[24bb004466] Bijlage 1 behorende bij 24bb004465 over NI PV, Extreem geweld in Rotterdam: Het brandweeroptreden en de multidisciplinaire samenwerking
Tekst van het document
Iedere veiligheidsregio organiseert haar eigen opvang en nazorg, maar een aantal crisisfuncties (bijvoorbeeld de meldkamer, het team brandonderzoek) zijn bovenregionaal georganiseerd. Bovendien wordt er ook interregionale bijstand verleend. Omdat er nog geen structurele processen bestaan voor het organiseren van de opvang en nazorg voor crisisfunctionarissen ontbreekt het op dit moment nog aan goed overzicht van de betrokken crisisfunctionarissen en enige coördinatie tussen betrokken afdelingen en organisaties. Zo waren bijvoorbeeld de piketfunctionarissen van de afdeling communicatie in eerste instantie niet bij de debriefing betrokken en hebben zij lang moeten wachten op gepaste nazorg. Daarnaast bestond er korte tijd verwarring over de vraag bij welk nazorgtraject het QRT-Haaglanden zou aansluiten. Een andere groep die in kader van dit soort incidenten wellicht meer aandacht behoeft, is het thuisfront. Het thuisfront is wel al opgenomen als aandachtspunt in de planvorming. Een dergelijk incident als het brand- en schietincident in het Erasmus MC kan rekenen op veel
63/84
media-aandacht. Doordat bijvoorbeeld al snel video’s van een incident verschijnen op sociale media, kan het thuisfront deels meekijken met de inzet die hun naaste tijdens zo’n incident pleegt. Ze zijn op de hoogte van de mogelijk dreigende situatie en maken zich zorgen om hun veiligheid. Dit kan effect hebben op het welzijn van het thuisfront. Zo zei een brandweerfunctionaris: “Er was een foto in de media waarop vier personen stonden. Drie functionarissen droegen een kogelwerend vest, maar ik niet. Mijn partner zag dat en kreeg de indruk dat ik niet veilig stond. Dat heeft wel indruk gemaakt.”
7.5 Perspectief: nazorg of welzijn? Opvang en nazorg worden doorgaans opgestart als medewerkers geconfronteerd zijn met schokkende en ingrijpende gebeurtenissen. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond vormt daarin geen uitzondering. Hoewel opvang en nazorg in de directe nafase belangrijk zijn, betekent dit dat er sprake is van een korte termijnperspectief op de opvang en nazorg. De vraag die dit oproept, is of dit perspectief niet te beperkt is. Zowel de aard van dit incident als het ontstaan van psychosociale klachten onder hulpverleners in het algemeen geven een indicatie dat een breder en meer langetermijnperspectief op het algeheel welzijn van medewerkers in overweging genomen zouden kunnen worden. Een dergelijke insteek zou zich meer richten op preventie, dus vóórdat medewerkers te maken krijgen met incident in plaats van na afloop, en houdt rekening met een breder palet aan factoren die de stress en het welzijn van medewerkers beïnvloeden. 24 Een brede gezondheidsmonitor of activiteiten die mentale veerkracht bevorderen, zoals mindfulness, zouden bij zo’n perspectief kunnen passen. Onderzoek heeft al de waarde van mindfulness voor de brandweer aangetoond (Smith et al., 2011; Boon, 2017). In de nieuwe richtlijn voor de psychosociale opvang van personen in hoogrisicoberoepen wordt ook veel meer dan in het verleden de aandacht gericht op goed werkgeverschap.
Bij enkelen leeft het idee dat dit incident op geijkte momenten weer naar boven zal komen. Of dat daadwerkelijk het geval is, moet nog blijken, maar de indruk die het incident op verschillende hulpverleners heeft gemaakt geeft wel aanleiding om hier rekening mee te houden. Daarnaast zien we dat bij vergelijkbare incidenten, zoals de tramaanslag in Utrecht (2019) en het schietincident in Alphen aan de Rijn (2011) jaren na dato nog worden herdacht vanwege de impact die ze hadden op de stad en betrokkenen (NOS 2021; NOS, 2023). In het geval van Rotterdam loopt het strafproces naar de dader nog, waardoor het incident met enige regelmaat nog media-aandacht zal krijgen, wat steeds opnieuw een trigger kan zijn voor het herbeleven van de gebeurtenissen. Veel hulpverleners typeerden het incident als heel indrukwekkend, maar de mate waarin het een mentale en/of fysieke impact had, verschilde. Zo vertelden sommigen geen enkele mentale of fysieke last ervan te hebben ondervonden. Anderen gaven daarentegen aan bij thuiskomt of de dagen erna fysiek uitgeput te zijn. Sommige waren ten tijde van het interview nog bezig met de verwerking van het incident. De TCO-organisatie heeft voor een aantal brandweereenheden en een aantal collega’s van de GHOR sessies georganiseerd.
24Wetenschappelijk onderzoek hiernaar staat nog in de kinderschoenen (Porter & Lommen, 2023).
64/84
Diverse factoren gelieerd aan de inzet kunnen bijdragen aan het ontstaan van beroepsgerelateerde ziektes (bijvoorbeeld de taakstelling en de ervaringen tijdens het incident). Daarnaast kunnen ook andere werk- en privéomstandigheden bijdragen aan het ontstaan van de beroepsgerelateerde ziektes. Een respondent meldt: “We zitten in een heftige tijd in termen van de organisatie, mensen lopen continu op hun tenen. Met dit soort incidenten wordt het een optelsom en komt het tot uiting.” Hieruit blijkt dat andere werkgerelateerde omstandigheden ervoor kunnen zorgen dat hulpverleners minder in staat zijn om een ingrijpend incident te verwerken. De krapte op de arbeidsmarkt, die ook de veiligheidsregio treft, kan hier negatief aan bijdragen (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, 2022a). Uit de ervaringen van TCO-medewerkers, die worden bevestigd in eerder onderzoek (Geense, 2023), blijkt dat psychosociale klachten en beroepsgerelateerde ziektes vooral ontstaan door een samenloop van factoren, waarvan het incident er een is. Psychosociale klachten kunnen zich ook na langere tijd pas openbaren. Dit zou pleiten voor een brede langetermijnaanpak, die zich richt op het algeheel welzijn van de hulpverleners.
7.6 Tot slot Het bieden van goede opvang en nazorg staat bij Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond hoog op de agenda en de veiligheidsregio heeft ons inziens adequaat gereageerd op de signalen vanuit de eigen organisatie. Het is te prijzen dat er activiteiten zijn ontplooid voor de opvang en nazorg aan een diverse groep functionarissen. Zowel de formele als informele wijze van opvang en nazorg zijn door velen als prettig ervaren. Uit dit leeronderzoek komt naar voren dat men scherp dient te zijn op de vorm van opvang en nazorg die wordt geboden en de wijze waarop daarover wordt gecommuniceerd. Dit omvat onder andere de scheiding van een technische debriefing en psychologische ondersteuning. Voor de brandweerorganisatie is het verstandig meer zicht te krijgen op de weerstand die bij sommigen bestaat tegen het TCO. Meer aandacht voor het welzijn van medewerkers kan de mentale weerkracht bevorderen en de psychische gevolgen van schokkende incidenten in de toekomst verkleinen.
