[24bb003742] Bijlage 1 behorende bij 24bb003750 over ontwerpbestemmingsplan Windwinning Hoeksebaan
Tekst van het document
24
Figuur 3.2 Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (lichtgroen = NNN, donkergroen = ecologische verbinding) [bron: Omgevingsverordening Zuid-Holland]
Natura 2000 Het dichtst bij het plangebied gelegen Natura 2000 gebied is Solleveld à Kapittelduinen op een kortste afstand van ruim een kilometer gelegen. Het NNN-gebied Staelduinse Bos maakt ook onderdeel uit van dit Natura 2000 gebied. Overige Natura 2000 gebieden liggen op grotere afstand.
25
Figuur 3.3 Ligging Natura 2000-gebieden (groen = Natura 2000 gebied Solleveld Å Kapittelduinen) [bron: website Natura 2000, Ministerie van LNV] Monster ŵ Natura 2000-gebìedea
99 - Solleveld! 8t Kapittelduinen (827
LJ
X
G e b i ed s i nfo mnat i e Horvselersdijk
1 Mm; Naaldwijk
- ..v
[m2İ\
Natuurontwikkeling De Bonnenpolder en de Oranjebuitenpolder, samen de Oranjebonnen genoemd, vormt een bijzonder stuk open landschap tussen de verstedelijking en het kassengebied. Samen met het aangrenzende Staelduinse Bos vormt dit gebied een belangrijke schakel tussen Midden-Delfland en de kust. Voor dit gebied heeft de gemeente Rotterdam in 2013 het Ambitiedocument Oranjebonnen 2013 2020 vastgesteld in samenspraak met de stadsregio Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. Daarin is de beleidskeuze gemaakt om in dit agrarische gebied ruimte te bieden voor natuurontwikkeling en recreatieve voorzieningen, waarbij ook wordt ingezet op het versterken van de beleving van het gebied door behoud en ontwikkeling van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Na dit Ambitiedocument is in 2016 het Ontwikkelplan Oranjebonnen vastgesteld en in 2021 het bestemmingsplan "Oranjebonnen". In de Oranjebonnen komt een natuurontwikkeling van zo'n 128 hectare direct aansluitend aan het Staelduinse Bos.
Naast natuurontwikkeling bestaat het plan voor de Oranjebonnen uit: » de polder blijft open en cultuurhistorische elementen worden hersteld; » behoud van het landschap met meer ruimte voor bloemen, insecten en vogels; » 30 hectare krijgt de functie natuurbegraven waar mensen zelf hun laatste rustplaats uitkiezen; » de polder wordt beter toegankelijk voor recreatie met 13 km nieuwe wandelpaden en 4 km nieuwe fietspaden; » het gebied blijft autoluw; » Hoeve Rijckevorsel open voor publiek (te denken aan functies zoals horeca, natuurspeeltuin, landwinkel met streekproducten). Het ontwikkelplan voor de Oranjebonnen voorziet in een hoge bomenrij langs het kassencomplex ten noorden van windturbine 2. Langs de rand van het terrein van Renewi nabij windturbine 1 vindt geen natuur- of groenontwikkeling plaats, de percelen ter plaatse houden hun agrarische functie.
26
Figuur 3.4 Ontwikkelplan Oranjebonnen [bron: West 8]
Op het bedrijfsterrein van Renewi zijn een tweetal bestaande houtwallen aanwezig: in noordzuidrichting halverwege het terrein en aan de oostzijde langs de zuidrand. Langs de noordzijde is een bomenrij aanwezig. De eerste 2 genoemde groenstructuren zijn bestemd tot bedrijfsterrein en niet juridisch-planologisch beschermd als groenstructuur. De noordelijke rand van het bedrijfsterrein is bestemd tot 'Groen' omdat het een structureel groengebied is. Op het terrein van de RWZI is een houtwal aanwezig langs de oostzijde van het perceel. De oostelijke strook van het perceel is ook verder onbebouwd grasland. De groenstructuur is ook hier bestemd tot bedrijfsterrein en niet juridisch-planologisch beschermd als groenstructuur. De gronden zijn beschikbaar voor uitbreiding van de RWZI.
3.2
Landschappelijke structuur
Historie plangebied en omgeving5 Delta en verzanding Het grondgebied van Hoek van Holland werd vanaf de late Middeleeuwen (1000-1500) gevormd ter plaatse van de Maasmonding die voortdurend veranderde door stormvloeden. Na de stormvloed van 1134 begon de aanleg van een hoofdwaterkering die omstreeks 1300 voorlopig werd voltooid met de aanleg van de Maasdijk. De kustlijn liep destijds van ‘s-Gravenzande met een grote boog landinwaarts richting het huidige Maassluis. Na de twaalfde eeuw verplaatste de Maasmonding zich steeds verder zuidwaarts. Daardoor ontstonden de haakwallen Nieuwlandse Duin Z Staalduinen en De Haak, alsmede een grote zandplaat in het verlengde van de Hollandse duinenrij die vanaf de zeventiende eeuw werd aangeduid als de ‘hoek van Holland’.
27
Inpoldering en waterstaat Door het aanslibben van zand en klei ontstonden tussen de haakwallen lager gelegen kleigronden, die door de mens in gebruik werden genomen en later bedijkt. Zo ontstonden de Noordlandse Polder (voor 1375), de Nieuwlandse Polder (1420), de Oranjepolder (1644), de Buiten-Oranjepolder (voor 1711) en de Polder Lange Bonnen (circa 1777). De afwatering van de polders was tot de vijftiende eeuw sterk afhankelijk van het verschil tussen de binnen- en de buitendijkse waterstanden, maar werd daarna geregeld met poldermolens. De Nieuwlandse molen is daarvan de laatste getuigenis op het grondgebied van Hoek van Holland. Het werk van de door wind aangedreven poldermolens werd vanaf de negentiende eeuw overgenomen door gemalen op stoom, diesel en later elektriciteit. Landbouw De oude landschapsstructuur van haakwallen, polders en rivierduinen is in Hoek van Holland nog goed herkenbaar. Vooral ten oosten van de Krimsloot (gelegen aan de rand van de woonkern Hoek van Holland) waren en zijn akkerbouw en veeteelt belangrijke bronnen van bestaan. Daar bleef het karakteristieke open polderlandschap bewaard omdat niet alle boeren overstapten op de tuinbouw. Die vorm van landbouw kwam in de tweede helft van de negentiende eeuw tot grote bloei in de regio Westland.
Hoek van Holland profiteerde hiervan nadat de Nieuwe Waterweg en de spoorlijn naar Rotterdam in gebruik waren genomen. In de twintigste eeuw gingen steeds grotere glazen kassen het landschap van het Westland domineren. Betrekkelijk kleine concentraties van dergelijke glasopstanden ontstonden in Hoek van Holland achtereenvolgens aan de westzijde van de Haakweg, aan de zuidzijde van de Dwarshaak en aan weerszijden van de ’s-Gravenzandseweg ten noorden van de Nieuwlandsedijk. Deze tuinderijen voegden zich veelal naar de bestaande polderstructuur: tuinderslanen met door afwateringssloten gescheiden percelen. Figuur 3.5 Historische topografische kaarten [bron: Cultuurhistorische verkenning Hoek van Holland] M ON s ft
EVÒWYCI
itLŪWVCK.
- ‘J v-*.
,VNXAtOWIjK
-L-: -
De geleidelijke verzanding van de Maasmond door de eeuwen heen (bron: Nijland 1989 zie de disclaimer in het colofon).
Hoek van Holland op de topografische kaarten van 1880,1940 en 2010: het Westland wordt gelelde lijk een'glazen stad'van kassen die uitdijt richting Hoek van Holland, De smalle strook met polders op de noordoever van de Nieuwe Waterweg blijft overwegend open weiland en onbebouwd, met uitzondering van de omgeving van de Haakweg waar kassen worden gebouwd (bron: topotijdrels.nl | zie de disclaimer In het colofon).
Nieuwe Waterweg De zandplaat ‘hoek van Holland’ was eeuwenlang een ernstige belemmering voor de zeescheepvaart van en naar Rotterdam. Daarom lanceerde N. Cruquius in 1739 het onuitgevoerde plan om een doorgraving via ‘De Beer’ naar de zee te maken, werd in 1827-1829 het Kanaal van Voorne gegraven en presenteerde P. Caland in 1858 een ontwerp tot doorgraving van de ‘hoek van Holland’. Dat laatste plan was realistisch door de opkomst van stoomschepen die zo’n geul konden binnenvaren. De 4,5 kilometer lange en 50 meter brede geul dwars door de zandplaat en duinen was gereed in december 1868. Op 12 juli 1872 voer het eerste zeeschip de Nieuwe Waterweg op.
