[24bb004625] Bijlage 3 behorende bij 24bb004640 over ontwerp PBP “Codrico ontwikkeling” Toelichting
Tekst van het document
Een eventueel nieuw volume dient net als het elevatorhuis los of met duidelijk onderscheid uitgevoerd te worden (bijvoorbeeld door middel van een setback of een transparant tussenlid) en niet vastgeklonken te zijn aan het bestaande volume. Ook wordt aangeraden daarbij rekening te houden met de bestaande en te verwachten nieuwe zichtlijnen in de omgeving zodat de 'functie' van het elevatorhuis met bekroning als stedenbouwkundig baken niet verdwijnt. Bij de herbestemming van de oudbouw (meelfabriek en oorspronkelijke silogebouw) wordt aangeraden, gezien de beperkte mogelijkheid tot het doen van ingrepen in en aan het gebouw, om met het restauratie-ontwerp te kiezen voor analogie (historiserend of reconstructief ontwerp). Met betrekking tot de ontwerphouding voor de architectuur van eventuele grotere nieuwbouwingrepen bij de uitbreiding van het silogebouw wordt daarentegen aangeraden om in plaats daarvan te kiezen voor een contrast tussen oud en nieuw. Door een contrast op te zoeken ontstaat een gelaagdheid in het gebouw die een nieuwbouwtoevoeging duidelijk communiceert. In het verlengde daarvan wordt aangeraden om bij eventuele meerdere nieuwe toevoegingen en wijzigingen een onderlinge visuele samenhang na te streven. Ontwerpincidenten dienen voorkomen te worden.
Herbestemming van het silogebouw zou vanwege bovengenoemde argumenten het uitgangspunt moeten zijn bij een functiewijziging. Indien mogelijke constructieve beperkingen die de betonnen monoliet opwerpt, noodzaken tot een sloop-nieuwbouw scenario, dan wordt gepleit voor gedeeltelijke sloop en voor het behoud van het trappenhuis en het motorhuis als beeldbepalende elementen. Voor de nieuwbouw zelf wordt aangeraden de bestaande volumetrische compositie van de silo te handhaven; binnen de huidige footprint en in lijn met de oorspronkelijke maat, schaal en robuuste uitstraling. Dit om de monumentale compositie van de oude meelfabriek niet te verstoren of onnodig te 'verdwergen'. Om het industriële karakter van de meelfabriek en de silo niet verloren te laten gaan zou aanvullend een eigentijdse architectonische herinterpretatie van de ruimtelijke verticale silostructuur met de markante scherpe vouwen in de gevel in de nieuwe situatie kunnen bijdragen aan de continuïteit met het verleden.
Ten slotte »
De hoge monumentale waarde van de meelfabriek schuilt mede in de gebruiksgeschiedenis: de productie en opslag van meel. Er wordt aangeraden om de sporen van dit gebruik die nog aanwezig zijn, in de vorm van installaties en machines, branddeuren en graanmonden etc. als narratief ervaarbaar te laten in een eventuele nieuwe situatie. Dat geldt ook voor de sporen op het terrein in
60
»
de vorm van kranen, installaties en andere industriële kadeinrichting. Omdat het interieur van de fabriek altijd een utilitair karakter had, waarbij de ruimtes op basis van pragmatiek en efficiëntie werden ingericht, wordt minder waarde gehecht aan de specifieke locatie van deze sporen. Meer waarde wordt gehecht aan het gegeven dat deze sporen in het zicht blijven en ervaarbaar blijven bij nieuw gebruik. Er wordt voor gepleit de restauratie-architect ook actief te betrekken gedurende het bouwproces. Dit ter bescherming van het monument en ter borging van de restauratieve aanpak.
De cultuurhistorische waarden binnen het plangebied worden beschermd via de Erfgoedwet en de opgenomen dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Conclusie De cultuurhistorische waarden worden beschermd via de Erfgoedwet en de opgenomen dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. Daarmee is geborgd dat aanpassing van deze bebouwing niet zonder meer mogelijk is.
3.4
Huidig gebruik
Aan de zuidzijde van de Rijnhaven bevindt zich nog 1 van de 2 actieve fabrieken op Katendrecht, het bedrijf Codrico dat maïs en peulvruchten opwerkt tot halffabrikaten voor de voedselindustrie. De ontwikkeling op het Codrico terrein betreft dan ook de transformatie van een bedrijventerrein, waarbij een deel van de bedrijfsgebouwen behouden dient te worden. De bedrijfsactiviteiten van Codrico zelf zullen worden verplaatst naar het bedrijventerrein Spaanse Polder. De restauratie en herontwikkeling van het rijksmonument is een belangrijk onderdeel van het project. Het plangebied, welke onderdeel uitmaakt van Katendrecht, is onderdeel van een transformatieproces. De gehele omgeving verandert van een haven- en industriegebied naar een gebied dat onderdeel is van het stadscentrum van Rotterdam. Met dezelfde geografische positie verschuift Katendrecht als het ware van de periferie naar het centrum van de stad. Daarnaast ondergaat Katendrecht ook van binnenuit een volledige transformatie. Binnen dezelfde geografische grenzen verdriedubbelt in Katendrecht het aantal woningen.
Naast de veranderingen op Katendrecht zijn de ontwikkelingen in de directe omgeving zeker zo indrukwekkend: de ontwikkeling van de Wilhelminapier met een zeer hoogstedelijk milieu van theaters, kantoren, woningen, horeca, congresfaciliteiten, enz.; de ontwikkeling langs de Posthumalaan met de rechtbank, kantoren en scholen; de verbinding van de Brede Hilledijk met de Laan op Zuid en daarmee de verbinding met Parkstad. Het karakter van het Polsgebied wordt gevormd door de omliggende havens en het havenverleden van de plek. De Pols is de plek op Katendrecht waar de Rijnhaven en Maashaven elkaar het dichtst naderen en het schiereiland Katendrecht gevormd wordt. De 'voelbaarheid' van de voormalige zeehavens is hier het grootst. De havenhistorie is vooral nog 'voelbaar' en zichtbaar in de Pols door enkele beeldbepalende en monumentale gebouwen. Dit zijn de Latensteijn silo aan de Veerlaan, de Yamahaloods en het pakhuis Santos aan de noordzijde van de Brede Hilledijk. En aan de Maashavenzijde heeft men zicht op de Maassilo. Dit maakt de Pols een karakteristiek (Rotterdams), robuust en stoer gebied; een beeld dat versterkt wordt door de bovengrondse metroverbinding langs de Maashavenoostzijde, de aanwezige binnenvaart in de Maashaven en de bedrijvigheid op het water. De Pols vormt de verbinding van het schiereiland Katendrecht met de stad en dus de toegang tot het eiland.
In de Pols is een indeling met vier parallelle stroken van bebouwing ontstaan, de zogenaamde 'vierslag', die zeer karakteristiek is. De 'vierslag' is ten noorden van de Brede Hilledijk nog goed zichtbaar rond het Codrico terrein, waar deze in de zuidzijde na de sloop van de bedrijfsbebouwing en het verplaatsen van de weg Maashaven Noordzijde verdwenen is. Deze 'vierslag' vormt het uitgangspunt voor de herontwikkeling van het Polsgebied en wordt dus in ere hersteld. De verdeling in stroken, de toegangsfunctie van Pols en de invulling met bedrijfsfuncties zorgt voor een dominante oost-westrichting in het gebied.
