[24bb003742] Bijlage 1 behorende bij 24bb003750 over ontwerpbestemmingsplan Windwinning Hoeksebaan
Tekst van het document
70
Het plangebied van windwinning Hoeksebaan maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het Natura 2000 gebied Solleveld & Kapittelduinen ligt in de directe nabijheid. Ook liggen er enkele Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving van het plangebied (zie Figuur 5.16). Deze gebieden zijn onder andere het Haringvliet, Duinen Goeree & Kwade Hoek Grevelingen, Voordelta, KrammerVolkerak, Oosterschelde, Westerschelde, Oudeland van Strijen en de Biesbosch. Figuur 5.16 Natura 2000-gebieden nabij plangebied
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: » bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken; » gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; » landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; » ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; » alle Natura 2000-gebieden. Voor gebieden die zijn begrensd binnen het Natuurnetwerk Nederland, ecologische verbindingszones en gebieden met agrarisch natuurbeheer, geldt een planologisch beschermingsregime. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland, dan geldt het 'nee, tenzij-regime'. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. Als een ingreep wordt toegestaan moet de schade zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen en moet de resterende schade door de initiatiefnemen worden gecompenseerd.
71
Figuur 5.17 ligging planlocaties windturbines (stippen) ten opzichte van de nabijgelegen onderdelen van het NNN (donkergroene en donkerblauwe delen).
Provinciaal natuurgebied De geplande windturbines staan ver buiten door de provincie aangewezen weidevogelgebieden. (Negatieve) effecten van de realisatie van windwinning Hoeksebaan op gebieden die onder het provinciaal natuurbeleid vallen zijn met zekerheid uit te sluiten. Soortenbescherming De bescherming van soorten is in de Wnb beschreven in 'Hoofdstuk 3. soorten'. Bij de realisatie van het project windwinning Hoeksebaan moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van beschermde soorten planten en dieren in het plangebied. Als de voorgenomen ingreep leidt tot het overtreden van verbodsbepalingen betreffende beschermde soorten, zal moeten worden nagegaan of een vrijstelling geldt of dat een ontheffing moet worden verkregen. 5.5.2
Onderzoek
Voor realisatie van het windpark is een natuurtoets uitgevoerd (zie Bijlage 3). Een samenvatting van de effecten is hieronder opgenomen. Natura 2000-gebieden (Wnb hoofdstuk 2) Het plangebied grenst niet aan Natura 2000-gebieden waardoor effecten van de realisatie van het windpark die grensoverschrijdend kunnen zijn (denk aan trillingen als gevolg van heiwerkzaamheden of visuele verstoring als gevolg van de draaiende rotoren) geen invloed zullen hebben op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen (IHD's) van Habitatrichtlijnsoorten waarvoor verder gelegen Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Dit betekent dat op voorhand zeker is dat de realisatie van windwinning Hoeksebaan geen effect heeft op het behalen van IHD's van (leefgebieden van) Habitatrichtlijnsoorten waarvoor Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving van het plangebied zijn aangewezen.
72
Stikstofdepositie De aanleg van windwinning Hoeksebaan zal gepaard gaan met de inzet van materieel dat overwegend op dieselmotoren draait. Hierbij komt NOx vrij dat vervolgens neerslaat als NO2. Deze additionele depositie kan gevolgen hebben voor natuur. De omvang van de tijdelijke additionele depositie is berekend met de rekentool Aerius (d.d. 9 oktober 2023; zie Bijlage II in Bijlage 4). In deze programmatuur worden alle bronnen van emissie voorzien van de benodigde parameterwaarden. De berekening resulteert in een kaartbeeld met de ruimtelijke verdeling van de depositie. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de aanlegfase van windwinning Hoeksebaan er sprake is van een emissie van circa 152,6 kg NOx per jaar. Dit resulteert in een stikstofdepositie van 0,05 mol per hectare op het gebied Solleveld & Kapittelduinen. Dit is meer dan 0,00 mol waardoor er in ieder geval sprake is van een vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming. Op basis van een ecologische voortoets dient daarvoor allereerst bepaald worden of significante effecten op het Natura 2000 gebied door het project op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten moet het project inclusief maatregelen om effecten te beperken dan wel te compenseren passend worden beoordeeld.
Ecologische voortoets Op basis van de ecologische voortoets in Bijlage 4 wordt geconcludeerd dat de werkzaamheden tot een tijdelijke extra stikstofdepositie leiden op vier (sub)habitattypen en één leefgebied in Solleveld & Kapittelduinen. De bijdrage doet geen afbreuk aan het reguliere beheer en herstelmaatregelen die gericht zijn op veterering dan wel behoud van de kwaliteit van het habitat en leefgebied in Solleveld & Kapittelduinen. Om te zorgen dat natuurlijke processen de kwaliteit op lange termijn waarborgen is een (sterke) afname van de depositie noodzakelijk. Dit betekent een daling van enkele honderden mol in de Natura 2000-gebieden, afhankelijk van de locatie van het habitat. Deze opgave wordt niet verzwaard door de tijdelijke en structurele projectbijdrage. Bovenstaande conclusie is zodanig dat in het geval van één of meerdere projecten met een vergelijkbare tijdelijke depositie op dezelfde hexagonen, geen significant negatieve effecten kunnen optreden op (de instandhoudingsdoelen van) het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen. Er zijn enkele (orde grootte van 5) projecten bekend waar sprake is van een berekende depositie op dezelfde habitattypen en leefgebied. Windwinning Hoeksebaan zal hoogstens leiden tot een toename van 0,05 mol N/ha gedurende één jaar op de gecumuleerde depositie. Dat zal niet leiden tot een conclusie anders dan hierboven.
Indien er projecten of handelingen zijn die een groter effect kunnen hebben op (de instandhoudingsdoelen van) het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen, dient een cumulatief effect met Windwinning Hoeksebaan dáár te worden beoordeeld. Er is een vergunning Wnb aangevraagd voor stikstofdepositie omdat er is sprake is van effecten op Natura 2000. Deze wordt vergunbaar geacht omdat er geen sprake is van significante effecten door het project Windwinning Hoeksebaan. Natuurnetwerk Nederland De geplande windturbines staan buiten het NNN, er is dus geen sprake van ruimtebeslag. De kleinste afstand tussen de geplande windturbines en het NNN bedraagt circa 300 meter, waardoor ook geen sprake is van overdraai. Daarnaast geldt geen externe werking voor de provincie Zuid-Holland. (Negatieve) effecten van de realisatie van windwinning Hoeksebaan op het NNN zijn met zekerheid uit te sluiten. Overig provinciaal beleid De geplande windturbines staan ver buiten door de provincie aangewezen weidevogelgebieden. (Negatieve) effecten van de realisatie van Windwinning Hoekse Baan op gebieden die onder het provinciaal natuurbeleid vallen zijn met zekerheid uit te sluiten.
Beschermde soorten (Wnb hoofdstuk 3) Sterfte van vogels als gevolg van aanvaringen met windturbines wordt gezien als het opzettelijk doden van vogels en dus als een overtreding van de verbodsbepaling genoemd in Artikel 3.1 lid 1 van de Wnb. Omdat in ieder windpark (hoe klein ook) sprake is van aanvaringsslachtoffers onder vogels dient voor ieder windpark ontheffing aangevraagd te worden voor het overtreden van deze verbodsbepaling.
