteiten in de nabije omgeving van het plangebied te worden geïnventariseerd. Beoordeeld moet worden of de

beoogde ontwikkeling

mogelijk van

invloed

is

op

de

externe

veiligheidsrisico's. In het kader van de externe veiligheid is in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen gesitueerd. Op korte afstand (circa binnen 1,5 km) van het plangebied bevinden zich de volgende risicobronnen (zie F 18) die om aandacht vragen: 1.

Transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas

2.

Opslag gevaarlijke stoffen Provimi B.V.

3.

Opslag gevaarlijke stoffen Rhoonse Recycling & Service BV

4.

Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor

5.

Transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen

6.

LPG-tankstation aan de Korte Stadionweg 111

7.

Opslag gevaarlijke stoffen Hunter Douglas Europe B.V.

HD 8751-2-RA-004 64

F 18 Uitsnede risicokaart

Uit de ev-signaleringskaart/risicokaart volgt dat er in de nabije omgeving van het plangebied geen verdere risicobronnen - die om een nadere beschouwing vragen - zijn gelegen. 1. Transport van gevaarlijke stoffen over het water

Ten noorden van de beoogde ontwikkeling is de waterweg de Nieuwe Maas gelegen. Het dichtstbijzijnde punt van de beoogde bebouwing is op circa 440 meter van de oever van de Nieuwe Maas gelegen. Deze waterweg valt onder de werkingssfeer van het Basisnet. Deze waterweg behoort tot de binnenvaartroute 'Corridor Rotterdam - Duitsland'. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn hiervoor vaste afstanden aangegeven voor het brand- en explosieaandachtsgebied. De beoogde ontwikkeling bevindt zich niet binnen een brand- of explosieaandachtsgebied (van respectievelijk 30 en 200 meter) van De Nieuwe Maas. Daarnaast is geen sprake van de realisatie van bebouwing op korte afstand van de oever. Voor het bestemmingsplan 'Katendrecht' is bovendien nader onderzoek uitgevoerd naar externe veiligheid. Dit onderzoek is als bijlage opgenomen bij de toelichting van het voornoemde

bestemmingsplan.

Hierin

wordt

eveneens

geconcludeerd

dat

het

groepsrisico kleiner is dan 0,001 (0,^) maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met het bestemmingsplan 'Katendrecht' zijn van geringe invloed op het groepsrisico. Binnen Katendrecht zijn daarbij ontwikkelingen meegenomen die op kortere afstand van de oever van de Nieuwe Maas zijn gelegen dan de

HD 8751-2-RA-004 65

pEUTZ ontwikkelingen binnen Pols-Noord. Hiermee zullen ook deze ontwikkelingen niet tot nauwelijks van invloed zijn op het groepsrisico. 2. Opslag gevaarlijke stoffen Provimi B.V.

Aan de Veerlaan 17 bevindt zich, op een afstand van circa 385 meter van het plangebied het bedrijf Provimi B.V. Dit betreft een mengvoederbedrijf. Ter plaatse van dit bedrijf is sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen. De beoogde ontwikkeling is echter buiten het aandachtsgebied van dit bedrijf gelegen3. Gezien de ruime afstand tot het plangebied vormen deze milieubelastende activiteiten daarom geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 3. Opslag gevaarlijke stoffen Rhoonse Recycling & Service BV

Aan de Doklaan 22 bevindt zich, op een afstand van circa 1,2 kilometer van het plangebied het bedrijf Rhoonse Recycling & Service BV. Dit betreft een afvalverwerkingsbedrijf. Ter plaatse van dit bedrijf is sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen. De beoogde ontwikkeling is echter buiten het aandachtsgebied van dit bedrijf gelegen3. Gezien de ruime afstand tot het plangebied vormen deze milieubelastende activiteiten daarom geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4. Transport van gevaarlijke stoffen over het spoor

Ten oosten van het plangebied is een spoortraject gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit betreft het spoortraject Rotterdam Lombardijen Rotterdam CS. Het plangebied is op circa 860 meter van dit spoortraject gelegen. Dit spoor valt onder de werkingssfeer van het Basisnet. Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar is op 1 meter gelegen en is hiermee aldus niet over het plangebied gelegen. Ook is geen sprake van een ligging binnen het brand- of explosieveaandachstgebied (van respectievelijk 30 en 200 meter) van deze spoorlijn. Een nadere kwantitatieve risicoanalyse (QRA) is hiermee niet benodigd. 5. Transport van gevaarlijke stoffen via hogedrukaardgasbuisleidingen

Ten oosten van de beoogde ontwikkeling bevindt zich een hogedrukaardgasbuisleiding. De beoogde ontwikkeling is echter niet in het aandachtsgebied van deze leiding (van maximaal 140 meter) gesitueerd. De meest nabijgelegen aardgasbuisleiding bevindt zich op circa 1,2 kilometer afstand van het plangebied. De betreffende buisleiding vraagt daarom niet om een nadere beschouwing en levert geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. 6. LPG-tankstation aan de Korte Stadionweg

Conform de risicokaart bevindt zich aan de Korte Stadionweg 111 te Rotterdam een LPG-tankstation.

Een

LPG-tankstation

kent

een

aandachtsgebied van

160 meter.

3 Vooralsnog zijn de aandachtsgebieden rond milieubelastende activiteiten niet vastgelegd in het omgevingsplan van gemeente Rotterdam. Op basis van openbaar beschikbare informatie kan echter wel geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling zich niet binnen het invloedsgebied (wat voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aan de orde was) van deze activiteiten bevindt.

HD 8751-2-RA-004 66

pEUTZ Aangezien de beoogde ontwikkeling op een afstand van circa 1,6 kilometer is gelegen vormt dit dan ook geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 7. Opslag gevaarlijke stoffen Hunter Douglas Europe B.V.

Aan de Piekstraat 2 bevindt zich, op een afstand van circa 1,4 kilometer van het plangebied, het bedrijf Hunter Douglas Europe B.V. Dit betreft een fabrikant. Ter plaatse van dit bedrijf is sprake van de opslag van gevaarlijke stoffen. De beoogde ontwikkeling is echter buiten het aandachtsgebied van dit bedrijf gelegen3. Gezien de ruime afstand tot het plangebied vormen deze milieubelastende activiteiten daarom geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Ligging in aandachtsgebied

Wel is de beoogde ontwikkeling, vanwege het transport van toxische stoffen - ondanks dat de beoogde ontwikkeling op een grote afstand van het spoor is gelegen - naar verwachting binnen het aandachtsgebied van het spoor gesitueerd. Dit transport zal geen belemmeringen vormen voor de beoogde ontwikkeling. In voorliggende situatie dient echter vanwege de ligging in het aandachtsgebied wel rekening gehouden te worden met het groepsrisico. Hierbij dient ingeval van een ramp of calamiteit aandacht besteed te worden aan: -

het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan;

-

de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen; en

-

de geneeskundige hulpverlening.

Hieronder wordt dit kort nader toegelicht. Verantwoording groepsrisico

In de voorliggende situatie is het maatgevende ongevalsscenario het voorkomen van een giftige

wolk.

De

mogelijke

maatregelen

teneinde

de

zelfredzaamheid

en

de

beheersbaarheid te bevorderen zullen zich dan ook voornamelijk op dit scenario moeten richten. In het geval van een toxische wolk zijn personen binnen het best beschermd. Hierbij zijn de luchtdichtheid van het gebouw, de mogelijkheid tot het uitschakelen van de ventilatie en het sluiten van deuren en ramen van belang. Wat betreft de toxische wolk zijn daarbij aldus

relatief

eenvoudige

maatregelen

mogelijk,

zoals

centraal

en

eenvoudig

uitschakelbare en afsluitbare ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties. Hiermee zal bij de uitwerking van de afzonderlijke plannen rekening gehouden moeten worden. Bovendien betreft de beoogde ontwikkeling naar verwachting in hoofdzaak zelfredzame personen. Hiermee wordt ook aangenomen dat er in zeer beperkte mate personen met een lichamelijke of geestelijke beperking binnen het plangebied aanwezig zullen zijn.