61
3.5
Stadsgezichten en Monumenten
Algemeen De gemeente Rotterdam kent een groot aantal panden en gebieden die vanwege cultuurhistorische waarden worden beschermd. Voor de bescherming wordt gebruik gemaakt van bestaand instrumentarium - Erfgoedwet (2016) en Erfgoedverordening Rotterdam 2020. Daarnaast krijgen rijksbeschermde stadsgezichten, wederopbouwaandachtsgebieden en beeldbepalende panden op de verbeelding en in de regels van het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde - Cultuurhistorie”. Rijksmonumenten (RM) en Gemeentelijke monumenten (GM) Een rijks- of gemeentelijk monument kan zijn een gebouw, water, terrein of een ander object dat van nationaal belang is, of van algemeen belang voor Rotterdam is (gemeentelijk monument), vanwege de schoonheid, betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Dit is vastgelegd in respectievelijk de Erfgoedwet (2016) en de Erfgoedverordening Rotterdam 2020. Bij een monument gaat het om één gebouw of complex, zowel buiten als vanbinnen. Voor een rijksmonument geldt dat het object ten minste vijftig jaar oud moet zijn. Als vanzelfsprekend is het verboden om wijzigingen aan te brengen aan een beschermd monument zonder vergunning. Beschermde stadsgezichten (BS) Rotterdam kent door haar stedelijke omgeving alleen beschermde stadsgezichten.
Een beschermd stadsgezicht is een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens schoonheid, onderlinge ruimtelijke structurele samenhang of wetenschappelijke waarde. De bescherming richt zich op de stedenbouwkundige karakteristiek en op een samenhangend geheel van straten en bebouwing. Het gaat om gebieden van voor 1945. Na aanwijzing van een beschermd stadsgezicht dient er binnen twee jaar een bestemmingsplan beschikbaar te zijn waarin de historische kwaliteiten en de relatie tot eventuele toekomstige ontwikkelingen vastliggen. Wederopbouwaandachtsgebieden Naast de van rijkswege beschermde stadsgezichten kent Rotterdam twee wederopbouwaandachtsgebieden van nationaal belang. Verder heeft de gemeente in de binnenstad een aantal wederopbouwaandachtsgebieden met een waardevolle samenhang tussen het stratenplan, de invulling van de bouwblokken en de architectuur. Bij nieuwe ontwikkelingen dient bekeken te worden hoe deze historische kwaliteiten kunnen worden behouden. Betreffende gebieden hebben geen wettelijke bescherming. Beeldbepalende objecten (BO) In Rotterdam is een groot aantal gebouwen te vinden die geen status hebben als monument, maar wel cultuurhistorisch waardevol zijn, zogenaamde beeldbepalende objecten. Voor deze panden geldt geen wettelijke bescherming, maar de gemeente zet zich wel in om de waarden van deze panden te behouden.
Relatie tot plangebied Binnen het bestemmingsplangebied is geen beschermd stadsgezicht gelegen. Wel is binnen het bestemmingsplangebied sprake van het volgende monumentale en/of beeldbepalende object: Naam: Meelfabriek Latenstein, onderdeel: het fabrieksgebouw Adres: Veerlaan 3 Bouwjaar: 1948 Soort object: rijksmonument
62
Hoofdstuk 4 4.1
Planbeschrijving
Inleiding
Het voornemen bestaat om het fabrieksterrein van Codrico op Katendrecht te herontwikkelen, waarbij de uitplaatsing van de huidige fabrieksactiviteiten mogelijk wordt gemaakt. Op deze manier kan de Pols van Katendrecht gecompleteerd worden en de kade van de Rijnhaven toegankelijk gemaakt worden voor het Rondje Rijnhaven. De herontwikkeling op het terrein bestaat uit een solitaire toren, een gebouw aan de kade, een gebouw op het veld naast de fabriek en de fabriek zelf. Zo zal er een heel nieuwe wereld ontstaan rondom de rijksmonumentale fabriek waar ruimte is voor onder andere nieuwe woningen, kantoren, winkels en horeca.
Figuur 4.1: Essentie van de gebiedsontwikkeling (bron: Nota van Uitgangspunten) Met de herontwikkeling van het Codrico terrein gaat in het Polsgebied het laatste stuk havenbedrijvigheid verdwijnen en gaat het gebied meedoen in de gebiedsontwikkeling, die het Polsgebied een nieuwe toekomst gaat brengen. Een gebied met een grote havenhistorie, die verteld wordt en voelbaar blijft door de karakteristieke, soms monumentale, industriële havenbebouwing en de havenbekkens. Een gebied dat een grootse transformatie doormaakt: van voormalig havengebied op Zuid, naar een gemengd stedelijke woon- en werkbuurt en een deel van de Rotterdamse binnenstad op twee oevers. Met de herontwikkeling van het Codrico terrein wordt een hoogstedelijke programma-mix toegevoegd aan het Rondje Rijnhaven waar het de ontbrekende schakel in programmering rondom het stadspark gaat invullen en aan Katendrecht, waar het de programmatische schakel tussen de groeiende en gentrificerende woonwijk en het binnenstedelijke milieu moet zijn. Deze bijzondere positie biedt kansen om te exploreren in welke verschijningsvorm bij het Codrico terrein een stedelijk gemengd programma kan ontstaan.
Naast een gediversifieerd programma van woningen in alle soorten, typen en groottes, zal het niet-woonprogrogramma bestaan uit: kantoren, detailhandel, bedrijfsruimten, horeca, hotel, culturele voorzieningen alsmede sport- en maatschappelijke voorzieningen. In het totaal zal het gaan om een volume van 172.000 m2 b.v.o. exclusief parkeren. Door de beoogde mix aan programma wordt een bijdrage geleverd aan een aantrekkelijk, inclusief en goed functionerend stedelijk gebied.
63
4.2
Opzet van het plan
Het bestemmingsplan Codrico terrein is flexibel van opzet en gericht op transformatie van het fabrieksterrein naar een aantrekkelijk stedelijk gebied.
4.3
Ontwikkelingen
De herontwikkeling van het Codrico terrein bestaat uit een solitaire toren, een gebouw aan de kade, een gebouw op het veld naast de fabriek en uiteraard de fabriek zelf. Zo ontstaat er een heel nieuwe wereld rondom de rijksmonumentale fabriek waar ruimte is voor nieuwe woningen, kantoren, winkels en horeca. Het geheel van het Codrico terrein samen met de herontwikkeling van de Rijnhaven is een belangrijke stap in het afmaken van Katendrecht, het realiseren van het Rondje Rijnhaven en het creëren van een internationaal aansprekend icoon in de Rijnhaven. De ontwikkeling van het Codrico terrein kan worden opgesplitst in vijf delen met ieder hun eigen uitgangspunten. De monumentale fabriek, het achterliggende silogebouw en het veldblok kunnen worden aangemerkt als industriële-iconen, duidelijk refererend naar het havenverleden. Het wandblok zoekt aansluiting bij het industriële ensemble en doet tegelijkertijd mee met de vormentaal van wandgebouwen aan de kade. De toren is een special binnen de ontwikkeling en wijkt af van de stedenbouwkundige context. Met de krachtige en fluïde vormen vormt die ze een mooie aanvulling op de ontwikkeling. Monumentaal fabrieksgebouw Het betreft een monumentaal gebouw dat behouden wordt. De rooilijnen zullen gelijk blijven. Het monumentale deel bestaat uit het parallel aan de kade gelegen fabrieksgebouw en de daarachter gelegen tien graansilo's.