73
Vogels Vanwege de voorzienbare sterfte gedurende de looptijd van de windturbines wordt voor 110 vogelsoorten aanbevolen een ontheffing van de Wnb aan te vragen. De gunstige staat van instandhouding voor de meeste betrokken vogelsoorten is als gevolg van de exploitatie van de twee windturbines niet in het geding. Voor kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw kan dit op basis van de natuurtoets niet uitgesloten worden. Voor kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw zal middels een doorrekening met een populatiemodel onderzocht moeten worden of de sterfte in de gebruiksfase, rekening houdend met andere geplande windparken, invloed heeft op de gunstige staat van instandhouding. Voor zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw is vervolgens voor project Windwinning Hoeksebaan via populatiemodellen onderzocht in hoeverre cumulerende projecten een effect kunnen hebben op de staat van instandhouding (zie Bijlage 5). Uit de cumulatieve toetsing met behulp van populatiemodellen blijkt dat de cumulatieve impact niet leidt tot overschrijding van de drempelwaarde voor beide soorten. De sterfte van exemplaren van zilvermeeuw en kleine mantelmeeuw bij de geplande windturbines van Windwinning Hoeksebaan leidt daarom niet tot negatieve effecten op de staat van instandhouding van beide soorten. Een negatief effect op de staat van instandhouding is uitgesloten.
Vleermuizen Bij de beoogde windturbines kan, zonder het nemen van maatregelen, sprake zijn van voorzienbare sterfte van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Rekening houdend met sterfte van vleermuizen door andere geplande windparken kan dit betekenen dat voor diverse vleermuissoorten de gunstige staat van instandhouding negatief wordt beïnvloed. Door het toepassen van een stilstandvoorziening op beide windturbines kan de sterfte dermate worden gereduceerd dat een effect op de gunstige staat van instandhouding kan worden uitgesloten. Vanwege de voorzienbare sterfte gedurende de looptijd van de windturbine wordt aanbevolen een ontheffing van de Wnb aan te vragen voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Rugstreeppad Op dit moment zijn er geen waarnemingen van de rugstreeppad in het plangebied. Tijdens de werkzaamheden wordt habitat gecreëerd dat geschikt kan zijn voor de soort. Via mitigerende maatregelen kan kolonisatie worden voorkomen. Ook is het mogelijk om ten behoeve van de aanleg van het windpark via veldwerk de aan- of afwezigheid van de rugstreeppad vast te stellen. Veldonderzoek dient zich dan te richten op voortplantingsbiotoop en potentie voor winter- en zomerbiotoop.
Voor de onderzoeksmethode kan worden aangesloten bij de soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wnb van het Netwerk Groene Bureaus. Omdat kolonialisatie kan worden voorkomen in de uitvoeringsfase door het treffen van mitigerende maatregelen kan overtreding van de verbodsbepaling worden voorkomen en is er sprake van een goede ruimtelijke ordening. Voor start van de werkzaamheden wordt bekeken wordt of er nader veldonderzoek wordt uitgevoerd ter bevestiging of ontkenning van de aanwezigheid van de rugstreeppad of dat direct wordt gekozen voor het treffen van mitigerende maatregelen zonder onderzoek. Nader veldonderzoek in geval van bomenkap en/of sloop gebouwen In de natuurtoets is (nog) geen rekening gehouden met kap van bomen, dit is in ieder geval nodig op het terrein van Renewi. Slopen van gebouwen is niet aan de orde. Het is mogelijk dat er ter plaatse van de te kappen bomen verblijfplaatsen van vleermuizen en/of jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig zijn. Vóór het uitvoeren van de kapwerkzaamheden dient hier nader onderzoek naar worden gedaan en zo nodig dienen tijdig mitigerende maatregelen worden getroffen, om bijvoorbeeld vogels of vleermuizen op een ander locatie te laten nestelen. Veldonderzoek is nog niet nodig voor het bestemmingsplan maar dient tijdig te worden uitgevoerd voor de daadwerkelijke verstoring.
Door het zonodig treffen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten worden voorkomen. Er is derhalve sprake van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast dienen de gekapte bomen gecompenseerd te worden. Samen met een benodigde kapvergunning dient een compensatieplan voor de bomen opgesteld te worden, dit is in overleg met gemeentelijke landschapsarchitect en ecoloog.
74
Mitigatie broedvogels Tijdens de aanlegwerkzaamheden dient wezenlijke verstoring van broedende vogels en vernietiging van hun nesten en eieren te worden voorkomen. Dit kan door buiten het broedseizoen te werken. Het broedseizoen verschilt per soort. Voor het broedseizoen wordt in het kader van de Wnb geen standaardperiode gehanteerd. Globaal moet rekening worden gehouden met de periode half maart tot en met half augustus. Indien de werkzaamheden binnen dit seizoen zijn gepland kunnen deze worden uitgevoerd indien is vastgesteld dat met de werkzaamheden geen in gebruik zijnde nesten wezenlijk worden verstoord of worden vernietigd. De kans hierop wordt verkleind door voorafgaand aan het broedseizoen het projectgebied voor grondbroedende of in opgaande vegetatie broedende vogels ongeschikt te maken. Bijvoorbeeld door de vegetatie rondom de locaties waar gebouwd gaat worden te maaien of geheel te verwijderen. Dit zal worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol zodat conflicten met de Wnb in de aanlegfase worden voorkomen. Werken met vleermuisvriendelijke verlichting Voor aanlegwerkzaamheden die buiten de daglichtperiode worden uitgevoerd wordt aanbevolen om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting. Dit kan eveneens in een werkprotocol worden gespecificeerd. De benodigde ontheffing Wnb is aangevraagd.
De gunstige staat van instandhouding voor de meeste betrokken vogelsoorten is als gevolg van de exploitatie van de twee windturbines niet in het geding. Ook worden significante cumulatieve effecten uitgesloten. eEn aantal mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. De ontheffing wordt derhalve verleenbaar geacht. 5.5.3
Conclusie
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in de nabijheid Natuurnetwerk Nederland of Provinciaal natuurgebied. Er is geen sprake van effect op die gebieden. Samenvattend is voor geen enkele kwalificerende soort sprake van een significant negatief effect op het instandhoudingsdoelen van Natura 2000. Bij de realisatie van windwinning Hoeksebaan is er een tijdelijke stikstofemissies van 0,05 mol per hectare als gevolg van bouwwerkzaamheden en bijbehorende transportbewegingen. Op basis van de nadere ecologische beoordeling wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van significante effecten door het project Windwinning Hoeksebaan op Natura 2000. Vanwege stikstofdepositie is er een vergunning aangevraagd in het kader van de gebiedsbescherming Wnb. Omdat er geen sprake is van significante effecten door het project Windwinning Hoeksebaan is de vergunning verleenbaar. Na realisatie van het windpark worden juist stikstofemissies vermeden door het opwekken van duurzame energie. Soortenbescherming Vanwege de voorzienbare sterfte gedurende de looptijd van de windturbines is voor 110 vogelsoorten een ontheffing Wnb aangevraagd. De gunstige staat van instandhouding voor de meeste betrokken vogelsoorten is als gevolg van de exploitatie van de twee windturbines niet in het geding. Ook worden significante cumulatieve effecten uitgesloten.