65/84
8 Voorbereiden op extreem geweld Rotterdam werd op 28 september 2023 geconfronteerd met een situatie van extreem geweld. In het risicoprofiel van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond staan dergelijke incidenten aangemerkt als waarschijnlijk met een ernstige impact (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, 2022b). In de afgelopen jaren heeft de veiligheidsregio geïnvesteerd in planvorming en voorbereiding op dit gebied. Maar hoe beschouwen de betrokkenen deze plannen en voorbereiding in het licht van de gebeurtenissen? Kan men zich überhaupt voorbereiden op een dergelijk incident?
8.1
Voorbereiding in Rotterdam-Rijnmond
Eind 2023 verscheen het Landelijk Crisisplan Extreem geweld en Terrorisme, waarmee het handelingskader voor terrorismegevolgbestrijding werd geactualiseerd. 25 Het landelijk crisisplan is kaderstellend voor de operationele organisaties, waaronder die van de veiligheidsregio. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft ‘terrorisme, extremisme en radicalisering’ in haar risicoprofiel gecategoriseerd als ‘ernstig’ (Veiligheidsregio RotterdamRijnmond, 2022b). Het gaat dan om (niet-)gewelddadig extremisme en terrorisme gericht tegen personen, de infrastructuur of vitale voorzieningen. Uitgaande van deze risicobeoordeling heeft de veiligheidsregio een incidentbestrijdingsplan ‘Dreiging & Terrorismegevolgbestrijding’ opgesteld en een aanvullend handelingskader in lijn met landelijke en regionale kaders. Deze planvorming voorziet in de uitgangspunten voor de preparatie en respons op situaties van (dreigend) extreem geweld en terrorisme. Sinds 2015 is de planvorming op dit gebied tot stand gekomen in samenwerking met Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid; het incidentbestrijdingsplan geldt dan ook voor beide veiligheidsregio’s. Naast het opstellen van een incidentbestrijdingsplan en een handelingskader heeft de veiligheidsregio zich de afgelopen jaren ook middels oefeningen en trainingen voorbereid op situaties van extreem geweld en terrorisme.
Sinds 2016 zijn in het kader van extreem geweld en terrorisme zo’n vijftien multidisciplinaire oefeningen georganiseerd; de laatste oefening vond plaats in 2020. Los van de oefeningen die specifiek gericht zijn op incidenten met extreem geweld en terrorisme, wordt in de regio ook geoefend op de inzet in vitale objecten, zoals ziekenhuizen. Vlak voor het incident had nog een oefening in samenwerking met het Erasmus MC plaatsgevonden.
25 Het nieuwe landelijke plan was ten tijde van de gebeurtenissen op 28 september nog niet officieel gepubliceerd, maar
kent wel een lange voorgeschiedenis. Daarnaast is goed om deze casus meteen af te zetten tegen dit nieuwe landelijk plan, omdat het doorwerkt in regionale plannen.
66/84
8.2 Volgen van plannen of improviseren? Bij crises wordt vaak gesproken over het dilemma tussen enerzijds het volgen van opgestelde plannen en anderzijds improviseren oftewel handelen naar bevind van zaken. Planvorming voor en voorbereiding op extreem geweld en terrorisme zijn belangrijk, maar mogelijk niet altijd voldoende om effectief te kunnen reageren. In complexe situaties met dynamiek, zoals het geval was in Rotterdam, is ook improvisatie van belang. “Zo’n incident maak je maar heel weinig mee en je ziet dat dingen altijd anders lopen dan je aan de voorkant zou bedenken”, aldus een crisisfunctionaris. Daardoor zijn volgens betrokkenen ook persoonlijk leiderschap, improvisatievermogen en het kunnen accepteren van de chaos relevant.
Crisisplannen
Hoewel het handelen onder omstandigheden van extreem geweld voor veel functionarissen bijzonder was, lijken toch in grote lijnen de bestaande plannen en procedures te zijn gevolgd. Uit de enquête blijkt dat 60 % van de respondenten de huidige planvorming vindt aansluiten bij een incident van extreem geweld. Toch willen we hier een aantal zaken met betrekking tot de crisisplannen uitlichten. Zo werd deze casus gekenmerkt door twee vormen van extreem geweld, te weten schietincidenten en brandstichting, terwijl nog niet in alle plannen brandstichting is opgenomen als een scenario van extreem geweld. In een gedeelte van de crisisplannen worden slechts de volgende vijf vormen van extreem geweld genoemd: > Vuurwapens, steekwapens of handgranaten > Objecten (voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen, drone) > Explosieven > Gevaarlijke stoffen > Gijzeling of geplande risicovolle aanhouding Brandstichting is echter geen onbekende of ondenkbare uiting van extreem geweld. Het is mede daarom dat de QRT’s zijn opgericht. In het visiedocument van de QRT’s wordt brand dan ook beschouwd als een mogelijke vorm van extreem geweld (Brandweer G4+Kennemerland, 2019).
Daarnaast is in het regionale Incidentbestrijdingsplan Dreiging en Terrorismegevolgbestrijding vastgelegd dat er bij een concrete (acute) dreiging van extreem geweld of terrorisme wordt opgeschaald naar GRIP-2 (Veiligheidsregio RotterdamRijnmond/Zuid-Holland Zuid, 2020). Daarmee wordt een hoge urgentie toegekend aan een incident. In zowel het landelijke crisisplan 26 als het regionale incidentbestrijdingsplan wordt aangegeven dat een dergelijk incident van extreem geweld aanleiding kan zijn tot het activeren van een gemeentelijk beleidsteam. Landelijk wordt er in dat geval gesproken van een “extreem geweldsincident met grote effecten” (NCTV, 2023, p. 3.); regionaal spreekt men van een aanslag (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond/Zuid-Holland Zuid, 2020). Hoewel deze termen open staan voor interpretatie en het geen verschil had gemaakt voor het verloop van de acute fase, is er geen aanstalten gemaakt tot bestuurlijke opschaling (GRIP-3). De operationele crisisteams (ROT en CoPI’s) die in de plannen worden vermeld, zijn wel geactiveerd. In hoofdstuk 3 is uitgebreid stilgestaan bij het belang van frontlinesturing en het belang van het motorkapoverleg in dergelijke situaties. Zowel het landelijke crisisplan als de notitie 26 Landelijke crisisplan verwijst naar het Landelijk Crisisplan Extreem geweld en Terrorisme.
67/84
Multidisciplinaire afspraken voor first responders bij extreem geweld onderschrijven het belang van deze werkwijzen, met name in de chaotische fase, die wel bepalend wordt genoemd voor het verloop van de inzet. Er is zowel in de planvorming als in de OTOactiviteiten minder aandacht voor de dynamiek die tussen de verschillende vormen van sturing kan ontstaan. Oefeningen gaan vooral uit van designed organiseren en de verschillende vormen van sturing worden doorgaans apart beoefend. Deze casus vroeg door de twee vormen van extreem geweld om de inzet van specialistische teams, zoals de DSI en QRT’s. Beide teams worden in het landelijk plan genoemd; het regionale incidentbestrijdingsplan gaat alleen in op de rol van de DSI. Verder lijken er tussen de verschillende plannen nuanceverschillen te bestaan over de veiligheidszone waarbinnen de QRT’s zouden kunnen optreden. Het landelijke crisisplan spreekt van optreden in de “warm-zone” (NCTV, 2023), terwijl het visiedocument van de QRT’s spreekt van “in- of heel dichtbij- de hotzone” (Brandweer G4+Kennemerland, 2019). Deze nuanceverschillen zagen we ook in de praktijk. Voor de veiligheid van de hulpdiensten is het belangrijk om een eenduidige term te hanteren voor wie waar optreedt.