28
De opening van de Nieuwe Waterweg en de flankerende spoorlijn waren gunstige condities voor de vestiging van ex- en importbedrijven. Plangebied en direct omgeving De afgelopen decennia is het plangebied veranderd van open akkerland naar een industrieterrein, met een daarnaast gelegen kassengebied. Onderdelen van dit industrieterrein zijn nog in ontwikkeling. De Hoeksebaan is in 2008 doorgetrokken richting de Pettendijk, waardoor de N223 de doorgaande route werd tussen de A4 en A20 en Hoek van Holland. Daarmee is deze weg de belangrijkste ontsluitingsroute geworden van de ruime omgeving van het plangebied. Het plangebied is tegenwoordig in grote (bedrijfs-)kavels opgedeeld, die hoofdzakelijk haaks op de N223 liggen. Er bevinden zich van west naar oost onder andere enkele logistieke ondernemingen en een rioolwaterzuiveringsinstallatie (industrieterrein De Kulk), een (voormalig) composteringsbedrijf en baggerdepot (De Loswal) en een afvalverwerkingsbedrijf (Renewi) met een paar grote loodsen op het terrein (zie Figuur 3.6). Dwars over het gebied loopt een hoogspanningsleiding vanaf de Nieuwe Waterweg en het daaraan gelegen trafostation richting het Westland. Pal ten noorden van de beoogde westelijke standplaats liggen uitgestrekte kassen, tussen de Kulkweg en de Dwarshaak in (Figuur 3.7).
Figuur 3.6 Kijkend vanaf de N233 ter hoogte van de oostelijke standplaats naar het westen [bron: Google Maps, StreetView]
Figuur 3.7 Kijkend vanaf de Kulkweg ter hoogte van de westelijke standplaats naar het noorden [bron: Google Maps, StreetView]
Het plangebied kent aan de noordrand een harde overgang van het open (tevens cultuurhistorisch waardevolle) poldergebied van de Lange Bonnen naar het hoger gelegen industriegebied. De noordrand daarvan is grotendeels beplant, vanuit het noorden is er geen zicht op het maaiveld van het plangebied. Ook de N223 langs de zuidrand van het plangebied is goeddeels beplant en er liggen enkele grondlichamen, waardoor er lang niet overal zicht is op het maaiveld van het plangebied. Even ten oosten van het plangebied staat sinds 2019 Windpark Nieuwe Waterweg, bestaande uit 6 turbines met een ashoogte van 119 meter en een rotordiameter van 112 meter (tiphoogte 175 meter). Op de landtong tussen de Nieuwe Waterweg en het Calandkanaal staan ook een aantal windturbines.
29
Binnen het plangebied zelf worden behalve het voorgenomen initiatief (de bouw van twee turbines) plannen ontwikkeld voor het omvormen van De Loswal tot een duurzaam bedrijventerrein van 27 hectare, waarvan circa 17 hectare bebouwd zou moeten worden. Het type bedrijven dat is voorzien zal zich waarschijnlijk gaan richten op de distributie en opslag van agrarische goederen en op hoogwaardige recycling. Aan de noordzijde (langs de Bonnenpolder) wordt een brede groenstrook met een hoog groen talud voorzien, die tevens als recreatieve verbinding zou kunnen gaan dienen tussen de Haakweg en de Oranjebonnen (de Bonnenpolder en de Oranjebuitenpolder). Deze plannen zijn nu in ontwikkeling. De verwachting is wel dat op termijn met name het deel De Loswal zal gaan veranderen. In de directe omgeving wordt de ontwikkeling van 120 hectare natuur- en recreatiewaarden voorzien in het cultuurhistorische waardevolle gebied de Oranjebonnen (Oranjebuitenpolder en Bonnenpolder). Tot slot wordt in de ruimere omgeving op de Landtong tussen de Nieuwe Waterweg en het Calandkanaal nog de bouw van een solitaire windturbine voorzien.
30
Hoofdstuk 4
Planbeschrijving
4.1 Onderbouwing project binnen locatie voor windenergie uit de provinciale omgevingsverordening Inleiding Het plangebied bevindt zich nabij het in de Provinciale Omgevingsverordening (voorheen in 'Visie Ruimte en Mobiliteit' (VRM)) en bijbehorend planMER (zie paragraaf 2.3.1) aangewezen locatie voor plaatsing van windturbines '32 - Verlenging Nieuwe Waterweg Z Stenaterrein' en nabij de grotendeels ingevulde locatie '31 - Nieuwe Waterweg'. De twee aangewezen posities voor de windturbines zijn in overleg tussen initiatiefnemers en gemeente aangewezen als best mogelijke posities binnen en nabij de aangewezen locatie voor windenergie. Plaatsing van windturbines volledig in aangewezen zoekgebied blijkt technisch gezien niet mogelijk en de plaatsing van windturbines (deels) buiten dit gebied leidt niet tot andere milieueffecten. Kaders provinciale verordening De provincie Zuid-Holland geeft in haar Omgevingsverordening het volgende aan over windenergie in artikel 6.28 lid 1 en 2: 1. "Een bestemmingsplan laat nieuwe windturbines alleen toe op gronden binnen de locaties voor windenergie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 16 in bijlage II. 2. In het bestemmingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden. 3.
(...)." In afstemming met de provincie Zuid-Holland kan de gemeente Rotterdam gebruik maken van de mogelijkheid om in beperkte mate van de begrenzing van de locatie voor windenergie aan te passen op basis van artikel 6.28 lid 2 uit de provinciale Omgevingsverordening. Er is daarmee ook geen sprake van een verzoek aan de provincie om af te wijken van de Omgevingsverordening. Onderbouwing beperkte aanpassing begrenzing locaties 31/32 uit VRM In 2021 is een belemmeringen-analyse uitgevoerd (zie Figuur 4.1) ten behoeve van de verkenning van concrete positionering van windturbines waaruit gebleken is dat er vanwege aanwezige belemmeringen voor moderne turbines geen ruimte (meer) beschikbaar is binnen de grenzen van de aangewezen VRM-locaties. Er zijn verschillende belemmeringen aanwezig in en rondom het gebied, welke de plaatsing van windturbines bemoeilijken vanwege de aanwezigheid van gevoelige objecten (woningen), de primaire waterkering en risicobron externe veiligheid (BRZO inrichting van Synres B.V., maar ook het 380 kV transformatorstation van TenneT). Op basis van de belemmeringenanalyse hebben de initiatiefnemers daarom alternatieve locaties onderzocht nabij de VRM locaties.
Hierbij is getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij de huidige aangewezen VRMgebieden (locaties 31 en 32 worden in samenhang bekeken) en zo gering mogelijk naar het gebied ten noordoosten hiervan uit te wijken. De beoogde positie voor windturbine 1 bevindt zich op de grens van de VRM-locatie 31 en nabij VRM-locatie 32, terwijl windturbine 2 zich net buiten VRM-locatie 32 bevindt en nabij locatie 31 (zie Figuur 4.1 en 4.2). Figuur 4.1 laat zien (groene cirkels in de Figuur) dat er direct aansluitend op de VRM-gebieden, parallel aan de Nieuwe Waterweg en op hetzelfde bedrijventerrein, beperkte ruimte is voor de plaatsing van windturbines. In de oorspronkelijke verkenning is nog gedacht aan ruimte voor vier windturbines maar inmiddels is gebleken dat er niet meer ruimte is dan voor twee grote windturbines vanwege aan te houden onderlinge afstand en aanwezigheid van objecten. Grote windturbines zorgen voor een betere energieopbrengst.
31
Figuur 4.1 Belemmeringen VRM locatie verlenging Nieuwe Waterweg - Stenaterrein/Nieuwe Waterweg
Figuur 4.2 definitieve locatie windturbines ten opzichte van de aangewezen locatie in de omgevingsverordening
Landschap Wanneer gekeken wordt naar het verschil in effecten op het landschap, in vergelijking met de voorbeeldopstelling uit het planMER bij de VRM, blijkt dat er in het algemeen met de voorgestelde
32
opstelling van Windwinning Hoeksebaan aangesloten wordt bij de conclusies. Alleen de sterke samenloop met de Nieuwe Waterweg neemt af, maar blijft wel aanwezig. Er is bij toepassing van de voorgestelde opstelling nog sprake van een herkenbare opstelling, er wordt aangesloten bij de bestaande lijnopstelling van windpark Nieuwe Waterweg (zij het met een 'knik') (zie ook paragraaf 5.6). Ook de plaatsing in het open landschap, op de grens tussen verstedelijkt en meer landelijk gebied, blijft gehandhaafd. Leefomgeving In het planMER bij de VRM wordt opgemerkt dat mitigerende maatregelen mogelijk nodig zullen zijn om een windpark conform de voorbeeldopstelling in de planMER te realiseren. Als optie wordt meegegeven om de meest westelijke turbine van de voorbeeldopstelling te laten vervallen, waardoor meer afstand tot de woonkern van Hoek van Holland wordt gehouden en er drie windturbines kunnen worden gerealiseerd. In de opstelling is rekening gehouden met deze afstand tot de woonkern. Doordat de meest westelijke turbine op het terrein ligt van het Hoogheemraadschap, wordt de afstand tot de woonkern substantieel groter. De lintbebouwing ten noorden en noordwesten van deze turbine komt hierdoor wel dichterbij, maar hierdoor wordt een groter aantal woningen in de woonkern ontzien ten aanzien van geluid- en slagschaduwhinder.