Daarnaast dienen er een aantal mitigerende maatregelen worden uitgevoerd. Dit zijn de volgende: » Bij het uitvoeren van de werkzaamheden kan er kolonisatie optreden van de rugstreeppad, mitigerende maatregelen zijn nodig of veldonderzoek om het voortplantingsbiotoop vast te stellen. » Voor de bouw van de windturbines moeten bomen worden gekapt, in ieder geval op het terrein van Renewi: 1. vervolgonderzoek is nodig om vast te stellen of hier vleermuizen of beschermde nesten van vogels aanwezig zijn;
75
2.
op kap is verder hoofdstuk 4, afdeling 3 (het bewaren van houtopstanden), artikel 4.10 t/m 4.12 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Rotterdam van toepassing. Het bevoegd gezag betrekt bij zijn besluit over een aanvraag omgevingsvergunning voor kap de toepasselijke gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen- of landschapsplannen. Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorwaarden verlenen in het belang van onder meer natuur- en milieuwaarden, landschappelijke waarden en cultuurhistorische waarden. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van de hiervoor genoemde belangen, zoals bijvoorbeeld aanwijzingen voor vervangende beplanting. » Tijdens de aanlegwerkzaamheden dient wezenlijke verstoring van broedende vogels en vernietiging van hun nesten en eieren te worden voorkomen. Voor het start van het broedseizoen kan als mitigerende maatregel de vegetatie op en rond het plangebied ongeschikt te maken. Door dit in een ecologisch werkprotocol te verwerken worden conflicten met de Wnb in de aanlegfase voorkomen. » Tot slot, dient er te worden gewerkt met vleermuis vriendelijke verlichting buiten daglichtperiodes. De mitigerende maatregelen zijn van beperkte omvang en de uitvoerbaarheid is haalbaar. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect natuur.
5.6
Landschap
5.6.1
Toetsingskader
5.6.1.1 Beoordeling landschappelijk beeld De maat en schaal van moderne windturbines zijn zodanig groot dat feitelijk niet gesproken kan worden van een landschappelijke inpassing, maar eerder van een landschappelijk beeld. Door het landschap overstijgende karakter van grote windturbines en de grote zichtbaarheid vanuit de omgeving heeft de wijze waarop windturbines in het landschap geplaatst worden (de opstelling) invloed op de landschapsbeleving. Een heldere en leesbare opstelling levert een rustiger landschapsbeeld op. Landschap heeft vooral betrekking op de onderlinge samenhang tussen de elementen in een bepaald gebied en op de samenhang tussen een gebied en het gebruik daarvan. Landschap bestaat bij de gratie van waarneming en beleving door mensen én bij de gratie van verandering in de tijd. Landschap is geen statisch begrip. De bij deze effectbeoordeling voor landschap gehanteerde methodiek stelt de waarnemer centraal. Drie onderdelen van het beoordelingskader De effectbeoordeling voor landschap vindt plaats aan de hand van drie onderdelen, die hieronder kort worden toegelicht: beoordelingscriteria, schaalniveaus en standpunten. Beoordelingscriteria De criteria voor landschap die bij de effectbeoordeling worden gehanteerd, worden hierna kort toegelicht.
De effectbeoordeling zelf vindt plaats ten opzichte van de referentiesituatie (huidige situatie) en is voor alle criteria kwalitatief. Deze beoordeling kan variëren van zeer negatief (--), negatief (-), neutraal (0), positief ^) tot zeer positief ^). Bij sommige criteria is de beoordeling alleen neutraal tot (zeer) negatief. Neutraal betekent een niet of nauwelijks waarneembare verandering ten opzichte van de referentiesituatie. Sommige effecten kunnen tegengesteld aan elkaar zijn. Daar waar verschillen klein zijn of nuancering op zijn plaats is kunnen ook tussenwaarden worden gebruikt zoals -/0 (licht negatief). De effectbeoordeling voor landschap is niet gebaseerd op harde cijfers (de beoordeling is niet kwantitatief), maar is gebaseerd op een deskundigenoordeel (kwalitatief). De beoordelingscriteria waar op wordt beoordeeld zijn als volgt: 1. Aansluiting op de landschappelijke structuur; 2. Herkenbaarheid van de opstelling (als geheel); 3. Interferentie (van de opstelling) met andere windinitiatieven of hoge elementen; 4. Invloed op de openheid; 5. Invloed op de (visuele) rust; 6. Zichtbaarheid.
76
Schaalniveaus De effectbeoordeling vindt plaats op meerdere schaalniveaus. Dit gebeurt omdat het effect op landschap op verschillende schaalniveaus (dat wil zeggen verschillende afstanden van de waarnemer tot het initiatief) verschillend kan zijn. Voor de beoordeling worden de hierna opgenomen schaalniveaus aangehouden. De afstanden zijn mede gebaseerd op de werking van het menselijk oog en op de afstand waarop men nog in staat is landschappelijke elementen te herkennen en te onderscheiden van hun omgeving: » Het landschap (de (ruimere) omgeving (1,0 tot 5 kilometer) van het initiatief); » Het opstelling (het totale initiatief, < 1,0 kilometer van het initiatief); en » De turbine(s) (elke turbine afzonderlijk en zijn standplaatsinrichting). Standpunten Bij de effectbeoordeling is gebruik gemaakt van kaarten, van gebiedsfoto's, van Google Streetview en van fotovisualisaties (zie Bijlage 7) vanaf 28 verschillende standpunten (Figuur 5.18). Deze standpunten zijn zodanig gekozen dat zij representatief zijn voor een groot deel van de standpunten waarvandaan dit initiatief voor windenergie waarneembaar zal zijn. Figuur 5.18 Overzicht Windwinning Hoeksebaan (met standpunten van visualisaties) [Bron: FMTBV] VlmuIíhIk
Mik
,
Mmwrlāwi/ MjjìmĴ:iL Ikm neirwíç, - H mk weç
1 ì 4 S A 7 e
1 faâkwgrtíuünrtf ] Lùkwťįt -1 kwkMtaui
Kuifang .11.‘ 'hİh/Sü n - -h jrtkon Praul -IŕffcJ ruikwĮ ľUl Hoalīīun l lk-FI Fin Hwilnun HvH MjovJiiU
9
lŭ Ìİ lí II
Spooebf uįi Oruiftkuiai]
K*ridťrr lii-Kulk Lī jkpjd' Ijit-iJPi
1
N| rwcxk Ľiţki.ļiunl MjOí-Un'.kif in.ļī J JJldiiMlįļ JjJllflĽŮĮļ ĨjfenJiifnļj ^JļŬñĮJ Öracļÿ«f»lit*Hn Oii^lşltaHfrfMEiÉnii ľoíJfrh*ifc«Tļţ
1* ÏT IS 19 îū 31 11 11 14 i* JA 17 1*
XtuhLlk IkrtlťicťìLiàil í JroinmJilk
L*ţ™İJ * Ĩ3
Coac«ŗf larbtnťpfflwlK /.khtpjnl m kifknchflrç
MbHHV S mjaltuhc
5.6.1.2 Leidraad Windenergie Rotterdam Met de Leidraad Windenergie biedt de gemeente handvatten voor de ontwikkeling, inpassing en impact van windturbines. Het uitgangspunt voor de vormgeving van windturbines is deze zo rustig, terughoudend en neutraal mogelijk te houden en aansluiting te zoeken bij de omgeving (zie ook paragraaf 2.5.4).