De graansilo's bevinden zich 'achter' het fabrieksgebouw. Beide gebouwen staan op korte afstand van elkaar zodat er een verbinding gemaakt kon worden. In de vorm van een luchtbrug is de verbinding tot stand gekomen op de eerste verdieping. Het fabrieksgebouw is een langgerekte wand met aan de westzijde een hoger volume dat dient als accent. Voorheen stond hier de naam van de fabriek op, CO-OP. Een herkenbaar beeld dat goed terug te zien is op de foto's uit die tijd. De monumentale graansilo's hebben hun vorm te danken aan de functie die zij te vervullen hadden. Conform de Nota van Uitgangspunten wordt een optopping op het dak mogelijk gemaakt. Qua afmeting en positionering moet de optopping in balans zijn met het monument. De beoogde toevoegingen zullen de functie van het pand versterken en de rol binnen de gehele ontwikkeling versterken.
64
Figuur 4.2: Indicatieve schets overzicht monumentaal fabrieksgebouw (bron: Codrico NvU) Beeldbepalend silogebouw Het silogebouw is door zijn locatie, zijn positie in het ensemble, zijn opbouw in volume en de robuuste vormgeving een ankerpunt in de omgeving. Met name de glazen (groene) kubus is vanuit de wijde omgeving zichtbaar. Ook het gehele ensemble heeft vanuit de context altijd een belangrijke positie ingenomen door zijn "scharnierpositie" op Katendrecht; in de knik van de zuidzijde van de Rijnhaven en de kruising Brede Hilledijk met Veerlaan - Maashaven Noordzijde. De voorname positie en volumeopbouw van het silogebouw is in de gehele ontwikkeling van Katendrecht, specifiek het Polsgebied, geborgd en voor de bouwhoogte als uitgangspunt gebruikt. Zowel vanaf de Maashaven aan het "siloplein" als de Rijnhaven is het complex zeer zichtbaar en aanwezig. De status beeldbepalend gebouw (in de vorm van een dubbelbestemming 'Cultuurhistorie') wordt niet voor niets opgenomen ter bescherming; oftewel het huidige bouwvolume is en blijft het uitgangspunt voor de herontwikkeling, zowel bij een transformatie als een, al dan niet gedeeltelijke, sloop-nieuwbouw. Conform de Nota van Uitgangspunten is een optopping mogelijk, maar dient wel zorgvuldig afgestemd te worden op de volumeopbouw van het gehele Codrico ensemble, passend bij het silogebouw qua maat en schaal.
Deze uitwerking vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen.
65
Veldblok Het veldblok is een intermediair tussen het rijksmonument, het silogebouw, Fenix 1 en de kern van Katendrecht. In zijn volumeopbouw zal het de gehele context in ogenschouw moeten nemen en hier passend op moeten reageren. Aan de zijde van de kern van Katendrecht zal de bebouwing lager zijn en richting het monument, Fenix 1 en de Rijnhaven kan het in hoogte opbouwen. Conform de Nota van Uitgangspunten is qua bouwvolume op deze locatie zo'n 20.000 tot 25.000 m2 b.v.o. te realiseren met een maximale bouwhoogte van ongeveer 75 meter. Daarnaast zijn er een aantal uitgangspunten en ambities meegegeven voor het ontwerpen van het bouwvolume: «
»
»
«
»
Het veldblok staat vrij in de 'open' ruimte en laat voldoende maat vrij voor kwalitatief goede en bruikbare openbare ruimtes tussen de diverse gebouwen en het blok. Tussen de rooilijnen van de Fenix I en het veldblok zit minimaal 35 meter om voldoende 'open' ruimte tussen beide gebouw te houden. Dit is het resultaat van de participatiebijeenkomsten die plaats hebben gevonden in december 2020, zie ook paragraaf 9.1 Participatie. Door het gebied liep een vanuit cultuurhistorisch perspectief een interessant spoortracé, dat in de nieuwe context een interessante route van/naar de Rijnhaven kan zijn. Het veldblok dient dit tracé (niet per se letterlijk het oorspronkelijke tracé), te faciliteren, vrij van bebouwing te houden (overbouwen is toegestaan) en bij voorkeur te begeleiden. Het veldblok is qua massaopbouw goed afgestemd op zijn gebouwde omgeving waartussen het een intermediair vormt. Daarnaast is het gebouwvolume zo vormgegeven dat er voldoende ruimtelijkheid rond en zicht op het Codrico ensemble en Fenix 1 vanuit de directe omgeving blijft. Het bouwvolume verjongt naar boven toe, waardoor licht, lucht en (uit)zicht voor de omgeving en de omliggende openbare ruimte goed georganiseerd kunnen worden. Uitkragingen in het bouwvolume zijn niet wenselijk.
De bijzondere opgave en positie van het veldblok kan en mag in het ontwerp tot uiting komen door te kiezen voor afwijkende vormgeving. Bijvoorbeeld door te kiezen vooreen niet-orthogonale opzet en afwijkend materiaalgebruik. Uiteraard zonder de positie en uitstraling van het karakteristieke Codrico complex teniet te doen.
66
Wandgebouw Onderdeel van het huidige Codrico complex is een verzameling bedrijfsgebouwen en -loodsen ten oosten van het rijksmonument aan de zuidzijde van de Rijnhaven. De bestaande bebouwing, voor een deel de oudste oorspronkelijke bebouwing van de locatie, heeft geen beschermde status. Transformatie biedt in relatie tot de opgave weinig programmamogelijkheden, opbrengst en kwaliteit. Conform de Nota van Uitgangspunten is sloop en nieuwbouw toegestaan. Hierbij dient wel een goede afweging per gebouw/bouwdeel gemaakt te worden. Belangrijk bij nieuwbouw is de juiste maat, schaal en architectuur te realiseren zodat het wandgebouw zijn 'rol' in het industriële ensemble en de wand aan de Rijnhaven blijft spelen.
67
Toren Tussen de Bayhouse en het wandgebouw, waar thans een verzameling lage(re) bedrijfsbebouwing en loodsen staat, is de plek vooreen bijzondering in de wandbebouwing langs de zuidzijde van de Rijnhaven. Dit in de vorm van een hoogteaccent. De toren valt binnen de centrale Rotterdamse hoogbouwzone die zich langs de stadsas in de binnenstad op 2 oevers bevindt. Hier is een maximale bouwhoogte van 220 meter toegestaan. Voor een toren op deze plek is een lagere bouwhoogte dan het maximum gepast, gezien de gewenste afloop in hoogbouwhoogte vanaf de stadsas, schaduwwerking van de toren op het aan te leggen Rijnhavenpark en de bouwhoogtes in de directe omgeving. De toren dient naar boven toe te verjongen, bij voorkeur afgestemd op de omgeving, zodat er zowel dynamiek als logica in het hoogbouwvolume komt. En deze daarmee verder verbijzonderd ten opzichte van de orthogonale accenten in het Polsgebied aan de zuidzijde van de Rijnhaven. In de Hoogbouwvisie worden regels gesteld voor de verschijningsvorm van hoogbouw in Rotterdam. Het is mogelijk dat bijzondere omstandigheden leiden tot een uitzondering. Deze locatie vraagt om een afwijking van de opbouw van de hoogbouw zoals omschreven in het hoogbouwbeleid (geen toren die maximaal 500Zo van een basement beslaat).
