[24bb003742] Bijlage 1 behorende bij 24bb003750 over ontwerpbestemmingsplan Windwinning Hoeksebaan
Tekst van het document
Bij werkzaamheden in de keurzone van de waterkering of in watergang dient in overleg met het Hoogheemraadschap een watervergunning te worden aangevraagd. Dat is voor onderhavig project niet het geval. Apart onderzoek naar de invloed van de windturbines op de waterveiligheid (dijkveiligheid) van deze waterkering is dus niet noodzakelijk op basis van de Keur. Wel zijn in het kader van externe veiligheid en een goede ruimtelijke ordening (zie paragraaf 5.4) de faalscenario's van de windturbines op de primaire waterkering in beeld gebracht en het Hoogheemraadschap heeft een oordeel geven over de aanvaardbaarheid ervan. Het Hoogheemraadschap heeft ook aandacht gevraagd voor zettingsafvloeiingen van het plangebied, door de bouw van de windturbines, naar de Nieuwe Waterweg. In een apart traject is hiernaar door een deskundige partij naar gekeken en worden zonodig aanvullende uitvoeringsmaatregelen tijdens de bouw afgesproken met het Hoogheemraadschap.
91
Figuur 5.30 Leggerkaart Hoogheemraadschap van Delfland [bron: https://www.hhdelfland.nl/overons/regelgeving/legger/] met globale positie geplande windturbines
Door het plaatsen van de windturbines wordt verhard oppervlak (de windturbines plus fundering en een opstelplaats) gecreëerd. Hemelwater dat op dit verharde oppervlak valt, mag niet versneld worden afgevoerd richting oppervlaktewater. Het Hoogheemraadschap hanteert voor het omgaan met hemelwater de trits 'vasthouden - bergen - afvoeren'. Relevant voor de aanleg van het windpark is de wijze waarop met afstromend water van opstelplaatsen en van het inkoopstation wordt omgegaan. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd, wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Voor het bepalen van de benodigde watercompensatie kan de watersleutel worden gebruikt. Door de realisatie van de windturbines neemt het verhard oppervlak toe met maximaal circa 2.692 m2 (door fundering beide windturbines, permanente opstelplaats op de RWZI (terrein bij Renewi is al verhard) en het inkoopstation). Voor de nieuwe opstelplaats geldt dat deze in principe volledig verhard wordt uitgevoerd. Er wordt dus beperkt verhard oppervlak toegevoegd.
Het plangebied is reeds bestemd en in gebruik als bedrijventerrein.
92
Ter plaatse van windturbine 1 op het terrein van Renewi geldt dat in het ter plaatse geldende bestemmingsplan al rekening is gehouden met reservering van ruimte voor de opvang van waterberging. Voor de opstelplaats wordt gebruik gemaakt van bestaande verhardingen waardoor alleen de verharding voor de fundering wordt toegevoegd in dit plan. Een beperkt deel van het terrein is voorzien van een bouwvlak waardoor voldoende onbebouwde ruimte en ruimte voor waterberging is gegarandeerd. De maximale bouwmogelijkheden op het terrein zijn ook nog net benut. Er hoeven op het terrein van Renewi dus geen aanvullende voorzieningen te worden getroffen voor waterberging. Windturbine 2 is gepland op het terrein van het Hoogheemraadschap. De locatie zelf is op het moment niet verhard. In het geldende bestemmingsplan is geen watercompensatie geregeld en vrijwel het gehele terrein kan bebouwd dan wel verhard worden. In afstemming met het Hoogheemraadschap wordt de wateropgave nader bepaald en vervolgens waar en hoe op het terrein van de RWZI de watercompensatie als gevolg van windturbine 2, opstelplaats en inkoopstation nader kan worden ingevuld. Om te borgen dat de wateropgave wordt bepaald en wordt uitgevoerd is hiervoor een gebruiksregel opgenomen in de planregels.