77
5.6.2
Onderzoek
5.6.2.1 Landschappelijk beeld Het windpark is door Oog voor Schoonheid Landschapsarchitectuur (OVSL) beoordeeld op het effect dat de twee windturbines hebben op het landschap (zie ook Bijlage 6) en in deze paragraaf op punten aangepast dan wel aangescherpt. Voorafgaand aan de daadwerkelijke effectbeoordeling kan worden gesteld dat per criterium de verschillen in effect op landschap tussen de verschillende schaalniveaus soms erg klein zullen zijn. De mate waarin een effect uiteindelijk positief of negatief beoordeeld is, is op een gemiddelde gebaseerd voor het betreffende criterium op dat schaalniveau. Afhankelijk van de locatie kan het namelijk zo zijn dat een effect van het ene standpunt positiever of negatiever uitpakt dan vanuit het andere standpunt. Om de verschillen in effect tussen de verschillende schaalniveaus te duiden, dient bovendien te worden vermeld dat bijvoorbeeld een negatieve beoordeling (-) op het middelste schaalniveau en een zeer negatieve beoordeling (--) op het laagste schaalniveau niet betekent dat het effect op dat laagste niveau dan 'twee keer zo erg of twee keer zo negatief is'. Het betekent alleen dat het effect op het laagste schaalniveau negatiever is dan op het middelste niveau. De effectbeoordeling wordt geïllustreerd aan de hand van de fotovisualisaties die ten behoeve van deze effectbeoordeling zijn gemaakt.
In de visualisaties zijn turbines met een ashoogte van 160 meter, een rotordiameter van 180 meter en een tiphoogte van 250 meter toegepast. De visualisaties zijn ter illustratie verkleind weergegeven, maar bij de effectbeoordeling is gebruik gemaakt van fullscreen-formaat afbeeldingen. Voor de beoordeling hierna zijn niet alleen de in deze paragraaf opgenomen visualisaties gebruikt maar alle waarnemingen in Bijlage 1. Schaalniveau van het landschap (Standpunt 1, 6, 8, 9 en 18 t/m 25) De gebruikte visualisaties zijn genomen van plekken waarvandaan relatief veel waarnemingen van het initiatief plaats zullen vinden en/of plekken die representatief zijn voor andere plekken van waarneming, zoals de rand van de bebouwde kom van Hoek van Holland en plekken in de Bonnenpolder (zie Figuur 5.19). Figuur 5.19 Visualisaties vanaf Hoek van Holland (standpunt 7, links) en vanuit de Bonnenpolder (standpunt 26, rechts) [bron: FMŢJ
78
Aansluiting op de landschappelijke structuur Door hun grote afmetingen ontstijgen moderne windturbines de schaal van andere elementen in het landschap. De mate waarin windopstellingen herkenbaar aansluiten op de landschappelijke structuur is op dit schaalniveau vooral af te lezen aan de samenhang met de landschappelijke hoofdstructuren. In dit geval zijn dat de infrastructurele lijnen (spoor^metrolijn, Hoekse Baan) en de Nieuwe Waterweg. Op het schaalniveau van het landschap is die aansluiting waarneembaar of wordt al gauw vermoed. Vanaf hogere standpunten (zoals standpunt 9) is de samenhang ook daadwerkelijk waarneembaar: beide turbines liggen min of meer in lijn met de Nieuwe Waterweg, die ook zichtbaar is vanaf een dergelijk hoog punt. De turbines liggen op enige afstand van de Nieuwe Waterweg. Dat gegeven is vooral zichtbaar vanaf hooggelegen punten van waarneming. Vanaf standpunten aan de overzijde van de Nieuwe Waterweg (zoals standpunt 20, zie Figuur 5.20) is de samenhang ook daadwerkelijk waarneembaar. Vanaf andere punten is op maaiveldniveau de samenhang met de landschappelijke hoofdstructuren niet altijd direct waarneembaar. Deze wordt deze al gauw vermoed, simpelweg doordat men ter plekke weet waar die hoofdstructuren (met name de Nieuwe Waterweg met zijn dijken) liggen ten opzichte van de twee turbines.
Figuur 5.20 Visualisatie vanaf standpunt 9 (links) en standpunt 20 (rechts) [bron: FMT]
De samenhang met kleinere elementen en structuren in het landschap zoals verkavelingsrichtingen is op het hoogste schaalniveau nauwelijks of niet waarneembaar. Het initiatief wordt op dit criterium en op dit schaalniveau beoordeeld als positief ^, vanwege een waarneembare samenhang met de landschappelijke (hoofd)structuren, dan wel dat deze samenhang wordt vermoed. Beide turbines liggen min of meer in lijn liggen met de Nieuwe Waterweg). Figuur 5.21 Visualisatie vanaf standpunt 19 (links) en standpunt 1 (rechts) [bron: FMT]
79
Herkenbaarheid van de opstelling (als geheel) Op grotere afstand is de opstelling herkenbaar als zelfstandige, samenhangende lijnopstelling van twee turbines, gelet op de visualisaties in Figuur 5.20. Maar twee turbines vormen een beperkte lijn en bovendien is de onderlinge afstand vrij groot (circa 1,2 kilometer), zeker in verhouding tot de afstand van de oostelijke turbine tot de meest westelijke turbine van Windpark Nieuwe Waterweg (circa 0,9 kilometer). Dit heeft tot gevolg dat vanaf sommige standpunten de opstelling duidelijk herkenbaar is als zelfstandige opstelling, terwijl vanaf andere punten dat minder duidelijk het geval is, bijvoorbeeld doordat slechts één turbine zichtbaar is (zie visualisatie 1 in Figuur 5.21). Omdat de opstelling in het merendeel van de visualisaties op dit schaalniveau als toch zelfstandige opstelling herkenbaar is, wordt dit effect op dit schaalniveau als licht positief (0/+, enige herkenbaarheid (vaak, maar lang niet altijd) van de opstelling) beoordeeld. Interferentie (van de opstelling) met andere windinitiatieven of hoge elementen In de ruimere omgeving van het initiatief (1,5 tot 5 kilometer) staan zoals is aangegeven ook andere windturbines. Verder loopt er een hoogspanningsleiding tussen de twee turbines door. Figuur 5.22 laat zien dat er op meerdere plekken interferentie plaats kan vinden met dergelijke hoge elementen.
Het gaat dan met name op plekken haaks op de opstelling en plekken in het verlengde van de opstelling. Het effect op interferentie is op dit schaalniveau beoordeeld als negatief (-, interferentie mogelijk). Invloed op de openheid Voor dit criterium geldt dat op dit schaalniveau het effect beperkt is, mede omdat er sprake is van slechts twee windturbines. Ze zijn op deze afstand en in deze landschappelijke context met name bij helder weer goed zichtbaar zijn, maar de verticaliteit van de turbines is op deze afstand relatief klein. Het effect op de openheid is op dit schaalniveau als licht negatief (-/0, enige aantasting van de openheid) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Invloed op visuele rust Ook voor dit criterium geldt dat op dit schaalniveau het effect beperkt is. De rotordiameter is dusdanig groot dat de windturbines ook bij hoge windsnelheden relatief langzaam draaien en opnieuw is het aantal turbines beperkt. Ook het effect op de visuele rust is op dit schaalniveau als licht negatief (-/0, enige verstoring van de visuele rust) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Figuur 5.22 Visualisatie vanaf standpunt 18 (links) en standpunt 24 (rechts) [bron: FMT]
Invloed op zichtbaarheid De turbines zijn in deze landschappelijke context goed zichtbaar. Dit geldt vanuit de (open) omgeving en vanaf de hogere gebouwen en uitkijkpunten in de omgeving. Vanuit de bebouwde kommen en vanuit bosrijk gebied zoals het Staelduinse Bos is de zichtbaarheid vanaf maaiveld zeer beperkt. In de nachtsituatie zal de opstelling minder opvallen, omdat in deze omgeving er meerdere andere hoge objecten worden aangelicht en verlichting een belangrijk onderdeel uitmaakt van de nachtelijke skyline van het Rotterdamse havengebied. Het effect op de zichtbaarheid is op dit schaalniveau als negatief (-, zichtbaar) beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie.