Gegeven het gevaar dat extreem geweld ook voor de hulpdiensten met zich meebrengt, wordt zonering in diverse plannen en procedures vermeld als een belangrijk proces. Het landelijke crisisplan meldt dat, voor zover dat mogelijk is, de verschillende hulpdiensten met een uniforme zonering werken (NCTV, 2023). In deze casus werd meer impliciet dan expliciet een zonering toegepast. Het was onder andere moeilijk hanteerbaar doordat de schutter zich verplaatste binnen het grootschalige complex van het Erasmus MC. Door het volgen van de procedures werd een betrekkelijke rust in de chaotische situatie gecreëerd. Improvisatie vond plaats binnen de kaders van de protocollen. Dit blijkt onder andere uit de manier waarop personele ondersteuning werd geregeld, maar ook uit de verdeling van bepaalde taken onder meerdere crisisfunctionarissen (zie hoofdstuk 5). Personeel dat nog niet werd ingezet, bood vrijwillig hulp aan en wachtte totdat het opgeroepen werd.
OTO-activiteiten
Door betrokkenen werd de voorbereiding op een dergelijk incident over het algemeen positief gewaardeerd: 79 % van de betrokken gaf in de enquête aan dat men zich voorbereid voelde en in de interviews werd regelmatig naar oefeningen gerefereerd. Met de inzet van specialistische teams (DSI, TPE en QRT’s) werd de ervaring uit de trainingen en oefeningen die deze teams hadden gehad, in de praktijk gebracht. Zowel de DSI als de QRT’s waren tevreden over de kennis en ervaring die zij meebrachten bij de bestrijding van dit incident. Daarnaast werd voorafgaand aan het gezamenlijke optreden van het QRT en het TPE geïmproviseerd door een aantal leden van het TPE van een ademluchttraining te voorzien. Verder bleek uit deze casus dat niet alleen specialistische diensten, maar ook first responders in staat dienen te zijn om cruciale beslissingen te nemen onder dergelijke omstandigheden.
68/84
De oefeningen en protocollen op het gebied van extreem geweld en terrorisme boden een basis waarop de betrokkenen functionarissen konden terugvallen: “Je traint voor handvatten, de basis. In sommige situaties komt de procedure of het protocol op dat moment niet uit. Dan moet je schakelen en besluiten wat wel en niet kan.” Respondenten wezen op verschillende voordelen van de oefeningen; zoals: > ze verschaffen kennis over procedures en afspraken > bieden inzicht in wat men kan verwachten tijdens een incident met extreem geweld of terrorisme > geven aan waar de prioriteiten liggen > vereenvoudigen de onderlinge samenwerking. Naast specifieke training en oefening bood ook de generieke voorbereiding belangrijke uitgangspunten en structuren waarop men kon terugvallen. Rotterdam krijgt regelmatig te maken met allerlei (gewelds)incidenten. Ook in een bijzondere situatie zoals deze wijkt een groot deel van het werk niet af van de dagelijkse werkzaamheden van hulpdiensten in Rotterdam. De ervaring van betrokken functionarissen was belangrijk voor het adequaat optreden gedurende de chaotische fase van het incident. Door betrokkenen zijn ook enkele verbeterpunten op het gebied van de voorbereiding aangedragen.
Ten eerste is door de coronacrisis, de verlaging van het dreigingsniveau door het NCTV en de druk op de capaciteit minder ruimte geweest om te oefenen op het thema extreem geweld en terrorisme. Mogelijk zijn daardoor sommige procedures wat weggezakt. Een voorbeeld is de onduidelijkheid die bestond over de relatie tussen de multidisciplinaire teams en de DSI. Ten tweede blijkt uit ons onderzoek dat er weinig aandacht uitgaat naar bovenregionale oefeningen en procedures, zowel multidisciplinair als monodisciplinair.
8.3 Improvisatie binnen of buiten de kaders? Plannen en procedures met betrekking tot extreem geweld en terrorisme vervullen een belangrijke functie, maar tegelijkertijd vraagt zo’n situatie vaak ook om flexibiliteit. De vraag is in hoeverre improvisatie mogelijk is oftewel ruimte bestaat om buiten bestaande kaders op te treden, zonder dat er verwarring ontstaat waardoor de inzet wordt belemmerd. Desondanks maken verschillende situaties duidelijk dat wanneer er ‘buiten’ procedurele kaders wordt gehandeld, er genuanceerd wordt gekeken naar de reden waarom deze keuze op dat moment noodzakelijk werd geacht en wat dit zegt over de opgave waarvoor de organisatie staat. Bijvoorbeeld het besluit om functionarissen van Veiligheidsregio ZuidHolland Zuid huiswaarts te sturen, was vooral gebaseerd op de aanname dat het volgen van de procedure het proces zou vertragen. Zo zouden de functionarissen uit de buurregio minder goed bekend zijn met het Erasmus MC en de directe omgeving en nog weinig hebben samengewerkt met functionarissen van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Een oefening met een CoPI van de buurregio had niet eerder plaatsgevonden. Dit maakte het oproepen van een tweede CoPI uit de buurregio minder voor de hand liggend.
Al met al lijkt het erop dat er nog (te) weinig aandacht uitgaat naar bovenregionale samenwerking, zowel in oefeningen als procedures, terwijl dit voor toekomstige situaties wel wenselijk is. “Samenwerken vereist oefenen”, zo vatte een respondent het samen.
69/84
8.4 Tot slot In dit hoofdstuk is de afweging besproken tussen het volgen van plannen of het afwijken daarvan. Hoewel het een bijzonder incident was, is er voornamelijk gehandeld volgens bestaande plannen en procedures voor extreem geweld en terrorisme. Deze casus laat zien dat de planvorming met name gold als handelingskader van waaruit improvisatie mogelijk was. Wanneer echter sterk wordt afgeweken van de vooraf gemaakte afspraken, moet wel duidelijk zijn waarom hiertoe besloten wordt. De voorbereidingen op een dergelijk incident werd door de betrokken functionarissen als positief ervaren. Wel is aan het thema van extreem geweld en terrorisme de afgelopen jaren wat minder aandacht geschonken. Maar naast specifieke voorbereiding op extreem geweld en terrorisme blijft ook altijd generieke geoefendheid en ervaring van functionarissen van belang voor een adequaat optreden.
70/84
9 Slotbeschouwing In de voorgaande hoofstukken hebben wij verschillende thema’s belicht met betrekking tot het brandweeroptreden en de multidisciplinaire samenwerking tijdens een incident met extreem geweld. Het doel daarvan was lessen op te halen voor de doorontwikkeling van de brandweer- en crisisorganisatie van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. In dit slothoofdstuk gaan wij eerst in op onze algehele indruk van het functioneren van de brandweer- en crisisorganisatie en hoe dat door betrokkenen is ervaren. Vervolgens vatten wij de lessen uit het leeronderzoek samen.