Zodoende zal er geen sprake zijn van een hoge concentratie van 'verminderd zelfredzame' personen. De personen die aanwezig zijn kunnen zichzelf zelfstandig in veiligheid brengen ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. Bij de ontwikkeling van het Codrico terrein wordt het echter mogelijk gemaakt om een HD 8751-2-RA-004 67

pEUTZ kinderopvang te realiseren. Minder zelfredzame personen (zoals kinderen) kunnen ingeval van een ramp worden geholpen door zelfredzame volwassenen. Het plangebied is bovendien via diverse routes goed bereikbaar per weg en via het water voor hulpdiensten. Tevens zal de toekomstige bevolking goed geïnformeerd worden over hoe te handelen bij een calamiteit. Er zal een adequaat ontruimings- en alarmeringsplan opgesteld worden. Uiteraard zal de beoogde ontwikkeling worden voorzien van een goed functionerend alarmeringssysteem, en zullen duidelijke vluchtroutes aanwezig zijn. In het kader van de planologische procedures voor de ontwikkelingen binnen Pols-Noord worden de plannen, indien benodigd en relevant, voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam - Rijnmond (VRR). Zo zijn de plannen voor de herontwikkeling van het Codrico terrein bijvoorbeeld ter advies voorgelegd. Met de adviezen die hieruit naar voren komen zal rekening gehouden worden bij de planvorming van de afzonderlijke ontwikkelingen. Zo is in het kader van de herontwikkeling van het Codrico terrein geadviseerd

om

zorg

te

dragen

voor

toereikende

bereikbaarheid

en

bluswatervoorzieningen zodat de hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen

optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Bij de verdere uitwerking van de diverse plannen binnen Pols-Noord zal dit dan ook worden meegenomen. Het is immers van groot belang dat sprake is van een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten, en dat er ook voldoende middelen zijn voor de hulpdiensten om te kunnen acteren. Ingeval er nieuwe energiebronnen worden ontwikkeld zal de VRR hierin worden meegenomen. Dit omdat hier veiligheidsrisico's aan verbonden kunnen zijn, zoals risico's rond elektrisch laden, waterstof en grootschalig gebruik van zonnepanelen al dan niet in combinatie met energieopslagsystemen (EOS). Indien aan de orde zal ook in overleg getreden worden met de Brandpreventie Commissie van de gemeente Rotterdam over de (basis)principes van het brandveiligheidsconcept van de afzonderlijke ontwikkelingen. Het is van groot belang dat veiligheid verankerd wordt in de plannen, en dat veiligheid zo optimaal mogelijk wordt geborgd in de uitwerking van de diverse ontwikkelingen binnen het gebied.

Conclusie In de nabije omgeving is geen sprake van risicobronnen die - in het kader van externe veiligheid - om een nadere kwantitatieve beschouwing vragen. Dit betekent dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. Bovendien gaat de beoogde ontwikkeling niet gepaard met het ontplooien van risicovolle milieubelastende activiteiten. Hiermee is geen sprake van negatieve effecten op het milieu wat externe veiligheid betreft. Bovendien is/wordt veiligheid verankerd in de uitwerking van de diverse ontwikkelingen binnen het gebied. Een veilige woon- en leefomgeving is immers van groot belang. HD 8751-2-RA-004 68

pEUTZ 5.7.2 Sociale veiligheid

Algemeen De beoogde ontwikkeling behelst de herontwikkeling van Pols-Noord. Hiermee wordt ook de openbare ruimte herontwikkeld. Bij een zorgvuldige inrichting van het terrein speelt sociale veiligheid tevens een belangrijke rol. In voorliggende paragraaf wordt dit aspect nader toegelicht.

Wettelijk kader Er bestaat geen wet- en regelgeving wat sociale veiligheid betreft. Dit neemt niet weg dat de impact op dit aspect niet meegenomen dient te worden bij de beoordeling van de effecten op het milieu. Een sociaal veilige inrichting van de openbare ruimte kan een bijdrage leveren aan een prettig woon- en leefklimaat. Hierbij is onder andere de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de openbare ruimte van groot belang.

Beoordeling In de referentiesituatie is sprake van diverse bedrijvigheid ter plaatse van het plangebied, waaronder de bedrijvigheid binnen de zogeheten Yamahastrook en het fabrieksterrein van Codrico. Bovendien is sprake van reeds in aanbouw zijnde ontwikkelingen. Het gehele gebied Pols-Noord kent een industriële uitstraling, en kenmerkt zich niet als een aantrekkelijk gebied om (ook buiten werktijden) te verblijven. Gedeeltelijk betreft dit immers een voormalig haven- en industrieterrein. Deels is daarbij ook sprake van verouderde bedrijfsbebouwing, zoals voor de Yamahastrook het geval is. De straten in en rondom het plangebied zijn onaantrekkelijk ingericht om te verblijven. De Rijnhaven Zuidzijde is bijvoorbeeld zeer anoniem. Er is weinig zicht op deze straat vanaf het openbaar gebied. Ook is deze straat niet goed verlicht. Dit gebied wordt dan ook niet tot nauwelijks gebruik voor recreatieve functies. De locaties waar The View I en II worden gesitueerd zijn reeds geruime tijd bouwlocaties. In het verleden was het bijvoorbeeld voor de locatie van The View I het plan om hier het European China Centre te realiseren. Na de realisatie van de ondergrondse parkeergarage is deze ontwikkeling echter stil komen te liggen. Hiermee zijn dit op dit moment geen aantrekkelijke locaties om te verblijven.

Bij de herinrichting van het plangebied zal zorg gedragen worden voor de realisatie van een aantrekkelijke en veilige leefomgeving. De openbare ruimte zal groen worden ingericht, waardoor de openbare ruimte juist bewoners en omwonenden stimuleert om buiten te verblijven. Groen wordt geïntegreerd binnen Pols-Noord door onder andere groene geveltuintjes, groene daken en straatmeubilair. Hiermee oogt het plangebied al veel aantrekkelijker dan in de huidige situatie. Het plangebied wordt bovendien voor openbaar toegankelijk. Dit zal dan ook de sociale veiligheid ten goede komen. Ook zullen donkere en onveilig aanvoelende plekken - o.a. door gebruik van verlichting - worden voorkomen.

HD 8751-2-RA-004 69

pEUTZ De mix aan functies zal de levendigheid van het gebied bevorderen, waardoor geen sprake zal zijn van stille onaangename plekken. Binnen het plangebied zal spreiding en afwisseling zijn aan verblijfsmogelijkheden. Daarnaast moedigen de maatschappelijke of commerciële voorzieningen, en het straatmeubilair interactie tussen bewoners en omwonden aan. Rekening zal worden gehouden met de zichtbaarheid en toegankelijkheid van de openbare ruimte. De openbare ruimte zal overzichtelijk worden vormgegeven door duidelijk routes binnen het plangebied. Dit alles draagt bij aan een sociaal veilige omgeving, waar ook kwetsbare personen naar buiten durven. Bovendien zal zorggedragen worden voor goed beheer, zodat een aantrekkelijke en kwalitatief goede omgeving ook wordt gewaarborgd.