Het afwijken in verschijningsvorm van het hoogbouwbeleid is alleen toegestaan mits alle andere uitgangspunten van het beleid in stand worden gehouden (zoals een aantrekkelijke plint, faciliteren van ontmoeting binnen het gebouw en een goed windklimaat). Indien hieraan voldaan wordt met de planvorming, is een uitzondering op het hoogbouwbeleid te verlenen.
Figuur 4.6: Indicatieve schets toren (bron: Codrico NvU) Openbare ruimte Gelet op de schakelpositie van de buitenruimte van Codrico wordt continuïteit van ruimtelijke opbouw, sfeer en materiaal met de aanliggende kadegebieden van de Fenixloodsen en Polsgebied van belang gevonden. Hiertoe zijn meerdere uitgangspunten voor de openbare ruimte opgesteld: »
»
Doorgaande kade. Gelijk aan de brede kade voor de Fenixloodsen (23 meter) en nieuwbouw in de Pols (16 meter) is behoud van een behoorlijke maat van de kade voor het Codrico terrein wenselijk. De breedtemaat ligt daarom hoofdzakelijk tussen de 14 en 19 meter waarmee deze zich verhoudt met de aanliggende kaden en geen onderbreking te vormt. Eenduidige kadevloer. In de inrichting van de kade is het gebruik van materiaal en meubilair gelijk aan de aanliggende kades uitgangspunt. Groenincisies - waar toegepast - maken deel uit van de kadevloer en zijn gelijk met het maaiveld. De uitvoering van het IP rond de Fenixloodsen illustreert de combinatie van verharding naar het Rotterdams bestratingspalet waarin de graniet kei domineert
68
»
»
»
»
»
»
«
»
en de vorm waarop groenvakken in de vloer zijn ingevoegd. West-oost verloop. De kade van het Codrico terrein ligt in het continuüm van een gradiënt vanaf de Fenixloodsen naar de stadsas voor de Pols. De bestratingsvorm en bomenstructuur verschiet van west naar oost van het Rotterdams Rauw en losse boomgroepen naar een verfijnder, warmere uitstraling met bomenrijen. Verknoopte buitenruimten. De inrichting van de openbare ruimte bij het Codrico terrein onderscheidt drie buitenruimtetypen. Ze verschillen in ligging, vorm en gebruik en gaan hier in elkaar over: de open rauwe kade-inrichting langs het water, de intiemere inrichting van de lange binnenstraat van de kadestegen (gelegen in de tweede lijn) en de groene invulling van het veldkavel. De inrichtingsvorm van elk van de drie ruimtedelen moet nog nader worden vormgegeven. Zo ook de manier hoe ze met elkaar worden verknoopt. Substantieel groen. Omwille van het verzachtend ruimtelijk effect, verblijfsplekken om te verpozen en een effectieve beheerbaarheid is groen van formaat wenselijk, dat zich verhoudt met de gebouwen. Het kadeoppervlak biedt ruimte voor groen, waar ruimte is aan een gebouw wordt groen toegevoegd voor verblijf. Buiten het groen verspreid over de doorlopende kadevloer, hebben plekken waar de open ruimte tussen de bebouwing zich verbreed bijzondere aandacht.
In het bijzonder de veldkavel waar veel aaneengesloten groen mogelijk is en pleinruimte rond de toren. Variatie in verblijf. Gezien het grote ruimtebeslag van de ontwikkeling is er aanleiding voor enige diversificatie aan verblijfsmogelijkheden afhankelijk van de plek in het gebied. De voorkeur verdient een pleksgewijze accenten en concentratie voor verblijf om spreiding en afwisseling door het gebied te krijgen. Havenartefacten. Integratie van historische objecten op de kade is wenselijk, maar moet gedoseerd worden. Naast gebruik van authentieke bestratingsmaterialen op de kade, is het daadwerkelijk inpassen van historische resten uit het havenverleden een pré (spoorrails, kranen, etc.). Duidelijke afspraken over exploitatie, beheer en onderhoud zijn een voorwaarde. Dwarsdoorsteken naar water. Op de drie directe dwarsdoorsteken door het gebied is aanleiding om een nadrukkelijker uitwerking aan het water te maken en de verbinding met het toekomstig drijvend park te maken. Vijf hoofdroutes. Er is een vijftal hoofdroutes essentieel voor het doorkruisen van het gebied: de route over de kade langs de kaderand (1) en de verbindingen met de route door het drijvend park (2) beiden onderdeel van het rondje Rijnhaven. De route door de lange binnenstraat naar de voorkant van de Fenixloods (3). De slingerende diagonaal vanaf de Fenixkade naar het Siloplein (4).
De voorlangs over de Brede Hilledijk en Veerlaan (5). Beheer. De omgeving van de nieuw- en oudbouw wordt publiekelijke ruimte. De invulling van deze openbare ruimte wordt door initiatiefnemer en gemeente gezamenlijk afgestemd. Verdere uitwerking vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor het aspect bouwen. Voor wat betreft het eigendom en beheer van het openbaar gebied worden ook nog verdere afspraken gemaakt.
Duurzaamheid, klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit Duurzaamheid is een belangrijk thema voor de leefbaarheid in Rotterdam. Duurzaam bouwen is dan ook integraal onderdeel van de ontwerpopgave. In paragraaf 6.12 Duurzaamheid wordt nader beschreven op welke wijze hier invulling aan wordt gegeven. Daarnaast wordt ook aandacht besteed aan natuurinclusief bouwen en het toekomstbestendig bouwen. Dit betekent dat rekening wordt gehouden met de flora en fauna bij de inrichting van het plangebied en tevens expliciet rekening wordt gehouden met het groen inrichten van het plangebied en hittestress. Maatregelen klimaatadaptatie « » » »
Waterberging, in de parkeergarage wordt een grote opslagtank ingepast voor het opvangen van hemelwater. Grijswatersysteem in kantoor (hemelwater wordt ingezet t.b.v. het spoelen van toiletten). Op de terrassen worden kratten ingepast waarmee hemelwater wordt opgevangen. Dit hemelwater wordt ingezet voor de bevloeiing van de daar aanwezige beplanting. Natuurlijke afwatering, hemelwater wat niet wordt opgevangen, dan wel vertraagd wordt afgevoerd, wordt afgevoerd op het terrein zelf of richting het open water in de Rijnhaven.