9.1 De brandweer- en crisisorganisatie bij extreem geweld “Schietpartij, schietdrama, schietincidenten” zijn de woorden waarmee veelal naar de gebeurtenissen op 28 september 2023 in Rotterdam wordt verwezen. Het begon die dag met de melding van een brand aan het Heiman Dullaertplein, waarna al snel duidelijk werd dat er ook was geschoten. Vervolgens vonden gebeurtenissen plaats in het complex van het Erasmus MC. Daar was melding gedaan van een traumatische reanimatie, die al snel in verband werd gebracht met de eerdere schietpartij. Later die middag brak ook daar brand uit en werd even gevreesd voor een onbeheersbare brand in één van de grootste ziekenhuizen in Nederland. Dit dynamische verloop van gebeurtenissen louter betitelen als “schietincidenten” doet onvoldoende recht aan de situatie waarmee de hulpverleners die dag te maken kregen. Zoals bij veel situaties met extreem geweld, werd de acute fase gekenmerkt door een dominante politiële component. Maar meer dan bij andere soortgelijke incidenten, als bijvoorbeeld het schietdrama in het winkelcentrum in Alphen aan den Rijn (2011) en de tramaanslag in Utrecht (2019), vroeg deze casus ook om een multidisciplinaire inzet en samenwerking. Juist de combinatie van schietincidenten en brandstichting op twee locaties in de stad, waarvan een het Erasmus MC betrof, maakte dat er sprake was van een bijzondere vorm van extreem geweld.
Met die omstandigheden in het achterhoofd, kan de vraag gesteld worden hoe er kan worden teruggekeken op het brandweeroptreden en de multidisciplinaire samenwerking. Is het goed gegaan of goed gedaan? De betrokken brandweer- en crisisfunctionarissen die aan dit onderzoek mee hebben gewerkt, kijken over het algemeen met tevredenheid terug op hun optreden. Op basis van de beschikbare documenten en de gesprekken die wij met betrokkenen hebben gevoerd, concluderen wij dat de veiligheidsregio terecht positief kan zijn over het operationeel optreden tijdens het incident. Dit geldt zowel op het gebied van het brandweeroptreden als de multidisciplinaire samenwerking. Er werd veel van de betrokken hulpdiensten gevraagd en er is professioneel en met veel betrokkenheid gehandeld en op een goede manier samengewerkt. Maar zoals dat voor vrijwel elke incidentevaluatie geldt, komen ook uit dit leeronderzoek een aantal aandachtspunten naar voren. Dat doet echter niets af aan ons overwegend positief
71/84
oordeel over het optreden van de aanwezige diensten onder deze uitzonderlijk complexe omstandigheden. Reflecties functioneren brandweer- en crisisorganisatie > De gebeurtenissen van 28 september betitelen als ‘schietincidenten’ doet onvoldoende recht aan de complexiteit van de situatie die als gevolg van de branden en mogelijk heftige gevolgen daarvan op beide incidentlocaties ontstond. Wij spreken daarom liever van ‘extreem geweld in Rotterdam op 28 september 2023’. > Vlot en adequaat optreden van alle betrokken organisaties, de snelle aanhouding en kennelijke intenties van de dader maakten deze casus tot een combinatie van ‘goed gedaan en goed gegaan’. Uiteraard laat dat onverlet het grote leed en de trauma’s die de dader veroorzaakte. > Over het algemeen genomen constateren wij dat de veiligheidsregio, op het gebied van de multidisciplinaire en brandweeroptreden, sterk heeft geopereerd. Er was sprake van een snelle opschaling en adequate eerste respons. Men had oog voor de risico’s en de (eigen) veiligheid. Er was sprake van een grootschalige inzet, goede samenwerking en grote betrokkenheid. > Hoewel de overleg- en coördinatiegremia snel betrokken waren en hun rollen oppakten (inzet ondersteunen, denken over scenario’s, nazorg organiseren e.v.) maakten de aard, dynamiek en snelheid van de gebeurtenissen hun rol gedurende de acute fase bescheiden.
Het zwaartepunt lag in deze fase van het incident bij de frontlijnsturing. Dat betekent echter niet dat de overlegen coördinatiegremia tijdens crises niet waardevol zouden zijn; als het incident langer had geduurd, was hun rol waarschijnlijk groter geweest.
9.2 Conclusies en aanbevelingen In deze paragraaf vatten wij de belangrijkste observaties samen en zetten wij per thema een aantal aanbevelingen op een rij. Deze aanbevelingen kunnen zowel geleerde lessen zijn uit wat goed is gegaan als ontwikkelpunten voor de brandweer- en crisisorganisatie. 27 In bijlage 3 worden nog enkele overige kleine lessen beschreven die functionarissen tijdens het incident hebben opgedaan.
Multidisciplinaire opschaling en samenwerking
Waar brandstichting en schietincidenten samenkomen als uiting van extreem geweld is een goede verbinding tussen de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en handhaving van de openbare orde en veiligheid van belang. In dit geval vond op verschillende niveaus afstemming plaats tussen de zogenoemde justitiële en algemene keten. Bij eventuele toekomstige incidenten van extreem geweld zou de verbinding op een aantal vlakken steviger kunnen worden verankerd. Het is zonder meer duidelijk – en daarmee een belangrijke constatering ‒ dat de multidisciplinaire opschaling voortvarend werd georganiseerd en de verschillende operationele teams over sterke leiders beschikten. Vanwege de dynamiek, snelheid en aard van de gebeurtenissen werden belangrijke besluiten met betrekking tot de operationele inzet in de chaotische fase met name in het veld genomen. Multidisciplinaire teams, zoals het CoPI en het ROT, waren ondersteunend en faciliterend aan het veld. En doordat deze multidisciplinaire coördinatiegremia in stelling waren gebracht, hebben zij een belangrijkere rol kunnen vervullen in de nafase. Zo is er terecht veel aandacht uitgegaan naar de opvang van en nazorg aan het personeel. Voor de aanbevelingen op het gebied van bevolkingszorg en psychosociale ondersteuning verwijzen wij naar het onderzoek van Geense et al. (2024).
27
72/84
Door de dynamiek van de gebeurtenissen was de beeldvorming uitermate complex. Een betere koppeling tussen de diverse gremia kan de beeldvorming verbeteren, maar onduidelijkheid zal altijd een onderdeel blijven van de werkelijkheid waaronder crisisfunctionarissen moeten opereren. Desondanks had men ten tijde van de aanhouding van de (vermoedelijke) dader een redelijk beeld van wat zich had voorgedaan. De wijze waarop de multidisciplinaire opschaling en samenwerking plaatsvonden, leert voor toekomstige situaties het volgende: > De koppeling tussen de (bestuurs-)driehoek en het ROT zou in de toekomst helderder en steviger kunnen worden belegd door bijvoorbeeld iemand van de directie van de veiligheidsregio uit te nodigen in de driehoek of – in lijn met het landelijk crisisplan en de GRIP-regeling – een gemeentelijk beleidsteam op te starten. In deze casus was echter – in de acute situatie – opschalen naar een beleidsteam niet echt zinvol geweest. Aan het einde van de dag of de volgende dag zouden wij een dergelijke bijeenkomst – voor het vaststellen van de aanpak en uitgangspunten voor de volgende dagen – wel passend hebben gevonden. 28 > Coördinatiegremia kunnen zowel bij verschillende incidenten als gedurende een bepaald incident verschillende rollen in de crisisorganisatie vervullen.