80
Schaalniveau van de opstelling (Standpunt 2 t/m 4, 7, 10 t/m 17 en 26 t/m 28) Aansluiting op de landschappelijke structuur De samenhang tussen de opstelling en de landschappelijke (ruimtelijke) structuren en vlakken in het plangebied wordt op dit schaalniveau wat duidelijker, zoals de samenhang met bedrijventerreinterrein De Kulk - De Loswal en met de dijk en de Hoeksebaan (zie Figuur 5.23). Het initiatief wordt op dit criterium en op dit schaalniveau opnieuw beoordeeld als positief ^, waarneembare samenhang met de landschappelijke lineaire structuren zoals de dijk, maar ook vlakken zoals De Kulk - Loswal). Figuur 5.23 Visualisatie vanaf standpunt 2 (links) en standpunt 4 (rechts) [bron: FMT]
Herkenbaarheid van de opstelling (als geheel) Op dit schaalniveau is de herkenbaarheid van de opstelling als samenhangend geheel vergelijkbaar met die op het hoogste schaalniveau. Dit effect is opnieuw licht positief (0/+) beoordeeld, ondanks dat vanaf sommige standpunten een deel van de turbines (even) uit het zicht kan zijn door de aanwezigheid van andere landschapselementen (zie ter illustratie Figuur 5.24). Figuur 5.24 Visualisatie vanaf standpunt 3 (links) en standpunt 7 (rechts) [bron: FMT]
Interferentie (van de opstelling) met andere windinitiatieven of hoge elementen Op dit schaalniveau neemt de interferentie met windpark Nieuwe Waterweg af ten opzichte van het hoogste schaalniveau. Dit komt omdat de afstand tussen windwinning Hoeksebaan en windpark Nieuwe Waterweg voor de waarnemer op kortere afstand groot genoeg is om het onderscheid tussen beide te kunnen maken. Aan de andere kant neemt de interferentie met de hoogspanningslijn op dit schaalniveau iets toe (zie Figuur 5.25). Het effect op interferentie is op dit schaalniveau beoordeeld als licht negatief (-/0, enige interferentie).
81
Figuur 5.25 Visualisatie vanaf standpunt 16 (links) en standpunt 28 (rechts) [bron: FMT]
Invloed op de openheid Op dit schaalniveau geldt dat het effect op de openheid iets groter wordt. Over het algemeen ogen rotoren groter en vullen zij het beeld van de waarnemer meer naarmate de afstand kleiner wordt. Daarom is dit effect op dit schaalniveau beoordeeld als negatief (-). Invloed op visuele rust Voor dit criterium geldt dat op dit schaalniveau het effect min of meer gelijk blijft. De hoeveelheid beweging neemt voor de waarnemer toe noch af, ook omdat de windturbines op dit schaalniveau soms aan het zicht van de waarnemer worden onttrokken door relatief kleine landschapselementen. Op dit schaalniveau is het effect op de visuele rust opnieuw als licht negatief beoordeeld (-/0, enige verstoring van de visuele rust). Invloed op zichtbaarheid Op dit schaalniveau neemt de zichtbaarheid toe doordat de turbines groter overkomen op de waarnemer, maar ze worden soms ook aan het zicht van de waarnemer onttrokken door relatief kleine landschapselementen. Het effect op de zichtbaarheid blijft op dit schaalniveau min of meer vergelijkbaar met het hoogste schaalniveau en is opnieuw als negatief (-) beoordeeld. Schaalniveau van de turbine(s) (Standpunt 5, 12 en 17) Aansluiting op de landschappelijke structuur De turbines hebben geen direct waarneembare samenhang met de kleinere (aangewezen) structurele landschappelijke structuren, maar doen daar ook geen afbreuk aan.
Ter plaatse van windturbine 1 is wel een bomenrij die moet wijken door de realisatie van de windturbine maar deze bomenrij is niet beleidsmatig als karakteristiek en te beschermen groenstructuur aangewezen. Door de ligging van deze bomenrij binnen bestaand bedrijfsterrein, en waarneming hier alleen buiten het (besloten) terrein plaatsvindt is ook de vraag of er sprake is van de aantasting van een waarneembare groenstructuur. Het initiatief wordt op dit criterium en op dit schaalniveau daarom beoordeeld als neutraal (0). Herkenbaarheid van de opstelling (als geheel) Er is op dit niveau eerder sprake van twee losse turbines dan van een opstelling van twee gelijke turbines. Dit effect is op dit schaalniveau als licht negatief (-/0) beoordeeld. Interferentie (van de opstelling) met andere windinitiatieven of hoge elementen Op dit schaalniveau is nauwelijks tot geen sprake meer van interferentie. Dit is nu beoordeeld als neutraal (0). Invloed op de openheid Op dit schaalniveau kunnen de turbines zelf een lichte negatieve invloed hebben op de openheid. Randvoorzieningen zoals schakelkasten en dergelijke zullen gelet op hun standplaats geen invloed op de openheid hebben. Dit effect is beoordeeld als minder negatief dan het middelste schaalniveau, namelijk licht negatief (-/0).
82
Invloed op visuele rust Op dit schaalniveau blijft er een licht negatief effect op de visuele rust bestaan. Dit is opnieuw als licht negatief beoordeeld (-/0). Invloed op zichtbaarheid Op dit schaalniveau is de zichtbaarheid vergelijkbaar als die op het middelste schaalniveau en deze is opnieuw als negatief (-) beoordeeld. Figuur 5.26 Visualisatie vanaf standpunt 5 (links) en standpunt 12 (rechts) [bron: FMT]
Samenvatting Het weergeven van het totale landschappelijke effect van het initiatief is geen kwestie van het optellen en aftrekken van plussen en minnen. De hier gehanteerde criteria wegen niet even zwaar. Verder zijn de onderlinge verschillen tussen de verschillende criteria en/of schaalniveaus in dit geval (zeer) gering. Om toch een samenvattende conclusie te kunnen trekken is in de tabel hieronder de totale beoordeling voor landschap op de verschillende schaalniveaus weergegeven (van de drie schaalniveaus samen). Tabel 5.18 Beoordelingscriteria landschap: de drie schaalniveaus en de samenvattende beoordeling landschap
opstelling
turbine(s)
samenvatting
Aansluiting op de landschappelijke structuur
+
+
0
■ì-
Herkenbaarheid van de opstelling
0/+
0/+
-/o
0
Interferentie met andere hoge elementen/turbines
-
-/o
0
-/o
Invloed op de openheid
-/o
-
-/o
-/o
Invloed op de visuele rust
-/o
-10
-/o
-10
Zichtbaarheid
-
-
-
-
Hierbij moet worden vermeld dat windinitiatieven in veel gevallen niet positief kunnen scoren op de criteria die hier zijn gehanteerd. De effecten zijn echter redelijk beperkt, mede door de beperkte omvang van het initiatief (wat betreft het aantal windturbines). 5.6.2.2 Relatie met stedenbouwkundige leidraad Het plaatsen van een windturbine heeft gevolgen voor de ruimtelijke uitstraling. Met de Leidraad Windenergie biedt de gemeente handvatten voor de ontwikkeling, inpassing en impact van windturbines. Maar tegelijkertijd is het nog steeds maatwerk.