Conclusie Bij de beoogde herontwikkeling zal rekening gehouden worden met het aspect sociale veiligheid. Ten opzichte van de referentiesituatie is sprake van een verbetering van de openbare ruimte wat sociale veiligheid betreft. Een gebied met een industrieel karakter wordt immers herontwikkeld tot aantrekkelijk gemengd woon- en leefgebied. 5.8 Ruimtelijke kwaliteit

5.8.1 Landschappelijke waarden

Algemeen De beoogde ontwikkeling is van invloed op de landschappelijke waarden ter plaatse van het plangebied en diens omgeving. Een voormalig havern/industrieterrein wordt immers getransformeerd tot woon- en werkgebied. In voorliggende paragraaf wordt de impact op de omgeving nader beschouwd.

Wettelijk kader Er bestaat geen landelijke wet- of regelgeving ter bescherming van landschappelijke waarden. Wel kunnen gemeenten beleid opstellen aangaande het landschap. Gemeente Rotterdam kent geen separate landschapsvisie. De gemeentelijke omgevingsvisie betreft echter een integrale visie voor de gehele gemeente, waar ook het landschap bij betrokken wordt. Daarnaast vraagt dit aspect in het kader van een goed woon- en leefklimaat om aandacht.

Beoordeling Het

plangebied

kent

in

de

huidige

situatie

geen

waardevolle

aardkundige of

landschappelijke waarden. Sprake is van een vrijwel volledig verhard terrein. Aan het plangebied zijn geen aardkundige waarden toegekend conform de Atlas van de Leefomgeving.

HD 8751-2-RA-004 70

pEUTZ į

**** ****

—

-

ŕ \\\ -4 \

v

\

M AMâhü'XJtf *rMr0«voi

iron: Interproutncujl

iŵOx 2022

(l) UitktbjjkMrt

'V Mŕ"*’*’

Mttfttfå

\

\

ì

Kj*rt vrrwfdfTrn

.4» KddftUéf

F 19 Uitsnede Atlas van de Leefomgeving aardkundige waarden

Conform de Atlas van de Leefomgeving is het plangebied aangewezen als het landschapstype 'kwelders' of 'kreken en prielen'. De kwaliteiten van dit landschapstype zijn echter in de huidige situatie niet terug te vinden binnen het plangebied. Deze kwaliteiten kunnen dan ook niet worden verstoord. Door de beoogde ontwikkeling zal sprake zijn van een kwaliteitsimpuls ten opzichte van de huidige situatie. Hieronder wordt dat nader toegelicht.

F 20 Uitsnede Atlas van de Leefomgeving landschapstypes

Er wordt naar gestreefd om van het gebied veel meer te maken dan enkel een ruimte waar doorheen gewandeld wordt. Het wordt een locatie met een grote diversiteit aan gebruiksmogelijkheden, zoals wonen en werken. Binnen de herontwikkeling van PolsNoord bouwt het landschap verder op de bestaande kwaliteiten van het gebied. De havengebouwensembles zijn beeldbepalend voor het gebied. De bestaande kwaliteiten zullen terugkomen in de toekomstige situatie. Hierbij worden onder andere groen en fraaie publieke ruimte gerealiseerd, waarbij gezocht wordt naar een directe link met het karakteristieke verleden. De monumentale bebouwing, ter plaatse van het Codrico terrein en Santos, wordt onder andere in haar waarde gelaten. Bij de uitwerking van de nieuwbouw wordt ook specifiek rekening gehouden met het aansluiten op de monumentale bebouwing. Het plangebied wordt een ruimte voor iedereen. Hier zal bij de verdere uitwerking van Pols-Noord rekening mee worden gehouden, waarbij ook aandacht uitgaat naar de samenhang in beeldkwaliteit. De beoogde ontwikkeling dient immers wel te passen binnen het karakter van het gebied, alsook aan te sluiten op de overige bebouwing. Klimaatadaptatie, groen en biodiversiteit zijn belangrijke punten die in het ontwerp van de HD 8751-2-RA-004 71

pEUTZ plannen, en de omliggende buitenruimte, meegenomen zullen worden. Nieuwbouw biedt daarbij mogelijkheden om meer ruimte in te richten voor bijvoorbeeld groen en biodiversiteit.

Conclusie De beoogde ontwikkeling betreft een transformatie van een havenVfabrieksterrein, zonder waardevolle landschappelijke waarden, naar een gemengd woon- en leefgebied. Hierbij zal een aantrekkelijk gebied worden gerealiseerd, en waarmee sprake is van een kwaliteitsimpuls ten opzichte van de huidige situatie. Er is hiermee dan ook geen sprake van negatieve effecten ten aanzien van landschappelijke waarden. 5.8.2 Cultuurhistorische waarden

Algemeen Deels kent de huidige bebouwing ter plaatse van het plangebied een monumentale status. Dit betreft met name delen van het fabrieksterrein van Codrico en het pakhuis Santos. In voorliggende paragraaf wordt de impact van het plan op dit aspect nader toegelicht.

Wettelijk kader De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming van cultuurhistorie en archeologie geldt de Omgevingswet, Erfgoedwet (2016) en Verordening van de gemeenteraad

van

de

gemeente

Rotterdam

houdende

regels

omtrent

erfgoed

(Erfgoedverordening Rotterdam 2020). Binnen de ruimtelijke ordening wordt cultuurhistorie over het algemeen geassocieerd met de gebouwde omgeving, zoals monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten, maar ook met archeologische waarden. De bescherming van cultuurhistorische elementen werd voorheen bepaald in de Monumentenwet 1988, welke in juli 2016 is komen te vervallen. Een belangrijk deel van de onderwerpen is overgegaan naar de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden en beschermen van historische elementen voor latere generaties. De duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. De omgang met het cultureel erfgoed in onze leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet. Het gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie, of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is onder andere vastgelegd in de Verordening van de gemeenteraad

van

de

gemeente

Rotterdam

houdende

regels

omtrent

erfgoed

(Erfgoedverordening Rotterdam 2020). Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als vanbinnen. Voor een Rijksmonument geldt dat het object ten HD 8751-2-RA-004 72

pEUTZ minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. In voorliggende situatie is daarbij sprake van bebouwing met een rijksmonumentale status.

Beoordeling In de huidige situatie is ter plaatse van het plangebied sprake van bebouwing met cultuurhistorische waarde. Dit betreft delen van de fabrieksbebouwing van Codrico en het pakhuis Santos. De overige bebouwing kent geen verdere cultuurhistorische waarde. Onderstaand wordt derhalve uitsluitend ingegaan op de voornoemde deelontwikkelingen.

Codrico terrein

Voor de meelfabriek CO-OP, vandaag de dag in gebruik door graanverwerker Codrico, is daarom een bouw- en cultuurhistorische analyse opgesteld. Dit rapport is tevens opgenomen als bijlage 3 bij het ontwerpbestemmingsplan. Daaruit volgt dat het complex in 1952 werd opgeleverd naar een ontwerp van architect J.J.M. Vegter (1906-1982) en in 1966 uitgebreid met een silogebouw. Sinds 2014 hebben de oorspronkelijke delen van het complex de status van rijksmonument. In figuur 10 worden de diverse onderdelen van de monumentale bebouwing aangeduid, waarbij met blauw en groen de onderdelen worden aangegeven die van monumentale waarde zijn.