Zowel deze casus als eerdere casussen op het gebied van extreem geweld en terrorisme hebben laten zien dat de nadruk in eerste instantie ligt op frontlijnsturing. Voor first responders kan dit betekenen dat ze in de eerste periode cruciale beslissingen moeten nemen ten aanzien van de inzet, en daartoe dus ook in staat moeten worden gesteld. Naarmate de tijd vordert, is een meer coördinerende en besluitvormende rol weggelegd voor de georganiseerde top-down structuren. In de planvorming en voorbereiding is in verhouding veel aandacht voor designed organiseren. Bovendien worden de verschillende vormen van aansturing voornamelijk los van elkaar beoefend, waardoor minder aandacht is voor de veranderende verhoudingen die ontstaat in een dergelijke casus. > Een goede verbinding tussen frontlijnsturing en de top-down structuren voor het functioneren van de crisisorganisatie. Zo kan eenieder goed zijn rol kan vervullen en de geruchtenstroom worden beperkt. In een casus van extreem geweld is het van belang om een goede verbinding te hebben tussen de DSI en andere gremia om acties op elkaar te laten aansluiten en veiligheid zo goed mogelijk te kunnen waarborgen. De verbinding tussen de DSI en andere gremia kan worden versterkt door bijvoorbeeld de koppeling tussen de DSI en het CoPI te waarborgen.
> In situaties waarin veel onduidelijkheid heerst en de eigen veiligheid mogelijk in het geding is, heeft snel en regelmatig motorkapoverleg duidelijk een meerwaarde. De diensten dienen elkaar dus snel en gemakkelijk te kunnen vinden. De kwaliteit van het optreden van de verschillende diensten wordt in die hectische situatie vooral bepaald door de frequentie en kwaliteit van de onderlinge communicatie en informatiedeling. In plannen en procedures wordt het belang wel benoemd, maar het krijgt minder aandacht in de OTO-activiteiten. > Betrokken functionarissen dienen zich ervan bewust te zijn dat het in de eerste een tot anderhalf uur vrijwel onmogelijk is al echt goed zicht te hebben op de loop van de gebeurtenissen. Dat betekent dat hulpverleners de chaos die onvermijdelijk onderdeel is van een dergelijk incident, zullen moeten accepteren; niet alles zal volgens plan verlopen of ‘goed’ gaan. Dit onderschrijft het belang van een professioneel optreden
28 Zie ook Geense et al. (2024).
73/84
>
door first responders en frequent onderling contact en informatiedeling tussen de betrokken hulpdiensten. Naast het motorkapoverleg speelde de meldkamer, onder leiding van de CaCo, een belangrijke rol in het orkestreren van het overleg tussen de diensten. Dit toont de meerwaarde van de CaCo en onderschrijft het belang om ook in de toekomst de meldkamers van de hulpdiensten fysiek bij elkaar te houden.
Crisiscommunicatie
Op 28 september 2023 waren verschillende crisisteams op de been die te midden van alle onzekerheid het grote publiek tijdig van de juiste en relevante informatie trachtten te voorzien, ondanks alle onzekerheid die er heerste. Er is snel informatie gedeeld over bijvoorbeeld de dader en de slachtoffers, waarvoor regelmatig overleg tussen de communicatieadviseurs en ook met het OM plaatsvond. Met twee branden en twee schietpartijen in de stad diende een goede onderlinge afstemming te worden bereikt over wie wat communiceerde. De communicatieadviseurs van de verschillende crisisteams hebben over het algemeen in goede onderlinge afstemming samengewerkt en elkaar actief opgezocht. Deze casus leert het volgende voor wat betreft de crisiscommunicatie: > Terwijl er op twee locaties in de stad brand woedden en wegen versperd raakten, waren voornamelijk de opsporing van de dader en de mogelijke slachtoffers van het geweld thema’s die gedurende chaotische fase onder het grote publiek leefden. Dat betekent, in lijn met de GRIP-regeling en de notitie Crisiscommunicatie bij extreem geweld en terrorisme, dat op het gebied van de crisiscommunicatie een voorname rol voor de politie is weggelegd in een dergelijke casus.
Wel dient de berichtgeving recht te doen aan de effecten voor de omgeving en blijft goede afstemming tussen de betrokken communicatieteams over de verantwoordelijkheden en berichtgeving van belang. > Met enige voorzichtigheid boodschappen communiceren en ‒ indien nodig ‒ snel rectificeren zorgt ervoor dat het publiek tijdig geïnformeerd wordt, zeker wanneer een incident zeer dynamisch is, mogelijk direct gevaar oplevert voor de samenleving en de beeldvorming uitermate complex is. > Handelen conform bestaande afspraken en procedures en begrip voor de onduidelijkheid van de situatie zorgen over het algemeen voor een vloeiend proces van de crisiscommunicatie. Dit betekent dat er bij tijd en wijle aandacht moet worden besteed aan de afspraken over het delen van berichtgeving, de verwachtingen van piketfunctionarissen binnen en buiten de crisisstructuur en de implicaties van de bestaande regelingen aangaande de verantwoordelijkheden. > Over de invulling van het communicatiekanaal lijken binnen de veiligheidsregio verschillende ideeën te bestaan. Dit incident liet zien dat het belangrijk is om hier een standpunt over in te nemen. De invulling kan aansluiten bij de netwerkfunctie van de organisatie en het bereik van de communicatiekanalen.
Grootschalig en specialistisch brandweeroptreden
Het extreem geweld in Rotterdam vroeg om een grootschalige en specialistische inzet van de brandweer. Grotendeels werd er gebruikgemaakt van de eigen mankracht en middelen, maar ook werd er geïmproviseerd en om bijstand gevraagd. Elke van deze manier om met de druk op capaciteit om te gaan, behelst voor- en nadelen. Brandweer Rotterdam-Rijnmond heeft een stevig potentieel in huis om een dergelijk incident te bestrijden en daarnaast in overige basisbrandweerzorg te kunnen blijven voorzien. Er was sprake van een snelle opschaling en goede onderlinge samenwerking. Ervaring en geoefendheid leidden tot
74/84
professioneel optreden. Het brandweeroptreden leverde ook een aantal lessen op met betrekking tot de druk op de capaciteit en aansturing: > Het is bijzonder te noemen dat in dit geval de gehele brandweerinzet met eigen personeel geschiedde. Dit was echter mogelijk door de relatief korte tijdsduur van het incident. Bij een grootschalige inzet als deze, maar met een langere tijdsspanne, is het goed als de brandweer of veiligheidsregio tijdig overweegt ook andere brandweerkorpsen in te zetten. > Door brandweerfuncties die doorgaans door één persoon worden vervuld bij meerdere functionarissen te beleggen, kon op een effectieve manier met de werkdruk worden omgegaan. Uiteraard is het wel van belang dat er een goede onderlinge afstemming kan plaatsvinden. > Rotterdam heeft diverse bijzondere en complexe objecten die grootschalig en tevens onoverzichtelijk zijn, zoals het Erasmus MC. Het gebruik van digitale middelen (bijvoorbeeld drones en bodycams) kan de beeldvorming en informatie-uitwisseling tussen brandweerfunctionarissen in het veld en het CoPI op dergelijke locaties mogelijk ten goede komen. Wel moet rekening gehouden worden met de mogelijke nadelen van de inzet van deze methode, zoals zijsturing en coördinatiekosten. Hoe deze informatievoorziening intern het beste te organiseren, verdient nader onderzoek.