69
Maatregelen natuurinclusiviteit » »
Inpassing gevelkasten/nestkasten daar waar mogelijk. Preventie raamslachtoffers: om vogelslachtoffers te voorkomen (vogels die tegen de grote glazen vliesgevels aanvliegen) zal gebruik gemaakt worden van gevelbeglazing met een reflectiefactor van 150Zo of minder.
Groene toepassingen De landschapsvisie ambieert om veel meer te maken dan enkel een ruimte waar doorheen gewandeld wordt. Het wordt een locatie met een coherente look-and-feel, maar met een veelheid aan gebruiken en programmatie. Binnen de ontwikkeling van het Codrico terrein bouwt het landschap verder op de visie en het masterplan van de gemeente, waarbij de historische kwaliteit van de haven nog duidelijk voelbaar is en de relatie met het water nooit veraf. Het combineert de kwaliteiten van een nieuwe, grote stadsontwikkeling met intieme groenruimtes, knappe publieke ruimte en een directe link met het karakteristieke verleden. Het wordt een ruimte voor iedereen, waarbij het ontwerp voor de publieke ruimte onlosmakelijk verbonden is met de gebouwen. Dit niet enkel voor het verzachten van harde bouwranden of recreatie, maar als basisingrediënt voor klimaatadaptief stadsontwerp. Het landschap is robuust en stevig geïntegreerd in de omliggende ontwikkeling zodat er een duurzame verhouding ontstaat tussen biodiversiteit en stedelijk gebruik. De vegetatiezones geven ruimte aan een variëteit aan beplanting, waterbuffering en infiltratie en voor fauna met een natuurlijk stedelijke habitat. Op het dak van de bebouwing worden deels balkonbakken gerealiseerd met grotendeels inheemse beplanting.
Deze balkonbakken brengen diverse microhabitats door afwisselend gebruik te maken van heesters, kruidachtige planten en grassen. Met de aanwezigheid van bloemen, zaden en bessen zal dit een positieve invloed hebben op zowel insecten als vogels. Bijen, zweefvliegen en vlinders worden nog eens extra gestimuleerd door de inpassing van nestgelegenheden d.m.v. insectenhotels.
70
GIERZWALUW
GEWONE DWERGVLEERMUS HUISMUS LUCHTZUIvERI NG
CREEEREN DIVERSE BIOTOPEN VRUCHTEN
GROENE VERBINDING ZADEN BLOEMEN/STUIFMEEL
INSECTENHOTEL NESTKASTEN I MOGELIJKHEDEN BOOMSTAMBEHANDELING
BEHOUD VAN OE BODEMKWALITEIT SCHU LMOGEL KHEDEN FAUNA ĨOEPASSEN HEESTERS
Figuur 4.7: Invulling groene zones (bron: Codrico Ontwikkelvisie) Maatregelen ter voorkoming van hittestress »
« »
4.4
Er dienen koelteplekken in de nabije omgeving te worden gerealiseerd (in het omringende landschap). De kade grenzend aan de Rijnhaven zal bijdragen aan afkoeling binnen het gebied, evenals het te realiseren groen. Op de balkons en dakterrassen krijgen we daktuinen (plantbakken), met daarin groen. Deze dragen positief bij aan het voorkomen van hittestress. Groenoppervlak neemt toe, dit levert een positieve bijdrage aan de verkoeling van het gebied.
Juridische planbeschrijving
Inleidende regels De inleidende regels bevat de begripsbepaling en de wijze van meten. Het artikel 'begrippen' geeft een toelichting op begrippen die in het normale spraakgebruik niet voorkomen en dus zonder uitleg voor interpretatie vatbaar zijn. Het artikel 'wijze van meten' beschrijft hoe de maatvoeringen zoals deze in de regels voorkomen moeten worden gemeten. Bestemmingsregels Gemengd In dit bestemmingsplan heeft het deel van het plangebied dat wordt getransformeerd de bestemming 'Gemengd' gekregen. Binnen deze bestemming is wonen met bijbehorende voorzieningen toegestaan. Er geldt een maximumaantal van 1.550 reguliere woningen. Daarnaast wordt maximaal 32.000 m2 b.v.o. aan niet-woonfuncties toegestaan. Het gaat hierbij om de bedrijvigheid, kantoor, praktijkruimten en dienstverlening, horeca, sportvoorzieningen, cultuur en ontspanning alsmede maatschappelijke voorzieningen. Ten aanzien van bedrijvigheid geldt dat deze uitsluitend gerealiseerd mag worden
71
wanneer sprake is van maximaal een milieucategorie 2 en/of de activiteiten qua aard en omvang daarmee vergelijkbaar zijn. Tevens zijn functies die horen bij voornoemde (niet-)woonfuncties toegestaan. Gebouwen zijn toegestaan binnen het bouwvlak en dienen qua bouwhoogte te voldoen aan de opgenomen maatvoering aanduidingen. Ook zijn parkeervoorzieningen binnen deze bestemming mogelijk. Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingsweg aan de zuidoostzijde van het plangebied alsmede voor de kade. Binnen deze bestemming is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). Binnen deze bestemming zijn expliciet de bestaande (loop)bruggen en laaddocks toegestaan. Waarde - Archeologie In de regels zijn ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied de dubbelbestemming '6 Waarde - Archeologie'.
Voor de gronden met een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' geldt dat voor bouw- en graafwerkzaamheden dieper dan 1 meter beneden NAP en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m2 beslaan, een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden benodigd. Cultuurhistorie De beeldbepalende bebouwing heeft behalve de onderliggende bestemming ook de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' gekregen. De cultuurhistorische waarden worden met deze dubbelbestemming beschermd doordat het verboden is om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders de betreffende bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. Algemene regels Een aantal zaken is algemeen van aard of heeft niet zozeer betrekking op een specifieke bestemming uit hoofdstuk 2 van de regels. Deze zaken zijn geregeld in hoofdstuk 3 Algemene regels. Het gaat hier om de anti-dubbeltelregel, de algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene procedureregels en de overige regels. In de algemene afwijkingsregels is een uitzondering opgenomen, zodat de maximale bouwhoogte in geen geval wordt overschreden. In de overige regels is de voorwaardelijke verplichting voor het parkeren opgenomen.
Overgangs- en slotregels Tot slot zijn in hoofdstuk 4 de regels ondergebracht met betrekking tot het overgangsrecht (overgangsregels) en de slotregel.
72
Hoofdstuk 5
Water
5.1
Beleidskader
5.1.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Voor bouwen en aanleggen in het rivierbed (het buitendijks gebied) van de grote rivieren is, op grond van de Waterwet en het bijbehorende Waterbesluit, een vergunning nodig van Rijkswaterstaat. Nieuwe (bouw)werken in het rivierbed mogen geen afbreuk doen aan de waterhuishoudkundige functie van de rivier. In het Waterbesluit zijn een aantal (vooral stedelijke) gebieden aangewezen waarop de vergunningplicht niet van toepassing is aangezien die gebieden rivierkundig van minder belang zijn. Geheel Katendrecht ligt buitendijks. Zowel het schiereiland Katendrecht als de Maashaven en Rijnhaven behoren tot het gebied waar geen vergunning van Rijkswaterstaat is vereist. Buitendijks gebied kan bij hoog water overstromen.