Grondwater en voorkomen zoetwatertekort Windturbines krijgen een betonnen fundering en zullen voor stabiliteit op fundatiepalen worden geplaatst, welke de bodem in worden geheid. Door gebruik te maken van niet-uitlogende (bouw)materialen, wordt uitspoeling van stoffen voorkomen en verandering van de grondwaterkwaliteit niet verwacht. Om tijdens het bouwproces activiteiten uit te kunnen voeren in een droge bouwput, zal tijdelijk bemaling van het grondwater nodig zijn. Dit geldt met name voor aanleg van funderingen en bekabeling. Indien verlaging van het grondwaterpeil door bodemtechnische redenen wordt belemmerd, zijn alternatieve methoden beschikbaar om het bouwproces goed te laten verlopen. Zo kan het oppervlak bijvoorbeeld plaatselijk verhoogt worden. Over het algemeen is het verlagen van de grondwaterstand alleen nodig tijdens de aanleg van het windpark. Na afsluiting van het bouwproces zal de normale grondwaterstand weer hersteld worden, waardoor negatieve effecten op de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater niet binnen de verwachting liggen. Gezien de verschillende belangen, die meerdere partijen hebben bij het grondwater, is het beheer van het grondwater wettelijk geregeld in de Waterwet.
Het hoogheemraadschap is bevoegd gezag tenzij het onttrekkingen betreft ten aanzien van drinkwaterwinningen, bedrijfsmatige onttrekkingen ^50.000 m3 per jaar of koude/warmte opslag (open systeem). In deze gevallen is de provincie het bevoegde gezag. Voor koude/warmte opslag met een gesloten systeem is de gemeente per 1 juli 2013 bevoegd gezag. Voor het onttrekken van grondwater tot 100 mŕ/uur geldt geen vergunningplicht op basis van de algemene bepalingen bij de Keur van het Hoogheemraadschap van Delfland. Eventuele benodigde grondwateronttrekking en een eventuele noodzaak tot een watervergunning hiervoor maakt deel uit van de uitvoeringsfase van het project. Onderhoud en bagger Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met reguliere onderhoudsmateriaal van het Hoogheemraadschap mogelijk te zijn. Daarnaast dienen wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de keurzone met een Watervergunning te worden uitgevoerd. Er is geen sprake van werkzaamheden binnen een keurzone en daarmee geen watervergunningplicht. Watersysteemkwaliteit en ecologie Nieuwe ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de oppervlaktewaterkwaliteit tot gevolg hebben. Doordat er gebruikt wordt gemaakt van niet-logende bouwmaterialen wordt uitspoelen van stoffen voorkomen.
Uitspoelen van stoffen, en daarna veranderingen van het oppervlaktewaterkwaliteit, wordt daarmee uitgesloten, zo ook negatieve effecten op de ecologie als gevolg daarvan.
93
Gezuiverd afvalwater Er is geen sprake van de productie van afvalwater door de realisatie van windturbines waardoor op dit punt geen nadere toelichting noodzakelijk is. Voor het omgaan met hemelwater wordt verwezen naar het kopje 'Voorkomen van wateroverlast'. Windturbine 2 wordt gerealiseerd op het terrein van de RWZI Hoek van Holland van het Hoogheemraadschap. Dit gaat niet ten koste van (gereserveerde) capaciteit van de zuivering van afvalwater. Klimaatadaptatie Windmolens produceren geen CO2. Overstappen op hernieuwbare energie zoals windenergie, door ondermeer realisatie van onderhavig project, helpt dus om klimaatverandering tegen te gaan. Voor het plangebied zijn in het onderliggende bestemmingsplan de overstromingsrisico's al in beeld gebracht. De gevolgen van een overstroming binnendijks zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie ZuidHolland voor de gehele provincie berekend welke delen van de provincie in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire kering onder water lopen en welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. In de onderstaande figuur is dit voor onderhavig plangebied weergegeven.