> Niet alleen de brandweerorganisatie had te kampen met een grote druk op de beschikbare capaciteit, dat gold ook voor de overige crisisfunctionarissen van de veiligheidsregio. Er is veel eigen personeel ingezet, wat voornamelijk mogelijk was door het tijdstip waarop het incident plaatsvond. Wel blijkt dat tijdens een dergelijk incident de capaciteit op de meldkamer al snel een uitdaging is, terwijl ze in de chaotische fase een belangrijke ondersteunende rol vervullen richting het veld. De veiligheidsregio zal moeten bezien hoe ze in de toekomst in gevallen als deze voldoende capaciteit op de meldkamer heeft. Dit kan bijvoorbeeld door het creëren van een piketpool voor de meldkamer of door een uitwisseling van personeel tussen verschillende meldkamers mogelijk te maken.
Onveiligheid bij extreem geweld
In deze casus was veiligheid en vooral ook de eigen veiligheid van de hulpverleners een thema dat bovengemiddeld van belang was. Omgaan met onveiligheid betekent zowel het signaleren van als het acteren op onveiligheid. Onveiligheid heeft een directe relatie met (het gevoel van) onzekerheid over het verloop van de situatie. De verschillende vormen van extreem geweld die de verdachte op beide incidentlocaties had gehanteerd, creëerden verschillende vormen van gevaar voor het optreden van de hulpdiensten. Er werd dan ook gebruikgemaakt van specialistische teams zoals het QRT die (meer) geëquipeerd en getraind zijn om hiermee om te gaan. Zonering – zoals dat in protocollen beschreven staat om met onveiligheid om te gaan – werd echter beperkt en deels impliciet gebruikt. Vanwege de chaos van het eerste uur en de frontlijnsturing, maakten first responders primair zelf hun afweging omtrent hun veiligheid en optreden. Overeenkomstig de uitgangspunten op het gebied van extreem geweld was het devies: ‘niets doen is geen optie’. Toch maakten sommigen zich zorgen om de eigen veiligheid (bijvoorbeeld door het ontbreken van veiligheidsvesten) en die van collega’s. Ten aanzien van onveiligheid bij extreem geweld zijn de volgende lessen te leren: > Wanneer men samenwerkt en verschillende vormen van onveiligheid spelen, is begrip voor elkaars werkproces en regelmatig motorkapoverleg cruciaal.
75/84
>
>
>
Men zal zich ervan bewust moeten zijn dat veiligheid een relatief begrip is, dat door eenieder anders kan worden ervaren. Door de onzekerheid waaronder hulpverleners opereren, is het onmogelijk om absolute veiligheid te garanderen. Bij het gelijktijdig optreden met meerdere diensten in situaties van extreem geweld zal men zich dus op de eigen waarneming moeten blijven baseren en expliciet moeten communiceren over zaken die betrekking hebben op de veiligheid van de situatie, zoals zonering. Risico’s voor de betrokken hulpdiensten dienen acceptabel te zijn. Hoewel ‘niets doen is geen optie’ een belangrijk uitgangspunt is, zal onder bepaalde (extreme) omstandigheden ook aanvaard moeten worden dat men niet direct kan optreden en de inzet moet worden overgelaten aan specialistische teams. Een risicogerichte benadering kan in dergelijke gevallen uitkomst bieden: Hoe kunnen we de risico’s zoveel mogelijk beperken en wat kan nog wel? Een voorbeeld is vanaf een gepaste afstand blussen in plaats van een brandend pand te betreden wanneer er mogelijk nog een schutter rondloopt.
Nazorg
Voor vele betrokken functionarissen was het een bijzondere, maar soms ook een ingrijpende ervaring. Deze casus laat zien hoe sterk na zo’n heftige gebeurtenis met extreem geweld onder een brede groep crisisfunctionarissen de behoefte aan nazorg kan leven. De nazorg aan het personeel kreeg terecht de nodige aandacht. Er werd veelal gebruikgemaakt van collectieve debriefings voor specifieke groepen functionarissen. Ook heeft onderlinge, informele, opvang en nazorg van collega’s een belangrijke rol gespeeld. Met betrekking tot de nazorg, die veelal positief is ervaren, zijn er enkele punten die verdere aandacht behoeven. > Terwijl voor de first responders nazorg is geregeld, is dat voor functionarissen die in de multidisciplinaire crisisteams plaatshebben niet (standaard) het geval. Het is aan te bevelen om de nazorg voor deze groep functionarissen structurele inbedding te geven. Er zal wel eerst nader onderzoek moeten worden gedaan naar de behoefte aan nazorg onder deze groep functionarissen. Omdat zij meer op afstand van het incident opereren en andere taken hebben, kan hun behoefte anders zijn. > Een technische debriefing (direct) na afloop van een incident met extreem geweld wordt als waardevol ervaren, maar er kan worden gekeken hoe deze technische debriefing goed in te bedden in het nazorgtraject.
Zo was sprake van enige vermenging van de technische debriefing en de ondersteuning via het TCO. Vanwege het risico op netvliesvervuiling moet worden nagedacht wie wel en wie niet aanschuiven en wat wel en niet wordt gedeeld gedurende een debriefing. > Binnen de brandweerorganisatie is het van belang om nader te onderzoeken hoe het TCO beter kan aansluiten bij de behoeften van de brandweerfunctionarissen. > Om alle betrokken hulpverleners van goede nazorg te kunnen voorzien, dient men een goed overzicht te hebben van wie bij een incident betrokken was en vervolgens met andere verantwoordelijke organisaties af te stemmen wie de nazorg oppakt. Voor het creëren van een dergelijk overzicht kan iemand verantwoordelijk worden gemaakt of zou hiertoe een systeem kunnen worden ingericht, zodat er gedurende de hectiek van een incident niet meer over nagedacht hoeft te worden. > De doorontwikkeling van opvang en nazorg staat binnen de regio hoog op de agenda. Bij deze doorontwikkeling zou rekening moeten worden gehouden met de langetermijneffecten van incidenten en het bredere palet aan factoren (bijvoorbeeld ook privé- en werkomstandigheden naast de inzet) die van invloed zijn op het verwerken van ingrijpende gebeurtenissen.