Eigenaren in het buitendijks gebied zijn zelf aansprakelijk voor schade door hoog water en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen. De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid in openbaar gebied. Bij bestaande situaties kan de gemeente bijdragen aan een goede veiligheidssituatie door het opstellen van evacuatieplannen, bij nieuwe situaties kan dit ook door het opnemen van bepalingen in het ruimtelijk plan. 5.1.2
Provinciaal beleid
De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van de hoogwaterrisico's. Gemeenten worden gevraagd bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting te maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en te verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de Provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de Provinciale Verordening Ruimte. De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken. 5.1.3
Gemeentelijk beleid
Rotterdams Weerwoord Het college van B&W heeft in februari 2019 het Rotterdams Weerwoord vastgesteld. Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwater onder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. In 2019 wordt samen met de waterschappen gewerkt aan uitvoeringsafspraken. Gemeentelijk Rioleringsplan Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) Rotterdam 2021-2025 is een wettelijk verplicht meerjarenbeleidsplan, dat alle aspecten op het gebied van de grondwater- en rioleringstaken van de gemeente Rotterdam behandelt. Het plan is in overleg met de waterkwaliteitsbeheerders opgesteld. Voor de planperiode 2021-2025 heeft Rotterdam vijf doelen geformuleerd:
73
1. 2. 3. 4. 5.
Een goed functionerend stedelijk watersysteem voor een aantrekkelijke stad Klimaatbestendig stedelijk watersysteem Robuust grondwatersysteem Actieve communicatie en participatie Innovatie, digitalisering en automatisering
Hemelwaterverordening en waterberging Het klimaat verandert, extreem weer komt steeds vaker voor. Daardoor neemt de kans op overlast en schade door hevige neerslag toe. Om de stad voor te bereiden op een extremer klimaat zijn de volgende regelingen ingesteld: » »
Bestaande situaties: de Hemelwaterverordening voor het afkoppelen van verharding van bestaande gebouwen en terreinen. Nieuwbouw: de eis van 50 mm waterbergen bij nieuwbouw in de Verordening Beheer Ondergrond Rotterdam (VBOR).
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. Het Waterschap Hollandse Delta is de waterbeheerder van regionaal water. Rijkswaterstaat is de waterbeheerder van de rivier en de havens. En de gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden.
5.3
Huidige watersysteem
5.3.1
Oppervlaktewater
Het bestemmingsplangebied ligt geheel buitendijks. Aan de noordzijde bevindt zich de Rijnhaven. Het plangebied zelf is volledig verhard. Verder zijn er in de nabijheid geen watergangen aanwezig. 5.3.2
Grondwater
Voor grondwater ligt er in de nabije omgeving van het plangebied een peilbuis (nr. 130564-2). Deze peilbuis meet de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uit de peilbuizen blijkt dat de kleinste ontwateringsdiepte in het plangebied 1,52 meter (sinds 2000) is. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. Aangezien de ontwateringsdiepte overal aanzienlijk groter is dan 80 centimeter zal niet snel grondwateroverlast in het plangebied optreden. 5.3.3
Waterkering
Het plangebied bestaat geheel uit buitendijks gebied. Ten oosten van het plangebied, ter plaatse van de Maashaven oostzijde, de Hillelaan en (de oostkant van) de Brede Hilledijk ligt een primaire waterkering. De waterkering zelf en de beschermingszone van de waterkering, vallen ruimschoots buiten het plangebied.
74
Figuur 5.1: Uitsnede Legger primaire waterkeringen (bron: Waterschap Hollandse Delta) Aangezien het plangebied buitendijks is gelegen wordt hoog water niet tegengehouden door een waterkering. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water wordt bepaald door de terugkeertijd van hoge waterstanden in de Nieuwe Maas en de maaiveldhoogte van het plangebied ten opzichte van dat hoge water. Door de doorgaans relatief hoge ligging van het buitendijks gebied is de kans op grote waterdieptes in het algemeen klein. Bovendien gaat het overstromen van buitendijks gebied in het algemeen langzaam en is het goed voorspelbaar. De kans op verdrinking is daardoor klein. Materiële schade en maatschappelijke ontwrichting zijn beiden afhankelijk van de waterdiepte die optreedt en de functies en objecten die hier last van hebben. Enkele centimeters water in openbaar gebied hoeft niet direct schade op te leveren, maar als deze hoeveelheid water staat in een woning of bedrijf is er vaak wel schade aan het pand en de inboedel. Daarnaast ontstaat er nog schade door eventueel productieverlies. Water op een weg kan ook betekenen dat deze niet meer zichtbaar is waardoor gebieden mogelijk onbereikbaar zijn. Dit kan leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Er is onderzocht hoe kwetsbaar Katendrecht is voor wateroverlast door overstroming.
Hieruit blijkt dat zelfs bij een zeer hoge waterstand in de rivier, met een zeer kleine kans van optreden, er in het grootste deel van Katendrecht geen water op het maaiveld staat. Bij de oudste bebouwing in Katendrecht kan er maximaal 50 cm water op straat komen te staan. Dergelijke waterstanden op het maaiveld geven overlast en een grote kans op materiële schade. Maar het persoonlijk risico en de kans op maatschappelijke ontwrichting zijn gering. 5.3.4
Riolering
Het plangebied valt geheel binnen rioleringsdistrict 28 (Het Zuiden), het grootste riooldistrict van Rotterdam. Het vuilwater in dit riooldistrict wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie Dokhaven. In Katendrecht ligt overwegend een gemengd rioolstelsel. Dit betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering.
5.4
De wateropgave
5.4.1
Oppervlaktewater
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een gemengd woon-werkgebied. In de huidige situatie is de grond ter plaatse reeds volledig verhard en is fabrieksbebouwing aanwezig. Voorliggend plan voorziet niet in een toename van verhard oppervlak en compensatie is derhalve niet benodigd. Als gevolg van voorliggend plan wordt tevens geen nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. Op de lagergelegen bouwdelen worden de daken groen ingericht, zodat dit een positieve invloed heeft op de waterbergingscapaciteit binnen het plangebied.
75
Conform de VBOR is de minimale capaciteit van de hemelwaterberging 50 mm ten opzichte van het oppervlak van het nieuw aan te brengen bouwwerk en terreinverharding. In dit geval is het terrein reeds grotendeels verhard en bebouwd. In de gewenste 50 mm waterberging zal worden voorzien. Waar mogelijk worden de daken van het Codrico terrein voorzien van groene daken met aanvullende waterretentievoorzieningen. De waterretentievoorziening zal in de vorm van waterretentiekratten onder de groene dakbedekking zijn. Het resterende benodigde volume aan hemelwater dat geborgen dient te worden op het eigen terrein zal, verspreidt over de verschillende bouwblokken, door middel van retentievoorzieningen worden geborgen. Afhankelijk van het buffervermogen op de groene daken worden deze retentievoorzieningen gedimensioneerd. Als alternatief kan het opgevangen hemelwater worden geloosd op het oppervlaktewater in de Rijnhaven. Dit betekent dat er geen lozing van hemelwater op het openbare riool plaatsvindt. Bij deze oplossing is een retentievoorziening niet nodig. Wel is hier een goede afstemming voor nodig met de verschillende waterbeheerders en belanghebbenden.