Conclusie Plaatsing van windturbines volledig in de aangewezen zoekgebieden blijkt technisch gezien niet mogelijk en de plaatsing van windturbines (deels) buiten dit gebied leidt niet tot andere milieueffecten waardoor er sprake is van een beperkte aanpassing van de begrenzing van het aangewezen VRM locaties 31 en 32 voor windenergie als bedoeld in artikel 6.28 lid 2 van de provinciale Verordening. Deze afwijking is op voorhand afgestemd met de provincie.
4.2
Beschrijving van het plan
Keuze opstelling windturbines binnen beschikbare (zoek)ruimte De definitieve posities van de windturbines zijn binnen de beschikbare ruimte zoals weergegeven in Figuur 4.1 bepaald op basis van meer gedetailleerde inpassing zoals de bedrijfsvoering van de grondeigenaar en reservering van gronden voor uitbreiding en ontwikkeling van het ter plaatse gevestigde bedrijf. Ook het voorkomen van overdraai over naastgelegen (aanwezige en geplande) panden en praktische realisatie van de windturbines binnen de beperkte ruimte hebben meegespeeld in het definitief bepalen van de coördinaten voor het plaatsen van de windturbines. Hierdoor is het niet mogelijk gebleken aanwezige (weliswaar niet beschermde) groenstructuren ter plaatste (volledig) te behouden. De windturbines Het project bestaat uit twee windturbines met bijbehorende voorzieningen nabij de Hoeksebaan (zie Figuur 4.3). De maximale hoogte van de windturbines worden bepaald door een maximale tiphoogte van 250 meter. De maximale rotordiameter is vastgelegd op 180 meter. De ashoogte is afhankelijk van de maximale tiphoogte en rotordiameter, en bedraagt daardoor maximaal 170 meter. Het gezamenlijk vermogen van de windturbines komt gezamenlijk naar verwachting tussen de 9 en 18 MW te liggen, afhankelijk van het uiteindelijk te kiezen windturbinetype (het opgesteld vermogen is vanuit ruimtelijk perspectief niet relevant).
Figuur 4.3 is ter illustratie van de maximale afmetingen van de windturbines en in Tabel 4.1 wordt de bandbreedte van afmetingen weergegeven.
33
Figuur 4.3 illustratie windturbine maximale afmetingen en begrippen
Tabel 4.1 Bandbreedte afmetingen van de te realiseren windturbines
Kraanopstelplaats en ontsluiting Het plan omvat naast de te plaatsen windturbines ook de bij de windturbines behorende voorzieningen zoals kraanopstelplaatsen voor bouw en onderhoud. De kraan wordt gebruikt tijdens de bouw, maar moet ook voor onderhoud aan de windturbines tijdens de exploitatiefase bij de windturbine kunnen komen. De locatie van de windturbines dient voldoende bereikbaar te zijn voor de bouw en voor onderhoud en daarmee dient ook de aanvoerroute van materialen voldoende breed te zijn. Er wordt zo mogelijk gebruik gemaakt van bestaande ontsluitingen en verhardingen. Technische uitwerking (waaronder minimale draagkracht) van kraanopstelplaatsen en wegen wordt in een later stadium bepaald tijdens de detailengineering. Aansluiting elektriciteitsnetwerk De windturbines worden niet met een ondergrondse kabel onderling verbonden maar elk apart verbonden met het aansluitpunt op het elektriciteitsnetwerk. De exacte ligging van de kabels voor de aansluiting op het openbaar net dient nog bepaald te worden. De aanleg van parkbekabeling en aansluitpunten heeft geen relevante ruimtelijke impact (omdat het geen hoogspanningskabels zijn) waardoor de aanleg van kabels en leidingen ook verder niet specifiek hoeven te worden opgenomen.
34
De oostelijke turbine wordt waarschijnlijk via een cablepool overeenkomst aangesloten op de netaansluiting van windpark Nieuwe Waterweg. De westelijke windturbine krijgt een eigen aansluiting op onderstation de Haak van Stedin. Voor beide windturbine wordt nadat een herroepelijke vergunning is afgegeven onderzocht of er alternatieven zijn, zoals een aansluiting achter de meter bij bedrijven die zich in de nabijheid van de windturbine bevinden. In de turbines (of in de directe nabijheid; vergunningvrij) worden faciliteiten geplaatst voor de eerste transformatie. Daarnaast worden er maximaal twee inkoopstations geplaatst bij het windproject, maximaal één per windturbine. Een inkoopstation is een gebouw van geringe afmetingen dat is bedoeld voor het onderbrengen van schakel- en meetapparatuur om de windturbines te verbinden met het landelijke elektriciteitsnet. De exacte locatie, omvang en verdere invulling wordt in een nadere uitwerking gekozen in overleg met de netbeheerder. Het inkoopstation wordt bij voorkeur geplaatst onder de overdraai van de windturbine en krijgt een afmeting van circa 8,1 bij 3,4 meter (maximaal circa 28 m2) met een hoogte van circa 3-4 meter. Verhardingen Per windturbine wordt rekening gehouden met het grondgebruik van een diameter van maximaal 30 meter (maximaal circa 707 m2 per windturbine) voor de windturbine inclusief fundering.
Daarnaast wordt rekening gehouden met een permanente kraanopstelplaats van circa 25 bij 50 meter (circa 1.250 m2 per windturbine, afhankelijk van de eisen voor het specifieke windturbinetype). Voor de opstelplaats van windturbine 1 kan gebruik gemaakt worden van bestaande verhardingen, de opstelplaats van windturbine 2 wordt in principe volledig verhard uitgevoerd, deze verhardingen zijn deels aanwezig en kunnen gerealiseerd worden op basis van de geldende bestemmingsplannen. Voor de ontsluiting wordt gebruik gemaakt van bestaande ontsluitingen en verhardingen. Voor de bouw van, en het onderhoud aan, de windturbines is aanvullend ruimte nodig voor het kunnen wegleggen van mastdelen en bladen. Er is ook opstelruimte voor hulpkranen, die gebruikt worden voor de opbouw van de giek van de hoofdkraan, vereist. Dit zijn tijdelijke voorzieningen en hoeven derhalve niet in deze procedure meegenomen te worden. Rekening wordt gehouden met een totaal (permanent) grondgebruik van circa 1.957 m2 per windturbine voor de windturbines en opstelplaatsen. Deze verhardingen kunnen al deels worden gerealiseerd op basis van bestaande bestemmingen, of wel kan gebruik gemaakt worden van bestaande verhardingen Voor de ontsluiting van de windturbines wordt gebruik gemaakt van bestaande wegen en verhardingen dan wel van de (aan te leggen) opstelplaats.
Verhardingen ten behoeve van de bestemming 'Bedrijf kan veelal op basis van de geldende bestemmingen aangelegd worden. Obstakelverlichting Voor een windturbine hoger dan 150 meter (tiphoogte) geldt dat de turbine op basis van opgave van de Inspectie Leefomgeving en Transport in het Informatieblad over obstakelverlichting (2020) voorzien dient te worden van obstakelverlichting (zie ook Kader 4.1). Dit geldt dus ook voor de windturbines van windwinning Hoeksebaan. Voor de windturbines wordt voor de aanvang van de bouw een verlichtingsvoorstel uitgewerkt gericht op het zo veel mogelijk beperken van hinder, overeenkomstig het Informatieblad. Mogelijkheden om hinder te beperken zijn bijvoorbeeld toepassen van vastbrandende verlichting, dimmende verlicht naar gelang de zichtbaarheid en toepassen radardetectie zodat verlichting alleen aan gaat wanneer er een vliegtuig overvliegt. Een voorstel voor het aanbrengen van markering en obstakellichten op windturbines en windparken dient voorafgaand aan de realisatie van het windpark ter instemming te worden voorgelegd aan de Inspectie Leefomgeving en Transport. De op dat moment best beschikbare technieken kunnen dus ook in het verlichtingsplan betrokken worden. In de planregels is voor de volledigheid hierover een regel opgenomen.