Figuur 5.32 Potentiële waterdiepte bij doorbraak primaire kering [bron: bestemmingsplan "Hoek van Holland-Bedrijventerreinen"] Legenda ļ Gemeentegrens
Primaire waterkering
Meter diepte O - 0.2 meter 0,2 - 0,5 meter
0,5 0,3 meter 0,8 ’ 2.0 meter
2.0 - 5.0 meter meer dan 5.0 meter
Het plangebied is hooggelegen voor wat betreft windturbine 1 en heeft daardoor een extra bescherming tegen overstroming bij een dijkdoorbraak. Voor de locatie van windturbine 2 geldt dat er waterdieptes tot 0,8 meter mogelijk zijn. Bij de technische uitwerking van de fundering van de uiteindelijk te plaatsen windturbinetypes wordt rekening gehouden met de omstandigheden van de locatie waar ze worden geplaatst. Er is ook rekening gehouden met het effect van de plaatsing van de windturbines op de primaire waterkeringen en op de Maeslantkering als onderdeel van de Deltawerken. Er is geen sprake van onaanvaardbare effecten (zie onderbouwing in paragraaf 5.4.2). Het Hoogheemraadschap houdt bij de berekening van de wateropgave bovendien rekening met het te verwachten effect van de klimaatverandering in 2050 op de neerslag.
94
Watertoets De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van water huishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de water huishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om water huishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Over deze wijze van omgaan met de waterhuishouding heeft nadere afstemming met het Hoogheemraadschap van Delfland plaatsgevonden door het toesturen van het conceptontwerpbestemmingsplan in het kader van overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. Bro. De gemaakte reacties zijn zo nodig verwerkt in deze paragraaf. Ten aanzien van de invloed van de windturbines op de waterveiligheid heeft apart overleg plaats gevonden met het Hoogheemraadschap. Nadere afstemming daarover volgt ook haar eigen procedure. 5.8.3
Conclusie
De windturbines hebben geen negatief effect op de waterhuishouding. Een watervergunning is mogelijk nodig voor grondwateronttrekking. Ter borging van de vereiste watercompensatie is een planregel opgenomen. Rekening houdend met de (eventueel) benodigde vergunningen is er voor het aspect water daarmee sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.9
Overige aspecten
5.9.1
Vliegverkeer en radar
Toetsingskader De bouw van windturbines kan van invloed zijn op het vliegverkeer in Nederland, met name de hoogte van windturbines is daarbij relevant. Voor het vliegverkeer is het van belang dat de vliegveiligheid en de werking van radar- en communicatieapparatuur te allen tijde kunnen worden gegarandeerd. Laagvlieggebieden en helikopteroefengebieden kennen harde bouwhoogtebeperkingen. Hierbij is van belang dat de rotorbladen van een windturbine de route niet 'doorsnijden'. Er moet dus een afstand van minimaal een halve rotordiameter tot de rand van de laagvlieggebieden worden gehouden. Voor het veilig gebruik van luchthavens voor de militaire en civiele luchtvaart zijn obstakelbeheersvlakken ingesteld waarbinnen hoogtebeperkingen gelden. Plaatsing van windturbines kan mogelijk ook leiden tot verstoring van de radar. Dat geldt voor zowel radar ten behoeve van de lucht- als de scheepvaart. Afhankelijk van de locatie kan een windpark een verstorende werking hebben op Communicatie-, Navigatie- en Surveillance (CNS)-apparatuur van de luchtverkeersleiding voor burgerluchtvaart. Voor de militaire radarposten in Nederland moet binnen een straal van 75 kilometer van een radarpost worden gekeken of windturbines de radar niet teveel verstoren en moet een plan ter goedkeuring aan Defensie worden voorgelegd.