Op de daken dient er alsnog genoeg gebufferd te worden om de groene daken van irrigatie te kunnen blijven voorzien De wijze waarop in waterberging wordt voorzien, wordt in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag voor het aspect bouwen nader uitgewerkt. 5.4.2
Grondwater
Aangezien het plangebied in de huidige situatie reeds volledig is verhard, is een impact op de grondwaterstand als gevolg van een toename in verharding niet te verwachten. Er wordt rekening gehouden met de mogelijke invloed op het grondwater als gevolg van beoogde realisatie van een ondergrondse parkeergarage. 5.4.3
Waterkering en waterveiligheid
Het plangebied is buitendijks gelegen. Dit betekent dat hoog water niet wordt tegengehouden door een waterkering. De kans dat een buitendijks gelegen locatie last krijgt van hoog water wordt bepaald door de terugkeertijd van hoge waterstanden in de Nieuwe Maas en de maaiveldhoogte van het plangebied ten opzichte van dat hoge water. Door de doorgaans relatief hoge ligging van het buitengebied is de kans op grote waterdieptes in het algemeen klein. Om inzicht te krijgen in de toekomstbestendigheid van het buitendijkse gebied ten aanzien van de waterveiligheid zijn (in het kader van het bestemmingsplan "Katendrecht'') de maaiveldhoogtes in Katendrecht vergeleken met een zeer hoge waterstand. Dergelijke hoge waterstanden kunnen volgens prognoses voorkomen vanaf het jaar 2100. Daaruit blijkt dat Katendrecht met de huidige maaiveldhoogtes op de lange termijn kwetsbaar is voor hoog water. Bij nieuwe ontwikkelingen is het daarom zaak deze op een hoger peil te realiseren dan het huidige maaiveld. Om aan de provinciale veiligheidsnorm voor lokaal individueel risico te voldoen, geldt voor ontwikkelingen een uitgiftepeil van ten minste 3,30 meter boven NAP. De gemeente adviseert om buitendijks een uitgiftepeil te hanteren van 3,60 meter boven NAP (voor kwetsbare functies 3,90 meter boven NAP).
Het oostelijk deel van de ontwikkeling sluit aan op de nieuwbouw van de Pols noordzijde waar een peilmaat van +3,90 meter boven NAP gehanteerd wordt in verband met overstromingsrisico. Dit heeft betrekking op de toren en het wandgebouw. Katendrecht ligt buitendijks en dat brengt het risico van overstroming met zich mee. Daarentegen is de kade aan de Rijnhavenzijde bestaand en ligt op +3,30 meter boven NAP. In de buitenruimte zal deze hoogte overbrugd moeten worden naar de nieuwbouw op minimaal +3,60 meter boven NAP en bij voorkeur +3,90 meter boven NAP. Omdat het hier gaat om buitendijks gebied zijn bewoners en gebruikers zelf verantwoordelijk voor de waterveiligheid. Bij hoge waterstanden op het maaiveld kan evacuatie naar andere gebieden lastig zijn. In het gebied komen echter voldoende hoge gebouwen voor waar verticale evacuatie plaats kan vinden. Gezien het bovenstaande kan worden gesteld dat sprake zal zijn van een goede waterveiligheid en een lage kans op maatschappelijke ontwrichting.
76
5.4.4
Riolering
Voorliggend bestemmingsplan maakt de herontwikkeling van een fabrieksterrein naar een kwalitatief hoogwaardige stadswijk mogelijk. De hoeveelheid afvalwater die in het gebied wordt geproduceerd (en via het riool moet worden afgevoerd) neemt hierdoor toe. Belemmeringen worden hier vooralsnog niet verwacht. Er zal hierbij gebruik gemaakt worden van een gemengd stelsel. Voor het hemelwater geldt dat de waterretentievoorziening in de vorm zal zijn van waterretentiekratten onder de groene dakbedekking. Afhankelijk van het buffervermogen op de groene daken worden de retentievoorzieningen gedimensioneerd. De locaties van deze retentievoorzieningen worden in een later ontwerpstadia bepaald. Een alternatief is dat het hemelwater wordt opgevangen en geloosd op het oppervlaktewater in de Rijnhaven. Hierbij is een retentievoorziening niet nodig. Afstemming over de wijze waarop hier invulling aan wordt gegeven vindt nog plaats.
77
Hoofdstuk 6 6.1
Milieu
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.
Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieuzonering
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.
Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. Relatie tot plangebied Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Het plangebied kan worden getypeerd als een gemengd gebied, aangezien naast woningen er ook andere functies komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
78
Legenda LĽ Plangebied Milieucategone
i
Milieucategone 3.2 Milieucategone 4.2
.
ir.
225 m
Figuur 6.1: Ligging nabijgelegen percelen waar bedrijvigheid is toegestaan (bron: Onderzoek bedrijven en milieuzonering Peutz)
79
Figuur 6.2: Ligging omliggende bedrijven (bron: Onderzoek bedrijven en milieuzonering Peutz) Bedrijvigheid aan de westzijde van het plangebied Ten westen van het plangebied is conform het nu nog vigerende bestemmingsplan 'Katendrecht-Kern' bedrijvigheid behorend tot maximaal milieucategorie 4.2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 200 meter in gemengd gebied. Uit de bovenstaande figuur volgt dat hier niet aan wordt voldaan. Er is echter geen sprake meer van dergelijke bedrijvigheid direct grenzend aan het plangebied. Op korte afstand van het plangebied, op het aangrenzende perceel, is de Fenixloods 1 gesitueerd. Dit betreft een loods die ruimte biedt aan gemengde functies, waaronder woningen. De realisatie van woningen op korte afstand van de Fenixloods 1 (nummer 1 in het bovenstaande figuur), is gezien deze ontwikkeling zelf al woningen omvat hiermee inpasbaar. De Fenixloods 2 (nummer 2 in de bovenstaande figuur), die iets verder van de beoogde ontwikkeling is gelegen, wordt getransformeerd en zal onder andere ruimte bieden voor een museum. Op grotere afstand van de beoogde ontwikkeling bevindt zich bovendien het bedrijf Provimi (nummer 3 in bovenstaande figuur). Dit bedrijf behoort tot milieucategorie 5.1 en kent hiermee een richtafstand van 300 meter in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan.