35
Kader 4.1 Toepassing obstakel- of markeringsverlichting Er wonden markeringslichten op de windturbine geplaatst onder meer indien windturbines, meteen hoogte van 10Ū meter of meer (tiphoogte) ten opzichte van het maaiveld, binnen een afstand van 12Ū meter van een snelweg of waterweg zijn gelegen of wanneer er sprake is van een windturbine met een tiphoogte van 150 meter. In mei 2020 is een aanpassing van de richtlijn voorde toepassing van obstakelverlichting gepubliceerd waarin onder meer alternatieve verlichtīngsmelhoden zijn vastgelegd ter beperking van hinder. Zo mag het rode licht in de nacht vast brandend zijn maar kan ook dat een (wisselende) lichtintensiteit kan worden toegepast, afhankelijk van de zichtbaarheid. Nieuw is dat gebruikgemaakt kan worden van obstakelverlichting op basis van naderingsdetectie. Wanneer obstakelverlichting dient te worden toegepast dienen de volgende windturbines in een windparkte worden voorzien van obstakellichten: a.
windturbines op de hoekpunten van het wind park;
b.
windturbines op de randen van het windpark. tenzij de maximale horizontale afstand tussen twee
c.
windturbines welke in hoogte boven de omringende windturbines uitsteken.
windturbines voorzien van obstakellichten minder dan 900 meter bedraagt;
Voorstellen voor het aan brengen van markering en obstakellichten op windturbines en wind parken worden ter instemming voorgelegd aan de Inspectie. Overigens veroorzaken deze markeringslichten gezien de afstanden tot woningen geen lichthinder in de gangbare zin. waarbij woonruimtes in woningen door inschijnen worden opgelicht. In dit verband kan eerder worden gesproken van landschappelijke invloed, door het zichtbaar zijn van de windturbinelocatīe in de nachtelijke uren.
36
Hoofdstuk 5
Onderzoek
5.1
Uitgangspunten
5.1.1
Voorbeeldwindturbine
Voor het bepalen van milieueffecten wordt gebruik gemaakt van een voorbeeldturbine, omdat de keuze voor exacte afmetingen pas in een later stadium plaats vindt. Voor alle omgevingsaspecten zijn berekeningen of beschrijvingen uitgevoerd voor een relatief luide windturbine, dan wel de windturbine met de maximale afmetingen. Voor het aspect geluid wordt uitgegaan van een luide windturbine, binnen de bandbreedte van afmetingen, die als maatgevend wordt beschouwd voor de maximale geluidbelasting. Deze windturbine is niet de allerluidste op de markt maar wel de luidste die voor dit project toegepast kan worden en in die zin 'worst case' specifiek voor dit project. Het maximale (toe te staan) bronvermogen en de maximale tiphoogte zijn bepalend voor de maximale geluidbelasting binnen de bandbreedte van afmetingen. Voor de overige omgevingsaspecten geldt dat een windturbine met maximale afmetingen de worst-case situatie is, de onderzoekconclusies zijn dan ook geldig voor kleinere en lagere windturbinetypes dan de voorbeeldwindturbine, ongeacht hun afmetingen binnen de bandbreedte van afmetingen. Als voorbeeldturbine is in deze analyse uitgegaan van een windturbine met een tiphoogte van maximaal 250 meter en een maximale rotordiameter van 180 meter. 5.1.2
(Tussen)uitspraak Raad van State windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding
Voor het project windwinning Hoeksebaan zijn voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid de normen uit het Activiteitenbesluit en -regeling (de windturbinebepalingen) nog steeds toepasbaar, ondanks de tussenuitspraak inzake windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding. Hieronder wordt dat nader toegelicht. Op 30 juni 2021 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een (tussen)uitspraak gedaan over windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding en het 'Nevele-arrest'. Deze uitspraak heeft gevolgen voor geluid-, slagschaduw- en externe veiligheidsnormen van windparken die nog niet onherroepelijk zijn. De bepalingen in het Activiteitenbesluit en -regeling (de uitspraak spreekt over 'windturbinebepalingen'; dit zijn de bepalingen uit de paragrafen 3.2.3 Activiteitenbesluit en 3.2.3 Activiteitenregeling voor het in werking hebben van een windturbine of een combinatie van windturbines) zijn niet vernietigd door de 'uitspraak Delfzijl', deze bestaan nog steeds. Voor de windturbinebepalingen had echter een milieubeoordeling moeten worden gemaakt, omdat zij kaderstellend zijn voor de toekenning van toekomstige vergunningen. Het Rijk moet dus nu alsnog een plan-m.e.r. doorlopen voor de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en -regeling. Dit gaat dus onder meer op voor de normen voor geluid, slagschaduw en externe veiligheid. Op basis van dat plan-m.e.r.
kunnen vervolgens nieuwe normen worden vastgesteld. Die kunnen gelijk zijn aan de 'huidige', maar ook hoger of lager worden. Voor één of twee windturbines, zoals in onderhavig project, zijn de windturbineregels uit het Activiteitenbesluit en -regeling nog steeds van toepassing, zo bevestigt ook de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat in haar Kamerbrief over de 'uitspraak Delfzijl' van 7 juli 2021. Dit wordt nogmaals bevestigt in de Nota van toelichting behorende bij de tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken.6 De uitspraak gaat er namelijk van uit dat het Activiteitenbesluit niet meer toepasbaar is vanwege een onjuiste implementatie van de Europese SMB-richtlijn. De SMB-richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het Besluit m.e.r. Het Besluit m.e.r. is alleen van toepassing op: "De oprichting, wijziging of uitbreiding van een windturbinepark". Een windturbinepark is volgens de begripsbepaling van het Besluit m.e.r. een "park bestaande uit ten minste drie windturbines". Het Besluit m.e.r. is dus niet van toepassing op één of twee windturbines en dus reikt de uitspraak niet tot projecten van één en twee windturbines. Op 2 april 2023 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State haar einduitspraak over windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding gedaan.7 Deze uitspraak heeft niet gezorgd voor een wijziging in het bovenstaande.
37
5.2
Geluid
5.2.1
Toetsingskader
Net als alle andere mechanische installaties produceren windturbines geluid. Dit geluid wordt deels veroorzaakt door de bewegende onderdelen in de gondel, maar is voornamelijk afkomstig van de bladen die door de wind 'zoeven'. Het besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit) is het kader voor de toetsing van geluid door windturbines. Specifiek voor windturbines geldt dus een afzonderlijke normstelling, die onafhankelijk van ander optredend geluid (industrielawaai, verkeer, etc.) wordt beoordeeld. In het Activiteitenbesluit wordt voor de normstelling van geluid van windturbines getoetst aan de waarden Lden= 47 dB en Ln^ 41 dB. Deze normen gelden voor geluidgevoelige objecten, waaronder woningen van derden8 en gevoelige locaties zoals scholen en ziekenhuizen. De Lden (Engels: Level day-evening-night) is een maat om de geluidbelasting door omgevingslawaai uit te drukken. Hierbij wordt de geluidbelasting die optreedt gedurende de nacht en de avond zwaarder meegewogen dan geluid overdag. In Nederland wordt tevens getoetst aan Lnight om de verstoring van nachtrust te voorkomen. Cumulatie met andere bronsoorten Cumulatie met andere bronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines (Activiteitenregeling milieubeheer9 Bijlage 4).
In het geval van dit project zijn dat wegverkeer, industrielawaai en een ander windpark. De methode berekent de gecumuleerde geluidbelasting rekening houdend met de verschillen in dosis-effectrelaties van de verschillende geluidbronnen. Er zijn geen normen voor de cumulatie van geluid. Laagfrequent geluid Daarnaast wordt ingegaan op laagfrequent geluid. Onder hoorbaar laagfrequent geluid worden geluiden met een frequentie tussen circa 20 en 100 Hertz (Hz) verstaan. In het besluit 'wijziging milieuregels windturbines' (2010)10 is voor windturbines de norm voor de geluidbelasting buiten aan de gevel gesteld op Lden= 47 dB. Bij deze normen is uitgegaan van windturbinegeluid en de mate van hinderlijkheid die wordt ervaren op basis van empirisch onderzoek. Daarbij is ook rekening gehouden met het optreden van laagfrequent geluid, dat altijd een onderdeel van het geluidspectrum van windturbinegeluid is. Stiltegebieden De Omgevingsverordening Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen als milieubeschermingsgebied. In Zuid-Holland zijn zestien gebieden aangewezen als milieubeschermingsgebied voor stilte. Voor stiltegebieden geldt een zorgplicht op de rust te bewaren. Zuid Holland kent geen concrete streefwaarde voor geluid in stiltegebieden.