Het beleid over verstoringsgebieden rond militaire radars van het Ministerie van Defensie is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)35 en is nader uitgewerkt in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro)36. Er dient een minimale dekkingsgraad van 9007o op 1.000 voet in stand te blijven om een goede werking van de radar te garanderen. Onderzoek Vliegverkeer De windturbines bevinden zich buiten (beschermde) hoogtebeperkingsgebieden rondom luchthavens en ligt niet in laagvlieggebied. Het plan is voorgelegd aan de Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) en Inspectie voor Infrastructuur en Transport (ILenT) ter toetsing op 13 oktober 2022. LVNL heeft per e-mail d.d. 1 november 2022 (Bijlage 9) laten weten dat verder onderzoek door LVNL niet nodig is, het windpark heeft geen negatieve invloed op de correcte werking van de communicatie , navigatie- en surveillanceapparatuur in beheer van LVNL.
95
De Inspectie voor Infrastructuur en Transport (ILenT) (zie Bijlage 10) heeft op is op 28 februari 2023 verlaat gereageerd. De locatie van de turbines valt onder een zogeheten advisory-route voor VFRverkeer (visueel vliegend verkeer) van en naar Rotterdam Airport. De LVNL heeft geen toetsing uitgevoerd over de advisory-route voor VFR-verkeer. Over de advisory-route heeft ILenT alsnog een advies bij LVNL ingewonnen. De vliegroute op die locatie wordt gevlogen op een hoogte van 1000ft AMSL (ongeveer 305 meter hoogte). De turbines hebben een geplande hoogte van 820ft AMSL (250 meter) wat neerkomt op een separatie van ongeveer 180ft (55 meter). Normaal gesproken wordt er een separatie aangehouden van 500ft (150 meter), dat wordt hier ruim niet gehaald. De voorkeur gaat dan ook uit naar een andere locatie of een lagere hoogte van de turbines. Er is geen wettelijke basis voor het uitbrengen van een negatief advies door de Inspectie voor deze locatie, de locatie van de windturbines heeft echter niet de voorkeur. Ten aanzien van dit advies van ILenT wordt het volgende overwogen: » Er is geen andere locatie mogelijk. De locatie is al sinds 2013 aangewezen in de VRM als locatie voor windenergie (zie ook paragraaf 2.3.1 en 4.1).
De locatie maakt deel uit van lopende prestatieafspraken tussen de provincie met de gemeenten in de Rotterdamse regio om doelstellingen en afspraken met het Rijk over te plaatsen windenergie op land te kunnen bereiken. Omdat de aangewezen locatie beperkt ruimte biedt voor de plaatsing van windturbines is een nadere verkenning uitgevoerd om windturbines te kunnen plaatsen. Daarvoor is het al noodzakelijk enigszins af te wijken van de begrenzing van de concentratielocatie. Ook is daarmee al beschouwd of er ruimte in de omgeving is om te schuiven. Deze is maar beperkt aanwezig en wordt al benut. » 250 meter tiphoogte is de maximale tiphoogte, dus het is mogelijk dat de windturbines uiteindelijk iets lager worden. De omgevingsvergunning voor de windturbines wordt niet voor een specifiek windturbinetype aangevraagd maar voor een bandbreedte qua afmetingen om nog onderhandelingsruimte en keuzevrijheid in windturbinetypes te hebben in de aanbestedings- en contracteringsfase. Beperken is vanuit de businesscase niet wenselijk. De gevraagde lage windturbines zijn niet meer rendabel en ook eigenlijk (vrijwel) niet meer beschikbaar op de markt. » De aangewezen concentratielocaties zijn ook bedoeld om optimale opbrengst te halen door middel van elektriciteit van wind.