1) Graansilo 2) Ruwe tarwesllo 3) Hoofdgebouw (reiniging, malerij, bloemsllo) 4) Zakgoedmagazljn 5) Personeelopbouw 6) Dakopbouw (2x) 7) Transformatorhuls/entree

F 21 Overzicht monumentale onderdelen huidige bebouwing

De meelfabriek CO-OP van Jo Vegter is onmiskenbaar een zeer bijzonder gebouw dat vrijwel op alle beoordelingscriteria hoog scoort. Ondanks de gebrekkige staat van onderhoud waarin het zich vandaag de dag bevindt, is het een gaaf, zeldzaam en een goed HD 8751-2-RA-004 73

pEUTZ bewaard

voorbeeld

van

een

fabrieksgebouw

uit

de

wederopbouwperiode

met

uitzonderlijke architectonische kwaliteit. Deze kwaliteit schuilt met name in de zorgvuldige, samenhangende compositie van de verschillende bouwdelen van de fabriek waarin steeds afzonderlijke onderdelen van

het

meelproductieproces zijn

ondergebracht.

Deze

'assemblage' van gebouwdelen wordt nog eens benadrukt doordat Vegter voor ieder volume een ander architectonisch gevelontwerp toepaste. Dit principe paste hij eveneens toe bij het nieuwe silogebouw. Het complex vormt daarnaast een sleutelwerk binnen het oeuvre van de architect. Ook op stedenbouwkundig vlak is de fabriek in meerdere opzichten van hoge monumentwaarde. Door de bewuste bekroning van het complex middels een motorhuis en een elevatorhuis op de twee silogebouwen en de drielaagse personeelsopbouw op het magazijn vormt het een baken in de omgeving. Ten slotte is het gebouw van cultuurhistorisch belang vanwege zijn gebruik én bijzondere opdrachtgever de CO-OP -en daarmee van hoge waarde. De

beoogde

ontwikkeling

behelst

onder

andere

de

herontwikkeling

van

het

fabrieksterrein. De monumentale bebouwing zal gehandhaafd blijven. In de opgestelde cultuurhistorische verkenning is tevens beschouwd wat de mogelijkheden zijn voor de transformatie van deze monumentale bebouwing. Hieruit volgen diverse aanbevelingen waar bij de verdere planuitwerking rekening mee gehouden zal worden. Gestreefd wordt om de cultuurhistorische waarden te behouden, en indien mogelijk te versterken door de beoogde ontwikkeling. De verdere uitwerking zal in nauw overleg met de diverse betrokken partijen, waaronder de gemeente en de architect, tot stand komen. Hiermee worden de cultuurhistorische waarden behouden. Santos

Pakhuis Santos is een voorbeeld van pakhuisarchitectuur uit het prille begin van de 20e eeuw toen de Rotterdamse haven volop in opbouw en ontwikkeling was. De rijk uitgewerkte gevels in combinatie met technologisch vooruitstrevende draagstructuur, de heldere hoofdvorm met functionele plattegronden en het eerlijke en kale gebruik van materialen zijn bovendien nog grotendeels aanwezig in het huidige gebouw. Pakhuis Santos is daarmee van algemeen belang wegens zijn cultuurhistorische waarde. In voorliggende situatie is het dan ook van belang dat deze cultuurhistorische waarde zoveel mogelijk geborgd, en indien mogelijk, versterkt wordt. Bij de transformatie van het pakhuis zullen de cultuurhistorische waarden gerespecteerd worden. Door, onder andere, het behoud van de historische gevel en verscheidene elementen van het mouthuis ontstaat op een unieke manier een harmonie tussen oud en nieuw. Er wordt gekozen voor een duidelijk afleesbaar onderscheid tussen oud en nieuw, tussen de geschiedenis en de nieuwe ingrepen en aanpassingen. De aanpak voor het bestaande gebouw gaat uit van maximaal behoud van de nog aanwezige monumentale onderdelen in in- en exterieur, en, waar nodig, het opnieuw zichtbaar maken daarvan. Dit houdt in principe in behoud (en waar nodig bouwtechnisch herstel) van alle nog aanwezige historische onderdelen).

HD 8751-2-RA-004 74

pEUTZ Conclusie De beoogde ontwikkeling ziet toe op de herontwikkeling van Pols-Noord. In de huidige situatie is hier sprake van een aantal gebouwen met een rijksmonumentale status. Dit betreft bebouwing ter plaatse van het Codrico terrein, alsmede het pakhuis Santos. Deze bebouwing zal

gehandhaafd

blijven, en

met zorg worden

meegenomen in de

transformatie van het gehele gebied. Hiermee worden negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden voorkomen. 5.8.3 Archeologische waarden

Algemeen De gronden ter plaatse van het plangebied en diens omgeving kennen conform de vigerende bestemmingsplannen archeologische verwachtingswaarden. In voorliggende paragraaf wordt de impact van het plan op dit aspect nader toegelicht.

Wettelijk kader Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het Rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam

bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een

vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld.

Beoordeling Het

plangebied

maakt deel

uit van een archeologisch

kansrijk gebied. Op de

Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam (2005) wordt aan het gebied een redelijk tot hoge archeologische verwachtingswaarde toegekend (categorie 3.2). In figuur 14 wordt een uitsnede van de Archeologische waarden- en beleidskaart weergeven.

HD 8751-2-RA-004 75

Aangezien ten gevolge van de beoogde ontwikkeling mogelijk een verstoring van de archeologische waarden optreedt, geldt een vergunningplicht waarbij een archeologisch rapport dient te worden overlegd. Voor het gehele plangebied geldt een vereiste voor een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden met een oppervlak groter dan 200 vierkante meter en die tevens dieper reiken dan 1 meter beneden NAP. Deze grenzen zullen middels de beoogde ontwikkeling worden overschreden. Het aspect archeologie vraagt om aandacht bij de verdere planuitwerking. Voorafgaand aan de werkzaamheden zal derhalve - afhankelijk van de nodige bodemingrepen - nader archeologisch

onderzoek

uitgevoerd

moeten

worden.

Voor

de

afzonderlijke

ontwikkelingen binnen Pols-Noord zal dit separaat worden opgepakt op het moment dat de

voornoemde

grenzen

worden

overschreden.

Een

mogelijke verstoring

van

archeologische waarden zal hierdoor worden voorkomen.

Conclusie Er zal rekening gehouden worden met de mogelijke archeologische waarden ter plaatse van het plangebied. Dit aspect vraagt om aandacht bij de verdere planuitwerking. Indien nodig zal - per ontwikkeling/ingreep - voorafgaand aan de werkzaamheden nader archeologisch onderzoek uitgevoerd worden. Hiermee zal geborgd moeten worden dat geen sprake is van een verstoring van archeologische waarden. 5.8.4 Gebruiks- en belevingswaarde

Algemeen De beoogde herontwikkeling heeft een impact op de gebruiks- en belevingswaarde van het plangebied en diens omgeving. In voorliggende paragraaf wordt dit aspect nader toegelicht.

HD 8751-2-RA-004 76

pEUTZ Wettelijk kader Er bestaat geen wet- en regelgeving wat de gebruiks- en belevingswaarde betreft. Dit neemt niet weg dat de impact op dit aspect niet meegenomen dient te worden bij de beoordeling van de effecten op het milieu. De gebruiks- en belevingswaarde wordt daarbij met name gevormd door de bruikbaarheid en samenhang van de omgeving. Eveneens is de uitstraling en esthetische waarde van de bebouwing en diens omgeving hierbij van groot belang.