Het meest nabijgelegen stiltegebied bij het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 6 kilometer waardoor op voorhand gesteld kan worden dat realisatie van het project geen invloed heeft op stiltegebieden. 5.2.2
Onderzoek
Ter bepaling van de maximale akoestische effecten is in het akoestisch onderzoek voor de omgevingsvergunning (zie Bijlage 1) uitgegaan van een relatief luide windturbine voorzien van 'serrated edges'11, de Enercon E160 EP5 E3 STE 5,6 MW windturbine met een rotordiameter van 160 meter op een (fictieve) ashoogte van 170 meter, uitgaande van een maximale tiphoogte van 250 meter. De resultaten zijn in Tabel 5.1 weergegeven. In het akoestische model zijn 19 referentietoetspunten met geluidgevoelige objecten (woningen) opgenomen. Per toetspunt zijn de jaargemiddelde geluidniveaus Lden en Lnight berekend. De Lden is het tijdgewogen gemiddelde van: » Het jaargemiddelde geluidniveau in de dag Lday; » Het jaargemiddelde geluidniveau in de avond Leven vermeerderd met 5 dB; » Het jaargemiddelde geluidniveau in de nacht Lnight vermeerderd met 10 dB. Tabel 5.1 geeft de jaargemiddelde geluidbelasting weer van de windturbines Windwinning Hoeksebaan op de representatieve toetspunten. De gedetailleerde rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 4 van Bijlage 1. In Figuur 5.1 is de (gemitigeerde) geluidcontour Lden 47 dB opgenomen.
38
Tabel 5.1 Rekenresultaten Windwinning Hoeksebaan (dB)
Toetspunt
Adres
Jaargemiddelde geluidniveaus, zonder mitigatie
Jaargemiddelde geluidniveaus, met mitigatie
Lrvffbt
t-JXSï
L-OBĩ
Loser,
tpOI
Zekxenstraat 2B
36
42
35
42
tp02
Kullc.veg 199
40
45
39
45
tp03
□'.varshaak 30
41
48
41
47
tp04
□'.varshaak 26
41
48
41
47
tpOS
□'.varshaak 16
41
47
40
47
tp06
□'.varshaak 10
41
47
40
45
tp07
Bonnan'.veg 2
55
44
35
44
tpOS
Slachlhuiswaç 1
39
45
35
45
tp09
W euw Oranjekanaal 115A
39
46
39
46
1p1ū
W euw Oranjekaraal 99
40
46
40
46
tp11
W euwe Oranjekanaal 51
35
44
35
44
tp12
Zek'íēnstraat 33
33
39
32
39
tp13
Prins Hendri-ístraat 5ŪB
29
35
25
34
tp14
Tuymelaeretraat 20
30
37
29
35
tp15
Haakweg 35
35
41
34
40
tpie
Bonnen aan 4
29
35
25
35
tpl 7
Oranjepdderweg 30
25
35
25
35
tp1S
Vergulde Draeckweg 195
30
37
30
35
tp19A
Appartementencomplex De Hculmansl'āāt+Ē rr hccgle
25
35
25
34
tp19B
AppartemertencompleK De HculmanĒİ'āāt+25 rr hoogte
25
35
25
34
De resultaten in Tabel 5.1 laten zien dat de geluidnorm Lden 47 dB zonder maatregelen op twee representatieve toetspunten wordt overschreden (toetspunten tp03 en tp04) bij de luide voorbeeldwindturbine. De geluid norm Lnight 41 dB wordt niet overschreden. Door middel van het treffen van geluidvoorzieningen bij de windturbine (aanpassen bedrijfsinstellingen windturbines, zodat de windturbine onder omstandigheden minder dan wel niet draait om de geluidsproductie te verminderen) kan voldaan worden aan de geluidsnormen. Ook het kiezen van een stillere windturbine kan gezien worden als mitigerende maatregel, waarbij deze stillere windturbine met minder of geen geluidvoorzieningen kan draaien (zoals bijvoorbeeld de gehanteerde gemiddelde windturbine). Aangezien de windturbines altijd moeten voldoen aan de normering uit het Activiteitenbesluit omdat deze normering rechtstreeks werkend is, is het treffen van voornoemde voorzieningen in beginsel ook afdoende geborgd op basis van het Activiteitenbesluit. Er kan in ieder geval altijd worden voldaan aan het Activiteitenbesluit. De benodigde mitigatie is zeer beperkt waardoor er sprake is van een uitvoerbaar plan.
39
Figuur 5.1 Geluidcontour Lden 47 dB Windwinning Hoeksebaan na mitigatie (tp = geluidgevoelig toetspunt/woning, b = bedrijf)
Er is geen algemeen geaccepteerd normstelsel voorhanden waarmee laagfrequente geluidhinder kan worden geobjectiveerd. Laagfrequent geluid (LFG) is geluid in het voor mensen laagst hoorbare frequentiegebied, onder 200 Hz. Windturbines produceren, net als de meeste andere geluidbronnen, ook laagfrequent geluid. Het RIVM heeft op verzoek van de GGD-en de invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden door windturbines onderzocht (2013).12 Hierin wordt gesteld dat windturbines weliswaar laagfrequent geluid produceren maar dat er geen bewijs bestaat dat dit een factor van belang is voor de hinderbeleving. Er is geen aparte beoordeling nodig bovenop de bescherming die de zogenoemde A-gewogen normstelling op basis van dosis-effectrelatie reeds biedt. De mate van bescherming en de normering worden eveneens beschouwd in een literatuuronderzoek naar laagfrequent geluid van windturbines van Agentschap NL (2013).13 Ook hier zijn geen aanwijzingen dat het aandeel laagfrequent geluid een bijzondere dan wel belangrijke rol speelt.
Door de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, mede namens de minister van Economische Zaken en de minister van Infrastructuur en Milieu over het onderwerp laagfrequent geluid van windturbines een brief aan de Tweede Kamer gestuurd (2014).14 Op grond van de brief van de staatssecretaris en het rapport van het RIVM kan worden gesteld dat toetsing aan de standaard Nederlandse geluidnormen tevens voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid. Het is dan ook niet noodzakelijk verder onderzoek uit te voeren naar laagfrequent geluid voor het Windwinning Hoeksebaan. Met naleving van de geluidsnormering is ook ten aanzien van laagfrequent geluid sprake van een aanvaardbare situatie. Cumulatie met nabij gelegen windturbines Cumulatie van verschillende windturbines kan leiden tot een hogere geluidsbelasting op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen dan wenselijk wordt geacht. Als er sprake is van cumulatie van geluid als gevolg van een andere windturbine of een combinatie van windturbines dan kan volgens artikel 3.14a lid 2 het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift normen
40
met een lagere waarde vaststellen ten aanzien een van de windturbines of een combinatie van windturbines. De geluidsbelasting van bestaande windturbines waarvoor voor 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was of een melding was gedaan, wordt hierbij niet meegerekend (artikel 3.14a lid 5 Activiteitenbesluit). Cumulatie met andere bronsoorten Cumulatie met andere geluidbronnen wordt beschouwd als er sprake is van blootstelling aan meer dan één geluidbron conform de rekenregels uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Voor de cumulatieve geluidbelasting zijn geen wettelijke normen van kracht. Met de cumulatieve rekenmethode uit het Reken- en meetvoorschrift windturbines is de gecumuleerde geluidbelasting berekend. Daarbij wordt rekening gehouden met de verschillende mate van hinderlijkheid van de diverse geluidbronnen: . Wegverkeer L*vl = 1,00 * Lvl t 0,00 dB s Lvl . Windturbine L*wt s 1,65 * Lwt - 20,05 dB . Scheepvaart15L*sL s 0,975 * Lsl - 0,7 dB . Industrie L*il = 1,00 * Lil t 1,00 dB . Railverkeer L*rl = 0,95 * Lrl - 1,4 dB . Luchtverkeer L*ll = 0,98 * Lll t 7,03 dB De cumulatieve geluidbelasting wordt bepaald door de afzonderlijke waarden L* bij elkaar op te tellen (zogenoemde energetische sommatie). De geluidbelasting (grootheid L) wordt uitgedrukt in Lden, met uitzondering van industrielawaai waarvoor de etmaalwaarde geldt.
Wegverkeer De geluidbelasting als gevolg van wegverkeer op de N223 is bepaald op basis van de intensiteiten per type motorvoertuig per periode (dag, avond en nacht), verkregen uit Bestemmingsplan Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost.16 De maximum snelheid op deze weg is 80 km/uur. Windturbines Er is sprake van cumulatie van geluid met de nabijgelegen windturbines. In de referentiesituatie zijn de bestaande en vergunde windturbines meegenomen. In de toekomstige situatie zijn de bestaande, vergunde en te realiseren windturbines beschouwd. Scheepvaart Voor het scheepvaartlawaai is een berekening gedaan, conform methode II.8 uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999, zoals opgenomen in het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Varende schepen zijn beschouwd als 'mobiele bron' met een afstand van 25 meter tussen de bronpunten. Zeeschepen, binnenvaartschepen en overig verkeer zijn apart beschouwd. Op basis van eerdere onderzoeken is de hoeveelheid schepen die passeert bepaald.17 Voor alle schepen is uitgegaan van hetzelfde bronvermogen.18 industrie Het Rotterdamse havengebied is een geluidgezoneerd bedrijventerrein. Rondom het terrein is in het bestemmingsplan een geluidzone opgenomen.