76/84
Voorbereiding op extreem geweld
Rotterdam-Rijnmond is een dynamische regio waar men geregeld met diverse en ingrijpende incidenten te maken krijgt, waaronder ook geweldsincidenten. Sinds de aanslagen in Parijs (2015) en Brussel (2016) is door de veiligheidsregio geïnvesteerd in voorbereiding en planvorming op het gebied van extreem geweld en terrorisme, en dit heeft zijn vruchten afgeworpen. In grote lijnen zijn de plannen en procedures gevolgd en door betrokkenen werden de voorbereidingen positief ervaren. Daarnaast is generieke voorbereiding en ervaring zijn in dit geval van waarde gebleken. Ze voorzagen in belangrijke uitgangspunten en structuren waarop de functionarissen terug konden vallen in de chaotische situatie. In brede zin is de ervaring van de betrokken brandweer- en crisisfunctionarissen van cruciaal belang geweest bij het adequaat optreden onder de complexe en onzekere omstandigheden. Desondanks is aan het thema van extreem geweld en terrorisme de afgelopen jaren wat minder aandacht geschonken en lijkt de planvorming voornamelijk rekening te houden met specifieke uitgingsvormen van extreem geweld.
Onderstaande aandachtspunten komen met betrekking tot de voorbereiding naar voren, waarbij wel rekening dient te worden gehouden met de al bestaande druk op de capaciteit: > Mede vanwege wisselingen in het personeelsbestand en de vele thema’s die eveneens aandacht vragen, dient de veiligheidsregio er speciaal voor te waken dat kennis van extreem geweld en terrorisme niet vermindert. Oefenscenario’s hoeven daarbij niet steeds complexer te worden, maar het aanleren van bepaalde uitgangspunten en routines waarop men terug kan vallen, is relevant. Ook oefeningen met specifieke objecten, zoals het Erasmus MC, zijn van waarde gebleken voor het optreden bij extreem geweld. > Het is aan te bevelen om in alle planvorming en voorbereiding rekening te houden met brand als uitingsvorm van extreem geweld. Dit vraagt namelijk ook iets anders van de crisisrespons. > Omdat een incident met extreem geweld al snel druk legt op de beschikbare capaciteit, is het van belang om aandacht te besteden aan bovenregionale samenwerking. Dat betekent bijvoorbeeld samen oefenen als het gaat om het inschakelen van een tweede CoPI uit een buurregio. Een ander voorbeeld is het in de koude fase al goede afspraken maken of werkwijzen (meer) op elkaar af te stemmen als het om inzet van QRT’s of de meldkamer gaat.
> Wanneer het belangrijk wordt geacht dat bepaalde plannen en procedures worden nageleefd, dient ook aandacht te worden besteed aan deze procedures in de koude fase, zodat de crisisfunctionarissen er gemakkelijk op terug kunnen vallen tijdens een incident. Wanneer er van plannen en procedures is afgeweken, is het van belang gezamenlijk te kijken waarom hiertoe werd besloten.
77/84
Literatuur Boon, A.C. (2017). Met beide benen op de grond. Een verkenning naar het toepassen van mindfulness bij commandovoering. Instituut Fysieke Veiligheid Brandweer G4+Kennermerland (2019). Visiedocument specialistische teams brandweer voor grof en extreem geweld. Brandweer Nederland. (z.d.). Over regio Rotterdam-Rijnmond. Brandweer Nederland. (2020). Doorontwikkeling grootschalig brandweeroptreden: Visie 2.0. Brandweer Rotterdam-Rijnmond. (2018). Regionaal dekkingsplan 3.0. Dangermond, K. (2023). Beyond tough appearances: The impact of fire service culture in the processing of critical incidents [diss.]. Universiteit voor Humanistiek. Erasmus Medisch Centrum. (2016). Ons nieuwe Erasmus MC. Erasmus Medisch Centrum. (2021). Jaarverslag 2021: mooie resultaten. Erasmus Medisch Centrum. (2022a). Dorp in een stad. Erasmus Medisch Centrum. (2022b). Jaarverslag en jaarrekening Erasmus MC. Fikke, R., Geertsema, T., Hazebroek, J., & Tonnaer, C. (2021). Eindrapport pilot commandovoering. Instituut Fysieke Veiligheid Geense, W. (2023). Verkennend onderzoek naar de georganiseerde collegiale ondersteuning binnen de brandweer. Nederlands Instituut Publieke Veiligheid Geense, W., Bakker, M., Dückers M., Van Duin, M., & Broeders. S. (2024). Leeronderzoek Rotterdam: Bevolkingszorg en psychosociale hulpverlening na schietincidenten (28-09-’23).
Nederlands Instituut Publieke Veiligheid Hazebroek, J., Van ‘t Padje, B., Groenendaal, J., Geertsema, T., & Hagenaars, M. (2015). Situationele commandovoering bij de brandweer. Instituut Fysieke Veiligheid Heus, R. (2016). Onderzoek naar rook als beroepsrisico bij de brandweer; deel 2, aanvulling op literatuurreview. Instituut Fysieke Veiligheid IFV (2021). Werkwijze eigen veiligheid overheidshulpdiensten bij spoorwegincidenten. Instituut Fysieke Veiligheid Klein, G. A. (1993). A recognition-primed decision (RPD) model of rapid decision making. In G. A. Klein, J. Orasanu, R. Calderwood & C. E. Zsambok (Reds.), Decision making in action: models and methods (pp. 138-174). Ablex Publishing Corporation. Kobes, M. (2019). Grootschalig brandweeroptreden 2016-2018. Instituut Fysieke Veiligheid Nationaal media onderzoek (2023, 9 oktober). Kijkcijfers tv zendertotaal (September 2023) [Persbericht]. Geraadpleegd van, Persbericht_SKO_2023_september2.pdf (kijkonderzoek.nl) NCTV (2023). Landelijk Crisisplan Extreem geweld en terrorisme. Ministerie van Veiligheid en Justitie.
78/84
Ministerie van Justitie en Veiligheid. (2018). Inrichting repressieve brandweerzorg, Regiobeeld 17 - Rotterdam-Rijnmond. NOS. (2021, 9 april). 10 jaar na schietpartij Ridderhof: “Soms droom ik dat we bij elkaar zijn”. Geraadpleegd van, https://nos.nl/artikel/2375968-10-jaar-na-schietpartij-ridderhof-somsdroom-ik-dat-we-bij-elkaar-zijn NOS. (2023, 18 maart). Utrecht herdenkt tramaanslag: “Heeft nog altijd gigantische impact”. Geraadpleegd van, https://nos.nl/artikel/2467930-utrecht-herdenkt-tramaanslag-heeft-nogaltijd-gigantische-impact Oberijé, N, Van Rossum, W.F., & In ’t Veld, M.G. (2012). Agressie tegen brandweerpersoneel; ervaringen uit de praktijk. Instituut Fysieke Veiligheid. Politie (z.d.). Zorgwijzer 2022/2023; Preventie, zorg, waardering en erkenning. Politie. Politie (2021). Netwerk divers vakmanschap en bondgenoten binnen de opschaling crisisbeheersing (N)SGBO. Politie. Porter, C., & Lommen, M. J. (2023). Primary prevention of trauma-related disorders in highrisk professionals: A systematic review. Mental Health & Prevention, 29, 1-9. Schakel, J. K., & Wolbers, J. (2021). To the edge and beyond: How fast-response organizations adapt in rapidly changing crisis situations. Human Relations, 74(3), 405-436. Smith, B. W., Ortiz, J. A., Steffen, L. E., Tooley, E. M., Wiggins, K. T., Yeater, E. A., Montoya, J. D., & Bernard, M. L. (2011).