83
Windturbines zijn dermate groot dat ze zich in maat en schaal goed verhouden tot de grootschalige patronen in het landschap, maar minder goed samengaan met woningen en woonwijken. Daarom staat het merendeel van de windturbines in het havengebied waar deze qua uitstraling goed kunnen worden ingepast. Dit geldt ook rondom infrastructuur (maar wel in mindere mate). Het stedelijk gebied en het verstoren van open landschappen kunnen daardoor zoveel mogelijk vermeden worden. Het uitgangspunt voor de vormgeving van windturbines is deze zo rustig, terughoudend en neutraal mogelijk te houden en aansluiting te zoeken bij de omgeving. Verder geldt als basis de punten uit de Leidraad zoals ook staan beschreven in paragraaf 2.5.4. Hieronder wordt nader op die punten in gegaan. Windturbines staan in ruimtelijk heldere opstellingen - lijn of cluster - waarbij binnen één windproject alle turbines gelijk zijn qua type, kleur, hoogte en rotordiameter (gestreefd wordt om solitaire ^ 1 of 2) windmolens te voorkomen). Er is sprake van een windproject waarbij wordt voorzien in de ontwikkeling van 2 windturbines. Oorspronkelijk was het plan om maximaal 4 windturbines te realiseren maar vanwege belemmeringen (zie ook paragraaf 4.1) is dat niet mogelijk gebleken en zijn er 2 windturbines overgebleven.
Wellicht dat er in de toekomst nog een derde windturbine in het gebied Loswal de Bonnen wordt gepland maar dat is op korte termijn niet mogelijk gebleken omdat de planvorming daar nog niet voldoende ruimte biedt. Windwinning Hoeksebaan is juridisch gezien een zelfstandig windproject, zoals ook blijkt uit paragraaf 1.4, alhoewel er visueel en vanwege de nabijheid wel een relatie ligt met windpark Nieuwe Waterweg. De situering van de geplande windturbines sluit aan bij de (hoofd-)richting van de Nieuwe Waterweg en staat parallel aan de bestaande windturbines. Daardoor is er sprake van een duidelijke koppeling met de belangrijkste landschapsstructuur (zie ook paragraaf 5.6.2.1 onder kopje 'Schaalniveau van het landschap'). De windturbines in Windwinning Hoeksebaan zullen gelijk zijn. Het is niet realistisch om met het type en afmetingen aan te sluiten op windpark Nieuwe Waterweg. De windturbines in windpark Nieuwe Waterweg zijn al weer enkele jaren geleden gerealiseerd en er komen steeds nieuwere en ook grotere windturbines op de markt. Daarnaast wil de initiatiefnemer vanuit de businesscase en de op de markt beschikbare windturbines keuzevrijheid behouden in de keuze voor een windturbinetype. Het is dus niet haalbaar op voorhand vast te leggen dezelfde windturbines te realiseren in Windwinning Hoeksebaan als in windpark Nieuwe Waterweg.
Terughoudend kleurgebruik; alleen gebruik maken van wit- of lichte grijstinten. De windturbines worden uitgevoerd in wit- of lichte grijstinten, dit is eigenlijk standaard het geval. De concreet beschikbare RAL-kleuren zijn afhankelijk van het specifieke te realiseren windturbinetype. Reclame- of bedrijfsuitingen op windturbines zijn veelal ongewenst Op de windturbines komen vooralsnog geen reclame- of bedrijfsuitingen. Indien dit toch het geval is wordt dit alsnog aangevraagd en ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente in het kader van welstand. Vermijden van verrommeling rondom de voet van de windturbine en nadrukkelijke aandacht voor de vormgeving van de voet. De windturbines worden geplaatst op het perceel van bestaande bedrijven en zijn niet direct aan openbaar gebied gesitueerd. De windturbines sluiten daarmee aan op, en worden ingepast in, de bedrijfsvoering ter plaatse. Aparte aandacht voor de inpassing wordt daardoor niet noodzakelijk, maar ook niet doelmatig, geacht. Nachtbeeld is rustig en weinig in het oog springend. De beoogde windturbines hebben een tiphoogte groter dan 150 meter. Om die reden zal de windturbine van luchtvaartverlichting worden voorzien. Hiertoe zal een verlichtingsplan worden opgesteld conform de voorschriften van de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT). Insteek is om de effecten zoveel mogelijk te minimaliseren.
Indien mogelijk wordt de zichtbaarheid van de verlichting (nog) verder gereduceerd, bijvoorbeeld door het toepassen van een transpondersysteem. Openbare ruimte (en met name bomen en groenstroken) worden zoveel als mogelijk gespaard. De windturbines komen op bestaande bedrijfsterreinen en gaat niet ten koste van openbare ruimte.
84
Ter plaatse van het bedrijfsterrein van Renewi is een bestaande houtwal aanwezig met bomen. Deze houtwal heeft geen beschermde status in het geldende bestemmingsplan en mag derhalve voor bedrijfsactiviteiten benut worden. De structuur is ook niet aangewezen als karakteristieke groenstructuur in de Landschapsvisie Oranjebonnen (zie Figuur 5.27). Volgens de bijbehorende ambitiekaart voor de lange termijn staan er wel een aantal noord-zuid georiënteerde groenstructuren op het terrein van Renewi aangegeven maar deze heeft geen verdere toelichting of status. De toelichting van het bestemmingsplan voor het terrein van Renewi geeft aan dat structurele groengebieden zijn bestemd als 'Groen'. Geconcludeerd kan worden dat de houtwallen op het terrein van Renewi geen structurele groenelementen zijn. Ter plaatse van het terrein van het Hoogheemraadschap is nu ook groenstructuur aanwezig, ook deze beplantingen zijn niet beschermd. De betreffende gronden zijn ook voor bedrijfsactiviteiten te benutten. Voor beide windturbines is gekeken of er ruimte is voor verschuivingen (niet alleen vanuit landschap maar ook vanuit andere aspecten).
De posities van de windturbines zoals nu vastgelegd worden in het bestemmingsplan zijn vanuit de bedrijfsvoering van het ter plaatste gevestigde bedrijf maar ook praktische uitvoering van onderhavig windproject, als ook belemmeringen vanuit andere aspecten, de beste opties. Het handhaven van de betreffende groenstructuren voor realisatie van de windturbines is dus niet mogelijk gebleken. Ook als de windturbines niet gerealiseerd worden is het mogelijk dat de groenstructuren uiteindelijk moeten wijken voor de bedrijfsvoering ter plaatse. Er worden alleen die bomen gekapt voor zo ver noodzakelijk voor realisatie van de windturbines, hiervoor wordt ook kapvergunning aangevraagd en wordt compensatie gerealiseerd. Er worden geen structuren gekapt die als karakteristieke groenstructuren en elementen zijn geïdentificeerd. Figuur 5.27 Kaart 'Groenstructuren' uit Landschapsvisie Oranjebonnen Hoek van Holland gemeente Rotterdam De groenstructuren in het landschap zijn belangrijk voor het versterken van randen, afschermen van de kassengebieden, accentueren van de Waterweg en het Oranjekanaal en het inpassen van de bebouwing, in de polder is de positionering van met name hoge beplanting (bomen en heesters) belangrijk voor het behoud van de openheid.
Veranderingen in de omgeving worden zoveel mogelijk tot een minimum beperkt. Voor aanleg en onderhoud worden zoveel mogelijk bestaande wegen gebruikt. De windturbines worden geplaatst op bestande bedrijfsterreinen, veranderingen worden daardoor tot een minimum beperkt omdat de omgeving van de windturbine niet verandert. Er wordt ook zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bestaande verhardingen en infrastructuur.