Van de DCMR Milieudienst Rijnmond is het geluidmodel van Maasvlakte-Europoort ontvangen ten behoeve van het berekenen van de geluidbelasting als gevolg van het bedrijventerrein op de referentiewoningen. Het geluidmodel is ontvangen op 6 september 2021. Windturbine 1 staat op het terrein van Renewi (afvalverwerkingsbedrijf). In het bestemmingsplan "Hoek van Holland Bedrijventerreinen Oost" is beschreven dat maximale geluidniveaus voor de nabijgelegen woning op Nieuw Oranjekanaal 115 (op c200 m afstand) zijn opgenomen als gevolg van het afvalverwerkingsbedrijf. In een eerder uitgevoerd akoestisch onderzoek is de geluidbelasting op deze woning als gevolg van het afvalverwerkingsbedrijf bepaald op 49, 44 en 40 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het rekenmodel is het afvalverwerkingsbedrijf als oppervlaktebron gemodelleerd met een standaard geluidspectrum voor industrielawaai.19 De oppervlaktebron is dusdanig gemodelleerd dat de geluidbelasting als gevolg van de oppervlaktebron op de woning aan Nieuw Oranjekanaal 115 overeenkomt met de waarden 49, 44 en 40 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.
41
Windturbine 2 ligt op een bedrijventerrein zonder geluidzone. Er bevinden zich geen zogenaamde 'lawaaimakers' op het bedrijventerrein waarvoor de omliggende woningen zouden moeten worden beschermd middels een geluidzone. Hiermee wordt aangenomen dat de geluidbelasting op de omliggende woningen als gevolg van werkzaamheden op dit bedrijventerrein niet significant is. Nabij de woning aan Slachthuisweg 1 (toetspunt tp08) ligt het hoogspanningsstation Hoek van Holland. Er is voor dit hoogspanningsstation geen geluidzone opgenomen. Derhalve wordt het geluid van het hoogspanningsstation als niet significant geacht in de cumulatieve geluidbelasting. Railverkeer De geluidbelasting als gevolg van railverkeer langs de Nieuwe Waterweg is gebaseerd op het Geluidregister Spoor. Deze is geraadpleegd in september 2022. Het Geluidregister Spoor geeft een indicatie van de maximaal toegestane geluidbelasting op de referentiewoningen. Luchtverkeer Ten oosten van het project Windwinning Hoeksebaan ligt de luchthaven Rotterdam The Hague Airpot (RTHA), op zo'n 17 kilometer afstand. In het geluidonderzoek van RTHA20 zijn de geluidcontouren van de luchthaven bepaald voor verschillende uitbreidingsalternatieven. De meest nabijgelegen 40 dB Lden contour van de uitbreidingsalternatieven ligt nabij de 40 dB Lden contour van Windwinning Hoeksebaan ^ 500 meter).
Doordat de geluidcontouren relatief dicht bij elkaar liggen, kan cumulatie met luchtverkeerslawaai worden verwacht op de referentietoetspunten. De referentietoetspunten liggen allen buiten de 40 dB Lden contour van RTHA waardoor de geluidbelasting van RTHA lager dan 40 dB Lden zal zijn op de referentiewoningen. Er zijn geen geluidcontouren van lagere waarden Lden beschikbaar van RTHA. Wegens gebrek aan dergelijke informatie is als (behoorlijk) conservatieve benadering aangenomen dat de geluidbelasting op alle referentiewoningen als gevolg van RTHA 39 dB Lden bedraagt. Cumulatie Voor de referentietoetspunten is inzichtelijk gemaakt wat de toevoeging van het project Windwinning Hoeksebaan betekent voor de cumulatieve geluidbelasting. De geluidbelasting in de referentiesituatie (bestaande en vergunde windturbines, wegverkeer, scheepvaart, railverkeer, industrielawaai en luchtvaart) is gegeven in Tabel 5.2. Voor de diverse geluidbronnen is de vervangende geluidbelasting L* weergegeven (de geluidbelasting die als resultante overeenkomt met de geluidbelasting vanwege wegverkeer die evenveel hinder veroorzaakt).
In de bestaande situatie, zonder de windturbines Windwinning Hoeksebaan, wordt de akoestische omgeving ter plaatse van de geselecteerde toetspunten vooral bepaald door het industriegeluid (IL) en door wegverkeer (VL) scheepvaart (SL) en op één toetspunt door railverkeer, wanneer geen rekening wordt gehouden met de mate van hinderlijkheid van het geluid. Rekening houdend met de mate van hinderlijkheid wordt de bestaande akoestische omgeving vooral bepaald door industriegeluid en scheepvaartgeluid en in mindere mate geluid van bestaande windturbines. De bestaande akoestische kwaliteit van de omgeving (Lcum ref) varieert van redelijk (^ 55 dB Lden) tot matig (^ 60 dB Lden). In de toekomstige situatie met de windturbines na mitigatie ter voldoening aan de geluidsnorm Lden 47 dB wordt de akoestische kwaliteit van de omgeving ter plaatse van de geselecteerde toetspunten in meerdere mate bepaald door de nieuwe windturbines, maar deels ook nog steeds door industriegeluid, wegverkeersgeluid en scheepvaartgeluid. De toekomstige akoestische kwaliteit van de omgeving varieert ook nog steeds van redelijk (^ 55 dB Lden) tot matig (^ 60 dB Lden).
42
Tabel 5.2 Cumulatieve geluidbelasting referentiesituatie (vóór en na toepassing rekenregels voor cumulatieve geluidbelasting) en toekomstige situatie (dB) Na toevoeging Wind winning Hoeksebaan
Lwl Tp
Adres
Lsl
ĽVĪL
ĽL
ĽVL
Lļ.
Lll
LV
Lwr
Ľvy.T
Cumu latie-
Lwrjiw
Ľvw
Lajjn,rw
Lvvl tpOI
Zek^enstraat 2B
52
49
47
57
53
43
44
39
45
44
53
61
46
56
62
tp02
Kulk.veg 199
47
47
43
57
53
43
39
39
45
44
52
59
43
59
62
tp03
□'.varshaak 30
43
45
44
53
57
33
35
39
45
42
49
53
43
60
62
tp04
□'.varshaak 26
43
43
44
53
57
33
35
39
45
42
49
53
43
59
62
tpOS
□'.varshaak 16
43
45
44
55
53
33
35
39
45
42
49
53
43
59
61
tpoe
□'.varshaak 10
42
43
44
55
53
33
35
39
45
42
50
53
43
59
61
tp07
Bcnnen'.veg 2
43
45
43
54
55
39
33
39
45
42
50
57
46
56
59
tp08
Slachlhuisweg 1
49
52
50
53
57
51
47
39
45
47
53
61
47
53
62
tpö9
N euw Oran.ekanaal 115A
52
51
49
57
53
59
55
39
45
49
60
63
49
61
64
tp1ū
N euw Oran.ekanaal 99
52
49
47
57
53
43
44
39
45
43
59
62
50
62
64
tpl 1
N euwe Oran.ekanaal 51
53
43
44
55
53
39
33
39
45
44
53
61
47
53
62
tp12
Zek-íenstraat 33
50
49
47
43
49
45
41
39
45
44
52
56
45
54
57
tpl 3
Prins Hendrikstraat 50B
50
49
47
45
43
42
39
39
45
41
43
55
42
49
55
tpl 4
Tuymelaersťaat
41
45
43
44
45
41
33
39
45
40
46
52
41
43
52
20 tpl ä
Haak.veg 35
41
45
43
43
47
43
40
39
45
40
46
52
43
51
54
tp16
Bonnen aan 4
41
40
33
42
43
39
33
39
45
37
41
49
39
44
50
tpl 7
Üranepolder.veg 30
47
42
41
44
45
41
33
39
45
40
46
53
41
43
53
tpl S
Vergulde □ raeck.veg 198
42
43
44
45
43
42
33
39
45
40
47
52
42
49
53
tp19A
Appartenertencomplex De Hcu1mans1raat h-5 n’i hccgte
43
49
47
45
43
42
39
39
45
41
43
54
42
49
55
tpl 96
Appartenertencomplex De Hculmansl'āāt ■+2B rr hccgte
50
49
47
45
43
42
39
39
45
42
49
55
42
50
55
Tabel 5.3 Waardering kwaliteit akoestische omgeving volgens Methode Miedema Kwaliteit van de akoestische omgeving
Geluidklasse (cumulatieve geluidbelasting)
Toegepaste kleurcode
Goed
i 50 dB Lds-i
Denker green
Redelijk
^ 55 dB ILds-i
Licht groen
Mat g
i 60 dB Lūsï
Geel
Tamelijk slecht
^ 65 dB ILds-i
Gran.e
Slechl
^ 70 dB Lūs-i
Rcze
Zeer slecht
> 70 dB Lcfcn
Paars
43
Op vijf van de toetspunten treedt een cumulatieve verslechtering op, dat is inherent aan de realisatie van windturbines in een omgeving waar al veel geluidbronnen aanwezig zijn. De verslechtering van de akoestische kwaliteit is in alle gevallen één stap van redelijk naar matig volgens de methode Miedema. Daar waar cumulatief in de bestaande situatie een relatief goede situatie is neemt deels de geluidbelasting cumulatief toe maar er ontstaat geen slechte akoestische situatie. Een cumulatieve geluidbelasting voor woningen van derden van maximaal 65 dB Lden (tamelijk slecht) wordt in zijn algemeenheid bij de ontwikkeling van windparken acceptabel geacht, zeker omdat er op de woningen van derden ook nog aan de norm Lden 47 dB voldaan dient te worden. Bij een cumulatieve geluidbelasting van maximaal 65 dB (akoestische kwaliteit tamelijk slecht volgens Miedema) is er dan zonder meer nog sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gezien het belang van het realiseren van de windturbines als bijdrage aan de gemeentelijke, provinciale en landelijke duurzame energiedoelstelling en de samenhang met de beleidsmatige keuze om de zone langs de Nieuwe Waterweg tussen Hoek van Holland en Maasssluis aan te wijzen als (VRM-)locatie voor windenergie, wordt de toekomstige cumulatieve akoestische situatie bij woningen van derden acceptabel geacht.