Mindfulness is associated with fewer PTSD symptoms, depressive symptoms, physical symptoms, and alcohol problems in urban firefighters. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 79(5), 613–617 Van Duin, M., Tops, P., Wijkhuijs, V., Adang, O., & Kop, N. (2012). Lessen in crisisbeheersing: Dilemma’s uit het schietdrama in Alphen aan de Rijn. Boom Lemma uitgevers. Van ’t Padje, B., Groenendaal, J., & Hazebroek, J. C. (2014). Innovatieve kijk op commandovoering: Het raamwerk. Instituut Fysieke Veiligheid Veiligheidsregio Haaglanden. (2019). Het quick response team van brandweer Haaglanden. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. (2021, 22 januari). VR-RR tutorials vakbekwaamheid: Quick Response Team (QRT). [Video]. YouTube. https://www.youtube.com/watch?v=pVvPTrrBXrQ Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. (2022a). SAMEN artikel: De werkdag van onze HRadviseurs. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. (2022b). Regionaal Risicoprofiel 2022-2025. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. (2023). Dashboard. Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond/Zuid-Holland Zuid (2020). Incidentbestrijdingsplan dreiging en terrorismegevolgbestrijding. Wolbers, J. (2020). Crisismanagement na de tramaanslag in Utrecht. Cahiers Politiestudies, 57(4), 127-160.
79/84
Bijlage 1 ‒ Respondenten Er is met in totaal 52 betrokken functionarissen gesproken. In deze bijlage is een geanonimiseerd overzicht van de respondenten opgenomen. 29 Tabel B.1a Respondenten brandweerorganisatie Inzetlocatie
Brandweerfunctionarissen
Heiman Dullaertplein
Bevelvoerder brandweereenheden(2) HOvD-B OvD-B Bevelvoerder QRT-Rotterdam-Rijnmond Manschappen QRT-Rotterdam-Rijnmond (2)
Erasmus MC
HOvD-B (CoPI) HOvD-B (Veld) OvD-B (2) Bevelvoerder (2) Bevelvoerder QRT-Haaglanden OvD QRT-Haaglanden Manschappen QRT-Haaglanden (3)
Overkoepelend
AC-B TOA (2)
Tabel B.1b Respondenten crisisorganisatie Gremia
Crisisfunctionarissen
CoPI Heiman Dullaertplein
Leider CoPI Rotterdam-Rijnmond Informatiemanager Communicatie Rotterdam-Rijnmond HOvD-B OvD-BZ
CoPI Erasmus MC
Leider CoPI Rotterdam-Rijnmond Leider CoPI Zuid-Holland Zuid Informatiemanager Communicatie Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond Communicatie politie HOvD-B OvD-P OvD-Recherche
29 Wanneer met meerdere personen van dezelfde functies een gesprek is gevoerd, staat het aantal tussen haakjes.
80/84
OvD-BZ OvD-G Liaison Erasmus MC ROT
ROL Informatiemanager (2) Communicatie ROT AC-B AC-Politie AC-BZ AC-G Liaison Erasmus MC
Meldkamer
CaCo (2) VIC
SGBO
AC-SGBO Communicatie SGBO HINT
Overig
Directie Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (2) TCO-organisatie (2) Hoofd communicatie gemeente Rotterdam
81/84
Bijlage 2 ‒ Enquête In deze bijlage worden de opzet en resultaten van de enquête beschreven. De enquête was voornamelijk bedoeld als verkennend instrument voorafgaand aan de interviews. Hiermee kon een eerste beeld worden verkregen van de manier waarop brandweer- en crisisfunctionarissen de crisisrespons hebben ervaren. 112 functionarissen deden mee aan de enquête.
Beschrijving achtergrond respondenten
Figuur B.2a geeft een overzicht van de disciplinaire achtergrond van de respondenten. 61% van hen was een brandweerfunctionaris.
4% 16%
4% 61%
12% 3%
Brandweer
Bevolkingszorg
GGD/GHOR
Politie
Staff Veiligheidsregio
Anders namelijk
Figuur B.1a Disciplinaire achtergrond respondenten
82/84
Resultaten stellingen
Onderstaande grafiek geeft een overzicht in percentages van de stellingen 30 en de mate waarmee de respondenten het ermee eens zijn.
Ik voelde mij voorbereid.
De huidige voorbereiding en plannen sluiten goed aan.
Tevreden over de manier waarop er is 5 12 opgeschaald.
Beeld-, oordeels- en besluitvorming verliepen ordelijk en gestructureerd.
78
6
66
9
17
8
5
63
12
20
6
60
14
20
Tevreden over de manier waarop er is afgeschaald.
0
79
11 11
Tevreden over de communicatie richting het publiek.
7
Tevreden over de samenwerking binnen mijn (crisis)team.
34
91
3
Tevreden over de samenwerking met andere (crisis)teams.
5 6
79
10
Zorgen gemaakt om de veiligheid van collega's ter plaatse.
Nazorg en opvang sluit aan bij mijn behoefte.
15
Gedurende de inzet ervaarde ik bepaalde knelpunten.
20 0
Oneens
Neutraal
14
58
63
9
28
Zorgen gemaakt om mijn eigen veiligheid.
26
40
60
2
4
5
60
16
Eens
0
71
11
20
30
35
28
80
100
120
Weet niet/N.v.t.
Figuur B.2b Resultaten stellingen
30 Om de leesbaarheid te bevorderen, is de bewoording van de stellingen hier iets anders dan in de enquête.
83/84
Bijlage 3 ‒ Kleine lessen Onderstaand kader geeft een greep uit de kleine lessen die functionarissen gedurende het incident hebben opgedaan. Kleine lessen: voor en door collega’s
>
Laten we aandacht besteden hoe we respectvol met dodelijke slachtoffers omgaan en ervoor zorgen dat er zo snel mogelijk een afzetting komt.
>
Wanneer we oefenen, hoeft het ook niet steeds een nieuwe oefening te zijn. Ook de herhaling is goed, zeker gezien in- en uitstroom van personeel.
>
Door technische problemen gaat de pager soms niet goed af. Voor de zekerheid heb ik nu een portofoon en een pager bij mij.
> > > > >
Bij onduidelijkheid, altijd een terughoudende houding aannemen. Belangrijkste les: niets is wat het lijkt en verwacht het onverwachte! In theorie is het duidelijk wie, wanneer optreedt, maar in de praktijk was dit lastiger. Op dergelijk incidenten kan je jezelf nauwelijks prepareren, zorg dat de basis op orde is. Mijn eigen leerpunt is dat ik niet afwachtend moet zijn van mijn eigen kleur (discipline), maar kan kijken wat ik voor alle disciplines kan betekenen.
> >
We zijn, tijdens dit soort incidenten, als diensten heel erg op elkaar aangewezen. Als we een dergelijk incident hebben, is goed om naast onervaren mensen ook ervaren mensen te zetten.
>
We moeten oppassen dat we niet in de regelreflex gaan op basis van dit unieke incident.
84/84