85
Windturbines verstoren geen belangrijke zichtlijnen in het (stedelijke) landschap De windturbine volgen de (hoofd-)richting van de Nieuwe Waterweg, zoals ook in paragraaf 5.6.2.1 wordt beschreven, alhoewel niet volledig parallel. Hierdoor worden ook geen belangrijke zichtlijnen in het landschap verstoord. In de landschapsvisie voor de Oranjebonnen zijn de belangrijke zichtlijnen in de omgeving van het plangebied weergegeven (zie Figuur 5.28). Figuur 5.28 Kaart met huidige en toekomstige landschappelijke structuren [bron: Landschapsvisie Oranjebonnen]
Samenvatting Er is vanuit het initiatief afstemming geweest met de gemeente over de afmetingen van de windturbines, het aantal en de positionering. Vanuit landschappelijk oogpunt is er geen sprake van een optimale situatie omdat: » het project Windwinning Hoeksebaan niet als zelfstandige lijnopstelling wordt beschouwd, vanwege 2 windturbines; » de lijnopstelling van Windpark Nieuwe Waterweg niet wordt doorgetrokken; » de opstelling Windwinning Hoeksebaan iets uitwaaiert ten opzichte van de Nieuwe Waterweg; » de twee windturbines in Windwinning Hoeksebaan andere afmetingen hebben dan de windturbines in Windpark Nieuwe Waterweg » de bestaande houtwal op het bedrijfsterrein van Renewi (deels) moet wijken voor de westelijke windturbine. Deze, wellicht niet ideale situatie, wordt aanvaardbaar geacht vanuit het niet beschikbaar zijn van ruimte voor optimalisatie, de gemeentelijke doelstelling voor de opwekking van duurzame elektriciteit
86
en de bundeling van de windturbines met bestaand (grootschalig) bedrijventerrein, in/nabij provinciaal concentratielocatie en nabij de Nieuwe Waterweg als grootschalige infrastructuur. De locatie geeft daarnaast relatief weinig hinder voor de omgeving vanwege de afstand tot woningen. 5.6.3
Conclusie
Windturbines voegen door hun grote maat en schaal in vergelijking met andere objecten een nieuwe laag toe aan het landschap. Door hun grote afmetingen ontstijgen moderne windturbines de schaal van andere landschapselementen, dat is iets wat niet te ontkennen valt. Over het geheel bekeken mag worden geconcludeerd dat het initiatief een relatief beperkte impact heeft op het planaspect landschap, vooral op het criterium zichtbaarheid. De opstelling sluit vrij goed aan op aanwezige landschappelijke structuren, vooral op het hoogste en middelste schaalniveau. De opstelling is minder goed herkenbaar als zelfstandige opstelling, door de relatief grote onderlinge afstand. Het initiatief scoort (beperkt) negatief als het gaat om het effect op interferentie met andere hoge elementen in het landschap (hoogspanning en bestaande windturbines), de invloed op de openheid van het landschap en de invloed op de visuele rust. Toetsing aan de Leidraad windenergie heeft plaatsgevonden, er is weliswaar niet sprake van een ideale situatie maar er is sprake van aanvaardbaar effect op het landschap en daarmee ook de toets aan de Leidraad. De windturbines hebben per definitie invloed op het landschappelijk beeld. Beschouwd is in hoeverre er mogelijkheden zijn dat beeld te verbeteren, er zijn echter praktisch gezien geen schuifmogelijkheden voor de windturbines waarmee het beeld verbeterd kan worden.
Het beeld is inherent aan de ontwikkeling van windenergie in een bestaande bebouwde omgeving. Gelet op bovengenoemde landschappelijke factoren kan er geconcludeerd worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening voor het aspect landschap.
5.7
Cultuurhistorie en archeologie
5.7.1
Toetsingskader
Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. De Erfgoedwet33, die de Monumentenwet 1988 heeft vervangen, vormt in Nederland het wettelijk kader voor de bescherming van al het cultureel erfgoed, waaronder ook de afspraken uit het Verdrag van Malta. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Archeologie houdt zich bezig met de niet zichtbare delen van onze cultuurgeschiedenis. Zij zijn verborgen in de bodem. 5.7.2
Onderzoek
Archeologie De Archeologische Waardenkaart (AWK, 2005), die de basis vormt van het archeologiebeleid van de gemeente Rotterdam, geeft de archeologische waarden en verwachting voor het gehele gemeentelijk grondgebied weer en geeft tegelijkertijd inzicht in welk beleid op de betreffende gebieden van toepassing is. In de gemeentelijke archeologieverordening (2009) is een lijst vastgesteld met de Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP) in de gemeente Rotterdam. De gemeentelijke archeologische waarden zijn juridisch bindend verankerd in de verbeelding en regels van het (gebieds)bestemmingsplan (zie ook paragraaf 1.3). De ter plaatse geldende bestemmingsplannen zijn daarmee het toetsingskader voor archeologische waarden.
87
In het plangebied zijn te verwachten direct onder het maaiveld en op een dieper niveau. Voor het plangebied geldt voor beide geplande locaties de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1', maar op basis van een ander geldend bestemmingsplan. De gelijknamige dubbelbestemming in beide bestemmingsplannen kent een iets afwijkende regeling ten opzichte van elkaar. Aan de dubbelbestemmingen met de 'Waarde - Archeologie - 1' is een bouwregeling gekoppeld en een aanlegvergunning (nu: omgevingsvergunning) voor bouw- en graafwerkzaamheden die: 1. ter plaatse van windturbine 2: dieper reiken dan 1,0 meter beneden NAP en die tevens een oppervlak beslaan groter dan 200 vierkante meter; 2. ter plaatse van windturbine 1: dieper reiken dan 4,0 meter beneden maaiveld en die tevens een oppervlak beslaan groter dan 200 vierkante meter; Op basis van de controle van het uitvoeringsplan bepaalt het BOOR of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Bij deze afweging zal het BOOR ook rekening houden met het (ontwerp)bestemmingsplan. Ten einde te achterhalen of er archeologisch onderzoek voorafgaande of tijdens de werkzaamheden moet worden uitgevoerd is contact geweest met BOOR.
BOOR heeft het plan beoordeeld (Bijlage 8) en ziet naar aanleiding van het voorgelegde plan geen reden tot archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) op de planlocatie omdat de bodem op de locatie tot diep verstoord is geraakt door werking van de rivier. Op de locatie kunnen eigenlijk alleen resten uit recentere periodes aanwezig zijn, maar op de beschikbare historische kaarten (kadasterkaarten en kaarten met Tweede Wereldoorlog archeologie) wordt niets afgebeeld wat aanleiding geeft voor onderzoek. De locatie kan voor de voorgenomen ontwikkeling worden vrijgegeven zonder archeologische bemoeienis. Er dient wel altijd rekening gehouden te worden met zogenaamde toevalsvondsten. Vanuit archeologie is er geen belemmering aanwezig voor de ontwikkeling van het windpark. Voor de volledigheid worden de dubbelbestemmingen voor archeologie wel uit het onderliggende bestemmingsplan overgenomen, daar waar in dit plan een nieuwe enkelbestemming wordt toegekend. In afstemming met BOOR krijgt de archeologische dubbelbestemming ter plaatse van windturbine 1 de dubbelbestemming 'Archeologie - Waarde - 2'. De dubbelbestemming voor archeologie ter plaatse van windturbine 2 houdt de dubbelbestemming 'Archeologie - Waarde - 1'. Voor het overige blijven de dubbelbestemmingen van onderliggende bestemmingsplannen onverminderd gelden.