In de berekeningen is uit gegaan van een realistische luide situatie. Wanneer met de definitieve windturbine keuze gekozen wordt voor realisatie van een 'stillere' windturbine neemt in zijn algemeenheid ook de cumulatieve geluidbelasting af. 5.2.3
Conclusie
Er kan op alle toetspunten worden voldaan aan de geluidnorm Lden 47 dB en Lnight 41 dB, Cumulatief met andere geluidbronnen is er beperkt sprake van een verslechtering van de akoestische kwaliteit van de omgeving, van matig naar tamelijk slecht. Een cumulatieve geluidbelasting op de toetspunten van maximaal Lden 65 dB (tamelijk slecht) wordt in zijn algemeenheid bij de ontwikkeling van windparken acceptabel geacht, zeker omdat er op de woningen van derden ook nog aan de norm Lden 47 dB voldaan dient te worden. Voor het aspect geluid is sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.3
Slagschaduw
5.3.1
Toetsingskader
De draaiende rotoren van windturbines kunnen een bewegende schaduw op hun omgeving werpen. Deze 'slagschaduw' kan als hinderlijk worden ervaren. De maximale flikkerfrequentie, het contrast en de tijdsduur van blootstelling zijn van invloed op de mate van hinder die ondervonden kan worden. Slagschaduw met flikkerfrequenties vanaf 2,5 Hz wordt als extra hinderlijk ervaren en kan schadelijk zijn (dit komt bij gangbare turbines echter vrijwel nooit voor). De frequenties van de lichtflikkeringen van de voorbeeldwindturbines liggen, gezien hun afmetingen, tussen de 0,24 en 0,95 Hz en worden daarmee niet als extra hinderlijk ervaren en zijn niet schadelijk. De afstand van de blootgestelde locatie tot de windturbine, de stand van de zon, de weersomstandigheden en het al dan niet draaien van de windturbine zijn bepalende aspecten voor het optreden en de duur van de periode waarin slagschaduw plaatsvindt (slagschaduwduur).
De Activiteitenregeling milieubeheer stelt dat windturbines voorzien moeten worden van een automatische stilstandvoorziening indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten, waaronder woningen van derden en kwetsbare locaties zoals scholen en ziekenhuizen worden verstaan, voor zover: » de afstand tot woningen of andere gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt; » en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden. In het slagschaduwonderzoek is de norm uit de Activiteitenregeling milieubeheer vertaald naar een (beproefde) benadering van de norm door het beoordelen van een waarde van maximaal 6 uur slagschaduw per jaar. Dit is een strengere beoordeling dan volgens het Activiteitenregeling milieubeheer omdat volgens de norm op 17 dagen per jaar de hinderduur van zonsopgang tot zonsondergang meer dan 20 minuten mag bedragen en op alle overige dagen in het jaar de hinderduur door slagschaduw minder dan 20 minuten mag bedragen. Opgeteld kan de norm uit het Activiteitenregeling milieubeheer dus een langere slagschaduwduur opleveren dan 6 uur per jaar.
44
Voor onderhavig plan wordt getoetst aan maximaal 6 uur slagschaduw per jaar als benadering van de norm uit de Activiteitenregeling. 5.3.2
Onderzoek
Ten behoeve van de windturbines is een slagschaduwonderzoek uitgevoerd om enerzijds te toetsen aan de normen uit het Activiteitenbesluit en anderzijds de effecten op de omgeving in beeld te brengen (zie Bijlage 1). Ter bepaling van de maximale slagschaduweffecten is in het slagschaduwonderzoek voor het plan uitgegaan van turbines met een maximale rotordiameter (180 meter) en maximale tiphoogte (250 meter), en daarom met een ashoogte van 160 meter. Voor de slagschaduwberekeningen zijn enkel de eerste twee geometrische eigenschappen van belang. De grens waarbinnen slagschaduwduur van 6 uur wordt overschreden kan met een contour op een kaart aangegeven worden. In Figuur 5.2 is met een groene, rode en grijze isolijn aangegeven waar de totale jaarlijkse verwachte hinderduur respectievelijk 0, 6 of 16 uur bedraagt. Overschrijding van de norm voor de jaarlijkse hinderduur kan optreden bij de woningen binnen de rode 6-uurscontour. Bij woningen buiten de rode 6-uurscontour wordt aan de norm voor de maximale hinderduur voldaan. Figuur 5.2 Slagschaduwcontouren nieuwe windturbines
De resultaten van de berekeningen op basis van de voorbeeldwindturbines zijn weergegeven in Tabel 5.4. Hierin is de verwachte hinderduur voor slagschaduw per jaar gegeven op representatieve toetspunten, allen woningen. Voor toetspunten die niet in onderstaande tabel staan is de duur van slagschaduw gelijk of lager dan de resultaten gegeven in de tabel.
45
Tabel 5.4 Slagschaduw Windwinning Hoeksebaan [u:mm per jaar] Toetspunt
Adres
Jaarlijkse slagschaduw [uu:mm]
tp01
Zekkenstraat 2B
16:33
tpD2
Kulkweg 199
30:38
tp03
Dwarshaak 30
45:41
tp04
Dwarshaak 26
44:34
tpD5
Dwarshaak 16
35:22
tpD6
Dwarshaak 10
33:02
tpD7
Bonnenweg 2
42:18
tp08
Slachthuisweg 1
16:53
tpD9
Nieuw Oranjekanaal 115A
-
tp10
Nieuw Oranjekanaal 99
-
tp11
Nieuwe Oranjekanaal 51
30:28
tp12
Zekkenstraat 33
7:23
tp 13
Prins Hendrikstraat 50B
2.21
tp 14
Tuymelaerstraat 20
6:02
tp 15
Haakweg 35
9:16
tp 16
Bonnenlaan 4
5:52
tp 17
Oranjepolderweg 30
2:21
—: geen slagschaduw
Bij de woningen waarvan de verwachte hinderduur vetgedrukt is, treedt jaarlijks meer dan de voorgestelde grens van 6 uur slagschaduwhinder op. De voor de normoverschrijding relevante windturbines zullen worden uitgerust met een stilstandvoorziening om te voldoen aan de (benadering van de) wettelijke norm. In de turbinebesturing worden hiervoor blokken van dagen en tijden geprogrammeerd waarop de rotor wordt gestopt indien de zon schijnt en de turbine draait omdat er op die momenten slagschaduw valt op woningen waar de betreffende turbine bijdraagt aan een overschrijding van de norm. Een dergelijke voorziening leidt tot een productieverlies. De totale stilstandsduur kan met een zonneschijnsensor beperkt worden door de turbine alleen te stoppen op geprogrammeerde tijden indien ook tegelijkertijd de zon schijnt. Wanneer de zon niet schijnt zal er ook geen sprake zijn van slagschaduw en kan de turbine door blijven draaien. Wanneer de definitieve keuze van het turbinetype bekend is zal er een stilstandskalender worden bepaald waarmee de stilstandsvoorziening van de turbines kan worden geprogrammeerd. De benodigde mitigerende maatregelen die nodig zijn om voor het windpark aan de slagschaduwnorm te kunnen voldoen wordt maximaal ingeschat op 2,840Zo productieverlies. Met een dergelijk productieverlies is de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding.