Wanneer twee grote windturbines niet gebouwd kunnen worden moet voor de zelfde opbrengst 3-4 kleinere windturbines worden gebouwd, gebleken is dat daar geen ruimte voor is. » Het is wel mogelijk dat de windturbines iets lager worden (minimaal 210 meter), maar de benodigde 55 meter tot 150 meter lager vanuit vrije doorgang vliegverkeer past niet in de bandbreedtevergunning. Bovendien zijn de huidige moderne windturbines op de markt al snel hoger dan 150-200 meter. Lagere turbines zijn nu (bijna) niet meer verkrijgbaar, laat staan over een jaar of 3 wanneer de windturbines gebouwd gaan worden. De initiatiefnemers kunnen dus beperkt rekening houden met de wens tot lagere windturbines maar niet in voldoende mate om volledig tegemoet te komen aan de wens van ILenT. » De advisory-route voor VFR-verkeer is niet wettelijk beschermd en daardoor niet verplicht rekening mee te houden. Het plan is ook niet zodanig aan te passen dat er optimaal rekening mee gehouden wordt. Het enige alternatief is geen project en dat is onwenselijk vanuit prestatieafspraken en duurzame energieopwekking in aangewezen gebied. » Zo mogelijk wordt vanuit de businesscase en keuze windturbinefabrikant door de initiatiefnemers te zijner tijd beperkt rekening gehouden met de vliegroute door de realisatie van een iets lagere windturbines. Er is echter nu geen aanleiding de bandbreedte afmetingen aan te passen.
De Inspectie wijst onverhoopt niet op de toepassing van obstakelverlichting overeenkomstig het Informatieblad (zie ook paragraaf 4.2), zoals gangbaar, maar deze is wel van toepassing. Defensieradar TNO heeft onderzocht wat de invloed is van de twee windturbines op (1) het primaire verkeersleidingsradarnetwerk en (2) de zo geheten SMART-L gevechtsleidingsradar van Defensie (zie ook Bijlage 11). Aangezien er in dit stadium van het project nog geen keuze is gemaakt voor een specifiek windturbinetype, is voor de afmetingen van de windturbines uitgegaan van een worst-case windturbine uit de 7-8 MW klasse met daarbij een maximale ashoogte van 170 meter ten opzichte van het maaiveld en een maximale rotordiameter van 180 meter. De toepassing van een windturbine met worst-case afmetingen houdt in dat de berekende effecten op de radars altijd minder zullen zijn, als bij de keuze van de specifieke windturbine het opgewekt vermogen, maximale ashoogte en rotordiameter niet wordt overschreden. Het bouwplan bevindt zich binnen de 75 kilometer cirkels van minstens één van de Military Approach
96
Surveillance System (MASS) verkeersleidingsradars én binnen de 75 kilometer cirkels rond de locatie van de nieuwe SMART-L gevechtsleidingsradar te Herwijnen en de drie alternatieve locaties, te weten Goudriaan, Meerkerk en Nieuwpoort. 1. Het primaire verkeersleidingsradarnetwerk Het primaire verkeersleidingsradarnetwerk bestaat uit een zestal MASS verkeersleidingsradarsystemen verspreid over Nederland, aangevuld met de Terminal Approach radar (TAR) West bij Schiphol en de infill radar37 te Wemeldinge. Op de locatie van de windturbines eist het Ministerie van Defensie voor het verkeersleidingsradarnetwerk een minimale detectiekans van 90oZo voor een doel met een radaroppervlak van 2 m2. Twee mogelijke optredende effecten zijn onderzocht: » Reductie van de detectiekans ter hoogte van het bouwplan: Na realisatie van het bouwplan is er op de toetsingshoogte van 1000 voet een vermindering van de detectiekans geconstateerd tot maximaal 9907o ter hoogte of in de directe nabijheid van het bouwplan. Het bouwplan voldoet dus aan de thans gehanteerde 2022 norm. » Reductie van het maximum bereik ten gevolge van de schaduwwerking van het bouwplan: De MASS radar te Woensdrecht, de TAR West bij Schiphol en de infill radar bij Wemeldinge ondersteunen elkaar volledig in de gebieden waar door de schaduwwerking van het bouwplan een verlies aan bereik kan ontstaan.