Beoordeling In de huidige situatie is sprake van een havenVfabrieksterrein met een industrieel karakter. Daarnaast is sprake van diverse in aanbouw zijnde ontwikkelingen. De belevingswaarde van het gebied is relatief beperkt. Wel kent een deel van de bebouwing een monumentale status, en is hiermee sprake van esthetisch waardevolle bebouwing. In de omgeving van het plangebied is thans zowel sprake van woon- als werkfuncties. Direct ten westen van het plangebied bevindt zich bijvoorbeeld het nieuwbouwproject Fenixloods I. Door de beoogde ontwikkeling wordt de gebruiks- en belevingswaarde van het gebied bevorderd. Sprake zal zijn van een mix aan functies, waardoor een levendig gebied ontstaat. Door middel van verdichting zal het gebied een zo optimaal mogelijke gebruikswaarde kennen, en de nodige invulling vormen voor de woningbouwopgave van Rotterdam. De beoogde nieuwbouw binnen het plangebied wordt op zorgvuldige wijze ingepast in de omgeving. Dit zal aansluiten op het omliggende gebied. Hierbij wordt tevens aansluiting gezocht op de monumentale bebouwing, welke behouden zal blijven. Ook de buitenruimte zal aantrekkelijk en groen worden ingericht, waardoor dit uitnodigt om in het gebied te verblijven. Door de beoogde ontwikkeling, met een mix aan gebruiksfuncties, ontstaat een aantrekkelijk woon- en leefgebied.

Ten opzichte van de referentiesituatie is sprake van een gebied die kwalitatief hoogwaardiger ervaren gaat worden.

Conclusie De beoogde ontwikkeling betreft de herontwikkeling van Pols-Noord. Door middel van de transformatie van het gebied van havenVfabrieksterrein, met diverse in aanbouw zijnde bebouwing,

naar

een

gemengd

woon-

en

leefgebied

wordt

de

gebruiks-

en

belevingswaarde van het gebied vergroot. De beoogde ontwikkeling heeft hiermee aldus een positief effect wat de gebruiks- en belevingswaarde betreft. 5.9 Windhinder

ALGEMEEN De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van hoogbouw. Dit kan mogelijk effecten hebben op de omgeving. Derhalve is nader onderzoek uitgevoerd naar het windklimaat. In voorliggende paragraaf wordt dit aspect nader toegelicht. HD 8751-2-RA-004 77

pEUTZ Wettelijk kader Windhinder is iets wat in geen geval geheel te voorkomen is: als het stormt is de wind hinderlijk, wat voor maatregelen er ook getroffen worden. Het is daarom ook de kans op windhinder, die maatgevend is voor de beoordeling van het windklimaat. Voor windhinder wordt een drempelwaarde vdr;h aangehouden van 5 m/s uurgemiddelde windsnelheid op loop- of verblijfsniveau. Bij deze windsnelheid gaan mechanische effecten een rol spelen, zoals het verwaaien van haar, het wapperen van kleding en bij toenemende windsnelheid het bewaren van het evenwicht. Aan de hand van onderstaande tabel, afkomstig uit de NEN 8100, wordt een beoordeling gegeven van de te verwachten mate van windhinder.

15.10Criteria windhinder volgens NEN 8100 Overschrijd ingskans

Kwaliteitsklasse

Activiteit

P(vlok > vdr;h) in procenten van het aantal uren per jaar

I. Doorlopen

II. Slenteren

< 2,5

A

Goed

Goed

III. Langdurig zitten Goed

2,5 - 5

B

Goed

Goed

Matig

5 - 10

C

Goed

Matig

Slecht

10 - 20

D

Matig

Slecht

Slecht

ž 20

E

Slecht

Slecht

Slecht

De overschrijdingskans van de drempelwaarde voor windhinder wordt ook wel de hinderkans genoemd. In de meetresultaten wordt de hinderkans met de kleur volgens bovenstaande tabel weergegeven.

Afhankelijk van de activiteitenklasse wordt het lokale windklimaat beoordeeld als 'goed', 'matig' of 'slecht'. -

Bij een goed windklimaat wordt onder normale omstandigheden geen windhinder ervaren.

-

Bij een matig windklimaat wordt af en toe overmatige windhinder ervaren.

-

Bij een slecht windklimaat wordt regelmatig overmatige windhinder ervaren.

Er wordt naar gestreefd, om binnen de verschillende activiteitenklassen, een goed, eventueel nog matig windklimaat te realiseren. Windgevaar Voor windgevaar wordt 15 m/s uurgemiddelde windsnelheid als drempelwaarde vdr;g gehanteerd. Op basis van tabel 15.11 afkomstig uit de NEN 8100, wordt bepaald of sprake is van windgevaar.

HD 8751-2-RA-004 78

pEUTZ 15.11 Criteria windgevaar volgens NEN 8100 Overschrijd ingskans P(vlok > VDR-G) in procenten van het aantal uren per jaar

Kwalificatie

0,05 < p ^,30

Beperkt risico

p ž 0,30

Gevaarlijk

De norm stelt: "Situaties waarvoor een overschrijdingskans geldt van 0,05 < p < 0,30 mogen alleen worden geaccepteerd als deze vallen binnen activiteiten klasse I (doorlopen). Voor activiteiten klasse II en III geldt de eis p ś 0,05. Situaties met een overschrijdingskans van p ì 0,30 zijn evident gevaarlijk en behoren te allen tijde te worden vermeden; het publiek mag hier niet aan worden blootgesteld."

Beoordeling Door Peutz is onderzoek (bijlage 4) uitgevoerd naar het windklimaat ter plaatse van het plangebied en diens omgeving. Het windklimaat wordt beoordeeld op basis van de uitgevoerde CFD-berekeningen, de windstatistiek van de betreffende locatie en de grenswaarden betreffende windhinder en windgevaar. Zowel de referentiesituatie als de toekomstige situatie zijn inzichtelijk gemaakt. In F 23 en F 24 worden de modellen voor beide situaties weergeven.

F 23 Aanzicht model referentiesituatie

HD 8751-2-RA-004 79

F 24 Aanzicht model toekomstsituatie

In onderstaande figuren wordt in een horizontale doorsnede op hoofdhoogte (1,75 meter boven plaatselijk maaiveldniveau) de berekende hinderkans met kleurcontouren voor de referentiesituatie en toekomstige situatie weergegeven. De kleuren zijn afgestemd op de beoordelingscriteria uit de NEN 8100. klasse duurlopen slenteren

zitten

matig 10

c

goed

matig

slecht

10-20

D

matig

slecht

slecht

20

E

slecht

slecht

slecht

Rijnhavenkade

Bundweg

-j -

Brede Hilledijk ËL

9

f 5.1 Windhinder in de referentiesituatie

HD 8751-2-RA-004 80

f 5.2 Windhinder in de toekomstige situatie

In onderstaande figuren wordt respectievelijk de berekende gevaarkans voor de referentiesituatie en toekomstige situatie weergegeven.

f 5.3 Windgevaar in de referentiesituatie

HD 8751-2-RA-004 81

f 5.4 Windgevaar in de plansituatie

Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: ^

In de referentiesituatie is het windklimaat in en rond het plangebied Pols-Noord overwegend goed. Met name in het gebied tussen View I en de ontwikkeling Rijnhaven is een matig tot slecht windklimaat vastgesteld. Er is in en rond het plangebied geen sprake van een beperkt risico op windgevaar of kwalificatie gevaarlijk.

^

Na het toevoegen van de geplande bebouwing in het gebied Pols-Noord blijft het windklimaat in en rond het plangebied overwegend goed. Met name tussen View I en de Rijnhaven ontwikkeling is, net als in de referentiesituatie, een matig tot slecht windklimaat vastgesteld. Daarnaast is aan de westzijde van het plangebied sprake van een matig windklimaat. Rond en in het plangebied is geen sprake van een beperkt risico op windgevaar of kwalificatie gevaarlijk. De uiteindelijke terreininrichting kan mogelijk eveneens nog een gunstig effect hebben op het windklimaat.