Cumulatie met andere windturbines De cumulatieve hinderduur voor slagschaduw van het project Windwinning Hoeksebaan met de bestaande windturbines in windpark Nieuwe Waterweg en op landtong Rozenburg wordt gegeven in Tabel 5.5 en Figuur 5.3.
46
Figuur ĥ 3 Slaasnhariiiwnnnfniimn ņumuļaįįfrf van verminde winrfŕnrhin&s en nieuwe winriŕurhinąs
PONDERA Legenća
'| AM MMOrtUHl ^uroe WKftuifrnts SstuŕkJt CflVittyH'.'flrinjļr,
JiAWMypíiOťl İIj.ĵm h.wiľ.v /oev I-*' 'J1-..I
J JpUl u01 i'*' YYTÜĨ iŕń
!* įSíįy" L^tor
Voor de referentiewoningen is de verwachte slagschaduw per jaar (referentiesituatie en toekomstige cumulatieve situatie) gegeven in Tabel 5.5. Voor de referentiesituatie is uitgegaan van de maximaal mogelijke slagschaduw op de referentiewoningen. In de praktijk zou het mogelijk kunnen zijn dat de slagschaduw van de bestaande windturbines op woningen wordt beperkt middels een stilstandvoorziening en dat daardoor de jaarlijkse slagschaduwduur op woningen lager is dan gegeven in Tabel 5.5. In de huidige situatie met de bestaande windturbines is er (zonder rekening te houden met de stilstandvoorziening) sprake van slagschaduwhinder op een drietal toetspunten (Nieuw Oranjekanaal 99 en 115a en Slachthuisweg 1: zie onder referentiesituatie Tabel 5.5). Omdat ook deze windturbines moeten voldoen aan het Activiteitenbesluit zijn deze windturbines in praktijk voorzien van een stilstandregeling om te voldoen aan de norm. De windturbines Windwinning Hoeksebaan dragen op de toetspunten Nieuw Oranjekanaal 99 en 115a niet extra slagschaduw bij. Op toetspunt Slachthuisweg 1 is er geen sprake (meer) van een woning. Hier is volgens het geldende bestemmingsplan een paardenhouderij met bijbehorende agrarische hulpgebouwen toegestaan. Er zijn diverse schuren en stallen aanwezig. Een woning is niet toegestaan en niet aanwezig.
Er is derhalve ook geen sprake van een voor slagschaduw gevoelig object en zijn er geen maatregelen vanuit cumulatie van slagschaduw nodig.
47
Tabel 5.5 Slagschaduwduur Windwinning Hoeksebaan cumulatief met andere windturbines [uu:mm per jaar] Toetspunt
Adres
Referentie situatie
Windwinning Hoeksebaan
Cumulatief
tp01
Zekkenstraat 2B
5:52
16:33
22:43
tp02
Kulkweg 199
3:14
30:38
33:59
tp03
Dwarshaak 30
0:57
45:41
46:33
tp04
Dwarshaak 26
0:46
44:34
45:21
tp05
Dwarshaak 16
2:17
35:22
37:40
tp06
Dwarshaak 10
1:10
33:02
34:13
tp07
Bonnenweg 2
2:45
42:18
45:03
tp08
Slachthuisweg 1
17:50
16:53
35:02
tp09
Nieuw Oranjekanaal 115A
44:33
-
44:33
tp10
Nieuw Oranjekanaal 99
28:00
-
28:00
tp11
Nieuwe Oranjekanaal 51
1:47
30:28
32:27
tp12
Zekkenstraat 33
0:53
7:23
3:22
tp13
Prins Hendrikstraat 50B
--
2:27
2:27
tp14
Tuymelaerstraat 20
--
6:02
5:02
tp15
Haakweg 35
1:46
9:16
11:03
tpie
Bonnenlaan 4
--
5:52
5:52
tp17
Oranjepolderweg 30
1:07
2:21
3:32
—: geen slagschaduw
Slagschaduw op andere objecten dan woningen In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook gekeken naar het effect van slagschaduw op niet-gevoelige objecten. In dit geval zijn enkele omliggende bedrijven met kantoorfunctie ingevoerd in het rekenmodel om te kijken in hoeverre deze bedrijven slagschaduw ervaren door Windwinning Hoeksebaan. In Tabel 3.3 zijn de optredende slagschaduwduren voor de referentiesituatie, Windwinning Hoeksebaan én de cumulatief situatie weergegeven. Naast de gemiddelde hoeveelheid slagschaduw per jaar is vervolgens berekend hoeveel van deze slagschaduw tijdens bedrijfstijd optreedt. Voor deze berekening is uitgegaan van bedrijfstijden tussen 7:30 uur en 17:30 uur, de zomertijd-periode van het jaar 2022 en 5A7e kans dat de slagschaduw op een weekdag optreedt. De hoeveelheid slagschaduw per jaar (als gevolg van Windwinning Hoeksebaan) die tijdens bedrijfstijd kan optreden is gegeven in Tabel 5.7. In verband met het wijzigen van de aanvangsdatum en einddatum van de zomertijd ieder jaar kunnen de tijden miniem afwijken voor andere jaren dan 2022.
48
Tahĥl ĥ fí fĩlannchaduwdiiur Winrlwinninn Hnakaahaan nn nahiinñlñnñn hĥririiwĥn fu mm nar iaarl
Toetspunt
Adres
Referentiesituatie
Windwinning Hoeksebaan
Cumulatief
b01
Amersgat 17
8:53
35:47
45:22
b02
Slachthuisweg 50
11:42
62:08
74:15
b03
Priel 80
7:21
93:26
101:04
b04
Kulkweg 102
4:30
122:33
127:17
bQ5
Kulkweg 60
6:54
94:29
101:43
b06
Zuidergors 101
10:13
4:46
15:00
b07
Zuidergors 9
7:27
6:39
14:05
boe
Kwelder 12
6:00
6:50
12:47
b09
Dwarskulk 4
5:15
9:24
14:35
b10
Nieuw Oranjekanaal 45
20:36
--
20:36
geen slagschaduw
Tabel 5.7 Slagschaduwduur tijdens bedrijfstijd[u:mm perjaar] Toetspunt
bedrijf
Adres
Windwinning Hoeksebaan
bOI
tnanspo 4551; rijf
Amsrsçal 17
25:40
bŮ2
chemisch bedrit
Slachlhuisweç 50
39:06
b03
bandenserv ce
Priel 80
66:26
b04
producent āl'íydharsen
Kulkweg 102
37:35
b05
ontwikkelaar innovatieve tuinbouwp'ojecten
Kulkľ.veg 60
53:41
b06
betfrijfsverzamelgebouw
Zuide'gors 101
3:24
b07
betüjfsverzannelgebouw
Zuidergors 9
4:45
bOS
betüjfsverzannelgebouw
Kwe der 12
4:50
b09
transpodbecrif
D'.vārskulk 4
6:43
b10
atvalve-rwerke r en recyclebed'ijf
N euw Oranjekanaal 45
—
geen slagschaduw
Er is een aanzienlijke hoeveelheid jaarlijkse slagschaduwduren die optreden tijdens bedrijfstijden bij toetspunten b01, b02, b03, b04 en b05. Doordat de onderzochte bedrijven panden met kantoorfunctie of panden waar een kantoordeel aanwezig is betreffen, kan er hinder worden ondervonden door mensen die langdurig op één plek aanwezig zijn in het kantoor. Er kunnen maatregelen worden getroffen voor het beperken van slagschaduwhinder door bijvoorbeeld het toepassen van zonwering bij de gevels waar slagschaduw wordt verwacht of het toepassen van een stilstandvoorziening voor de windturbines. Er is geen aanleiding om voor bedrijven dezelfde norm voor slagschaduw te hanteren als voor woningen. De mitigerende maatregelen die getroffen worden voor woningen hebben al een beperkt positief effect op bedrijven. De initiatiefnemers hebben daarnaast gesprekken gevoerd met de bedrijven die slagschaduw kunnen gaan ondervinden van Windwinning Hoeksebaan om te inventariseren of de bedrijven verwachten hinder te ondervinden, en zo ja op welke wijze deze hinder dan tot een acceptabel niveau kan worden beperkt bijvoorbeeld het toepassen van zonwering. Elk bedrijf heeft daarin gezien de aard van de bedrijvigheid andere behoeftes.