Na realisatie van het bouwplan is er op de toetsingshoogte van 1000 voet geen verlies aan bereik geconstateerd. Het bouwplan voldoet dus aan de gehanteerde 2022 norm. 2. De SMART-L gevechtsleidingsradar Om de luchtmacht te ondersteunen vervangt Defensie de huidige, verouderde luchtgevechtsleidingsradars door de SMART-L-radar. SMART-L (Signaal Multibeam Acquisition Radar for Targeting, Longrange) is een moderne luchtverdedigingsradar. Oorspronkelijk werd de locatie Herwijnen voor de SMART-L beoogt. Het kabinet startte in 2019 een zogenoemde Rijkscoördinatieregeling (RCR), een procedure bedoeld voor overheidsprojecten die van nationaal belang zijn, om de radar te kunnen plaatsen. Een breed aangenomen motie in de Tweede Kamer zorgde er in 2021 echter voor dat Defensie de RCR stopzette. Inmiddels zijn er ook een aantal alternatieve locaties voor de SMART-L radar in beeld bij Goudriaan, Meerkerk en Nieuwpoort. Radartoetsing vindt derhalve plaats voor alle beoogde locaties voor de SMART-L radar om rekening te houden met de onzekerheid over de uiteindelijke locatie van de nieuwe radar. Op de locatie van de windturbines eist het Ministerie van Defensie voor de gevechtsleidingsradars een minimale detectiekans van 9007o.
Twee mogelijke optredende effecten zijn onderzocht: » Reductie van de detectiekans ter hoogte van het bouwplan: De detectiekans is na realisatie van het bouwplan op de toetsingshoogte van 1000 voet binnen de thans gehanteerde 2022 norm gebleven voor zowel Herwijnen als ook voor de drie alternatieve locaties voor Herwijnen. » Reductie van de detectiekans ten gevolge van de schaduwwerking van het bouwplan: Voor de gevechtsleidingsradars te Herwijnen en de drie alternatieve locaties voor Herwijnen is het verlies aan maximum bereik op de hoogte van 1000 voet in de sector waarin schaduwwerking optreedt, na realisatie van het bouwplan binnen de thans gehanteerde 2022 norm gebleven.
97
Figuur 5.33 Locaties van de zes MASS verkeersleidingsradarsystemen (groene ruit) met daaromheen de 15 en 75 kilometer cirkels. De ligging van het te toetsen bouwplan is aangegeven met een roze ster
Over de resultaten van het radarverstoringsonderzoek van TNO is goedkeuring van het ministerie van Defensie noodzakelijk op basis van het Barro. Op 26 april 2023 heeft het Rijksvastgoedbedrijf van het Ministerie van Binnenlandse Zaken deze verklaring van geen bezwaar (VGB) voor windwinning Hoeksebaan afgegeven namens het Ministerie van Defensie (zie ook Bijlage 12). Conclusie Vanuit de aspecten vliegverkeer en radar is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. 5.9.2
Walradar
Toetsingskader Voor de begeleiding van de scheepvaart langs de Nieuwe Waterweg wordt door het Havenbedrijf Rotterdam (HbR) een keten van Vessel Traffic Service (VTS) radars gebruikt. Radarpost 27 is de dichtstbijzijnde radarpost.