Conclusie De beoogde herontwikkeling heeft, vanwege de realisatie van hoogbouw, een impact op het windklimaat ter plaatse van het plangebied en diens omgeving. Na het toevoegen van de geplande bebouwing in het gebied Pols-Noord blijft het windklimaat echter in en rond het plangebied overwegend goed. Met name tussen View I en de Rijnhaven ontwikkeling is, net als in de referentiesituatie, een matig tot slecht windklimaat vastgesteld. Daarnaast is aan de westzijde van het plangebied sprake van een matig windklimaat. Rond en in het plangebied is geen sprake van een beperkt risico op windgevaar of kwalificatie gevaarlijk.

HD 8751-2-RA-004 82

pEUTZ 5.10 Bezonning

Algemeen De beoogde ontwikkeling heeft invloed op de bezonning in de omgeving van het bouwplan. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, alsmede het gemeentelijk hoogbouwbeleid, dient dit aspect nader beschouwd te worden. In de voorliggende paragraaf zal nader worden ingegaan op de impact van de beoogde ontwikkeling op de schaduwwerking in de omgeving.

Wettelijk kader Binnen de gemeente Rotterdam bestaan zijn er 2 toetsingskaders voor bezonning: 1.

Het Afwegingskader bezonning4. Hierin zijn criteria opgenomen voor de toetsing van de invloed van de geplande bebouwing op bezonning van bestaande woningen. Het criterium voor woningen is ten minste 2 zonuren op 21 september.

2.

Voor gebouwen hoger dan 70 meter is hoogbouwvisie 2019 inclusief addendum 2022 van toepassing5. De eisen voor bezonning in de hoogbouwvisie richten zich op de bezonning op gebiedsniveau. Er zijn openbare ruimtes aangewezen met een bepaald kwaliteitsniveau: sunspots, representatieve ruimtes en openbare ruimte met een basiskwaliteit. De toetsingsdata zijn 21 juni en 21 september. Hierbij gelden zowel absolute als relatieve criteria. Opgemerkt wordt dat slechts een deel van het plangebied valt binnen het toetsingsgebied van de hoogbouwvisie, zie onderstaande figuur.

f 5.5

Kaart basiskwaliteit

Afwegingskader bezonning 2021: https://lokalereaelaevina.overheid.nl/CVDR662444 https://www.rotterdam.nl/hoogbouwvisie

HD 8751-2-RA-004 83

pEUTZ Voor de mer-beoordeling wordt de bezonning van bestaande woningen en het omliggende gebied op globale wijze getoetst. Daarbij wordt rekening gehouden met de ligging van een deel van het plangebied - zoals uit bovenstaande figuur volgt - binnen het gebied

waar

de

hoogbouwvisie

van

toepassing

is.

Voor

de

verschillende

bestemmingsplanprocedures wordt/is een separaat onderzoek met een hoger detailniveau uitgevoerd.

Beoordeling De beoogde herontwikkeling betreft hoogbouw op een stedelijke locatie binnen Rotterdam. Ten opzichte van de huidige situatie is sprake van de toevoeging van bebouwing. Deze ontwikkeling heeft dan ook invloed op de bezonning in de omgeving van het bouwplan. Door Peutz is nader onderzoek (bijlage 5) uitgevoerd naar de effecten op de omgeving ten aanzien van bezonning. De berekeningen zijn uitgevoerd met het softwarepakket Radiance. De berekende schaduw-/bezonningsduur staat los van het effect van bewolking. Bezonning woningen De

bezonning

van

omliggende

bestaande

woningen

wordt

getoetst

aan

het

afwegingskader bezonning. Het criterium is minimaal 2 zonuren op 21 september. De conclusie is dat ondanks toegevoegde schaduw, de bezonning van de omliggende bestaande woningen voldoet aan het criterium. De bestaande woningen binnen het plangebied zelf zijn buiten beschouwing gelaten. Bij de uitwerking van de afzonderlijke plannen zal hier rekening mee gehouden worden. Toetsing gebieden Vastgesteld is dat de afname van de bezonning van de Bundweg naar verwachting niet voldoet aan de criteria van de hoogbouwvisie voor de basiskwaliteit. Opgemerkt wordt dat een deel van de straat buiten het toetsingsgebied van de hoogbouwvisie valt. Daarnaast maakt de straat onderdeel uit van het plangebied. Naast de toetsing van de basiskwaliteit gelden criteria voor de representatieve ruimten en sunspots. Het drijvende park bij de Wilhelminapier is aangemerkt als sunspot 33. Vastgesteld is dat de bezonning ten gevolge van plaatselijk kortstondige schaduw van de toren binnen het plan Codrico terrein niet voldoet aan de criteria. In andere onderzochte gebieden voldoet de bezonning op basis van de uitgevoerde analyse. Voor de mer-beoordeling wordt de bezonning van bestaande woningen en het omliggende

gebied

op

globale

wijze

getoetst.

Voor

de

verschillende

omgevingsplanprocedures wordt/is een separaat onderzoek met een hoger detailniveau verricht. Indien nodig zullen hier mogelijk maatregelen uit volgen.

HD 8751-2-RA-004 84

pEUTZ Conclusie Hoogbouw kan effecten hebben op de bezonningssituatie in de omgeving. In het bezonningsonderzoek wordt dit bevestigd. In het kader van de mer-beoordeling is de bezonningsituatie op globale wijze getoetst. Op enkele plekken voldoet de afname van de bezonning niet aan de aan de criteria van de Hoogbouwvisie. De bezonningssituatie is globaal getoetst. Voor de afzonderlijke ontwikkelingen worden nog separate onderzoeken verricht met een hoger detailniveau. Indien nodig zullen per ontwikkeling ruimtelijke regels worden vastgelegd om te voldoen aan de gemeentelijke beleidskaders. 5.11

Hittestress

Algemeen De beoogde ontwikkeling is gelegen op een sterk stedelijke locatie. In het kader van een goed woon- en leefklimaat vraagt daarbij het thema hittestress om aandacht. In voorliggende paragraaf wordt hier nader op ingegaan.

Wettelijk kader Klimaatverandering zorgt ervoor dat het warmer wordt en dat hittegolven vaker voorkomen, langer duren en heter zijn. Het extremer worden van het klimaat brengt veel

risico's met zich mee voor Rotterdam. Daarom zal de stedelijke omgeving voorbereid moeten worden op een extremer klimaat. Om tot een klimaatbestendige omgeving te komen zal ingezet moeten worden op klimaatadaptatie. Hittestress is daarbij één van de

thema's waar slimme oplossingen voor gevonden moeten worden. Door de stijgende temperaturen stijgt namelijk ook het risico op hittestress. De toenemende hitte kan ervoor zorgen dat steden hitte-eilanden worden. De stad wordt warmer dan het omliggend gebied doordat de warmte hier wordt vastgehouden. In een sterk versteende omgeving, met veel bebouwing en verharding, blijft de warmte langer hangen. Hierdoor is de temperatuur hier hoger dan in omliggend landelijk gebied. Dit kan leiden tot hittestress. Hittestress heeft een negatieve invloed op de gezondheid van inwoners en het milieu. Om Nederland voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering is een nationale aanpak nodig. In beleidsvisies is klimaatadaptatie al sterk vertegenwoordigd. Er zijn echter nog geen landelijke formele toetsingscriteria vastgelegd aangaande hittestress. In de Omgevingsvisie van Rotterdam wordt het verminderen van hittestress als een belangrijk aandachtspunt aangekaart. In de Nota van Uitgangspunten voor de herontwikkeling van het Codrico terrein wordt bovendien aangegeven dat 'De Pols van Katendrecht' hoog scoort op het thema hitte. Dit vanwege het grote versteende en bebouwde oppervlak. Om met periodes van hitte te kunnen omgaan, moeten er bij planontwikkelingen gekeken worden naar de mogelijkheid om de buitenruimte en daken te vergroenen.