Overige cultuurhistorie De cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Zuid-Holland geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in de provincie en heeft ten doel de cultuurhistorische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk te behouden. De cultuurhistorische waarden zijn in het provinciale beleid aangeduid in drie thema's: historische stedenbouw, historische landschap en archeologie, waarvan de laatste reeds onder het kopje 'archeologie' behandeld is. In Figuur 5.29 is een uitsnede weergegeven van de cultuurhistorische kaart van de provincie ZuidHolland met daarop de cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied. Te zien is dat het plangebied geen specifieke cultuurhistorische waardering heeft. In het plangebied en in de directe omgeving zijn ook geen monumenten of beschermde stad- en dorpsgezichten aanwezig. Hoewel dit niet betekent dat het gebied geheel zonder waarde is, geeft het wel aan dat er zich in het gebied geen specifieke waardevolle cultuurhistorische objecten of landschappelijke historische structuren bevinden. Buiten het plangebied zijn wel enkele historisch landschappelijke waarden aanwezig, te weten de Nieuwe Waterweg en enkele watergangen die door het nabije poldergebied lopen. De turbines zullen naar verwachting invloed hebben op de samenhang van deze wateren met de historische open polderlandschappen.
Echter, vanwege de reeds gedane ingrepen in het landschap (aanwezige bebouwing waaronder bestaande windturbines, waterkering, groenstroken) zal het effect op de cultuurhistorische patronen gering zijn.
88
Figuur 5.29 uitsnede cultuurhistorisch waardenkaart provincie Zuid-Holland
Het windpark doet geen afbreuk aan archeologie en overige cultuurhistorische waarden in het plangebied en de omgeving ervan. Voor het aspect cultuurhistorie is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.8
Waterhuishouding
5.8.1
Toetsingskader
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordenende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc. te voorkomen. De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1 en 3.16 van het Besluit ruimtelijke ordening. Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen gemeente, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebiedsspecifieke ruimtelijke uitgangspunten. Als er (bouw)werkzaamheden uitgevoerd worden in de nabijheid van een water of een dijk, heeft degene die dat wil doen een keurvergunning of keurontheffing van het waterschap nodig (in dit geval het Hoogheemraadschap van Delfland). Het waterschap onderzoekt hoe en wat de nadelige gevolgen zijn voor het water of voor de dijken. Zijn de gevolgen acceptabel, dan wordt onder strikte voorwaarden een vergunning of ontheffing afgegeven.
89
Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (2000) (KRW) beschermt de waterkwaliteit van alle wateren en stelt doelen om ervoor te zorgen dat de ‘goede toestand’ wordt bereikt. Voor de KRW-waterlichamen in het plangebied is hiervoor het ‘Goede Ecologisch Potentieel (GEP)’ van belang. Dit is de toestand die voor sterk veranderde en kunstmatig aangelegde waterlichamen bereikt moet worden. Het Europees beleid is erop gericht om de lozing van prioritair gevaarlijke stoffen te beëindigen, dan wel vergaand te reduceren. De KRW is vertaald in Nederlandse regelgeving met het ‘Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009’ en de ‘Ministeriële Regeling Monitoring kaderrichtlijn water’. Hierin staan de normconcentraties voor de te lozen stoffen vermeld. Verder zijn van belang de Europese Richtlijn Prioritaire Stoffen en de nieuwe Europese richtlijn ‘Industriële Emissies, 2011’. Beleid waterbeheerder In het Waterbeheerprogramma van Delfland 2022-2027 (WBP6) heeft Delfland met een brede blik naar de watertaken (waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering) van Delfland gekeken vanuit het perspectief van de leefomgeving. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie.
Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. In 2012 heeft het Hoogheemraadschap de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld en daarna regelmatig geactualiseerd. De handreiking is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden, dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren.
Wateraspecten die van belang zijn bij het opstellen van een ruimtelijk plan zijn onderverdeeld naar de volgende thema’s: » Stevige dijken: Veiligheid en waterkeringen; » Voldoende water: Voorkomen van wateroverlast, Grondwater en voorkomen van (zoet)watertekort, Onderhoud en bagger; » Schoon water: Watersysteemkwaliteit en ecologie; » Gezuiverd afvalwater: Afvalwaterketen; » Klimaatadaptatie. Standstill-beginsel (voorkomen wateroverlast) Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijke plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijke plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van de trits vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd.
Klimaatadaptie Binnen het beheergebied van Delfland zijn diverse beleidskaders en strategieën op het gebied van klimaatadaptatie vastgesteld. Zo zijn op nationaal niveau door Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie, het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie 2018 en de Nationale klimaatadaptatiestrategie 2016 (NAS) vastgesteld. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie wordt gesteld, dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zorgen er samen met private partijen voor dat schade door hitte, wateroverlast, droogte en overstromingen zo beperkt mogelijk blijft. Er wordt
90
rekening gehouden met klimaatverandering bij zaken als de aanleg van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen, het opknappen van bestaande bebouwing, vervanging van rioleringen en wegonderhoud. Delfland houdt bij de berekening van de wateropgave rekening met het te verwachten effect van de klimaatverandering in 2050 op de neerslag. Keur In het beheergebied van Delfland gelden momenteel de regels van de Keur Delfland 2015. In de Keur Hoogheemraadschap van Delfland zijn regels opgenomen voor onder andere: »
gedoogplichten, zoals de verplichting voor perceeleigenaren om Delfland toe te laten voor onderhoudswerkzaamheden; » geboden, zoals de verplichting om watergangen en waterkeringen te onderhouden; » verboden, zoals het verbod om watergangen of -keringen te veranderen. In aanvulling op de Keur heeft het Hoogheemraadschap beleidsregels opgesteld die een meer concrete uitwerking vormen voor de toepassing in de praktijk. Op basis van de Keur is een vergunning nodig voor het aanleggen of wijzigen van waterstaatwerken of voor het gebruik maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, onder andere daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten. Daarnaast is ook een vergunning nodig voor het onttrekken van grondwater. 5.8.2
Onderzoek
Huidig watersysteem Windturbine 1 is gepland in de Opspuiting Buiten Nieuwland. Voor dit gebied is geen peil vastgesteld. Het gaat hier om relatief hooggelegen opgespoten gebied dat onder vrij verval afwatert op het Nieuw Oranjekanaal. Windturbine 2 is gekregen op het terrein van de RWZI Hoek van Holland van het Hoogheemraadschap in de polder Nieuwland in peilgebied POL306BN XII, met een peil van NAP -0,1 meter. Water stroomt hier ook onder vrij verval naar het oosten af naar het Nieuwe Oranjekanaal. Voor grondwater liggen er geen peilbuizen in het plangebied, wel liggen er een aantal peilbuizen in de omgeving, maar deze zijn niet representatief voor windturbine 1 omdat daar sprake is van een hogere maaiveldligging.34 De Nieuwe Waterweg en het Nieuw Oranjekanaal liggen in de nabijheid van het plangebied. Rijkswaterstaat is de waterbeheerder van de Nieuwe Waterweg en Hoogheemraadschap van Delfland van het Nieuw Oranjekanaal. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig volgens de legger van het Hoogheemraadschap van Delfland (zie Figuur 5.30). Stevige dijken De Hoeksebaan en deels de zone ten zuiden van de Hoeksebaan is een waterstaatswerk met een primaire waterkerende functie. Het plangebied valt echter buiten de beschermingszone van de dijk.