Tevens zijn er aldus reeds woningen op kortere afstand tot dit bedrijf gesitueerd. Dit vormt hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Overigens is conform het ontwerpbestemmingsplan 'Katendrecht', dat recentelijk ter inzage heeft gelegen, is ter plaatse van de gronden aan de westzijde van het plangebied maximaal sprake van bedrijvigheid behorend tot milieucategorie 2. Bedrijvigheid aan de oostzijde van het plangebied Ten oosten van de beoogde ontwikkeling is sprake van gronden (nummer 5 in bovenstaande figuur) alwaar op basis van de maximale mogelijkheden conform het vigerende bestemmingsplan niet aan de van toepassing zijnde richtafstand van 10 meter wordt voldaan. Ook aan de oostzijde is conform het ontwerpbestemmingsplan 'Katendrecht', ter plaatse van deze gronden maximaal sprake van bedrijvigheid
80
behorend tot milieucategorie 2. Ter plaatse van de betreffende gronden, die direct grenzen aan het plangebied aan de Rijnhaven Zuidzijde, wordt echter voorzien in woningbouw. Bovendien geldt hier ook voor dat de beoogde bebouwing niet op een kortere afstand dan 10 meter gesitueerd zal worden tot deze percelen. Bedrijvigheid aan de zuidzijde van het plangebied Aan de zuidzijde van de beoogde ontwikkeling bevinden zich aan de Rijnhaven Zuidzijde en Brede Hilledijk diverse bedrijven (nummer 4 in bovenstaande figuur), waaronder een casino en garagebedrijf. Deze bedrijvigheid behoort tot maximaal milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand van 10 meter van toepassing is. Tussen deze bedrijven en de woningen binnen de beoogde ontwikkeling zal echter aan deze richtafstand worden voldaan. Het plangebied grenst direct aan deze bedrijfspercelen, de bebouwing ter plaatse van het plangebied is echter op ten minste 10 meter afstand van deze percelen gesitueerd. Daarnaast zijn de bestaande bedrijven niet richting de beoogde ontwikkeling georiënteerd. Bovendien wordt opgemerkt dat deze gronden in de toekomst, zoals ook volgt uit de vastgestelde Nota van Uitgangspunten voor het Codrico terrein, tevens herontwikkeld worden. Op grotere afstand van de beoogde ontwikkeling bevindt zich bovendien het bedrijf Provimi.
Dit bedrijf behoort tot milieucategorie 5.1 en kent hiermee een richtafstand van 300 meter in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Tevens zijn er aldus reeds woningen op kortere afstand tot dit bedrijf gesitueerd. Dit bedrijf vormt hiermee geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn de geurbronnen in de omgeving geinventariseerd. Hieruit volgt dat sprake is van twee relevante geurbronnen in de omgeving, te weten Provimi en Quaker Oats. De beoogde ontwikkeling is, conform de deelstudie geur, behorend bij de planMER uit 2010 voor de Stadshavens, gelegen in de geurcontouren van beide voornoemde bedrijven. Op basis van de beschikbare informatie blijkt dat deze bedrijven geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling (zie ook bijlage 18). Voor Provimi geldt dat ter plaatse van de Fenixloods 1 sprake is van een acceptabele situatie wat geurhinder betreft. Aangezien de beoogde woningen binnen het plangebied niet op kortere afstand van Provimi zijn gesitueerd is ook voor de beoogde ontwikkeling sprake van een aanvaardbare situatie wat de geur als gevolg van Provimi betreft. Ook voor Quaker geldt dat er op kortere afstand dan de beoogde woningen reeds woningen zijn gesitueerd, zodat ter plaatse sprake zal zijn van een aanvaardbare situatie.
De nieuwe woningen vormen daarmee tevens geen nieuwe belemmeringen voor de bestaande bedrijvigheid. Bedrijvigheid binnen het plangebied Ter plaatse van het plangebied zal in de toekomstige situatie tevens sprake zijn van enige bedrijvigheid. Het voornemen bestaat immers om een gemengd woon- en werkgebied te realiseren. Hierbij zal beoordeeld moeten worden of sprake is van een inpasbare situatie. Naar alle verwachting zal sprake zijn van relatief kleinschalige bedrijvigheid. Het plan omvat onder andere mogelijk kantoren, detailhandel, horeca (bijvoorbeeld een restaurant), hotelfuncties, culturele voorzieningen (bijvoorbeeld een museum, tentoonstellingsruimte of atelier) en dienstverlening (bijvoorbeeld een kinderdagverblijf, apotheek, huisarts en fitness). Hierbij worden geen of zeer beperkt milieubelastende activiteiten ontplooid, welke overwegend zullen aansluiten op categorie A uit de "Staat van bedrijfsactiviteiten - functiemenging". Voor deze activiteiten geldt dat deze aanpandig aan gevoelige bestemmingen gerealiseerd kunnen worden en dat de eisen uit het Bouwbesluit over het algemeen toereikend zijn. Ingeval sprake is van activiteiten uit categorie B zullen deze bouwkundig afgescheiden van woningen en andere milieugevoelige functies uitgevoerd moeten worden. Hiermee wordt een goed woon- en leefklimaat geborgd.
Conclusie De beoogde woningen bevinden zich op een passende afstand tot bedrijvigheid. Daarnaast is naar verwachting sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.
81
6.3
Verkeer en parkeren
Het plan omvat het realiseren woningen, kantoren, commerciële - en maatschappelijke functies. Deze functies kennen een verkeersaantrekkende werking. Om te bepalen wat de invloed hiervan op de omgeving is, is de verkeersaantrekkende werking inzichtelijk gemaakt. De gemeente Rotterdam is een 'zeer sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in het locatietype 'centrum'. De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt dan ook getoetst aan de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeernormen. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij: « »
Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project. Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis.
Relatie tot plangebied Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Goudappel Coffeng een parkeerbalans opgesteld en is de verkeersaantrekkende werking van de ontwikkeling inzichtelijk gemaakt, zie ook bijlage 5. Daarbij is voor de niet-woonfuncties uitgegaan van een invulling van de 32.000 m2 die de hoogste parkeerbehoefte en verkeersaantrekkende werking kent. Autoparkeren De beoogde ontwikkeling van het Codrico terrein bestaat uit een mix van wonen, werken en voorzieningen. In totaal zijn er vier verschillende bouwblokken waarvan de parkeerbehoefte in twee parkeergarages wordt opgelost. In totaal is in dit onderzoek uitgegaan van 1.550 woningen en 32.000 m2 aan kantoren, hotel, commerciële en maatschappelijke ruimtes. Er worden in totaal twee parkeergarages gerealiseerd om de parkeerbehoefte op te lossen. De parkeerbak veldblok heeft een capaciteit van 205 parkeerplaatsen. De parkeerbak wandblok heeft een capaciteit van 155 parkeerplaatsen. De gezamenlijke parkeercapaciteit in het plan bedraagt zodoende 360 parkeerplaatsen voor auto's. Het benodigde parkeeraanbod is berekend door de functies uit de onderstaande figuur te vermenigvuldigen met de bijbehorende gemeentelijke parkeernormen.
82
Figuur 6.3: totale functieprogramma Codrico verdeeld over de twee parkeerbakken (bron: Verkeersonderzoek Codrico Rotterdam Goudappel) De exacte invulling van de functies is nog niet bekend. Daarom is uitgegaan van een worst-case scenario door voor iedere functie te kiezen voor de meest maatgevende functie qua parkeren en verkeer. Deze gekozen functies en bijbehorende parkeernormen zijn weergegeven in de onderstaande figuur. functie
functie in beleid
parkeernorm
eenheid
appartement 40-65 m2 gbo
appartement 40-65 m2 gbo
0,4
ppl per woning
appartement 65-85 m2 gbo
appartement 65-85 m2 gbo
0,6
ppl per woning
appartement 85-120 m2 gbo
appartement 85-120 m2 gbo
1
ppl per woning
appartement > 120 m2 gbo
appartement » 120 m2 gbo
1,2
ppl per woning
1,20
ppl per 100 m2 bvo
kantoor