Vergroening kan ervoor zorgen om het hitte-eiland effect te verminderen.

HD 8751-2-RA-004 85

pEUTZ Beoordeling De klimaateffectatlas van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut voorspelt voor het stedelijke gebied van Rotterdam een toename van het aantal dagen met een maximumtemperatuur van meer dan 30T (tropische dag) tot maximaal 12 dagen per jaar in het jaar 2050. Thans zijn dit maximaal 3 dagen. Aangezien bij de ontwikkeling van het plangebied en de omgeving de aanleg van woon- en werkruimte is beoogd, dient er rekening mee gehouden te worden om de omgeving zo positief mogelijk te beïnvloeden ten aanzien van warmteontwikkeling. In F 25 wordt het plangebied weergeven op de kaart van Atlas Leefomgeving aangaande het stedelijk hitte-eiland effect. Deze kaart laat het temperatuurverschil zien tussen de stad en het platteland. Op de kaart zie je het gemiddelde temperatuurverschil in graden Celsius fC). Gebouwen, huizen, wegen en stenen houden veel warmte vast. Uit deze figuur blijkt dat sprake is van een hitte-eiland effect, en dan met name juist ter plaatse van het meest oostelijk gedeelte van Pols-Noord. De ligging tussen water zorgt voor een verkoelend effect.

F 25 Hittestress kaart (bron: Atlas Leefomgeving)

Zoals ook blijkt uit de kaarten van Atlas Leefomgeving, zie F 26, heeft groen en water een verkoelend effect. In voorliggende situatie wordt dit verkoelend effect met name bepaald door de nabijheid tot water. In de huidige situatie is namelijk in hoofdzaak sprake van verharding ter plaatse van het plangebied. Het gebied, dat in hoofdzaak een haven-/ industrieterrein betreft, kent thans weinig groene ruimte.

HD 8751-2-RA-004 86

F 26 Kaart verkoelend effect groen en water (bron: Atlas Leefomgeving)

In het kader van klimaatverandering is door Defacto Stedenbouw in 2024 de klimaatadaptatiestrategie 'Klimaatadaptatie strategie Katendrecht gemeente Rotterdam' opgesteld. Hieruit komt ook naar voren dat door het versteende karakter van Katendrecht dit gebied veel warmte vasthoudt. De basis van de strategie tegen hittestress is dan ook het tegengaan van deze opwarming, gecombineerd met het buiten houden van hitte en goed ventileren van gebouwen, en met schaduwrijke openbare verblijfsplekken en routes. Meekoppeling met inrichtingsprojecten en renovaties staat hierbij centraal. De beoogde herontwikkeling van Pols-Noord gaat gepaard met het toevoegen van groen. Door het beperken van verhard oppervlak en het creëren van schaduw wordt verdere opwarming tegengegaan. Bijvoorbeeld door het vergroenen van straten en woningen met de juiste plant- en boomsoorten. Ook kan daarbij gezocht worden naar het creëren van koele routes en verblijfsplekken. Door in te zetten op meer groen en schaduwrijke routes kan een koel wandelrondje over Katendrecht worden gecreëerd, die verschillende koele verblijfsplekken verbindt. Aangezien de concrete uitwerking van alle plannen en het omliggende openbaar gebied vooralsnog niet bekend is, is de exacte omvang van dit groen nog niet bekend. Met name het kadeoppervlak biedt ruimte voor groen.

Rondom het zogeheten veldblok ter plaatse van het Codrico terrein zal relatief veel ruimte beschikbaar zijn voor groene ruimte. Waar mogelijk wordt groene verblijfsruimte toegevoegd tussen de bebouwing in. Naast groen op maaiveld worden eveneens groene daktuinen gerealiseerd. Dit is onder andere aan de orde voor de bebouwing binnen het Codrico terrein, The View en De Bund. HD 8751-2-RA-004 87

pEUTZ Bij

nieuwe ontwikkelingen wordt in de klimaatadaptatiestrategie aangegeven dat

hittebestendig moet worden ontwikkeld. Bijvoorbeeld door buitenzonwering, niet hitte absorberende materialen en mogelijkheden voor natuurlijke ventilatie mee te nemen in het ontwerp van de gebouwen. Ook schaduwrijke tuinen en straten kunnen een bijdrage leveren aan het koel houden van woningen. Door de beoogde herontwikkeling zal een aantrekkelijk gebied gerealiseerd worden, waarbij

klimaatadaptatie, biodiversiteit en natuurinclusiviteit in de plannen wordt

betrokken. Op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven wordt per afzonderlijk plan nader bepaald. Echter kan wel gesteld worden dat het herontwikkelen van een grotendeels verhard haven-fabrieksterrein naar gemengd woon- en werkmilieu met ruimte voor groen een verkoelend effect kan hebben. Opgemerkt wordt dat in het kader van de beoogde ontwikkeling van het Codrico terrein een klimatologisch onderzoek (bijlage 6) is uitgevoerd naar de hittestress ten gevolge van deze ontwikkeling. Hieruit volgt dat wat het temperatuurniveau betreft, overdag vooral koeling is te verwachten als gevolg van dit geplande project. De incidenteel optredende opwarmingstendensen zijn als tamelijk onkritisch te beschouwen, aangezien deze zich voordoen in gebieden die als bewegingsgebieden zijn aangemerkt en

niet als

woongebieden. De daadwerkelijke opwarming is bovendien slechts zeer gering. 's Nachts daarentegen is de opwarming vooral in het plangebied en in de luwte zichtbaar. Aangegeven wordt dat er passende maatregelen kunnen worden genomen om het nachttemperatuurniveau te verbeteren. Ten aanzien van de bioklimatische belasting kan bijvoorbeeld gesteld worden dat de situatie in het plangebied zal verbeteren door toepassing van extra zonwering, en kan speciale aandacht worden besteed aan de uitwerking van de buitenruimte om zodoende een goede verblijfskwaliteit te realiseren. Hier kan ook bij de overige ontwikkelingen binnen Pols-Noord rekening mee gehouden worden. Indien nodig kunnen daarbij eveneens mitigerende maatregelen getroffen worden waarmee de thermische en bioklimatische belastingsituatie geoptimaliseerd kan worden. Desalniettemin kan verwacht worden dat middels de beoogde ontwikkeling met name sprake is van een overwegend positieve ontwikkeling wat hittestress betreft. Er is immers sprake van het vergroenen van het gebied. Door verdere maatregelen kan de bioklimatische situatie verder worden geoptimaliseerd.

Hierbij kan gedacht worden aan het toepassen van zonwering, gebouwbegroeiing in de vorm van gevelbegroeiing om warmteopname in de middag te verminderen en verdampingskoeling te vergroten en het gebruik van geschikte bouwmaterialen voor de gebouwen en oppervlaktes om warmteopname overdag en warmteverlies tijdens de nachturen te verminderen. Bij de verdere uitwerking van de afzonderlijke ontwikkelingen kan dit meegenomen worden, om zodoende een verdere optimalisatie na te streven.

HD 8751-2-RA-004 88

pEUTZ Conclusie Resumerend gesteld is het effect van de beoogde herontwikkeling ten aanzien van hittestress naar verwachting relatief beperkt. Bovendien is sprake van een vergroening van het gebied, hetgeen een positief effect zal hebben. Per ontwikkeling kan nader beschouwd worden welke maatregelen getroffen kunnen worden om de situatie verder te optimaliseren. Hiermee is geen sprake van aanzienlijke negatieve effecten voor het milieu ten aanzien van hittestress. 5.12 Bodem

Algemeen Ruimtelijke

ontwikkelingen

kunnen

van

invloed

zijn

op

de

bodemkwaliteit.