98
Onderzoek Het plaatsen van de windturbines heeft geen verstorende werking op het radarbeeld. Echo's op de rotors van de windturbine op het radarbeeld van een binnenvaartschip (valse echo's) zullen niet waar te nemen zijn op de vaarweg wanneer de turbines op minimaal een A rotordiameter + 30 meter vanaf de vaarweg staan. De minimale afstand van de windturbines is meer dan 120 meter tot aan de waterweg, er is dus geen sprake van valse echo door de windturbines op scheepsradar. Uit het oogpunt van radardekking vormt de opstelling van de windturbines geen belemmering voor de radardekking van Radarpost 27. Voor de overige radarposten in de nabijheid is er evenmin (sprake van een belemmering van de radardekking. Conclusie De windturbines hebben geen invloed op het verkeersbegeleidend systeem van de Divisie Havenmeester van het HbR. Er zijn geen belemmeringen en effecten voor de walradar waardoor er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. 5.9.3
Bodemkwaliteit
Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient een bodemonderzoek verricht te worden met het oog op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Het bevoegd gezag moet onderzoek verrichten naar de bestaande toestand en deze toetsen aan de wenselijke bodemkwaliteit. De Wet bodembescherming (Wbb) is erop gericht bodemkwaliteit te waarborgen of te verbeteren indien nodig. De wet schrijft voor dat een ieder die de bodem verontreinigd verplicht is maatregelen te nemen om deze verontreiniging tegen te gaan. Voor de realisatie van de windturbines zal grondverzet plaatsvinden, waarbij grond (en mogelijk ook asfalt en onderliggend funderingsmateriaal) wordt ontgraven, hergebruikt, toegepast en/of afgevoerd. Bij dergelijke werkzaamheden is het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) van toepassing. Het Bbk bevat algemene regels voor het toepassen van grond (en bouwstoffen) en de kwaliteit van toe te passen grond (en bouwstoffen). Onderzoek De bodeminformatiekaart van de milieudienst Rijnmond (DCMR) is geraadpleegd (zie Figuur 5.34). Voor de locatie van windturbine 2 geldt dat deze voldoende onderzocht is er sprake is van een niet ernstige, licht tot matige, verontreiniging. De bodemkwaliteit is geschikt voor de realisatie van een windturbine. Figuur 5.34 Uitsnede bodeminformatiekaart DCMR [bron: http://dcmr.gisinternet.nl/]
99
Voor de locatie van windturbine 1 geldt ook dat de gronden voldoende onderzocht zijn. In de nabijheid van windturbine 1 is een onderzoek uitgevoerd in 2017 door DCMR (zie Kader 5.2). Uit dat onderzoek is gebleken dat er op de beoogde locatie van windturbine 1 sprake was van ernstige bodemverontreiniging. Er is vervolgens een saneringsplan opgesteld en vervolgens in uitvoering genomen (zie Kader 5.3 en Figuur 5.31). Op 10 mei 2021 heeft de gemeente Rotterdam beschikking afgegeven waarbij het college instemt met het evaluatieverslag van de deelsanering en de nazorgmaatregel. Voor het gebied waar windturbine 1 is gepland geldt dat de sanering nog in uitvoering. Na afronding van deze sanering zijn de gronden geschikt voor de plaatsing van een windturbine. Er wordt van uit gegaan dat nader onderzoek niet meer noodzakelijk is. Kader 5.2 Bodemonderzoek 2017 locatie Zuidergors/Hoeksebaan Beoordeling Er is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd van de braakliggende strook tussen Zuidgrons en Hoeksebaan, omdat he voorafgaande onderzoek meer dan vijf jaar oud is. Het Bodemonderzoek is uitgevoerd volgens een afgeleide strategie van de NEN 5740, waarbij de ruimtelijke verdeling van de boringen en analyses is aangepast aan de gegevens uit eerder onderzoek en de voorgenomen herinrichting.
Na het onderzoek van 2012 is op de onderzoeklocatie een partij schone grond aangebracht die mei/juni 2017 weer is verwijderd. Op het zuidoostelijke deel van de locatie is nog repac/puinhoudend materiaal aanwezig, dat ook nog verwijderd zal worden.
In de mengmonsters van de grond, vanaf maaiveld tot 0,5 meter minus maaiveld, zijn geen of ten hoogste lichte verontreinigden aangetoond.
Bij de locatie-inspectie en het veldwerk zijn geen asbesthoudende materialen waargenomen.
Conclusie De conclusie en aanbevelingen in de notitie van 5 juli 2017 voldoen aan het Gezamenlijke Bodemsaneringsbeleid.
Op basis van de geleverde onderzoekgegevens bestaat geen aanleiding om vervolgonderzoek dan wel saneringsmaatregelen uit te voeren bij de huidige en voorgenomen inrichting.
100