Bodemverontreinigende activiteiten hebben onder andere een slechte impact op de gezondheid. In voorliggende paragraaf wordt de impact van het plan op de bodem nader beschouwd.

Wettelijk kader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit. De nieuwe bestemming moet immers passend zijn in relatie tot de bodemkwaliteit. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op grond van de Omgevingswet bodemonderzoek verricht te worden. Er dient onderzoek verricht te worden naar de bestaande toestand, en of deze aansluit bij de toekomstige toestand. Op sterk verontreinigde grond zijn er beperkingen met betrekking tot nieuwbouw. Hier mogen bijvoorbeeld geen gevoelige objecten, zoals woningen, gerealiseerd worden. Er moet rekening gehouden worden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. Er gelden hierbij instructieregels op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bkl) die gemeenten met betrekking tot de bodem in het omgevingsplan moeten verwerken. In paragraaf 5.1.4.5. van het Bkl worden regels opgenomen die toezien op bodemgevoelige locaties en bodemgevoelige gebouwen. Middels de instructieregels worden in het omgevingsplan onder andere waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie vastgelegd. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen.

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. In het kader van de mededeling voor de mer-beoordeling moet beoordeeld worden of de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met activiteiten die mogelijk een negatieve invloed hebben op de bodemkwaliteit. Tevens wordt beschouwd of de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar is met betrekking tot de bodemkwaliteit. HD 8751-2-RA-004 89

pEUTZ Beoordeling In de huidige situatie is sprake van bedrijvigheid, een fabrieksterrein en diverse in aanbouw zijnde ontwikkelingen. Ter plaatse van de gronden waar bedrijfs- en fabrieksactiviteiten plaatsvinden, geldt dat deze activiteiten mogelijk van invloed zijn op de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied. De

beoogde

ontwikkeling

gaat

niet

gepaard

met

het

ontplooien van

nieuwe

bodemverontreinigende activiteiten. Hiermee worden negatieve effecten voor de bodem voorkomen. Op basis van de Bodemkwaliteitskaart, die is opgenomen in bijlage 1 van de Nota bodembeheer Rotterdam, kan een indicatief een beeld worden geschetst van de bodemkwaliteit.

De

Bodemkwaliteitskaart van

Rotterdam

is een verzameling van

kaartlagen met betrekking tot de functie en kwaliteit van de bodem en mogelijkheden voor hergebruik. De kwaliteits- en functieklassen zijn (gebiedsspecifiek) onderverdeeld in Natuur, Landbouw, Wonen en Industrie. Voor het plangebied is de klasse 'Wonen' van toepassing. Dit betekent dat hier voor diverse stoffen aan de maximale waarden voor de

functie 'Wonen' wordt voldaan conform bijlage 2 van de Nota bodembeheer Rotterdam. De beoogde ontwikkeling betreft onder andere de realisatie van woningen. Dit betreft een gevoeliger gebruik van de bodem dan de voormalige/huidige situatie. Om te bepalen of de bodem (met betrekking tot milieuhygiënische kwaliteit van de bodem) geschikt is voor het toekomstig gebruik, is/wordt per ontwikkeling een bodemonderzoek uitgevoerd. Indien nodig zal vervolgonderzoek uitgevoerd worden. Afhankelijk van de uitkomsten van dit onderzoek zal de bodem gesaneerd worden om deze geschikt te maken voor het toekomstige gebruik. Dit betekent dat de bodemkwaliteit mogelijk zal verbeteren als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal gronden is reeds onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Voor de gronden waar reeds ontwikkelingen in aanbouw zijn kan gesteld worden dat in het kader van diens vergunningsprocedure reeds onderzocht is of de bodemkwaliteit passend is. Wat bodemkwaliteit betreft zijn vragen daarbij met name de gronden ter plaatse van het Codrico terrein om aandacht. In het verleden was op deze locatie immers sprake van industrie, welke mogelijk gevolgen heeft gehad voor de bodemkwaliteit. Voor het Codrico terrein is mede in het kader van het bestemmingsplan voor deze locatie in 2023 reeds bodemonderzoek uitgevoerd.

Om te bepalen of de bodem (met betrekking tot milieuhygiënische kwaliteit van de bodem) geschikt is voor het toekomstig gebruik, is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Onderstaand worden de uitkomsten van dit onderzoek samengevat. Uitkomsten bodemonderzoek Codrico terrein

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot sterk siltig, uiterst fijn tot uiterst grof zand. De bovengrond is bovendien plaatselijk zwak humeus. Tevens komen in de ondergrond kleiige lagen of lagen zwak tot sterk zandige en zwak tot sterk siltige kleilagen voor. Direct onder de diverse verhardingen is een laag puin met een dikte van circa 0,5 meter aanwezig. HD 8751-2-RA-004 90

pEUTZ Verder zijn er verspreid over de locatie plaatselijk zwakke tot sterke bijmengingen met baksteen en zeer plaatselijk zwakke tot sterke bijmengingen met koolas waargenomen. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Verspreid over de locatie zijn in de bovengrond, met name direct onder het puin, sterke verontreinigingen met, met name zink en PAK en plaatselijk barium, cadmium en koper aangetoond. Tevens zijn er matige verontreinigingen met minerale olie, nikkel, kwik en lichte verontreinigingen met diverse metalen en PCB aangetoond. In de diepere ondergrond zijn enkele sterke verontreinigingen met cadmium, koper, zink en PAK gemeten. Daarnaast zijn ook in de diepere ondergrond matige verontreinigingen lood en nikkel aangetoond en zijn er lichte verontreinigingen met metalen gemeten. Het

grondwater

is

licht

verontreinigd

met

barium

en

molybdeen.

Deze

metaalverontreinigingen zijn hoogst- waarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen in het grondwater. Ter plaatse van de aangetroffen matige en sterke verontreinigingen (boringen 06, 07, 10, 14 en 18) adviseert Econsultancy een nader onderzoek uit te voeren naar de aard en mate van de verontreinigingen, zie ook onderstaande figuur voor de locaties.

F 27 Locaties matige en sterke verontreiniging en ondergrondse tanks

HD 8751-2-RA-004 91

pEUTZ Op basis van de uitkomsten van het nader onderzoek zal worden beoordeeld of sanerende maatregelen noodzakelijk en/of gewenst zijn ten behoeve van beoogde ontwikkeling van het Codrico terrein. Daarnaast is bekend dat er op de locatie ten minste een viertal ondergrondse tanks aanwezig zijn. Deze zijn in 1993 onderzocht. De tanks waren destijds minimaal 2 jaar gereinigd en gevuld met zand. Voor zover bekend zijn deze tanks nog aanwezig. Tijdens het op locatie uitgevoerde bodemonderzoek in 1999 (De Straat Milieu-adviseurs, projectnummer B6056, d.d. 21 januari 1999) bleek het grondwater nabij de tanks ten hoogste licht verontreinigd met minerale olie en vluchtige aromaten. Econsultancy adviseert de tanks te verwijderen tijdens een natuurlijk moment, bijvoorbeeld bij graafwerkzaamheden of de ontwikkeling op de locatie. Door het aantreffen van een puinfundatie en zeer plaatselijke bijmengingen met puin zal een verkennend onderzoek asbest in bodem/puin noodzakelijk zijn. Econsultancy adviseert dit uit te voeren in een stadium waarbij de huidige bedrijfsactiviteiten beëindigd zijn of de sloop is voltooid. Er kan dan direct een asbestonderzoek uitgevoerd worden op het gehele terrein en zal invulling aan worden gegeven. Indien aan de orde, zullen de nodige maatregelen getroffen worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=e9783723-9aa2-491e-90a8-e7f2fbf0d853